Gemeenteblad van Montfoort
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 124984 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Montfoort | Gemeenteblad 2026, 124984 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening sociaal domein gemeente Montfoort 2026
Verordening sociaal domein gemeente Montfoort 2026
De raad van de gemeente Montfoort;
gelezen de voorstellen van het college van 11 november 2025 en 6 januari, kenmerk 265091 en 595520;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.5, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet en de artikelen 121, 122, 147 en 150 van de Gemeentewet;
gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein van 9 december 2025
Verordening sociaal domein gemeente Montfoort 2026
1. Inleiding verordening sociaal domein gemeente Montfoort 6
2.2. Stap 2: Gesprek na de melding. 9
2.2.1 Uitnodiging voor gesprek. 9
2.2.2 Doel en proces van het gesprek. 9
2.3.2 Voorwaarden voor hulp. 10
2.4.3.1. Jeugdhulp via arts, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering. 12
2.4.3.2. Spoedeisende situaties. 13
4. Meedoen in de samenleving. 15
Verplaatsen in en om de woning. 16
Vervanging vervoermiddel en rolstoel 16
5. Gezond en veilig opgroeien. 17
5.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp. 17
5.2 Preventieve maatregelen. 17
Gebruikelijke hulp bij jeugdigen. 18
Onderscheid kortdurende en langdurige zorgsituatie. 18
Onderzoeksvragen bovengebruikelijke hulp. 18
1.3.2 Samenhangende beoordeling. 20
5.4 Overgang van 18- naar 18+. 20
5.5 Afstemming met andere vormen van hulp. 21
6. Wonen in een veilige en gezonde omgeving. 22
6.2. Zelfstandig en veilig wonen. 22
6.2.2. Een schone en leefbare woning. 23
6.2.4. Maatschappelijke opvang. 23
6.3.1. Ondersteuning mantelzorger 23
6.3.2. Mantelzorgwaardering. 23
6.3.3. Voorwaarden mantelzorgwaardering. 23
7.1.1. Wat wil de gemeente?. 24
7.3.2. Vaststellen beperking. 25
7.5.3. Maatschappelijke activiteiten. 26
7.6. Jeugdfonds Sport & Cultuur 26
7.6.3. Inhoud Jeugdfonds Sport & Cultuur 26
7.7.2. Collectieve zorgverzekering. 26
7.7.3. Bijdrage voor mensen met een chronische ziekte of beperking. 27
7.8. Schulddienstverlening. 27
7.8.2. Samenwerking en toegang. 27
7.8.4. Aanbod schulddienstverlening. 27
7.8.6. Beëindiging schulddienstverlening. 28
8.3. Persoonsgebonden budget 29
8.3.2. Hoogte tarief en pgb. 30
8.3.3. Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk. 30
8.4. Financiële tegemoetkoming. 31
8.4.2. Hoogte financiële tegemoetkoming. 31
9. Afspraken tussen inwoner en gemeente. 33
9.1 Hoe gaan we met elkaar om?. 33
9.1.1. De rol van de gemeente/jeugdteam/sociaal team/Ferm Werk. 33
9.1.2. De rol van de inwoner 34
9.2. Afspraken en verplichtingen over uitkeringen. 34
9.2.1. Afstemming op houding en gedrag van de inwoner 34
9.2.2. Onacceptabel gedrag. 34
9.3. Terugvorderen uitkering. 35
9.3.1. Terugvordering en incasso. 35
9.4. Beëindigen en terugvorderen. 35
9.5. Hoe is de controle op het nakomen van afspraken?. 35
9.5.2. Voorkomen van fraude. 36
10. Inspraak en inwonerparticipatie. 37
10.1. Inspraak van inwoners. 37
10.2. Hulp van de gemeente bij inspraak. 37
10.3. Adviesraad Sociaal Domein. 37
10.4. Taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein. 38
10.5. Budget, vergoeding en voorzieningen. 38
10.6. Inspraak bij aanbieders. 38
11. Kritiek op de uitvoering. 39
11.1. Doelen klacht- en bezwaarprocedure. 39
11.2. Klachtenfunctionaris gemeente. 39
11.3. Klachten over andere personen of organisaties. 39
12. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding. 41
12.2. Inkoop en aanbesteding. 41
13.1. Werking van de verordening. 42
13.3. Afwijken van de verordening (hardheidsclausule) 42
13.4. Intrekken oude verordeningen. 42
13.6. Ingangsdatum en naam... 42
1. Inleiding verordening sociaal domein gemeente Montfoort
Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen:
· Wonen in een veilige en gezonde omgeving
In Nederland vinden we het belangrijk dat:
Het is de taak van de gemeente om haar inwoners daarbij te helpen. De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de:
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen die de gemeenteraad heeft vastgesteld. Soms zijn nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Ook dat is in deze verordening geregeld. De Adviesraad Sociaal Domein heeft over de regels in de versie van de verordening van december 2025 op 9 december 2025 een advies gegeven.
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels:
Daarnaast gaan we uit van de zelfredzaamheid van de inwoner. Inwoners waarbij de zelfredzaamheid geheel of gedeeltelijk ontbreekt, krijgen de hulp, die past bij hun persoonlijke situatie. Samen met de inwoner en zijn sociaal netwerk (familie, vrienden en bekenden) wordt naar oplossingen op maat gezocht. Bij gebrek aan een sociaal netwerk, kan de hulp bestaan uit het opbouwen, versterken of ondersteunen van het eigen netwerk.
Wij realiseren ons dat in onze complexe samenleving iedereen kwetsbaar is of kan worden en niet iedereen zichzelf kan redden of een sociaal netwerk heeft om op terug te vallen. Daarom hebben we extra zorg voor inwoners, die al dan niet tijdelijk in een kwetsbare positie verkeren.
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij die doelen. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
Deze verordening is gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Die wetten vormen de wettelijke basis voor de artikelen in deze verordening. Maar niet voor alle artikelen geldt dat in iedere wet daarover iets is terug te vinden. Dat verschilt per artikel. Daarom is per artikel aangegeven op welke wetten dat artikel is gebaseerd. Soms is een paragraaf of hoofdstuk helemaal gebaseerd op één of meer wetten. Dan is dat aangegeven bij het begin van die paragraaf of dat hoofdstuk. Waar in deze verordening ‘Gemeentewet’ als grondslag wordt genoemd, wordt daarmee de algemene regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad bedoeld (art. 121 Gemeentewet). Bij een aantal artikelen wordt ook de ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht) genoemd. Die verwijzing staat er als er in de Awb specifieke bepalingen zijn die op dat artikel van toepassing zijn. Bijvoorbeeld bij artikel 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten).
De begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop een inwoner hulp kan vragen als het gaat om één of meer van de onderwerpen uit deze verordening. Beschreven wordt hoe en waar de inwoner een hulpvraag kan stellen, hoe de hulpverlening in zijn werk gaat en wat er van de inwoner wordt verwacht. Daarbij is het streven dat alle uitvoerende teams dezelfde werkwijze gebruiken bij het behandelen van de hulpvraag van de inwoner.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs]
De inwoner die hulp nodig heeft kan zich melden bij:
· het jeugdteam voor jeugdhulp tot 18 jaar;
· het sociaal team voor maatschappelijke ondersteuning vanaf 18 jaar
· Ferm Werk voor werk en inkomen;
· Schulddienstverleningsinstantie voor hulp bij schulden.
De gemeente heeft met deze teams afspraken gemaakt voor de uitvoering van de wetten in het sociaal domein. Als het nodig is helpen het jeugdteam, sociaal team, Ferm Werk en Schulddienstverleningsinstantie de inwoner bij het vinden van de juiste medewerker voor bespreking van de hulpvraag. De teams werken nauw samen bij het behandelen van de hulpvraag van de inwoner.
De inwoner kan de melding schriftelijk, mondeling, telefonisch of digitaal doen.
Na de melding neemt het jeugdteam, sociaal team, Ferm Werk of Schulddienstverleningsinstantie de hulpvraag van de inwoner in behandeling.
Het jeugdteam en sociaal team geven de inwoner schriftelijk (brief of e-mail) of telefonisch een bevestiging.
Het jeugdteam en sociaal team nodigen de inwoner zo snel mogelijk uit voor een gesprek met een medewerker. In die uitnodiging staat waar en wanneer het gesprek plaatsvindt en waarover het gesprek zal gaan. Ook krijgt de inwoner informatie over de mogelijkheid om gratis hulp te krijgen door een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). Daarnaast krijgt de inwoner uitleg over de mogelijkheid om zelf een plan op te stellen, het zogenaamde persoonlijk plan. In dat persoonlijk plan legt de inwoner uit hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag.
De procedure bij Ferm Werk verloopt anders. Ferm Werk neemt bij een melding om een aanvraag voor levensonderhoud (uitkering) contact op met de inwoner. Ferm Werk voert een gesprek met de inwoner om de situatie helder te krijgen. Als uit dit gesprek blijkt dat de inwoner in aanmerking kan komen voor een uitkering voor levensonderhoud, krijgt de inwoner een aanvraagformulier. Nadat de inwoner zijn aanvraag bij Ferm Werk heeft ingediend, gaat Ferm Werk met de inwoner hierover in gesprek.
Daarnaast is het vaak mogelijk om bij Ferm Werk direct een aanvraag in te dienen, zonder dat hiervoor eerst een melding is gedaan. Ferm Werk handelt dan de aanvraag af en neemt als dat nodig is contact op met de inwoner voor een gesprek.
Ook bij de schulddienstverleningsinstantie verloopt de procedure anders. Inwoners nemen bij een hulpvraag over financiën en/of (dreigende) schulden contact op met de schulddienstverleningsinstantie (zie 7.8). Schulddienstverleningsinstantie voert een intakegesprek met de inwoner om de situatie helder te krijgen. Tijdens dit gesprek checkt schulddienstverleningsinstantie of de inwoner gebruik maakt van alle mogelijke toeslagen en tegemoetkomingen. Schulddienstverleningsinstantie beoordeelt aan de hand van dit gesprek wat de vervolgstap wordt, dit kan bijvoorbeeld een doorverwijzing, budgetcoaching, budgetbeheer, een schuldbemiddelingstraject, schuldhulpverlening of een persoonlijk adviesgesprek zijn. Hiervoor wordt een persoonlijk plan gemaakt samen met de inwoner. Doel van dit plan is het creëren van financiële gezondheid.
Het jeugdteam, sociaal team, Ferm Werk en schulddienstverleningsinstantie verzamelen gegevens over de situatie van de inwoner, die nodig zijn voor het gesprek en het daaropvolgende onderzoek. Als het gaat om gegevens, die de teams niet zelf kunnen inzien of krijgen, dan vragen ze aan de inwoner om die gegevens te leveren. In de uitnodiging voor het gesprek wordt aangegeven welke gegevens dat zijn en voor welke datum de inwoner deze gegevens moet inleveren
7.6. 2.2. Stap 2: Gesprek na de melding
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs]
2.2.1 Uitnodiging voor gesprek
Een inwoner die zich heeft gemeld bij het jeugdteam, sociaal team, Ferm Werk of schulddienstverleningsinstantie, krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een medewerker van één van deze teams. Als er binnen het gezin een vraag om hulp is die onder de Wmo 2015 en de Jeugdwet vallen, dan wordt de hulpvraag integraal behandeld. Dit betekent dat dan het sociaal team en het jeugdteam allebei betrokken worden bij de hulpvraag.
2.2.2 Doel en proces van het gesprek
1. De medewerker onderzoekt samen met de inwoner de hulpvraag en welk effect hij wil bereiken. In het gesprek bespreekt de medewerker:
De medewerker informeert de inwoner over de mogelijkheden om de persoonlijke situatie van de inwoner te verbeteren. Ook informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden die er zijn om in bepaalde gevallen te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Verder krijgt de inwoner informatie over een eigen bijdrage in de kosten. De medewerker betrekt deze zaken bij het onderzoek naar de hulpvraag.
Als het gaat om jeugdhulp of maatschappelijke ondersteuning, stuurt de medewerker het verslag van de uitkomsten van het gesprek naar de inwoner behalve als de inwoner heeft aangegeven dat niet te wensen. De inwoner ondertekent het verslag en stuurt dit terug naar het sociaal team of jeugdteam. Als de inwoner het niet eens is met het verslag, kan hij dat daarop aangeven.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs, Awb]
Na de melding en het gesprek met een medewerker van het jeugdteam, sociaal team of Ferm Werk, kan de inwoner een aanvraag indienen. De aanvraag kan, afhankelijk van de soort regeling, schriftelijk of digitaal worden ingediend. Het doel van de aanvraag is te bepalen of hulp wordt verleend en welke vorm die hulp dan heeft.
1. Vraagt de inwoner hulp, dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden:
De hulp kan geheel of gedeeltelijk worden geweigerd als een inwoner iets (niet) heeft gedaan waardoor de hulpvraag is veroorzaakt, en hij deze hulpvraag had kunnen voorzien. Hulp kan ook worden geweigerd, als een inwoner de gevraagde hulp zelf heeft ingeroepen of gekocht, behalve als de gemeente daarvoor toestemming heeft gegeven. Als die weigering betekent dat de inwoner grote problemen zal krijgen (onevenredig nadeel ervaart), dan kan de hulp wel worden toegekend.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs, Awb]
De medewerker die een melding of aanvraag behandelt, heeft de deskundigheid die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de medewerker ervoor dat een wel deskundige een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) neemt de medewerker mee in de beoordeling van de melding of aanvraag.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs, Awb]
1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de medewerker alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over:
a. de behoeften van de inwoner;
b. de (on)mogelijkheden van de inwoner;
c. de persoonlijke situatie van de inwoner;
d. de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente.
2. Om te bepalen of de hulp wordt verleend, volgt de medewerker in principe de volgende stappen:
Stap 1: De medewerker stelt samen met de inwoner vast wat de hulpvraag van de inwoner is.
Stap 2: De medewerker stelt vast welke problemen en beperkingen er precies zijn.
Stap 3: De medewerker bepaalt samen met de inwoner welke hulp nodig is en hoeveel.
Stap 4: De medewerker onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om de hulpvraag op te lossen (eigen kracht), al dan niet met gebruikelijke hulp, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen.
Stap 5: De medewerker bepaalt welke aanvullende hulp nodig is om de hulpvraag op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
3. Voor iedere stap geldt, dat de medewerker de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere deskundigheid nodig, dan zet de medewerker die in. De medewerker stelt de inwoner op de hoogte welke deskundigheid op welk moment nodig is en ingezet wordt.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs, Awb]
1. De inwoner ontvangt zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de melding is ontvangen, een beslissing. Binnen 2 weken nadat de adviesaanvraag door de gemeente is ontvangen neemt de gemeente een beslissing over deze aanvraag. (Awb: 6 weken voor onderzoek + 2 weken om de beslissing te nemen)
2. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner niet voldoende gegevens heeft verstrekt. Ook bij het ontbreken van gegevens, die nodig zijn om een besluit op de aanvraag te kunnen nemen kan de beslistermijn schriftelijk worden opgeschoven. Als de gemeente of Ferm Werk het besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente of Ferm Werk een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen en meldt dit schriftelijk aan de inwoner.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs, Awb]
1. De gemeente of Ferm Werk stelt een besluit per brief vast en stuurt deze brief naar de inwoner. Het doel van dit besluit is dat de inwoner weet of hij wel of geen hulp krijgt. Als de gemeente of Ferm Werk hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven.
2. Geeft de gemeente de hulp in natura, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
3. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a. waarvoor het pgb bedoeld is
c. welke kwaliteitseisen er gelden voor de besteding van het pgb
d. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt
e. hoe de besteding van het pgb verantwoord wordt
f. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden
4. Geeft de gemeente of Ferm Werk de inwoner de hulp in de vorm van geld, dan wordt in het besluit in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk doel het geld wordt gegeven
b. wanneer het geld wordt betaald
c. hoe vaak het geld wordt betaald
d. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden
5. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.
Het recht op een pgb vervalt als de inwoner niet binnen zes maanden na het besluit begint met het besteden van het pgb aan de hulp, tenzij dit de inwoner niet te verwijten valt. Deze voorwaarde wordt ook in het besluit opgenomen.
2.4.3.1. Jeugdhulp via arts, gecertificeerde instelling of jeugdreclassering
2.4.3.2. Spoedeisende situaties
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Bbz, Wgs]
Het is mogelijk om bij spoedeisende situaties af te wijken van de normale procedure, als dat nodig is om de inwoner zo snel mogelijk de hulp te geven die passend en nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek door het jeugdteam, sociaal team of Ferm Werk:
De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners in hun inkomen voorzien bij voorkeur door het verrichten van betaald werk. Ferm Werk kan inwoners, die dat op eigen kracht niet lukt, helpen bij het vinden van passend werk. Welke hulp dat kan zijn wordt in dit hoofdstuk beschreven. De hulpmiddelen die worden ingezet heten voorzieningen. Deze voorzieningen moeten op een goede manier worden verdeeld over verschillende doelgroepen. Hoe de voorzieningen worden verdeeld wordt vooral bepaald door de kansen op betaald werk van de inwoners. Dit hoofdstuk gaat verder over meedoen aan activiteiten in de samenleving voor inwoners met een beperking. Het is belangrijk dat deze inwoners ook volwaardig kunnen meedoen en dat hun positie in de samenleving verbetert.
Ferm Werk helpt de volgende inwoners op weg naar werk:
1. Ferm Werk stemt de hulp aan de inwoner af op de positie op de arbeidsmarkt. Voor inwoners met een grote kans op betaald werk wordt andere hulp ingezet dan voor inwoners met een kleine kans op betaald werk.
2. Ferm Werk biedt hulp aan in de vorm van voorzieningen. Het doel daarvan is het vinden of behouden van passend werk. Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een grote kans op betaald werk zijn:
* ondersteuning leer-werktraject
Voorzieningen die in ieder geval kunnen worden ingezet voor mensen met een kleine kans op betaald werk zijn:
* persoonsgebonden reïntegratiebudget voor werkgever
3. Ferm Werk beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. Als dit het geval is beoordeelt Ferm Werk welke voorziening zij inzet en voor hoe lang. Daarbij kijkt Ferm Werk naar een aantal factoren, zoals de omstandigheden van de inwoner, zijn eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van voldoende budget.
Inwoners die vanwege een beperking of een psychisch/psychosociaal probleem hulp nodig hebben om mee te doen in de samenleving (participatie), kunnen op aanvraag hulp krijgen. Zij moeten wel aan de voorwaarden van artikel 2.3.2 en artikel 6.1 van deze verordening voldoen. Ook moet de hulp langdurig nodig zijn en een passende bijdrage leveren voor de inwoners, zodat zij in staat zijn om mee te doen in de samenleving en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen. Hieronder staan de vormen van hulp, die daarvoor worden ingezet.
Inwoners die niet in staat zijn de dag goed in te vullen kunnen hulp krijgen. De hulp houdt in dat inwoners voor één of meer dagdelen per week onder begeleiding mee kunnen doen aan arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. We noemen dat dagbesteding.
7.11. Persoonlijke begeleiding
Inwoners die niet in staat zijn de normale dagelijkse activiteiten te doen, kunnen hulp krijgen. Deze hulp (geïndiceerde zorg) houdt in dat inwoners begeleid worden bij deze activiteiten. We noemen dit persoonlijke begeleiding. Het betekent, dat de begeleider helpt bij de dagelijkse gang van zaken en de inwoner helpt om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider kan ook helpen bij vaak terugkerende activiteiten, zoals het structureren van de dag, het doen van de administratie en het beheren van de financiën. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over.
Inwoners die vanwege een beperking in hun mobiliteit onvoldoende mogelijkheden hebben om binnen redelijke grenzen contact met anderen te hebben, kunnen hulp krijgen. De hulp houdt in dat inwoners geholpen worden bij het vervoer dicht bij huis zodat ze mee kunnen doen met recreatieve en maatschappelijke activiteiten en zelf de dagelijkse boodschappen kunnen doen. Die hulp kan bestaan in het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met collectief taxivervoer of het gebruikmaken van een vervoermiddel.
3. Om collectief taxivervoer voor inwoners die dat nodig hebben beschikbaar en betaalbaar te houden kijkt de gemeente eerst of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer.
7.13. Verplaatsen in en om de woning
Inwoners die vanwege een beperking zich niet kunnen verplaatsen in en om de woning kunnen hulp krijgen. De hulp houdt in dat de inwoner een rolstoel kan krijgen die bedoeld is voor dagelijks zittend gebruik door de inwoner en hiermee de mobiliteit vergroot.
7.14. Vervanging vervoermiddel en rolstoel
Als de inwoner hulp wil en het gaat om vervanging van een eerder door de gemeente verstrekte rolstoel of vervoermiddel, dan kan dit alleen, als het vervoermiddel of de rolstoel:
b. verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om, of
c. geen oplossing meer is voor de problemen die de inwoner ervaart bij het verplaatsen in en om de woning of het vervoer dichtbij huis.
Jeugdigen in Nederland moeten zo gezond en veilig mogelijk kunnen opgroeien. Dat is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van jeugdigen, hun ouders en hun netwerk. Als zij daarbij hulp nodig hebben, dan kunnen zij een beroep doen op hulp van de gemeente. Deze hulp wordt zo vroeg mogelijk aangeboden, om het beroep op dure, gespecialiseerde hulp te verminderen. Daarbij staan het versterken van de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin en de sociale omgeving voorop.
Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en jongeren tot 18 jaar en jongvolwassenen van 18 tot 23 jaar die al jeugdhulp ontvingen toen zij 18 jaar waren en die deze hulp vanaf hun 18e jaar nog nodig hebben. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
7.16. 5.1 Uitgangspunten bij het bieden van hulp
Als het gewenste effect van de jeugdhulp niet op eigen kracht of met het sociale netwerk bereikt kan worden, maar wel met hulp die vrij toegankelijk is, dan wordt die hulp ingezet. Het gaat dan bijvoorbeeld om hulp door het jeugdteam of door een welzijnsorganisatie. Kan het gewenste effect niet bereikt worden met die hulp, dan wordt andere hulp ingezet.
7.17. 5.2 Preventieve maatregelen
1. De gemeente zorgt ervoor dat jeugdigen zoveel mogelijk gezond, kansrijk en veilig kunnen opgroeien. Om dat te bereiken helpt de gemeente alle jongeren, hun ouders en hun sociale netwerk in ieder geval met:
a. het versterken van de opvoed- en opgroeiomgeving, waarin gezinnen, wijken, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen, consultatiebureau en het jeugdteam samenwerken en elkaar aanvullen
b. informatie, advies en trainingen
c. jeugdgezondheidszorg (GGD: consultatiebureau, schoolarts)
d. activiteiten voor jeugdigen die hun talenten ontwikkelen via de buurtsportcoach
Deze hulp is vrij toegankelijk. De inwoner heeft hiervoor geen verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts nodig, en ook geen besluit van de gemeente.
2. Signalen over zorgen bij opgroei- en opvoedingsproblemen worden zo vroeg mogelijk opgevangen en er wordt zo vroeg mogelijk hulp geboden. Jeugdhulp op vrijwillige basis is daarbij het uitgangspunt..
Deze hulp is niet vrij toegankelijk. De inwoner heeft daarvoor een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts nodig, of een besluit van de gemeente.
7.19. Gebruikelijke hulp bij jeugdigen
In deze verordening is vastgelegd dat geen jeugdhulp wordt toegekend als de ouders of de jeugdige op eigen kracht of met hulp van het eigen sociale netwerk de hulpvraag kunnen oplossen. Gebruikelijke hulp is een invulling van deze voorwaarde. De vraag of en zo ja, welk onderdeel van de hulpvraag tot gebruikelijke hulp behoort, beoordeelt het college op grond van verordening.
Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Ouders of andere verzorgers of opvoeders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht aan hen te bieden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft.
7.21. Onderscheid kortdurende en langdurige zorgsituatie
Bij gebruikelijke hulp wordt een onderscheid gemaakt in kortdurende en langdurige zorgsituaties[1].
* Kortdurend: er is uitzicht op herstel van het gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. Het gaat hierbij over het algemeen over een periode van maximaal 3 maanden.
* Langdurig: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de zorg langer dan 3 maanden nodig zal zijn.
In kortdurende zorgsituaties kan van ouders of andere verzorgers/opvoeders worden verwacht dat ze alle persoonlijke verzorging en begeleiding zelf bieden. Dit betreft gebruikelijke hulp.
Alleen in langdurige zorgsituaties kan derhalve sprake zijn van bovengebruikelijke hulp waarvoor het college jeugdhulp moet inzetten. Dat sprake is van een langdurige zorgsituatie kan al vanaf het begin duidelijk zijn. Er hoeft dan dus niet eerst 3 maanden te worden ‘gewacht’ alvorens het college jeugdhulp in kan zetten.
7.22. Beschermende woonomgeving
Het bieden van een beschermende woonomgeving van ouders aan jeugdigen is tot een leeftijd van 17 jaar gebruikelijke hulp. Van ouders of verzorgers/opvoeders kan (tot een leeftijd van 17 jaar) worden verwacht dat ze een woonomgeving bieden waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en waarin een passend pedagogisch klimaat wordt geboden. Ook als sprake is van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking.
Jeugdigen vanaf 17 jaar die vanwege hun aandoening, stoornissen en beperkingen nog niet in staat zijn zelfstandig te wonen, maar dat wel kunnen leren, kunnen onder omstandigheden wel in aanmerking komen voor verblijf in een beschermende woonomgeving op grond van de Jeugdwet. Met als doel om zich verder te ontwikkelen naar zelfstandig wonen.
Kan een jeugdige niet bij (een van) de ouder(s) wonen vanwege de onmogelijkheden van de ouder(s) om een veilig thuis te bieden, dan kan verblijf bij pleegouders, een gezinshuis of een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder aan de orde zijn.
7.23. Onderzoeksvragen bovengebruikelijke hulp
Bovengebruikelijke hulp is hulp die substantieel intensiever is dan wat gemiddeld gebruikelijk is bij gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juli 2019 volgt dat bovengebruikelijke hulp ook onder eigen kracht kan vallen. Om dit te kunnen vaststellen, moet het volgende worden onderzocht:
a. Is de ouder in staat de noodzakelijke hulp te bieden?
b. Is de ouder beschikbaar om de noodzakelijke hulp te bieden?
c. Raakt de ouder niet overbelast door het bieden van de hulp?
d. Kunnen financiële problemen ontstaan doordat de hulp door de ouder wordt geboden?
Als na het beantwoorden van deze vragen blijkt dat de ouder(s) de hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt, is er sprake van voldoende eigen kracht
Om vast te stellen welke hulp bovengebruikelijk is, beoordeelt het college welke hulp uitgaat boven de hulp die een jeugdige van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft. In deze nadere regels is een richtlijn opgenomen voor gebruikelijke hulp van ouders voor jeugdigen zonder beperkingen. Bij de beoordeling welke hulp hier bovenuit gaat, betrekt het college de volgende factoren:
b. Aard van de zorghandelingen
c. Frequentie en patroon van de zorghandelingen
d. Tijdsomvang van de zorghandelingen
Het is van belang dat deze criteria telkens in samenhang worden beoordeeld, rekening houdend met de omstandigheden van de jeugdige en het gezin.
Ad a) Leeftijd van de jeugdigeBij de beoordeling van gebruikelijke hulp wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de ene jeugdige meer zorg nodig hebben dan de andere. Het ene kind is nu eenmaal ‘gemakkelijker’ of sneller zelfstandig dan het andere kind.
Ad b) Aard van de zorghandelingen
Voor zorghandelingen die de jeugdige zelfstandig kan uitvoeren, hoeft geen hulp te worden toegekend. Gebruikelijke hulp bij kinderen kan ook handelingen omvatten die niet standaard bij alle kinderen voorkomen. Het gaat dan om handelingen, die een gebruikelijke hulp-handeling vervangen, of om handelingen, die in samenhang met reguliere zorgmomenten kunnen worden geboden, zoals het geven van medicijnen.
Ad c) Frequentie en patroon van de zorghandelingen
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse zorg voor een kind, zoals 3 keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp worden aangemerkt
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met die zorgsituaties waarbij ouders voortdurend in de nabijheid moeten zijn om onplanbare zorg en toezicht te leveren vanwege de (chronische) aandoening, stoornissen en beperkingen van het kind. Zie daarover ook het onderdeel “begeleiding en gebruikelijke hulp”.
Ad d) Tijdsomvang van de zorghandelingen
De omvang van de tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp sprake is.
7.24. Samenhangende beoordeling
De hiervoor genoemde criteria moeten telkens in samenhang met elkaar worden beoordeeld. En steeds moet gekeken worden naar de individuele omstandigheden van de jeugdige en het gezin. Zo kan een zorghandeling die naar zijn aard en omvang voor een kind van een bepaalde leeftijd gebruikelijk is, in een individuele situatie veel vaker voorkomen (frequentie). Of veel meer tijd kosten (tijdsomvang). Waardoor deze zorg niet geheel als gebruikelijk kan worden aangemerkt.
Bij het onderzoek naar de gebruikelijke hulp moet het college vaststellen of degene waarvan gebruikelijke hulp wordt verwacht ook in staat is om deze gebruikelijke hulp te bieden, of dat sprake is van (dreigende) overbelasting. Er moet aandacht zijn voor de draaglast en draagkracht van de ouder of verzorger/opvoeder. Het college moet bekijken of hij/zij naast zijn of haar werk en de te verlenen zorg fysiek en psychisch nog in staat is de gebruikelijke hulp te verlenen. Als dat niet het geval is en er sprake is van (dreigende) overbelasting, zal het college (tijdelijk) een voorziening moeten verstrekken. In eerste instantie zal die voorziening van korte duur zijn om de gelegenheid te bieden de (onderlinge) taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen.
7.26. 5.4 Overgang van 18- naar 18+
7.27. 5.5 Afstemming met andere vormen van hulp
De gemeente zorgt ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die aan de jeugdige of zijn ouders wordt gegeven. Om dat te bereiken maakt de gemeente afspraken met hulpverleners, instellingen, zorgverzekeraars en andere personen of organisaties. Die afspraken gaan over:
* procedures die gelden bij doorverwijzing naar hulp;
* communicatie met andere organisaties en de gemeente;
* afbakening van taken en verantwoordelijkheden;
* aansluiting tussen vrij toegankelijke hulp en andere hulp.
De afspraken worden vastgelegd in een protocol of in een andere geschikte vorm.
7.28. 6. Wonen in een veilige en gezonde omgeving
Inwoners met een beperking en/of met langdurige psycho-sociale problemen hebben soms hulp nodig om zo lang en zelfstandig mogelijk in hun eigen leefomgeving te kunnen blijven wonen. De gemeente heeft de taak om inwoners te helpen als ze niet in staat zijn om zelf oplossingen te vinden voor knelpunten in hun woning, bij normale dagelijkse activiteiten en in de huishouding. De gemeente moet ook maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat inwoners met een beperking zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen zorgen (zelfredzaamheid). De gemeente kijkt hierbij niet alleen naar de korte termijn, maar ook naar de te verwachten ontwikkelingen. In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over de hulp die de gemeente aan deze inwoners kan geven.
6.2. Zelfstandig en veilig wonen
a. De belemmering die de inwoner in zijn woning ervaart, is het gevolg van de materialen die in de woning zijn gebruikt.
b. De inwoner woont in een woning die specifiek gericht is op een bepaalde groep mensen waartoe de inwoner behoort, bijvoorbeeld een complex voor ouderen, en de voorziening is bedoeld voor in een gemeenschappelijke ruimte, zoals elektrische deuropeners, trapliften, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte.
c. Het gaat om voorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder veel meerkosten meegenomen kunnen worden.
d. De inwoner is, zonder dringende reden, verhuisd vanuit een woonruimte waar de inwoner geen problemen had bij het normale gebruik van de woning.
e. De inwoner heeft een indicatie voor verhuizing naar een zorginstelling op grond van de Wet langdurige zorg maar weigert deze te verzilveren.
f. De inwoner is verhuisd naar een woning die niet de meest geschikte woning is om de belemmering van de inwoner te verminderen of weg te nemen, tenzij de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven.
5. Een woonvoorziening die een eerder verstrekte woonvoorziening vervangt, kan alleen worden verstrekt, als:
a. de eerder verstrekte woonvoorziening technisch is afgeschreven
b. de eerder verstrekte woonvoorziening verloren is gegaan buiten de schuld van de inwoner om
c. de woonvoorziening geen oplossing meer is voor de woonproblemen van de inwoner
7.30. 6.2.2. Een schone en leefbare woning
7.32. 6.2.4. Maatschappelijke opvang
De inwoner kan hulp krijgen in de vorm van tijdelijke (maatschappelijke) opvang. Deze opvang is bedoeld voor de inwoner die de thuissituatie heeft verlaten en de opvang nodig heeft omdat de inwoner zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving door psychische of psychosociale problemen of de dreiging van huiselijk geweld.
6.3.1. Ondersteuning mantelzorger
6.3.3. Voorwaarden mantelzorgwaardering
Voor inwoners die de dagelijkse kosten niet kunnen betalen is er een financieel vangnet: een maandelijkse uitkering. Daarnaast kunnen alle inwoners met een laag inkomen bij Ferm Werk terecht voor een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste extra’s geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem.
In deze paragraaf wordt beschreven waar de gemeente rekening mee houdt bij het maken van beleid om financiële problemen en problematische schulden bij inwoners te voorkomen en tegen te gaan.
Bijzondere bijstand is een belangrijk hulpmiddel voor de gemeente om inwoners financieel te helpen. Hier worden de uitgangspunten beschreven waarmee Ferm Werk rekening houdt bij het toepassen van de regels over bijzondere bijstand uit de Participatiewet.
Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Dat is belangrijk omdat de kans op werk met een afgeronde opleiding groter is. Met een studietoeslag krijgt de student een zetje in de rug omdat het inkomen wordt aangevuld. In deze paragraaf staat voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld, welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald.
1. De studietoeslag is bedoeld voor de student die:
b. een MBO- HBO- of WO-opleiding volgt;
c. een tegemoetkoming in de schoolkosten of studiefinanciering van DUO op grond van de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten (WTOS) krijgt of kan krijgen;
d. geen Wajong-uitkering ontvangt;
f. door een medische beperking naast de studie langdurig niets kan bijverdienen.
2. De student moet 18 jaar of ouder zijn en mag geen goede financiële buffer hebben.
Nadat de student een aanvraag heeft ingediend, onderzoekt Ferm Werk of de beperking van de student zo groot is dat hij blijvend niets kan bijverdienen. Ferm Werk doet dat aan de hand van een geneeskundig advies via een onafhankelijke deskundige.
De inkomenstoeslag is bedoeld voor inwoners die al jaren moeten rondkomen van een laag inkomen en geen uitzicht hebben op verbetering van hun inkomen. Het is een extraatje dat jaarlijks kan worden aangevraagd en waarmee het inkomen wordt aangevuld. Hier is beschreven voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
1. De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner die:
2. De kostendelersnorm wordt niet toegepast.
7.41. 7.5. Groene Hart Pas (GHP)
De Groene Hart Pas is in januari 2025 ingevoerd als uitvoeringsinstrument voor de declaratieregeling. Inwoners met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum kunnen met de Groene Hart Pas meedoen in de samenleving. Gemeente Montfoort werkt binnen de GHP samen met de gemeenten Woerden, Oudewater, Bodegraven-Reeuwijk en de Ronde Venen.
Op de pas staat een bestedingstegoed dat inwoners kunnen besteden aan activiteiten ter bevordering van maatschappelijke participatie. Doelstelling van de Groene Hart Pas is de maatschappelijke participatie van inwoners met een laag inkomen te vergroten en sociale uitsluiting te voorkomen.
De inwoner die geen goede financiële buffer heeft en een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm komt in aanmerking voor de Groene Hart Pas.
7.5.3. Maatschappelijke activiteiten
Inwoners mogen zelf bepalen waar ze het bestedingstegoed op de Groene Hart Pas aan besteden. Zij hebben hierin de vrije keuze uit een bestedingsaanbod. Dit bestedingsaanbod bestaat uit een uitgebreid aanbod van sportactiviteiten, culturele activiteiten, maatschappelijke activiteiten, winkels (bijv. boekenwinkels, sportwinkels, etc.) en attracties. Alles wat binnen het bestedingsaanbod valt heeft als doel de maatschappelijke participatie te bevorderen. Dit bestedingsaanbod wordt voortdurend uitgebreid, waardoor het aanbod zo goed mogelijk aansluit bij de wensen van de doelgroep.
Kanttekening: De bijdrage wordt niet verstrekt voor sportactiviteiten en culturele activiteiten van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar waarvoor een bijdrage uit een andere voorliggende voorziening – zoals het Jeugdfonds Sport & Cultuur – wordt verstrekt.
7.6. Jeugdfonds Sport & Cultuur
Kinderen vormen een belangrijke groep waar de gemeente verantwoordelijk voor is. De gemeente heeft maatregelen genomen om armoede onder kinderen tegen te gaan en kinderen te helpen mee te doen aan maatschappelijke activiteiten. Hiervoor is er – naast de Groene Hart Pas – het Jeugdfonds Sport & Cultuur.
Het Jeugdfonds Sport & Cultuur is bedoeld voor sportactiviteiten en culturele activiteiten van kinderen in de leeftijd tot 18 jaar.
Het inkomen van de ouders van de kinderen moet lager zijn dan 120% van de bijstandsnorm.
7.6.3. Inhoud Jeugdfonds Sport & Cultuur
De inwoner kan zich aanmelden voor het jeugdfonds via een digitaal aanmeldingsformulier op www.allekinderendoenmee.nl.
Voor inwoners met een laag inkomen heeft de gemeente de volgende voorzieningen:
7.7.2. Collectieve zorgverzekering
a. een lagere premie voor de basisverzekering en de aanvullende verzekeringen; en
b. een extra vergoeding van bepaalde zorgkosten.
2. De collectieve zorgverzekering is bedoeld voor de inwoner die moet rondkomen van een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm.
3. De inwoner met een inkomen dat lager is dan 120% van de bijstandsnorm krijgt een bijdrage in de zorgpremie van de aanvullende zorgverzekering.
7.7.3. Bijdrage voor mensen met een chronische ziekte of beperking
De gemeente bekijkt elk jaar de hoogte van de bijdrage. Een eventuele aanpassing van de bijdrage gaat dan in per 1 januari van het jaar erna.
De gemeente heeft de taak om inwoners met schulden te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente als inwoners om hulp vragen.
7.8.2. Samenwerking en toegang
Bij binnenkomende signalen van betalingsachterstanden wordt er door Schulddienstverleningsinstantie op verschillende manieren geprobeerd om in contact te komen met de betreffende inwoner. Hierbij kan gedacht worden aan telefonisch contact, contact via whatsapp, huisbezoek(en), mailcontact, het uitdelen van flyers en/of het verzenden van brieven. De wijze van contact wordt afgestemd op de specifieke situatie van de inwoner.
7.8.4. Aanbod schulddienstverlening
a. het aanvaarden van aanvullende hulpverlening, als die nodig is om een langdurig effect te bereiken;
b. als de inwoner geen betaalrekening op zijn eigen naam en zonder debetstand bij een bank heeft, kan de inwoner de verplichting krijgen om een bankrekening te openen.
6. Tijdens het traject heeft de gemeente regelmatig contact met de inwoner om samen met hem te kijken hoe de voortgang is.
7.8.6. Beëindiging schulddienstverlening
De schulddienstverlening kan worden beëindigd als:
a. de inwoner niet of in onvoldoende mate de verplichtingen nakomt;
b. de inwoner zijn beschikbare aflossingscapaciteit of vermogen niet wil gebruiken voor de aflossing van zijn schulden;
c. de inwoner onjuiste gegevens heeft verstrekt en de inwoner op basis van de juiste gegevens niet in aanmerking komt voor schulddienstverlening;
d. de inwoner zich misdraagt tegenover medewerkers, die werkzaamheden uitvoeren als onderdeel van de schulddienstverlening;
e. de inwoner in staat is om zijn schulden weer zelf te regelen.
De hulp die de inwoner krijgt is in principe ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet en stemt de vorm ervan af op het doel van de hulp. Dat kan in de vorm van een dienst zijn (bijvoorbeeld hulp in de huishouding), maar het is ook mogelijk dat er een product wordt gegeven (bijvoorbeeld een rolstoel). In bepaalde gevallen kan de hulp in de vorm van geld worden gegeven (bijvoorbeeld een inkomenstoeslag) of als een persoonsgebonden budget (pgb). In dit hoofdstuk is geregeld op welke manier de inwoner de hulp krijgt en wanneer de inwoner een financiële bijdrage moet betalen voor Wmo-hulp.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De inwoner die hulp krijgt, ontvangt de hulp in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is bepaald. Hulp in de vorm van geld hoeft meestal niet terugbetaald te worden. Alleen als in de wet of in deze verordening anders is bepaald en dit aansluit bij de persoonlijke situatie van de inwoner, moet het geld wel worden terugbetaald.
De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven, behalve als het doel van de betaling alleen maar op een andere manier kan worden bereikt. Dan kan het geld op een andere manier, in een andere vorm of aan een andere persoon worden betaald. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een aanbieder of een betaling in contant geld, als de inwoner geen bankrekening heeft.
7.44. 8.3. Persoonsgebonden budget
1. De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De gemeente moet het plan goedkeuren en zal daarna het pgb vaststellen.
2. De gemeente baseert de maximale hoogte van het pgb op de kostprijs, waarvoor de gemeente de dienst of het product heeft ingekocht. Met deze kostprijs kan de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp inkopen.
3. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het laagste inkoopbedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Wil de inwoner luxere hulp inkopen dan nodig, vergoedt de gemeente niet meer dan het bedrag voor de goedkoopst passende beschikbare hulp in natura.
4. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met een reële termijn voor de technische afschrijving en met de onderhouds- en verzekeringskosten.
5. Als hulp wordt gegeven door iemand uit het sociale netwerk of door een niet-professionele hulpverlener, dan is het pgb minimaal het wettelijk minimumuurloon, inclusief vakantietoeslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek en maximaal het op basis van de Wlz geldende pgb tarief voor informele hulp. De gemeente betrekt bij de hoogte van het pgb de persoonlijke situatie van de inwoner en de werkervaring en deskundigheid van de hulpverlener.
6. Als hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener, die in dienst is van een aanbieder, die geen contract heeft met de gemeente, dan is het pgb maximaal het laagste inkoopbedrag dat de gemeente zou betalen aan een gecontracteerde aanbieder (hulp-in-natura tarief).
7. Als hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener, die geen personeel in dienst heeft, dan is het pgb maximaal 83% van het laatste inkoopbedrag dat de gemeente zou betalen aan een gecontracteerde aanbieder (hulp-in-natura).
8.3.3. Pgb bij hulp door personen uit het sociale netwerk
a. Deze persoon hanteert een tarief dat minimaal gelijk is aan het wettelijk minimumuurloon voor een persoon van 22 jaar of ouder inclusief vakantietoeslag en bij een 36-urige werkweek.
b. Deze persoon heeft met goede argumenten aangegeven dat hij door het geven van de hulp niet overbelast raakt. Ook is deze persoon in staat om kwalitatief goede hulp te bieden en planmatig te werken.
c. In het pgb-plan staat gemotiveerd waarin de ondersteuning door het sociaal netwerk de gebruikelijke hulp overstijgt en hoe de ondersteuning bijdraagt aan het bereiken van het gewenste effect.
2. Hulp door een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad, wordt altijd als hulp door iemand uit het sociale netwerk gezien.
De gemeente kan aan de SVB vragen om de uitbetaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als er een vermoeden is dat:
8.4. Financiële tegemoetkoming
De gemeente kent een financiële tegemoetkoming pas toe als uit overleg met de inwoner blijkt dat de inwoner (of zijn vertegenwoordiger) in staat is zijn eigen belangen voldoende te behartigen. Een voorwaarde is dat de inwoner de taken die bij een financiële tegemoetkoming horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren.
8.4.2. Hoogte financiële tegemoetkoming
De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het laagste inkoopbedrag dat de gemeente zou betalen voor de hulp die nodig is (hulp in natura-tarief). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Wil de inwoner luxere hulp inkopen dan nodig, vergoedt de gemeente niet meer dan het bedrag voor de goedkoopst passende beschikbare hulp in natura.
1. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten van Wmo-hulp voor de volgende algemene voorzieningen:
a. Maaltijdvoorziening. De bijdrage is gelijk aan de prijs, die de leverancier van de maaltijdvoorziening aanhoudt.
b. Collectief vervoer via de regiotaxi. De bijdrage bestaat uit een opstaptarief en een tarief per zone. Dit tarief is gelijk aan het openbaar vervoer tarief.
c. Sociale alarmering. De bijdrage bestaat uit aansluitkosten en abonnementskosten. De bijdrage is gelijk aan het tarief, dat de leverancier hiervoor aanhoudt.
d. SWOM-auto. De bijdrage bestaat uit maandelijkse abonnementskosten en de ritbijdrage. Voor ritten binnen Montfoort of ritten naar het ziekenhuis geldt een vast tarief en voor ritten buiten Montfoort een tarief per kilometer.
Deze algemene voorzieningen vallen niet onder het abonnementstarief omdat er geen sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie.
De SWOM zorgt voor de inning van de bijdrage voor de algemene voorzieningen met uitzondering van de bijdrage voor het collectief vervoer via de regiotaxi. De taxivervoerder zorgt voor het innen van de bijdrage voor de regiotaxi.
2. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten, het abonnementstarief, voor Wmo-hulp, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner het abonnementstarief totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt het abonnementstarief per maand aan het Centraal Administratiekantoor (CAK). De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
3. De kostprijs van hulp in natura wordt bepaald door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder.
4. De kostprijs van een pgb is gelijk aan het beschikte bedrag.
5. Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen
a. de onderhoudsplichtige ouders, en
b. degene, die anders dan als ouder, samen met de ouder het gezag uitoefent over de minderjarige inwoner, het abonnementstarief.
6. De gemeente vraagt geen bijdrage voor een rolstoel.
9. Afspraken tussen inwoner en gemeente
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen.
7.45. 9.1 Hoe gaan we met elkaar om?
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet, Awb]
7.46. 9.1.1. De rol van de gemeente/jeugdteam/sociaal team/Ferm Werk
Bij ontoelaatbaar gedrag van de inwoner zorgt de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team voor het volgende:
a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over:
De reactie van de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team op ontoelaatbaar gedrag past bij:
De gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team sturen de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat zij gaan doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner daartegen kan doen. Ze maken de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team eventueel de hulp zal voortzetten (als die is stopgezet).
1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn hulpvraag. De gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende:
a. De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn hulpvraag op te lossen.
b. Als de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team hulp verlenen werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn hulpvraag.
c. De inwoner werkt eraan mee dat de hulp van de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team niet langer duurt dan nodig is.
2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn hulpvraag zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende:
a. De inwoner informeert de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend.
b. De gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team geven duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner heeft om alle informatie aan te leveren.
c. De inwoner brengt de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team zo snel mogelijk op de hoogte van zijn beperkingen, als die van belang zijn in het contact met de gemeente, Ferm Werk, het jeugdteam en het sociaal team.
9.2. Afspraken en verplichtingen over uitkeringen
9.2.1. Afstemming op houding en gedrag van de inwoner
Ferm Werk verlaagt de uitkering van een inwoner die zich onacceptabel gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren.
9.3.1. Terugvordering en incasso
9.4. Beëindigen en terugvorderen
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
2. De hulp kan met terugwerkende kracht worden beëindigd(ingetrokken).
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Gemeentewet]
De waarde van de hulp kan van de inwoner worden teruggevorderd vanaf het moment waarop is voldaan aan één of meer van de punten die genoemd worden in artikel 8.4.1.
Wmo-hulp kan alleen worden teruggevorderd als die hulp is beëindigd omdat de inwoner met opzet onjuiste of onvolledige gegevens aan de gemeente heeft verstrekt.
9.5. Hoe is de controle op het nakomen van afspraken?
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
De gemeente en Ferm Werk stellen alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeren de gemeente en Ferm Werk de inwoner op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en hulp.
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd.
10. Inspraak en inwonerparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. De gemeente heeft ingevolge de Wet versterking participatie op decentraal niveau in de Participatieverordening gemeente Montfoort 2026 inwonersparticipatie en uitdagingsrecht geregeld.
Aanvullend hierop kiest de gemeente ervoor de Adviesraad Sociaal domein als instrument voor advies op het gebied van het sociaal domein in stand te houden. In dit hoofdstuk is dit vastgelegd en is de taak van deze raad beschreven.
7.47. 10.1. Inspraak van inwoners
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. Dit aanvullend op de Participatieverordening. Deze is van toepassing, maar wordt voor het sociale domein aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij:
10.2. Hulp van de gemeente bij inspraak
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manier:
10.3. Adviesraad Sociaal Domein
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
1. De gemeente zet zich ervoor in dat de Adviesraad Sociaal Domein een afspiegeling vormt van de Montfoortse samenleving. De Adviesraad Sociaal Domein kan eventueel ervaringsdeskundigen en netwerkpartners met specifieke expertise en betrokkenheid consulteren. Het doel van de Adviesraad Sociaal Domein is dat inwoners en/of hun vertegenwoordigers, door het kenbaar maken van ervaringen, meningen en inzichten, in openheid en op basis van gelijkwaardigheid, vroegtijdig invloed uitoefenen op het beleid en de uitvoering hiervan door of namens de gemeente.
2. De Adviesraad Sociaal Domein bestaat uit 7 leden, waarbij het de voorkeur heeft dat deze leden in de gemeente Montfoort wonen.
3. De leden van de Adviesraad Sociaal Domein kunnen kandidaten voordragen.
4. De leden van de Adviesraad Sociaal Domein worden benoemd door de gemeente, voor een periode van 4 jaar.
5. De gemeente heeft ten minste 2 keer per jaar contact met de Adviesraad Sociaal Domein.
6. De gemeente evalueert elk jaar ten minste 1 keer met de Adviesraad Sociaal Domein hoe de samenwerking gaat. Dan wordt ook besproken of de inspraak goed functioneert.
10.4. Taken en bevoegdheden Adviesraad Sociaal Domein
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
De gemeente betrekt de Adviesraad Sociaal Domein in een zo vroeg mogelijk stadium bij de ontwikkeling van nieuw beleid. De Adviesraad Sociaal Domein adviseert de gemeente uiterlijk 4 weken nadat de gemeente een adviesaanvraag bij de Adviesraad Sociaal Domein heeft ingediend. Deze termijn kan met maximaal 2 weken worden verlengd.
10.5. Budget, vergoeding en voorzieningen
[Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen, een vertrouwenspersoon te spreken of bezwaar te maken. Dit hoofdstuk sluit aan op de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.
11.1. Doelen klacht- en bezwaarprocedure
11.2. Klachtenfunctionaris gemeente
1. De gemeente heeft een klachtenfunctionaris. De inwoner kan bij deze medewerker een klacht indienen over:
a. het gedrag van medewerkers en de manier waarop de inwoner is behandeld
b. de manier waarop de gemeente meldingen en aanvragen heeft afgehandeld
c. de manier waarop de gemeente hulp heeft uitgevoerd
2. De inwoner moet een klacht zo snel mogelijk indienen bij de gemeente. De gemeente informeert de inwoner hoe een klacht kan worden ingediend en hoe de klachtenprocedure verloopt.
11.3. Klachten over andere personen of organisaties
De inwoner die een klacht heeft over het gedrag van een persoon of organisatie die door de gemeente is gecontracteerd om namens de gemeente hulp te verlenen, moet zijn klacht eerst indienen bij die persoon of organisatie. Die persoon of organisatie moet een klachtenregeling hebben en deze met de gemeente hebben gedeeld.
De vertrouwenspersoon kan de jeugdige en/of zijn ouders op verzoek ondersteunen bij problemen, klachten en vragen in verband met de hulpverlening door het jeugdteam, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling jeugdbescherming en jeugdreclassering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (Veilig Thuis).
Nadat de gemeente of Ferm Werk een bezwaarschrift heeft ontvangen, neemt een medewerker telefonisch contact op met de inwoner om het bezwaar te bespreken. De medewerker geeft uitleg over het besluit en informeert bij de inwoner naar argumenten, feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de beoordeling van het bezwaar. Dit gesprek is gericht op verbetering van de besluitvorming door de gemeente of Ferm Werk en kan leiden tot een aanpassing van het besluit.
12. Kwaliteit, inkoop en aanbesteding
De diensten en producten die de gemeente levert, moeten van goede kwaliteit zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoefte van de inwoner. Producten moeten degelijk zijn en goed bruikbaar voor de inwoner. De gemeente moet zich bij de inkoop van diensten en producten aan bepaalde regels houden. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten en producten.
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen. Hier wordt geregeld welke verordening vervangen wordt door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Hier is ook opgenomen dat de gemeente bepalingen uit deze verordening kan uitwerken of verder invullen, dat met regelmaat de werking van de verordening beoordeeld wordt, wat de officiële naam is van deze verordening en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit echt nodig is.
13.1. Werking van de verordening
De gemeente en Ferm Werk kunnen uitvoeringsregels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Deze uitvoeringsregels kunnen de vorm hebben van beleidsregels of van een nadere regeling. Beleidsregels geven aan hoe de gemeente of Ferm Werk met een bepaalde bevoegdheid omgaat. Met een nadere regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt. Er staan in deze verordening geen bedragen maar wel een omschrijving van de totstandkoming van de bedragen. Op basis hiervan zijn de exacte bedragen opgenomen in een nadere regeling. De mogelijkheid om uitvoeringsregels te maken wordt begrensd door de wet.
13.3. Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Een uitkomst is in ieder geval onredelijk als de doelen van de in paragraaf 1.1 genoemde wetten of de doelen van deze verordening door het toepassen van de regels juist niet worden gehaald.
13.4. Intrekken oude verordeningen
De volgende verordening wordt ingetrokken op de datum dat deze verordening ingaat:
* Verordening sociaal domein gemeente Montfoort 2020
Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 9 februari 2026
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
* Soms worden bepaalde begrippen in meerdere wetten gebruikt en hebben ze in die wetten een verschillende betekenis. Hier staat wat de betekenis van deze begrippen in deze verordening is.
* Voor een aantal begrippen geldt dat ze in deze verordening een ruimere betekenis hebben dan in de genoemde wetten, omdat zoveel mogelijk is aangesloten bij het normale, dagelijkse taalgebruik.
* Ook staan er voor de duidelijkheid enkele wettelijke begrippen in de lijst, die in deze verordening wel dezelfde betekenis hebben, maar hier in andere woorden zijn omschreven.
* Ten slotte worden in deze verordening ook begrippen gebruikt die niet zijn terug te vinden in de wetten. Ook die zijn hier omschreven.
Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die goederen of diensten levert op grond van een besluit van de gemeente.
Abonnementstarief: een vast tarief per maand dat betaald moet worden voor hulp die op grond van de Wmo wordt verstrekt.
Andere voorziening: een voorziening waarop de inwoner een beroep kan doen voor de hulp die hij nodig heeft. Het gaat om voorzieningen die buiten de regeling liggen van de aangevraagde voorziening of om voorzieningen die binnen het bereik van die regeling liggen, maar vrij toegankelijk zijn voor de inwoner. Dat kan bijvoorbeeld een andere uitkering zijn, een algemeen gebruikelijke, algemene of collectieve voorziening, of voorzieningen als alimentatie en toeslagen.
AOW-leeftijd: leeftijd waarop de AOW-uitkering ingaat.
Arbeidsinschakeling: aan het werk (kunnen) gaan.
Arbeidsverplichting: de verplichting om mee te werken aan de arbeidsinschakeling of het leveren van een tegenprestatie, als bedoeld in artikel 9 van de Participatiewet, artikel 37 van de IOAW en artikel 37 van de IOAZ.
Armoedeval: achteruitgang in inkomen als een uitkeringsgerechtigde een baan aanneemt op of rond het minimumloon. Dit komt door het wegvallen van tegemoetkomingen van de gemeente of van toeslagen zoals huurtoeslag en zorgtoeslag.
Beperking: de vermindering van mogelijkheden door een lichamelijke, verstandelijke, zintuiglijke, psychische of psychosociale handicap, waardoor een belemmering ontstaat in het sociaal-maatschappelijk functioneren.
Bijstandsnorm: de maximale hoogte van de bijstandsuitkering bedoeld in artikel 5, onderdeel c van de Participatiewet. De hoogte hangt af van de woon- en leefsituatie en de leeftijd van de inwoner.
Collectief taxivervoer: vervoer van deur tot deur, op afroep en met een deeltaxi (ook wel collectief vraagafhankelijk vervoer genoemd).
Declaratieregeling: regeling die is bedoeld om kosten van maatschappelijke activiteiten te vergoeden zodat inwoners met een laag inkomen hieraan kunnen deelnemen. Het gaat dan om kosten om te sporten en om mee te doen aan culturele en andere maatschappelijke activiteiten.
Duurzame hulpverleningsrelatie: er is sprake van een duurzame hulpverleningsrelatie als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
- de inwoner ontvangt persoonlijke hulp van een hulpverlener; en
- de band tussen de inwoner en de hulpverlener moet blijven bestaan voor goede hulpverlening; en
- de inwoner maakt langdurig gebruik van de hulpverlening.
Effect: het resultaat of het doel.
Ferm Werk: organisatie die namens de gemeente Montfoort de gemeentelijke taken op het gebied van participatie, werk en inkomen uitvoert.
Financiële buffer: vermogen. Een goede financiële buffer is een vermogen op of boven de vermogensgrens bedoeld in artikel 34, lid 3 van de Participatiewet.
Fraude: het verstrekken van onjuiste en/of onvolledige gegevens, of het verzwijgen of niet (op tijd) verstrekken van gegevens. Het gaat om gegevens die nodig zijn om te bepalen of er recht op een uitkering of een voorziening is, en om de duur en hoogte van die uitkering of voorziening vast te stellen. Door fraude wordt een uitkering of voorziening helemaal of gedeeltelijk ten onrechte verstrekt.
Gebruikelijke hulp: de hulp die over het algemeen mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Voor de Jeugdwet worden met ouders ook andere opvoeders en verzorgers bedoeld.
Gemeente: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montfoort.
Gesprek: gesprek waarin de inwoner zijn hulpvraag, zijn persoonlijke situatie en het effect dat hij wil bereiken bespreekt.
Grote afstand tot de arbeidsmarkt: deelname aan de arbeidsmarkt is redelijkerwijs niet mogelijk binnen één jaar.
Hulp: ondersteuning bij de arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet, artikel 36 van de IOAW en artikel 36 van de IOAZ, bijstand als bedoeld in artikel 7 Participatiewet, een uitkering als bedoeld in artikel 5 IOAW en artikel 5 IOAZ, inkomensondersteuning op grond van artikel 147 Gemeentewet, maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo, jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, schulddienstverlening als bedoeld in artikel 1 van de Wgs.
De hulp bestaat uit een op de inwoner afgestemde voorziening.
* Als het gaat om een voorziening in het kader van de Wmo: een maatwerkvoorziening.
* Als het gaat om een voorziening in het kader van de Participatiewet: een voorziening bij de arbeidsinschakeling of bijzondere bijstand.
* Als het gaat om schulddienstverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening: op de inwoner afgestemde hulp bij het aflossen van schulden.
* Als het gaat om een voorziening in het kader van de Jeugdwet: een voorziening die op een jongere of zijn ouders is afgestemd als bedoeld in artikel 2.3 van de Jeugdwet.
Hulpvraag: de behoefte aan ondersteuning die de inwoner bij de melding heeft.
Inkomen: het inkomen, bedoeld in artikel 32, lid 1 van de Participatiewet.
Inkomensondersteuning: financiële ondersteuning die kan bestaan uit bijzondere bijstand, studietoeslag, individuele inkomenstoeslag of een vergoeding op basis van de declaratieregeling.
Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet. Met inspraak wordt in artikel 10.1 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen en over iets mee te beslissen.
Inwoner: de persoon die in de gemeente woont volgens de regels van het Burgerlijk Wetboek (titel 3, Boek 1 BW) en die daar rechtmatig verblijft. Gaat het om Wmo-hulp, dan betreft het de ingezetene van de gemeente als bedoeld in artikel 1.2.1 Wmo en de ingezetene van Nederland die zich bij de gemeente meldt voor maatschappelijke opvang of beschermd wonen. Gaat het om jeugdhulp, dan betreft het de jeugdige die zijn woonplaats heeft in de gemeente Montfoort en de ouder(s) van de jeugdige. Gaat het om schulddienstverlening, dan betreft het degene die in de basisregistratie personen van de gemeente als ingezetene is ingeschreven. Voor de toepassing van de hoofdstukken 9 en 11 wordt onder inwoner ook verstaan: de persoon die hulp van de gemeente heeft gehad maar zijn woonplaats niet meer daar heeft. Onder rechtmatig verblijf wordt verstaan: verblijf dat geen wettelijke belemmering oplevert voor hulp door de gemeente.
IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers.
IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.
Jeugdhulp: hulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Jeugdige: de minderjarige. Als het gaat om de Jeugdwet: de jeugdige, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Jeugdteam: het team dat namens de gemeente Montfoort uitvoering geeft aan het onderzoeken van meldingen van inwoners en het toeleiden naar passende jeugdhulp op grond van de Jeugdwet.
Kostendelersnorm: norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen.
Levensonderhoud: de dagelijkse bestaanskosten, zoals kosten voor voeding, kleding, huur, energie, water en (zorg)verzekeringen.
Medewerker: de persoon die namens het college van burgemeester en wethouders of namens het dagelijks bestuur van Ferm Werk optreedt.
Ondersteuningsplan: een plan van aanpak dat de gemeente samen met de inwoner opstelt. Hierin staan de knelpunten die de inwoner in het maatschappelijk leven ervaart, de gewenste hulp en mogelijke oplossingen die de gemeente ziet.
Ouders: ouders, pleegouders, voogden of verzorgers van de jongere.
Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de inwoner die van belang zijn, inclusief de behoefte van de inwoner en de godsdienstige en levensbeschouwelijke overtuiging.
Pgb-plan: een plan van aanpak dat de inwoner opstelt over de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan geeft de inwoner onder andere aan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de voortgang van die hulp gewaarborgd worden.
Professionele hulpverlener: iemand die beroepsmatig hulp verleent en voldoet aan de eisen die daaraan gesteld zijn.
Programmabegroting: in de programmabegroting legt de gemeenteraad vast wat ze wil bereiken, hoe ze dit gaat realiseren en wat het gaat kosten. Het is een belangrijk sturingsinstrument van de gemeenteraad. Per programma worden de doelstellingen, beoogde effecten, activiteiten en prestaties en een overzicht van de baten en lasten weergegeven. De gemeenteraad stelt jaarlijks in november de programmabegroting voor het volgende jaar vast.
Samenwonen: een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 3 van de Participatiewet.
Schulddienstverleningsinstantie: organisatie die namens de gemeente Montfoort de gemeentelijke taken op het gebied van schulddienstverlening uitvoert.
Sociaal netwerk: huisgenoten of andere personen met wie de inwoner een sociale relatie onderhoudt (inclusief mantelzorgers).
Sociaal team: het team dat namens de gemeente Montfoort uitvoering geeft aan het onderzoeken van meldingen van inwoners en het toeleiden naar passende ondersteuning op grond van de Wmo.
Startkwalificatie: een startkwalificatie is een diploma van de havo, het vwo of het mbo niveau 2 of hoger.
Uitkering: de bijstandsuitkering, de IOAW- of de IOAZ-uitkering.
De bijstandsuitkering is de algemene bijstand voor levensonderhoud, bedoeld in artikel 5, onderdeel b van de Participatiewet. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met bijstandsuitkering bedoeld: de algemene bijstand plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
Uitkeringsnorm: de maximale hoogte van een uitkering; dit is de bijstandsnorm uit de Participatiewet of de grondslag bedoeld in de IOAW of IOAZ. Gaat het om een jongere van 18 tot 21 jaar, dan wordt met uitkeringsnorm bedoeld: de bijstandsnorm plus de aanvullende bijzondere bijstand op grond van artikel 12 van de Participatiewet.
Vervoermiddel: een middel dat de inwoner kan gebruiken om zich te kunnen verplaatsen bijvoorbeeld een auto, (elektrische) fiets, scootmobiel.
Vrij toegankelijke hulp: hulp die beschikbaar is zonder verwijzing van een huisarts, medisch specialist, jeugdarts of besluit van de gemeente.
Vroegsignalering: een wettelijke taak die de gemeente op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening dient uit te voeren. Bij vroegsignalering wordt via vaste lasten partners een signaal gegeven aan de gemeente zodra sprake is van een betalingsachterstand. Door deze problemen tijdig te herkennen en aan te pakken wordt voorkomen dat inwoners (problematische) schulden krijgen, Eventuele problemen worden in een vroeg stadium gesignaleerd en inwoners krijgen de juiste hulp en ondersteuning via de gemeente
Wet: de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ, de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet.
Wgs: Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.
Wmo: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Wmo-hulp: de maatschappelijke ondersteuning, bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo.
WSNP-traject: WSNP staat voor de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De rechter bepaalt de toegang tot een WSNP-traject. Aan dit traject zijn strenge voorwaarden verbonden en er wordt een bewindvoerder toegewezen. Na afloop van het traject worden de schulden gesaneerd: er zijn dan geen schulden meer.
[1] Uit de memorie van toelichting bij de Jeugdwet volgt dat het college deze voorwaarde ook onder de Jeugdwet (in navolging van de Awbz) mag stellen, zie TK 2012-2013, 33 684, nr. 3, p. 120-121.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-124984.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.