Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2026

 

0. Inleiding

In dit document staan de aanvullende regels op de Verordening Sociaal Domein.

Hierin wordt uitgelegd hoe aanvragen worden beoordeeld, voor wie de beleidsregel geldt en wat er van de inwoner wordt verwacht. Ook staat er uitleg over de soorten voorzieningen en welke stappen gezet worden voordat een beslissing wordt genomen

Bij het toepassen van de beleidsregels houdt het college altijd rekening met de landelijk geldende wetten. Hierbij gaat het college niet alleen uit van de wet en de regels, maar ook van de bedoeling van de regels. Dit betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de letterlijke bepalingen van de regels, maar ook naar wat deze regels beogen te bereiken. De regels zijn daarmee een aanvulling op de wet en de Verordening Sociaal Domein gemeente Overbetuwe.

 

De gemeente Overbetuwe vindt het belangrijk dat ondersteuning beschikbaar blijft voor inwoners die dat echt nodig hebben. Steeds meer mensen vragen om zorg en ondersteuning, terwijl er (te) weinig personeel is en de kosten blijven stijgen. Daarom werken we aan manieren om ondersteuning bij opgroeien en opvoeden, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, financiële bestaanszekerheid en andere vormen van ondersteuning goed, betaalbaar en dichtbij te organiseren.

 

We geloven in een samenleving waar mensen elkaar helpen. Dat begint met zelfredzaamheid. We moedigen inwoners aan om tijdig maatregelen te nemen om problemen te voorkomen. De rol van het eigen netwerk is daarbij van groot belang, maar ook die van de omgeving: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie.

 

Samen bouwen we aan een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken, ervaringen delen en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Deze sociale netwerken versterken de eigen kracht van mensen. Pas als deze oplossingen niet voldoende zijn, kijken we naar professionele ondersteuning.

Het uitgangspunt is dat onze inwoners hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen inzetten. We normaliseren, dus zoeken eerst naar gewone oplossingen en zetten professionele zorg alleen in wanneer dat echt nodig is. Soms is lichte, algemeen toegankelijke ondersteuning genoeg en soms is specialistische ondersteuning nodig. Door zo te werken blijft er voldoende zorg beschikbaar voor inwoners met zwaardere of complexe problemen.

 

We weten ook dat problemen bij het leven horen en dat er niet voor iedere vraag een antwoord (noodzakelijk) is. Met gezamenlijke betrokkenheid en ondersteuning willen we mensen helpen hier zo goed mogelijk mee om te gaan. We vinden het als gemeente belangrijk om nu en in de toekomst met elkaar zorg en ondersteuning te kunnen blijven bieden en een bijdrage te kunnen leveren aan het welzijn van alle inwoners van Overbetuwe.

 

Dit document beschrijft de manier waarop de gemeente Overbetuwe werkt. De beleidsregels zijn een uitwerking op de Verordening Sociaal Domein.

1. Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

1.1 Gebruikelijke hulp

We gaan uit van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van onze inwoners. Samen met de inwoner kijken we eerst naar oplossingen binnen het bereik van de inwoner. Professionele hulp zetten we alleen in als dat echt nodig is. Dit betekent dat partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar waar nodig ondersteunen.

Dit noemen we gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp: is alle gewone (maatschappelijk aanvaarde) dagelijkse ondersteuning die huisgenoten (partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar bieden).

Voor gebruikelijke hulp wordt geen voorziening ingezet vanuit de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het is aan de inwoner zelf hoe deze de gebruikelijke hulp wil vormgeven. Dit kan ook met hulp van het netwerk of door particulier hulp in te kopen.

 

Een huishouden kan verschillend van samenstelling zijn. Eén of meer ouders met minderjarige kinderen of juist met meerderjarige kinderen of samenwonende partners of huisgenoten die bij elkaar wonen om een andere reden.

Vanzelfsprekend worden van ouders andere dingen verwacht dan van volwassen huisgenoten onderling. We gaan dan ook in op verschillende situaties:

  • Gebruikelijke hulp van meerderjarige huisgenoten onderling (> 21 jaar);

  • Gebruikelijke hulp in geval van jongvolwassenheid (18 – 21 jaar);

  • Gebruikelijke hulp van kinderen op basis van hun (ontwikkelings)leeftijd;

  • Gebruikelijke hulp van ouders voor hun minderjarige kinderen;

1.1.1 Gebruikelijke hulp van meerderjarige huisgenoten onderling

Van volwassen huisgenoten wordt verwacht dat zij de taken binnen een huishouden overnemen als een andere huisgenoot daar niet (meer) toe in staat is.

Het kan gaan om de huishoudelijke taken, zoals het schoonmaken van het huis, de wasverzorging, de boodschappen en het verzorgen van de maaltijden. Het kan ook gaan over het overnemen van administratieve en -regeltaken. Ook het vergezellen van de inwoner naar (medische) afspraken is een vorm van gebruikelijke hulp. En wanneer dit nodig is, de omgeving uitleg geven en helpen met het omgaan met de beperking van de inwoner.

Een huisgenoot die verder gezond is, maar de vaardigheden mist of de taken niet gewend is, moet ook de gebruikelijke hulp leveren. Of zorgen dat iemand anders dit doet, als hij of zij dat een betere oplossing vindt.

Het hebben van een (drukke) baan ontslaat iemand niet van de plicht om gebruikelijke hulp te bieden. Dit geldt niet als degene tenminste 7 etmalen aaneengesloten van huis is voor werk en het werk een verplichtend karakter heeft.

1.1.2 Gebruikelijke hulp van jongvolwassenen (18 – 23)

Van jongvolwassenen wordt niet verwacht dat zij het volledige huishouden overnemen in het geval hun huisgenoot (vaak een ouder) niet (meer) in staat is om de taken uit te voeren.

Het uitgangspunt is dat een jongvolwassene een éénpersoonshuishouden kan voeren. Dat wil dan zeggen: het schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de eigen was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen.

Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.

1.1.3 Gebruikelijke hulp van minderjarige kinderen op basis van hun (ontwikkelings)leeftijd

Kinderen kunnen in beperkte mate bijdragen aan het huishouden . We houden daarom ook rekening met de (ontwikkelings)leeftijd van kinderen.

Toch kunnen kinderen, zeker de wat oudere kinderen meehelpen in huis, waarbij we de volgende verwachting hebben:

  • Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan het huishouden;

  • Kinderen van 5 tot en met 12 jaar kunnen betrokken worden bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals:

    • o

      Huis opruimen;

    • o

      Tafeldekken/afruimen;

    • o

      Afwassen, de vaatwasser in- en uitpakken;

    • o

      De eigen kleding in de wasmand doen.

  • Jongeren van 13 tot en met 17 jaar kunnen helpen bij lichte huishoudelijke werkzaamheden. Naast de hierboven genoemde taken kan dit gaan om:

    • o

      Hun eigen kamer op orde houden en schoonmaken;

    • o

      Bed verschonen.

1.1.4 Gebruikelijke hulp van ouders voor hun minderjarige kinderen

Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de basisbehoeften en persoonlijke ontwikkeling van hun kinderen. Om deze persoonlijke ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind goed te laten verlopen zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:

  • een veilige en beschermde woonomgeving, zowel fysiek als sociaal;

    • o

      ouderlijke aanwezigheid;

    • o

      het bieden van ouderlijk toezicht;

    • o

      een veilige woonomgeving;

  • een passend pedagogisch klimaat en stimulans in de ontwikkeling van hun kind;

    • o

      het bieden van structuur;

    • o

      het bieden van begeleiding bij de ontwikkeling;

  • verzorging, begeleiding en opvoeding;

    • o

      voorzien in primaire levensbehoefte, zoals voeding en kleding;

    • o

      zorgdragen voor persoonlijke hygiëne;

    • o

      begeleiden in het maatschappelijk verkeer zoals naar school, sport, familie, vrienden etc.gaan;

    • o

      het begeleiden naar huisarts, ziekenhuis of therapie

Minimaal noodzakelijke gebruikelijke hulp op basis van (ontwikkelings)leeftijd

We gebruiken hieronder de term jeugdige voor het minderjarige kind, omdat dit de gebruikelijke term is, zoals de Jeugdwet die hanteert.

Er zijn algemeen aanvaardbare kaders, wat jeugdigen gemiddeld zelf kunnen en waar zij (nog) hulp van hun ouders nodig hebben. Deze kaders geven richting aan wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.

 

Jeugdigen van 0 tot en met 4 jaar:

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;

  • hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;

  • moeten volledig verzorgd worden (aan- en uitkleden, eten, wassen);

  • hoeven tot 4 jaar niet zindelijk te zijn;

  • hebben begeleiding nodig bij hun sport-, spel- en vrijetijdsbesteding, doorgaans niet in verenigingsverband;

  • zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven.

Jeugdigen van 5 tot en met 11 jaar:

  • hebben een reguliere dagbesteding op school;

  • kunnen niet zonder toezicht van volwassenen;

  • hebben toezicht nodig bij hun persoonlijke verzorging;

  • zijn zindelijk overdag en vaak ook ’s nachts;

  • sporten of hebben hobby’s, vaak in verenigingsverband;

  • hebben begeleiding nodig in het verkeer wanneer ze zelfstandig naar activiteiten gaan.

Jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar:

  • hebben geen hulp bij persoonlijke verzorging nodig, maar soms wel toezicht;

  • kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden, vanaf 16 jaar kunnen zij zo nu en dan overdag en 's nachts alleen gelaten worden;

  • hebben bij vrijetijdsbesteding (veelal) geen begeleiding nodig in het verkeer;

  • hebben sport- en hobbyactiviteiten in verenigingsverband, waarvan de frequentie kan variëren;

  • hebben een reguliere dagbesteding op school of in een opleiding;

  • kunnen begeleiding nodig hebben bij ontplooiing, bijvoorbeeld bij huiswerk of bij hun sociale ontwikkeling.

Niet ieder kind is hetzelfde

De hierboven genoemde gebruikelijke hulp betreft een bandbreedte van wat in het algemeen aan gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen verwacht wordt. Het gaat hier wel om kaders die aangeven wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.

 

Maar van ouders wordt verwacht dat zij hulp bieden aan hun kinderen, ook als er meer nodig is dan gemiddeld. Dit betekent dat ook in geval van specifieke hulpbehoeften van jeugdigen met beperkingen of (complexe) problematiek ouders binnen hun vermogen de noodzakelijke hulp en ondersteuning moeten bieden. Dus ook wanneer deze de bovenstaande kaders (ver) te boven gaan.

 

Een uitzondering hierop vormt langdurige persoonlijke verzorging (douchen, wassen, lichamelijke verzorging). Wanneer deze langdurig noodzakelijk is (langer dan 3 maanden) en op basis van de (ontwikkelings)leeftijd (en de wensen van de ouder en/of de jeugdige) is het onwenselijk dat ouders deze verzorging bieden, kan persoonlijke verzorging in natura vanuit de Jeugdwet worden toegekend.

 

Afzonderlijke verantwoordelijkheid van beide ouders

Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers) werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over.

Deze zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.

 

1.2 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

Inwoners hebben zelf regie over hun eigen leven en een eigen verantwoordelijkheid hoe zij hun leven inrichten. De gemeente Overbetuwe vraagt van inwoners om de eigen kracht te benutten. Daarmee bedoelen we de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner (waaronder ouders en jeugdigen), waaronder hun sociaal netwerk om problematiek rond gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) en rond zelfredzaamheid en participatie (Wmo) zelf het hoofd te bieden. De inzet vanuit de wet is mede afhankelijk van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.

 

Voorbeelden van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn (de voorbeelden gaan zowel over de Wmo, als de Jeugdwet- zie ook 1.6):

  • Inschakelen van een vrijwilliger;

  • Herinrichten van de woning of het verplaatsen van voorwerpen zodat de woning beter gebruikt kan worden;

  • Relaties uit het sociaal netwerk inzetten;

  • Deelnemen aan een opvoedcursus of psycho-educatie

  • Een beroep doen op andere wet- en regelgeving.

  • Het zelf aanschaffen van een voorziening. De gemeente mag vragen om een algemeen gebruikelijke voorziening zelf te financieren. Als een inwoner dit zelf kan organiseren, dan is dat ook een passende oplossing.

  • Het zoeken naar voorliggende en eerstelijnsvoorzieningen om de inwoner fysiek sterker en mentaal weerbaarder te maken met de inzet van bijvoorbeeld fysio- of ergotherapie.

1.2.1 Als het zwaar valt om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten

Het uitgangspunt is, dat voor gebruikelijke hulp geen voorziening ingezet wordt vanuit de Jeugdwet of de Wmo. Toch zijn er omstandigheden denkbaar waarin gebruikelijke hulp, hoe normaal ook, een huishouden zwaar valt. Wanneer dit het geval is kan de gemeente de inwoner ondersteunen bij het inzetten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen om zo tot een oplossing te komen.

Zo kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst ondersteunen bij het aanspreken van het eigen netwerk om te helpen bij de gebruikelijke hulp. Ook kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst de inwoner in contact brengen met voorzieningen in het voorliggend veld om mee te helpen naar het zoeken van een oplossing.

De gemeente respecteert de wens van inwoners, wanneer zij geen gebruik willen maken van andere mogelijkheden of het zoeken naar deze mogelijkheden. Maar dit leidt niet tot het inzetten van een voorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo, wanneer het om gebruikelijke hulp gaat.

1.2.3 Als het (tijdelijk) niet mogelijk om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten

Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij ook met (en eventueel na inzet van) bovengenoemde hulp vanuit de gemeente geen oplossing gevonden wordt.

In die gevallen kan binnen de kaders van de Jeugdwet of Wmo in uitzonderlijke situaties toch (tijdelijk) een voorziening ingezet worden.

 

We onderscheiden hier twee situaties:

  • de huisgenoot (waaronder ouder) lukt het niet, ook niet met hulp, om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in zetten

  • de omstandigheden zijn zo ernstig en er is zoveel mantelzorg dat al gedaan wordt door de huisgenoot, dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen de grens hebben bereikt

Het lukt niet om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in te zetten

In sommige situaties is het systeem van het huishouden zo belast, dat het niet meer lukt om de gebruikelijke hulp te leveren. We spreken dan van (dreigende) overbelasting.

Bij (dreigende) overbelasting is er medisch objectiveerbaar sprake van klachten die maken dat én de gebruikelijke hulp niet gegeven kan worden én dat het niet mogelijk is om zelf (of met hulp) te komen tot een oplossing, waardoor dit wel weer lukt.

 

In deze situaties kunnen we tijdelijk een voorziening inzetten. De inzet van deze voorziening is tijdelijk en beperkt, omdat het uiteindelijke doel is dat huisgenoten (al dan niet met hulp uit het netwerk) de gebruikelijke hulp weer kunnen leveren.

Aan de inzet van deze tijdelijke voorziening is de voorwaarde verbonden dat de inwoner en de huisgenoten meewerken aan ondersteuning die de mogelijkheden en het probleemoplossend vergroot.

 

Er is sprake van een uitzonderlijk zware belastende situatie

Het kan ook vóórkomen dat de situatie binnen het huishouden zo ernstig is, dat dit al het maximale beroep doet op de draagkracht en draaglast van de gezinsleden.

In deze situaties wordt vaak al veel mantelzorg gegeven en kan er ook sprake zijn van overbelasting bij de mantelzorgers. Hier kan de gemeente een voorziening inzetten vanuit de Wmo of Jeugdwet om de situatie in het huishouden te ondersteunen en de mantelzorger te ontlasten. Deze voorziening kan ingezet worden zolang de omstandigheden niet wijzigen.

Voorbeelden van een dergelijke situatie kunnen zijn: de aanwezigheid van een dementerende partner, een terminale ziekte, de verzorging van een ernstig zorgbehoevende inwoner of kind.

 

1.3 Mantelzorg

Veel inwoners bieden hulp en ondersteuning aan een inwoner uit hun sociale netwerk.

Wanneer deze hulp langdurig (langer dan 3 maanden) en/of meer dan 8 uur per week is, spreken we over mantelzorg.

 

Bij het overnemen van taken van een huisgenoot (gebruikelijke hulp) is er geen sprake van mantelzorg. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Daarnaast is mantelzorg niet afdwingbaar, waar gebruikelijke hulp dat wel is. Mantelzorg kan zeer intensief zijn. De hulp kan gaan om ondersteuning bij noodzakelijke dagelijkse activiteiten, maar ook om (persoonlijke) verzorging.

 

(Dreigende) overbelasting bij mantelzorgers

Mantelzorgers leveren een grote bijdrage aan onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat mantelzorgers zo lang mogelijk in staat zijn hun zorg te leveren. In het geval van (dreigende) overbelasting kan een maatwerkvoorziening of pgb worden ingezet om de mantelzorger langdurig in staat te stellen de zorg uit te voeren.

2. Bestaanszekerheid en inburgering

(Participatiewet in balans, IOAW, IOAZ, Wet Inburgering 2021, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Armoedebeleid)

 

Werk

 

2.1 Jobcoaching

2.1.1 Wettelijke verplichting inzet jobcoaching

Inwoners die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben aanspraak op begeleiding op de werkvloer, zoals genoemd in artikel 10da van de Participatiewet. Het college bepaalt of de begeleiding op de werkplek ook nodig is. Het college is niet verplicht om altijd begeleiding op de werkvloer in te zetten wanneer er sprake is van loonkostensubsidie.

2.1.2 Inzet van Jobcoaching

Jobcoaching wordt ingezet wanneer een inwoner loonkostensubsidie ontvangt én begeleiding bij het werk noodzakelijk is. Hier kan in sommige situaties van afgeweken worden. In overleg met de werkgever beslist het college welke vorm van jobcoaching, zoals genoemd in artikel 2.1.3, wordt ingezet. Daarnaast beslist het college over de duur en de intensiteit van de jobcoaching die wordt ingezet.

 

Algemene uitgangspunten

  • 1.

    Er wordt maatwerk geleverd en de jobcoaching wordt niet langer dan noodzakelijk ingezet.

  • 2.

    Het college bepaalt samen met de werkgever, inwoner en jobcoach hoe lang jobcoaching noodzakelijk is en is degene die dit proces bewaakt. Daarnaast bepaalt het college ook op welk moment in het proces de jobcoach wordt ingezet.

2.1.3 verschillende vormen van Jobcoaching

Er zijn verschillende vormen van Jobcoaching: de interne werkbegeleider, de jobcoach Overbetuwe, de interne jobcoach en de externe jobcoach. Om te bepalen welke vorm van jobcoaching wordt ingezet volgt het college de volgende stappen:

  • 1.

    Wanneer er geen begeleiding nodig is of er al voldoende begeleiding is vanuit de werkgever of vanuit het eigen netwerk dan zal er geen jobcoaching worden ingezet.

  • 2.

    Wanneer (extra) begeleiding wel nodig is wordt eerst gekeken of de inzet van een interne werkbegeleider voldoende is. Met een interne werkbegeleider wordt bedoeld dat iemand is opgeleid tot Harrie. Dit is een tweedaagse training waarin iemand wordt opgeleid in de begeleiding van iemand met een arbeidsbeperking. Hiervoor worden afspraken gemaakt met het Werkgeversservicepunt (WSP). Meer informatie is te vinden op: www.ikbenharrie.nl

  • 3.

    Wanneer een interne werkbegeleider niet passend is wordt de Jobcoach Overbetuwe ingezet. Dit is de jobcoach die in dienst is van de gemeente Overbetuwe.

  • 4.

    Als specialistische jobcoaching nodig is of wanneer het niet mogelijk is om de jobcoach Overbetuwe in te zetten, dan kan het college interne of externe jobcoaching inzetten. Interne jobcoaching is een jobcoach in dienst van de werkgever. Externe jobcoaching is een jobcoach van een gespecialiseerde externe organisatie die hiervoor wordt ingekocht.

2.1.4 Budgetplafond externe jobcoaching

Voor externe jobcoaching is er een budgetplafond van €50.000 per kalenderjaar. Als aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan (artikel 1.2.3, vierde lid), kan het college externe jobcoaching inzetten als budget beschikbaar is. Als het budgetplafond is bereikt of overschreden dreigt te worden, zet het college geen externe jobcoaching meer in. Externe jobcoaching die op dat moment al loopt zal doorlopen tot het einde van het kalenderjaar.

 

2.2 Loonkostensubsidie

Loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers en compenseert in de loonkosten voor de verminderde productiviteit van de werknemer. De subsidie is een tegemoetkoming aan de werkgever in de loonkosten en compenseert het verschil tussen de verminderde productiviteit (de loonwaarde) en het minimumloon en vergoedt een percentage van de werkgeverslasten.

2.2.1 forfaitaire loonkostensubsidie

Bij indiensttreding kan forfaitaire loonkostensubsidie toegekend worden. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50 procent van het referentiemaandloon en geldt voor een periode van maximaal 6 maanden. In de vierde maand van deze periode wordt de loonwaarde gemeten op de werkplek. Vanaf de 7e maand wordt de loonkostensubsidie betaald op basis van een loonwaardemeting. Forfaitaire loonkostensubsidie kan eenmalig worden ingezet voor inwoners bedoel in artikel 1.2.2, derde lid. Wanneer de Forfaitaire Loonkostensubsidie ingezet voor deze inwoners eindigt na maximaal 6 maanden gaat dit niet over in loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting.

2.2.2 voorwaarden loonkostensubsidie

Er kan loonkostensubsidie worden ingezet voor een inwoner die aan het werk gaat én tot de gemeentelijke re-integratiedoelgroep behoort. De inwoner moet zicht hebben op een betaald contract én:

  • 1.

    is opgenomen in het landelijke Doelgroepregister Banenafspraak; of

  • 2.

    meer dan één jaar werkeloos is maar niet opgenomen bent in het Doelgroepregister Banenafspraak; of

  • 3.

    korter dan één jaar werkloos, is niet opgenomen in het Doelgroepregister Banenafspraak, maar er bestaat een onderbouwd vermoeden van verminderde loonwaarde op basis van tempo, kwaliteit en/of netto werktijd.

Het is mogelijk voor een werkgever om loonkostensubsidie aan te vragen voor een werknemer die al aan het werk is bij het bedrijf is . Dit is mogelijk als blijkt dat de werknemer:

  • 4.

    Blijkt tijdens het dienstverband verminderd productief te zijn; én

  • 5.

    Behoorde in de zes maanden voorafgaand aan de indiensttreding tot de gemeentelijke re-integratie doelgroep of volgde VSO/PRO of entree onderwijs.

In deze gevallen geldt dat de aanvraag voor loonkostensubsidie in de eerste 6 maanden van het dienstverband moet zijn ingediend bij het college. Er zal dan altijd een loonwaardemeting worden uitgevoerd. Forfaitaire loonkostensubsidie is bij werkenden niet van toepassing.

2.2.3 Hoogte loonkostensubsidie

Om loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever dient de werkgever de werknemer volledig loon volgens de geldende CAO of ten minste het wettelijk minimumloon te betalen. De hoogte van de loonkostensubsidie is als volgt:

  • 1.

    De hoogte van de loonkostensubsidie is vastgelegd in artikel 10d, vierde lid, Participatiewet.

  • 2.

    Voor de loonkosten boven het wettelijk minimumloon ontvangt de werkgever geen loonkostensubsidie.

2.2.4 loonwaarde bepalen

De loonwaarde wordt bepaald op de werkplek van de werknemer. Bij de loonwaardebepaling wordt onderzocht wat de productiviteit van betrokken persoon is ten opzichte van werknemers zonder beperking. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een loonwaarde-expert op basis van vragenlijsten en gesprekken met de werkgever en werknemer. Factoren die gemeten worden zijn onder meer tempo, inzetbaarheid, kwaliteit van het werk en de mate van begeleiding die noodzakelijk is. Een loonwaardemeting kan pas worden ingezet als er voldoende zicht is op de arbeids­prestatie. Dat betekent dat een medewerker minimaal twee maanden aan het werk is. Dat kan ook via bijvoorbeeld een werkervaringsplaats of een proefplaatsing.

2.2.5 Duur loonkostensubsidie

De duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de ontwikkeling van de werknemer. Daarom wordt op afgesproken momenten opnieuw een meting uitgevoerd en de loonwaarde vastgesteld. Zodra de loonwaarde gelijk is aan 100% is, stopt de subsidie.

2.2.6 verhuizing

Als de werknemer verhuist naar een andere gemeente, draagt het college de loonkostensubsidie over naar de nieuwe gemeente, per de verhuisdatum. De werkgever hoeft hier geen aanvraag voor in te dienen. Dit regelen gemeenten onderling. De werkgever ontvangt een beëindiging van de oude gemeente en een toekenning van de nieuwe gemeente.

 

2.3 Re-integratievoorzieningen

2.3.1. Werkervaringsplek

  • 1.

    Het college kan een werkervaringsplek aanbieden als een inwoner nog niet actief is geweest op de arbeidsmarkt of langdurig werkloos is geweest. De werkervaringsplek wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de werkgever en de inwoner.

  • 2.

    Een werkervaringsplek wordt uitgevoerd in de vorm van werken met behoud van uitkering.

  • 3.

    Een werkervaringsplek kan worden aangeboden aan een persoon behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, voor zover de desbetreffende persoon zonder die werkstage niet in staat is om in te stromen in algemeen geaccepteerde arbeid.

  • 4.

    Een werkervaringsplek duurt 6 maanden en kan verlengd worden tot maximaal 6 maanden. Een werkervaringsplek kan in overleg mogelijk korter zijn.

  • 5.

    Een werkervaringsplek in een bepaalde functie kan slechts eenmaal bij dezelfde werkgever worden verricht.

  • 6.

    Bij het aangaan van een werkervaringsplek dient de werkgever een overeenkomst aan te gaan met de desbetreffende persoon en de gemeente. De overeenkomst bevat tenminste:

    • a.

      Het doel van de werkervaringsplek; en

    • b.

      De duur van de werkervaringsplek; en

    • c.

      De wijze waarop de begeleiding door de werkgever plaatsvindt; en

    • d.

      De wijze waarop de wettelijke aansprakelijkheidsverzekering is geregeld.

2.3.2. Scholing

  • 1.

    Een scholingstraject kan worden aangeboden aan een inwoner behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiserenwanneer dit samenhangt met een arbeidsovereenkomst voor minimale duur van zes maanden)

  • 2.

    De noodzaak wordt alleen dan aanwezig geacht, als de inwoner voorafgaand aan de scholing aantoonbare inspanningen heeft verricht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren.

  • 3.

    De scholing moet aansluiten op de mogelijkheden van de inwoner.

  • 4.

    De duur van het scholingstraject is maximaal 12 maanden.

  • 5.

    De scholing leidt tot volledige instroom in algemeen geaccepteerde arbeid. Hiermee wordt bedoeld dat een inwoner na het scholingstraject een inkomen heeft wat hoger is dan de voor hen geldeden bijstandsnorm.

  • 6.

    De kosten van de scholing of opleiding bedragen maximaal € 2.500,00.

  • 7.

    De werkelijk noodzakelijke kosten van vervoer en kinderopvang die een directe relatie hebben met de scholing als bedoeld in het eerste lid, komen voor een aanvullende vergoeding in aanmerking overeenkomstig de bepalingen in artikel 1.4.10.1 en 3.2.7 van deze beleidsregels.

  • 8.

    Indien het voor de kansen op werkaanvaarding noodzakelijk wordt geacht, kan in bijzondere individuele omstandigheden worden afgeweken van het bepaalde in het vierde en vijfde lid.

2.3.3. Participatieplaats

  • 1.

    Er wordt geen gebruik gemaakt van participatieplaatsen in Overbetuwe. In plaats daarvan is een werkervaringsplek mogelijk.

2.3.4. Participatievoorziening beschut werk

  • 1.

    Er zal zoveel mogelijk worden ingezet op plaatsing bij een reguliere werkgever. Wanneer dit niet mogelijk is en tijdelijk extra inzet noodzakelijk is, kan een persoon met de indicatie beschut werk worden geplaatst bij Scalabor.

  • 2.

    Het college kan een ondersteuningsvergoeding verstrekken aan een werkgever die een inwoner met de indicatie beschut werk in dienst neemt voor een beschutte baan.

  • 3.

    De hoogte van de ondersteuningsvergoeding is hetzelfde voor iedere gemeente binnen de arbeidsmarksregio Midden-Gelderland. De ondersteuningsvergoeding is een jaarlijks vast bedrag en is niet gerelateerd aan het aantal uren dat iemand werkzaam is.

  • 4.

    De werkgever ontvangt geen compensatie voor de achterblijvende omzet.

2.3.5. Proefplaatsing

  • 1.

    Een bijstandsgerechtigde kan een proefplaatsing bij een werkgever aangeboden krijgen als dit noodzakelijk is voor de inschakeling in de arbeid.

  • 2.

    De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een reguliere detacherings- of arbeidsovereenkomst bij een werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de bijstandsgerechtigde een detacherings- of arbeidsovereenkomst aan te bieden.

  • 3.

    De proefplaatsing wordt aangeboden gedurende maximaal 40 uur per week. De bijstandsgerechtigde ontvangt geen beloning en er wordt geen arbeidsovereenkomst aangegaan met de bijstandsgerechtigde.

  • 4.

    Er kan tijdens de proefplaatsing een loonwaardemeting worden uitgevoerd.

  • 5.

    Een proefplaatsing kan niet worden ingezet wanneer voor dezelfde persoon bij dezelfde werkgever een werkervaringsplaats is ingezet.

2.3.6 Ondersteuning bij het beter beheersen van de Nederlandse taal

  • 1.

    Aan een bijstandsgerechtigde inwoner, die niet beschikt over de vaardigheden van de Nederlandse taal, of deze niet kan aantonen, kan een taaltraject aangeboden worden als deze het aantal plekken dat de gemeente heeft toegekend heeft gekregen bij ROC Rijn IJssel niet overschrijdt.

  • 2.

    Het taaltraject kan als bereidverklaring van artikel 18b, zesde lid, onderdeel a van de Participatiewet worden beschouwd.

  • 3.

    Een taaltraject houdt rekening met de vermogens en beperkingen van de inwoner en bevat in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a.

      Ingangsdatum van de taalscholing;

    • b.

      Vorm van de taalscholing; en

    • c.

      Einddatum waarop de vaardigheden Nederlandse taal moeten zijn behaald.

  • 4.

    Het college draagt zorg voor de betaling van de directe kosten van de opleiding van het taaltraject (cursusgeld en boekengeld). De inwoner draagt zorg voor de betaling van de overige kosten die gemoeid zijn met het taaltraject (schriften, schrijfgerei, en dergelijke).

  • 5.

    Een taaltraject zal niet worden aangeboden aan een inwoner die volledig en duurzaam is ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, inburgeraars of indien er sprake is van een gediagnostiseerd leerprobleem waardoor de belanghebbende niet in staat is om zich de vaardigheden van de Nederlandse taal eigen te maken.

  • 6.

    Onverminderd de bepalingen van artikel 18b van de wet kan het college een taaltoets bij de inwoner afnemen wanneer het vermoeden bestaat dat de inwoner niet voldoet aan de voortgang die van hem verwacht mag worden bij het verwerven van de vaardigheden van de Nederlandse taal.

2.3.7 Kinderopvang

Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet die vanwege het volgen van een re-integratietraject gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden de hieraan verbonden kosten vergoed voor zover zolang zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024.

2.3.8 Andere voorzieningen en vergoedingen

 

2.3.8.1 Reiskosten

  • 1.

    Belanghebbende heeft geen recht op een reiskostenvergoeding als de enkele reisafstand korter is dan 10 kilometer en in staat is om deze afstand lopend en/of fietsend af te leggen.

  • 2.

    Het college vergoedt de eerste 10 kilometer wel als de enkele reisafstand langer is dan 10 kilometer.

  • 3.

    Het college bepaalt de reiskostenvergoeding op basis van het goedkoopste tarief openbaar vervoer.

  • 4.

    Reist belanghebbende een of twee keer per week naar een re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 187 per maand.

  • 5.

    Reist belanghebbende drie keer per week of meer naar een re-integratietraject, dan is de maximale vergoeding € 271 per maand.

  • 6.

    Het college betaalt de reiskostenvergoeding maandelijks.

  • 7.

    Het college betaalt de reiskostenvergoeding over de periode die met de belanghebbende is afgesproken (duur van re-integratietraject)

  • 8.

    Het college betaalt geen reiskostenvergoeding als de belanghebbende niet deelneemt aan het re-integratietraject.

  • 9.

    Het college betaalt geen reiskostenvergoeding meer als de inwoner niet langer valt onder artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet

  • 10.

    Het college vordert de reiskostenvergoeding geheel of gedeeltelijk terug als de belanghebbende onjuiste of onvolledige inlichtingen heeft gegeven.

2.3.8.2 Noodzakelijke werkplekaanpassingen

  • 1.

    De werkplekaanpassing voorziet in de verstrekking van een vergoeding voor de (eenmalige) noodzakelijke kosten van aanpassingen van de omstandigheden waaronder arbeid wordt verricht.

  • 2.

    De kosten worden alleen vergoed voor zover zij niet behoren tot de normale kosten van inrichting van een werkplek en er geen sprake is van een voorliggende voorziening.

  • 3.

    De vergoeding voor de werkplekaanpassing beperkt zich tot de goedkoopste adequate voorziening.

  • 4.

    Het college kan een voorziening werkplekaanpassing aanbieden aan een persoon uit de doelgroep loonkostensubsidie en/of een persoon met een structurele functionele beperking, die aan de volgende criteria voldoet:

    • a.

      de persoon verricht arbeid in een dienstbetrekking of werkt als zelfstandige;

    • b.

      de handicap duurt naar verwachting tenminste een jaar.

  • 5.

    Het college kan de volgende voorzieningen werkplekaanpassing aanbieden:

    • a.

      aanpassingen aan vervoersvoorzieningen;

    • b.

      meeneembare voorzieningen;

    • c.

      dienstverlening voor blinden, doven of motorisch gehandicapten (intermediaire diensten);

    • d.

      aanpassingen op de werkplek bij de werkgever.

  • 6.

    Een vergoeding voor een aanpassing aan fiets of auto bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden.

  • 7.

    Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden.

  • 8.

    Een vergoeding voor een werkplekaanpassing bij een werkgever bedraagt maximaal € 2.500,00 en wordt alleen verstrekt bij een dienstverband van minimaal 24 uur per week voor een periode van tenminste 6 maanden.

  • 9.

    Indien sprake is van beschut werk kan de vergoeding als bedoeld in het vorige lid worden verstrekt bij een dienstverband van minimaal 12 uur per week gedurende tenminste 6 maanden.

2.3.8.3 Kosten werkaanvaarding

  • 1.

    Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, Participatiewet, die uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid voor een periode van tenminste 6 maanden, kan in bijzondere gevallen het college besluiten een vergoeding te geven voor de kosten welke direct samenhangen met deze werkaanvaarding.

  • 2.

    Aannemelijk moet worden gemaakt, dat niet op een andere wijze in de financiering van deze kosten kan worden voorzien.

  • 3.

    De éénmalige vergoeding bedraagt maximaal € 500,00

 

Inburgering

2.4.1 Informatieverstrekking

  • 1.

    Het college informeert inburgeringsplichtigen over:

    • a.

      hun rechten en plichten op grond van de inburgeringswetgeving;

    • b.

      de MAP;

    • c.

      het PVT;

    • d.

      de leerroutes.

  • 2.

    Het college informeert statushouders over de maatschappelijke begeleiding.

2.4.2 Brede intake inburgeringsplichtigen

  • 1.

    Het college neemt de brede intake af zo snel mogelijk nadat de inburgeringsplichtige in de BRP van de gemeente is ingeschreven.

  • 2.

    Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief:

    • a.

      wat de brede intake inhoudt;

    • b.

      waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor de brede intake moet verschijnen;

    • c.

      dat de inburgeringsplichtige er recht op heeft om de gesprekken in het kader van de brede intake te voeren zonder dat daarbij andere mensen (bijvoorbeeld familieleden) aanwezig zijn dan onafhankelijke professionals;

    • d.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.

  • 3.

    Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen.

  • 4.

    Het college legt de relevante informatie die wordt verkregen in verband met de afname van de brede intake schriftelijk vast.

2.4.3. Passende leerroute inburgeringsplichtigen en aanbod leerrroute asielstatushouders

  • 1.

    Het college beoordeelt op basis van de gegevens die het COA bij de eventuele voorinburgering heeft verkregen en op basis van de uitkomsten van de brede intake en de leerbaarheidstoets welke leerroute voor de inburgeringsplichtige passend is.

  • 2.

    Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet.

  • 3.

    Het college stemt de keuze voor een leerroute in ieder geval af op de MAP, het PVT, de (eventuele) maatschappelijke begeleiding en het (eventuele) schuldhulpverleningsplan van aanpak.

  • 4.

    Het college neemt de leerroute op in het PIP.

  • 5.

    Het college registreert de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in het ISI.

  • 6.

    Het college verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute.

  • 7.

    Het college biedt asielstatushouders zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de vastgestelde leerroute kunnen voldoen.

  • 8.

    Als het aanbod uitblijft, dan registreert het college dat in het ISI.

  • 9.

    Het college registreert de deelname en afronding van de leerroute en het taalniveau in het ISI.

2.4.4. PVT inburgeringsplichtigen

  • 1.

    Het PVT bestaat in ieder geval uit:

    • a.

      een wekelijkse workshop van twee uren, gedurende zes weken en een bezoek aan een vrijheidsmonument; of

    • b.

      een wekelijkse workshop van twee uren, gedurende zes weken en een bezoek aan een vrijwilligerscentrale of een buurthuis.

  • 2.

    De frequentie en duur als bedoeld in het eerste lid, kan in het PIP worden afgestemd op de individuele omstandigheden van de inburgeringsplichtige, met dien verstande dat het aantal uren voor het volgen van de workshops minimaal twaalf bedraagt.

  • 3.

    Het college neemt het PVT op in het PIP.

  • 4.

    Het college biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP het PVT aan.

  • 5.

    Bij afronding van de in het eerste lid bedoelde activiteiten ontvangt de inburgeringsplichtige een uitnodiging voor de ondertekening van de participatieverklaring.

  • 6.

    Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief:

    • a.

      wat de ondertekening van de participatieverklaring inhoudt;

    • b.

      waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor ondertekening moet verschijnen;

    • c.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor de ondertekening verschijnt.

  • 7.

    Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en de ondertekening van de participatieverklaring liggen minimaal vijf werkdagen.

  • 8.

    Het college registreert de deelname aan en de ondertekende participatieverklaring in het ISI.

2.4.5. MAP Inburgeringsplichtigen

  • 1.

    De MAP bestaat in ieder geval uit:

    • a.

      minimaal twintig en maximaal veertig uren kennismaking met, en voorbereiding op de Nederlandse arbeidsmarkt in klassikale vorm; en

    • b.

      veertig uren stage.

  • 2.

    Het college beoordeelt op basis van de uitkomsten van de brede intake hoeveel klassikale uren en welke stage voor de inburgeringsplichtige passend zijn.

  • 3.

    Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede intake, MAP-activiteiten heeft verricht, brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van veertig uren als bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 4.

    Bij de vaststelling van de MAP houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet.

  • 5.

    Het college neemt de MAP op in het PIP.

  • 6.

    Het college biedt inburgeringsplichtigen binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP de MAP aan.

  • 7.

    Na afronding van de klassikale uren en de stage nodigt het college de inburgeringsplichtige uit voor het eindgesprek ter afronding van de MAP.

  • 8.

    Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief:

    • a.

      wat het eindgesprek inhoudt;

    • b.

      waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het eindgesprek moet verschijnen;

    • c.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor het eindgesprek verschijnt.

  • 9.

    Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het eindgesprek liggen minimaal vijf werkdagen.

  • 10.

    Het college doet verslag van het eindgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige.

  • 11.

    Het college registreert de deelname aan en de afronding van de MAP in het ISI.

2.4.6. Voortgangsgesprekken

  • 1.

    De frequentie van de voortgangsgesprekken wordt vastgesteld op basis van de uitkomsten van de brede intake en afgestemd op de inburgeringsplichtige. In het eerste jaar zijn er minimaal vier voortgangsgesprekken voor asielmigranten en twee voor gezinsmigranten.

  • 2.

    Het college neemt de frequentie van de voortgangsgesprekken op in het PIP.

  • 3.

    Het college vermeldt in de uitnodigingsbrief:

    • a.

      wat het voortgangsgesprek inhoudt;

    • b.

      waar en wanneer precies de inburgeringsplichtige voor het voortgangsgesprek moet verschijnen;

    • c.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet voor het voortgangsgesprek verschijnt.

  • 4.

    Tussen de datum van de uitnodigingsbrief en het voortgangsgesprek liggen minimaal vijf werkdagen.

  • 5.

    Ter voorbereiding op de voortgangsgesprekken gebruikt het college de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.

  • 6.

    Het college maakt een verslag van het voortgangsgesprek en stelt dat zo spoedig mogelijk ter beschikking aan de inburgeringsplichtige.

2.4.7. Maatschappelijke begeleiding Asielstatushouders

  • 1.

    De maatschappelijke begeleiding voor statushouders bevat in ieder geval:

    • a.

      ondersteuning en begeleiding bij het regelen van praktische zaken zoals wonen, zorg, participatie, inkomen, verzekeringen, onderwijs en kennismaking met de lokale woonomgeving;

    • b.

      voorlichting over basisvoorzieningen en thema’s zoals wonen, inkomen, werk, zorg, onderwijs, opvoeding en kennismaking met maatschappelijke organisaties.

  • 2.

    De maatschappelijke begeleiding wordt gegeven door medewerkers van Vluchtelingenwerk. De inburgeringsplichtige krijgt zo mogelijk een vaste begeleider toegewezen.

  • 3.

    De maatschappelijke begeleiding begint zo snel mogelijk nadat de statushouder in de BRP van de gemeente is ingeschreven.

2.4.8. PIP inburgeringsplichtigen

  • 1.

    In het PIP worden vastgesteld:

    • a.

      de te volgen leerroute;

    • b.

      de daarvoor nodige ondersteuning en begeleiding (voortgangsgesprekken);

    • c.

      de intensiteit van het PVT en de MAP;

    • d.

      voor zover van toepassing: de mogelijkheden van voor- of vroegschoolse educatie; en

    • e.

      indien het gaat om een asielstatushouder: de intensiteit van de leerroute.

  • 2.

    Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen bevat, naast het bepaalde in het eerste lid, de beschikkingen op grond van de Participatiewet over opgelegde arbeids- en re-integratieverplichtingen (en/of ontheffingen) en over toegekende re-integratievoorzieningen.

  • 3.

    Het PIP voor bijstandsuitkeringsgerechtigde inburgeringsplichtigen met een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd bevat, naast het bepaalde in het eerste en het tweede lid, de ‘ontzorgingsbeschikking’ op grond van artikel 56a Participatiewet.

  • 4.

    Zo snel mogelijk na de afname van de brede intake stelt het college de inburgeringsplichtige in de gelegenheid tot samenspraak over de manier waarop de inburgeringsplichtige aan zijn inburgeringsplicht moet voldoen.

  • 5.

    Het college verzendt het PIP zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 10 weken na inschrijving in de basisregistratie personen als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aan de inburgeringsplichtige.

  • 6.

    Het college registreert de datum van vaststelling van het PIP in het ISI.

2.4.9. Overschakelen naar een andere leerroute

  • 1.

    De termijn om over te schakelen van de ene naar de andere leerroute is, bijzondere gevallen daargelaten, maximaal anderhalf jaar vanaf de dag na dagtekening van het PIP met dien verstande dat gedurende het gehele inburgeringstraject de onderwijsroute kan worden gewijzigd in de B1-route.

  • 2.

    De beoordeling van het college of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, gebeurtaan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.

  • 3.

    Als de beoordeling bedoeld in het tweede lid daartoe aanleiding geeft, schakelt de inburgeringsplichtige over naar een andere leerroute en past het college het PIP aan.

  • 4.

    Het college registreert de wijziging van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen in het ISI.

  • 5.

    Het college verstrekt de cursusinstelling en de taalschakeltrajectinstelling de NAW-gegevens en de gegevens over de nieuwe leerroute, waaronder de intensiteit en de termijn van de leerroute.

  • 6.

    Het college biedt asielstatushouders binnen maximaal drie maanden na de verzending van het PIP een cursus of opleiding aan waarmee zij aan de nieuwe vastgestelde leerroute kunnen voldoen. In de tussentijd worden zij geplaatst in een opstartklas.

  • 7.

    Het college registreert de deelname en afronding van de nieuwe leerroute en het taalniveau in het ISI.

2.4.10. Afschalen

  • 1.

    Afschalen van niveau B1 naar niveau A2 in de B1-route is mogelijk na in totaal 600 cursusuren Nederlands als tweede taal wanneer uit de feiten en omstandigheden blijkt dat de inburgeringsplichtige zich gedurende deze taallessen voldoende heeft ingespannen.

  • 2.

    Als de inburgeringsplichtige in het kader van de brede cursusuren Nederlands als tweede taal heeft gevolgd, waarvan alfabetiseringsonderwijs onderdeel kan zijn, brengt het college deze bestede uren in mindering op de urennorm van 600 uren.

  • 3.

    De beoordeling of niveau B1 niet (op alle onderdelen) haalbaar is, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling en/of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid, inspanningen en de resultaten van de inburgeringsplichtige.

  • 4.

    Als de beoordeling bedoeld in het derde lid daartoe aanleiding geeft, schaalt het college (onderdelen van) de B1-route af naar A2-niveau en past het college het PIP aan.

2.4.11. Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht

  • 1.

    Wanneer de inburgeringsplichtige niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake, geeft het college hem een schriftelijke waarschuwing. In de schriftelijke waarschuwing vermeldt het college:

    • a.

      een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;

    • b.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringsplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.

  • 2.

    Tussen de datum van de waarschuwing en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen.

  • 3.

    Wanneer de inburgeringsplichtige na de waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem een wettelijk bepaalde geldboete op. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. In de boetebeschikking vermeldt het college:

    • a.

      een nieuwe datum en tijdstip voor de brede intake;

    • b.

      wat de gevolgen zijn als de inburgeringplichtige niet op de brede intake verschijnt of niet aan de brede intake meewerkt.

  • 4.

    Tussen de datum van het boetebesluit en de brede intake liggen minimaal vijf werkdagen en maximaal twee maanden.

  • 5.

    Wanneer de inburgeringsplichtige na de boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem nogmaals een boete op en voltooit het college de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb.

  • 6.

    Het college registreert de boete in het ISI.

2.4.12. Boete tijdens het inburgeringstraject

  • 1.

    Wanneer de inburgeringsplichtige de verplichtingen uit het PIP niet of onvoldoende nakomt, legt het college hem een geldboete op.

  • 2.

    Voor inburgeringsplichtigen gaat het om de volgende verplichtingen:

    • a.

      deelnemen aan de voortgangsgesprekken;

    • b.

      deelnemen aan activiteiten in het kader van de MAP en het PVT.

  • 3.

    Voor asielstatushouders gaat het daarnaast om de verplichting om deel te nemen aan de taallessen.

  • 4.

    Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb.

  • 5.

    Het college registreert de boete in het ISI.

2.4.13. Samenloop boete en maatregel Participatiewet

Indien het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 9, 18 of 18b Participatiewet kan verlagen, dan legt het college geen boete op grond van de Wet inburgering op, maar verlaagt de bijstand.

 

Inkomen en bijzondere bijstand

(Participatiewet)

 

2.5 Aanvraag van bijstand

2.5.1 In aanmerking te nemen middelen: vermogen algemene en bijzondere bijstand)

  • 1.

    Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen is artikel 34 van de Participatiewet van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Voor de vaststelling van de waarde van een voertuig (bijvoorbeeld: motoren,

  • 3.

    Caravans, campers, boten, aanhangers, brommer/scooters etc.) als vermogensbestandsdeel geldt het volgende:

    • a.

      Voertuigen ouder dan 12 jaar worden, ongeacht de waarde, in beginsel niet meegenomen bij de vaststelling van het vermogen, tenzij het gaat om exclusieve voertuigen of oldtimers;

    • b.

      Als een voertuig jonger is dan 12 jaar, dan wordt de waarde, voor zover mogelijk, vastgesteld volgens de ANWB-koerslijst waarbij wordt uitgegaan van:

      • Voertuig met de laagste cataloguswaarde; en

      • De verkoopwaarde bij een bedrijf met BOVAG-garantie.

    • De waarde van een voertuig wordt niet meegenomen als vermogensbestanddeel voor zover de waarde van het voertuig lager is dan € 4.500.

    • c.

      Als er geen exacte kilometerstand bepaald kan worden, dan wordt er een schatting gemaakt op basis van de laatst bekende kilometerstand en CBS-cijfers over het gemiddelde jaarkilometrage Nederlandse motorvoertuigen.

    • d.

      Als blijkt dat de totale waarde van de vervoermiddelen meer is dan € 4.500, dan wordt enkel het meerdere boven deze grens in aanmerking genomen bij het vaststellen van het vermogen.

  • 4.

    Als er vermogen in de woning met bijbehorend erf aanwezig is dat hoger ligt dan de grens uit artikel 34, lid 2, onder d van de Participatiewetwet, dan kan bijzondere bijstand in beginsel niet worden verstrekt, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zoals gesteld in artikel 50, lid 1 van de Participatiewet.

  • 5.

    Voor zelfstandig ondernemers geldt de vermogensvrijlating genoemd in artikel 3 lid 1 van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.

2.5.2. Schadevergoeding

  • 1.

    Schadevergoeding die belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet tot de middelen gerekend, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.

  • 2.

    De schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.

  • 3.

    Bij het vaststellen van het vermogen na de ontvangst van een immateriële schadevergoeding wordt 2/3 deel van het bedrag van de immateriële schadevergoeding in aanmerking genomen als vermogen. Tenzij op grond van individuele omstandigheden tot een andere vrijlating moet worden gekomen.

2.5.3 Vierweken zoektermijn niet van toepassing

Jongeren die zich melden voor bijstand, moeten eerst vier weken zoeken naar werk en opleidingsmogelijkheden. Deze zoektermijn is geregeld in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet en geldt voor alle jongeren van 18 tot 27 jaar. De gedachte achter deze zoektermijn is dat een jongere aan het begin van diens loopbaan staat en de verantwoordelijkheid moet nemen om deze mogelijkheden te verkennen. Dit is ook in het belang van de jongere omdat het hebben van werk en/of het volgen van een (nieuwe) opleiding diens kansen op de arbeidsmarkt en de mogelijkheid om in het eigen inkomen te kunnen voorzien vergroten. In deze beleidsregel wordt aangegeven hoe er wordt omgegaan met bepaalde bepalingen van deze zoektermijn, en waar de jongere die zich meldt voor algemene bijstand rekening mee moet houden. In de volgende situaties is een zoektermijn niet van toepassing.

  • 1.

    De jongere heeft een indicatie beschut werk.

  • 2.

    De jongere heeft dusdanige problematische sociale of medische problematiek dat het niet wenselijk is om de zoektermijn op te leggen. Hieronder valt in ieder geval:

    • a.

      Jongeren die in een inrichting verblijven of recht op opvang hebben op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo);

    • b.

      Jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding in een inrichting verbleven of recht hadden op opvang op grond van de Wmo;

    • c.

      Jongeren die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven op grond van de Jeugdwet;

    • d.

      Jongeren voor wie uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel gold, uitgevoerd door een gecertificeerde instelling op grond van de Jeugdwet;

  • 3.

    Jongeren die niet zijn ingeschreven als ingezetene in de basisregistratie personen of die zonder woonadres, maar met een briefadres zijn ingeschreven in de basisregistratie personen.

  • 4.

    De jongere heeft (problematische) schulden en wordt hierin ondersteund door een passend schuldhulpverleningstraject of ondersteuning bij thuisadministratie.

2.5.4 Terugwerkende kracht

  • 1.

    In sommige situaties kan het college bijstand toekennen vanaf een eerdere datum dan de datum waarop de inwoner zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit kan als er omstandigheden zijn die maakten dat de inwoner zich niet eerder heeft gemeld, zoals:

    • de inwoner was niet in staat om bijstand aan te vragen;

    • een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

    • een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat de aanvrager niet tijdig alle benodigde gegevens aan het college heeft verstrekt;

    • de inwoner had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

    • de inwoner heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de inwoner zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

2.5.5 Vereenvoudigde aanvraag

Wanneer de inwoner binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering wil aanvragen, in elk geval in verband met einde werk of detentie, kan dit door middel van een verkorte aanvraag.

Een verkorte aanvraag betekent in elk geval dat het college:

  • -

    Een aanvraagformulier “verkorte aanvraag” gebruikt

  • -

    alleen de gewijzigde gegevens opvraagt die na beëindiging van de vorige bijstandsperiode zijn ontstaan, zoals bewijsstukken rondom middelen en bijvoorbeeld einde arbeidscontract

Let op: De leefsituatie van de inwoner mag niet gewijzigd zijn om voor de verkorte aanvraag in aanmerking te komen. Denk aan een alleenstaande die in de periode na einde van de vorige bijstandsperiode is gaan samenwonen. In dat geval blijft de gewone aanvraagprocedure van kracht.

2.6.1 Levensonderhoud jongmeerderjarigen in een inrichting

  • 1.

    In het geval dat een jongmeerderjarige in een inrichting verblijft kan recht op bijzondere bijstand voor de kosten van levensonderhoud bestaan.

  • 2.

    Het college past voor een jongmeerderjarige de norm toe die op grond van de wet van toepassing is op personen van 21 jaar en ouder die in een inrichting verblijven.

2.6.2 Wonen met zorg

  • 1.

    Een inwoner die gebruik maakt van wonen met zorg en die zelf verantwoordelijk is voor betaling van huur en levensonderhoud wordt gezien als zelfstandig wonend.

  • 2.

    In geval een inwoner woont met zorg past het college de norm toe als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.

2.6.3 Onderhoudsplicht ouders

De aanvraag van een jongmeerderjarige wordt afgewezen indien niet aannemelijk is gemaakt dan wel aantoonbaar dat de hulp is ingeroepen van ouders om bij te dragen aan het levensonderhoud.

2.6.4 Afwezigheid van draagkracht bij ouders

Van ouders van jongmeerderjarigen wordt verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het levensonderhoud van jongmeerderjarigen. Het college gaat voor onderstaande categorieën personen uit van de afwezigheid van de mogelijkheid om bij te dragen aan het levensonderhoud omdat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is:

  • a.

    personen met een uitkering op grond van de wet;

  • b.

    personen met een IOAW- of IOAZ-uitkering;

  • c.

    personen met een inkomen van maximaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm uit een andere inkomstenbron, inclusief vakantietoeslag.

2.6.5 Draagkrachtberekening

  • 1.

    Bij ouders met een meerinkomen boven 120% van de bijstandsnorm worden de volgende componenten in mindering gebracht op het meer inkomen

    • a.

      10% van de norm voor elk ander kind waarvoor de ouder zorg draagt;

    • b.

      woonkosten boven de normhuur plus de huurtoeslag, zoals bepaald in de Wet op de huurtoeslag;

    • c.

      woonkosten bij hypotheek: woonkosten boven de normhuur plus de hypotheekrenteaftrek van de belastingdienst;

    • d.

      de ziektekostenpremie boven de zorgtoeslag

  • 2.

    Van het meer inkomen dat resteert na toepassing van het eerste lid wordt 35% in aanmerking genomen als beschikbare draagkracht waarmee in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige kan worden voorzien.

  • 3.

    Het bedrag dat door toepassing van het tweede lid als draagkracht wordt aangemerkt wordt in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige.

  • 4.

    Bij een draagkracht uit inkomen van minder dan € 25 per maand wordt geen bedrag in mindering gebracht op te verstrekken bijzondere bijstand aan de jongmeerderjarige.

  • 5.

    Draagkracht wordt eenmalig vastgesteld. De periode van geldigheid eindigt van rechtswege bij het beëindigen van de bijzondere bijstand of het bereiken van de 21-jarige leeftijd van de jongmeerderjarige.

2.6.6 Afzien van draagkrachtberekening

In de onderstaande situaties wordt afgezien van een draagkrachtberekening van ouders om de hoogte van bijzondere bijstand te bepalen:

  • a.

    Als naar het oordeel van het college aannemelijk is gemaakt door de aanvrager dat er sprake is van een verstoorde verhouding;

  • b.

    Als de jongmeerderjarige naar het oordeel van het college niet meer thuis kan wonen;

  • c.

    Als de jongmeerderjarige langer dan 2 jaar zelfstandig woont;

  • d.

    Als de jongmeerderjarige in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst;

  • e.

    Als de aanvraag wordt ingediend door een jongmeerderjarige die binnen 6 maanden vanaf datum van de aanvraag 21 jaar oud is;

2.6.7 Ouders die wel kunnen maar niet willen bijdragen aan levensonderhoud

Het college verhaalt de bijzondere bijstand of een deel ervan bij de ouders indien:

  • a.

    na toepassing van de draagkrachtberekening blijkt dat er draagkracht bij ouders aanwezig is en;

  • b.

    de ouder(s) naar oordeel van het college onwillig zijn om deze bijdrage te leveren.

Het geven van informatie en advies en/of een doorverwijzing naar andere hulpverlening is altijd mogelijk.

 

2.7. Mantelzorg

  • 1.

    Mantelzorg wordt vanuit de Participatiewet gezien als bestaand uit de volgende onderdelen:

    • a.

      onbetaalde, niet-professionele zorg die langdurig en intensief wordt verleend aan een hulpbehoevende door iemand uit diens sociale omgeving (familie, vriend, buur);

    • b.

      zorg die rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt;

    • c.

      zorg waarbij zonder deze mantelzorg sprake is van opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare intramurale voorziening.

  • 2.

    Om mantelzorg te verlenen kan een belanghebbende tijdelijk elders verblijven, hiervoor gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      De belanghebbende tijdelijk verblijft op een ander adres dan het hoofdverblijf (BRP-adres) met een maximale duur van 6 maanden.

    • b.

      Het tijdelijk verblijf elders moet uitsluitend verband houden met het verlenen van mantelzorg.

    • c.

      De belanghebbende gedurende het tijdelijk verblijf elders wel het eigen hoofdverblijf moet aanhouden.

    • d.

      De belanghebbende meldt het tijdelijk verblijf zo spoedig mogelijk bij het college

  • 3.

    De belanghebbende maakt aannemelijk dat er sprake is van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte door het aanleveren van:

    • a.

      Een schriftelijke verklaring van de zorgvrager of zorgverlener, waarin de aard en duur van de intensieve zorgbehoefte wordt beschreven;

    • b.

      Eventueel aanvullende bewijsstukken, zoals:

      • i.

        een indicatie voor intensieve zorg op grond van de Wmo of WLZ of een zorgplan;

      • ii.

        een deskundigenverklaring, niet zijnde de eigen behandelaar, waaruit de intensieve zorgbehoefte blijkt waardoor de mantelzorg noodzakelijk is.

  • 4.

    Wanneer door belanghebbende is voldaan aan de genoemde voorwaarden van lid 2 en 3 van dit artikel heeft het verlenen of ontvangen van mantelzorg de volgende gevolgen:

    • a.

      Het tijdelijk ergens anders verblijven door mantelzorg wordt niet gezien als wijziging van het hoofdverblijf

    • b.

      De kostendelersnorm wordt niet toegepast bij tijdelijk verblijf van het verlenen van mantelzorg.

    • c.

      Onbetaalde mantelzorg wordt niet gezien als werk en heeft daarmee geen invloed op de hoogte van de uitkering.

2.8. Vrij te laten giften

Voor wat betreft giften genoemd in art 31 lid 2 onder m:

  • -

    Tot het in artikel 31 lid 2 genoemde bedrag per kalenderjaar is er geen meldingsplicht voor belanghebbenden

  • -

    Voor het meerdere dan het bedrag onder artikel 31 lid 2, maken we onderscheid tussen incidentele giften en periodieke giften. Incidentele giften: het meerdere wordt gezien als vermogen. Periodieke giften: het meerdere wordt gezien als inkomen

2.8.1 Giften in natura

  • 1.

    Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank en andere soortgelijke instellingen worden niet tot de middelen gerekend. Hiervoor geldt geen meldingsplicht.

  • 2.

    Overige giften in natura die per kalenderjaar niet boven een waarde van € 1.500,- komen worden niet tot de middelen gerekend. Overige giften in natura dienen gemeld te worden door de belanghebbende.

  • 3.

    De waarde van de giften in natura die in een kalenderjaar boven het vrij te laten bedrag van € 1.200,- uitkomt wordt aangemerkt als vermogen. Dit wordt meegeteld met het maximaal vrij te laten vermogen.

  • 4.

    De aanmerking als vermogen blijft achterwege als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gift in natura wordt gedaan in de vorm van een medisch hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende (of één van zijn gezinsleden) of als sprake is van noodzakelijke duurzame gebruiksartikelen.

2.8.2. giften in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag

  • 1.

    Giften die worden verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag en die niet meer bedragen dan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm per maand, worden niet tot de middelen gerekend.

  • 2.

    Het meerdere boven de bijstandsnorm per maand voor belanghebbende wordt tot de middelen gerekend.

2.8.3 Giften in verband met schulden

  • 1.

    Een gift die aantoonbaar en onherroepelijk wordt besteed aan de afbetaling van een problematische schuld, die is ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet tot de middelen gerekend.

Een schuld is problematisch als deze niet binnen 36 maanden terugbetaald kan worden of als deze ontstaan is door een acute noodsituatie.

2.8.4. Giften van werkgevers

Giften van werkgevers worden niet tot de middelen gerekend, als deze onbelast voor belanghebbende zijn.

 

2.9 Bijzondere 9ijstand

2.9.1 Geen bijzondere bijstand bij een voorliggende voorziening

  • 1.

    Het college kent geen bijzondere bijstand toe als er een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die gezien haar aard en doel passend en toereikend is.

  • 2.

    Er is geen recht op bijzondere bijstand als de kosten door de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.

2.9.2 De vorm en de hoogte van de bijstand

  • 1.

    Het college geeft in het besluit aan in welke vorm de bijzondere bijstand wordt verleend, te weten: om niet (zonder terugbetalingsverplichting), een geldlening, suppletie of borgstelling.

  • 2.

    Het college stelt de hoogte van de bijzondere bijstand vast op individuele basis of op basis van normbedragen. Het college sluit aan bij de vastgestelde (geïndexeerde) (norm)bedragen zoals vastgelegd in de Nibud-Prijzengids, tenzij anders is bepaald in deze beleidsregels.

  • 3.

    Het college kan alsnog meerkosten ten opzichte van de richtprijzen vergoeden, wanneer deze aantoonbaar noodzakelijk zijn.

  • 4.

    In gevallen waarin de Nibud-prijzengids niet voorziet, gaat het college uit van de goedkoopste, meest adequate voorziening.

2.9.3 Bestedingsverplichting

  • 1.

    De bijzondere bijstand moet worden besteed aan het doel waarvoor het wordt verstrekt.

  • 2.

    Het college kan alle verstrekte bijzondere bijstand steekproefsgewijs controleren.

  • 3.

    Bewijzen van de besteding van de bijzondere bijstand dienen minimaal zes maanden bewaard te worden.

2.9.4 Wijze van indiening aanvraag

  • 1.

    Het college stelt het recht op bijzondere bijstand door middel van een aanvraag vast.

  • 2.

    De aanvraag wordt schriftelijk ingediend via een daarvoor bestemd aanvraagformulier.

  • 3.

    Het uitgangspunt is dat de aanvraag wordt ingediend door belanghebbende die een beroep doet op bijzondere bijstand.

2.9.5 Moment van indiening aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand moet in beginsel zijn ingediend voordat de kosten worden gemaakt.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is bijzondere bijstand met terugwerkende kracht mogelijk als aantoonbaar gemaakte kosten niet langer dan 3 maanden voor de aanvraag zijn opgekomen.

2.9.6 Draagkrachtperiode

  • 1.

    De draagkracht wordt in beginsel vastgesteld voor de periode van 12 maanden, beginnend op de eerste dag van de maand waarop de daadwerkelijke kosten zijn opgekomen.

  • 2.

    Als binnen de vastgestelde periode van 12 maanden een nieuwe aanvraag bijzondere bijstand wordt ingediend, blijft de al eerdere vastgestelde draagkracht voor die periode gelden, tenzij er sprake is van een wijziging genoemd in artikel 1.4.7 lid 2 van deze beleidsregels.

  • 3.

    De draagkracht kan over een afwijkende periode, genoemd in het eerste lid worden vastgesteld als hiervoor aanleiding is.

  • 4.

    In afwijking op het eerste lid kan de draagkracht voor belanghebbende die algemene bijstand ontvangt, worden vastgesteld voor de duur van de algemene bijstandsperiode. De draagkrachtperiode loopt af op de dag waarop de bijstandsuitkering wordt beëindigd.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die de AOW-leeftijd hebben, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven.

  • 6.

    In afwijking van het eerste lid wordt de draagkracht voor belanghebbenden, die een Wajong-uitkering, WIA-uitkering of WAO-uitkering hebben en 80% tot 100% arbeidsongeschikt zijn, voor drie jaar vastgesteld. Voorwaarde is dat wijzigingen in het inkomen en vermogen aan het college worden doorgegeven.

  • 7.

    In afwijking van het eerste lid heeft belanghebbende die is toegelaten tot de wettelijke schuldsanering (Wsnp) dan wel een minnelijke regeling (Msnp) is overeengekomen, geen draagkracht gedurende de looptijd van de sanering respectievelijk minnelijke regeling.

2.9.7 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode

  • 1.

    Een eenmaal vastgestelde draagkracht voor de duur van één jaar wordt in beginsel niet meer aangepast.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de draagkracht enkel worden aangepast als er sprake is van een stijging in het (netto) inkomen van 15% of meer, een wijziging in het vermogen waardoor het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens is uitgekomen, of een daling van het inkomen naar 110% van de bijstandsnorm of lager. Dit vindt plaats op initiatief van het college of nadat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gemeld die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand.

2.9.8 Draagkrachtpercentage

  • 1.

    Voor de vaststelling van de draagkracht uit inkomen geldt het volgende:

    • a.

      Een belanghebbende met een inkomen tot 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt verondersteld geen draagkracht uit inkomen te hebben.

    • b.

      Bij een inkomen dat hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) wordt 35% van het netto meerinkomen boven de 110% als draagkracht uit inkomen in aanmerking genomen.

    • c.

      Onder de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantiegeld) worden de bijstandsnormen verstaan zoals bedoeld in de artikelen 20 tot en met 23 van de Participatiewet, met toepassing van de kostendelersnorm.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1 wordt er voor een aantal kostensoorten uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt. Het gaat om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard behoren tot de algemene noodzakelijke kosten of te maken hebben met het betalen van algemene noodzakelijk kosten van bestaan. Voor deze kostensoorten geldt het volgende:

    • a.

      0% van het in aanmerking te nemen inkomen, wanneer het inkomen (exclusief vakantietoeslag) lager of gelijk is dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm.

    • b.

      100% van het in aanmerking te nemen inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag).

  • 3.

    De uitzondering benoemd in het vorige lid geldt voor de volgende kostensoorten:

    • a.

      Levensonderhoud jongmeerderjarigen;

    • b.

      Aanschaf en vervanging van duurzame gebruiksgoederen;

    • c.

      Bewindvoering, budgetbeheer, curatele en mentorschap;

    • d.

      Woonkostentoeslag;

    • e.

      Verhuis- en inrichtingskosten;

    • f.

      Doorbetaling van huur bij verblijf in inrichting of detentie.

  • 4.

    Voor de vaststelling van de draagkracht uit vermogen geldt er een vermogensvrijlating gelijk aan het bedrag genoemd in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet. Het vermogen boven dit bedrag wordt voor 100% in aanmerking genomen als draagkracht.

2.9.9 In aanmerking te nemen middelen: inkomen

  • 1.

    Het inkomen dat voor de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen, wordt over de in artikel 1.4.6 eerste lid aangegeven periode, op maandbasis vastgesteld.

  • 2.

    Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van constante inkomsten uitgegaan van de hoogte van deze inkomsten over de maand voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt.

  • 3.

    Bij de vaststelling van het maandinkomen wordt ten aanzien van wisselende inkomsten uitgegaan van het gemiddelde van deze inkomsten over een termijn van ten minste drie maanden voorafgaand aan het tijdstip waarop de in artikel 1.4.6 aangegeven periode van één jaar aanvangt.

  • 4.

    Niet tot het inkomen (vrijlatingen) van belanghebbende wordt gerekend hetgeen vermeld staat onder artikel 31, lid 2 van de Participatiewet, met inachtneming van artikel 31, lid 5 van deze wet.

  • 5.

    Een toegekende individuele inkomenstoeslag (Persoonlijk Minimabudget) en studietoeslag worden bij de berekening van de draagkracht van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt bij de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt de individuele inkomenstoeslag wel meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht.

  • 6.

    Het deel van het inkomen van belanghebbende waarop beslag ligt, behoort niet tot de in aanmerking te nemen middelen.

2.9.10 Drempelbedrag

Het college hanteert geen drempelbedrag voor de kosten van bijzondere bijstand.

2.9.11 Vorm van bijzondere bijstand

  • 1.

    Tenzij een van de artikelen anders bepaalt wordt de bijzondere bijstand verstrekt om niet.

  • 2.

    Bijzondere bijstand kan in de vorm van een geldlening verstrekt worden wanneer:

    • a.

      redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;

    • b.

      de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

    • c.

      de aanvraag betrekking heeft op de betaling van een waarborgsom;

    • d.

      de aanvraag betrekking heeft op de betaling van schulden;

    • e.

      de aanvraag betrekking heeft op de betaling van duurzame gebruiksgoederen;

2.9.12 Bijzondere bijstand voor medische kosten

  • 1.

    In beginsel komen medische kosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in het algemeen alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met (para)medische behandeling, intensieve zorg en toezicht. Beide regelingen gelden samen als voorliggende voorzieningen die passend en toereikend zijn.

  • 2.

    Voorzieningen die niet op grond van de Zvw of Wlz worden vergoed, worden beschouwd als niet noodzakelijk. Er is geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten.

  • 3.

    Voorzieningen kunnen in een aanvullende verzekering worden opgenomen. Als een aanvrager bijzondere bijstand aanvraagt voor voorzieningen waarvoor hij verzekerd had kunnen zijn maar dit niet het geval is, dan wordt dit gezien als een bewust genomen risico van de aanvrager zelf. Er is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten.

  • 4.

    Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand voor medische kosten worden verstrekt. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het bedrag dat ontvangen zou zijn wanneer aanvrager wel aanvullend verzekerd was geweest, tenzij van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij voor deze kosten een aanvullende verzekering heeft afgesloten. Op het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, wordt de hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende zorgverzekering van de aanvrager in mindering gebracht.

  • 5.

    Bij het verlenen van bijzondere bijstand voor medische kosten wordt gekeken naar de goedkoopste en meest adequate (noodzakelijke) oplossing en niet naar de gewenste (duurdere) oplossing.

  • 6.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het verschuldigde wettelijke eigen risico en het vrijwillig afgesloten eigen risico.

2.9.13 Reiskosten in verband met Inburgering

  • 1.

    Reiskosten in verband met een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijzondere bijstand verleend dient te worden.

  • 2.

    Voor deze kosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt als er sprake is van:

    • a.

      een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 met een enkele reisafstand van meer dan 3 kilometer.

    • b.

      Een verplicht inburgeringsexamen op een DUO-examenlocatie op grond van de Wet Inburgering 2013 en 2021.

  • 3.

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld:

    • a.

      Er wordt uitgegaan van de kosten op basis van de goedkoopste tarieven met openbaar vervoer. Hiervoor wordt www.9292.nl (OV) gebruikt.

    • b.

      Een enkele reisafstand van minder dan 3 kilometer komt niet in aanmerking voor een vergoeding, de afstand is acceptabel te voet af te leggen.

    • c.

      Bij een enkele reisafstand van meer dan 3 kilometer maar minder dan 10 kilometer: er kan een eenmalige fietsvergoeding voor een tweedehands fiets verstrekt van maximaal € 300. Voorafgaand aan het verstrekken van de fietsvergoeding dient er een aankoopnota te worden overlegd. In dit geval vervalt de verstrekking onder 3a.

    • d.

      Bij gebruik van een WMO-vervoersvoorziening wordt een vergoeding verstrekt voor de eigen bijdrage.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt toegekend voor de duur van het traject.

 

2.10 Studietoeslag

2.10.1 Voorwaarden

Er bestaat recht op studietoeslag als belanghebbende:

  • a.

    als rechtstreeks gevolg van een structurele medische beperking niet in staat is naast de studie inkomsten te verwerven;

  • b.

    studiefinanciering ontvangt op grond van de WSF of een tegemoetkoming krijgt op grond van de WTOS. Het levenlanglerenkrediet van de WSF valt niet hieronder;

  • c.

    geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wajong.

2.10.2 Structurele medische beperking

  • 1.

    Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.

  • 2.

    Structureel: als er binnen een periode van 12 maanden na de aanvraag geen herstel of verbetering is te verwachten in de medische beperking, zodanig dat belanghebbende wel in staat is om naast de studie te werken en daar inkomen mee te verdienen.

  • 3.

    Er is in ieder geval, maar niet limitatief, geen sprake van een structurele medische beperking bij:

    • mantelzorg;

    • een gebroken arm of been;

    • kortdurende beperkingen;

    • beperkingen die niet dusdanig ernstig zijn dat iemand naast de studie niet meer kan werken.

2.10.3. Aanvraag

  • 1.

    De aanvraag voor studietoeslag wordt schriftelijk ingediend via het aanvraagformulier studietoeslag.

  • 2.

    Belanghebbende verstrekt bij de aanvraag de volgende stukken:

    • a.

      een bewijs van het ontvangen van studiefinanciering op grond van de WSF op een tegemoetkoming op grond van de WTOS;

    • b.

      bij stage: een kopie van de stageovereenkomst waaruit de hoogte van de stagevergoeding blijkt.

  • 3.

    Belanghebbende kan bij de aanvraag een deskundigenverklaring, niet zijnde de eigen behandelaar, verstrekken waarin staat waarom belanghebbende niet kan werken naast de studie.

2.10.4. Toekennen en uitbetalen

  • 1.

    Als door het college is vastgesteld dat recht op studietoeslag bestaat, wordt de studietoeslag toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 wordt studietoeslag met terugwerkende kracht ook toegekend over een periode die is gelegen voor de dag waarop belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend als:

    • a.

      belanghebbende daarom verzoekt; en

    • b.

      belanghebbende over deze periode voldoet aan de voorwaarden voor het recht op studietoeslag.

  • 3.

    In afwijking van lid 2 wordt studietoeslag niet met terugwerkende kracht toegekend over een periode die is gelegen:

    • a.

      voor 1 april 2022;

    • b.

      dan wel 5 jaar voorafgaand aan de dag waarop de belanghebbende de aanvraag om studietoeslag heeft ingediend.

  • 4.

    De studietoeslag wordt maandelijks uitbetaald.

  • 5.

    De studietoeslag die met terugwerkende kracht wordt toegekend, wordt na toekenning als een bedrag ineens uitbetaald.

2.10.5. Hoogte studietoeslag

  • 1.

    De hoogte van de studietoeslag is gelijk aan de bedragen genoemd in artikel 7a van het Besluit loonkostensubsidie en minimumbedragen studietoeslag Participatiewet 2021.

  • 2.

    Het recht op een hogere studietoeslag op grond van leeftijd ontstaat op de dag waarop de belanghebbende jarig is.

2.10.6. Medisch advies

  • 1.

    Het college is verplicht een medisch advies te vragen aan een onafhankelijke deskundige voor de beoordeling of er sprake is van een structurele medische beperking.

  • 2.

    In afwijking van lid 1 kan het college alleen een medisch advies achterwege laten als direct duidelijk is dat er recht bestaat op studietoeslag gelet op de ernst/aard van de structurele medische beperking;

2.10.7. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering

Wanneer het eerste medisch advies of deskundigenverklaring daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.

 

2.11 Armoedebeleid

2.11.1 Meedoenregeling

De Meedoenregeling in Overbetuwe werkt met punten. Ieder thuiswonend kind (4-17 jaar) en meerderjarige (18 jaar en ouder) ontvangt punten waarmee gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten die via www.meedoeninoverbetuwe.nl kunnen worden aangeschaft. Punten worden beschikbaar gesteld aan personen die voldoen aan de voorwaarden die in artikel 1.5.1 worden beschreven.

2.11.2 Recht op de meedoenregeling

  • 1.

    Een alleenstaande of een gezin heeft recht op de toegang tot de Meedoenregeling:

    • a.

      voor zover het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de op de belanghebbende(n) van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de Participatiewet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de Participatiewet;

    • b.

      Als zij op het moment van aanvraag, Nederlander zijn of hieraan gelijkgesteld zijn op grond van de wet; én

    • c.

      ingeschreven is in het Basisregister Personen van de gemeente Overbetuwe

  • 2.

    Bij vaststelling van het inkomen wordt de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Participatiewet, toegepast met uitzondering op het vermogen in de vorm van een woning. Deze wordt niet meegerekend;

  • 3.

    De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing bij de bepaling van het recht op de Meedoenregeling.

  • 4.

    Deelnemers aan het wettelijk traject van het Wsnp of aan minnelijke regelingen overeenkomstig de Wsnp (schuldbemiddeling en saneringskredieten van kredietbanken) worden geacht te voldoen aan de inkomenseis als bedoel in het eerste lid onderdeel a.

  • 5.

    Studenten komen niet in aanmerking voor de Meedoenregeling tenzij zij alleenstaande ouder zijn.

2.11.3 Wijze van aanvragen

2.11.4 Punten

Aan belanghebbenden wordt via het account punten toegekend.

  • 1.

    Toegekende punten zijn;

    • a.

      tot een vooraf aangegeven datum in december van een kalenderjaar te besteden;

    • b.

      niet uitkeerbaar in geld;

    • c.

      niet te sparen of over te hevelen naar een opvolgend jaar

  • 2.

    Het college kan periodiek het aantal punten en het bedrag dat deze vertegenwoordigen wijzigen.

  • 3.

    Het recht op de Meedoenregeling eindigt aan het einde van het kalenderjaar als houder van een account op enig moment in dat jaar niet meer voldoet aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 1.5.1, eerste lid.

2.11.5 Zorgkostenregeling eigen risico

  • 1.

    Een persoon heeft recht op de tegemoetkoming eigen risico:

    • a.

      voor zover het inkomen niet meer bedraagt dan 120% van de op de belanghebbende(n) van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de Participatiewet, inclusief eventuele toeslagen en verlagingen op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3 van de Participatiewet;

    • b.

      Wanneer het jaarlijks wettelijk eigen risico, zoals omschreven in artikel 19 van de Zorgverzekeringswet, heeft voldaan.

    • c.

      als deze op het moment van aanvraag, Nederlander is of hieraan gelijkgesteld is op grond van de wet; én

    • d.

      ingeschreven is in het Basisregister Personen van de gemeente Overbetuwe

  • 2.

    Bij vaststelling van het inkomen wordt de vermogenstoets, zoals omschreven in artikel 31 van de Participatiewet, toegepast met uitzondering op het vermogen in de vorm van een woning. Deze wordt niet meegerekend.

  • 3.

    De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is niet van toepassing bij de bepaling van het recht op de tegemoetkoming eigen risico.

  • 4.

    Deelnemers aan het wettelijk traject van het Wsnp of aan minnelijke regelingen overeenkomstig de Wsnp (schuldbemiddeling en saneringskredieten van kredietbanken) worden geacht te voldoen aan de inkomenseis als bedoel in het eerste lid onderdeel a.

2.11.6 Hoogte van de vergoeding

  • 1.

    Voor de tegemoetkoming eigen risico wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende groepen;

    • a.

      Personen die in het kalenderjaar 2025 een zorgverzekering had bij Menzis via de collectieve zorgverzekering van de gemeente Overbetuwe.

    • b.

      Personen die in het kalenderjaar 2025 geen zorgverzekering had bij Menzis via de collectieve zorgverzekering van de gemeente Overbetuwe.

  • 2.

    Voor de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel a is er een vergoeding van €385.

  • 3.

    Wanneer een persoon in de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel a een eigen bijdrage betaalt voor de WMO is een additionele verhoging van €150 mogelijk.

  • 4.

    Voor de groep bedoeld in het eerste lid onderdeel b is er een vergoeding van €165.

  • 5.

    De compensatie is niet overdraagbaar en wordt verstrekt om niet.

2.11.7 Aanvraag

  • 1.

    Personen die behoren tot de in artikel 1 omschreven doelgroep moeten een aanvraag indienen via het daarvoor bestemde aanvraagformulier te vinden op de site van het sociaal team Overbetuwe.

  • 2.

    Een aanvraag heeft betrekking op de gemaakte kosten binnen één kalenderjaar (1 januari tot 31 december)

  • 3.

    Per kalenderjaar kan éénmaal een aanvraag worden ingediend

  • 4.

    De aanvraag dient vóór 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft, ingediend zijn.

  • 5.

    De aanvrager moet aantonen dat is voldaan aan artikel 1, lid 1b, door het overleggen van een betalingsoverzicht van het wettelijk verplichte eigen risico van de betreffende zorgverzekeraar.

 

2.12 Schuldhulpverlening

2.12.1 Doelgroep gemeentelijke schuldhulpverlening

  • 1.

    Iedere inwoner van de gemeente Overbetuwe kan zich tot het college wenden voor schuldhulpverlening.

  • 2.

    Alleen in bijzondere omstandigheden kan het college, op grond van artikel 3, vijfde lid van de wet, besluiten ook schuldhulpverlening te geven aan een persoon die (tijdelijk) geen inwoner is. Voor de toepassing van deze beleidsregel wordt deze persoon dan gelijkgesteld met een inwoner.

2.12.2 Aanbod schuldhulpverlening

  • 1.

    Het college laat verzoeker tot de schuldhulpverlening toe indien het college dit noodzakelijk acht.

  • 2.

    Het eerste gesprek waarin de schriftelijke of mondeling hulpvraag wordt vastgesteld, vindt plaats binnen 4 weken nadat:

    • a.

      een inwoner zich tot het college wendt voor schuldhulpverlening; of

    • b.

      het college een signaal als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b van de wet heeft ontvangen, in het geval de inwoner het aanbod heeft geaccepteerd.

  • 3.

    Als er sprake is van een crisissituatie vindt binnen 3 werkdagen het eerste gesprek plaats, waarin de hulpvraag wordt vastgesteld.

  • 4.

    De vorm waarin schuldhulpverlening aangeboden wordt, is van meerdere factoren afhankelijk en kan per situatie verschillen. De factoren die een rol kunnen spelen zijn:

    • a.

      aard, zwaarte en/of omvang van de schulden;

    • b.

      inkomsten, uitgaven en woonsituatie van verzoeker;

    • c.

      of een verzoeker in het kader van vroegsignalering een hulpaanbod heeft geaccepteerd;

    • d.

      de psychosociale situatie van verzoeker;

    • e.

      houding en gedrag van verzoeker (motivatie) en de mate van zelfredzaamheid;

    • f.

      de (financiële) vaardigheden van de verzoeker;

    • g.

      een eerder gebruik van schuldhulpverlening;

    • h.

      of verzoeker een zelfstandig ondernemer is.

  • 5.

    Toelating, weigering of (voortijdige) beëindiging van schuldhulpverlening vindt altijd plaats met een beschikking. Dit geldt ook bij een (tussentijdse) wijziging van het plan van aanpak.

  • 6.

    In afwijking van het vijfde lid kan een beschikking achterwege blijven als in het eerste gesprek verzoeker aangeeft af te zien van verdere schuldhulpverlening.

  • 7.

    In de toelating tot schuldhulpverlening wordt een plan van aanpak opgenomen waarin het aanbod schuldhulpverlening en de daarbij behorende voorwaarden in concrete stappen zijn uitgewerkt.

  • 8.

    Het plan van aanpak zoals bedoeld in het zevende lid bevat ten minste het beoogde doel van schuldhulpverlening en welk(e) product(en) daartoe worden ingezet. Ook wordt in het plan van aanpak de beslagvrije voet in acht genomen.

2.12.3 Verplichtingen van de verzoeker

Verzoeker moet zich houden aan de inlichtingenplicht, zoals omschreven in artikel 4:2 van de Awb.

2.12.4 Verplichtingen van de cliënt

De cliënt moet zich houden aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals omschreven in artikel 6 en 7 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, Dit bestaat onder andere uit:

  • a.

    het nakomen van gemaakte afspraken in het kader van de schuldhulpverlening;

  • b.

    het tijdig verschijnen op afspraken;

  • c.

    geen nieuwe schulden en/of financiële verplichtingen aangaan, tenzij hiervoor schriftelijk door het college toestemming is gegeven;

  • d.

    het zich houden aan de bepalingen zoals overeengekomen in een overeenkomst tot schuldregeling;

  • e.

    deelnemen en meewerken aan alle activiteiten en/of vormen van begeleiding die noodzakelijk worden geacht;

  • f.

    zoveel mogelijk afloscapaciteit creëren door het verruimen van het inkomen, het inzetten van beschikbaar vermogen en het minimaliseren van uitgaven, en deze afloscapaciteit te gebruiken ter afbetaling van de schulden;

  • g.

    inkomsten verwerven naar volledige arbeidscapaciteit, passende arbeid aanvaarden of passende arbeid proberen te verkrijgen in de mate die redelijkerwijs van verzoeker gevraagd kan worden en dit aantoonbaar te maken;

  • h.

    het hebben van een (Nederlandse) bankrekening op eigen naam.

2.12.5 Weigeringsgronden: algemeen

  • 1.

    Het college weigert schuldhulpverlening in ieder geval als:

    • a.

      de verzoeker niet tot de doelgroep behoort zoals bedoeld in artikel 2 van deze beleidsregels;

    • b.

      de verzoeker geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000;

    • c.

      het gaat om een rechtspersoon.

  • 2.

    Het college kan schuldhulpverlening weigeren als schuldhulpverlening niet noodzakelijk wordt geacht.

  • 3.

    Het geven van informatie en advies en/of een doorverwijzing naar andere hulpverlening is altijd mogelijk hierbij wordt een beschikking gegeven en geldt als een vorm van ondersteuning.

2.12.6 Weigeringsgronden: recidive

  • 1.

    Het college kan een verzoek tot schuldhulpverlening weigeren als:

    • a.

      Binnen 2 jaar na succesvolle afronding van schuldhulpverlening een verzoek wordt ingediend; of

    • b.

      Binnen 2 jaar na het afbreken of beëindigen van schuldhulpverlening of WSNP-traject opnieuw een verzoek wordt ingediend, waarbij het college rekening houdt met de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker; of

    • c.

      Binnen 1 jaar nadat een verzoek voor schuldhulpverlening meer dan eenmaal is ingetrokken een nieuw verzoek wordt ingediend.

  • 2.

    Een eerder gebruik van informatie en advies of een doorverwijzing gelden niet als een eerdere schuldhulpverlening of wsnp.

2.12.7 Weigeringsgronden: fraude

  • 1.

    Het college kan een verzoek tot schuldhulpverlening weigeren voor de duur van maximaal 3 jaar na onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling of onherroepelijke oplegging van een bestuurlijke sanctie voor het plegen van fraude die financiële benadeling van een bestuursorgaan tot gevolg heeft.

  • 2.

    Het college houdt bij het bepalen van de uitsluitingstermijn, bedoeld in het eerste lid, rekening met de ontstaansdatum van de fraude, de mate van opzet, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van verzoeker.

2.12.8 Beëindigingsgronden

  • 1.

    De schuldhulpverlening eindigt van rechtswege bij het overlijden van de cliënt.

  • 2.

    Het college besluit tot beëindiging van de schuldhulpverlening:

    • a.

      bij het succesvol afronden van de schuldhulpverlening;

    • b.

      als cliënt zelf verzoekt om beëindiging van de schuldhulpverlening.

  • 3.

    Daarnaast, kan het college besluiten tot beëindiging van de schuldhulpverlening als:

    • a.

      cliënt niet langer behoort tot de doelgroep zoals bepaald in artikel 2 van deze beleidsregels;

    • b.

      cliënt verhuist naar buiten de gemeente en er nog geen sprake is van een lopende schuldregeling;

    • c.

      cliënt verhuist naar het buitenland;

    • d.

      cliënt zich niet naar vermogen inzet om de onderliggende oorzaak van de schuldenproblematiek op te lossen;

    • e.

      de voorwaarden uit één van de overeenkomsten, gesloten in het kader van schuldhulpverlening, niet zijn nagekomen;

    • f.

      cliënt zich misdraagt tegenover medewerkers van of namens de gemeente die betrokken zijn bij het verlenen van schuldhulpverlening;

    • g.

      cliënt op grond van – naar later is gebleken – onjuiste gegevens schuldhulpverlening ontvangt en hem dit te verwijten valt, terwijl, als dit ten tijde van de besluitvorming bekend was geweest bij het college, een andere beslissing zou zijn genomen;

    • h.

      cliënt na aanvang van de schuldhulpverlening in staat blijkt om zijn schulden zelf te regelen dan wel in staat is de schulden zelfstandig te beheren;

    • i.

      de geboden hulpverlening, gelet op de persoonlijke omstandigheden van cliënt, niet (langer) passend is;

    • j.

      tijdens de schuldhulpverlening een strafrechtelijke veroordeling voor een vermogensdelict wordt opgelegd of een fraudevordering is ontstaan waarvan het college heeft vastgesteld dat belanghebbende opzettelijk heeft gefraudeerd;

  • 4.

    Het college stelt, voordat tot beëindiging wordt overgegaan zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel, cliënt in de gelegenheid om binnen een redelijke termijn te reageren op hetgeen door het college is geconstateerd en alsnog de gevraagde gegevens aan te leveren.

  • 5.

    Het college kan schuldhulpverlening beëindigen als de cliënt zich niet houdt aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht.

  • 6.

    Voordat het college besluit om de geboden schuldhulpverlening te beëindigen, krijgt de cliënt een redelijke termijn van 25 dagen om alsnog de ontbrekende informatie of medewerking te verlenen.

  • 7.

    Het niet nakomen van de inlichtingen en meldingplicht opgesomd in artikel 5.

3 Wet maatschappelijke ondersteuning

(Wmo)

 

Om vanuit de Wmo voor de inwoner tot de meest passende oplossing te komen is een afwegingskader nodig. Deze beschrijven we in deze beleidsregels. Elke ondersteuningsbehoefte wordt vanuit dezelfde invalshoek benaderd. Deze invalshoek is beschreven in deze beleidsregels. Voor een passende oplossing spelen de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner altijd een nadrukkelijke rol.

 

Zie hiervoor ook Hoofdstuk 1 “Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen”.

3.1.1 Algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen

Bepaalde voorzieningen en diensten zijn ook voor een inwoner zonder ondersteuningsvraag vaak gewoon beschikbaar. Als dat zo is, dan worden deze niet vanuit de Wmo verstrekt.

 

Algemeen gebruikelijk

Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk gezien worden als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Het dient een passende bijdrage te leveren aan het opheffen van de ervaren beperkingen en moeten ook financieel gedragen kunnen worden voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Van dit laatste is sprake wanneer de kosten van het hulpmiddel binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand.

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten zijn (niet uitputtend):

  • Boodschappenservice van supermarkten;

  • Maaltijdvoorziening zoals tafeltje-dek-je;

  • Openbaar vervoer;

  • Wasmachine

  • Wasdroger

  • Eenhendelmengkranen

  • Thermostatische mengkranen

  • Centrale verwarming

  • Verhoogd toilet

  • Douchekop op glijstang

  • Handgrepen/wandbeugels bij douche en toilet

  • Douchekruk/badplank

  • Toiletverhoger

  • Fiets met trapondersteuning

  • Drempelhulpen

Algemene voorziening

Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten door of via de gemeente zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.

 

Algemene voorzieningen zijn dus voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen kunnen wel een oplossing zijn. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn een klussendienst, was- en strijkservice, maaltijdvoorziening, scootmobielpool, maar ook het algemeen maatschappelijk werk, bibliotheek of buurthuis. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente.

Wel moet een algemene voorziening:

  • -

    daadwerkelijk beschikbaar zijn;

  • -

    door de inwoner financieel gedragen kunnen worden;

  • -

    adequate compensatie bieden.

3.1.1.2 Aanspraak op grond van een andere wet is voorliggend

Is de inwoner voor zorg aangewezen op een andere wet dan gaat deze voor en hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te verstrekken.

3.1.2.3 Wet langdurige zorg (Wlz)

Voor de Wlz komt iemand in aanmerking als degene blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg of zorg in de nabijheid.

 

Weigert een inwoner mee te werken aan een aanvraag voor een Wlz-voorziening, als hij daar mogelijk recht op heeft, dan is de gemeente niet verplicht een Wmo-voorziening te verstrekken. De gemeente moet dan wel kunnen aantonen dat de inwoner, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en de gemeente, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. De gemeente kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. De gemeente kan dan voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven.

 

Goed motiveren

De gemeente moet goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de inwoner een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden legt de gemeente de situatie van de inwoner anoniem voor bij het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie, heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de inwoner aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie.

 

Uitzonderingen:

  • a.

    Vervoer, hulpmiddel en woningaanpassing

    De gemeente is wel verplicht een hulpmiddel te verstrekken en een woning aan te passen voor inwoners met een Wlz-indicatie die thuis wonen. Dit geldt ook voor sociaal recreatief vervoer.

  • b.

    Bezoekbaar maken van een woning

    Wanneer de inwoner in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.

3.1.2.4 Zorgverzekeringswet (Zvw)

De Zvw regelt het recht op medisch noodzakelijke (psychische, verslavings)zorg. In welke mate en waarvoor iemand precies verzekerd is, staat in de verzekeringspolis van degene. Het gaat dan om behandeling. Dit is zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten en klinisch-psychologen plegen te bieden.

Soms kan begeleiding vanuit de gemeente aanvullend zijn. De begeleiding is dan gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het laten uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen door de inwoner zelf, zoals omschreven in artikel 2.3.4.

3.1.2.5 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht.

3.1.3 Maatwerkvoorziening

Een maatwerkvoorziening is een voorziening of dienst die zoveel mogelijk is afgestemd op de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner. Maatwerkvoorzieningen zijn alleen beschikbaar via een besluit vanuit het college. In 2.6 staat meer uitleg over de maatwerkvoorziening.

 

3.2 Vervoer

3.2.1 Algemene en voorliggende voorzieningen

Vrijwillige chauffeurs

Als voorliggende voorziening in Overbetuwe is de Algemene Hulpdienst beschikbaar. Dit is een vervoersregeling waarbij vrijwilligers met hun eigen auto tegen een onkostenvergoeding andere inwoners vervoeren. Het vervoer is bedoeld voor iedereen in Overbetuwe die niet of moeilijk gebruik kan maken van openbaar vervoer en ook niet beschikt over andere mogelijkheden van vervoer. Er wordt ook begeleiding en ondersteuning geboden. Het vervoer is onder andere om boodschappen te doen, van en naar medische afspraken, of naar andere locaties te gaan.

 

Collectief taxivervoer

Collectief taxivervoer is een algemene voorziening waarbij meerdere mensen tegelijkertijd worden vervoerd. De inwoner betaalt een ritbijdrage en wordt er van deur tot deur vervoerd.

 

Zorgverzekering

In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit het basispakket het vervoer van en naar een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de aandoening (bijv nierdialyse, oncologische behandelingen etc) die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer.

3.2.2 Maatwerkvoorzieningen

Wmo-vervoerspas

Reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen ontvangen een Wmo-vervoerspas. Men kan dan tegen reductie gebruik maken van het collectief vervoer. De inwoner reist binnen de regio (25 kilometer enkele reis) van deur tot deur, van en naar een opstapplaats of een halte van het openbaar vervoer. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen die zelfstandig of met begeleiding kan reizen, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet goed mobiel is of omdat de gewone bus ’s-avonds niet rijdt. Het gaat hierbij om sociaal vervoer, bijvoorbeeld familiebezoek, het onderhouden van sociale contacten en deelnemen aan (sociale) activiteiten. Voor reizen van meer dan 25 km (enkele reis) kan men gebruik maken van Valys.

 

Begeleiding bij vervoer

Soms is het nodig, op grond van de ernst van iemands beperking, dat een medisch of sociaal begeleider meegaat. Dat is vaak iemand uit het sociaal netwerk. De medische begeleiding is verplicht. Degene betaalt daarvoor geen ritbijdrage. Sociaal begeleider is niet verplicht, maar kan gewenst zijn. Degene betaalt dan 50% van de Wmo-ritbijdrage.

 

Andere vervoersvoorzieningen

Collectief vervoer is niet altijd een passende oplossing. Alleen als collectief vervoer geen passende oplossing biedt zijn er andere mogelijkheden, voorbeelden hiervan zijn:

3.2.2.1 Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel

Als de inwoner zijn of haar vervoersbehoefte op korte en middellange afstanden niet kan invullen met bijvoorbeeld een fiets, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Het gaat dan bijvoorbeeld om een driewielfiets of een handbike.

3.2.2.2 Scootmobiel

Een scootmobiel kan een oplossing zijn voor vervoersbehoeften op korte en middellange afstanden. Voor een scootmobiel moet de inwoner de rijvaardigheid van een beginnend bestuurder hebben.

  • Het college onderzoekt voor verstrekking de rijvaardigheid van de inwoner. Ook na verstrekking kan het college in het kader van een heronderzoek de rijvaardigheid onderzoeken. Wanneer de inwoner niet de rijvaardigheid heeft die nodig is, trekt het college de indicatie in en moet degene het voertuig inleveren.

  • Wanneer een inwoner niet de nodige rijvaardigheid bezit, maar wel in staat is dit te leren wordt de inwoner erop gewezen dat men gebruik kan maken van de 1e lijns ergotherapie. De ergotherapeut is voorliggend aan de Wmo. Het initiatief ligt dan vervolgens bij de inwoner of men hier gebruik van maakt.

  • Heeft het college tijdens de Wmo-onderzoeksfase behoefte aan advies van een ergotherapeut, dan ligt het initiatief bij gemeente en zijn de kosten voor de gemeente.

  • De leverancier verzorgt een eerste toets/ gewenningles en eventueel een extra les.

Stalling

Voor het gebruik van een vervoersvoorziening met elektrische ondersteuning (zoals bijvoorbeeld een scootmobiel) of driewielfiets, moet de inwoner geschikte stallingsruimte of mogelijkheden hebben om deze te realiseren. Een geschikte stallingsruimte is droog en afgesloten. Dit kan bijvoorbeeld een schuur zijn. Een hal of parkeergarage van een appartementencomplex kan ook een geschikte stallingsruimte zijn. De veiligheid van het complex mag niet in gevaar worden gebracht door het parkeren van de vervoersvoorziening. Het college kan de kosten voor het realiseren van een geschikte stallingsruimte betalen.

3.2.2.3 Aanpassingen en meerkosten van een auto

Wanneer een inwoner een eigen auto heeft, maar deze vanwege zijn of haar beperkingen niet kan gebruiken, kan een aanpassing van de auto een passende oplossing zijn. Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor de noodzakelijke aanpassingen. Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe voor aanpassingen die niet standaard door de fabriek meegeleverd kunnen worden.

Voor aanpassingen en vergoeden van meerkosten van auto’s geldt een aantal afwegingskaders:

  • Het college kent geen maatwerkvoorziening voor een autoaanpassing toe wanneer de inwoner een adequate auto had, maar deze heeft ingeruild voor een inadequate auto.

  • Het college onderzoekt of er sprake is van aantoonbare meerkosten als gevolg van de beperkingen van de inwoner. Als dat zo is, kan de inwoner een maatwerkvoorziening ontvangen. Het college kent geen vergoeding toe voor aanpassingen die algemeen gebruikelijk zijn.

  • Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten beoordeelt het college aan de hand van de situatie van de inwoner en de hoeveelheid extra verplaatsingen op de korte afstand die de inwoner als gevolg van zijn of haar beperking met de auto moet maken. Het college onderzoekt daarbij of deze extra verplaatsingen op een andere manier, bijvoorbeeld met het collectief vervoer, gemaakt kunnen worden.

  • Zolang de maatwerkvoorziening of de auto technisch voldoet kent het college geen nieuwe maatwerkvoorziening toe.

3.2.2.4 Sportvoorzieningen

Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een inwoner in staat wordt gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan.

Voorwaarden

  • Wanneer een sportvoorziening voor topsport wordt aangevraagd, wordt dit gecompenseerd tot het niveau van het kunnen uitoefenen van de sport. Er wordt dan uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening om de betreffende sport uit te kunnen oefenen. Specifieke eisen en extra’s aan een voorziening voor gebruik voor topsport worden hierin niet meegenomen.

  • Sportvoorzieningen kunnen algemeen gebruikelijk zijn. Wanneer een inwoner meerkosten heeft door zijn of haar beperkingen verstrekt het college alleen een maatwerkvoorziening voor de meerkosten.

  • Het college verstrekt pas een nieuwe sportvoorziening wanneer de oude technisch is afgeschreven. Hierop is een uitzondering: wanneer er veranderingen zijn in het functioneren van de inwoner.

3.3 Individuele begeleiding en groepsbegeleiding

Begeleiding aan de inwoner kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, kijken we naar de meest passende goedkoopste oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding in een groep.

 

Begeleiding in het algemeen gericht op ondersteuning zodat de inwoner:

  • Voor zichzelf kan zorgen c.q. de regie voeren over de zelfzorghandelingen;

  • Het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

  • Het vermogen heeft om zelf structuur in de dag aan te brengen;

  • Zelf besluiten kan nemen en hierin regie kan voeren;

  • Een evenwichtig dag- en nachtritme heeft;

  • Ontlasten van de mantelzorger.

Het ontlasten van mantelzorgers heeft als beoogd resultaat dat de mantelzorger de ondersteuning thuis kan volhouden en intensievere maatwerkondersteuning of opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld. Het ontlasten kan door middel van kortdurend verblijf, maar ook door begeleiding in de thuissituatie of groepsbegeleiding

3.3.1 Individuele begeleiding

Individuele begeleiding is een vorm van ondersteuning voor mensen die moeite hebben met het uitvoeren van normale dagelijkse handelingen en activiteiten.

Dit kan worden ingezet om een inwoner te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden voor het oefenen van vaardigheden of handelingen.

3.3.1.1 Begeleiding basis

Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor:

  • Inwoners met een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische beperking of een combinatie daarvan;

  • En sprake is van:

    • o

      redelijk constant gedrag.

    • o

      beperkt regieverlies en/of beperkte gevolgen voor het dagelijks leven.

    • o

      voorspelbare situaties.

    • o

      een nog redelijk actieve inwoner.

    • o

      dat de inwoner redelijk inzicht heeft in eigen beperking/ziekte.

    • o

      stabiel medicatiegebruik.

3.3.1.2 Begeleiding specialistisch

Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor:

  • Inwoners met alleen een verstandelijke, lichamelijk/somatische of geriatrische of psychiatrische beperking, of een combinatie van beide.

  • waarbij sprake is van:

    • o

      zeer regelmatig onvoorspelbaar gedrag.

    • o

      zeer snel (psychisch) uit balans (met bijvoorbeeld psychoses tot gevolg).

    • o

      ernstig regieverlies en grote gevolgen voor het dagelijks leven.

    • o

      als inwoner veelal passief/ zeer beperkt actief is.

    • o

      als inwoner geen of beperkt ziekte-inzicht heeft.

Begeleiding naast behandeling

Behandeling is voorliggend op begeleiding op grond van de Wmo. Begeleiding die tot de behandeling behoort valt onder de Zvw, zoals begeleiding die door een behandelend specialist moet worden geboden.

Begeleiding waarvoor geen deskundigheid op niveau van een behandelaar vereist is en die gericht is op het bevorderen van voldoende regie om zichzelf te kunnen redden en meedoen aan de samenleving, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, valt wel onder de Wmo. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het motiveren tot behandeling, het stimuleren tot zelfzorg en het stimuleren tot medicatie-inname.

3.3.2 Groepsbegeleiding

Groepsbegeleiding is begeleiding in groepsverband die overdag plaatsvindt, op een locatie buiten de woonsituatie. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een inwoner worden getraind of onderhouden zodat degene zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de inwoner in een groep passender is dan individuele begeleiding.

 

We kennen 2 vormen van groepsbegeleiding:

  • a.

    Stabiel, hier ligt de focus op het stabiel houden van de situatie van de inwoner. Er is geen concreet ontwikkeldoel geformuleerd.

  • b.

    Ontwikkeling, nadruk ligt op het actief verbeteren of voorkomen van verslechtering van de zelfredzaamheid van de inwoner. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de inwoner. Een voorwaarde hiervoor is dat de degene leerbaar/stuurbaar is. Bij inwoners met beginnende dementie kan Groepsbegeleiding Ontwikkeling alleen worden ingezet met de doelstelling voorkomen van verslechtering. Voor inwoners met dementie is groepsbegeleiding ontwikkeling passend.

Vervoer

Er wordt altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Het lokale team onderzoekt of de inwoner zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de groepsbegeleidingslocatie reizen. Als dat niet zo is, dan kan vervoer worden geïndiceerd.

 

Gecombineerd aanbod

Op basis van het zorgdoel van de inwoner kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangeboden. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen.

3.3.3 Activerend werk

Bij a Activerend werk staat het bieden van zinvolle arbeid en ontwikkeling van arbeidsvaardigheden centraal. Het doel is om mensen te laten meedoen aan de samenleving en een gevoel van eigenwaarde te geven. Activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van arbeid, zoals samenwerken, plannen en organiseren, en het uitvoeren van taken en waar mogelijk - en indien relevant - doorstromen naar vormen van betaalde arbeid.

3.3.4 Persoonlijke verzorging

Persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding en alleen voor het gedeelte dat niet onder voorliggende wetgeving zoals de Zvw of Wlz valt.

 

Dit laatste is het geval als er een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop” is. Verzekerden hebben recht op verpleging en verzorging via de Zvw als ze geneeskundige zorg nodig hebben. De zorg hangt dan samen met geneeskundige zorg in de eerste lijn (huisartsgeneeskundige zorg) of in de tweede lijn (medisch-specialistische zorg).

 

De ondersteuning via de Wmo bestaat uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, waaronder:

  • -

    in en uit bed komen;

  • -

    aan- en uitkleden:

  • -

    persoonlijke zorg voor tanden, haren, nagels, huid;

  • -

    toiletbezoek;

  • -

    eten en drinken.

Het gaat niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner, maar om degene aan te sporen en te ondersteunen deze handelingen zelf te uit te voeren. Dit geldt veelal voor inwoners die over weinig tot geen regie beschikken. De aanspraak op persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid van de inwoner en ligt zodoende in het verlengde van begeleiding.

 

Bij twijfel kan altijd overlegd worden met de wijkverpleging.

 

3.4 Veilig en zelfstandig wonen

Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als degene zulke problemen ervaart en niet zelf kan oplossen, kan de gemeente ondersteuning bieden.

3.4.1 Wonen

Wanneer een inwoner belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn of haar woning zijn er twee typen maatwerkvoorzieningen die een passende oplossing kunnen bieden:

  • 1.

    verhuizen;

  • 2.

    woonvoorzieningen.

3.4.1.1 Verhuizen

Verhuizen naar een andere woning kan een passende oplossing zijn voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. De gemeente zoekt hierbij samen met de inwoner wat mogelijk is en gaat hierbij uit van de goedkoopst adequate oplossing. Wanneer verhuizen een passende oplossing is en het goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning van de inwoner kan het college in overleg met de inwoner ervoor kiezen om een pgb voor verhuizen te verstrekken. Voor de verhuiswagen en manuren kan de inwoner offertes opvragen.

3.4.1.2 Woonvoorzieningen

Woonvoorzieningen zijn de andere maatwerkvoorzieningen voor het oplossen van ervaren belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij maken we onderscheid tussen de losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, tilliften en losse woonunits en de zogenaamde woningaanpassingen. Woningaanpassingen zijn bouwkundige en woon-technische woonvoorzieningen zoals trapliften, creëren van een doucheruimte of een aanbouw.

 

Resultaat

Bij de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening is het college erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. De inwoner heeft daarbij de mogelijkheid om de elementaire woonfuncties te kunnen verrichten met onder andere de volgende resultaten:

  • Het kunnen slapen, eten en verrichten van lichaamsreiniging;

  • Het verrichten van belangrijke huishoudelijke werkzaamheden;

  • Het kunnen koken en het gebruiken van de keuken;

  • Het kunnen maken van horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning;

  • Het hebben van toegang tot de woning.

Toestemming

Voor een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan de eigenaar van de woning, wanneer de inwoner niet zelf de eigenaar is. Dit is een woningcorporatie. Wel is het verstandig afstemming te zoeken en moet de eigenaar gehoord worden over een aanpassing.

 

Een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft niet te worden verwijderd door de inwoner of de gemeente wanneer degene uit de woning vertrekt. Alleen bij bruikleen van een voorziening wordt deze bij een verhuizing verwijderd.

3.4.1.3 Afwegingskader wonen en verhuizen

Hieronder wordt beschreven hoe het college afwegingen maakt rondom woonvoorzieningen.

  • Wanneer een inwoner langdurig een hulpmiddel nodig heeft om zich binnen de woning te verplaatsen, kan deze mogelijk vanuit de Wmo verstrekt worden. Wanneer er sprake is van zorg voor een beperkte of onzekere duur of wanneer een transferhulpmiddel gericht is op het verplaatsen in bed, kan degene gebruik maken van de Zvw.

  • Als uitbreiding van de woning de goedkoopst passende oplossing is voor de ondersteuningsbehoefte onderzoekt het college als eerste of een woonunit een passende oplossing is. Is dit niet het geval dan wordt een aanbouw of verbouwing onderzocht.

  • Wanneer de inwoner is verhuisd vanuit een geschikte woning naar een ongeschikte woning, zet het college hier in principe geen nieuwe maatwerkvoorziening in op het gebied van wonen, tenzij er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is en er geen andere geschikte woning beschikbaar is. Een belangrijke reden kan zijn:

    • o

      een echtscheiding;

    • o

      een huwelijk.

  • Wanneer een inwoner een aanpassing van een woonwagen of woonschip aanvraagt, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de inwoner. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt.

  • Wanneer een inwoner in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking woont, dan verwacht het college dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. De eigenaar van de woning is in deze gevallen ook verantwoordelijk voor woonvoorzieningen in de gemeenschappelijke ruimte. Hier kent het college geen woonvoorzieningen van bouwkundige of woon-technische aard voor toe.

3.4.1.4 Sanering van een woning

Bij een woningsanering gaat het om het vervangen van stoffering in de woning. Voor een vergoeding vanuit de Wmo moet de sanering medisch noodzakelijk zijn om beperkingen in het normale gebruik van de woning te compenseren. Alleen de meest gebruikte ruimten komen hiervoor in aanmerking: woonkamer en slaapkamer. Voor eventuele stofferingskosten (hieronder valt: vloerbekleding, raambekleding en muurbekleding) gaat het college uit van de Prijzengids van het NIBUD.

 

Redenen om een aanvraag af te wijzen kunnen liggen in de aard van het materiaal, achterstallig onderhoud, voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of als inwoner bij de aanschaf van de stoffering onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen.

3.4.1.5 Mantelzorgwoning

Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en voor de zorgvrager of mantelzorger:

  • Een aan- of bijgebouw van de woning geschikt wordt gemaakt, of;

  • Een tijdelijke mantelzorgunit aan de woning wordt gekoppeld, of;

  • Een aparte woning of woonunit op het erf van de mantelzorger wordt gerealiseerd.

Inwoners die een mantelzorgwoning willen bouwen of huren, moeten hiervoor zelf in de kosten voorzien. Dit zijn namelijk de normale kosten voor wonen.

3.4.2 Maatschappelijke opvang en beschermd wonen

Maatschappelijke opvang is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit kan worden aangeboden bij zorg, begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.

Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving waar continu begeleiding aanwezig of nabij is. De gemeente Overbetuwe werkt samen met andere gemeenten op het gebied van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Als een inwoner maatschappelijke opvang en/ of beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende beleidsregels van de gemeente Arnhem.

3.4.3 Rolstoel

Er zijn verschillende typen rolstoelen die als maatwerkvoorziening verstrekt kunnen worden. Bij de selectie van het type rolstoel stelt het college een functioneel programma van eisen op. Hierbij wegen we ook de belangen van de mantelzorgers mee, zoals de (on)mogelijkheid van mantelzorger om de rolstoel te duwen.

 

3.5 Huishoudelijke ondersteuning

3.5.1 Inleiding: wat is huishoudelijke ondersteuning?

De gemeente kan ondersteuning bieden aan een inwoner die niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. Het gaat hierbij onder andere om ondersteuning bij het schoon en leefbaar houden van de belangrijke ruimtes in het huis, zoals woonkamer, slaapkamer, keuken en sanitaire voorzieningen.

 

3.5.2 Het uitgangspunt van gebruikelijke hulp

De activiteiten die horen bij het voeren van een huishouding zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle personen die tot hetzelfde huishouden behoren. Het kan gebeuren dat één of meer personen uit het huishouden om wat voor reden niet (meer) in staat is/zijn om (een deel) van deze taken uit te voeren. In dat geval wordt van huisgenoten verwacht dat ze deze taken overnemen. Dit noemen we gebruikelijke hulp.

In hoofdstuk 1. Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt uitgebreider ingegaan op gebruikelijke hulp.

3.5.3 Vormen van huishoudelijke ondersteuning

Binnen de Wmo wordt onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen en een maatwerkvoorziening. Voor huishoudelijke ondersteuning kent de gemeente de volgende voorzieningen:

 

Algemene voorziening :

  • Huishoudelijke ondersteuning

Maatwerkvoorziening:

  • Huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie

  • Huishoudelijke ondersteuning voor inwoners zonder regie

  • Combinatie van Huishoudelijke ondersteuning en begeleiding thuis

3.5.4 Algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning

Een inwoner die zelfstandig woont en vanwege een beperking niet of onvoldoende in staat is om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren kan gebruik maken van de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning.

 

Er vindt dan geen specifiek onderzoek plaats naar de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner.

 

Voor wie is de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning

De algemene voorziening is toegankelijk voor inwoners met fysieke beperkingen en beperkingen in de sociale redzaamheid vanaf 18 jaar. Er is geen sprake van huisgenoten die vanuit gebruikelijke hulp taken over kunnen nemen.

Het is belangrijk bij de keuze voor een algemene voorziening, dat de inwoner zelf besluiten kan nemen over de manier waarop de huishoudelijke hulp moet worden ingevuld. De inwoner moet ook in staat zijn om de hulp aan te sturen.

 

Voor een algemene voorziening wordt geen volledig onderzoek gedaan en geen keukentafelgesprek gehouden. De gemeente voert een lichte toets uit, nadat de inwoner zich bij de gemeente heeft gemeld.

 

De volgende vragen worden gesteld bij de lichte toets:

  • Bent u inwoner van Overbetuwe en woont u zelfstandig?

  • Waarom en waarvoor vraagt u huishoudelijke ondersteuning aan? Wat kunt u niet meer en wat kunt u nog wel?

  • Woont u samen met huisgenoten op hetzelfde adres? Kunnen zij de huishoudelijke taken overnemen? Als dat niet zo is, wat is de reden hiervan?

  • Welke taken kunnen er niet meer gedaan worden door u (en eventueel uw huisgenoten)?

  • Bent u geïndiceerd voor de Wet langdurige zorg (Wlz)?

Zorgomvang en duur

Als de inwoner voldoet aan de voorwaarden wordt deze toegelaten tot de algemene voorziening.

De zorgaanbieder zet de eerste 6 weken gemiddeld 90 minuten per week huishoudelijke ondersteuning in. Na 6 weken volgt een evaluatie. Als het noodzakelijk is, dan breidt de zorgaanbieder de ondersteuning uit tot maximaal 120 minuten per week.

Is er meer dan 120 minuten nodig, moet er een melding komen om een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning te onderzoeken.

 

De zorgaanbieder bepaalt de duur van de inzet voor de algemene voorziening. Hierbij is het uitgangspunt:

  • 5 jaar voor inwoners boven de 80 jaar

  • 2 jaar voor inwoners tot 80 jaar

Taken

  • Licht huishoudelijk werk (bed opmaken, stoffen, afwassen, kamers opruimen, vuilniszak verwisselen).

  • Zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/soppen van sanitair en keuken, dweilen, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval).

  • Wasverzorging (wassen in wasmachine, drogen in droger of ophangen/afhalen, vouwen en opbergen). Strijken wordt niet gedaan binnen de huishoudelijke ondersteuning.

3.5.5 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning

Als er sprake is van een noodzaak tot huishoudelijke ondersteuning en de algemene voorziening is niet passend of toereikend, kan er een melding voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning worden gedaan.

 

Voor wie is de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning

De algemene voorziening wordt niet beschouwd als passend of toereikend wanneer:

  • er sprake is van een noodzakelijke omvang van de huishoudelijke ondersteuning van meer dan gemiddeld 120 minuten per week; en/of

  • de inwoner niet zelf de regie (bewaren van overzicht, het organiseren van het dagelijks leven en aansturen van de hulp) kan voeren;

  • er huisgenoten zijn die in het kader van gebruikelijke hulp de taken over kunnen nemen, maar hiertoe tijdelijk niet in staat zijn vanwege aantoonbare (dreigende) overbelasting;

  • vooraf helder is dat de noodzaak voor huishoudelijke ondersteuning tijdelijk is, bijvoorbeeld door een revalidatietraject.

Bij een maatwerkvoorziening heeft de hulp een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.

 

Zorgomvang en duur

Voor de bepaling van de zorgomvang en duur van de maatwerkvoorziening wordt gebruik gemaakt van de normtijden uit het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van het Bureau HHM. Dit normenkader kan zorgen voor meer eenduidigheid en transparantie. Ook kan het helpen bij het voorkomen van willekeur en bij het leveren van maatwerk.

 

Vanuit het keukentafelgesprek wordt de noodzaak bepaald om bepaalde taken wel of niet in te zetten. Is de noodzaak aanwezig, dan wordt het normenkader gebruikt om de omvang te bepalen. Normenkader huishoudelijke ondersteuning

 

De zorgduur is maatwerk en zal in het besluit worden opgenomen. Afhankelijk van aard van de beperkingen, mogelijkheden tot herstel en verwachtingen op langere termijn, wordt er voor kortere of langere tijd een indicatie afgegeven.

 

Taken

De taken binnen een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning zijn (kunnen) ruimer (zijn) dan binnen de algemene voorziening.

 

  • Licht (bed opmaken, stoffen, afwassen, kamers opruimen, vuilniszak verwisselen)

  • Zwaar huishoudelijk werk (stofzuigen, schrobben/soppen van sanitair en keuken, dweilen, bedden verschonen, opruimen huishoudelijk afval).

  • Beschikken over schone was (wassen in wasmachine, drogen in droger of ophangen/afhalen, vouwen en opbergen). Strijken wordt niet gedaan binnen de huishoudelijke ondersteuning.

  • In zeer uitzonderlijke situaties: ondersteunen bij het krijgen van de eerste levensbehoeften (boodschappen).

  • In ernstige situaties en in overleg met de thuiszorgorganisatie (Zorgverzekeringswet) het ondersteunen bij maaltijden.

  • Kindzorg (tijdelijk) voor minderjarige kinderen om huishouden bij een plotseling ontstane situatie de gelegenheid te geven zelf oplossingen te zoeken.

  • Advies, informatie en voorlichting: het activeren en aanleren van huishoudelijke taken zodat degene zijn eigen huishouden kan blijven voeren;

  • Het onderhouden en schoonmaken van de buitenruimtes (zoals de tuin, balkon en ramen aan de buitenzijde) valt niet onder huishoudelijke ondersteuning.

3.5.5.1 Vormen maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning

Overbetuwe kent binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning een drietal vormen.

  • Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuners voor inwoners zonder regie

  • Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie

  • Maatwerkvoorziening combinatie huishoudelijke ondersteuning en begeleiding

Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners die geen regie kunnen voeren

Voor inwoners die voldoen aan de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening en niet in staat zijn zelf de regie (bewaren van overzicht, het organiseren van het dagelijks leven en aansturen van de hulp) te voeren.

 

Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie

Voor inwoners met regie voor wie om andere redenen dan regie de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning niet passend of toereikend is.

 

Maatwerkvoorziening combinatie huishoudelijke ondersteuning en begeleiding

Voor inwoners waarbij er sprake is van het ontbreken door verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of psychische stoornis, die leidt zware en/of complexe problematiek. En waarbij de maatwerkvoorziening voor inwoners die geen regie kunnen voeren ontoereikend is.

In deze intensievere vorm krijgt de inwoner niet alleen hulp bij schoonmaken en leefbaar houden van het huis, maar ook begeleiding bij structuur en organisatie van het huishouden, regie over het dagelijks leven en ondersteuning bij taken en routines die daarbij horen

 

3.6 Mantelzorg, Respijtzorg en Kortdurend verblijf

3.6.1 Mantelzorg

Mantelzorg is de vrijwillige en onbetaalde hulp die mensen verlenen vanwege een rechtstreekse sociale relatie tussen degene die de hulp geeft en degene die de hulp verlangt. Mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken (de gebruikelijke hulp). Het gaat dus om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp.

 

Waardering mantelzorgers

De mantelzorg ontvanger kan een mantelzorgwaardering aanvragen. Een aanvraagformulier is digitaal beschikbaar op de website van de gemeente.

De mantelzorgwaardering bestaat uit:

  • a.

    éénmaal per jaar een financiële tegemoetkoming;

  • b.

    jaarlijkse activiteiten rond de dag van de Mantelzorger;

  • c.

    ondersteuningsaanbod voor mantelzorgers, zoals de mogelijkheid voor respijtzorg;

Belastbaarheid mantelzorger

Wat je kan verwachten van een mantelzorger, verschilt per mantelzorger. De verwachtingen zijn afhankelijk van de aard van de relatie en de situatie van betrokkene en de mantelzorger. De gemeente moet uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. De gemeente moet ook kijken naar de lichamelijke conditie van de mantelzorger. Verder moet de gemeente kijken naar de tijd die de mantelzorger heeft en naar de reistijd. De gemeente moet overbelasting van de mantelzorger zoveel mogelijk voorkomen.

Als kinderen mantelzorg verlenen mag dat niet ten koste gaan van hun ontwikkeling of welbevinden. Daarbij kun je denken aan het contact met leeftijdsgenoten, vrijetijdsbesteding en schoolprestaties.

 

Korte levensverwachting

In geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van het gezamenlijk huishouden van de inwoner, afgewogen worden of taken die redelijkerwijs onder de gebruikelijke hulp van huisgenoten vallen toch in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening.

 

Mantelzorg is niet afdwingbaar

Er is geen sprake van mantelzorg als de zorgverlener betaling wil ontvangen voor zijn hulp. Dit zal onderzocht moeten worden. Dus als er geconstateerd is dat huishoudelijke ondersteuning nodig is en de partner kan dit doen, maar alleen als er een financiële vergoeding tegenover staat, dan wordt deze ondersteuning geboden in de vorm van een pgb. Er is dan geen sprake meer van mantelzorg.

3.6.2 Respijtzorg

Respijtzorg is vervangende zorg en wordt ingezet wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting of overbelasting van de mantelzorger. Je sluit aan bij de vraag, de behoefte van de mantelzorger en respijtzorg duurt zo lang als het nodig is voor de mantelzorger om weer nieuwe energie op te doen.

Respijtzorg kent verschillende vormen:

  • -

    Aanwezigheidszorg: iemand die bij de zorgvrager thuisblijft zodat de mantelzorger even iets voor zichzelf kan doen (dit kan door een vrijwillige oppashulp gedaan worden);

  • -

    Dagopvang: de zorgvrager gaat één of meerdere dagen per week naar een dagopvang;

  • -

    Kortdurend verblijf: de zorgvrager gaat een nachtje of meerdere nachten logeren. Bijvoorbeeld zodat de mantelzorger op vakantie kan of bij een geplande of ongeplande opname van de mantelzorger in het ziekenhuis.

Gaat het om noodzakelijke 24-uurszorg dan kan de inwoner een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz).

Veel zorgverzekeraars hebben een mogelijkheid voor mantelzorgondersteuning. Soms vergoedt de zorgverzekeraar ook kortdurend verblijf. Het gaat dan om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Deze vorm van kortdurend verblijf wordt ook wel eerstelijnsverblijf genoemd. Als de (aanvullende) verzekering van een inwoner deze optie biedt, dan wordt aan de inwoner gevraagd om eerst hierop aanspraak te maken.

3.6.3 Spoedzorg

Onder spoedzorg (ook wel crisisopvang genoemd) verstaan we een hulpvraag om zorg of ondersteuning waarop binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Het gaat om situaties waarin iemand uit de huiselijke setting moet worden gehaald als gevolg van een onverwachte en voor de betrokkene ingrijpende gebeurtenis. Of het gaat om een situatie waarin een persoon terugkomt in de huiselijke setting, bijvoorbeeld na een ziekenhuis opname waarbij met spoed huishoudelijke hulp of begeleiding moet worden ingezet.

Gemeenten moeten in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken.

 

3.7 Vormen van ondersteuning

3.7.1 Maatwerkvoorziening

Als een maatwerkvoorziening de best passende oplossing is, kan de inwoner kiezen tussen een maatwerkvoorziening via zorg in natura (zin) en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget (pgb). De inwoner betaalt zelf mee aan de maatwerkvoorziening via een eigen bijdrage.

 

De vorm waarin de gemeente de voorziening verstrekt is:

  • in eigendom

    De gemeente kan een voorziening in eigendom geven aan de inwon er.Deze vorm is vooral praktisch bij minder kostbare voorzieningen. Denk aan een douchestoel. Het verstrekken in eigendom is dan praktischer dan bruikleen of huur. Bij deze vorm sluiten leverancier en gebruiker soms ook een overeenkomst voor onderhoud en reparatie.

  • in bruikleen

    De eigenaar van hulpmiddelen (leverancier of gemeente) heeft een hulpmiddel in eigendom en verstrekt deze in bruikleen aan de inwoner. De rechten en plichten bij bruikleen staan vaak in een bruikleenovereenkomst. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier of gemeente de eigenaar blijft van de voorziening. Dat maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als de gebruiker deze niet of niet goed gebruikt. Bovendien kan de gemeente de voorziening dan daarna aan iemand anders verstrekken.

  • overeenkomst bij wijze van persoonlijke dienstverlening

    De gemeente sluit bij persoonlijke dienstverlening een overeenkomst met een aanbieder van diensten. Denk hierbij aan individuele begeleiding of groepsbegeleiding.

3.7.1.1 Zorg in Natura

Als de inwoner kiest voor zorg in natura dan krijgt de inwoner de dienstverlening of voorziening via een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. De gemeente geeft de aanbieder opdracht voor het leveren van de dienstverlening of de voorziening. De gemeente kent een andere werkwijze voor dienstverlening dan voor voorziening. Dit wordt hieronder toegelicht:

 

Dienstverlening

Voorzieningen als begeleiding, groepsbegeleiding en huishoudelijke ondersteuning worden in de vorm van dienstverlening verstrekt. De gemeente heeft hiervoor via de regionale raamovereenkomst contracten gesloten met aanbieders. De inwoner kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij of zij de dienstverlening wil afnemen.

 

Voorzieningen

Voorzieningen (woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen) kunnen worden verstrekt in eigendom of bruikleen. Dit is afhankelijk van de contracten die de gemeente heeft gesloten met leveranciers.

Voor een deel van de voorzieningen heeft de gemeente contracten gesloten met meerdere aanbieders. De inwoner kan dan kiezen bij welke aanbieder hij of zij de voorziening wil afnemen. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de voorziening bij een andere niet-gecontracteerde aanbieder worden ingekocht en als zorg in natura worden geleverd.

3.7.2 Persoonsgebonden budget (pgb)

Een maatwerkvoorziening in pgb wil zeggen dat het college de inwoner een budget verstrekt. De inwoner kan met dit budget de benodigde voorziening aanschaffen of de benodigde dienstverlening inkopen. Het college verstrekt slechts een pgb wanneer dit voor de inwoner een passende oplossing is.

 

Pgb-vaardig

De inwoner moet volgens de gemeente voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Of met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een vertegenwoordiger in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

Om deze vaardigheden te toetsten vult de inwoner de pgb-test in. De inwoner moet aan de eisen voldoen om het pgb te kunnen beheren.

 

Hulp bij beheer door een vertegenwoordiger

Iemand anders kan het pgb voor de inwoner beheren:

  • a.

    Iemand die gemachtigd wordt door de inwoner, bijvoorbeeld een familielid, vriend of buurtgenoot die de inwoner vertrouwt. Diegene heeft een machtiging nodig van de inwoner.

  • b.

    De wettelijk vertegenwoordiger van de budgethouder (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde), mag het pgb beheren of iemand anders machtigen voor het beheer. De ouders zijn de wettelijk vertegenwoordiger van een kind. Zij beheren het pgb van hun kind.

Het is niet toegestaan dat de beheerder van het pgb ook de hulpverlener is. De beheerder wordt niet betaald voor het beheer.

 

Wanneer de persoon, van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht (bijvoorbeeld de partner), overbelast is, dan geeft het college voor deze gebruikelijke hulp geen pgb af. Een pgb is namelijk geen passende oplossing voor overbelasting.

 

Betalingen

De betaling van een pgb gaat via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner verantwoordt alle kosten die hij of zij maakt vanuit een pgb bij de SVB.

 

Eenmalige pgb

Eenmalige pgb's worden in principe rechtstreeks aan de leverancier betaald. Wanneer dit niet mogelijk is dan kan dit ook rechtstreeks aan de inwoner worden betaald. De inwoner toont vooraf met een factuur of offerte aan wat de daadwerkelijke kosten van het aanschaffen van de voorziening zijn.

3.7.2.1 Financiële tegemoetkoming

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Dit wordt vaak ingezet, als van tevoren moeilijk is te bepalen wat de hoogte van de kosten voor een voorziening moet zijn, zoals verhuiskosten of- herinrichtingskosten of vervoer met eigen auto. Dit is een vast bedrag. De hoogte hiervan moet dusdanig zijn dat degene een passende voorziening kan inkopen om de beperkingen voldoende te compenseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening.

3.7.2.2 Eigen bijdrage

Een eigen bijdrage wordt gevraagd zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb. Voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en soms vervoer geldt daarbij dat de bijdrage de kostprijs niet mag overstijgen. Onder kostprijs wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhouds- en servicekosten. De kostprijs is gelijk aan de waarde van de investering die de gemeente moet doen om de voorziening te kunnen realiseren. Dit geldt zowel voor voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, als voor voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt. Voor de overige voorzieningen, zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding, die onder het abonnementstarief vallen geldt geen controle op de kostprijs meer. Dit wil zeggen dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is, zolang de inwoner de voorziening gebruikt.

 

Langstlopende voorziening

Als aan een inwoner of een inwoner en zijn of haar echtgenoot meerdere voorzieningen zijn verstrekt, die onder het abonnementstarief vallen, wordt éénmaal de maandelijkse bijdrage betaald. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijven van de kostprijs.

In de praktijk gaat dat over de kostprijs die over de langste periode wordt geïnd. Dat is meestal de voorziening met de hoogste kostprijs. Hierop wordt de duur van de bijdrage gebaseerd.

 

Huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening.

Omdat hier sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag voor deze algemene voorziening een eigen bijdrage worden gevraagd en valt dit onder het abonnementstarief.

 

Bijdrage bij beschermd wonen en maatschappelijke opvang

De inwoner die woont in een woonvorm voor beschermd wonen of beschermd thuis waarbij sprake is van ‘scheiden wonen en zorg’ (d.w.z. de inwoner betaalt zelf de huur en zijn eten of een bijdrage voor maaltijden) valt onder het Wmo-abonnementstarief. Degene betaalt dan geldende abonnementstarief.

 

Woont een inwoner in een instelling van een zorgaanbieder voor intramuraal beschermd wonen waarbij een ‘totaalpakket’ wordt geleverd (dus inclusief huur, hotelkosten, etc.), dan betaalt degene een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor een inwoner die een inkomen heeft op bijstandsniveau betekent dit dat men de zogeheten ‘zak- en kleedgeldnorm’ overhoudt voor persoonlijke uitgaven. Inwoners met een hoger inkomen betalen meer. De normbedragen zijn te vinden op de site van het CAK. De centrumgemeente meldt de inwoner aan bij het CAK. Zodra in de toekomst de individuele gemeenten voor de indicatie verantwoordelijk zijn, meldt de gemeente de inwoner aan bij het CAK.

 

Bij uitstroom, of te voorziene uitstroom uit intramuraal beschermd wonen (b.v. iemand meldt zich aan voor de Opstapregeling), bestaat het recht om voor een periode van maximaal 6 maanden voor uitstroom de lage Wmo eigen bijdrage te betalen. Dit biedt de mogelijkheid om wat te sparen voor de kosten die bij uitstroom gemaakt moeten worden voor het huis/ aankleding, etc. De inwoner meldt dit zelf bij het CAK. Duurt de uitstroom langer dan kan er mogelijk een naheffing van het CAK volgen.

 

De eigen bijdrage voor Beschermd wonen en Beschermd Verblijf is inkomensafhankelijk en wordt vastgesteld op basis van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

4. Jeugd

(Jeugdwet, Wpo, Wvo, Wec),

 

4.1 Algemeen

In de beleidsregels jeugd staat hoe het college zijn taken en wat bepaald is in de verordening sociaal domein met betrekking tot de Jeugdwet uitvoert

  • Een jeugdige zoveel mogelijk thuis en zo veilig mogelijk laten opgroeien.

  • Kansen bieden voor de jeugdige om zich te ontwikkelen.

  • Hulp bij het opvoeden.

  • Vervoer van en naar de plek van de jeugdhulp.

  • Overige vormen van jeugdhulp

4.2 Uitgangspunten voor ondersteuning en jeugdhulp

De gemeente onderzoekt welke hulp nodig is om de doelen beschreven onder 4.1 te behalen. Bij het bieden van ondersteuning en jeugdhulp hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten:

  • Ouders en/of verzorgers zijn primair verantwoordelijk voor hun eigen handelen en voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen.

  • De gemeente verwacht dat ouders en/of verzorgers in eerste instantie een beroep doen op hun eigen netwerk van familie, vrienden en kennissen.

  • De gemeente waardeert het als ouders en/of verzorgers zich vrijwillig inzetten voor anderen, en ondersteunen hen om dit te kunnen blijven doen.

  • De gemeente kan bijdragen aan het bevorderen van een gezonde leefstijl, maar de verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de persoon zelf.

  • Wanneer jeugdhulp nodig blijkt, onderzoekt de gemeente de hulpvraag zorgvuldig.

  • De gemeente kijkt naar wat ouders/verzorgers zelf al kunnen en hoe zij hierin verder versterkt kunnen worden.

  • Hulpverlening richt zich op de context van het gezin, met oog voor het gehele gezinssysteem.

  • De ondersteuning moet altijd aansluiten bij de specifieke situatie en problematiek van het gezin en/of de jongere.

  • Hulp wordt zo licht als mogelijk en zo kort als noodzakelijk ingezet.

  • Hulp vindt idealiter plaats in de eigen leefomgeving, zo dicht mogelijk bij huis.

  • De gemeente streeft naar een goede samenwerking met betrokken hulp- en ondersteuningsorganisaties, en verwachten ook onderlinge afstemming tussen deze partijen.

  • De gemeente werkt methodisch, planmatig en transparant aan het behalen van doelen. We hanteren hierbij het uitgangspunt: ‘voldoende is goed genoeg’ — perfectie is niet het streven.

4.3 Gebruikelijke hulp,voorliggende en algemene voorzieningen

De gemeente gaat ervan uit dat ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zie hiervoor ook Hoofdstuk 1: “Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen”. Wanneer ouders hierin (tijdelijk) niet in staat zijn, kan de gemeente verschillende vormen van ondersteuning bieden om de zorg zo goed mogelijk te organiseren. In dit hoofdstuk leggen we uit welke vormen van hulp voorliggend zijn op jeugdhulpvoorzieningen.

4.3.1 Voorliggende voorzieningen

Een voorliggende voorziening betekent dat eventueel benodigde hulp of ondersteuning al op een andere manier vergoed kan worden. Hier is dus geen jeugdhulpvoorziening voor nodig van de gemeente.

 

Hierbij kan gedacht worden aan:

  • -

    Algemene of algemeen gebruikelijke voorziening

  • -

    Opvoedhulp van het consultatiebureau en de jeugdverpleegkundige (Wet publieke gezondheid)

  • -

    Jeugdarts (Wet publieke gezondheid)

  • -

    Wet Langdurige zorg (Wlz)

  • -

    Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen (BJj)

  • -

    Zorgverzekeringswet (Zvw)

  • -

    Participatiewet (Pw)

  • -

    Wet Passend Onderwijs

  • -

    Leerlingenvervoer

  • -

    Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo).

Wanneer een voorliggende voorziening goed past bij de behoefte of hulpvraag, hoeft de gemeente geen jeugdhulpvoorziening af te geven. Er is dan immers een andere oplossing beschikbaar.

 

Als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd zijn voor de noodzakelijke (jeugd)hulp, wordt verwacht dat in dat geval de jeugdige en/of ouder(s) aanspraak maken op die aanvullende zorgverzekering. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige en/of ouder(s) in staat zijn zelf de problemen op te lossen.

 

Volgens de Jeugdwet is het college niet verplicht een individuele voorziening te verstrekken als recht bestaat op zorg op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een andere wettelijke bepaling.

 

Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij actief aanspraak proberen te maken op een andere voorliggende voorziening. Het college kan van mening zijn dat er sprake is van een voorliggende voorziening. De jeugdige en/of ouder(s) dienen daarom na een verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag onder een andere wet of een declaratie op basis van de (aanvullende) verzekering in. Als aan het verzoek van het college niet binnen twee weken gevolg wordt gegeven, is de weigering om het verzoek in te willigen tezamen met de mening van het college dat er sprake is van een voorliggende voorziening een afwijzingsgrond voor de aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp.

 

Van een andere voorliggende voorziening is geen sprake als vaststaat dat de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt.

 

Omdat de afbakening tussen de Jeugdwet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder nader toegelicht.

 

Afbakening Wlz

Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor een indicatie voor Wlz-zorg, maar hij of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren.

 

Jeugdigen kunnen in aanmerking komen voor een indicatie op grond van de Wlz als ze een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanwege de volgende beperkingen:

  • -

    een somatische aandoening of beperking;

  • -

    een verstandelijke beperking;

  • -

    een lichamelijke beperking;

  • -

    een zintuiglijke beperking.

Wlz-zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).

 

Afbakening Zvw

Als een jeugdige de benodigde zorg op grond van de Zvw krijgt, bestaat er geen recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De Zvw regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben.

 

De Zvw-aanspraken zijn door de overheid vastgelegd in een basispakket. Het basispakket geeft jeugdigen recht op:

  • -

    geneeskundige zorg, waaronder de integrale eerstelijnszorg zoals die door huisartsen en verloskundigen worden geboden;

  • -

    mondzorg;

  • -

    farmaceutische zorg (inclusief verstrekking van medicijnen);

  • -

    hulpmiddelenzorg;

  • -

    medisch-specialistische zorg (verpleging en verzorging, inclusief wijkverpleging);

  • -

    verblijf in verband met geneeskundige zorg;

  • -

    zintuiglijk gehandicaptenzorg;

  • -

    paramedische zorg (fysiotherapie, oefentherapie, logopedie, ergotherapie en diëtetiek);

  • -

    ziekenvervoer.

De aanvullende zorgverzekering is geen andere wettelijke voorliggende voorziening. Echter in het kader van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt wel verwacht dat ouders en jeugdigen hier gebruik van maken.

 

Samenloop

Soms is een probleem het gevolg van meerdere oorzaken. In gevallen waarin er zowel recht bestaat op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) als de Jeugdwet, moet er een jeugdhulpvoorziening worden getroffen. Een uitzondering hierop geldt voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo, zoals woningaanpassingen en hulpmiddelen.

Een jeugdhulpvoorziening kan worden geweigerd als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige en/of diens ouders recht hebben op zorg op basis van de Wlz of de zorgverzekering, en/of als zij weigeren mee te werken aan het verkrijgen van die zorHulp voor ouders

Wanneer ouders tegen problemen aanlopen bij de opvoeding, verzorging en het grootbrengen van hun kind, en het hen niet lukt om deze problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun eigen netwerk, kan jeugdhulp een oplossing bieden. Jeugdhulp kan ouders ondersteunen bij opvoedingsproblemen.

 

In sommige gevallen is echter ook ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) nodig. Volgens de wet valt de verzorging van (gezonde) kinderen onder het uitvoeren van een gestructureerd huishouden. Als een ouder door beperkingen in zelfredzaamheid niet in staat is om alle taken die bij de verzorging van een kind horen zelf uit te voeren, kan praktische hulp nodig zijn, waarbij verzorgingstaken van de ouder worden overgenomen. Deze ondersteuning valt onder de Wmo.

 

Bij het bepalen van de juiste hulp wordt gekeken naar wie de hulp nodig heeft. Heeft de hulp te maken met de zelfredzaamheid of opvoedvaardigheden van de ouder, of is er sprake van problematiek bij de jeugdige? Het antwoord op deze vraag bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest passend is.

4.3.2 Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen

Wanneer het ouders, samen met hun eigen netwerk, niet meer lukt om een jeugdige gezond en veilig op te laten groeien naar zelfredzaamheid en participatie, kan de jeugdige in eerste instantie een beroep doen op algemeen toegankelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn voor alle inwoners van de gemeente Overbetuwe vrij toegankelijk, gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, en worden lokaal georganiseerd.

 

Voorbeelden hiervan zijn:

  • 1.

    Welzijnswerk, zoals het activiteitenplein bij Brede scholen of activiteiten van Forte Welzijn;

  • 2.

    Jongerenwerk;

  • 3.

    Maatjes- en vrijwilligersprojecten;

  • 4.

    Sociale vaardigheids- en weerbaarheidstrainingen op school;

  • 5.

    Schoolmaatschappelijk werk;

Daarnaast zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen of producten en diensten die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking en vrij toegankelijk en gebruikelijk zijn voor iedereen in de gemeente.

 

Voorbeelden hiervan zijn:

  • 1.

    Kinderopvang;

  • 2.

    Commercieel sport- en cultuuraanbod;

  • 3.

    Gemaksdiensten van de zorgverzekeraar.

4.4 Jeugdhulpvoorzieningen

Wanneer een jeugdige of ouder een hulpvraag heeft, wordt eerst vastgesteld wat de aard van de vraag is. Vervolgens worden de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen in kaart gebracht. Op basis hiervan wordt bepaald welke hulp, zowel in aard als omvang, nodig is voor de jeugdige. Daarna wordt beoordeeld wat de jeugdige zelf of met (gebruikelijke) hulp van het eigen netwerk kan oplossen, welke problemen met algemene voorzieningen kunnen worden aangepakt en waarvoor nog individuele jeugdhulpvoorzieningen noodzakelijk zijn.

 

Het doel van het inzetten van een individuele jeugdhulpvoorziening is om de jeugdige in staat te stellen:

  • 1.

    Gezond en veilig op te groeien,

  • 2.

    Zelfstandigheid te ontwikkelen,

  • 3.

    Voldoende zelfredzaam te zijn en actief deel te nemen aan de samenleving,

  • 4.

    Rekening houdend met leeftijd, ontwikkelingsniveau, godsdienstige overtuiging en culturele achtergrond.

Onder jeugdhulpvoorzieningen of opvoedondersteuning kunnen de volgende vormen van hulp vallen:

  • 1.

    Ambulante jeugdhulp, zoals (specialistische) begeleiding,

  • 2.

    Groepsbegeleiding/dagbehandeling,

  • 3.

    Kort verblijf/logeren,

  • 4.

    Vervoer van en naar de jeugdhulp,

  • 5.

    (Specialistische) geestelijke gezondheidszorg en dyslexiezorg,

  • 6.

    Jeugdhulp met verblijf, zoals pleegzorg, gezinshuizen, residentiële voorzieningen of gesloten jeugdhulp.

Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp kunnen, indien noodzakelijk door medische redenen of beperkingen in zelfredzaamheid, ook het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, omvatten.

 

Deze beleidsregels gelden uitsluitend voor vrijwillige jeugdhulp. Voor gedwongen jeugdhulp zijn andere regels van toepassing, vastgelegd in documenten en contracten met gecertificeerde instellingen die deze hulp uitvoeren. Deze regels zijn opgenomen in de bovenregionale afspraken van de Gelderse Verbeteragenda (zie www.gvjb.nl).

 

In gevallen van gedwongen jeugdhulp is het de verantwoordelijkheid van het college om de jeugdhulp in te zetten die door de gecertificeerde instelling noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of een machtiging uithuisplaatsing. Daarnaast zal het college de jeugdhulp inzetten die door de rechter, het Openbaar Ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die door de gecertificeerde instelling wordt vereist voor jeugdreclassering.

3.4.7 Praktijkondersteuner jeugd POJ)

De gemeente Overbetuwe heeft als brede ambitie om te zorgen voor passende, betaalbare, toegankelijke en kwalitatief goede zorg voor onze inwoners. De praktijkondersteuner jeugd (POJ) is verbonden aan het sociaal team en moet kinderen en jongeren helpen om hun zorgen en problemen te verhelderen en ervoor te zorgen dat deze kinderen en jongeren passende hulp krijgen. De POJ doet dat vanuit de visie dat jongeren zoveel mogelijk lokaal passende hulp nodig hebben, dat de POJ de samenwerking tussen partners in het zorg en sociaal domein kan faciliteren en verbeteren en dat door de functie POJ de inzet van dure specialistische voorzieningen zo veel mogelijk voorkomen kan worden. In sommige gevallen biedt de POJ zelf kortdurende ondersteuning en/of overbruggingszorg.

 

4.5 Jeugdvervoer

4.5.1 Algemene uitgangspunten

Het uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het feit dat ouders/verzorgers werken of zorgdragen voor andere kinderen wordt in beginsel niet beschouwd als een beperking in de zelfredzaamheid. Als ouders/verzorgers er zelf niet in slagen het vervoer te verzorgen of begeleiding in het vervoer te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren of familie inschakelen.

4.5.2 Aanspraak op een vervoersvoorziening

  • 1.

    Een vervoersvoorziening wordt alleen verstrekt aan de jeugdige als:

    • a.

      De jeugdige ook een Jeugdhulpvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024 ontvangt;

    • b.

      Het vervoer van de jeugdige betreft naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.

    • c.

      De jeugdhulplocatie op meer dan 6 kilometer (enkele reis) van de verblijfplaats van de jeugdige ligt, waarbij de afstand wordt gemeten langs de kortste voor de jeugdige voldoende begaanbare en veilige weg per fiets volgens de ANWB-routeplanner.

    • d.

      Er geen andere regeling/voorziening is waarvan de jeugdige gebruik kan maken voor het vervoer naar de jeugdhulpvoorziening.

    • e.

      Er sprake is van een vervoersprobleem dat de jeugdige niet op eigen kracht of met hulp van ouder(s) en/of het netwerk kan oplossen.

  • 2.

    Er is sprake van een vervoersprobleem als:

    • a.

      Er sprake is van een medische noodzaak. Dat wil zeggen dat de jeugdige door een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking niet in staat is om (eventueel onder begeleiding van een volwassene) gebruik te maken van de fiets of het openbaar vervoer; of

    • b.

      Er sprake is van een gebrek aan zelfredzaamheid doordat:

      • i)

        De leeftijd van de jeugdige het niet toe laat zelfstandig te reizen met het openbaar vervoer; of

      • ii)

        er sprake is van ernstige gedragsproblemen welke reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken; of

      • iii)

        er andere redenen van niet-medische aard zijn die het zelfstandig of onder begeleiding reizen in het openbaar vervoer of eigen vervoer onmogelijk maken.

  • 3.

    Het college beoordeelt in elke individuele situatie of er specifieke omstandigheden zijn waardoor de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) onvoldoende zijn om de eigen verantwoordelijkheid voor het vervoer op zich te nemen.

  • 4.

    Wanneer de inzet van een vervoersvoorziening door het college noodzakelijk wordt geacht, is de voor het college goedkoopst mogelijke wijze van vervoer het uitgangspunt. Eerst wordt gekeken of ouders/verzorgers het vervoer zelf kunnen organiseren. Indien dit het geval is geldt een kilometervergoeding ter hoogte van de maximale algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding. Per 1 januari 2024 bedraagt deze € 0,23 per kilometer. Voor het vaststellen van de afstand maakt het college gebruik van de optie ‘kortste route’ met de auto van de ANWB routeplanner. Als vervoer op eigen gelegenheid niet mogelijk is, dan verstrekt het college een voorziening voor aangepast vervoer.

  • 5.

    Het college kan een jeugdige aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt tijdelijk of voor onbepaalde tijd de toegang tot dit vervoer ontzeggen wanneer bij herhaling is gebleken dat door agressief gedrag of op een andere manier ongepast gedrag van de jeugdige of diens ouder/verzorger de orde, rust en/of (sociale) veiligheid van de chauffeur en/of andere inzittenden in het geding is gekomen. Hierbij wordt in voorkomende gevallen gehandeld volgens het incidentenprotocol van Avan.

 

4.6. Vervoer naar school

4.6.1 Berekenen afstand

  • 1.

    Bij de beoordeling van de aanvragen moet de afstand van woning/opstapplaats naar school worden berekend om:

    • a.

      Vast te stellen of aan het afstandscriterium van meer dan 6 kilometer, zoals vermeld in de verordening onder artikel 6.3.1 lid 2c, wordt voldaan;

    • b.

      Te bepalen welke school dichter bij de woning staat;

    • c.

      De hoogte van de vergoeding voor de auto/fiets/openbaar vervoer vast te stellen.

  • 2.

    Voor de berekening van de hiervoor bedoelde afstand wordt gebruik gemaakt van de ANWB-routeplanner. Bij de berekening wordt uitgegaan van de optie kortste route per fiets. Aan de hand van deze afstand wordt bepaald of voldaan wordt aan het afstandscriterium en of het de dichtstbijzijnde school betreft.

  • 3.

    Als er een vergoeding voor het eigen vervoer (fiets of eigen auto) wordt toegewezen, wordt het aantal te vergoeden kilometers vastgesteld op de afstand die aan de hand van dat vervoermiddel is berekend met de ANWB-routeplanner.

  • 4.

    Werkzaamheden aan de weg worden in de berekening van de afstand niet meegenomen.

4.6.2 Vaststellen reistijd

  • 1.

    Bij het beoordelen van de aanvraag van een vervoersvoorziening vindt het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer plaats op basis van de informatie van de Reisinformatiegroep BV via telefoonnummer 0900-9292, de website www.9292.nl of de mobiele app van de Reisinformatiegroep BV op het moment van de beoordeling.

  • 2.

    Bij het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer wordt een eventuele wachttijd gedurende de reis per openbaar vervoer meegeteld.

  • 3.

    De reistijd per auto wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’.

  • 4.

    De reistijd per aangepast vervoer wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’ gemeten vanaf de woning dan wel de opstapplaats.

  • 5.

    Bij het vaststellen van de reistijd tussen de woning en de school kan rekening worden gehouden met een marge van maximaal 15 minuten tussen het bereiken van de school en het begin van de schooldag volgens de schoolgids.

4.6.3 Structurele beperking

  • 1.

    Een structurele beperking is een lichamelijke, verstandelijke, zintuigelijke of psychische beperking die langer duurt dan drie maanden, waardoor een leerling niet zelfstandig of onder begeleiding van het openbaar vervoer, bromfiets/scooter of fiets gebruik kan maken.

  • 2.

    Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan 3 maanden afhankelijk is van een rolstoel en/of krukken, kan het college een vervoersvoorziening verstrekken voor de duur van het herstel of de revalidatie. Dit geldt alleen wanneer de extra vervoerskosten niet bij een zorgverzekeraar of elders kunnen worden gedeclareerd.

4.6.4 Dichtstbijzijnde toegankelijke school

  • 1.

    Kinderen van statushouders met een taalachterstand kunnen een jaar lang intensief taalonderwijs krijgen door middel van de zogenaamde schakelklassen. Dit taalonderwijs wordt zowel op het basis- als het voortgezet onderwijs (ISK) gegeven. In de uitvoering wordt onderscheid gemaakt tussen beide onderwijsvormen.

    • a.

      Wanneer een leerling voor primair onderwijs is aangewezen op taalonderwijs bij een voltijdschakelklas, merkt het college de school waarop het taalonderwijs wordt geboden aan als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor deze leerling. Het college kan een voorziening verstrekken voor vervoer van en naar deze school als voldaan wordt aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024.

    • b.

      Wanneer het om voortgezet onderwijs (ISK) gaat, hanteert het college het volgende: leerlingen die een school voor voortgezet onderwijs bezoeken komen slechts dan in aanmerking voor bekostiging van vervoer wanneer zij vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.

  • 2.

    Als een school bestaat uit dislocaties of nevenvestigingen geldt als uitgangspunt dat de feitelijke locatie die door een leerling wordt bezocht als school kan worden beschouwd. Het vervoer tussen twee schoollocaties dient door school te worden verzorgd.

  • 3.

    Wanneer leerlingen vanwege een verbouwing op een andere locatie worden opgevangen, is het niet automatisch zo dat alle leerlingen naar die locatie vervoerd worden. Per leerling zal opnieuw beoordeeld worden of er nog aanspraak gemaakt kan worden op een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024. Deze wijziging dient daarom door ouders aan het college te worden doorgegeven.

  • 4.

    Volgt een leerling ook onderwijs op een zorg- of jeugdhulplocatie, dan kan het college een vervoersvoorziening verstrekken als aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024 wordt voldaan én als sprake is van onderwijs in de zin van de onderwijswetgeving. Bij locaties waar zowel onderwijs als zorg wordt verstrekt bestaat alleen aanspraak op leerlingenvervoer als het onderwijs deel meer dan 50% van de tijd omvat. Het college vraagt ouders dit aan te tonen via het overleggen van een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en de beschikking voor het zorgdeel. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening zijn de schooltijden leidend.

  • 5.

    Alsde dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanspraak op een vervoersvoorziening naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Bij de nieuwe aanvraag is het aan ouders om aan te tonen dat de wachtlijst nog bestaat. In de toekenningsbeschikking neemt het college op dat bekostiging van het leerlingenvervoer naar de verder weg gelegen school wordt verstrekt tot het moment dat de leerling op de dichtstbijzijnde school kan worden geplaatst, waarna de voorziening vervalt. Als ouders in aanmerking willen blijven komen voor een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024, dan is het nodig dat zij daarvoor een nieuwe aanvraag indienen. Deze toetst het college aan de voorwaarden van de verordening.

4.6.5 Stagevervoer

  • 1.

    Het stageadres dient te zijn gelegen op de route naar school of binnen een straal van maximaal 5 kilometer van de school.

  • 2.

    Als niet kan worden voldaan aan wat is beschreven in het eerste lid, dient de aanvrager te motiveren waarom voor deze stageplaats gekozen wordt en te onderbouwen waarom er geen dichterbij gelegen passende stageplaats aanwezig is.

  • 3.

    Stagevervoer in de avonduren of tijdens weekend of schoolvakanties wordt niet bekostigd.

4.6.6 Vervoer naar opvangadres

Wanneer er aangepast vervoer wordt toegekend, verzorgt het college na schooltijd alleen vervoer van school naar een opvangadres, anders dan het woonadres of opstapplaats, in de volgende situaties:

  • a.

    Het opvangadres ligt binnen de woonplaats;

  • b.

    Er is één opvangadres naast het woonadres toegestaan;

  • c.

    Er is sprake van een vast patroon, dat wil zeggen één vast opvangadres op vaste dagen per week. Hiervan kan niet incidenteel worden afgeweken;

  • d.

    Het vervoer vindt plaats in aansluiting op de reguliere eindtijd van de school volgens de schoolgids. Vervoer vanaf het opvangadres naar het woonadres behoort in geen geval tot de mogelijkheden. Hiervoor zijn de ouders verantwoordelijk;

  • e.

    De maximale individuele reistijd van de leerlingen die vervoerd worden op de aangepaste route wordt niet overschreden.

  • f.

    Het vervoer naar het opvangadres leidt niet tot individueel vervoer of om andere redenen tot hogere kosten dan vervoer naar het woonadres.

4.6.7 Hoogbegaafde leerlingen

Op verzoek van de ouders kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer van een hoogbegaafde leerling naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool die voltijdonderwijs voor hoogbegaafden aanbiedt, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    De dichtstbijzijnde basisschool/voortgezet onderwijsschool heeft (nog) geen passend aanbod voor de hoogbegaafde leerling en de leerling moet meer dan zes kilometer reizen van de woning, het opvangadres dan wel de opstapplaats naar een voor hem eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school die wel een passend voltijdaanbod op het gebied van hoogbegaafdheid aan de leerling kan bieden, en;

  • b.

    Het samenwerkingsverband heeft een verklaring afgegeven, waarin is opgenomen dat er sprake is van hoogbegaafdheid en in welke mate en welk onderwijstype er specifiek nodig is voor deze leerling;

  • c.

    Het samenwerkingsverband heeft in de onder sub b genoemde verklaring aangegeven op welke dichtstbijzijnde locatie, bij voorkeur binnen het samenwerkingsverband, passende voorzieningen op het gebied van hoogbegaafdheid aan de leerling kunnen worden geboden.

4.6.8 Aansluiting op schooltijden

  • 1.

    Het leerlingenvervoer vindt plaats in aansluiting op het begin en einde van de schooldag, zoals dat is vastgelegd in de schoolgids.

  • 2.

    Als er binnen een school sprake is van verschillende lesroosters binnen de vaste schooltijden, kan het college besluiten met de inzet van het aangepaste vervoer een wachttijd aan te houden van één of meerdere lesuren, om zodoende aan te sluiten op het reguliere leerlingenvervoer.

4.6.9 Afwijkende schooltijden

  • 1.

    Het aangepast vervoer op schooldagen en schooltijden die afwijken van de in de schoolgids genoemde dagen en tijden wordt niet bekostigd, tenzij de ouders bewijs overleggen waaruit blijkt dat de structurele beperking van een leerling de aansluiting op de standaard schooltijden onmogelijk maakt.

  • 2.

    Het vervoer bij wisselende of afwijkende schooltijden behoort tot de verantwoordelijkheid van ouders zelf. Dit geldt bijvoorbeeld ook bij uitvaluren aan het begin en einde van de schooldag, sportdagen of wanneer een kind halverwege een schooldag de school verlaat wegens ziekte of een doktersbezoek.

4.6.10 Gebruik opstapplaatsen

  • 1.

    Het college bepaalt in overleg met de vervoerder de ligging van de opstapplaatsen.

  • 2.

    Het college bepaalt welke leerlingen gebruik maken van opstapplaatsen.

  • 3.

    Een leerling wordt geacht geen gebruik te kunnen maken van een aangewezen opstapplaats als:

    • a.

      De afstand vanaf de woning naar de opstapplaats méér dan 3 kilometer is; of

    • b.

      De leerling rolstoelgebonden is; of

    • c.

      De leerling in een jeugdzorginstelling of gezinsvervangend tehuis verblijft en de begeleiders vanwege zorg voor andere jeugdigen de leerling niet naar de opstapplaats kunnen begeleiden en de leerling niet zelfstandig naar de opstapplaats kan reizen.

    • d.

      Ouders aantonen dat begeleiding van de leerling door henzelf of anderen in hun netwerk van en naar de opstapplaats onmogelijk is dan wel tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden en een andere oplossing niet mogelijk is.

  • 4.

    Ouders/verzorgers zijn verantwoordelijk voor het vervoer en de begeleiding van en naar de opstapplaats. Ouders beoordelen zelf of en wanneer de leerling zelfstandig van en naar de opstapplaats kan reizen en daar zelfstandig kan wachten.

  • 5.

    De reistijd van het aangepast vervoer is exclusief de reistijd van het woonadres naar de opstapplaats.

4.6.11 Extreme weersomstandigheden

Bij (verwachte) extreme weersomstandigheden beslist de vervoerder in overleg met het college of de route gereden kan worden, of eventueel op een ander tijdstip plaats moet vinden. De vervoerder geeft dit direct door aan de ouders.

4.6.12 Begeleiding

  • 1.

    Begeleiding is primair een taak van de ouders/verzorgers.

  • 2.

    Het feit dat ouders/verzorgers werken of zorgdragen voor andere kinderen betekent in beginsel niet dat zij geen begeleiding kunnen bieden.

  • 3.

    Van ouders/verzorgers wordt geen begeleiding verlangd als

    • a.

      De ouder van een één-oudergezin kan aantonen dat de ouder het werk / inburgering niet langer kan uitoefenen als deze zorg moet dragen voor de begeleiding van zijn kind van en naar school. Hiervoor dient de ouder een werkgeversverklaring aan het college te overleggen, met een weekrooster en werktijden. Ook het volgen van een voltijdsopleiding door een ouder van een één-oudergezin, wordt door het college gelijkgesteld met werk / inburgering. In deze situatie dient de ouder een inschrijfbewijs en het lesrooster van de voltijdsopleiding aan het college te overleggen.

    • b.

      Er sprake is van een één-oudergezin en de ouder één of meerdere kind(eren), jonger dan 10 jaar uit hetzelfde gezin, tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Dan kan de leerling die moet reizen naar het speciaal (basis)onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van aangepast vervoer. De ouder maakt aan het college aannemelijk dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie of voor- en naschoolse opvang) niet mogelijk is.

    • c.

      Ouders door medische redenen structureel belemmerd worden om hun kind te begeleiden. Het college kan van ouders verlangen mee te werken aan een onafhankelijk medisch onderzoek, waarvan de kosten door ouders worden gedragen.

    • d.

      Begeleiden van een kind van en naar school meer dan vier uur per dag in beslag neemt, en begeleiding voor de ouder onredelijk bezwarend is, bijvoorbeeld vanwege werk.

4.6.13 Fietsvergoeding

  • 1.

    Van kinderen van 9 jaar of ouder wordt in principe verwacht dat zij zelfstandig kunnen fietsen. Dit wordt gezien als voorbereiding op het voortgezet onderwijs.

  • 2.

    De volgende uitgangspunten gelden met betrekking tot de maximale fietsafstand:

    • a.

      9 jaar: door het kind 7 kilometer

    • b.

      10 jaar: door het kind 8 kilometer

    • c.

      11 jaar: door het kind 9 kilometer

    • d.

      Voor het primair onderwijs geldt een maximum van 9 kilometer

    • e.

      Leerlingen die in staat zijn zelfstandig te fietsen naar voortgezet (speciaal) onderwijs kunnen geen vergoeding krijgen.

  • 3.

    De fietsvergoeding is voor de leerling per schooldag twee keer de vergoeding voor de rit tussen woning en de school, tenzij deze minder dan twee keer per dag wordt gereden.

  • 4.

    De fietsvergoeding is voor de begeleider van de leerling per schooldag dat de leerling wordt begeleid twee keer de retourrit tussen de woning en de school, tenzij minder dan twee keer per dag wordt gereden.

4.6.14 Vergoeding Openbaar vervoer

  • 1.

    Wanneer vervoer per fiets niet mogelijk is, is het uitgangspunt dat alle leerlingen, al dan niet onder begeleiding, met het openbaar vervoer worden vervoerd, tenzij:

    • a.

      Dit vanwege een structurele lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke of psychische beperking niet mogelijk is voor de leerling;

    • b.

      De reistijd in het openbaar vervoer langer is dan anderhalf uur enkele reis en aangepast vervoer de reistijd met minimaal 50% vermindert;

    • c.

      Vervoer anders dan het openbaar vervoer goedkoper is.

  • 2.

    Het college gaat ervan uit dat een leerling in de leeftijd van 9 tot 11 jaar die zelfstandig met het openbaar vervoer reist, eenmaal per enkele reis kan overstappen. Een leerling van 12 jaar en ouder kan meerdere keren per enkele reis overstappen.

  • 3.

    Wanneer ouders aangeven dat een leerling niet kan overstappen vanwege een gevaarlijk overstappunt en/of een gevaarlijke route naar school, moeten ouders dit aantonen.

  • 4.

    Er wordt uitgegaan van de informatie van website 9292.nl bij het vaststellen of reizen met het openbaar vervoer mogelijk is.

  • 5.

    Daar waar sprake is van een looproute van huis naar de halte of van de halte naar school en vice versa, wordt voor de maximale loopafstand uitgegaan van maximaal 30 minuten.

  • 6.

    De gemeente bekostigt in beginsel de goedkoopst mogelijke wijze van openbaar vervoer. Het college kan hiervan afwijken als een duurdere reisoptie in het openbaar vervoer leidt tot een aanzienlijke verkorting van de reistijd.

4.6.15 Vergoeding eigen vervoer

  • 1.

    Als aanspraak bestaat op een vervoersvoorziening, kan het college de ouders vragen of op aanvraag toestaan één of meerdere leerlingen zelf te vervoeren of laten vervoeren, als dit leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

  • 2.

    Ouders kunnen op basis van het eerste lid niet worden verplicht om één of meer leerlingen zelf te vervoeren.

  • 3.

    Er wordt een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto gegeven, als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

    • a.

      Er zou een andere vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024 zijn toegekend als men niet zelf zou vervoeren;

    • b.

      Ouders stemmen ermee in dat zij een vergoeding ontvangen voor het gebruik van de eigen auto;

    • c.

      De vergoeding voor gebruik van de eigen auto is voor de gemeente goedkoper dan de kosten van de vervoersvoorziening die op grond van het beleid zou worden toegewezen (Openbaar vervoer of aangepast vervoer).

  • 4.

    De kilometervergoeding voor de auto geldt per schooldag voor twee keer de gereden retourrit tussen de woning en de school, tenzij minder dan twee keer per dag wordt gereden. De kilometervergoeding wordt uitbetaald aan de ouders van de leerling.

4.6.16 Aangepast vervoer

  • 1.

    Het college verstrekt een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer als een leerling op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024 recht heeft op een vervoersvoorziening en:

    • a.

      de reistijd met het openbaar vervoer naar school of terug, rekening houdend met wachttijden, overstaptijden en de duur van de reis met verschillende vormen van openbaar vervoer, meer dan 1,5 uur is en de reistijd met aangepast vervoer tot 50% of minder wordt teruggebracht; of

    • b.

      openbaar vervoer ontbreekt; of

    • c.

      naar het oordeel van het college voldoende is aangetoond dat begeleiding in het openbaar vervoer van de leerling door de ouders of anderen uit het eigen netwerk onmogelijk is of tot ernstige benadeling van het gezin zal leiden; of

    • d.

      de leerling naar het oordeel van het college ook niet onder begeleiding in staat is van het openbaar vervoer gebruik te maken; of

    • e.

      als het aangepast vervoer leidt tot een goedkoper vervoersalternatief.

  • 2.

    Bij het aangepast vervoer wordt in beginsel uitgegaan van vervoer van en naar opstapplaatsen.

4.6.17 Uitsluiting aangepast vervoer

  • 1.

    Het college kan een leerling aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt tijdelijk of voor de rest van het schooljaar de toegang tot dit vervoer ontzeggen indien:

    • a.

      Bij herhaling is gebleken dat door ongepast gedrag van de leerling of een ouder/verzorger de orde, rust en/of (sociale) veiligheid van de chauffeur en/of andere inzittenden in het geding is gekomen;

    • b.

      Bij herhaling sprake is van verwijtbare loosmeldingen door de vervoerder over de leerling.

  • 2.

    Volgens het incidentenprotocol van de vervoerder onderneemt de gemeente in deze gevallen de volgende stappen:

    • a.

      Na melding van een incident door de vervoerder start de gemeente een onderzoek. In het kader van dat onderzoek spreekt de gemeente met de vervoerder/chauffeur, ouders/verzorgers en/of school. Afhankelijk van de ernst van het incident kan worden overgegaan tot uitsluiting van maximaal drie dagen (een zogenoemde afkoelperiode).

    • b.

      Als uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van verwijtbaar gedrag van de leerling of de ouder/verzorger volgt een waarschuwingsbrief aan ouders/verzorgers.

    • c.

      Bij een tweede incident binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief kan een schorsing van maximaal vier volgen. Er volgt een tweede waarschuwingsbrief aan ouders.

    • d.

      Bij een derde gedragsgerelateerd incident binnen een periode van 12 maanden na de datum van de eerste waarschuwingsbrief kan een uitsluiting volgen voor een periode van minimaal drie maanden.

    • e.

      In geval van een ernstig gedragsgerelateerd incident kan de gemeente besluiten direct over te gaan tot uitsluiting zoals benoemd sub d. Hierbij gaat het om ernstig grensoverschrijdend gedrag, zoals bijvoorbeeld een situatie waarin een leerling of ouder/verzorger dreigt met geweld of feitelijk geweld gebruikt richting andere leerlingen of chauffeur/begeleiding.

4.6.18 Doorgeven wijzigingen

  • 1.

    Ouders of de meerderjarige handelingsbekwame leerling zijn verplicht wijzigingen, die van invloed kunnen zijn op de toegekende vervoersvoorziening, onder vermelding van de datum van wijziging, direct schriftelijk door te geven aan het college.

  • 2.

    Is de doorgegeven wijziging van invloed op de toegekende vervoersvoorziening, dan vervalt deze toekenning en kent het college al dan niet opnieuw een vervoersvoorziening toe.

  • 3.

    De vervoersvoorziening kan worden ingetrokken als tussentijdse wijzigingen niet of niet tijdig worden doorgegeven en deze wijzigingen van invloed zijn op de toegekende voorziening. Het college deelt zijn besluit schriftelijk mee aan de ouders.

  • 4.

    Ten onrechte ontvangen bekostiging kan van de ouders worden teruggevorderd, dan wel worden verrekend bij een eventuele nieuw verstrekte vervoersvoorziening.

4.6.19 Co-ouderschap

  • 1.

    Co-ouderschap is geen wettelijke term. Het college verstaat onder co-ouderschap het volgende: ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen, die hun kinder(eren) gezamenlijk verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor hun kind(eren) hebben.

  • 2.

    Bij co-ouderschap kan er een vervoersvoorziening worden verstrekt voor de dagen dat de leerling bij de betreffende ouder in de gemeente structureel en feitelijk verblijft.

  • 3.

    Beide ouders moeten afzonderlijk een aanvraag indienen in de gemeente van hun woonplaats voor de dagen dat de leerling tijdens weekdagen bij hen verblijft.

  • 4.

    Een vervoersvoorziening als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verstrekt wanneer er sprake is van een vast patroon in het verblijf op de verschillende adressen. In incidentele afwijkingen wordt niet voorzien.

4.6.20 Deskundige

  • 1.

    Het college hecht waarde aan een advies van een onafhankelijk medisch of pedagogisch deskundige, psycholoog of psychiater of, bij twijfel over de veiligheid van een route, een verkeersdeskundige. Een eigen huisarts of intern begeleider ziet het college in dit geval niet als een deskundige.

  • 2.

    Als het inschakelen van een onafhankelijk deskundige zo lang in beslag zou gaan nemen, dat de leerling niet kan wachten op een eventuele voorziening, kan het college een tijdelijke voorziening toekennen. Hiervoor is het nodig dat het aannemelijk is dat er positief deskundig advies gegeven gaat worden. De tijdelijke voorziening wordt voor maximaal drie maanden verstrekt, dan wel bij een nieuw schooljaar uiterlijk tot de kerstvakantie.

 

4.7. Overige vormen van jeugdhulp

4.7.1 Passend Onderwijs

Ondersteuning die specifiek gericht is op het onderwijs en het leerproces valt onder de Wet passend onderwijs. Ondersteuning die niet gericht is op onderwijs, maar bijvoorbeeld op persoonlijke verzorging, valt wel onder de Jeugdwet. Huiswerkbegeleiding wordt niet vergoed vanuit de Jeugdwet, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van ouders en school. Als begeleiding bij het plannen en structureren van huiswerk gericht is op het volgen van het onderwijsprogramma, valt deze ondersteuning onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs, niet de Jeugdwet.

4.7.2 Stage en voorbereiding op werk

Wanneer een jeugdige leerplichtig is en nog niet kwalificatieplichtig, moet hij of zij ingeschreven staan bij een school, die verantwoordelijk is voor passend onderwijs. Dit omvat ook de (extra) begeleiding die de leerling tijdens zijn of haar stage nodig heeft, zolang de leerling staat ingeschreven bij een school. De zorgplicht van de school geldt ook voor leerlingen die speciaal onderwijs volgen met een uitstroomprofiel groepsbegeleiding. Als deze leerlingen een stage willen lopen, zijn de kosten hiervan voor de school. Ondersteuning bij het verkrijgen van werk valt niet onder de Jeugdwet, maar kan mogelijk wel onder de Participatiewet vallen. Het simpelweg motiveren van jeugdigen voor school of werk valt niet onder de Jeugdwet, tenzij er onderliggende problemen zijn, zoals dyslexie, gedragsproblemen of depressie, waarvoor jeugdhulp kan worden ingezet.

4.7.3 Overgang van 18- naar 18+

Bij de overgang van 18- naar 18+ geldt het volgende:

  • De gemeente is niet verplicht jeugdhulp te bieden als de zorg vanaf 18 jaar op basis van een andere wet (Zvw, Wlz of Wmo) kan worden verleend.

  • De gemeente is echter wel verantwoordelijk voor het voortzetten van jeugdhulp tot 23 jaar, als het om een vorm van jeugdhulp gaat die voor meerderjarigen niet op grond van een andere wet kan worden voortgezet. Dit betreft bijvoorbeeld jeugd- en opvoedhulp of jeugdhulp met verblijf.

4.7.4 Sport

Deelname aan sport ter ontspanning valt onder reguliere sportactiviteiten en komt niet in aanmerking voor jeugdhulpvoorzieningen. Als begeleiding tijdens sportactiviteiten nodig is (en deze de normale begeleiding door een sportinstructeur overstijgt), kan deze begeleiding in sommige gevallen wel als jeugdhulp worden gezien. Dit geldt wanneer de jeugdige opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen of stoornissen heeft waarvoor hulp nodig is. De begeleiding tijdens sportactiviteiten moet passend zijn voor jeugdigen met matige of zware beperkingen, gericht op het bevorderen of behouden van hun zelfredzaamheid of maatschappelijk functioneren. Er moet ook beoordeeld worden of deze vorm van recreatie (en dus de daarbij horende begeleiding) echt noodzakelijk is om te kunnen participeren, of dat deelname op andere manieren bereikt kan worden.

4.7.5 Jongerenwerk

Jongerenwerkers bieden laagdrempelige ondersteuning aan jongeren in hun ontwikkeling naar volwassenheid door middel van contact, signalering, motivatie, opvoeding en activering. Zij werken samen met verschillende partners, zoals ouders, scholen, jeugdhulpinstanties, wijkteams en de politie. Voor activiteiten die vallen onder jongerenwerk wordt geen jeugdhulp voorzien. Jongerenwerk is een vrij toegankelijke voorziening die beschikbaar is voor alle jongeren in Overbetuwe.

4.7.6 Scheiding van wonen en zorg

Wanneer verblijf geen onderdeel is van de indicatie, mag er geen gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomst worden afgesloten tussen de aanbieder en de jeugdige. Zo’n overeenkomst zou de jeugdige in een afhankelijkheidsrelatie brengen, waarbij hij of zij huisvesting kan verliezen als hij of zij van aanbieder verandert of als de aanbieder wordt aangesproken op de kwaliteit van de ondersteuning. Dit is in strijd met de wet. De jeugdige mag echter wel een woonruimte huren bij de aanbieder, maar dit moet in een zelfstandige huurovereenkomst geregeld worden, zodat huurbescherming kan worden ingeroepen.

4.7.7 Respijtzorg

Respijtzorg is een overkoepelende term voor diverse vormen van ondersteuning die ouders helpen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen. De Jeugdwet schrijft voor dat het college respijtzorg beschikbaar moet stellen voor jeugdigen die permanent toezicht nodig hebben. Permanent toezicht verschilt van regulier ouderlijk toezicht en kan betrekking hebben op:

  • -

    Jeugdigen met zware fysieke beperkingen.

  • -

    Jeugdigen die continue hulp en begeleiding bij dagelijkse taken nodig hebben.

  • -

    Jeugdigen waarbij het noodzakelijk is om in te grijpen bij gedragsproblemen door een psychiatrische beperking of een verstandelijke handicap.

De zorg voor de jeugdige blijft de wettelijke taak van ouders. Wanneer ouders het niet zelf kunnen organiseren, kunnen ze gebruik maken van de volgende algemene voorzieningen:

  • -

    Gezinsondersteuning Forte Welzijn

  • -

    Buurtsportcoaches Overbetuwe Beweegt

  • -

    Jongerenwerk

  • -

    Maatjes- en vrijwilligersprojecten

  • -

    Mantelzorgondersteuning

Als algemene voorzieningen niet voldoende aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, kunnen ouders gebruik maken van geïndiceerde of specialistische jeugdhulp, zoals:

  • -

    Groepsbegeleiding

  • -

    Logeren (kort verblijf)

  • -

    Begeleiding in huis

Geïndiceerde respijtvoorziening kan niet worden ingezet wanneer passende hulp ook via andere voorliggende voorzieningen kan worden geboden. Respijtzorg kan uitsluitend ingezet worden voor ouders in de zin van de Jeugdwet.

5. Overige en tijdelijke regelingen

Tijdelijke regeling alleenverdienersproblematiek 2025, 2026 & 2027

5.1 Ambtshalve toekenning

Het college kent aan ieder huishouden waarvan voor het betreffende kalenderjaar het burgerservicenummer van de meestverdienende partner is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet, ambtshalve de vaste tegemoetkoming voor dat kalenderjaar toe.

 

Het college kent de vaste tegemoetkoming over 2025 ook ambtshalve toe aan het huishouden, als:

  • a.

    het huishouden voor 2025 nog geen vaste tegemoetkoming toegekend heeft gekregen;

  • b.

    voor 2025 het Burgerservicenummer van de meestverdienende partner in het huishouden niet is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet;

  • c.

    op basis van de bij het college bekende gegevens het college vermoedt dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming;

  • d.

    er zich tussentijds geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden of de achterliggende wetten; en

  • e.

    de meestverdienende partner ingeschreven staat in de gemeente.

Het college kent de vaste tegemoetkoming over de jaren 2026 en/of 2027 ambtshalve toe aan het huishouden, indien:

  • a.

    het huishouden voor 2025 nog geen vaste tegemoetkoming toegekend heeft gekregen;

  • b.

    voor 2025 het BSN van de meestverdienende partner in het huishouden niet is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet;

  • c.

    op basis van de bij het college bekende gegevens het college vermoedt dat het huishouden aanspraak kan maken op de vaste tegemoetkoming;

  • d.

    er zich tussentijds geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan in de situatie van het huishouden of de achterliggende wetten; en

  • e.

    de meestverdienende partner ingeschreven staat in de gemeente.

5.2 Aanvraag zelfmelder

  • a.

    Het huishouden kan een aanvraag om een vaste tegemoetkoming indienen bij het college.

  • b.

    De aanvraag om een vaste tegemoetkoming kan vormvrij worden ingediend bij het college.

  • c.

    Het college beoordeelt of de aanvrager een alleenverdiener is zoals bedoeld in artikel 1.1.

  • d.

    Het college beoordeelt of de meestverdienende partner in het huishouden op de datum van aanvraag inwoner van de gemeente is en het huishouden voor het betreffende jaar nog geen vaste tegemoetkoming heeft ontvangen.

  • e.

    Bij de vaststelling van het inkomen om te bepalen of het huishouden tot de doelgroep van alleenverdieners behoort, telt alleen het inkomen van beide fiscale- en toeslagpartners mee.

  • f.

    Als er sprake is van een vast maandinkomen, toetst het college het inkomen van de meest recente maand van het jaar voorafgaand aan de datum van aanvraag. Het college rekent dit maandinkomen om naar een verwacht jaarinkomen.

  • g.

    De vaste tegemoetkoming over de kalenderjaren 2025, 2026 en 2027 wordt uiterlijk 31 december 2028 aangevraagd.

5.3 Toekenning

Het college kent de tegemoetkoming eenmaal per kalenderjaar toe voor het gehele bedrag.

 

5.4 Verstrekking

  • a.

    Het college betaalt de vaste tegemoetkoming in één keer.

  • b.

    Is er sprake van een scheiding gedurende het jaar, dan wordt de betaling evenredig aan beide (ex-)partners uitbetaald.

  • c.

    Na toekenning wordt de uitbetaling voor het betreffende kalenderjaar niet teruggevorderd als de situatie in het lopende jaar verandert (bijvoorbeeld wat betreft inkomen of woonplaats).

  • d.

    Terugvordering kan plaatsvinden bij schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 Participatiewet.

Brede ondersteuning Wet hersteloperatie toeslagen

 

5.5 Doel van de brede ondersteuning

  • 1.

    De brede ondersteuning is gericht op:

    • a.

      het ondersteunen van de aanvrager bij het maken van een nieuwe start in het kader van herstel als bedoeld in artikel 2.21, vierde lid, van de wet; en

    • b.

      het bijdragen aan het herstel van vertrouwen van de aanvrager in de overheid.

  • 2.

    De doelstellingen van de brede ondersteuning op de vijf leefgebieden die de aanvrager in staat moet stellen een nieuwe start te maken zijn:

    • a.

      financiën: in staat zijn om een financieel gezonde huishouding te voeren;

    • b.

      gezin: samenleven en opgroeien in een veilige omgeving waarin kinderen zich kunnen ontwikkelen;

    • c.

      werk: minimaal de beschikking hebben over een startkwalificatie of duurzaam kunnen participeren in een arbeidsproces;

    • d.

      wonen: een veilige en betaalbare plek om te wonen; en

    • e.

      zorg: welzijn vanuit lichamelijke en geestelijke gezondheid.

5.6 Uitzonderingen brede ondersteuning

Geen onderdeel van de brede ondersteuning zijn:

  • a.

    vormen van algemene inkomensaanvulling of inkomensondersteuning;

  • b.

    ondersteuning op andere leefgebieden dan bedoeld in artikel 2, tweede lid van deze beleidsregels;

  • c.

    vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet;

  • d.

    vergoeding van schulden, tenzij het gaat om vergoeding van betalingsachterstanden in een bedreigende situatie en onder de voorwaarde dat er ook aanvullende voorzieningen worden ingezet om herhaling van een bedreigende situatie te voorkomen;

  • e.

    kosten voor voorzieningen die zijn gemaakt voordat een aanvraag is ingediend tenzij sprake was van een bedreigende situatie; of

  • f.

    kosten voor een advocaat bij het ontvangen van vergoeding van schade als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de wet.

5.7 Doelgroep brede ondersteuning

  • 1.

    Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan inwoners die onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet vallen en die niet eerder met brede ondersteuning een nieuwe start hebben kunnen maken.

  • 2.

    Het college verleent ook brede ondersteuning aan het gezin van de aanvrager die op grond van het eerste lid van dit artikel is toegelaten tot de brede ondersteuning. De samenstelling van het gezin op het moment van de aanvraag is leidend.

  • 3.

    Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als er sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.

  • 4.

    Bij toepassing van het derde lid vindt over de verlening van toegang tot brede ondersteuning overleg plaats met de aanvrager en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar deze aanvrager inwoner is.

5.8 Brede ondersteuning voor een minderjarige

Het college verleent toegang tot brede ondersteuning aan een minderjarige die in aanmerking komt voor de kindregeling als deze:

  • a.

    jonger is dan zestien jaar en onder het gezag van een inwoner staat;

  • b.

    jonger is dan zestien jaar en feitelijk verblijft bij een inwoner die één van de gezaghebbers is; of

  • c.

    zestien jaar of ouder is en zelf inwoner is.

5.9 Aanvraag brede ondersteuning

  • 1.

    Een aanvraag voor toegang tot brede ondersteuning aan het college kan zowel schriftelijk als mondeling bij het STO worden ingediend.

  • 2.

    Het college stelt vast of de inwoner behoort tot de doelgroep zoals bedoeld in artikel 4, eerste lid van deze beleidsregels en daarmee in aanmerking komt voor brede ondersteuning bij de UHT.

  • 3.

    Als een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van de aanvraag.

5.10 Eerste gesprek en vaststelling hulpvraag

  • 1.

    Nadat een aanvraag bij het college is ingediend, nodigt het college de aanvrager binnen vier weken uit voor een eerste gesprek.

  • 2.

    De aanvrager bepaalt of het eerste gesprek op locatie plaatsvindt of bij de aanvrager thuis. In de uitnodiging vraagt het college de aanvrager diens keuze kenbaar te maken.

  • 3.

    Tijdens het eerste gesprek wordt samen met de aanvrager, aan de hand van de doelstellingen, bedoeld in artikel 2, tweede lid van deze beleidsregels de situatie van de aanvrager op de leefgebieden op het moment van de aanvraag vastgesteld en wordt gezamenlijk bepaald wat diens hulpvraag is.

5.11 Besluit op de aanvraag

  • 1.

    Het college zorgt dat de aanvrager binnen uiterlijk acht weken na het eerste gesprek een beschikking ontvangt. De beschikking bevat:

    • a.

      een verlening van toegang tot brede ondersteuning met een plan van aanpak dat minstens op hoofdlijnen is vastgesteld; of

    • b.

      een gemotiveerde weigering van toegang tot brede ondersteuning.

  • 2.

    Het college kan de termijn uit het eerste lid voor het opstellen van een plan van aanpak met maximaal vier weken verlengen. Het college informeert de aanvrager over deze verlenging.

5.12 Het opstellen van een plan van aanpak

  • 1.

    Het college stelt samen met de aanvrager het plan van aanpak op. Daarbij vormt de situatie van de aanvrager op het moment van de aanvraag en de hulpvraag het startpunt.

  • 2.

    In het plan van aanpak wordt vastgelegd:

    • a.

      hoe stapsgewijs en integraal naar de doelstellingen voor het maken van een nieuwe start door de aanvrager op de leefgebieden wordt toegewerkt; en

    • b.

      welke voorzieningen worden toegekend om de aanvrager op passende, adequate en duurzame wijze in staat te stellen deze doelstellingen te bereiken.

  • 3.

    Het college evalueert na 12 maanden gerekend vanaf het eerste gesprek het plan van aanpak met de aanvrager.

5.13 Aanvullend schuldhulpverleningsaanbod jongeren

  • 1.

    Het plan van aanpak bevat een aanvullend schuldhulpverleningsaanbod, zoals bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021, als de aanvrager:

    • a.

      achttien jaar of ouder is;

    • b.

      in aanmerking komt voor de kindregeling;

    • c.

      naar het oordeel van het college in een problematische schuldsituatie zit; en

    • d.

      diens aanvraag heeft ingediend binnen de termijn, bedoeld in artikel 3, vierde lid, Regeling specifieke uitkering gemeentelijke hulp aan gedupeerden kinderopvangtoeslagproblematiek 2021.

  • 2.

    Het college begeleidt de aanvrager bij het inzichtelijk maken van diens financiële situatie.

5.14 Het wijzigen van het plan van aanpak

  • 1.

    Het college kan tot twee jaar na het eerste gesprek het plan van aanpak in samenspraak met de aanvrager aanvullen of nieuwe of andere voorzieningen toekennen. Bij materiële voorzieningen is deze termijn beperkt tot zes maanden na het eerste gesprek.

  • 2.

    Een aanvrager kan een verzoek indienen bij het STO om het plan van aanpak te wijzigen. Artikel 8, eerste lid, van deze beleidsregels is op deze aanvraag van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Als de aanvrager het college verzoekt een aanvullende voorziening toe te kennen, toetst het college dit verzoek aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van deze beleidsregels.

  • 4.

    De in het plan van aanpak vastgestelde doelstellingen wijzigt het college niet, tenzij zich gedurende de uitvoering van het plan van aanpak nieuwe feiten en omstandigheden voordoen die wijziging noodzakelijk maken.

5.15 Voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt aan de aanvrager de immateriële en materiële voorzieningen die in het plan van aanpak zijn toegekend.

  • 2.

    Bij het toekennen van de voorzieningen houdt het college onder andere rekening met:

    • a.

      de vaardigheden van de aanvrager;

    • b.

      het eventuele netwerk van de aanvrager;

    • c.

      de draagkracht en financiële armslag van de aanvrager;

    • d.

      de omvang en de samenstelling van het huishouden van de aanvrager;

    • e.

      het duurzame karakter van de voorziening; en

    • f.

      de wijze waarop de voorziening de aanvrager in staat stelt om de doelstellingen uit het plan van aanpak te bereiken.

5.16 Materiële voorzieningen

  • 1.

    Een materiële voorziening is een zaak die noodzakelijk is om belemmeringen van de aanvrager bij het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak weg te nemen of te beperken.

  • 2.

    Het college kan materiële voorzieningen tot zes maanden na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

5.17 Immateriële voorzieningen

  • 1.

    Een immateriële voorziening is een vorm van hulpverlening of een dienst die nodig en passend is voor de ontwikkeling van kennis, kunde, vaardigheden of andere competenties van de aanvrager voor het bereiken van de doelstellingen uit het plan van aanpak.

  • 2.

    Het college kan immateriële voorzieningen tot twee jaar na het eerste gesprek toekennen. De feitelijke verstrekking van voorzieningen kan na deze periode nog plaatsvinden.

5.18 Medewerking aanvrager

Het college kan, voordat de voorziening wordt toegekend via het plan van aanpak, de aanvrager om medewerking vragen om te kunnen bepalen of een beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van deze beleidsregels voldoet.

 

5.19 Weigeren voorzieningen

Het college weigert het toekennen van een voorziening als:

  • a.

    de gevraagde voorziening al vóór het eerste gesprek is gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er na het indienen van de aanvraag maar vóór het eerste gesprek sprake was van een bedreigende situatie waarvoor de voorziening noodzakelijk was;

  • b.

    de voorziening niet aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van deze beleidsregels voldoet; of

  • c.

    de aanvrager niet de medewerking, bedoeld in artikel 15 heeft verleend en het college daardoor niet kan vaststellen of de beoogde voorziening aan de artikelen 12, tweede lid, 13 en 14 van deze beleidsregels voldoet.

5.20 Beëindiging van de brede ondersteuning

  • 1.

    In aanvulling op de artikelen 2.21, lid 4b en 2.21, zesde lid, van de wet eindigt de brede ondersteuning als de aanvrager:

    • a.

      zelf om beëindiging van de brede ondersteuning verzoekt; of

    • b.

      niet binnen een redelijke termijn van de brede ondersteuning gebruik heeft gemaakt en niet reageert op een oproep van het college om hier alsnog gebruik van te maken; of

    • c.

      verhuist naar een andere gemeente, waarbij het college de eventuele gewenste voortzetting van de ondersteuning overdraagt aan de nieuwe gemeente.

  • 2.

    Het college nodigt de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning uit voor een gesprek om de actuele situatie van de aanvrager op de leefgebieden te bespreken.

5.21 Warme overdracht van hulpverlening

Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstelling uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.

6. Slotbepalingen

6.1 Afwijken van de beleidsregels

Het college kan afwijken van een artikel in deze beleidsregels als toepassing daarvan tot een onvoorziene of onredelijke benadeling leidt. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de wetten of de Verordening sociaal domein, waar deze beleidsregels op zijn gebaseerd door het toepassen van deze artikelen juist niet worden gehaald.

 

6.2.Overgangsrecht

De Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Overbetuwe 2025 worden ingetrokken.

 

Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóórdat deze beleidsregels waren vastgesteld en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af met toepassing van deze beleidsregels.

 

Besluiten van het college die zijn genomen met toepassing van de ingetrokken beleidsregels blijven in stand, tot het moment van heroverweging vanwege gewijzigde omstandigheden of de einddatum van het besluit.

 

6.3 Naam en ingangsdatum

Deze beleidsregels worden genoemd: Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2026.

 

Deze beleidsregels treden in werking op de dag na bekendmaking.

Aldus besloten op 10 maart 2026

Burgemeester en wethouders,

de gemeentesecretaris

D.C. van Eeten

de loco-burgemeester,

W.H. Hol

Bijlage 1. Begrippenlijst

 

Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken

 

Bijzondere bijstand: bijstand die voorziet in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet.

 

Bovengebruikelijke hulp: hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat, en die wordt verstrekt wanneer de hulpbehoefte van de jeugdige of ouder (door bijvoorbeeld psychische of lichamelijke beperkingen) niet binnen de gebruikelijke hulp kan worden voorzien.

 

College: burgemeester en wethouders

 

Draagkracht: het gedeelte van het aanwezige inkomen en/of vermogen dat gebruikt moet om in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien.

 

Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld.

 

Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de meerderjarige inwoner, de jeugdige of de ouder(s) om zelf of met personen uit hun sociaal netwerk (familie, vrienden, mantelzorgers, etc.) de behoefte aan ondersteuning op te lossen.

 

Forfaitaire loonkostensubsidie: een loonkostensubsidie van 50% die wordt ingezet voor een periode van zes maanden

 

Gebruikelijke hulp: hulp die, gelet op de leeftijd van het kind en de omstandigheden van het gezin, van ouders, andere huisgenoten of gezagsdragers redelijkerwijs mag worden verwacht. Dit kan zowel fysieke hulp zijn (zoals voeding en hygiëne) als begeleiding bij de psychomotorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.

 

Gemeente: burgemeester en wethouders

 

Gezamenlijke huishouden: als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit wordt in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:

  • a.

    zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld,

  • b.

    uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander,

  • c.

    zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouding krachtens een geldend samenlevingscontract, of

  • d.

    zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar aard en strekking overeenkomt met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het derde lid. (art 1.1.2 Wet maatschappelijke ondersteuning)

Gift: een ontvangen gift in natura met een onverplicht karakter of een financiële gift zonder terugbetalingsverplichting.

 

IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

 

IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen

 

Jeugdige: Persoon die:

  • i.

    de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,

  • ii.

    de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

  • iii.

    de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel e sub 1 noodzakelijk is, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is.

Jobcoach Overbetuwe: een jobcoach van de gemeente Overbetuwe die mensen met een arbeidsbeperking begeleidt op de werkplek.

 

Jongmeerderjarige: jongere in de leeftijd van 18 tot 21 jaar.

 

Kinderopvangorganisatie: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en gevestigd in de gemeente Overbetuwe.

 

Kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het basisonderwijs voor die kinderen begint.

 

Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.

 

LRK (Landelijk Register Kinderopvang): in het LRK staan de geregistreerde kinderopvangvoorzieningen weergegeven. Geregistreerd betekent dat de kinderopvangvoorzieningen zijn goedgekeurd door de gemeente en GGD en daarmee voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.

 

Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP): een verplicht onderdeel binnen de B1- en Z-route inburgering gericht op het verkrijgen van

 

Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting

 

Ouder: Gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Als het gaat om vervoer naar school worden pleegouders ook aangemerkt als ouder.

 

Participatie verklaringstraject (PVT): een verplicht onderdeel binnen de Wet Inburgering 2021 gericht op het kennismaken met de Nederlandse kernwaarden, rechten en plichten om zo volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij.

 

Sociaal netwerk: Tot het sociaal netwerk worden de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt gerekend, zoals mantelzorgers, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging, evenals digitale netwerken en online hulpbronnen die de betrokkenen kunnen ondersteunen bij de hulp en opvoeding van de jeugdige.

 

Verzorger(s): de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de adoptief- of pleegouder van een doelgroepkind.

 

Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet om waarop belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, om middelen te verwerven of om specifieke uitgaven te bekostigen.

 

Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

 

Wec: Wet op de expertisecentra

 

Wmo: wet maatschappelijke ondersteuning 2015

 

Woonruimte

Onder woonruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden (art. 7:233 BW).

 

Woonunit

Een woonunit is een verplaatsbare unit die tijdelijk ingezet kan worden bij een inwoner en bijvoorbeeld kan dienen als extra woonkamer of slaapkamer met natte cel.

 

Wpo: Wet op het primair onderwijs

 

WSF: Wet studiefinanciering 2000

 

WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten

 

Wvo: wet op het voortgezet onderwijs

 

Begripsomschrijvingen Hersteloperatie toeslagen

Deze beleidsregels verstaan onder:

  • a.

    bedreigende situatie: gedwongen woningontruiming, beëindiging van de levering van gas, elektriciteit, stadsverwarming of water, gedwongen beëindiging van de zorgverzekering, ernstig belemmerende psychische omstandigheden of een soortgelijke acute crisissituatie;

  • b.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Overbetuwe;

  • c.

    gezin: gezin als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onder c, van de Participatiewet waarbij onder het kind ook het thuiswonende kind of pleegkind van achttien jaar of ouder valt van de persoon, bedoeld in artikel 2.21, eerste lid, van de wet of hun partner;

  • d.

    hulpvraag: formulering van de behoefte aan brede ondersteuning dat passend is om de doelstellingen, genoemd in artikel 2, tweede lid van deze beleidsregels, te kunnen bereiken;

  • e.

    inwoner: degene die als ingezetene in de basisregistratie personen van de gemeente ingeschreven is;

  • f.

    kindregeling: herstelregeling op grond van afdeling 2.2 van de wet waarmee een tegemoetkoming en brede ondersteuning wordt geboden aan kinderen van gedupeerde ouders;

  • g.

    leefgebieden: de vijf leefgebieden, genoemd in artikel 2.21, eerste lid, van de wet, zijnde financiën, gezin, werk, wonen en zorg;

  • h.

    reguliere ondersteuning: andere gemeentelijke ondersteuning binnen het sociaal domein dan brede ondersteuning;

  • i.

    STO: Sociaal Team Overbetuwe, het eerste contactpunt om brede ondersteuning te kunnen ontvangen;

  • j.

    toekennen: verlenen van de aanspraak op een voorziening;

  • k.

    UHT: Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, een onderdeel van de Belastingdienst die beoordeelt of het terugvorderen van de kinderopvangtoeslag terecht is geweest en die het financiële herstel verzorgt.

  • l.

    verstrekken: feitelijk verschaffen van een toegekende voorziening;

  • m.

    voorziening: materiële voorziening als bedoeld in artikel 13 of immateriële voorziening als bedoeld in artikel 14;

  • n.

    wet: Wet hersteloperatie toeslagen.

Begripsbepalingen alleenverdienersproblematiek

  • a.

    Alleenverdieners(-problematiek): gehuwden/samenwonenden die door een samenloop van meerdere inkomstenbronnen geen of een te lage huur- en/of zorgtoeslag ontvingen, dan wel een terugvordering hebben gekregen van deze toeslagen. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat de alleenverdienersproblematiek ook misgelopen kinderopvangtoeslag of kindgebonden budget betreft.

  • b.

    Huishouden: twee personen die fiscaal partner en toeslagpartner van elkaar zijn voor het jaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft.

  • c.

    Voor het overige wordt aangesloten bij de begrippen als genoemd in de Algemene wet bestuursrecht en de Participatiewet.

Naar boven