Gemeenteblad van Capelle aan den IJssel
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2026, 125178 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek | Datum ondertekening |
|---|---|---|---|---|
| Capelle aan den IJssel | Gemeenteblad 2026, 125178 | ruimtelijk plan of omgevingsdocument |
Deze publicatie bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst. Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De publicatie wordt standaard getoond met verschilmarkering. Door te kiezen voor ‘Was’ of ‘Wordt’ kunt u de voormalige of vernieuwde tekst op zichzelf bekijken.
Toon versie van document
Dit document bevat verschilmarkering t.o.v. eerdere regelingtekst.
Tekst en afbeeldingen die worden toegevoegd zijn onderstreept en groen gemarkeerd, of van een groen kader voorzien. Tekst en afbeeldingen die worden verwijderd zijn doorgestreept en rood gemarkeerd, of van een rood kader voorzien.
De gemeenteraad van Gemeente Capelle aan den IJssel maakt bekend dat de wijziging van het omgevingsplan is vastgesteld.
De omgevingsplanwijziging ‘Oeverrijk’ heeft betrekking op het plangebied, gelegen tussen de Ringvaart, Kanaalweg, ’s-Gravenweg en het ’s-Gravenpark in Capelle aan den IJssel. Het gaat hier om een planologische wijziging van woningbouw naar ‘Groen-Landschap’. Daarmee brengen we de juridische bouw- en gebruiksmogelijkheden in lijn met de feitelijke situatie en de eerder beschreven wensen, onder andere uitgesproken in de motie vreemd ‘Geen woningbouw in Oeverrijk’. Ook versterken we de aanwezige cultuurhistorische en ecologische waarden. Daarnaast maken we het gebied beleefbaar door het toegankelijk te maken voor extensieve recreatie.
Het omgevingsplan Gemeente Capelle aan den IJssel wordt gewijzigd ten opzichte ontwerpbesluit vastgesteld zoals aangegeven in Bijlage A.
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het Gemeenteblad via www.officiëlebekenmakingen.nl, Het Kontakt: IJssel- en Lekstreek en de website van de Gemeente Capelle aan den IJssel. Dit besluit treedt in werking per 15‑04‑2026.
A
Na hoofdstuk 19 wordt een hoofdstuk ingevoegd, luidende:
B
Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
C
Artikel 21.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Deze paragraaf gaat over activiteiten in het Beperkingengebied lokale spoorweg op het maaiveld.
Deze paragraaf gaat over activiteiten in het beperkingengebied lokale spoorweg op het maaiveld.
D
Artikel 21.47 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
Het verbod, bedoeld in artikel 9.48 van het Besluit activiteiten leefomgeving, geldt binnen de buitenste beschermingszone lokale spoorweg niet voor:
grondroerende activiteiten, waarbij:
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter; of
de grondroeringsdiepte maximaal 15 meter is;
geen zetting plaatsvindt onder het spoor; en
in het geval van een drukleiding of drukvat, de erosiekrater of de lengte van de explosievlam maximaal 15 meter is;
bemalingen:
het bouwen en in stand houden van bouwwerken, het aanleggen, plaatsen, in stand houden of veranderen van werken die geen bouwwerken zijn en het plaatsen en het in stand houden van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
de object- of bouwhoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg kernzone lokale spoorweg; en
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg kernzone lokale spoorweg;
het planten, in stand houden, onderhouden of verwijderen van bomen en andere groenvoorzieningen, waarbij:
de hoogte op het moment van planten, onderhouden of verwijderen maximaal 15 meter is; en
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg kernzone lokale spoorweg;
het slopen van bouwwerken of het verwijderen van objecten, anders dan bomen of andere groenvoorzieningen, waarbij:
de object- of bouwhoogte maximaal 15 meter is of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg kernzone lokale spoorweg; en
het te gebruiken materieel een reikhoogte of reikwijdte heeft van maximaal 15 meter of kleiner is dan de afstand tot de rand van de Kernzone lokale spoorweg kernzone lokale spoorweg.
E
Na titel 21.2 wordt een titel ingevoegd, luidende:
De regels in deze titel zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Oeverrijk.
Begripsbepalingen die, op de dag van de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn opgenomen in de bijlage
bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken
leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de
Omgevingsregeling, zijn van toepassing op deze afdeling.
In aanvulling op het eerste lid gelden voor titel 21.3 de volgende begripsbepalingen:
Gebiedseigen beplanting: beplanting die van nature en vanuit cultuurhistorie voorkomt binnen het plangebied, zoals: hoogstamvruchtbomen, leilinden, wilgensoorten, els, populier, kastanje, es, eik, beuk, veldesdoorn, liguster.
Groenvoorziening: ruimten in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen, bermen en open speelplekken, met de daarbij behorende sloten, vijvers en daarmee gelijk te stellen wateren en ondergrondse infrastructurele voorzieningen.
Houtgewas: bomen, struiken, cactussen of doorlevende klimplanten (zoals druiven).
Kunstobject: uiting van de beeldende kunsten in de vorm van een bouwwerk, geen gebouw of overkapping zijnde.
Kunstwerk: bouwwerken ten behoeve van verkeersdoeleinden, zoals viaducten, alsmede bouwwerken ten behoeve van de waterhuishouding, zoals dammen, duikers, sluizen, beschoeiingen, remmingswerken, niet zijnde steigers.
Landschapselementen: zijn de bouwstenen die samen de structuur van het landschap bepalen.
Landschapswaarde: de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van het aardoppervlak, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet-levende natuur.
Peil: voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouw zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
Verharden: verharding waarbij sprake is van een massieve toplaag zoals asfalt, beton, of verhardingen van al dan niet gebonden elementen zoals tegels, klinkers en grind.
Waterhuishoudkundige voorzieningen: voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, hemelwaterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan gedacht worden aan duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten et cetera.
In deze titel gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:
dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.
de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen zoals schoorstenen, antennes en naar aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.
de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.
de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.
het bebouwingspercentage: een in het plan aangegeven percentage van het bouwvlak, gerekend per bouwperceel dat ten hoogste mag worden bebouwd.
breedte van een gebouw: grootste uitwendige afstand in een rechte lijn tussen de zijgevels.
Degene die een activiteit zoals aangewezen in deze titel verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de oogmerken, met het oog waarop de regels zijn gesteld, is verplicht:
alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;
voor zover deze niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken;
als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten, voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.
Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in deze titel.
Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze titel, tenzij anders is bepaald.
Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.
Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.
Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.
Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.
Gebruiksactiviteiten die in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde activiteiten in deze afdeling zijn verboden, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.
Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) alsmede aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (m.e.r.-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een milieueffectrapportage is opgesteld in het kader van het omgevingsplan.
Gebruiksactiviteiten die op grond van deze titel niet zijn toegestaan - rechtstreeks dan wel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.
Bouwactiviteiten zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze passen binnen de gebruiksactiviteiten zoals omschreven in deze regels.
Indien op de verbeelding ter plaatse van een locatie maatvoeringsaanduidingen of omgevingsnormen zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse van deze locatie gegeven maximum-, minimum-, verplichte dan wel andere maten.
Voor een locatie waar geen maatvoeringsaanduidingen op de verbeelding zijn opgenomen, mag uitsluitend worden gebouwd met inachtneming van de eventueel in de regels opgenomen maten of omgevingsnormen, die van toepassing zijn op de betreffende locatie.
Deze afdeling bevat regels voor het gebied Groen-Landschap - Oeverrijk.
Ter plaatse van de locatie Groen-Landschap - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:
weilanden;
gebiedseigen beplantingen en andere gebiedseigen vegetatie, zoals opgenomen in de begripsbepaling gebiedseigen beplanting;
de instandhouding van natuurlijke en/ of cultuurhistorisch en/ of landschappelijk waardevolle landschapselementen en kavelstructuren;
bij deze activiteit behorende voorzieningen zoals, onverharde paden, kunstobjecten, water ten behoeve van de wateraanvoer en -afvoer, waterberging en bruggen met open relingen.
Schuilhutten zijn toegestaan, mits ze voldoen aan de volgende beoordelingsregels:
per kavel mag 1 schuilhut worden gebouwd;
de oppervlakte van een kavel waarop een schuilhut wordt gebouwd dient ten minste 2.000 m² te bedragen;
het grondoppervlak van een schuilhut mag ten hoogste 10 m² bedragen;
de schuilhut dient minimaal 20 meter uit de as van de weg te worden gesitueerd;
de schuilhut dient op 5 meter vanaf de kant sloot en evenwijdig aan de sloot te worden gesitueerd;
de bouwhoogte van een schuilhut mag ten hoogste 3 meter bedragen.
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels:
Het is verboden op de in Groen-Landschap - Oeverrijk bedoelde gronden ter waarborging van het landschappelijke karakter van het plangebied zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:
het vellen of rooien van landschapselementen en ander houtgewas;
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;
het verrichten van grondroeractiviteiten, bijvoorbeeld het aanbrengen van rioleringen, kabels, leidingen en drainage, anders dan normaal spit- en ploegwerk;
diepploegen vanaf 0,50 meter;
het aanbrengen van verhardingen;
het aanleggen van waterlopen of het vergraven, verruimen of dempen van bestaande waterlopen.
De vergunningplicht zoals bedoeld in artikel 21.65 is niet van toepassing op de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden:
De in artikel 21.65 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het behoud, herstel en ontwikkeling van de in artikel 21.61 genoemde waarden en gebruik.
Deze afdeling bevat regels voor het gebied Water - Oeverrijk.
Ter plaatse van de locatie Water - Oeverrijk zijn de volgende activiteiten en voorzieningen toegestaan:
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde gelden in aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 de volgende beoordelingsregels:
Deze afdeling bevat regels over de gebieden met te beschermen waardes.
Artikel 21.73 Toepassingsbereik archeologische waarden
Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden.
Artikel 21.74 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 1 - Oeverrijk te bouwen.
Artikel 21.75 Uitzondering vergunningplicht
De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.74 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 100 m² beslaan.
Artikel 21.76 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.77 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.74 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 21.78 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 100 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:
grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
Artikel 21.79 Uitzondering vergunningplicht
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
Artikel 21.80 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen.
Artikel 21.81 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.78 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 21.82 Toepassingsbereik archeologische waarden
Ter plaatse van de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk hebben de regels betrekking op het behoud van de archeologische waarden.
Artikel 21.83 Aanwijzing vergunningplicht bouwen binnen archeologische waarden
Het is verboden zonder omgevingsvergunning op de locatie Waarde - Archeologie 2 - Oeverrijk te bouwen.
Artikel 21.84 Uitzondering vergunningplicht
De vergunningplicht zoals opgenomen in artikel 21.83 geldt niet voor het bouwen van bouwwerken met een oppervlakte en/of dieptematen die minder diep reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak kleiner dan 200 m² beslaan.
Artikel 21.85 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
In het belang van de archeologische monumentenzorg dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen een rapport aan het bevoegd gezag te overleggen van een archeologisch deskundige waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van dat bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld.
Artikel 21.86 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.83 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
Artikel 21.87 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
In het belang van de archeologische monumentenzorg is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de hierna genoemde werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden uit te voeren of te doen c.q. te laten uitvoeren die dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlak groter dan 200 m² beslaan. Het vergunningvereiste betreft de volgende werken c.q. werkzaamheden:
grondbewerkingen (van welke aard dan ook);
het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
het indrijven van voorwerpen in de bodem;
het wijzigen van het maaiveldniveau door ontginnen, bodemverlagen, afgraven;
het ingraven van ondergrondse kabels en leidingen en daarmee verband houdende constructies e.d.;
het aanleggen van waterlopen of het vergraven van bestaande waterlopen.
Artikel 21.88 Uitzondering vergunningplicht
Het omgevingsvergunningvereiste geldt niet voor bedoelde activiteiten gericht op het normale onderhoud en beheer van de betreffende gronden en welke in uitvoering waren ten tijde van inwerkingtreding van deze omgevingsplanwijziging en evenmin voor bestaande weg- en leidingcunetten.
Artikel 21.89 Beoordelingsregel vergunning archeologische waarden
De omgevingsvergunning wordt verleend, indien daardoor de aanwezige archeologische waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen, dient de aanvrager van de omgevingsvergunning aan het bevoegd gezag hieromtrent een rapport van een archeologisch deskundige te overleggen.
Artikel 21.90 Vergunningvoorschriften
Aan de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 21.87 kunnen in ieder geval de volgende voorschriften worden verbonden:
de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
de verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek;
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
F
Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
/join/id/regdata/gm0502/2025/9919e438dd584ab7bc9a3e5e1c17e6ae/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2025/93085dffa4c349a9bbdb9667fa9ab0e4/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2025/6d97b93b512143b6bf8e8828406d5fda/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2025/6c61c323fd114a5d920a0a1b10c53dd7/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2024/c3374d18431d468dbb7c8d622594e304/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2025/979fd5ef55b54058909673287fe0ff9a/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2024/92166ef49be843f28cfd42c14a7a3241/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2026/8475ea77af7548fd9f4421c78100abc8/nld@2026‑03‑16;09134788
/join/id/regdata/gm0502/2024/4d4705c5ba674fb39d13336ca0a2fa6d/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2024/a8b8da9b5ec641208f397142a3ea4101/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2025/8aaa097f5f2b4743a352f39da61368be/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2025/a22c377bec8a48f19de1893181dd1a98/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2024/383668ba48d14c8ab7a2882b8d58dca0/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2024/98a31089732846c3bb38759f6f7db8fe/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2025/8f8b9d05f4d24a159c6ae8e37d1f1e8b/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2025/be55f8a3687e45c4b5d42df65377dca0/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2026/95960674a59a4280816f359827426fd3/nld@2026‑03‑16;09134788
/join/id/regdata/gm0502/2024/de042a1208fd4f22955b55b035669dea/nld@2026‑01‑05;09441535
/join/id/regdata/gm0502/2026/e5f506dc86364d0ebd32334b30116118/nld@2026‑03‑16;09134788
/join/id/regdata/gm0502/2026/3cf16f88f5d04e29b4fe6f91dd6a5caa/nld@2026‑03‑16;09134788
/join/id/regdata/gm0502/2024/d54fd944d1ae4e8ca083f29d0f74d615/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2026/56fd4e3032664c07b063b061f4e1051c/nld@2026‑03‑16;09134788
/join/id/regdata/gm0502/2024/45006f66888d478fabba0bae7870517a/nld@2025‑06‑11;16395696
/join/id/regdata/gm0502/2025/8e4f907ab2b94d18acc98cb8459010a7/nld@2025‑06‑11;16395696
De wens is om het plangebied ‘Oeverrijk’ tussen de Ringvaart, Kanaalweg, ’s-Gravenweg en het ’s-Gravenpark te Capelle aan den IJssel te formaliseren tot natuur, ook wel groenzone. De ambitie is om de aanwezige natuurwaarden van dit stuk grond te behouden en te versterken. Daarnaast is het de wens om het gebied
toegankelijk te maken voor het recreatief gebruik in combinatie met het versterken van de ecologische potentie van het gebied. Het doel is om het huidige gebruik, evenals het toekomstige gebruik, te formaliseren door in het omgevingsplan de mogelijkheden vast te leggen dat het betreffende plangebied een ‘groen(zone)’ is.
Het plangebied bestaat uit de kadastrale perceel, gemeente Capelle aan den IJssel, sectie A, nummers 7335 en 7336 (ged.) gemeente Capelle aan den IJssel. Het totale perceeloppervlakte bestaat uit 50.860 m2. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door water. Aan de west- en zuidzijde bevinden zich woningen. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een kleinschalig bedrijventerrein genaamd ‘Kanaalwegzone’.
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan (verder te noemen: omgevingsplan) bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen en de bruidsschat. Hierna wordt per activiteit de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Op dit moment geldt voor het plangebied het omgevingsplan ‘Bestemmingsplan Schollebos
e.o.’ dat op 25 juni 2013 is vastgesteld door de gemeenteraad van Capelle aan den IJssel.
Figuur 1.2 toont een uitsnede van het vigerende Bestemmingsplan ‘Bestemmingsplan Schollebos e.o.’ met de betreffende percelen rood omkaderd. Op grond hiervan heeft het plangebied de volgende bestemmingen:
• ‘Woongebied’
• ‘Waarde – Archeologie 1’
• ‘Waarde - Archeologie 2’
• ‘Water’
• Verschillende vastgestelde bouwvlakken
Tevens gelden er diverse maximum bouwhoogtes en de bouwaanduiding ‘gestapeld’ in het plangebied.
In het verleden is het vigerend bestemmingsplan gemaakt om woningbouw mogelijk te maken binnen het plangebied. In verband met de zwakke bodemgesteldheid en hoge grondwaterstand is de realisatie van een woongebied niet tot stand gekomen. Voor de ontwikkeling van het woningbouwplan is in juli 2021 een motie ‘kwaliteit Landelijk Capelle volgens plan’ aangenomen waarin aan het college is gevraagd om eerst een gebiedspaspoort
op te stellen. In maart 2022 is door de raad een nieuwe motie ‘geen woningbouw op Oeverrijk’ aangenomen, waarin is opgenomen dat voor het huidige plangebied een planologische procedure moet worden doorlopen om de woningbouw niet meer mogelijk te maken en de aanwezige waarden te beschermen.
De moties zijn tevens als bijlage opgenomen bij deze motivering. Met voorliggend omgevingsplan is de gemeente voornemens de feitelijke situatie, namelijk het gebruik als natuur, ook juridisch-planologisch te borgen en de woningbouwmogelijkheden weg te bestemmen.
Overige bestemmingsplannen
Ter plaatse geldt tevens het ‘Parapluplan Wonen’ (d.d. 14 november 2022) en het ‘Parkeren Capelle aan den IJsel’ (d.d.12 februari 2024). De regels van deze parapluplannen zijn niet relevant op onderhavige wijziging van het omgevingsplan. De regels hieruit zullen bij het van kracht worden van dit wijziging omgevingsplan ook niet meer van toepassing zijn binnen het plangebied.
De onderhavige motivering dient als onderbouwing van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de beoogde situatie nader beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Afgesloten wordt met hoofdstuk 5 waarin de focus ligt op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Het plangebied is momenteel onbebouwd. In de loop der jaren heeft Oeverrijk diverse invullingen gehad. Als weide, glastuinbouwgebied maar ook als baggerdepot. Voorheen waren er in het plangebied plannen voor het realiseren van een nieuwbouwwoningen. In verband met de zwakke bodemgesteldheid en hoge grondwaterstand is de realisatie van een woongebied niet tot stand gekomen. Voor de ontwikkeling van het woningbouwplan is in juli 2021 een motie ‘kwaliteit Landelijk Capelle volgens plan’ aangenomen waarin aan het college is gevraagd om eerst een gebiedspaspoort op te stellen. In maart 2022 is door de raad een nieuwe motie ‘geen woningbouw op Oeverrijk’ aangenomen, waarin is opgenomen dat voor het huidige plangebied een planologische procedure moet worden doorlopen om de woningbouw niet meer mogelijk te maken en de aanwezige waarden te beschermen. De moties zijn tevens als bijlage opgenomen bij deze motivering.
Er is in het gebied een kleinschalige afwisseling te vinden van rietland, ruigte, struweel, natuurlijke oeverzones en bloemrijk grasland. Het plangebied betreft één van de weinige plekken binnen de gemeente waar, na de inpoldering, geen fysieke ingrepen hebben plaatsgevonden. Het betreft daarmee een restant van het oorspronkelijke veenweide landschap, dat hier nog in oorspronkelijke maat en schaal beleefbaar is. Door de ligging tussen de Schravenweg en Ringvaart, gecombineerd met een deel van de historische watergang de Mient is voor Capelle een uniek cultuurhistorisch waardevol gebied.
Op dit moment vindt op een aantal stukken land begrazing met schapen plaats en is het niet toegankelijk voor het publiek. Dit zorgt er samen met de geïsoleerde liggen voor dat het gebied vrij extensief beheerd is. Door dit extensieve beheer hebben diverse natuurtypen zich spontaan kunnen ontwikkelen. De kleinschalige afwisseling tussen verschillende natuurtypen maakt dat de huidige ecologische waarde al hoog is, mede door het rustige karakter van het gebied. Er komen voor Capelle nu al unieke soorten voor, bijv. bepaalde soorten rietvogels. Uit ecologisch potentie-onderzoek is gebleken dat dit gebied ook een unieke locatie is/kan zijn voor veel andere (beschermde) vogels, insecten, vlinders en kleine zoogdieren.
Beoogd wordt om het plangebied, gelegen tussen de Ringvaart, Kanaalweg, ’s-Gravenweg en het ’s-Gravenpark in Capelle aan den IJssel, formeel te bestempelen als natuurgebied. De ambitie is om de aanwezige cultuurhistorische en ecologische waarde te versterken en het gebied beleefbaar te maken door het gebied
toegankelijk te maken voor extensieve recreatie en het versterken van de ecologische waarde.
Op het gebied van ecologie is het uitgangspunt om de natuurwaarden die de afgelopen jaren spontaan zijn ontstaan te behouden en te versterken. Er is voorzien in een afwisseling tussen (bloemrijk) grasland, rietland, oeverzones en ruigte met struweel. Hoge bomen worden bewust niet toegevoegd om de openheid van het oorspronkelijke landschap te behouden. De meest noordelijke slag biedt de mogelijkheid voor meer intensieve recreatie/gebruik, mits de afbreuk aan de ecologische en cultuurhistorische waarde beperkt blijft.
Er wordt overwogen om op de meest oostelijke slag een vlonderpad aan te leggen. De andere slagen zullen enkel via onverharde (klompen) paden bereikbaar zijn, zodat recreatie optimaal mogelijk is. Het doel is om zowel het huidige als het toekomstige gebruik te formaliseren door in het omgevingsplan vast te leggen dat het gebied een ‘natuurzone’ is.
Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de
inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.
Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:
• een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
• over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
• een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
2. duurzaam economisch groeipotentieel;
3. sterke en gezonde steden en regio’s;
4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren, dit is echter niet altijd mogelijk. In die gevallen dienen belangen te worden afgewogen. Hiervoor gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies te vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming n ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere.
3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze samenleving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Doorwerking plangebied
Hoewel de NOVI geldend is voor het gehele Nederlandse grondgebied, is er geen sprake van directe doorwerking
in het plangebied. Gelet op de aard en locatie van de ontwikkeling zijn er geen nationale belangen in
het geding. Afwegingen met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen dienen in dat geval te worden gemaakt
op gemeentelijk niveau.
Het Bkl bevat instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties voor onder andere de volgende hoofdonderwerpen:
• Algemene bepalingen (paragraaf 5.1.1 Bkl);
• Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2 Bkl);
• Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3 Bkl);
• Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4 Bkl), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
• Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5 Bkl), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
• het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6 Bkl) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
• het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7 Bkl), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
• het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8
Bkl).
Het doorlopen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking is verplicht voor iedere ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’, op grond van artikel 5.129g lid 1 van het Bkl. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandel
voorziening, of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
In artikel 5.129g Bkl staat geen ondergrens genoemd. Op basis van vaste jurisprudentie wordt gesteld dat bij woningbouw een plan vanaf 12 woningen een nieuw stedelijke ontwikkeling is. Voor alle andere stedelijke functies wordt een oppervlakte van 500m² BVO aangehouden als ondergrens.
Daarnaast is een vereiste dat het moet gaan om een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dit wordt beoordeeld aan de hand van het nieuw beslag op de ruimte die met de stedelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt of wanneer wordt voorzien in een functiewijziging.
Doorwerking plangebied
De wijziging voorziet alleen in een planologische wijziging die de huidige situatie formaliseert, zonder enige
ruimtelijke aanpassingen. Derhalve is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De ladder voor
duurzame verstedelijking hoeft niet te worden doorlopen.
Provincie Zuid-Holland heeft haar beleid en regelgeving vastgelegd in een omgevingsvisie, een omgevingsverordening en het Programma Ruimte. De omgevingsvisie bevat het strategische beleid voor de fysieke leefomgeving. Het ruimtelijk relevante operationele beleid is opgenomen in het Programma Ruimte. De verplichtingen die gelden voor ruimtelijke plannen van de provincie of lagere overheden zijn opgenomen in een omgevingsverordening.
Op 20 april 2019 is het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland in werking getreden. Het omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie Wijziging omgevingsplan Oeverrijk en de Omgevingsverordening. Daarnaast zijn in het Omgevingsbeleid operationele doelstellingen opgenomen, zodat zichtbaar is hoe de provincie zelf invulling geeft aan de realisatie van haar beleid. Deze operationele doelstellingen maken onderdeel uit van verschillende uitvoeringsprogramma’s en –plannen, zoals het programma Ruimte en het programma Mobiliteit. Met het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Uit de provinciale opgaven worden samenhangende beleidskeuzes gemaakt, die doorwerken naar uitvoeringsprogramma’s en naar regels in de verordening. De ruimtelijke hoofdstructuur maakt met een integraal kaartbeeld inzichtelijk hoe de strategische beleidskeuzes uit de Omgevingsvisie ruimtelijk samenkomen.
Doorwerking plangebied
De wijziging voorziet alleen in een planologische wijziging die de huidige situatie formaliseert, zonder enige ruimtelijke aanpassingen. Er wordt een ‘natuurzone’ opgenomen in plaats van de huidige bestemming ‘Woongebied’. Ter afwijking hiervan is een planologisch wijziging nodig van het bestemmingsplan. Er worden verder geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt. Gezien de aard en ligging van het project, zijn met deze wijziging geen provinciale belangen aan de orde.
De Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland visie is Geldend vanaf 1 mei 2024 en door de Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsvisie Zuid-Holland is het provinciaal beleidsplan van de fysieke leefomgeving. De Zuid-Hollandse leefomgeving verbeteren, elke dag, dat is waar de provincie aan werkt. De Omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn voor de gehele fysieke leefomgeving en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid van de provincie Zuid-Holland. De omgevingsvisie wordt bekrachtigt door acht sturingsprincipes voor de fysieke leefomgeving: opgavegericht, provinciaal belang, netwerkaanpak, maatwerk, uitgaan passend schaalniveau, ruimte voor differentiatie, lever meerwaarde en effectiever en betrouwbaar.
Deze principes geven sturing aan de volgende ambities voor de toekomst. Met de zeven ambities maakt de provincie ruimte voor belangrijke ontwikkelingen rond participatie, bereikbaarheid, energie, economie, natuur, woningbouw en gezondheid en veiligheid. Zeven vernieuwingsambities laten zien waar Zuid-Holland
naartoe wil:
1. Samen werken aan Zuid-Holland
2. Bereikbaar Zuid-Holland
3. Schone energie voor iedereen
4. Een concurrerend Zuid-Holland
5. Versterken natuur in Zuid-Holland
6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland
7. Gezond en veilig Zuid-Holland
Punt 5 ‘Versterken natuur in Zuid-Holland’ is een relevant punt voor de beoogde ontwikkeling. Zuid-Holland is veelzijdig: de combinatie van het kenmerkende kust-, veenweide- en rivierdeltalandschap met de tussenliggende verstedelijking en bedrijvigheid maakt de provincie uniek. Zuid-Holland is echter ook een dichtbevolkte provincie waar de kwaliteit van de natuur en de leefomgeving onder druk staan.
Zorg voor die natuur en leefomgeving is van groot belang. De provincie wil immers dat de inwoners van Zuid-Holland kunnen wonen, werken en recreëren in een prettige en aantrekkelijke leefomgeving, met directe toegang tot hoogwaardig groen, erfgoed en water. Natuur is daarbij onmisbaar en staat zwaar onder
druk. Als het natuurlijk systeem op orde is, schept dat ruimte voor een gezond woonklimaat en bedrijvigheid.
Doorwerking plangebied
Met de beoogde ontwikkeling wordt een natuurgebied met cultuurhistorische waarde behouden waarmee de natuur wordt versterkt. Het openstellen van het natuurgebied zal een aantrekkelijke leefomgeving versterken door directe toegang tot hoogwaardig groen te verstrekken. Het plan is lokaal van aard en is niet in strijd met de uitgangspunten van de Omgevingsvisie. Er worden verder geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt.
In de Stadsvisie staan de belangrijkste ambities en richting voor de toekomst van Capelle aan den IJssel. De Stadsvisie is op 27 september 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De Stadsvisie vormt een brede toekomstvisie op de leefomgeving voor Capelle gericht op ruimte, maatschappij en veiligheid. Het
geeft een antwoord op hoe Capelle er in 2040 uit ziet en wat voor soort gemeente Capelle aan den IJssel wilt zijn. Hierbij worden de volgende punten toegelicht:
1. Identiteit en kwaliteit: Van groeikern naar Stadsdorp
2. Dorps Capelle: Veerkrachtige Capellenaren in leefbare en veilige buurten
3. Stads Capelle: Nabijheid en hoogwaardige voorzieningen
4. Groen en waterrijk Capelle: Voor een prettige, gezonde en sociale omgeving
5. Hoe werken we samen in Capelle? Werken met het oog op de toekomst
Punt 4 ‘Groen en waterrijk Capelle’ is bijzonder toepasbaar op de beoogde ontwikkeling. Capelle aan den IJssel is een groene en waterrijke omgeving, de rustige, dorpse en groene kwaliteit van de buurten is kenmerkend voor de omgeving. Niet elke wijk kan beschikken over de nabijheid van voldoende groen en water.
Hierbij streeft de gemeente om de potentie van tuinen, gevels en daken benut kan worden. Gemeente Capelle aan den IJssel draagt dan ook haar visie uit: ‘het groen-blauwe raamwerk als drager’. De aanwezigheid van groen en blauw heeft een positieve invloed op de gezondheid en welbevinden van de inwoners, als de
fysieke inrichting van de leefomgeving leidt tot spelen, sporten, bewegen, ontspannen en elkaar ontmoeten. De leefomgeving is als een instrument voor een prettige, gezonde en sociale omgeving. De inrichting en het onderhoud van de leefomgeving vraagt daardoor extra aandacht. De kwaliteiten van de leefomgeving kunnen nog optimaler benut worden als recreatie en ontmoeting gestimuleerd wordt. Een buitenruimte die van hoge kwaliteit is, draagt bij aan het sociaal en maatschappelijk kapitaal van de stad. Het groen-blauwe raamwerk is drager van een aantal belangrijke kansen voor Capelle:
• Voor een gezonde en leefbare omgeving;
• Voor een duurzame leefomgeving waar de gevolgen van klimaatverandering opgevangen kunnen worden;
• Voor het verplaatsen en verbinden van mensen en plekken.
Doorwerking plangebied
De beoogde ontwikkeling versterkt het groene en waterrijke karakter van de omgeving. De beoogde ontwikkeling is in lijn met het vierde punt van de Stadsvisie, ‘Groen en waterrijk Capelle’. Capelle staat bekend om zijn rustige, groene buurten en de integratie van groen en water in het dagelijks leven. Het creëren van een
toegankelijk groen- en watergebied dat ruimte biedt voor recreatie draagt bij aan de gezondheid, het welzijn en de sociale interactie van de bewoners, zoals wordt benoemd in de Stadsvisie.
Daarnaast wordt het groen-blauwe raamwerk van Capelle als drager van belangrijke kansen benadrukt, waaronder het bevorderen van een gezonde en duurzame leefomgeving. Door de ontwikkeling van dit gebied kan de gemeente de potentie van het gebied optimaal benutten voor recreatie en ontmoeting, wat bijdraagt aan het sociaal en maatschappelijk kapitaal van de stad.
Dit initiatief past binnen de lijn van de identiteit en kwaliteit van gemeente Capelle aan den IJssel. Het gebied, gelegen tussen de Bermweg en ’s-Gravenweg binnen het karakteristieke slagenlandschap. Het plan wil juist dit unieke deel landschap met cultuurhistorische waarde behouden en versterken.
De beoogde ontwikkeling is in lijn met de stadsvisie.
Onderdeel van de beoordeling of een aanvraag om een wijziging omgevingsplan volledig is, is een toets aan de regels over een milieueffectrapportage op basis van paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit.
Of een besluit over een project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig is, wordt bepaald op basis van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Bijlage V bij het Omgevingsbesluit heeft als ingang (eerste kolom) de omschrijving van projecten waarvoor
een m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. In kolom 4 zijn de besluiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-(beoordelings) plicht geldt. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend. In dit geval is dat de omgevingsvergunning. Daarnaast kan de m.e.r.-(beoordelings)plicht nog gelden voor enkele bijzondere besluiten uit andere wetten, zoals de vergunning op basis van de Kernenergiewet.
Of er voor het besluit een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, geldt een m.e.r.-plicht. Anders geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht, tenzij ook in kolom 3 nog voorwaarden staan.
Of een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft, wordt beoordeeld door het bevoegd gezag. Bij de beoordeling houdt het bevoegd gezag rekening met:
a. de relevante criteria van bijlage III bij de m.e.r.-richtlijn;
b. voor zover relevant: de resultaten van eerder uitgevoerde controles of andere beoordelingen van milieueffecten die op grond van verordeningen, richtlijnen en besluiten als bedoeld in artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn verkregen.
Een initiatiefnemer die voornemens is een project uit te voeren deelt dit voornemen zo spoedig mogelijk mee aan het bevoegd gezag (artikel 16.45 Omgevingswet). Deze mededeling kan plaatsvinden door middel van een aanmeldnotitie.
Als een project, die voorkomt in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit, aanzienlijke milieueffecten heeft moet een initiatiefnemer dit melden bij het bevoegd gezag. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om stedelijke ontwikkelingsprojecten, zoals een woningbouwplan. Gezien de aard en de schaal van de wijziging van het omgevingsplan, is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een argumentatie hiervoor is als volgt:
• Er wordt geen nieuwe functie mogelijk gemaakt.
• Het project is gelegen in een stedelijke omgeving.
• Er zijn beperkte milieugevolgen van dit project, als is aangetoond met deze ruimtelijke motivering.
• De aard van het project (formaliseren natuur functie) heeft geen ruimtelijke impact.
Er is geen verder toetsing nodig aan de mer-regelgeving.
Een toename of wijziging van functies kan gevolgen hebben voor de verkeersgeneratie en de parkeerbehoefte van de functies binnen het plangebied. Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen waarbij hiervan sprake is moet voldoende parkeergelegenheid aanwezig zijn. Ook moet rekening gehouden worden met de verkeersdrukte en –veiligheid. De parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie dient in beeld te worden gebracht aan de hand van de CROW Parkeerkencijfers 2024 en het vigerende gemeentelijke parkeerbeleid de ‘Nota Parkeernormen 2020’.
Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Deze wijziging heeft daarmee geen directe invloed op huidige verkeerskundige situatie. Er is geen sprake van een verkeersgeneratie of toename van parkeerbehoefte.
Omgevingsveiligheid heeft betrekking op de mogelijkheden een brand, ramp of crisis te voorkomen, te beperken en te bestrijden. Het beschermen van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van risicovolle activiteiten is cruciaal. Daarnaast is het beperken van schade aan de fysieke leefomgeving bij een
ongeval van een risicovolle activiteit van groot belang. De instructieregels van het Rijk hiervoor zijn vastgelegd in het Bkl en het Bal.
Risicobronnen
Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen die risicobronnen vormen.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans per jaar dat één persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof. De grenswaarde voor het plaatsgebonden risico moet in acht genomen worden.
Groepsrisico, aandachtsgebieden en voorschriftengebieden
Het groepsrisico gaat over de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied (artikel 5.15, lid 1 Bkl). Voor beperkt kwetsbare, kwetsbaar en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties binnen een aandachtsgebied moet het bevoegd gezag het groepsrisico verantwoorden.
De provincie Zuid-Holland heeft in de ZHOV geen instructieregels ten aanzien van omgevingsveiligheid opgenomen. In het omgevingsplan zijn wel regels opgenomen ten aanzien van omgevingsveiligheid. Deze regels zijn opgenomen in paragraaf 22.2.7.3 ‘Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan’ en in paragraaf 22.3.26 ‘Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten’.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er zullen geen ruimtelijke aanpassing gedaan worden waardoor het groepsrisico niet zal toenemen ten opzichte van de huidige vigerende situatie. Bovendien wordt er met de beoogde ontwikkeling juist geen gevoelige functie gerealiseerd.
Volledigheidshalve zijn omliggende risicobronnen wel beschouwd. Figuur 4.1 weergeeft een uitsnede van de Atlas Leefomgeving ter plaatse het plangebied. Het plangebied bevindt zich in het gifwolk aandachtsgebied van Barge Center Waalhaven B.V. en nabij een opslag brandbare vloeistof. Echter, binnen het plangebied
zal er geen ‘verblijfsfunctie’ aanwezig zijn. Nadere toetsing op dit aspect is derhalve niet aan de orde.
Geluid kan van grote invloed zijn op het woon- en leefklimaat van mensen en op hun gezondheid. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Het Besluit kwaliteit leefomgeving
(Bkl) bevat geluidsregels die via het omgevingsplan zullen gelden voor individuele bedrijven die geluid voortbrengen. Voor de andere belangrijke geluidsbronnen zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen worden via de Aanvullingswet geluid en het Aanvullingsbesluit geluidsregels toegevoegd aan de Omgevingswet
en het Bkl. De regels voor geluid hebben een tweezijdige werking om de bescherming tegen geluidsbelasting vorm te geven. Enerzijds bij de aanleg of aanpassing van spoorwegen of industrieterreinen en anderzijds bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en locaties nabij een geluidsbron.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. In zowel de huidige (feitelijke) als de toekomstige situatie is er geen sprake van een geluidsgevoelige functie, derhalve vormt het aspect geluid geen belemmering.
Vanuit het aspect geluid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
• Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde.
• Het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
• Het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Aandachtsgebieden
De toetsing en monitoring van de luchtkwaliteit vindt plaats in de aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties NO2 en/of PM10. Aandachtsgebieden voor zowel NO2 als PM10 staan vermeld in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl. Aandachtsgebieden voor alleen PM10 zijn aangewezen in artikel 5.51, lid 3 van het Bkl. In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen (artikel 5.51 Bkl).
Niet in betekende mate
De beoordeling van de luchtkwaliteit in een aandachtgebied vindt niet altijd plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor NO2 en PM10 nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.
Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:
1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 van het Bkl. Valt een project binnen de genoemde
categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
De gemeente Capelle aan den IJsel is gelegen in een aandachtgebied voor luchtkwaliteit, zoals opgenomen in artikel 5.51, lid 2 en 3 van het Bkl. Namelijk agglomeratie Rotterdam/Dordrecht. Volledigheidshalve is aangetoond worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Dit kan bepaald worden met behulp van achtergrondwaarden die achterhaald kunnen worden met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. In tabel 4.3 zijn de achtergrondwaarden ter plaatse van de dichtstbijzijnde meetpunten weergegeven. Geconcludeerd wordt dat de achtergrondwaarden ruim onder de norm liggen.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Hierdoor is er geen sprake is van een verandering in verkeersgeneratie wat in mogelijk in betekende mate kan bijdrage aan de luchtkwaliteit. Bovendien zal het formaliseren van natuur juist bevorderend kunnen werken voor de luchtkwaliteit, met name binnen het aandachtsgebied.
Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;
• beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
• evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
• duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Tevens zullen er geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nader bodemonderzoek.
Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 Omgevingswet) is het vanbelang dat activiteiten met gebruiksruimte en milieugevoelige activiteiten worden toebedeeld in de fysieke leefomgeving. Dit kan in hoofdzaak op twee manieren:
• Menging van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het kan en gewenst is;
• Scheiding van milieugevoelige en milieubelastende functies waar het moet.
Op deze manier wordt zowel voor ruimte voor bedrijvigheid gezorgd als voor het behoud van bescherming van de woon- en leefomgeving.
Activiteiten met gebruiksruimte verwijzen naar activiteiten die aan specifieke locaties worden toegewezen. De regels voor activiteiten met gebruiksruimte (gebiedsgerichte regels) beogen de gebruiksruimte van een activiteit specifiek te begrenzen, zodat een activiteit op een specifieke locatie kan worden verricht zonder onaanvaardbare gevolgen een ander toegestane activiteit in dat gebied.
De handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ van de VNG biedt onder de Omgevingswet een nieuwe systematiek van milieuzonering. De systematiek omvat geen koppeling meer van activiteiten aan milieucategorieën per Standaard Bedrijfsindeling code (SBI-code) en de daarbij behorende richtafstanden. In
plaats daarvan wordt getoetst aan concrete, juridisch bindende milieuwaarden voor geluid en geur. De systematiek drijft op inwaartse zonering op basis van geluid en geur. Bij de meeste activiteiten is geluid het maatgevende aspect, slechts een enkele activiteit is geurrelevant. De specifieke regels voor geluid en geur in de handreiking ‘Activiteiten en milieuzonering 2024’ gelden aanvullend op de standaard gebiedsgerichte regels in het omgevingsplan van gemeenten.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is dus geen sprake van een nieuwe belemmering voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
Vanuit het aspect activiteiten en milieuzonering is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben op in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022- 2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen
hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.
Onder de Omgevingswet is het wettelijk verplicht om, in het kader van het Besluit kwaliteit leefomgeving artikel 5.37, lid 1, een “weging van het waterbelang” uit te voeren. Naast het vroegtijdig betrekken van de waterbeheerders bij de planvorming kunnen initiatiefnemers online, middels de digitale watertoets, nagaan of hun ruimtelijk plan voldoende rekening houdt met de waterbelangen.
Uit de digitale watertoets volgt een advies met welke wateraspecten relevant zijn voor het plan en waarom. Aanvullend op dit advies dient in het plan verantwoording afgelegd te worden over de manier waarop is omgegaan met de inbreng van de waterbeheerders. Dit gebeurt meestal in de “weging van het waterbelang” van het ruimtelijke plan.
De afweging van de diverse waterbelangen is geborgd in diverse beleidsdocumenten en regelgeving op verschillende niveaus. Gelet op de aard van de ontwikkeling (interne verbouwing van een bestaand gebouw in sterk verstedelijkt gebied) wordt enkel waar nodig ingegaan op deze regelgeving en beleidsdocumenten.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige situatie ten aanzien van het aspect water. Er wordt geen nieuwe bebouwing of verharding mogelijk gemaakt. Er is geen noodzaak tot nadere onderbouwing ten aanzien van de weging van het waterbelang.
Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgegaan in de Omgevingswet. Onder Artikel 5.1, lid 1 Ow is opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit te verrichten, tevens is onder Artikel 5.1, lid 2 opgenomen dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning een floraen fauna-activiteit te verrichten. Tenzij anders geregeld in het omgevingsplan, waterschap verordening, omgevingsverordening
of ministeriele regeling.
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staat de uitwerking van algemene regels voor activiteiten die rechtstreeks werken, waaronder een vergunningplicht voor zogenaamde Natura 2000-activiteiten en flora- en fauna-activiteiten (hoofdstuk 11, Bal). In dit hoofdstuk zijn tevens de regels voor vergunningsvrije gevallen opgenomen evenals de mogelijkheden tot maatwerk. Indien er geen vrijstelling geldt van de vergunningsplicht,
dient er een omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Onderscheid wordt gemaakt tussen een enkelvoudige of meervoudige aanvraag (in het geval er sprake is van een flora- en fauna-activiteit en een natura 2000-activiteit).
Natura 2000-gebieden
Om de natuur te beschermen, heeft het Rijk regels over activiteiten die een Natura 2000-gebied kunnen benadelen opgesteld. Een activiteit die significant nadele gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied heet een Natura 200-activiteit. Degene die de activiteit verricht, moet nagaan of nadelige gevolgen uit te sluiten zijn. Een passende beoordeling dient te worden uitgevoerd (artikel 16.53c, Ow). Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)).
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
De aanwijzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is geregeld in de Omgevingsverordening, conform artikel 2.44, lid 4 van de Omgevingswet en artikel 7.6, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Vanuit de Omgevingsverordening draagt de provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met omringende agrarisch gebieden te verbinden. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.
Houtopstanden en Soortenbescherming
De regels voor bescherming van houtopstanden en bomenrijen staan opgenomen in Afdeling 11.3 Bal. Hierin staat dat het vellen van houtopstanden is beschermd door algemene meldplicht (art. 11.126 Bal) en herplantplicht (art. 11.129 Bal) voor houtopstanden vanaf 10 are of meer evenals bomenrijen bestaande uit meer dan 20 bomen, buiten de zogeheten ‘bebouwingscontour houtkap’. De bebouwingscontour houtkap moet worden aangewezen in het Omgevingsplan (art. 5.165b Bkl). Tevens is er sprake van specifieke zorgplicht (art. 11.116 Bal) die geldt voor het vellen van houtopstanden, het herbeplanten van grond of nadat een houtopstand op een andere manier teniet is gegaan.
Voor de soortbescherming zijn de paragrafen 11.2.2 t/m 11.2.4 van toepassing, hier zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen:
• Omgevingsvergunning soorten Vogelrichtlijn (11.2.2 Bal);
• Omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn (11.2.3 Bal);
Wijziging omgevingsplan Oeverrijk 24
• Omgevingsvergunning andere soorten (11.2.4 Bal).
Getoetst dient te worden of het planvoornemen leidt tot schadelijke handelingen die leiden tot een vergunning plichtig geval. De schadelijke handelingen Vogelrichtlijn zijn opgenomen in artikel 11.37 van het Bal, schadelijke Habitatrichtlijn in artikel 11.46 Bal en schadelijke handelingen andere soorten in artikel 11.54 van het Bal.
Provinciale omgevingsverordening
Vanuit de TAM-Provinciale Omgevingsverordening Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (d.d. 24 juli 2024) gelden ter plaatse geen nadere instructieregels ten aanzien van flora en fauna.
Conform paragraaf 7.3.1. (Natuurnetwerk Nederland) van het Bkl dragen Gedeputeerde Staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd ‘Natuurnetwerk Nederland’. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met
mitigerende maatregelen (artikel 7.8 Bkl).
Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000-gebied. De meest nabijgelegen Natura 2000-gebieden is de ’Biesbosch’ op ruime afstand van circa 19,5 kilometer ten zuiden van het plangebied.
Het plangebied is niet gelegen binnen het NNN. Het dichtstbijzijnde onderdeel van het NNN ligt op ruime afstand van circa 1,6 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de aard van de voorgenomen plannen zullen de omgevingscondities redelijkerwijs gelijk blijven, waardoor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het NNN wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
Aangezien het plangebied zich binnen de bebouwde kom bevindt en er geen (onderdelen van) houtopstanden aanwezig zijn is toetsing aan het onderdeel houtopstanden conform de Wet natuurbescherming bij dit plan niet aan de orde.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Als gevolg hiervan zijn er ook geen effecten voor eventueel aanwezige beschermde soorten. Op het gebied van ecologie is het uitgangspunt om de natuurwaarden die de afgelopen jaren spontaan zijn ontstaan te behouden en te versterken. Er is voorzien in een afwisseling tussen (bloemrijk) grasland, rietland, oeverzones en ruigte met struweel. Hoge bomen worden bewust niet toegevoegd om de openheid van het oorspronkelijke landschap te behouden.
Vanuit het aspect flora en fauna is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben er geen veranderingen plaatsgevonden met betrekking tot de invloed van stikstof op het verlenen van vergunningen voor bouwprojecten. Het beschermingsniveau van Natura 2000-gebieden onder de Omgevingswet wijzigde niet. Wel werd het proces en de vindplaats van de artikelen anders. Dit staat beschreven in artikel 4.15 van de Omgevingsregeling. Artikel 4.15 (methode berekenen stikstofdepositie Natura 2000-activiteit)
1. Dit artikel is van toepassing op het bepalen van de stikstofdepositie bij het vaststellen of een activiteit door het veroorzaken van stikstof-depositie als een Natura 2000-activiteit moet worden aangemerkt.
2. Op het berekenen van de stikstofdepositie is AERIUS Calculator van toepassing.
In de memorie van toelichting bij dit artikel wordt verder stilgestaan bij de betekenis van dit artikel. Met de AERIUS-berekening wordt gekeken of het veroorzaken van stikstofdepositie op een voor stikstof gevoelige habitat in en Natura 2000-gebied een significant effect kan hebben. Het gaat dan uiteraard uitsluitend om
habitats die in het kader van artikel 6, derde lid, habitatrichtlijn relevant zijn, namelijk typen natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten waarvoor in het aanwijzingsbesluit van het Natura 2000-gebied instandhoudingsdoelstellingen zijn geformuleerd en die stikstofgevoelig zijn. Instandhoudingsdoelstellingen worden geformuleerd voor de habitats of soorten die worden genoemd in bijlage I of II habitatrichtlijn en die in niet-verwaarloosbare mate in het gebied voorkomen. Daarnaast worden instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor de leefgebieden van vogels als bedoeld in artikel 4 van de vogelrichtlijn.
Dit artikel is een voortzetting van het voorheen geldende artikel 2.1 Regeling natuurbescherming.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er worden geen bouwactiviteiten mogelijk gemaakt. Tevens is er geen sprake van en verkeersgeneratie. Er is dan ook vooraf te concluderen dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie. Derhalve is ook geen stikstofberekening voor de gebruik- en aanlegfase noodzakelijk.
Vanuit het aspect stikstof is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Geurhinder is onderdeel van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit is opgenomen in paragraaf 5.1.4.6 Bkl 'Geur', onderdeel van paragraaf 5.1.4 'Beschermen van de gezondheid en van het milieu'. Geurhinder kan door verschillende bedrijfs- of hobbyactiviteiten veroorzaakt worden. Hierbij valt te denken
aan veehouderijen en andere agrarische activiteiten maar ook bijvoorbeeld rioolwaterzuiveringsinstallaties.
Geurveroorzakende activiteiten
Het Bkl geeft enkel voor drie bedrijfsmatige activiteiten aan welke geurbelasting of afstand acceptabel wordt geacht:
• zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
• houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
• enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
Voor bedrijfsmatige activiteiten zoals onder meer industrie worden geen waarden en afstanden toegekend. Enkel de algemene bepalingen van subparagraaf 5.1.4.6.1 zijn hierbij van toepassing. Ook in deze gevallen dient er rekening te worden gehouden met de geur afkomstig van deze activiteiten op geurgevoelige gebouwen.
De geurveroorzakende activiteiten dienen te voldoen aan de regels van het omgevingsplan.
Geurgevoelige gebouwen en locaties
Op grond van art. 5.91 lid 1 Bkl is er sprake van een geurgevoelig gebouw als een gebouw of een gedeelte
van een gebouw een van de volgende functies onderbrengt:
• woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
• onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
• gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan;
• bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
Echter kan de gemeente in het omgevingsplan ook andere gebouwen, zoals logiesgebouwen of gevangenissen, of gedeeltes daarvan als geurgevoelig aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (art. 5.91 lid 4 Bkl). Daarnaast wordt op grond van artikel 5.91 lid 3 Bkl een nog niet bestaand gebouw,
dat mag worden gebouwd op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, ook al als geurgevoelig gebouw beschouwd.
In het omgevingsplan zijn de instructieregels ten aanzien van geur opgenomen in paragraaf 22.3.6. Het betreft instructieregels ten aanzien van het houden van landbouwhuisdieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is in dit opzicht dus geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Tevens kan worden gesteld dat het plangebied in het centrum van Capelle aan den IJssel ligt. Rondom het plangebied zijn geen agrarische bedrijven aanwezig. Voor het plangebied kan daarom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden gegarandeerd.
Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De bescherming van archeologisch erfgoed in Nederland is vastgelegd in de Erfgoedwet en, voor zover betrekking hebbend op de fysieke leefomgeving, in de Omgevingswet.
De basis van de bescherming van archeologisch erfgoed in de Erfgoedwet is het verdrag van Valletta (ook wel het verdrag van Malta). De bescherming heeft als doel om archeologisch erfgoed zoveel mogelijk in situ, dus in de grond, te behouden. Dankzij het principe van “de verstoorder betaalt” uit het verdrag van Valletta worden meer archeologische resten in situ behouden. Indien ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden dient te worden beoordeeld of archeologische waarden in het geding raken.
Ter plaatse het plangebied zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde- Archeologie 2’ vigerend. De voor ‘Waarde- Archeologie 1 en 2’ aangewezen gronden zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud van de aan de gronden eigen zijnde archeologische waarden.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Tevens zullen er geen bodemroerende werkzaamheden mogelijk gemaakt. Er kan daarom vooraf worden geconcludeerd dat er geen sprake zal zijn van verstoring van eventueel aanwezige archeologische waarden.
Vanuit het aspect archeologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Provincies en gemeenten moeten in het omgevingsplan rekening houden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed. Dit gebeurt door inventariseren en analyseren van het erfgoed dat binnen de provinciale- of gemeentegrenzen aanwezig is. Op basis daarvan wordt een toereikend beschermingsregime in het omgevingsplan opgenomen.
Cultureel erfgoed als onderdeel van de fysieke leefomgeving bestaat uit vijf elementen: roerend of immaterieel cultureel erfgoed, cultuurlandschappen, archeologische monumenten, gebouwde monumenten en stads- en dorpsgezichten.
Middels een omgevingsplan dienen provincies en gemeenten cultureel erfgoed te beschermen. De primaire vraag daarbij is welke elementen van cultureel erfgoed (of werelderfgoed) bevinden zich binnen de provinciale- of gemeentegrenzen of direct daarbuiten, en wat wil men (of moet men) daarvan beschermen. Daarbij wordt rekening gehouden met de instructieregels in de artikelen 5.130 en 5.131 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en de algemene regels uit hoofdstuk 13 en 14 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) (rijksmonumenten en werelderfgoed).
Provincies en gemeenten worden daarbij ondersteund door specialisten van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Deze ministeries werken mee met de totstandkoming van de wet en de bijbehorende regels, zijn betrokken bij het opstellen van
de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en ontwikkelen kennis en informatie voor medeoverheden. Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en de provinciale/gemeentelijke omgevingsplannen samen bevatten wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed
en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht de vijf elementen van cultureel erfgoed mee te nemen in de belangenafweging.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is geen sprake van een ruimtelijke verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie.
Het plangebied is op de Cultuurhistorische Waardenkaart (CHW) van Zuid-Holland niet aangegeven als zijnde een cultuurhistorische locatie. Voorliggend wijziging van het Omgevingsplan geen negatieve invloed hebben op de Rijksmonumenten. Daarnaast gaan er geen historische gebouwen verloren.
Het huidige cultuurlandschap van slagen vertelt iets over de ontstaansgeschiedenis van Capelle aan den IJssel. De aanwezige natuurwaarden worden met het gewijzigde omgevingsplan erkend, versterkt waar mogelijk en het gebied wordt opengesteld voor het publiek door middel van extensieve recreatie. Daarmee
wordt voldaan aan het gemeentelijke, provinciale en Rijksbeleid voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed.
Derhalve heeft de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen negatieve invloed op de cultuurhistorische waarde van dit gebied, maar worden deze juist behouden en versterkt.
Vanuit het aspect cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Trilling kan nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, bijvoorbeeld door schade aan gebouwen te veroorzaken en het welzijn van gebruikers daarvan. De Omgevingswet beschermt daarom (delen van) gebouwen en de mensen die daarin verblijven tegen trillingen van activiteiten. De aanwijzing van trilling gevoelige gebouwen staat in artikel 5.80 Bkl. Hieronder vallen gebouwen met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie, bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en de bijbehorende nevengebruiksfuncties.
Er zijn verschillende soorten trillingen met verschillende bronnen. De Omgevingswet maakt bij de instructieregels over trillinghinder door activiteiten onderscheid tussen:
• continue trillingen (trillingen die gedurende een lange tijd aanwezig zijn, door bijvoorbeeld machines of druk wegverkeer);
• herhaald voorkomende trillingen (kortdurende trillingen die periodiek voorkomen, door bijvoorbeeld treinverkeer).
Bronnen van trillingen zijn verkeer over de weg of het spoor, machines in de industrie en bouw- en sloopactiviteiten. Deze bronnen veroorzaken een trilling die voelbaar is in gebouwen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de vloer en de wanden. Trillingen kunnen op grote afstand hinder of schade opleveren.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Er is in de nabijheid van de projectlocatie geen sprake van een trillingsbron (spoor, weg of machines).Nader onderzoek is niet noodzakelijk.
Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Kostenverhaal houdt de verplichting voor de gemeente in om er in dat geval voor te zorgen dat de kosten, die zij maakt om deze ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken, verhaald worden op de initiatiefnemer. In artikel 13.13 van de Omgevingswet staat aangegeven dat bij de volgende planologische besluiten het kostenverhaal aan de orde kan zijn:
• bij het wijzigen van het omgevingsplan;
• bij een omgevingsvergunningaanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Er worden geen functionele of ruimtelijke wijzigingen mogelijk gemaakt, anders dan de formalisering van de huidige natuurstatus. Er is geen sprake van een verandering ten opzichte van de huidige planologische situatie. Er is daarmee geen sprake van een aangewezen bouwplan waarbij kostenverhaal aan de orde is.
Onderhavige wijziging van het omgevingsplan voorziet een wijzing van het omgevingsplan. Op grond van de Omgevingswet is het verplicht participatie hiervoor te doorlopen.
Op woensdagavond 9 oktober 2024 heeft een informatieavond over drie projecten in de wijk Schenkel op het gemeentehuis Capelle aan den IJssel plaatsgevonden. In totaal werd de projectenmarkt door meer dan 100 geïnteresseerden bezocht. Het project Kanaalweg-west & Groen Oeverrijk was onderdeel van deze informatieavond. Tijdens de bijeenkomst werden omwonenden door middel van presentatie- en gespreksrondes ingelicht over het project, waarbij de gemeente onder andere de functie Oeverrijk van ‘woongebied’ naar ‘natuur’ wil veranderen. Tijdens de gespreksrondes zijn ervaringen gedeeld, vragen gesteld en input opgevraagd over de groene parkachtige invulling van Oeverrijk.
Na de bijeenkomst zijn alle opmerkingen geordend in een lijst en gedeeld met de deelnemers. De gemeente heeft deze opmerkingenlijst gebruikt als input voor het nieuw op te stellen omgevingsplan. Een overzicht van de stukken van deze informatieavond is te vinden op: https://capellebouwtaandestad.nl/project/kanaalwegwest-groen-oeverrijk
Het wettelijk overleg heeft plaatsgevonden met de vooroverlegpartners. Uit dit vooroverleg zijn geen aanvullende opmerkingen gekomen op het omgevingsplan.
Het ontwerp wijziging omgevingsplan zal gedurende een procedure van 6 weken ter inzage worden gelegd.
De opzet van de regels in het gemeentebrede omgevingsplan van Capelle aan de IJssel is op dit moment nog in ontwikkeling. Om te voorkomen dat een ontwikkeling alleen langs de weg van een integrale wijziging van het omgevingsplan gerealiseerd kan worden is het mogelijk om, tijdens de transitieperiode, ontwikkelingen mogelijk te maken via een apart hoofdstuk in het omgevingsplan. Voorliggend plan is daarom juridisch in een apart hoofdstuk (21) opgenomen in het nieuw deel omgevingsplan van de gemeente Capelle. Qua systematiek is aangesloten op de bestaande plannen in hoofdstuk 21. Dit betekent dat de regels als volgt zijn opgebouwd:
• Algemene bepalingen;
• Regels per functie (in dit omgevingsplan ‘Groen – landschap’ en ‘Water’) onderverdeeld in:
- Regels over gebruiksactiviteiten;
- Regels over bouwactiviteiten;
- Regels over werken en werkzaamheden;
• Aanwijzing gebieden met beperkingen: in deze ontwikkeling ‘Waarde – Archeologie 1 en 2’.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-125178.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.