Gemeenteblad van Overbetuwe
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overbetuwe | Gemeenteblad 2026, 125309 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Overbetuwe | Gemeenteblad 2026, 125309 | beleidsregel |
Beleidsregels sociaal domein gemeente Overbetuwe 2026
In dit document staan de aanvullende regels op de Verordening Sociaal Domein.
Hierin wordt uitgelegd hoe aanvragen worden beoordeeld, voor wie de beleidsregel geldt en wat er van de inwoner wordt verwacht. Ook staat er uitleg over de soorten voorzieningen en welke stappen gezet worden voordat een beslissing wordt genomen
Bij het toepassen van de beleidsregels houdt het college altijd rekening met de landelijk geldende wetten. Hierbij gaat het college niet alleen uit van de wet en de regels, maar ook van de bedoeling van de regels. Dit betekent dat niet alleen gekeken wordt naar de letterlijke bepalingen van de regels, maar ook naar wat deze regels beogen te bereiken. De regels zijn daarmee een aanvulling op de wet en de Verordening Sociaal Domein gemeente Overbetuwe.
De gemeente Overbetuwe vindt het belangrijk dat ondersteuning beschikbaar blijft voor inwoners die dat echt nodig hebben. Steeds meer mensen vragen om zorg en ondersteuning, terwijl er (te) weinig personeel is en de kosten blijven stijgen. Daarom werken we aan manieren om ondersteuning bij opgroeien en opvoeden, zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen, financiële bestaanszekerheid en andere vormen van ondersteuning goed, betaalbaar en dichtbij te organiseren.
We geloven in een samenleving waar mensen elkaar helpen. Dat begint met zelfredzaamheid. We moedigen inwoners aan om tijdig maatregelen te nemen om problemen te voorkomen. De rol van het eigen netwerk is daarbij van groot belang, maar ook die van de omgeving: buurtbewoners, vrijwilligersorganisaties en lokale netwerken kunnen vaak ondersteuning bieden die dichtbij staat en goed aansluit op de persoonlijke situatie.
Samen bouwen we aan een samenleving waarin mensen naar elkaar omkijken, ervaringen delen en gezamenlijk zoeken naar oplossingen. Deze sociale netwerken versterken de eigen kracht van mensen. Pas als deze oplossingen niet voldoende zijn, kijken we naar professionele ondersteuning.
Het uitgangspunt is dat onze inwoners hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen inzetten. We normaliseren, dus zoeken eerst naar gewone oplossingen en zetten professionele zorg alleen in wanneer dat echt nodig is. Soms is lichte, algemeen toegankelijke ondersteuning genoeg en soms is specialistische ondersteuning nodig. Door zo te werken blijft er voldoende zorg beschikbaar voor inwoners met zwaardere of complexe problemen.
We weten ook dat problemen bij het leven horen en dat er niet voor iedere vraag een antwoord (noodzakelijk) is. Met gezamenlijke betrokkenheid en ondersteuning willen we mensen helpen hier zo goed mogelijk mee om te gaan. We vinden het als gemeente belangrijk om nu en in de toekomst met elkaar zorg en ondersteuning te kunnen blijven bieden en een bijdrage te kunnen leveren aan het welzijn van alle inwoners van Overbetuwe.
Dit document beschrijft de manier waarop de gemeente Overbetuwe werkt. De beleidsregels zijn een uitwerking op de Verordening Sociaal Domein.
1. Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
We gaan uit van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van onze inwoners. Samen met de inwoner kijken we eerst naar oplossingen binnen het bereik van de inwoner. Professionele hulp zetten we alleen in als dat echt nodig is. Dit betekent dat partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar waar nodig ondersteunen.
Dit noemen we gebruikelijke hulp. Gebruikelijke hulp: is alle gewone (maatschappelijk aanvaarde) dagelijkse ondersteuning die huisgenoten (partners, ouders, inwonende kinderen en andere huisgenoten elkaar bieden).
Voor gebruikelijke hulp wordt geen voorziening ingezet vanuit de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het is aan de inwoner zelf hoe deze de gebruikelijke hulp wil vormgeven. Dit kan ook met hulp van het netwerk of door particulier hulp in te kopen.
Een huishouden kan verschillend van samenstelling zijn. Eén of meer ouders met minderjarige kinderen of juist met meerderjarige kinderen of samenwonende partners of huisgenoten die bij elkaar wonen om een andere reden.
Vanzelfsprekend worden van ouders andere dingen verwacht dan van volwassen huisgenoten onderling. We gaan dan ook in op verschillende situaties:
1.1.1 Gebruikelijke hulp van meerderjarige huisgenoten onderling
Van volwassen huisgenoten wordt verwacht dat zij de taken binnen een huishouden overnemen als een andere huisgenoot daar niet (meer) toe in staat is.
Het kan gaan om de huishoudelijke taken, zoals het schoonmaken van het huis, de wasverzorging, de boodschappen en het verzorgen van de maaltijden. Het kan ook gaan over het overnemen van administratieve en -regeltaken. Ook het vergezellen van de inwoner naar (medische) afspraken is een vorm van gebruikelijke hulp. En wanneer dit nodig is, de omgeving uitleg geven en helpen met het omgaan met de beperking van de inwoner.
Een huisgenoot die verder gezond is, maar de vaardigheden mist of de taken niet gewend is, moet ook de gebruikelijke hulp leveren. Of zorgen dat iemand anders dit doet, als hij of zij dat een betere oplossing vindt.
Het hebben van een (drukke) baan ontslaat iemand niet van de plicht om gebruikelijke hulp te bieden. Dit geldt niet als degene tenminste 7 etmalen aaneengesloten van huis is voor werk en het werk een verplichtend karakter heeft.
1.1.2 Gebruikelijke hulp van jongvolwassenen (18 – 23)
Van jongvolwassenen wordt niet verwacht dat zij het volledige huishouden overnemen in het geval hun huisgenoot (vaak een ouder) niet (meer) in staat is om de taken uit te voeren.
Het uitgangspunt is dat een jongvolwassene een éénpersoonshuishouden kan voeren. Dat wil dan zeggen: het schoonhouden van de sanitaire ruimte, keuken en één kamer, de eigen was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen.
Indien nodig kan ook de opvang en/of verzorging van jongere gezinsleden tot hun taken behoren.
1.1.3 Gebruikelijke hulp van minderjarige kinderen op basis van hun (ontwikkelings)leeftijd
Kinderen kunnen in beperkte mate bijdragen aan het huishouden . We houden daarom ook rekening met de (ontwikkelings)leeftijd van kinderen.
Toch kunnen kinderen, zeker de wat oudere kinderen meehelpen in huis, waarbij we de volgende verwachting hebben:
1.1.4 Gebruikelijke hulp van ouders voor hun minderjarige kinderen
Ouders zijn primair zelf verantwoordelijk voor de basisbehoeften en persoonlijke ontwikkeling van hun kinderen. Om deze persoonlijke ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid van hun kind goed te laten verlopen zijn ouder(s) verantwoordelijk voor:
Minimaal noodzakelijke gebruikelijke hulp op basis van (ontwikkelings)leeftijd
We gebruiken hieronder de term jeugdige voor het minderjarige kind, omdat dit de gebruikelijke term is, zoals de Jeugdwet die hanteert.
Er zijn algemeen aanvaardbare kaders, wat jeugdigen gemiddeld zelf kunnen en waar zij (nog) hulp van hun ouders nodig hebben. Deze kaders geven richting aan wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.
Jeugdigen van 0 tot en met 4 jaar:
Jeugdigen van 5 tot en met 11 jaar:
Jeugdigen van 12 tot en met 17 jaar:
De hierboven genoemde gebruikelijke hulp betreft een bandbreedte van wat in het algemeen aan gebruikelijke hulp van ouders voor hun kinderen verwacht wordt. Het gaat hier wel om kaders die aangeven wat in ieder geval onder gebruikelijke hulp wordt verstaan.
Maar van ouders wordt verwacht dat zij hulp bieden aan hun kinderen, ook als er meer nodig is dan gemiddeld. Dit betekent dat ook in geval van specifieke hulpbehoeften van jeugdigen met beperkingen of (complexe) problematiek ouders binnen hun vermogen de noodzakelijke hulp en ondersteuning moeten bieden. Dus ook wanneer deze de bovenstaande kaders (ver) te boven gaan.
Een uitzondering hierop vormt langdurige persoonlijke verzorging (douchen, wassen, lichamelijke verzorging). Wanneer deze langdurig noodzakelijk is (langer dan 3 maanden) en op basis van de (ontwikkelings)leeftijd (en de wensen van de ouder en/of de jeugdige) is het onwenselijk dat ouders deze verzorging bieden, kan persoonlijke verzorging in natura vanuit de Jeugdwet worden toegekend.
Afzonderlijke verantwoordelijkheid van beide ouders
Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder, al dan niet naast fulltime (vrijwilligers) werk of opleiding, de gebruikelijke hulp over.
Deze zorgplicht vervalt niet bij echtscheiding of beëindiging van de relatie. Er wordt wel rekening gehouden met de eventueel door de rechtbank vastgelegde afspraken.
1.2 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
Inwoners hebben zelf regie over hun eigen leven en een eigen verantwoordelijkheid hoe zij hun leven inrichten. De gemeente Overbetuwe vraagt van inwoners om de eigen kracht te benutten. Daarmee bedoelen we de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de inwoner (waaronder ouders en jeugdigen), waaronder hun sociaal netwerk om problematiek rond gezond en veilig opgroeien (Jeugdwet) en rond zelfredzaamheid en participatie (Wmo) zelf het hoofd te bieden. De inzet vanuit de wet is mede afhankelijk van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen.
Voorbeelden van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn (de voorbeelden gaan zowel over de Wmo, als de Jeugdwet- zie ook 1.6):
1.2.1 Als het zwaar valt om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten
Het uitgangspunt is, dat voor gebruikelijke hulp geen voorziening ingezet wordt vanuit de Jeugdwet of de Wmo. Toch zijn er omstandigheden denkbaar waarin gebruikelijke hulp, hoe normaal ook, een huishouden zwaar valt. Wanneer dit het geval is kan de gemeente de inwoner ondersteunen bij het inzetten van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen om zo tot een oplossing te komen.
Zo kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst ondersteunen bij het aanspreken van het eigen netwerk om te helpen bij de gebruikelijke hulp. Ook kan de gemeente wanneer de inwoner dit wenst de inwoner in contact brengen met voorzieningen in het voorliggend veld om mee te helpen naar het zoeken van een oplossing.
De gemeente respecteert de wens van inwoners, wanneer zij geen gebruik willen maken van andere mogelijkheden of het zoeken naar deze mogelijkheden. Maar dit leidt niet tot het inzetten van een voorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo, wanneer het om gebruikelijke hulp gaat.
1.2.3 Als het (tijdelijk) niet mogelijk om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen te benutten
Er zijn omstandigheden denkbaar waarbij ook met (en eventueel na inzet van) bovengenoemde hulp vanuit de gemeente geen oplossing gevonden wordt.
In die gevallen kan binnen de kaders van de Jeugdwet of Wmo in uitzonderlijke situaties toch (tijdelijk) een voorziening ingezet worden.
We onderscheiden hier twee situaties:
Het lukt niet om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen in te zetten
In sommige situaties is het systeem van het huishouden zo belast, dat het niet meer lukt om de gebruikelijke hulp te leveren. We spreken dan van (dreigende) overbelasting.
Bij (dreigende) overbelasting is er medisch objectiveerbaar sprake van klachten die maken dat én de gebruikelijke hulp niet gegeven kan worden én dat het niet mogelijk is om zelf (of met hulp) te komen tot een oplossing, waardoor dit wel weer lukt.
In deze situaties kunnen we tijdelijk een voorziening inzetten. De inzet van deze voorziening is tijdelijk en beperkt, omdat het uiteindelijke doel is dat huisgenoten (al dan niet met hulp uit het netwerk) de gebruikelijke hulp weer kunnen leveren.
Aan de inzet van deze tijdelijke voorziening is de voorwaarde verbonden dat de inwoner en de huisgenoten meewerken aan ondersteuning die de mogelijkheden en het probleemoplossend vergroot.
Er is sprake van een uitzonderlijk zware belastende situatie
Het kan ook vóórkomen dat de situatie binnen het huishouden zo ernstig is, dat dit al het maximale beroep doet op de draagkracht en draaglast van de gezinsleden.
In deze situaties wordt vaak al veel mantelzorg gegeven en kan er ook sprake zijn van overbelasting bij de mantelzorgers. Hier kan de gemeente een voorziening inzetten vanuit de Wmo of Jeugdwet om de situatie in het huishouden te ondersteunen en de mantelzorger te ontlasten. Deze voorziening kan ingezet worden zolang de omstandigheden niet wijzigen.
Voorbeelden van een dergelijke situatie kunnen zijn: de aanwezigheid van een dementerende partner, een terminale ziekte, de verzorging van een ernstig zorgbehoevende inwoner of kind.
Veel inwoners bieden hulp en ondersteuning aan een inwoner uit hun sociale netwerk.
Wanneer deze hulp langdurig (langer dan 3 maanden) en/of meer dan 8 uur per week is, spreken we over mantelzorg.
Bij het overnemen van taken van een huisgenoot (gebruikelijke hulp) is er geen sprake van mantelzorg. Mantelzorg gaat verder dan gebruikelijke hulp. Daarnaast is mantelzorg niet afdwingbaar, waar gebruikelijke hulp dat wel is. Mantelzorg kan zeer intensief zijn. De hulp kan gaan om ondersteuning bij noodzakelijke dagelijkse activiteiten, maar ook om (persoonlijke) verzorging.
(Dreigende) overbelasting bij mantelzorgers
Mantelzorgers leveren een grote bijdrage aan onze samenleving. Daarom is het belangrijk dat mantelzorgers zo lang mogelijk in staat zijn hun zorg te leveren. In het geval van (dreigende) overbelasting kan een maatwerkvoorziening of pgb worden ingezet om de mantelzorger langdurig in staat te stellen de zorg uit te voeren.
2. Bestaanszekerheid en inburgering
(Participatiewet in balans, IOAW, IOAZ, Wet Inburgering 2021, Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, Armoedebeleid)
2.1.1 Wettelijke verplichting inzet jobcoaching
Inwoners die behoren tot de doelgroep loonkostensubsidie hebben aanspraak op begeleiding op de werkvloer, zoals genoemd in artikel 10da van de Participatiewet. Het college bepaalt of de begeleiding op de werkplek ook nodig is. Het college is niet verplicht om altijd begeleiding op de werkvloer in te zetten wanneer er sprake is van loonkostensubsidie.
Jobcoaching wordt ingezet wanneer een inwoner loonkostensubsidie ontvangt én begeleiding bij het werk noodzakelijk is. Hier kan in sommige situaties van afgeweken worden. In overleg met de werkgever beslist het college welke vorm van jobcoaching, zoals genoemd in artikel 2.1.3, wordt ingezet. Daarnaast beslist het college over de duur en de intensiteit van de jobcoaching die wordt ingezet.
2.1.3 verschillende vormen van Jobcoaching
Er zijn verschillende vormen van Jobcoaching: de interne werkbegeleider, de jobcoach Overbetuwe, de interne jobcoach en de externe jobcoach. Om te bepalen welke vorm van jobcoaching wordt ingezet volgt het college de volgende stappen:
Wanneer (extra) begeleiding wel nodig is wordt eerst gekeken of de inzet van een interne werkbegeleider voldoende is. Met een interne werkbegeleider wordt bedoeld dat iemand is opgeleid tot Harrie. Dit is een tweedaagse training waarin iemand wordt opgeleid in de begeleiding van iemand met een arbeidsbeperking. Hiervoor worden afspraken gemaakt met het Werkgeversservicepunt (WSP). Meer informatie is te vinden op: www.ikbenharrie.nl
Als specialistische jobcoaching nodig is of wanneer het niet mogelijk is om de jobcoach Overbetuwe in te zetten, dan kan het college interne of externe jobcoaching inzetten. Interne jobcoaching is een jobcoach in dienst van de werkgever. Externe jobcoaching is een jobcoach van een gespecialiseerde externe organisatie die hiervoor wordt ingekocht.
2.1.4 Budgetplafond externe jobcoaching
Voor externe jobcoaching is er een budgetplafond van €50.000 per kalenderjaar. Als aan de voorwaarde hiervoor wordt voldaan (artikel 1.2.3, vierde lid), kan het college externe jobcoaching inzetten als budget beschikbaar is. Als het budgetplafond is bereikt of overschreden dreigt te worden, zet het college geen externe jobcoaching meer in. Externe jobcoaching die op dat moment al loopt zal doorlopen tot het einde van het kalenderjaar.
Loonkostensubsidie is bedoeld voor werkgevers en compenseert in de loonkosten voor de verminderde productiviteit van de werknemer. De subsidie is een tegemoetkoming aan de werkgever in de loonkosten en compenseert het verschil tussen de verminderde productiviteit (de loonwaarde) en het minimumloon en vergoedt een percentage van de werkgeverslasten.
2.2.1 forfaitaire loonkostensubsidie
Bij indiensttreding kan forfaitaire loonkostensubsidie toegekend worden. De forfaitaire loonkostensubsidie bedraagt 50 procent van het referentiemaandloon en geldt voor een periode van maximaal 6 maanden. In de vierde maand van deze periode wordt de loonwaarde gemeten op de werkplek. Vanaf de 7e maand wordt de loonkostensubsidie betaald op basis van een loonwaardemeting. Forfaitaire loonkostensubsidie kan eenmalig worden ingezet voor inwoners bedoel in artikel 1.2.2, derde lid. Wanneer de Forfaitaire Loonkostensubsidie ingezet voor deze inwoners eindigt na maximaal 6 maanden gaat dit niet over in loonkostensubsidie op basis van een loonwaardemeting.
2.2.2 voorwaarden loonkostensubsidie
Er kan loonkostensubsidie worden ingezet voor een inwoner die aan het werk gaat én tot de gemeentelijke re-integratiedoelgroep behoort. De inwoner moet zicht hebben op een betaald contract én:
Het is mogelijk voor een werkgever om loonkostensubsidie aan te vragen voor een werknemer die al aan het werk is bij het bedrijf is . Dit is mogelijk als blijkt dat de werknemer:
In deze gevallen geldt dat de aanvraag voor loonkostensubsidie in de eerste 6 maanden van het dienstverband moet zijn ingediend bij het college. Er zal dan altijd een loonwaardemeting worden uitgevoerd. Forfaitaire loonkostensubsidie is bij werkenden niet van toepassing.
2.2.3 Hoogte loonkostensubsidie
Om loonkostensubsidie te verstrekken aan de werkgever dient de werkgever de werknemer volledig loon volgens de geldende CAO of ten minste het wettelijk minimumloon te betalen. De hoogte van de loonkostensubsidie is als volgt:
De loonwaarde wordt bepaald op de werkplek van de werknemer. Bij de loonwaardebepaling wordt onderzocht wat de productiviteit van betrokken persoon is ten opzichte van werknemers zonder beperking. Het onderzoek wordt uitgevoerd door een loonwaarde-expert op basis van vragenlijsten en gesprekken met de werkgever en werknemer. Factoren die gemeten worden zijn onder meer tempo, inzetbaarheid, kwaliteit van het werk en de mate van begeleiding die noodzakelijk is. Een loonwaardemeting kan pas worden ingezet als er voldoende zicht is op de arbeidsprestatie. Dat betekent dat een medewerker minimaal twee maanden aan het werk is. Dat kan ook via bijvoorbeeld een werkervaringsplaats of een proefplaatsing.
De duur van de loonkostensubsidie is afhankelijk van de ontwikkeling van de werknemer. Daarom wordt op afgesproken momenten opnieuw een meting uitgevoerd en de loonwaarde vastgesteld. Zodra de loonwaarde gelijk is aan 100% is, stopt de subsidie.
Als de werknemer verhuist naar een andere gemeente, draagt het college de loonkostensubsidie over naar de nieuwe gemeente, per de verhuisdatum. De werkgever hoeft hier geen aanvraag voor in te dienen. Dit regelen gemeenten onderling. De werkgever ontvangt een beëindiging van de oude gemeente en een toekenning van de nieuwe gemeente.
2.3 Re-integratievoorzieningen
Een scholingstraject kan worden aangeboden aan een inwoner behorend tot de doelgroep als bedoeld in artikel 7, lid 1, sub a, van de Participatiewet, indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiserenwanneer dit samenhangt met een arbeidsovereenkomst voor minimale duur van zes maanden)
De proefplaatsing is gericht op het verkrijgen van een reguliere detacherings- of arbeidsovereenkomst bij een werkgever. De werkgever spreekt bij aanvang van de proefplaatsing de intentie uit om bij gebleken geschiktheid en voldoende werkzaamheden de bijstandsgerechtigde een detacherings- of arbeidsovereenkomst aan te bieden.
2.3.6 Ondersteuning bij het beter beheersen van de Nederlandse taal
Een taaltraject zal niet worden aangeboden aan een inwoner die volledig en duurzaam is ontheven van de arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel a van de Participatiewet, inburgeraars of indien er sprake is van een gediagnostiseerd leerprobleem waardoor de belanghebbende niet in staat is om zich de vaardigheden van de Nederlandse taal eigen te maken.
Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, van de participatiewet die vanwege het volgen van een re-integratietraject gericht op uitstroom naar algemeen geaccepteerde arbeid, kinderopvang nodig hebben, worden de hieraan verbonden kosten vergoed voor zover zolang zij voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 3.6.3 van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024.
2.3.8.3 Kosten werkaanvaarding
Aan personen uit de doelgroep van artikel 7, lid 1, sub a, Participatiewet, die uitstromen naar algemeen geaccepteerde arbeid voor een periode van tenminste 6 maanden, kan in bijzondere gevallen het college besluiten een vergoeding te geven voor de kosten welke direct samenhangen met deze werkaanvaarding.
2.4.3. Passende leerroute inburgeringsplichtigen en aanbod leerrroute asielstatushouders
Bij de vaststelling van de leerroute en, voor zover het gaat om asielstatushouders, de intensiteit van de taallessen houdt het college in ieder geval rekening met de arbeidsplicht uit de Participatiewet, de re-integratieplicht uit de Participatiewet en de ondersteuning bij arbeidsinschakeling uit de Participatiewet.
2.4.9. Overschakelen naar een andere leerroute
De beoordeling van het college of er onvoldoende voortgang of een grotere voortgang is dan op grond van het PIP was te verwachten, gebeurtaan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, en de aanwezigheid, inspanningen en resultaten van de inburgeringsplichtige.
De beoordeling of niveau B1 niet (op alle onderdelen) haalbaar is, geschiedt aan de hand van de voortgangsgesprekken en/of de gegevens van de cursusinstelling en/of de taalschakeltrajectinstelling over de voortgang van de leerroute, de aanwezigheid, inspanningen en de resultaten van de inburgeringsplichtige.
2.4.11. Boete niet verschijnen brede intake en meewerkplicht
Wanneer de inburgeringsplichtige na de waarschuwing niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem een wettelijk bepaalde geldboete op. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb. In de boetebeschikking vermeldt het college:
Wanneer de inburgeringsplichtige na de boete niet verschijnt voor de brede intake of onvoldoende meewerkt aan de brede intake legt het college hem nogmaals een boete op en voltooit het college de brede intake in afwezigheid van de inburgeringsplichtige. Het college stelt de inburgeringsplichtige in de gelegenheid zijn zienswijze naar voren te brengen over het voornemen tot het opleggen van een boete. Het college volgt daarbij de procedure van artikel 5:50 Awb.
2.4.13. Samenloop boete en maatregel Participatiewet
Indien het college voor dezelfde gedraging een boete op grond van de Wet inburgering 2021 kan opleggen en de bijstand op grond van artikel 9, 18 of 18b Participatiewet kan verlagen, dan legt het college geen boete op grond van de Wet inburgering op, maar verlaagt de bijstand.
2.5.1 In aanmerking te nemen middelen: vermogen algemene en bijzondere bijstand)
Als er vermogen in de woning met bijbehorend erf aanwezig is dat hoger ligt dan de grens uit artikel 34, lid 2, onder d van de Participatiewetwet, dan kan bijzondere bijstand in beginsel niet worden verstrekt, tenzij tegeldemaking, bezwaring, of verdere bezwaring van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd, zoals gesteld in artikel 50, lid 1 van de Participatiewet.
2.5.3 Vierweken zoektermijn niet van toepassing
Jongeren die zich melden voor bijstand, moeten eerst vier weken zoeken naar werk en opleidingsmogelijkheden. Deze zoektermijn is geregeld in artikel 41 lid 4 van de Participatiewet en geldt voor alle jongeren van 18 tot 27 jaar. De gedachte achter deze zoektermijn is dat een jongere aan het begin van diens loopbaan staat en de verantwoordelijkheid moet nemen om deze mogelijkheden te verkennen. Dit is ook in het belang van de jongere omdat het hebben van werk en/of het volgen van een (nieuwe) opleiding diens kansen op de arbeidsmarkt en de mogelijkheid om in het eigen inkomen te kunnen voorzien vergroten. In deze beleidsregel wordt aangegeven hoe er wordt omgegaan met bepaalde bepalingen van deze zoektermijn, en waar de jongere die zich meldt voor algemene bijstand rekening mee moet houden. In de volgende situaties is een zoektermijn niet van toepassing.
Wanneer de inwoner binnen 12 maanden na beëindiging van de uitkering opnieuw een uitkering wil aanvragen, in elk geval in verband met einde werk of detentie, kan dit door middel van een verkorte aanvraag.
Een verkorte aanvraag betekent in elk geval dat het college:
Let op: De leefsituatie van de inwoner mag niet gewijzigd zijn om voor de verkorte aanvraag in aanmerking te komen. Denk aan een alleenstaande die in de periode na einde van de vorige bijstandsperiode is gaan samenwonen. In dat geval blijft de gewone aanvraagprocedure van kracht.
De aanvraag van een jongmeerderjarige wordt afgewezen indien niet aannemelijk is gemaakt dan wel aantoonbaar dat de hulp is ingeroepen van ouders om bij te dragen aan het levensonderhoud.
2.6.4 Afwezigheid van draagkracht bij ouders
Van ouders van jongmeerderjarigen wordt verwacht dat zij naar vermogen een bijdrage leveren aan het levensonderhoud van jongmeerderjarigen. Het college gaat voor onderstaande categorieën personen uit van de afwezigheid van de mogelijkheid om bij te dragen aan het levensonderhoud omdat er geen draagkracht uit inkomen aanwezig is:
2.6.6 Afzien van draagkrachtberekening
In de onderstaande situaties wordt afgezien van een draagkrachtberekening van ouders om de hoogte van bijzondere bijstand te bepalen:
De aanmerking als vermogen blijft achterwege als dit uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Dit is bijvoorbeeld het geval als een gift in natura wordt gedaan in de vorm van een medisch hulpmiddel dat noodzakelijk is voor het functioneren van belanghebbende (of één van zijn gezinsleden) of als sprake is van noodzakelijke duurzame gebruiksartikelen.
2.9.7 Wijziging draagkracht tijdens draagkrachtperiode
In afwijking van het eerste lid kan de draagkracht enkel worden aangepast als er sprake is van een stijging in het (netto) inkomen van 15% of meer, een wijziging in het vermogen waardoor het vermogen boven de van toepassing zijnde vermogensgrens is uitgekomen, of een daling van het inkomen naar 110% van de bijstandsnorm of lager. Dit vindt plaats op initiatief van het college of nadat belanghebbende feiten en omstandigheden heeft gemeld die van invloed zijn op het recht op of de hoogte van de bijzondere bijstand.
In uitzondering op lid 1 wordt er voor een aantal kostensoorten uitgegaan van 100% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm en wordt ook de volledige draagkracht gebruikt. Het gaat om kostensoorten die weliswaar worden verstrekt als bijzondere bijstand, maar die naar hun aard behoren tot de algemene noodzakelijke kosten of te maken hebben met het betalen van algemene noodzakelijk kosten van bestaan. Voor deze kostensoorten geldt het volgende:
2.9.9 In aanmerking te nemen middelen: inkomen
Een toegekende individuele inkomenstoeslag (Persoonlijk Minimabudget) en studietoeslag worden bij de berekening van de draagkracht van belanghebbende buiten beschouwing gelaten. Een uitzondering wordt gemaakt bij de aanschaf of vervanging van duurzame gebruiksgoederen. In dat geval wordt de individuele inkomenstoeslag wel meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht.
2.9.12 Bijzondere bijstand voor medische kosten
In beginsel komen medische kosten niet in aanmerking voor bijzondere bijstand, omdat de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz) in het algemeen alle noodzakelijke kosten vergoeden die verband houden met (para)medische behandeling, intensieve zorg en toezicht. Beide regelingen gelden samen als voorliggende voorzieningen die passend en toereikend zijn.
Voorzieningen kunnen in een aanvullende verzekering worden opgenomen. Als een aanvrager bijzondere bijstand aanvraagt voor voorzieningen waarvoor hij verzekerd had kunnen zijn maar dit niet het geval is, dan wordt dit gezien als een bewust genomen risico van de aanvrager zelf. Er is in beginsel geen bijzondere bijstand mogelijk voor dergelijke kosten.
Alleen bij zeer dringende redenen kan er bijzondere bijstand voor medische kosten worden verstrekt. Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt voor het bedrag dat ontvangen zou zijn wanneer aanvrager wel aanvullend verzekerd was geweest, tenzij van belanghebbende redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij voor deze kosten een aanvullende verzekering heeft afgesloten. Op het bedrag waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd, wordt de hoogte van de vergoeding vanuit de aanvullende zorgverzekering van de aanvrager in mindering gebracht.
2.9.13 Reiskosten in verband met Inburgering
Reiskosten in verband met een inburgeringstraject op grond van de Wet inburgering 2013 of 2021 zijn algemene noodzakelijke kosten van het bestaan, die in beginsel uit het eigen inkomen voldaan dienen te worden. Bijzondere omstandigheden kunnen echter met zich meebrengen dat toch bijzondere bijstand verleend dient te worden.
De hoogte van de bijzondere bijstand wordt als volgt vastgesteld:
Er wordt uitgegaan van de kosten op basis van de goedkoopste tarieven met openbaar vervoer. Hiervoor wordt www.9292.nl (OV) gebruikt.
Bij een enkele reisafstand van meer dan 3 kilometer maar minder dan 10 kilometer: er kan een eenmalige fietsvergoeding voor een tweedehands fiets verstrekt van maximaal € 300. Voorafgaand aan het verstrekken van de fietsvergoeding dient er een aankoopnota te worden overlegd. In dit geval vervalt de verstrekking onder 3a.
2.10.2 Structurele medische beperking
Structurele medische beperking: een fysieke en/of psychische beperking die voortkomt uit een in de persoon gelegen ziekte of medisch gebrek die voldoende ernstig is dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het gebrek en het structureel niet in staat zijn van het verdienen van inkomsten door belanghebbende naast de studie.
2.10.7. Nieuw medisch advies bij zicht op verbetering
Wanneer het eerste medisch advies of deskundigenverklaring daartoe aanleiding geeft, bepaalt het college dat binnen een bepaalde periode een nieuw advies zal worden gevraagd om te beoordelen of belanghebbende nog steeds niet in staat is om naast de studie te werken.
De Meedoenregeling in Overbetuwe werkt met punten. Ieder thuiswonend kind (4-17 jaar) en meerderjarige (18 jaar en ouder) ontvangt punten waarmee gebruik gemaakt kan worden van producten en diensten die via www.meedoeninoverbetuwe.nl kunnen worden aangeschaft. Punten worden beschikbaar gesteld aan personen die voldoen aan de voorwaarden die in artikel 1.5.1 worden beschreven.
2.12.2 Aanbod schuldhulpverlening
2.12.3 Verplichtingen van de verzoeker
Verzoeker moet zich houden aan de inlichtingenplicht, zoals omschreven in artikel 4:2 van de Awb.
2.12.4 Verplichtingen van de cliënt
De cliënt moet zich houden aan de inlichtingen- en medewerkingsplicht, zoals omschreven in artikel 6 en 7 van de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening, Dit bestaat onder andere uit:
3 Wet maatschappelijke ondersteuning
Om vanuit de Wmo voor de inwoner tot de meest passende oplossing te komen is een afwegingskader nodig. Deze beschrijven we in deze beleidsregels. Elke ondersteuningsbehoefte wordt vanuit dezelfde invalshoek benaderd. Deze invalshoek is beschreven in deze beleidsregels. Voor een passende oplossing spelen de persoonskenmerken, behoeften en voorkeuren van de inwoner altijd een nadrukkelijke rol.
Zie hiervoor ook Hoofdstuk 1 “Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen”.
3.1.1 Algemene gebruikelijke en algemene voorzieningen
Bepaalde voorzieningen en diensten zijn ook voor een inwoner zonder ondersteuningsvraag vaak gewoon beschikbaar. Als dat zo is, dan worden deze niet vanuit de Wmo verstrekt.
Een voorziening kan als algemeen gebruikelijk gezien worden als deze niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking, algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten. Het dient een passende bijdrage te leveren aan het opheffen van de ervaren beperkingen en moeten ook financieel gedragen kunnen worden voor iemand met een inkomen op minimumniveau. Van dit laatste is sprake wanneer de kosten van het hulpmiddel binnen 36 maanden kunnen worden terugbetaald bij een aflossing van 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm per maand.
Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen en diensten zijn (niet uitputtend):
Een algemene voorziening is het aanbod van diensten of activiteiten door of via de gemeente zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning.
Algemene voorzieningen zijn dus voorzieningen die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Deze voorzieningen kunnen wel een oplossing zijn. Voorbeelden van een algemene voorziening zijn een klussendienst, was- en strijkservice, maaltijdvoorziening, scootmobielpool, maar ook het algemeen maatschappelijk werk, bibliotheek of buurthuis. Algemene voorzieningen zijn toegankelijk voor alle ingezetenen van een gemeente.
Wel moet een algemene voorziening:
3.1.1.2 Aanspraak op grond van een andere wet is voorliggend
Is de inwoner voor zorg aangewezen op een andere wet dan gaat deze voor en hoeft de gemeente geen Wmo-voorziening te verstrekken.
3.1.2.3 Wet langdurige zorg (Wlz)
Voor de Wlz komt iemand in aanmerking als degene blijvend is aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg of zorg in de nabijheid.
Weigert een inwoner mee te werken aan een aanvraag voor een Wlz-voorziening, als hij daar mogelijk recht op heeft, dan is de gemeente niet verplicht een Wmo-voorziening te verstrekken. De gemeente moet dan wel kunnen aantonen dat de inwoner, ondanks voorlichting over de mogelijke gevolgen, weigerachtig blijft en de gemeente, binnen zijn bevoegdheden, alles heeft gedaan om de behoefte aan zorg en ondersteuning in kaart te brengen. De gemeente kan wel een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo verstrekken als overbrugging tot de Wlz-indicatie ingaat. Het aanvragen van een Wlz-indicatie kan namelijk enige tijd duren. De gemeente kan dan voor een tijdelijke oplossing zorgen door een korte indicatie af te geven.
De gemeente moet goed kunnen motiveren dat zij denkt dat de inwoner een indicatie op grond van de Wlz zou kunnen krijgen. Bij dit vermoeden legt de gemeente de situatie van de inwoner anoniem voor bij het CIZ (Centrum Indicatiestelling Zorg). Het CIZ maakt dan een inschatting of deze situatie mogelijk reden is voor een Wlz-indicatie. Wanneer het CIZ denkt dat er inderdaad reden is voor een Wlz-indicatie, heeft het college voldoende reden om aan te nemen dat de inwoner aanspraak kan maken op deze Wlz-indicatie.
Bezoekbaar maken van een woning
Wanneer de inwoner in een Wlz-instelling woont kan één woning waar hij regelmatig op bezoek komt (bijvoorbeeld van ouders) bezoekbaar gemaakt worden. Bezoekbaar houdt in dat de inwoner toegang tot de woning, één verblijfsruimte (bijvoorbeeld de woonkamer) en het toilet heeft. Er worden geen aanpassingen vergoed om logeren mogelijk te maken.
3.1.2.4 Zorgverzekeringswet (Zvw)
De Zvw regelt het recht op medisch noodzakelijke (psychische, verslavings)zorg. In welke mate en waarvoor iemand precies verzekerd is, staat in de verzekeringspolis van degene. Het gaat dan om behandeling. Dit is zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten en klinisch-psychologen plegen te bieden.
Soms kan begeleiding vanuit de gemeente aanvullend zijn. De begeleiding is dan gericht op het bevorderen van de zelfredzaamheid en participatie, zodat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven. Daarbij zal het vaak gaan om het ondersteunen bij het laten uitvoeren van algemeen dagelijkse levensverrichtingen door de inwoner zelf, zoals omschreven in artikel 2.3.4.
3.1.2.5 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Wanneer iemand op school of op het werk alleen kan functioneren met behulp van een voorziening en deze voorziening is alleen noodzakelijk voor school of werk, dan biedt de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een passende oplossing. Het college ziet dit als een passende oplossing vanuit de eigen kracht.
Een maatwerkvoorziening is een voorziening of dienst die zoveel mogelijk is afgestemd op de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner. Maatwerkvoorzieningen zijn alleen beschikbaar via een besluit vanuit het college. In 2.6 staat meer uitleg over de maatwerkvoorziening.
3.2.1 Algemene en voorliggende voorzieningen
Als voorliggende voorziening in Overbetuwe is de Algemene Hulpdienst beschikbaar. Dit is een vervoersregeling waarbij vrijwilligers met hun eigen auto tegen een onkostenvergoeding andere inwoners vervoeren. Het vervoer is bedoeld voor iedereen in Overbetuwe die niet of moeilijk gebruik kan maken van openbaar vervoer en ook niet beschikt over andere mogelijkheden van vervoer. Er wordt ook begeleiding en ondersteuning geboden. Het vervoer is onder andere om boodschappen te doen, van en naar medische afspraken, of naar andere locaties te gaan.
Collectief taxivervoer is een algemene voorziening waarbij meerdere mensen tegelijkertijd worden vervoerd. De inwoner betaalt een ritbijdrage en wordt er van deur tot deur vervoerd.
In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit het basispakket het vervoer van en naar een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de aandoening (bijv nierdialyse, oncologische behandelingen etc) die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer.
Reizigers die vanwege een handicap, beperking of psychische aandoening niet meer zelfstandig kunnen reizen ontvangen een Wmo-vervoerspas. Men kan dan tegen reductie gebruik maken van het collectief vervoer. De inwoner reist binnen de regio (25 kilometer enkele reis) van deur tot deur, van en naar een opstapplaats of een halte van het openbaar vervoer. Dit vervoer is toegankelijk voor iedereen die zelfstandig of met begeleiding kan reizen, bijvoorbeeld omdat de inwoner niet goed mobiel is of omdat de gewone bus ’s-avonds niet rijdt. Het gaat hierbij om sociaal vervoer, bijvoorbeeld familiebezoek, het onderhouden van sociale contacten en deelnemen aan (sociale) activiteiten. Voor reizen van meer dan 25 km (enkele reis) kan men gebruik maken van Valys.
Soms is het nodig, op grond van de ernst van iemands beperking, dat een medisch of sociaal begeleider meegaat. Dat is vaak iemand uit het sociaal netwerk. De medische begeleiding is verplicht. Degene betaalt daarvoor geen ritbijdrage. Sociaal begeleider is niet verplicht, maar kan gewenst zijn. Degene betaalt dan 50% van de Wmo-ritbijdrage.
Collectief vervoer is niet altijd een passende oplossing. Alleen als collectief vervoer geen passende oplossing biedt zijn er andere mogelijkheden, voorbeelden hiervan zijn:
3.2.2.1 Door spierkracht voortbewogen vervoermiddel
Als de inwoner zijn of haar vervoersbehoefte op korte en middellange afstanden niet kan invullen met bijvoorbeeld een fiets, kan het college een maatwerkvoorziening verstrekken voor een door spierkracht voortbewogen vervoermiddel. Het gaat dan bijvoorbeeld om een driewielfiets of een handbike.
Een scootmobiel kan een oplossing zijn voor vervoersbehoeften op korte en middellange afstanden. Voor een scootmobiel moet de inwoner de rijvaardigheid van een beginnend bestuurder hebben.
Het college onderzoekt voor verstrekking de rijvaardigheid van de inwoner. Ook na verstrekking kan het college in het kader van een heronderzoek de rijvaardigheid onderzoeken. Wanneer de inwoner niet de rijvaardigheid heeft die nodig is, trekt het college de indicatie in en moet degene het voertuig inleveren.
Wanneer een inwoner niet de nodige rijvaardigheid bezit, maar wel in staat is dit te leren wordt de inwoner erop gewezen dat men gebruik kan maken van de 1e lijns ergotherapie. De ergotherapeut is voorliggend aan de Wmo. Het initiatief ligt dan vervolgens bij de inwoner of men hier gebruik van maakt.
Voor het gebruik van een vervoersvoorziening met elektrische ondersteuning (zoals bijvoorbeeld een scootmobiel) of driewielfiets, moet de inwoner geschikte stallingsruimte of mogelijkheden hebben om deze te realiseren. Een geschikte stallingsruimte is droog en afgesloten. Dit kan bijvoorbeeld een schuur zijn. Een hal of parkeergarage van een appartementencomplex kan ook een geschikte stallingsruimte zijn. De veiligheid van het complex mag niet in gevaar worden gebracht door het parkeren van de vervoersvoorziening. Het college kan de kosten voor het realiseren van een geschikte stallingsruimte betalen.
3.2.2.3 Aanpassingen en meerkosten van een auto
Wanneer een inwoner een eigen auto heeft, maar deze vanwege zijn of haar beperkingen niet kan gebruiken, kan een aanpassing van de auto een passende oplossing zijn. Het college kan een maatwerkvoorziening toekennen voor de noodzakelijke aanpassingen. Het college kent alleen een maatwerkvoorziening toe voor aanpassingen die niet standaard door de fabriek meegeleverd kunnen worden.
Voor aanpassingen en vergoeden van meerkosten van auto’s geldt een aantal afwegingskaders:
Of en in hoeverre er sprake is van meerkosten beoordeelt het college aan de hand van de situatie van de inwoner en de hoeveelheid extra verplaatsingen op de korte afstand die de inwoner als gevolg van zijn of haar beperking met de auto moet maken. Het college onderzoekt daarbij of deze extra verplaatsingen op een andere manier, bijvoorbeeld met het collectief vervoer, gemaakt kunnen worden.
Met het verstrekken van een sportvoorziening kan het college bereiken dat een inwoner in staat wordt gesteld om in redelijke mate mensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale contacten aan te gaan.
Wanneer een sportvoorziening voor topsport wordt aangevraagd, wordt dit gecompenseerd tot het niveau van het kunnen uitoefenen van de sport. Er wordt dan uitgegaan van de goedkoopst adequate voorziening om de betreffende sport uit te kunnen oefenen. Specifieke eisen en extra’s aan een voorziening voor gebruik voor topsport worden hierin niet meegenomen.
3.3 Individuele begeleiding en groepsbegeleiding
Begeleiding aan de inwoner kan individueel verstrekt worden of in een groep. Bij de afweging welke vorm geschikt is, kijken we naar de meest passende goedkoopste oplossing. Dit betekent dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur uitgaat naar begeleiding in een groep.
Begeleiding in het algemeen gericht op ondersteuning zodat de inwoner:
Het ontlasten van mantelzorgers heeft als beoogd resultaat dat de mantelzorger de ondersteuning thuis kan volhouden en intensievere maatwerkondersteuning of opname in een intramurale instelling wordt voorkomen, of op zijn minst uitgesteld. Het ontlasten kan door middel van kortdurend verblijf, maar ook door begeleiding in de thuissituatie of groepsbegeleiding
Individuele begeleiding is een vorm van ondersteuning voor mensen die moeite hebben met het uitvoeren van normale dagelijkse handelingen en activiteiten.
Dit kan worden ingezet om een inwoner te ondersteunen bij het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Individuele begeleiding kan ook verstrekt worden voor het oefenen van vaardigheden of handelingen.
3.3.1.2 Begeleiding specialistisch
Deze vorm van ondersteuning is bedoeld voor:
Behandeling is voorliggend op begeleiding op grond van de Wmo. Begeleiding die tot de behandeling behoort valt onder de Zvw, zoals begeleiding die door een behandelend specialist moet worden geboden.
Begeleiding waarvoor geen deskundigheid op niveau van een behandelaar vereist is en die gericht is op het bevorderen van voldoende regie om zichzelf te kunnen redden en meedoen aan de samenleving, opdat de inwoner zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven, valt wel onder de Wmo. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om het motiveren tot behandeling, het stimuleren tot zelfzorg en het stimuleren tot medicatie-inname.
Groepsbegeleiding is begeleiding in groepsverband die overdag plaatsvindt, op een locatie buiten de woonsituatie. Groepsbegeleiding bestaat uit activiteiten waarbij de vaardigheden van een inwoner worden getraind of onderhouden zodat degene zo lang mogelijk zelfstandig thuis kan blijven wonen. Het gaat hierbij om vaardigheden met betrekking tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden. Een belangrijke afweging om voor groepsbegeleiding te kiezen is dat ingeschat wordt dat begeleiding van de inwoner in een groep passender is dan individuele begeleiding.
We kennen 2 vormen van groepsbegeleiding:
Ontwikkeling, nadruk ligt op het actief verbeteren of voorkomen van verslechtering van de zelfredzaamheid van de inwoner. Er zijn concrete ontwikkeldoelen geformuleerd voor de inwoner. Een voorwaarde hiervoor is dat de degene leerbaar/stuurbaar is. Bij inwoners met beginnende dementie kan Groepsbegeleiding Ontwikkeling alleen worden ingezet met de doelstelling voorkomen van verslechtering. Voor inwoners met dementie is groepsbegeleiding ontwikkeling passend.
Er wordt altijd eerst gekeken naar vervoersmogelijkheden die voorliggend zijn op het maatwerkvervoer. Het lokale team onderzoekt of de inwoner zelfstandig, met behulp van het netwerk of met behulp van een voorliggende voorziening zich naar de groepsbegeleidingslocatie reizen. Als dat niet zo is, dan kan vervoer worden geïndiceerd.
Op basis van het zorgdoel van de inwoner kunnen individuele begeleiding en begeleiding in groepsverband gecombineerd worden aangeboden. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding groep, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Het gaat dan om personen voor wie op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen.
Bij a Activerend werk staat het bieden van zinvolle arbeid en ontwikkeling van arbeidsvaardigheden centraal. Het doel is om mensen te laten meedoen aan de samenleving en een gevoel van eigenwaarde te geven. Activiteiten zijn gericht op het ontwikkelen van vaardigheden die nodig zijn voor het verrichten van arbeid, zoals samenwerken, plannen en organiseren, en het uitvoeren van taken en waar mogelijk - en indien relevant - doorstromen naar vormen van betaalde arbeid.
Persoonlijke verzorging wordt geïndiceerd wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding en alleen voor het gedeelte dat niet onder voorliggende wetgeving zoals de Zvw of Wlz valt.
Dit laatste is het geval als er een “behoefte aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop” is. Verzekerden hebben recht op verpleging en verzorging via de Zvw als ze geneeskundige zorg nodig hebben. De zorg hangt dan samen met geneeskundige zorg in de eerste lijn (huisartsgeneeskundige zorg) of in de tweede lijn (medisch-specialistische zorg).
De ondersteuning via de Wmo bestaat uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL), persoonlijke hygiëne en lichamelijke basiszorg, waaronder:
Het gaat niet om het daadwerkelijk wassen en aankleden van de inwoner, maar om degene aan te sporen en te ondersteunen deze handelingen zelf te uit te voeren. Dit geldt veelal voor inwoners die over weinig tot geen regie beschikken. De aanspraak op persoonlijke verzorging houdt verband met de zelfredzaamheid van de inwoner en ligt zodoende in het verlengde van begeleiding.
Bij twijfel kan altijd overlegd worden met de wijkverpleging.
3.4 Veilig en zelfstandig wonen
Inwoners met een beperking kunnen problemen hebben bij het gebruik van hun woning of bij het voeren van het huishouden. Als degene zulke problemen ervaart en niet zelf kan oplossen, kan de gemeente ondersteuning bieden.
Wanneer een inwoner belemmeringen ervaart in het normale gebruik van zijn of haar woning zijn er twee typen maatwerkvoorzieningen die een passende oplossing kunnen bieden:
Verhuizen naar een andere woning kan een passende oplossing zijn voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. De gemeente zoekt hierbij samen met de inwoner wat mogelijk is en gaat hierbij uit van de goedkoopst adequate oplossing. Wanneer verhuizen een passende oplossing is en het goedkoper is dan het aanpassen van de huidige woning van de inwoner kan het college in overleg met de inwoner ervoor kiezen om een pgb voor verhuizen te verstrekken. Voor de verhuiswagen en manuren kan de inwoner offertes opvragen.
Woonvoorzieningen zijn de andere maatwerkvoorzieningen voor het oplossen van ervaren belemmeringen bij het normale gebruik van de woning. Daarbij maken we onderscheid tussen de losse woonvoorzieningen zoals douchestoelen, tilliften en losse woonunits en de zogenaamde woningaanpassingen. Woningaanpassingen zijn bouwkundige en woon-technische woonvoorzieningen zoals trapliften, creëren van een doucheruimte of een aanbouw.
Bij de toekenning van een woonvoorziening in de vorm van een maatwerkvoorziening is het college erop gericht dat een inwoner normaal gebruik kan maken van de woning waar hij zijn hoofdverblijf heeft. De inwoner heeft daarbij de mogelijkheid om de elementaire woonfuncties te kunnen verrichten met onder andere de volgende resultaten:
Voor een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft geen toestemming te worden gevraagd aan de eigenaar van de woning, wanneer de inwoner niet zelf de eigenaar is. Dit is een woningcorporatie. Wel is het verstandig afstemming te zoeken en moet de eigenaar gehoord worden over een aanpassing.
Een woonvoorziening van bouwkundige of woon-technische aard hoeft niet te worden verwijderd door de inwoner of de gemeente wanneer degene uit de woning vertrekt. Alleen bij bruikleen van een voorziening wordt deze bij een verhuizing verwijderd.
3.4.1.3 Afwegingskader wonen en verhuizen
Hieronder wordt beschreven hoe het college afwegingen maakt rondom woonvoorzieningen.
Wanneer een inwoner langdurig een hulpmiddel nodig heeft om zich binnen de woning te verplaatsen, kan deze mogelijk vanuit de Wmo verstrekt worden. Wanneer er sprake is van zorg voor een beperkte of onzekere duur of wanneer een transferhulpmiddel gericht is op het verplaatsen in bed, kan degene gebruik maken van de Zvw.
Wanneer de inwoner is verhuisd vanuit een geschikte woning naar een ongeschikte woning, zet het college hier in principe geen nieuwe maatwerkvoorziening in op het gebied van wonen, tenzij er een belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is en er geen andere geschikte woning beschikbaar is. Een belangrijke reden kan zijn:
Wanneer een inwoner een aanpassing van een woonwagen of woonschip aanvraagt, onderzoekt het college altijd hoelang de standplaats of ligplaats nog ter beschikking blijft voor de inwoner. Hiermee wordt een afweging gemaakt of een aanpassing van een woonwagen of woonschip een langdurig passende oplossing biedt.
Wanneer een inwoner in een wooncomplex dat specifiek bedoeld is voor ouderen of personen met een lichamelijke beperking woont, dan verwacht het college dat dit wooncomplex voldoet aan de basiseisen van toegankelijkheid voor deze doelgroepen. De eigenaar van de woning is in deze gevallen ook verantwoordelijk voor woonvoorzieningen in de gemeenschappelijke ruimte. Hier kent het college geen woonvoorzieningen van bouwkundige of woon-technische aard voor toe.
3.4.1.4 Sanering van een woning
Bij een woningsanering gaat het om het vervangen van stoffering in de woning. Voor een vergoeding vanuit de Wmo moet de sanering medisch noodzakelijk zijn om beperkingen in het normale gebruik van de woning te compenseren. Alleen de meest gebruikte ruimten komen hiervoor in aanmerking: woonkamer en slaapkamer. Voor eventuele stofferingskosten (hieronder valt: vloerbekleding, raambekleding en muurbekleding) gaat het college uit van de Prijzengids van het NIBUD.
Redenen om een aanvraag af te wijzen kunnen liggen in de aard van het materiaal, achterstallig onderhoud, voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn of als inwoner bij de aanschaf van de stoffering onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen.
Van een mantelzorgwoning spreken we als een zorgvrager bij de mantelzorger gaat wonen of andersom en voor de zorgvrager of mantelzorger:
Inwoners die een mantelzorgwoning willen bouwen of huren, moeten hiervoor zelf in de kosten voorzien. Dit zijn namelijk de normale kosten voor wonen.
3.4.2 Maatschappelijke opvang en beschermd wonen
Maatschappelijke opvang is het bieden van een tijdelijk verblijf aan mensen zonder dak boven hun hoofd. Dit kan worden aangeboden bij zorg, begeleiding en/of het verhelpen van een crisis.
Beschermd wonen biedt een beschermde woonomgeving waar continu begeleiding aanwezig of nabij is. De gemeente Overbetuwe werkt samen met andere gemeenten op het gebied van maatschappelijke opvang en beschermd wonen. Als een inwoner maatschappelijke opvang en/ of beschermd wonen nodig heeft, gelden de regels die zijn vastgelegd in de geldende beleidsregels van de gemeente Arnhem.
Er zijn verschillende typen rolstoelen die als maatwerkvoorziening verstrekt kunnen worden. Bij de selectie van het type rolstoel stelt het college een functioneel programma van eisen op. Hierbij wegen we ook de belangen van de mantelzorgers mee, zoals de (on)mogelijkheid van mantelzorger om de rolstoel te duwen.
3.5 Huishoudelijke ondersteuning
3.5.1 Inleiding: wat is huishoudelijke ondersteuning?
De gemeente kan ondersteuning bieden aan een inwoner die niet in staat is zelfstandig een gestructureerd huishouden te voeren. Het gaat hierbij onder andere om ondersteuning bij het schoon en leefbaar houden van de belangrijke ruimtes in het huis, zoals woonkamer, slaapkamer, keuken en sanitaire voorzieningen.
3.5.2 Het uitgangspunt van gebruikelijke hulp
De activiteiten die horen bij het voeren van een huishouding zijn een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle personen die tot hetzelfde huishouden behoren. Het kan gebeuren dat één of meer personen uit het huishouden om wat voor reden niet (meer) in staat is/zijn om (een deel) van deze taken uit te voeren. In dat geval wordt van huisgenoten verwacht dat ze deze taken overnemen. Dit noemen we gebruikelijke hulp.
In hoofdstuk 1. Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt uitgebreider ingegaan op gebruikelijke hulp.
3.5.3 Vormen van huishoudelijke ondersteuning
Binnen de Wmo wordt onderscheid gemaakt tussen algemene voorzieningen en een maatwerkvoorziening. Voor huishoudelijke ondersteuning kent de gemeente de volgende voorzieningen:
3.5.4 Algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning
Een inwoner die zelfstandig woont en vanwege een beperking niet of onvoldoende in staat is om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit het sociaal netwerk, een schoon en leefbaar huis te realiseren kan gebruik maken van de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning.
Er vindt dan geen specifiek onderzoek plaats naar de persoonskenmerken en behoeften van de inwoner.
Voor wie is de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning
De algemene voorziening is toegankelijk voor inwoners met fysieke beperkingen en beperkingen in de sociale redzaamheid vanaf 18 jaar. Er is geen sprake van huisgenoten die vanuit gebruikelijke hulp taken over kunnen nemen.
Het is belangrijk bij de keuze voor een algemene voorziening, dat de inwoner zelf besluiten kan nemen over de manier waarop de huishoudelijke hulp moet worden ingevuld. De inwoner moet ook in staat zijn om de hulp aan te sturen.
Voor een algemene voorziening wordt geen volledig onderzoek gedaan en geen keukentafelgesprek gehouden. De gemeente voert een lichte toets uit, nadat de inwoner zich bij de gemeente heeft gemeld.
De volgende vragen worden gesteld bij de lichte toets:
Als de inwoner voldoet aan de voorwaarden wordt deze toegelaten tot de algemene voorziening.
De zorgaanbieder zet de eerste 6 weken gemiddeld 90 minuten per week huishoudelijke ondersteuning in. Na 6 weken volgt een evaluatie. Als het noodzakelijk is, dan breidt de zorgaanbieder de ondersteuning uit tot maximaal 120 minuten per week.
Is er meer dan 120 minuten nodig, moet er een melding komen om een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning te onderzoeken.
De zorgaanbieder bepaalt de duur van de inzet voor de algemene voorziening. Hierbij is het uitgangspunt:
3.5.5 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
Als er sprake is van een noodzaak tot huishoudelijke ondersteuning en de algemene voorziening is niet passend of toereikend, kan er een melding voor een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning worden gedaan.
Voor wie is de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
De algemene voorziening wordt niet beschouwd als passend of toereikend wanneer:
Bij een maatwerkvoorziening heeft de hulp een actieve, signalerende rol ten aanzien van de gezondheid en leefomstandigheden van de inwoner. De hulp neemt de verantwoordelijkheid van de inwoner niet over, maar helpt de inwoner om het resultaat te behalen. Activiteiten die door de inwoner zelf kunnen worden uitgevoerd, behoren tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner.
Voor de bepaling van de zorgomvang en duur van de maatwerkvoorziening wordt gebruik gemaakt van de normtijden uit het normenkader Huishoudelijke Ondersteuning van het Bureau HHM. Dit normenkader kan zorgen voor meer eenduidigheid en transparantie. Ook kan het helpen bij het voorkomen van willekeur en bij het leveren van maatwerk.
Vanuit het keukentafelgesprek wordt de noodzaak bepaald om bepaalde taken wel of niet in te zetten. Is de noodzaak aanwezig, dan wordt het normenkader gebruikt om de omvang te bepalen. Normenkader huishoudelijke ondersteuning
De zorgduur is maatwerk en zal in het besluit worden opgenomen. Afhankelijk van aard van de beperkingen, mogelijkheden tot herstel en verwachtingen op langere termijn, wordt er voor kortere of langere tijd een indicatie afgegeven.
De taken binnen een maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning zijn (kunnen) ruimer (zijn) dan binnen de algemene voorziening.
3.5.5.1 Vormen maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning
Overbetuwe kent binnen de maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning een drietal vormen.
Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners die geen regie kunnen voeren
Voor inwoners die voldoen aan de voorwaarden voor een maatwerkvoorziening en niet in staat zijn zelf de regie (bewaren van overzicht, het organiseren van het dagelijks leven en aansturen van de hulp) te voeren.
Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning voor inwoners met regie
Voor inwoners met regie voor wie om andere redenen dan regie de algemene voorziening huishoudelijke ondersteuning niet passend of toereikend is.
Maatwerkvoorziening combinatie huishoudelijke ondersteuning en begeleiding
Voor inwoners waarbij er sprake is van het ontbreken door verminderde sociale redzaamheid, gedragsproblemen en/of psychische stoornis, die leidt zware en/of complexe problematiek. En waarbij de maatwerkvoorziening voor inwoners die geen regie kunnen voeren ontoereikend is.
In deze intensievere vorm krijgt de inwoner niet alleen hulp bij schoonmaken en leefbaar houden van het huis, maar ook begeleiding bij structuur en organisatie van het huishouden, regie over het dagelijks leven en ondersteuning bij taken en routines die daarbij horen
3.6 Mantelzorg, Respijtzorg en Kortdurend verblijf
Mantelzorg is de vrijwillige en onbetaalde hulp die mensen verlenen vanwege een rechtstreekse sociale relatie tussen degene die de hulp geeft en degene die de hulp verlangt. Mantelzorg overstijgt qua duur en intensiteit de normale gang van zaken (de gebruikelijke hulp). Het gaat dus om hulp die verder gaat dan de gebruikelijke hulp.
De mantelzorg ontvanger kan een mantelzorgwaardering aanvragen. Een aanvraagformulier is digitaal beschikbaar op de website van de gemeente.
De mantelzorgwaardering bestaat uit:
Wat je kan verwachten van een mantelzorger, verschilt per mantelzorger. De verwachtingen zijn afhankelijk van de aard van de relatie en de situatie van betrokkene en de mantelzorger. De gemeente moet uitgaan van wat de mantelzorger zelf aangeeft. De gemeente moet ook kijken naar de lichamelijke conditie van de mantelzorger. Verder moet de gemeente kijken naar de tijd die de mantelzorger heeft en naar de reistijd. De gemeente moet overbelasting van de mantelzorger zoveel mogelijk voorkomen.
Als kinderen mantelzorg verlenen mag dat niet ten koste gaan van hun ontwikkeling of welbevinden. Daarbij kun je denken aan het contact met leeftijdsgenoten, vrijetijdsbesteding en schoolprestaties.
In geval de inwoner een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan, ter ontlasting van het gezamenlijk huishouden van de inwoner, afgewogen worden of taken die redelijkerwijs onder de gebruikelijke hulp van huisgenoten vallen toch in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening.
Mantelzorg is niet afdwingbaar
Er is geen sprake van mantelzorg als de zorgverlener betaling wil ontvangen voor zijn hulp. Dit zal onderzocht moeten worden. Dus als er geconstateerd is dat huishoudelijke ondersteuning nodig is en de partner kan dit doen, maar alleen als er een financiële vergoeding tegenover staat, dan wordt deze ondersteuning geboden in de vorm van een pgb. Er is dan geen sprake meer van mantelzorg.
Respijtzorg is vervangende zorg en wordt ingezet wanneer er sprake is van (dreigende) overbelasting of overbelasting van de mantelzorger. Je sluit aan bij de vraag, de behoefte van de mantelzorger en respijtzorg duurt zo lang als het nodig is voor de mantelzorger om weer nieuwe energie op te doen.
Respijtzorg kent verschillende vormen:
Gaat het om noodzakelijke 24-uurszorg dan kan de inwoner een beroep doen op de Wet langdurige zorg (Wlz).
Veel zorgverzekeraars hebben een mogelijkheid voor mantelzorgondersteuning. Soms vergoedt de zorgverzekeraar ook kortdurend verblijf. Het gaat dan om mensen die om medische redenen tijdelijk niet thuis kunnen wonen (bijvoorbeeld na ontslag uit het ziekenhuis) en daarom voor korte tijd in een zorginstelling worden verzorgd en verpleegd. Deze vorm van kortdurend verblijf wordt ook wel eerstelijnsverblijf genoemd. Als de (aanvullende) verzekering van een inwoner deze optie biedt, dan wordt aan de inwoner gevraagd om eerst hierop aanspraak te maken.
Onder spoedzorg (ook wel crisisopvang genoemd) verstaan we een hulpvraag om zorg of ondersteuning waarop binnen 24 tot 48 uur moet worden gehandeld. Het gaat om situaties waarin iemand uit de huiselijke setting moet worden gehaald als gevolg van een onverwachte en voor de betrokkene ingrijpende gebeurtenis. Of het gaat om een situatie waarin een persoon terugkomt in de huiselijke setting, bijvoorbeeld na een ziekenhuis opname waarbij met spoed huishoudelijke hulp of begeleiding moet worden ingezet.
Gemeenten moeten in spoedeisende gevallen een tijdelijke maatwerkvoorziening verstrekken.
Als een maatwerkvoorziening de best passende oplossing is, kan de inwoner kiezen tussen een maatwerkvoorziening via zorg in natura (zin) en een maatwerkvoorziening via een persoonsgebonden budget (pgb). De inwoner betaalt zelf mee aan de maatwerkvoorziening via een eigen bijdrage.
De vorm waarin de gemeente de voorziening verstrekt is:
De gemeente kan een voorziening in eigendom geven aan de inwon er.Deze vorm is vooral praktisch bij minder kostbare voorzieningen. Denk aan een douchestoel. Het verstrekken in eigendom is dan praktischer dan bruikleen of huur. Bij deze vorm sluiten leverancier en gebruiker soms ook een overeenkomst voor onderhoud en reparatie.
De eigenaar van hulpmiddelen (leverancier of gemeente) heeft een hulpmiddel in eigendom en verstrekt deze in bruikleen aan de inwoner. De rechten en plichten bij bruikleen staan vaak in een bruikleenovereenkomst. Het voordeel van bruikleen is dat de leverancier of gemeente de eigenaar blijft van de voorziening. Dat maakt het mogelijk om de voorziening in te nemen als de gebruiker deze niet of niet goed gebruikt. Bovendien kan de gemeente de voorziening dan daarna aan iemand anders verstrekken.
Als de inwoner kiest voor zorg in natura dan krijgt de inwoner de dienstverlening of voorziening via een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft. De gemeente geeft de aanbieder opdracht voor het leveren van de dienstverlening of de voorziening. De gemeente kent een andere werkwijze voor dienstverlening dan voor voorziening. Dit wordt hieronder toegelicht:
Voorzieningen als begeleiding, groepsbegeleiding en huishoudelijke ondersteuning worden in de vorm van dienstverlening verstrekt. De gemeente heeft hiervoor via de regionale raamovereenkomst contracten gesloten met aanbieders. De inwoner kan kiezen bij welke van de gecontracteerde aanbieders hij of zij de dienstverlening wil afnemen.
Voorzieningen (woonvoorzieningen, rolstoelen en vervoersvoorzieningen) kunnen worden verstrekt in eigendom of bruikleen. Dit is afhankelijk van de contracten die de gemeente heeft gesloten met leveranciers.
Voor een deel van de voorzieningen heeft de gemeente contracten gesloten met meerdere aanbieders. De inwoner kan dan kiezen bij welke aanbieder hij of zij de voorziening wil afnemen. Wanneer de passende oplossing niet binnen de door de gemeente gesloten contracten valt, kan de voorziening bij een andere niet-gecontracteerde aanbieder worden ingekocht en als zorg in natura worden geleverd.
3.7.2 Persoonsgebonden budget (pgb)
Een maatwerkvoorziening in pgb wil zeggen dat het college de inwoner een budget verstrekt. De inwoner kan met dit budget de benodigde voorziening aanschaffen of de benodigde dienstverlening inkopen. Het college verstrekt slechts een pgb wanneer dit voor de inwoner een passende oplossing is.
De inwoner moet volgens de gemeente voldoende in staat tot een redelijke waardering van de belangen ter zake. Of met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel een vertegenwoordiger in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.
Om deze vaardigheden te toetsten vult de inwoner de pgb-test in. De inwoner moet aan de eisen voldoen om het pgb te kunnen beheren.
Hulp bij beheer door een vertegenwoordiger
Iemand anders kan het pgb voor de inwoner beheren:
Het is niet toegestaan dat de beheerder van het pgb ook de hulpverlener is. De beheerder wordt niet betaald voor het beheer.
Wanneer de persoon, van wie gebruikelijke hulp kan worden verwacht (bijvoorbeeld de partner), overbelast is, dan geeft het college voor deze gebruikelijke hulp geen pgb af. Een pgb is namelijk geen passende oplossing voor overbelasting.
De betaling van een pgb gaat via de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De inwoner verantwoordt alle kosten die hij of zij maakt vanuit een pgb bij de SVB.
Eenmalige pgb's worden in principe rechtstreeks aan de leverancier betaald. Wanneer dit niet mogelijk is dan kan dit ook rechtstreeks aan de inwoner worden betaald. De inwoner toont vooraf met een factuur of offerte aan wat de daadwerkelijke kosten van het aanschaffen van de voorziening zijn.
3.7.2.1 Financiële tegemoetkoming
Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een inwoner krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren. Dit wordt vaak ingezet, als van tevoren moeilijk is te bepalen wat de hoogte van de kosten voor een voorziening moet zijn, zoals verhuiskosten of- herinrichtingskosten of vervoer met eigen auto. Dit is een vast bedrag. De hoogte hiervan moet dusdanig zijn dat degene een passende voorziening kan inkopen om de beperkingen voldoende te compenseren. De inwoner is vrij om zelf een aanbieder of leverancier te kiezen en afspraken te maken over de invulling van de te leveren zorg dan wel voorziening.
Een eigen bijdrage wordt gevraagd zolang de inwoner gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of het pgb. Voor hulpmiddelen, woningaanpassingen en soms vervoer geldt daarbij dat de bijdrage de kostprijs niet mag overstijgen. Onder kostprijs wordt de prijs verstaan waarvoor de gemeente de voorziening heeft ingekocht bij de aanbieder of leverancier en de daarin begrepen onderhouds- en servicekosten. De kostprijs is gelijk aan de waarde van de investering die de gemeente moet doen om de voorziening te kunnen realiseren. Dit geldt zowel voor voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt, als voor voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt. Voor de overige voorzieningen, zoals huishoudelijke ondersteuning en begeleiding, die onder het abonnementstarief vallen geldt geen controle op de kostprijs meer. Dit wil zeggen dat een bijdrage in de kosten verschuldigd is, zolang de inwoner de voorziening gebruikt.
Als aan een inwoner of een inwoner en zijn of haar echtgenoot meerdere voorzieningen zijn verstrekt, die onder het abonnementstarief vallen, wordt éénmaal de maandelijkse bijdrage betaald. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijven van de kostprijs.
In de praktijk gaat dat over de kostprijs die over de langste periode wordt geïnd. Dat is meestal de voorziening met de hoogste kostprijs. Hierop wordt de duur van de bijdrage gebaseerd.
Huishoudelijke ondersteuning als algemene voorziening.
Omdat hier sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie mag voor deze algemene voorziening een eigen bijdrage worden gevraagd en valt dit onder het abonnementstarief.
Bijdrage bij beschermd wonen en maatschappelijke opvang
De inwoner die woont in een woonvorm voor beschermd wonen of beschermd thuis waarbij sprake is van ‘scheiden wonen en zorg’ (d.w.z. de inwoner betaalt zelf de huur en zijn eten of een bijdrage voor maaltijden) valt onder het Wmo-abonnementstarief. Degene betaalt dan geldende abonnementstarief.
Woont een inwoner in een instelling van een zorgaanbieder voor intramuraal beschermd wonen waarbij een ‘totaalpakket’ wordt geleverd (dus inclusief huur, hotelkosten, etc.), dan betaalt degene een inkomensafhankelijke bijdrage. Voor een inwoner die een inkomen heeft op bijstandsniveau betekent dit dat men de zogeheten ‘zak- en kleedgeldnorm’ overhoudt voor persoonlijke uitgaven. Inwoners met een hoger inkomen betalen meer. De normbedragen zijn te vinden op de site van het CAK. De centrumgemeente meldt de inwoner aan bij het CAK. Zodra in de toekomst de individuele gemeenten voor de indicatie verantwoordelijk zijn, meldt de gemeente de inwoner aan bij het CAK.
Bij uitstroom, of te voorziene uitstroom uit intramuraal beschermd wonen (b.v. iemand meldt zich aan voor de Opstapregeling), bestaat het recht om voor een periode van maximaal 6 maanden voor uitstroom de lage Wmo eigen bijdrage te betalen. Dit biedt de mogelijkheid om wat te sparen voor de kosten die bij uitstroom gemaakt moeten worden voor het huis/ aankleding, etc. De inwoner meldt dit zelf bij het CAK. Duurt de uitstroom langer dan kan er mogelijk een naheffing van het CAK volgen.
De eigen bijdrage voor Beschermd wonen en Beschermd Verblijf is inkomensafhankelijk en wordt vastgesteld op basis van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
4.3 Gebruikelijke hulp,voorliggende en algemene voorzieningen
De gemeente gaat ervan uit dat ouders/verzorgers primair verantwoordelijk zijn voor de zorg en opvoeding van hun kinderen. Zie hiervoor ook Hoofdstuk 1: “Gebruikelijke hulp, eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen”. Wanneer ouders hierin (tijdelijk) niet in staat zijn, kan de gemeente verschillende vormen van ondersteuning bieden om de zorg zo goed mogelijk te organiseren. In dit hoofdstuk leggen we uit welke vormen van hulp voorliggend zijn op jeugdhulpvoorzieningen.
4.3.1 Voorliggende voorzieningen
Een voorliggende voorziening betekent dat eventueel benodigde hulp of ondersteuning al op een andere manier vergoed kan worden. Hier is dus geen jeugdhulpvoorziening voor nodig van de gemeente.
Hierbij kan gedacht worden aan:
Wanneer een voorliggende voorziening goed past bij de behoefte of hulpvraag, hoeft de gemeente geen jeugdhulpvoorziening af te geven. Er is dan immers een andere oplossing beschikbaar.
Als uit het onderzoek blijkt dat de jeugdige en/of ouder(s) aanvullend verzekerd zijn voor de noodzakelijke (jeugd)hulp, wordt verwacht dat in dat geval de jeugdige en/of ouder(s) aanspraak maken op die aanvullende zorgverzekering. Het college hoeft namelijk geen voorziening voor jeugdhulp te treffen als de jeugdige en/of ouder(s) in staat zijn zelf de problemen op te lossen.
Volgens de Jeugdwet is het college niet verplicht een individuele voorziening te verstrekken als recht bestaat op zorg op grond van een andere wet dan de Jeugdwet, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, de Zorgverzekeringswet (Zvw) of een andere wettelijke bepaling.
Van de jeugdige en/of ouder(s) wordt verwacht dat zij actief aanspraak proberen te maken op een andere voorliggende voorziening. Het college kan van mening zijn dat er sprake is van een voorliggende voorziening. De jeugdige en/of ouder(s) dienen daarom na een verzoek van het college binnen twee weken een aanvraag onder een andere wet of een declaratie op basis van de (aanvullende) verzekering in. Als aan het verzoek van het college niet binnen twee weken gevolg wordt gegeven, is de weigering om het verzoek in te willigen tezamen met de mening van het college dat er sprake is van een voorliggende voorziening een afwijzingsgrond voor de aanvraag voor een individuele voorziening jeugdhulp.
Van een andere voorliggende voorziening is geen sprake als vaststaat dat de voorziening op basis van de andere wettelijke bepaling is afgewezen of als vaststaat dat de jeugdige daar niet voor in aanmerking komt.
Omdat de afbakening tussen de Jeugdwet met de Wlz en de Zvw veelvuldig voorkomt, worden deze hieronder nader toegelicht.
Voor zover de jeugdige de benodigde zorg vanuit de Wlz kan krijgen, hoeft het college hiervoor geen jeugdhulp in te zetten. Dit geldt ook wanneer er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor een indicatie voor Wlz-zorg, maar hij of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van dit indicatiebesluit. Ook in dat geval mag het college een voorziening op grond van de Jeugdwet weigeren.
Jeugdigen kunnen in aanmerking komen voor een indicatie op grond van de Wlz als ze een blijvende behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per dag zorg in de nabijheid vanwege de volgende beperkingen:
Wlz-zorg wordt geïndiceerd door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ).
Als een jeugdige de benodigde zorg op grond van de Zvw krijgt, bestaat er geen recht op een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet. De Zvw regelt het recht op geneeskundig zorg of een hoog risico daarop. Met ‘hoog risico daarop’ wordt bedoeld dat geneeskundige zorg op grond van de Zvw ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking maar wel een ‘hoog risico’ hierop hebben.
De Zvw-aanspraken zijn door de overheid vastgelegd in een basispakket. Het basispakket geeft jeugdigen recht op:
De aanvullende zorgverzekering is geen andere wettelijke voorliggende voorziening. Echter in het kader van de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen wordt wel verwacht dat ouders en jeugdigen hier gebruik van maken.
Soms is een probleem het gevolg van meerdere oorzaken. In gevallen waarin er zowel recht bestaat op zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), de Zorgverzekeringswet (Zvw) als de Jeugdwet, moet er een jeugdhulpvoorziening worden getroffen. Een uitzondering hierop geldt voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo, zoals woningaanpassingen en hulpmiddelen.
Een jeugdhulpvoorziening kan worden geweigerd als het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige en/of diens ouders recht hebben op zorg op basis van de Wlz of de zorgverzekering, en/of als zij weigeren mee te werken aan het verkrijgen van die zorHulp voor ouders
Wanneer ouders tegen problemen aanlopen bij de opvoeding, verzorging en het grootbrengen van hun kind, en het hen niet lukt om deze problemen zelf op te lossen, eventueel met hulp uit hun eigen netwerk, kan jeugdhulp een oplossing bieden. Jeugdhulp kan ouders ondersteunen bij opvoedingsproblemen.
In sommige gevallen is echter ook ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) nodig. Volgens de wet valt de verzorging van (gezonde) kinderen onder het uitvoeren van een gestructureerd huishouden. Als een ouder door beperkingen in zelfredzaamheid niet in staat is om alle taken die bij de verzorging van een kind horen zelf uit te voeren, kan praktische hulp nodig zijn, waarbij verzorgingstaken van de ouder worden overgenomen. Deze ondersteuning valt onder de Wmo.
Bij het bepalen van de juiste hulp wordt gekeken naar wie de hulp nodig heeft. Heeft de hulp te maken met de zelfredzaamheid of opvoedvaardigheden van de ouder, of is er sprake van problematiek bij de jeugdige? Het antwoord op deze vraag bepaalt welke vorm van ondersteuning het meest passend is.
4.3.2 Algemene en algemeen gebruikelijke voorzieningen
Wanneer het ouders, samen met hun eigen netwerk, niet meer lukt om een jeugdige gezond en veilig op te laten groeien naar zelfredzaamheid en participatie, kan de jeugdige in eerste instantie een beroep doen op algemeen toegankelijke voorzieningen. Deze voorzieningen zijn voor alle inwoners van de gemeente Overbetuwe vrij toegankelijk, gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, en worden lokaal georganiseerd.
Daarnaast zijn er algemeen gebruikelijke voorzieningen. Dit zijn voorzieningen of producten en diensten die niet speciaal bedoeld zijn voor mensen met een beperking en vrij toegankelijk en gebruikelijk zijn voor iedereen in de gemeente.
Wanneer een jeugdige of ouder een hulpvraag heeft, wordt eerst vastgesteld wat de aard van de vraag is. Vervolgens worden de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen in kaart gebracht. Op basis hiervan wordt bepaald welke hulp, zowel in aard als omvang, nodig is voor de jeugdige. Daarna wordt beoordeeld wat de jeugdige zelf of met (gebruikelijke) hulp van het eigen netwerk kan oplossen, welke problemen met algemene voorzieningen kunnen worden aangepakt en waarvoor nog individuele jeugdhulpvoorzieningen noodzakelijk zijn.
Het doel van het inzetten van een individuele jeugdhulpvoorziening is om de jeugdige in staat te stellen:
Onder jeugdhulpvoorzieningen of opvoedondersteuning kunnen de volgende vormen van hulp vallen:
Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp kunnen, indien noodzakelijk door medische redenen of beperkingen in zelfredzaamheid, ook het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden, omvatten.
Deze beleidsregels gelden uitsluitend voor vrijwillige jeugdhulp. Voor gedwongen jeugdhulp zijn andere regels van toepassing, vastgelegd in documenten en contracten met gecertificeerde instellingen die deze hulp uitvoeren. Deze regels zijn opgenomen in de bovenregionale afspraken van de Gelderse Verbeteragenda (zie www.gvjb.nl).
In gevallen van gedwongen jeugdhulp is het de verantwoordelijkheid van het college om de jeugdhulp in te zetten die door de gecertificeerde instelling noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of een machtiging uithuisplaatsing. Daarnaast zal het college de jeugdhulp inzetten die door de rechter, het Openbaar Ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting noodzakelijk wordt geacht voor de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing of die door de gecertificeerde instelling wordt vereist voor jeugdreclassering.
3.4.7 Praktijkondersteuner jeugd POJ)
De gemeente Overbetuwe heeft als brede ambitie om te zorgen voor passende, betaalbare, toegankelijke en kwalitatief goede zorg voor onze inwoners. De praktijkondersteuner jeugd (POJ) is verbonden aan het sociaal team en moet kinderen en jongeren helpen om hun zorgen en problemen te verhelderen en ervoor te zorgen dat deze kinderen en jongeren passende hulp krijgen. De POJ doet dat vanuit de visie dat jongeren zoveel mogelijk lokaal passende hulp nodig hebben, dat de POJ de samenwerking tussen partners in het zorg en sociaal domein kan faciliteren en verbeteren en dat door de functie POJ de inzet van dure specialistische voorzieningen zo veel mogelijk voorkomen kan worden. In sommige gevallen biedt de POJ zelf kortdurende ondersteuning en/of overbruggingszorg.
Het uitgangspunt is dat ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige van en naar de jeugdhulpaanbieder. Het feit dat ouders/verzorgers werken of zorgdragen voor andere kinderen wordt in beginsel niet beschouwd als een beperking in de zelfredzaamheid. Als ouders/verzorgers er zelf niet in slagen het vervoer te verzorgen of begeleiding in het vervoer te leveren, kunnen zij daarvoor bijvoorbeeld een oppas, buren of familie inschakelen.
4.5.2 Aanspraak op een vervoersvoorziening
Wanneer de inzet van een vervoersvoorziening door het college noodzakelijk wordt geacht, is de voor het college goedkoopst mogelijke wijze van vervoer het uitgangspunt. Eerst wordt gekeken of ouders/verzorgers het vervoer zelf kunnen organiseren. Indien dit het geval is geldt een kilometervergoeding ter hoogte van de maximale algemeen gebruikelijke belastingvrije kilometervergoeding. Per 1 januari 2024 bedraagt deze € 0,23 per kilometer. Voor het vaststellen van de afstand maakt het college gebruik van de optie ‘kortste route’ met de auto van de ANWB routeplanner. Als vervoer op eigen gelegenheid niet mogelijk is, dan verstrekt het college een voorziening voor aangepast vervoer.
Het college kan een jeugdige aan wie een vervoersvoorziening in de vorm van aangepast vervoer is verstrekt tijdelijk of voor onbepaalde tijd de toegang tot dit vervoer ontzeggen wanneer bij herhaling is gebleken dat door agressief gedrag of op een andere manier ongepast gedrag van de jeugdige of diens ouder/verzorger de orde, rust en/of (sociale) veiligheid van de chauffeur en/of andere inzittenden in het geding is gekomen. Hierbij wordt in voorkomende gevallen gehandeld volgens het incidentenprotocol van Avan.
Voor de berekening van de hiervoor bedoelde afstand wordt gebruik gemaakt van de ANWB-routeplanner. Bij de berekening wordt uitgegaan van de optie kortste route per fiets. Aan de hand van deze afstand wordt bepaald of voldaan wordt aan het afstandscriterium en of het de dichtstbijzijnde school betreft.
Bij het beoordelen van de aanvraag van een vervoersvoorziening vindt het vaststellen van de reistijd per openbaar vervoer plaats op basis van de informatie van de Reisinformatiegroep BV via telefoonnummer 0900-9292, de website www.9292.nl of de mobiele app van de Reisinformatiegroep BV op het moment van de beoordeling.
De reistijd per auto wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’.
De reistijd per aangepast vervoer wordt vastgesteld door gebruik te maken van de ANWB-routeplanner op www.anwb.nl. Hierbij wordt gekozen voor de routeplanner ‘auto’ en de optie ‘kortste route’ gemeten vanaf de woning dan wel de opstapplaats.
Wanneer een leerling vanwege herstel of revalidatie langer dan 3 maanden afhankelijk is van een rolstoel en/of krukken, kan het college een vervoersvoorziening verstrekken voor de duur van het herstel of de revalidatie. Dit geldt alleen wanneer de extra vervoerskosten niet bij een zorgverzekeraar of elders kunnen worden gedeclareerd.
4.6.4 Dichtstbijzijnde toegankelijke school
Kinderen van statushouders met een taalachterstand kunnen een jaar lang intensief taalonderwijs krijgen door middel van de zogenaamde schakelklassen. Dit taalonderwijs wordt zowel op het basis- als het voortgezet onderwijs (ISK) gegeven. In de uitvoering wordt onderscheid gemaakt tussen beide onderwijsvormen.
Wanneer een leerling voor primair onderwijs is aangewezen op taalonderwijs bij een voltijdschakelklas, merkt het college de school waarop het taalonderwijs wordt geboden aan als de dichtstbijzijnde toegankelijke school voor deze leerling. Het college kan een voorziening verstrekken voor vervoer van en naar deze school als voldaan wordt aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024.
Wanneer het om voortgezet onderwijs (ISK) gaat, hanteert het college het volgende: leerlingen die een school voor voortgezet onderwijs bezoeken komen slechts dan in aanmerking voor bekostiging van vervoer wanneer zij vanwege een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking niet of niet zelfstandig van het openbaar vervoer gebruik kunnen maken.
Wanneer leerlingen vanwege een verbouwing op een andere locatie worden opgevangen, is het niet automatisch zo dat alle leerlingen naar die locatie vervoerd worden. Per leerling zal opnieuw beoordeeld worden of er nog aanspraak gemaakt kan worden op een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024. Deze wijziging dient daarom door ouders aan het college te worden doorgegeven.
Volgt een leerling ook onderwijs op een zorg- of jeugdhulplocatie, dan kan het college een vervoersvoorziening verstrekken als aan de voorwaarden van de Verordening sociaal domein gemeente Overbetuwe 2024 wordt voldaan én als sprake is van onderwijs in de zin van de onderwijswetgeving. Bij locaties waar zowel onderwijs als zorg wordt verstrekt bestaat alleen aanspraak op leerlingenvervoer als het onderwijs deel meer dan 50% van de tijd omvat. Het college vraagt ouders dit aan te tonen via het overleggen van een ontwikkelingsperspectiefplan (OPP) en de beschikking voor het zorgdeel. Bij de toekenning van een vervoersvoorziening zijn de schooltijden leidend.
Alsde dichtstbijzijnde school niet toegankelijk is voor een leerling omdat er een wachtlijst bestaat, dient bekostiging plaats te vinden naar de eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school. De aanspraak op een vervoersvoorziening naar deze verder weg gelegen school blijft bestaan, zolang er een wachtlijst is voor de dichtstbijzijnde school. Bij de nieuwe aanvraag is het aan ouders om aan te tonen dat de wachtlijst nog bestaat. In de toekenningsbeschikking neemt het college op dat bekostiging van het leerlingenvervoer naar de verder weg gelegen school wordt verstrekt tot het moment dat de leerling op de dichtstbijzijnde school kan worden geplaatst, waarna de voorziening vervalt. Als ouders in aanmerking willen blijven komen voor een vervoersvoorziening op grond van de Verordening sociaal domein Overbetuwe 2024, dan is het nodig dat zij daarvoor een nieuwe aanvraag indienen. Deze toetst het college aan de voorwaarden van de verordening.
4.6.6 Vervoer naar opvangadres
Wanneer er aangepast vervoer wordt toegekend, verzorgt het college na schooltijd alleen vervoer van school naar een opvangadres, anders dan het woonadres of opstapplaats, in de volgende situaties:
Op verzoek van de ouders kan een vervoersvoorziening worden toegekend voor vervoer van een hoogbegaafde leerling naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool die voltijdonderwijs voor hoogbegaafden aanbiedt, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
De dichtstbijzijnde basisschool/voortgezet onderwijsschool heeft (nog) geen passend aanbod voor de hoogbegaafde leerling en de leerling moet meer dan zes kilometer reizen van de woning, het opvangadres dan wel de opstapplaats naar een voor hem eerstvolgende dichtstbijzijnde toegankelijke school die wel een passend voltijdaanbod op het gebied van hoogbegaafdheid aan de leerling kan bieden, en;
4.6.11 Extreme weersomstandigheden
Bij (verwachte) extreme weersomstandigheden beslist de vervoerder in overleg met het college of de route gereden kan worden, of eventueel op een ander tijdstip plaats moet vinden. De vervoerder geeft dit direct door aan de ouders.
Van ouders/verzorgers wordt geen begeleiding verlangd als
De ouder van een één-oudergezin kan aantonen dat de ouder het werk / inburgering niet langer kan uitoefenen als deze zorg moet dragen voor de begeleiding van zijn kind van en naar school. Hiervoor dient de ouder een werkgeversverklaring aan het college te overleggen, met een weekrooster en werktijden. Ook het volgen van een voltijdsopleiding door een ouder van een één-oudergezin, wordt door het college gelijkgesteld met werk / inburgering. In deze situatie dient de ouder een inschrijfbewijs en het lesrooster van de voltijdsopleiding aan het college te overleggen.
Er sprake is van een één-oudergezin en de ouder één of meerdere kind(eren), jonger dan 10 jaar uit hetzelfde gezin, tegelijkertijd naar een andere school moet brengen. Dan kan de leerling die moet reizen naar het speciaal (basis)onderwijs in aanmerking komen voor bekostiging van aangepast vervoer. De ouder maakt aan het college aannemelijk dat een andere oplossing (bijvoorbeeld het inschakelen van buren of familie of voor- en naschoolse opvang) niet mogelijk is.
4.6.17 Uitsluiting aangepast vervoer
Volgens het incidentenprotocol van de vervoerder onderneemt de gemeente in deze gevallen de volgende stappen:
Na melding van een incident door de vervoerder start de gemeente een onderzoek. In het kader van dat onderzoek spreekt de gemeente met de vervoerder/chauffeur, ouders/verzorgers en/of school. Afhankelijk van de ernst van het incident kan worden overgegaan tot uitsluiting van maximaal drie dagen (een zogenoemde afkoelperiode).
In geval van een ernstig gedragsgerelateerd incident kan de gemeente besluiten direct over te gaan tot uitsluiting zoals benoemd sub d. Hierbij gaat het om ernstig grensoverschrijdend gedrag, zoals bijvoorbeeld een situatie waarin een leerling of ouder/verzorger dreigt met geweld of feitelijk geweld gebruikt richting andere leerlingen of chauffeur/begeleiding.
Co-ouderschap is geen wettelijke term. Het college verstaat onder co-ouderschap het volgende: ouders, al dan niet gescheiden, die niet bij elkaar wonen, die hun kinder(eren) gezamenlijk verzorgen en opvoeden. Er is sprake van co-ouderschap als beide ouders in een regelmatige afwisseling de zorg voor hun kind(eren) hebben.
Als het inschakelen van een onafhankelijk deskundige zo lang in beslag zou gaan nemen, dat de leerling niet kan wachten op een eventuele voorziening, kan het college een tijdelijke voorziening toekennen. Hiervoor is het nodig dat het aannemelijk is dat er positief deskundig advies gegeven gaat worden. De tijdelijke voorziening wordt voor maximaal drie maanden verstrekt, dan wel bij een nieuw schooljaar uiterlijk tot de kerstvakantie.
4.7. Overige vormen van jeugdhulp
Ondersteuning die specifiek gericht is op het onderwijs en het leerproces valt onder de Wet passend onderwijs. Ondersteuning die niet gericht is op onderwijs, maar bijvoorbeeld op persoonlijke verzorging, valt wel onder de Jeugdwet. Huiswerkbegeleiding wordt niet vergoed vanuit de Jeugdwet, aangezien dit de verantwoordelijkheid is van ouders en school. Als begeleiding bij het plannen en structureren van huiswerk gericht is op het volgen van het onderwijsprogramma, valt deze ondersteuning onder de zorgplicht van de Wet passend onderwijs, niet de Jeugdwet.
4.7.2 Stage en voorbereiding op werk
Wanneer een jeugdige leerplichtig is en nog niet kwalificatieplichtig, moet hij of zij ingeschreven staan bij een school, die verantwoordelijk is voor passend onderwijs. Dit omvat ook de (extra) begeleiding die de leerling tijdens zijn of haar stage nodig heeft, zolang de leerling staat ingeschreven bij een school. De zorgplicht van de school geldt ook voor leerlingen die speciaal onderwijs volgen met een uitstroomprofiel groepsbegeleiding. Als deze leerlingen een stage willen lopen, zijn de kosten hiervan voor de school. Ondersteuning bij het verkrijgen van werk valt niet onder de Jeugdwet, maar kan mogelijk wel onder de Participatiewet vallen. Het simpelweg motiveren van jeugdigen voor school of werk valt niet onder de Jeugdwet, tenzij er onderliggende problemen zijn, zoals dyslexie, gedragsproblemen of depressie, waarvoor jeugdhulp kan worden ingezet.
Deelname aan sport ter ontspanning valt onder reguliere sportactiviteiten en komt niet in aanmerking voor jeugdhulpvoorzieningen. Als begeleiding tijdens sportactiviteiten nodig is (en deze de normale begeleiding door een sportinstructeur overstijgt), kan deze begeleiding in sommige gevallen wel als jeugdhulp worden gezien. Dit geldt wanneer de jeugdige opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen of stoornissen heeft waarvoor hulp nodig is. De begeleiding tijdens sportactiviteiten moet passend zijn voor jeugdigen met matige of zware beperkingen, gericht op het bevorderen of behouden van hun zelfredzaamheid of maatschappelijk functioneren. Er moet ook beoordeeld worden of deze vorm van recreatie (en dus de daarbij horende begeleiding) echt noodzakelijk is om te kunnen participeren, of dat deelname op andere manieren bereikt kan worden.
Jongerenwerkers bieden laagdrempelige ondersteuning aan jongeren in hun ontwikkeling naar volwassenheid door middel van contact, signalering, motivatie, opvoeding en activering. Zij werken samen met verschillende partners, zoals ouders, scholen, jeugdhulpinstanties, wijkteams en de politie. Voor activiteiten die vallen onder jongerenwerk wordt geen jeugdhulp voorzien. Jongerenwerk is een vrij toegankelijke voorziening die beschikbaar is voor alle jongeren in Overbetuwe.
4.7.6 Scheiding van wonen en zorg
Wanneer verblijf geen onderdeel is van de indicatie, mag er geen gemengde huur-/ondersteuningsovereenkomst worden afgesloten tussen de aanbieder en de jeugdige. Zo’n overeenkomst zou de jeugdige in een afhankelijkheidsrelatie brengen, waarbij hij of zij huisvesting kan verliezen als hij of zij van aanbieder verandert of als de aanbieder wordt aangesproken op de kwaliteit van de ondersteuning. Dit is in strijd met de wet. De jeugdige mag echter wel een woonruimte huren bij de aanbieder, maar dit moet in een zelfstandige huurovereenkomst geregeld worden, zodat huurbescherming kan worden ingeroepen.
Respijtzorg is een overkoepelende term voor diverse vormen van ondersteuning die ouders helpen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen. De Jeugdwet schrijft voor dat het college respijtzorg beschikbaar moet stellen voor jeugdigen die permanent toezicht nodig hebben. Permanent toezicht verschilt van regulier ouderlijk toezicht en kan betrekking hebben op:
De zorg voor de jeugdige blijft de wettelijke taak van ouders. Wanneer ouders het niet zelf kunnen organiseren, kunnen ze gebruik maken van de volgende algemene voorzieningen:
Als algemene voorzieningen niet voldoende aansluiten bij de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige, kunnen ouders gebruik maken van geïndiceerde of specialistische jeugdhulp, zoals:
Geïndiceerde respijtvoorziening kan niet worden ingezet wanneer passende hulp ook via andere voorliggende voorzieningen kan worden geboden. Respijtzorg kan uitsluitend ingezet worden voor ouders in de zin van de Jeugdwet.
5. Overige en tijdelijke regelingen
Het college kent aan ieder huishouden waarvan voor het betreffende kalenderjaar het burgerservicenummer van de meestverdienende partner is verstrekt aan het college op grond van artikel 78gg, vijfde lid, Participatiewet, ambtshalve de vaste tegemoetkoming voor dat kalenderjaar toe.
Het college kent de vaste tegemoetkoming over 2025 ook ambtshalve toe aan het huishouden, als:
Het college kent de vaste tegemoetkoming over de jaren 2026 en/of 2027 ambtshalve toe aan het huishouden, indien:
5.7 Doelgroep brede ondersteuning
Het college kan ook toegang tot brede ondersteuning verlenen aan een aanvrager die valt onder de personenkring van artikel 2.21, eerste en tweede lid, van de wet, maar geen inwoner is als er sprake is van een verhuizing, detentie of andere bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 2.21, derde lid, van de wet. De aanvrager wordt in dat geval gelijkgesteld met een inwoner.
5.9 Aanvraag brede ondersteuning
Als een inwoner bij de UHT heeft aangegeven in aanmerking te willen komen voor brede ondersteuning, ontvangt het college de contactgegevens van de inwoner via het gegevensportaal van de UHT. De datum van ontvangst van de gegevens via het gegevensportaal van de UHT wordt gelijkgesteld met het indienen van de aanvraag.
5.21 Warme overdracht van hulpverlening
Als de aanvrager bij de beëindiging van de brede ondersteuning de doelstelling uit het plan van aanpak niet heeft bereikt en het plan van aanpak niet expliciet in een overdracht naar reguliere ondersteuning voorziet, dan zorgt het college in samenspraak met de aanvrager alsnog voor een warme overdracht vanuit de brede ondersteuning.
6.1 Afwijken van de beleidsregels
Het college kan afwijken van een artikel in deze beleidsregels als toepassing daarvan tot een onvoorziene of onredelijke benadeling leidt. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de wetten of de Verordening sociaal domein, waar deze beleidsregels op zijn gebaseerd door het toepassen van deze artikelen juist niet worden gehaald.
De Beleidsregels Sociaal Domein gemeente Overbetuwe 2025 worden ingetrokken.
Een aanvraag die de inwoner heeft ingediend vóórdat deze beleidsregels waren vastgesteld en waarover de gemeente pas later een besluit neemt, handelt de gemeente af met toepassing van deze beleidsregels.
Besluiten van het college die zijn genomen met toepassing van de ingetrokken beleidsregels blijven in stand, tot het moment van heroverweging vanwege gewijzigde omstandigheden of de einddatum van het besluit.
Aldus besloten op 10 maart 2026
Burgemeester en wethouders,
de gemeentesecretaris
D.C. van Eeten
de loco-burgemeester,
W.H. Hol
Belanghebbende: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken
Bijzondere bijstand: bijstand die voorziet in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van bestaan, zoals bedoeld in artikel 35 van de Participatiewet.
Bovengebruikelijke hulp: hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat, en die wordt verstrekt wanneer de hulpbehoefte van de jeugdige of ouder (door bijvoorbeeld psychische of lichamelijke beperkingen) niet binnen de gebruikelijke hulp kan worden voorzien.
College: burgemeester en wethouders
Draagkracht: het gedeelte van het aanwezige inkomen en/of vermogen dat gebruikt moet om in de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt aangevraagd te voorzien.
Draagkrachtperiode: de periode waarover de financiële draagkracht van een belanghebbende wordt vastgesteld.
Eigen kracht: De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de meerderjarige inwoner, de jeugdige of de ouder(s) om zelf of met personen uit hun sociaal netwerk (familie, vrienden, mantelzorgers, etc.) de behoefte aan ondersteuning op te lossen.
Forfaitaire loonkostensubsidie: een loonkostensubsidie van 50% die wordt ingezet voor een periode van zes maanden
Gebruikelijke hulp: hulp die, gelet op de leeftijd van het kind en de omstandigheden van het gezin, van ouders, andere huisgenoten of gezagsdragers redelijkerwijs mag worden verwacht. Dit kan zowel fysieke hulp zijn (zoals voeding en hygiëne) als begeleiding bij de psychomotorische en sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind.
Gemeente: burgemeester en wethouders
Gezamenlijke huishouden: als twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Dit wordt in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en:
Gift: een ontvangen gift in natura met een onverplicht karakter of een financiële gift zonder terugbetalingsverplichting.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen
de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel e sub 1 noodzakelijk is, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is.
Jobcoach Overbetuwe: een jobcoach van de gemeente Overbetuwe die mensen met een arbeidsbeperking begeleidt op de werkplek.
Jongmeerderjarige: jongere in de leeftijd van 18 tot 21 jaar.
Kinderopvangorganisatie: een voorziening als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen en gevestigd in de gemeente Overbetuwe.
Kinderopvang: het bedrijfsmatig of anders dan om niet verzorgen, opvoeden en bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen van 0 jaar tot de eerste dag van de maand waarop het basisonderwijs voor die kinderen begint.
Kinderopvangtoeslag: een tegemoetkoming van het Rijk als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder h, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen in de kosten van kinderopvang.
LRK (Landelijk Register Kinderopvang): in het LRK staan de geregistreerde kinderopvangvoorzieningen weergegeven. Geregistreerd betekent dat de kinderopvangvoorzieningen zijn goedgekeurd door de gemeente en GGD en daarmee voldoen aan de wettelijke kwaliteitseisen.
Module Arbeidsmarkt en Participatie (MAP): een verplicht onderdeel binnen de B1- en Z-route inburgering gericht op het verkrijgen van
Nibud: Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting
Ouder: Gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder. Als het gaat om vervoer naar school worden pleegouders ook aangemerkt als ouder.
Participatie verklaringstraject (PVT): een verplicht onderdeel binnen de Wet Inburgering 2021 gericht op het kennismaken met de Nederlandse kernwaarden, rechten en plichten om zo volwaardig mee te kunnen doen in de maatschappij.
Sociaal netwerk: Tot het sociaal netwerk worden de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt gerekend, zoals mantelzorgers, buren, vrienden, (mede)leden van een vereniging, evenals digitale netwerken en online hulpbronnen die de betrokkenen kunnen ondersteunen bij de hulp en opvoeding van de jeugdige.
Verzorger(s): de bloed- of aanverwant in opgaande lijn of de adoptief- of pleegouder van een doelgroepkind.
Voorliggende voorziening: elke voorziening buiten de wet om waarop belanghebbende of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, om middelen te verwerven of om specifieke uitgaven te bekostigen.
Wajong: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Wec: Wet op de expertisecentra
Wmo: wet maatschappelijke ondersteuning 2015
Onder woonruimte wordt verstaan een gebouwde onroerende zaak voor zover deze als zelfstandige dan wel niet zelfstandige woning is verhuurd, dan wel een woonwagen of een standplaats, alsmede de onroerende aanhorigheden (art. 7:233 BW).
Een woonunit is een verplaatsbare unit die tijdelijk ingezet kan worden bij een inwoner en bijvoorbeeld kan dienen als extra woonkamer of slaapkamer met natte cel.
Wpo: Wet op het primair onderwijs
WSF: Wet studiefinanciering 2000
WTOS: Hoofdstuk 4 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Wvo: wet op het voortgezet onderwijs
Begripsomschrijvingen Hersteloperatie toeslagen
Deze beleidsregels verstaan onder:
Begripsbepalingen alleenverdienersproblematiek
Alleenverdieners(-problematiek): gehuwden/samenwonenden die door een samenloop van meerdere inkomstenbronnen geen of een te lage huur- en/of zorgtoeslag ontvingen, dan wel een terugvordering hebben gekregen van deze toeslagen. In uitzonderlijke gevallen kan het voorkomen dat de alleenverdienersproblematiek ook misgelopen kinderopvangtoeslag of kindgebonden budget betreft.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-125309.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.