U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02

De gemeenteraad van Gemeente Nijmegen, bijeen in zijn vergadering van 11‑03‑2026.

Besluit vast te stellen;

Artikel I

Het "Omgevingsplan gemeente Nijmegen" conform de wijzigingen in Bijlage A Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02

Artikel II

Dit besluit treedt in werking per 13‑04‑2026.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 11‑03‑2026.

De raadsgriffier,

Drs. S.J. Ruta

De voorzitter,

Drs. H.M.F. Bruls

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Hoofdstuk 3 wordt geplaatst na hoofdstuk 1. Hoofdstuk 3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 3 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING

Afdeling 3.1 2.1 [GERESERVEERD] FUNCTIES

[Gereserveerd]

Afdeling 3.2 2.2 GEBIEDEN

Paragraaf 3.2.1 2.2.1 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.2 2.2.2 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.3 2.2.3 Waardengebieden
Subparagraaf 3.2.3.1 2.2.3.1 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde

[Gereserveerd]

Artikel 2.3 Aanwijzing

Er is een Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde.

Artikel 2.4 Regels voor activiteiten in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.2 2.2.3.2 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde

[Gereserveerd]

Artikel 2.6 Regels voor activiteiten in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.3 2.2.3.3 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde

[Gereserveerd]

Artikel 2.7 Aanwijzing

Er is een Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde.

Artikel 2.8 Regels voor activiteiten in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.4 2.2.3.4 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde

[Gereserveerd]

Artikel 2.10 Regels voor activiteiten in een gebied met een (zeer) grote archeologische waarde

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.5 2.2.3.5 [gereserveerd] Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde

[Gereserveerd]

Artikel 2.12 Regels voor activiteiten in een gebied met een uitzonderlijk universele of vastgestelde archeologische waarde

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 2.2.3.6 Waardengebied archeologie - maatwerk

Artikel 2.13 Aanwijzing

Er is een Waardengebied archeologie - maatwerk.

Artikel 2.14 Regels voor activiteiten in een gebied met maatwerk

Bij activiteiten in een Waardengebied archeologie - maatwerk wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.2.1: Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Subparagraaf 3.2.3.6 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Subparagraaf 3.2.3.7 2.2.3.7 Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop

Artikel 3.1 2.15 Aanwijzing

Er is een Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop.

Artikel 3.2 2.16 Regels voor activiteiten in een molenbiotoop

Bij activiteiten in een Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop wordt voldaan aan: 

  • a.

    Paragraaf 5.3.1: ActiviteitenActiviteit in een molenbiotoop. 

Paragraaf 3.2.4 2.2.4 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.5 2.2.5 Beperkingengebieden Belemmeringengebieden
Subparagraaf 3.2.5.1 2.2.5.1 Beperkingengebied Belemmeringengebied energie - interferentiegebied

Artikel 3.4 2.18 Doelen

Voor het BeperkingengebiedBelemmeringengebied energie - interferentiegebied geldt het volgende doel: 

  • a.

    het op efficiënte wijze benutten van de bodem voor bodemenergiesystemen;

Artikel 3.5 2.19 Regels voor interferentiegebieden

Met het oog op efficiënt benutten van de bodem voor bodemenergiesystemen wordt voldaan aan de regels in:  

  • a.

    Paragraaf 8.3.1: Gesloten bodemenergiesysteem installeren.

Paragraaf 3.2.6 2.2.6 [gereserveerd]

[Gereserveerd]

Paragraaf 3.2.7 2.2.7 Overige gebieden
Subparagraaf 3.2.7.1 2.2.7.1 Bebouwingscontour houtkap

Artikel 3.6 2.20 Aanwijzing

Er is een Bebouwingscontour houtkap als bedoeld in artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving, waarbinnen de regels over houtopstanden van afdeling 11.3 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet van toepassing zijn. 

Afdeling 3.3 2.3 THEMA'S

Paragraaf 3.3.1 2.3.1 Bodem
Subparagraaf 3.3.1.1 2.3.1.1 Bodembeheergebied

Artikel 3.7 2.21 Aanwijzing

Er is een Bodembeheergebied, waarin afgeweken mag worden van de kwaliteitseisen voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem op grond van de artikelen 4.1273, 4.1275 en 4.1279 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 3.8 2.22 Doelen

Voor het Bodembeheergebied gelden de volgende doelen: 

  • a.

    het beschermen van de gezondheid; 

  • b.

    het beschermen van het milieu; en

  • c.

    het beheer van de bodem en watersystemen.

Artikel 3.9 2.23 Bodemfunctieklasse

Het hele Bodembeheergebied, als bedoeld in artikel 3.72.21, is ingedeeld in de bodemfunctieklasse ‘wonen’.

Artikel 3.10 2.24 Regels voor het beschermen van de fysieke leefomgeving

Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de mens wordt voldaan aan de regels in:  

  • a.

    Paragraaf 4.2.1: Bodemgevoelig gebouw bouwen of uitbreiden of een bodemgevoelige locatie toevoegen. 

Artikel 3.11 2.25 Regels voor het beschermen van het milieu

Met het oog op het beschermen van het milieu en het beheer van de bodem en watersystemen, wordt bij activiteiten in de bodem voldaan aan de regels in: 

  • a.

    Paragraaf 8.2.2: Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit;

  • b.

    Paragraaf 8.2.3: Graven in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit;

  • c.

    Paragraaf 8.2.4: Saneren van de bodem;

  • d.

    Paragraaf 8.2.5: Nazorg na saneren van de bodem; 

  • e.

    Paragraaf 8.2.6: Toepassen van bouwstoffen;

  • f.

    Paragraaf 8.2.7: Toepassen van grond of baggerspecie; 

  • g.

    Paragraaf 8.2.8: Opslaan van grond of baggerspecie; en

  • h.

    Paragraaf 8.2.9: Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. 

Artikel 3.12 2.26 Register van verdachte bodemlocaties

  • 1.

    Er is een register van verdachte bodemlocaties.

  • 2.

    Het register wordt beheerd door het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het register is voor eenieder langs elektronische weg toegankelijk.

  • 4.

    Het register wordt voortdurend geactualiseerd.

Subparagraaf 3.3.1.2 2.3.1.2 Bodemkwaliteit - bestaande stad tot 1945

Artikel 3.13 2.27 Aanwijzing

Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945.

Subparagraaf 3.3.1.3 2.3.1.3 Bodemkwaliteit - bestaande stad 1945 tot 1965

Artikel 3.14 2.28 Aanwijzing

Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965.

Subparagraaf 3.3.1.4 2.3.1.4 Bodemkwaliteit - bestaande stad vanaf 1965

Artikel 3.15 2.29 Aanwijzing

Er is een Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965.

Subparagraaf 3.3.1.5 2.3.1.5 Bodemkwaliteit - Waalsprong

Artikel 3.16 2.30 Aanwijzing

Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong.

Subparagraaf 3.3.1.6 2.3.1.6 Bodemkwaliteit - Veur Lent

Artikel 3.17 2.31 Aanwijzing

Er is een Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent.

Paragraaf 2.3.2 Monumenten
Subparagraaf 2.3.2.1 Archeologisch Rijksmonument

Artikel 2.32 Aanwijzing archeologisch Rijksmonument

Er is een Archeologisch Rijksmonument.

Artikel 2.33 Schakelbepaling voor archeologische Rijksmonumenten

Bij activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch Rijksmonument is afdeling 5.1 van de Omgevingswet van toepassing. 

B

Hoofdstuk 2 wordt geplaatst na hoofdstuk 3. Hoofdstuk 2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 2 3 [GERESERVEERD] BESCHERMEN VAN VITALE FUNCTIES

[Gereserveerd]

C

Artikel 4.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.2 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het toevoegen van een bodemgevoelige locatie of het uitbreiden van een bestaande bodemgevoelige locatie; 

    • b.

      het bouwen van een bodemgevoelig gebouw of het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw;

    • c.

      het toevoegen van woonruimte in een bestaand bodemgevoelig gebouw; en 

    • d.

      het starten van een maatschappelijke voorziening in een bestaand bodemgevoelig gebouw, inclusief:

      • 1.

        het starten van een kinderdagverblijf of buitenschoolse opvang; en 

      • 2.

        starten van een primair onderwijsvoorziening.

  • 2.

    In deze paragraaf wordt onder sanerende of andere beschermende maatregelen verstaan:

    • a.

      sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      de regels in paragraaf 8.2.4.

D

Artikel 4.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.7 Inperking van uitzondering: verdachte bodemlocaties

Artikel 4.6 eerste lid is niet van toepassing op locaties die in het Register met verdachte bodemlocaties, bedoeld in artikel 3.122.26, zijn aangewezen als verdachte bodemlocatie

E

Artikel 4.11 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan)

  • 1.

    In aanvulling op artikel 22.29 wordt een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 alleen verleend als:

    • a.

      de bodemkwaliteit voldoet aan de toelaatbare bodemkwaliteit, bedoeld in artikel 4.4; 

    • b.

      als uit de gegevens blijkt dat aannemelijk is dat sanerende of beschermende maatregelen worden getroffen; óf

    • c.

      de bodem geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde doel door het stellen van voorwaarden.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing in het Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965, tenzij de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft in het Register met verdachte bodemlocaties, bedoeld in artikel 3.122.26, is aangewezen als verdachte bodemlocatie.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het uitbreiden van een bestaand bodemgevoelig gebouw, met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 50 m2.

F

Het opschrift van artikel 4.12 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Voorschriften bij omgevingsvergunning: bodemgevoelig gebouw bouwen, bodemgevoelige locatie toevoegen of bouwactiviteit (omgevingsplan)

G

Afdeling 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Afdeling 5.2 [GERESERVEERD] ARCHEOLOGIE

[Gereserveerd]

Paragraaf 5.2.1 Activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

Artikel 5.2 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op activiteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden als het gaat om: 

    • a.

      het graven in de land- of waterbodem

    • b.

      het indrijven van voorwerpen in de land- of waterbodem; 

    • c.

      het ophogen van de land- of waterbodem; 

    • d.

      het toevoegen van oppervlakteverharding;

    • e.

      het verlagen van de grondwaterstand; 

    • f.

      het rooien van een diepwortelende plant of boom; 

    • g.

      het bewerken van de landbodem. 

  • 2.

    De regels van deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op de locatie Gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

Artikel 5.3 Oogmerken

De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen en (in situ) behouden van archeologische waarden; 

  • b.

    het behouden en beschermen van de uitzonderlijk universele waarde van de Neder-Germaanse Limes; en

  • c.

    het benutten van cultureel erfgoed en het beleefbaar maken van de rijke geschiedenis.

Artikel 5.4 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een activiteit als bedoeld in artikel 5.2 eerste lid te verrichten. 

Artikel 5.5 Meldplicht: activiteit in een gebied met een vrijgestelde verticale bouwdiepte
  • 1.

    In afwijking van artikel 5.4 is het verboden een activiteit als bedoeld in artikel 5.2eerste lid uit te voeren in een Waardengebied archeologie - maatwerk zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij:

  • 2.

    In afwijking van artikel 5.4 is het verboden funderingspalen in de landbodem te drijven op de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 2 zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij ten minste één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

  • 3.

    Een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid bevat:

    • a.

      een omschrijving van de uit te voeren activiteit(en), inclusief:

      • 1.

        de omvang van de bodemverstorende activiteit(en) in vierkante meters (m²);

      • 2.

        de graafdiepte in meters ten opzichte van NAP;

      • 3.

        de geplande start- en einddatum van de werkzaamheden en een globale fasering; 

      • 4.

        de methode van uitvoering van de werkzaamheden (handmatig of machinaal), inclusief het in te zetten materieel; en

    • b.

      een situatietekening van de locatie waarop de activiteit(en) betrekking heeft, voorzien van:

      • 1.

        een noordpijl;

      • 2.

        ten minste twee coördinatenparen (RD- of GPS-coördinaten); en

      • 3.

        de exacte locatie en omvang van de voorgenomen activiteit(en);

    • c.

      doorsnedetekeningen van de voorgenomen activiteit(en), met daarop per afzonderlijke ingreep aangegeven:

      • 1.

        de locatie;

      • 2.

        de omvang; en 

      • 3.

        de diepte ten opzichte van NAP.

  • 4.

    In aanvulling op het derde lid bevat een melding als bedoeld in het tweede lid tevens een omschrijving van het type funderingspaal en het aantal funderingspalen.

Artikel 5.6 Uitzondering op vergunningplicht: algemene vrijstellingen
  • 1.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit niet dieper reikt dan 0,3 meter onder het maaiveld of de waterbodem.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.4 geldt niet als de activiteit betrekking heeft op het ophogen van de landbodem met een hoogte gelijk aan of kleiner dan 1,0 meter. 

  • 3.

    Voor zover de uitzondering, bedoeld in het eerste of tweede lid, niet van toepassing is, geldt het vierde lid.

  • 4.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de gezamenlijke oppervlakte van de aangevraagde activiteit(en) gelijk aan of kleiner is dan: 

    met dien verstande dat bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte bestaande bouwwerken worden meegerekend, met uitzondering van het oorspronkelijk hoofdgebouw.

  • 5.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit wordt verricht in het kader van het bouwen van een bouwwerk, uitsluitend indien het bouwwerk niet meer dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw wordt gebouwd. 

  • 6.

    Het verbod, als bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als de activiteit wordt verricht:

    • a.

      in het kader van normaal onderhoud en beheer, waaronder begrepen:

      • 1.

        werkzaamheden die worden uitgevoerd ten behoeve van onderhoud aan, alsmede vervanging van, ondergrondse infrastructuur waarbij gewerkt wordt in reeds bestaande tracés en waarbij derhalve niet in nog ongeroerde grond wordt gegraven; en

      • 2.

        het baggeren van bestaande watergangen, waarbij geen werkzaamheden buiten de bestaande leggerprofielen van de watergangen worden uitgevoerd;

    • b.

      krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning; of

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek.

  • 7.

    Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als: 

Artikel 5.7 Inperking uitzondering in gebieden met uitzonderlijke universele of vastgestelde archeologische waarde

De uitzonderingen genoemd in artikel 5.6eerste tot en met het vijfde lid, zijn niet van toepassing in een Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde

Artikel 5.8 Inperking uitzondering in Middeleeuwse kern

De uitzondering genoemd in artikel 5.6 vijfde lid is niet van toepassing op de locatie Waardengebied archeologie - middeleeuwse kern.

Artikel 5.9 Inperking uitzondering in verband met start archeologisch onderzoek

De uitzonderingen genoemd in artikel 5.6 gelden niet indien er een archeologische monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus) als opgenomen in onderstaande afbeelding is opgestart middels archeologisch vooronderzoek, bestaande uit bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek, conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

afbeelding binnen de regeling
De KNA processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ)Gemeente Nijmegen
Artikel 5.10 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden
  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.4 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een archeologisch rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld; of

    • b.

      andere bewijsstukken waaruit volgt dat er geen archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid worden tevens de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: 

    • a.

      een omschrijving van de uit te voeren activiteit(en), inclusief:

      • 1.

        de omvang van de activiteit(en) in vierkante meters (m²);

      • 2.

        de geplande start- en einddatum van de werkzaamheden en een globale fasering; 

      • 3.

        bij funderingswerkzaamheden: het type funderingspaal en het aantal funderingspalen; en

      • 4.

        de methode van uitvoering van de werkzaamheden (handmatig of machinaal), inclusief het in te zetten materieel; 

    • b.

      een situatietekening van de locatie waarop de activiteit(en) betrekking heeft, voorzien van:

      • 1.

        een noordpijl;

      • 2.

        ten minste twee coördinatenparen (RD- of GPS-coördinaten); en

      • 3.

        de exacte locatie en omvang van de voorgenomen activiteit(en);

    • c.

      doorsnedetekeningen van de voorgenomen activiteit(en), met daarop per afzonderlijke ingreep aangegeven:

      • 1.

        de locatie;

      • 2.

        de omvang; en 

      • 3.

        de diepte ten opzichte van NAP.

Artikel 5.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 wordt alleen verleend als met een archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de aanwezige archeologische waarden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad als gevolg van de activiteit.

Artikel 5.12 Adviesprocedure

Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4 betrekking heeft op gronden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen de locatie Neder-Germaanse Limes: bufferzone aquaduct, stelt het bevoegd gezag Gedeputeerde Staten in de gelegenheid binnen vier weken advies uit te brengen over de aanvraag.

Artikel 5.13 Voorschriften bij omgevingsvergunning

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.4, kunnen met het oog op het beschermen van de archeologische waarden in de bodem in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot: 

  • a.

    het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in situ kunnen worden behouden;

  • b.

    het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet; 

  • c.

    het begeleiden van de activiteiten waarvoor een omgevingsvergunning is verleend door een daarvoor aangewezen archeologisch deskundige;

  • d.

    het doen van nader archeologisch onderzoek; en

  • e.

    het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

H

Het opschrift van paragraaf 5.3.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 5.3.1 Activiteiten Activiteit in een molenbiotoop

I

Het opschrift van artikel 5.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.2 5.14 Toepassingsbereik

J

Het opschrift van artikel 5.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.3 5.15 Oogmerken

K

Het opschrift van artikel 5.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.4 5.16 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

L

Artikel 5.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.5 5.17 Uitzondering op vergunningplicht: activiteit in een molenbiotoop

Het verbod, bedoeld in artikel 5.45.16, geldt niet voor:

  • a.

    het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan;

  • b.

    het bouwen van een dakkapel; en

  • c.

    het herbouwen van een bestaand gebouw als wordt voldaan aan de volgende regels:

    • 1.

      het bebouwde oppervlak en de situering wijzigt niet;

    • 2.

      de goot- en bouwhoogte zijn kleiner of gelijk aan de goot- en bouwhoogte van het bestaande gebouw; en

    • 3.

      de nokrichting en kapvorm wijzigt niet.

M

Artikel 5.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.6 5.18 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.45.16 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een inventariserend onderzoek naar de windvang van de molen in de bestaande en toekomstige situatie.

N

Artikel 5.7 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.7 5.19 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.45.16 wordt alleen verleend als:

  • a.

    uit een inventariserend onderzoek naar de windvang van de molen blijkt dat de te verwachten directe of indirecte gevolgen door windbelemmering het huidige en het toekomstige functioneren van de molen als werktuig niet beperkt; en

  • b.

    de waarde van de molen als landschapselement en de cultuurhistorische waarde, niet onevenredig in gevaar worden gebracht. 

O

Na afdeling 6.3 worden tien afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 6.4 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.5 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.6 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.7 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.8 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.9 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.10 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.11 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.12 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

Afdeling 6.13 [GERESERVEERD]

[Gereserveerd]

P

Artikel 7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.1 Algemeen toepassingsbereik

Deze afdeling gaat overis van toepassing op het bevorderen van duurzaamheid bij bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten. 

Q

Artikel 7.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.2 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op:

  • a.

    het bouwen van een nieuw hoofdgebouw; en 

  • b.

    het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw, waarbij tenminste 25% van de oppervlakte van de bouwschil wijzigt.

R

Artikel 7.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan)

  • 2 1.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en

    • b.

      voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:

      • 1.

        alle gevels van het bouwwerk in de bestaande toestand;

      • 2.

        alle gevels van het bouwwerk in de nieuwe toestand;

      • 3.

        een dakaanzicht in de bestaande toestand; en

      • 4.

        een dakaanzicht in de nieuwe toestand.

  • 1 2.

    Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuw hoofdgebouw worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een ingevuld format in bijlage B van de Toolbox Natuurinclusief Bouwen; en

    • b.

      voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de natuurinclusieve maatregelen, tekeningen van:

      • 1.

        alle gevels van het bouwwerk; en

      • 2.

        een dakaanzicht.

  • 3.

    Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.

S

Artikel 7.6 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan)

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het bouwen van een hoofdgebouw wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.

  • 2.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitbreiden of ingrijpend wijzigen van een bestaand hoofdgebouw, bedoeld in artikel 7.2 aanhef onder b, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen, waarbij getoetst wordt aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen, als vastgesteld op 28 november 2023, met dien verstande dat wanneer de voornoemde toolbox wordt gewijzigd, aan de hand van de meest recente versie van de toolbox wordt bepaald of er sprake is van voldoende natuurinclusieve maatregelen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt vanaf 1 januari 2026.

T

Artikel 8.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.3 Algemeen toepassingsbereik

Deze afdeling gaat overis van toepassing op bodembeheeractiviteiten.

U

Artikel 8.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 8.29 Binnenplanse omgevingsvergunning: gesloten bodemenergiesysteem installeren

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

V

Na afdeling 8.3 worden twee afdelingen ingevoegd, luidende:

Afdeling 8.4 GELUID

Paragraaf 8.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 8.32 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op geluid door activiteiten op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf gaat niet over geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf gaat niet over geluid door:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf gaat alleen over geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 8.33 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van artikel 8.32tweede lid, aanhef en onder b is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 8.32 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 8.32 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van tenminste 110 kV.

Artikel 8.34 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van afdeling 8.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.35 Waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 8.36 Functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.37 Voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat: 

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 8.38 Geluidonderzoek
  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden; 

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

           70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 8.4.2 en paragraaf 8.4.3; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 8.39 Informatieplicht: rapport geluidonderzoek
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 8.38, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.40 Informatieplicht: activiteit op een gezoneerd industrieterrein
  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      per etmaal niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 8.39 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 8.41 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn:

  • a.

    om te bezien in hoeverre de activiteit leidt tot (onaanvaardbare) geluidhinder; en

  • b.

    ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 8.42 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 8.4.

Paragraaf 8.4.2 Geluid veroorzaakt door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken

Artikel 8.43 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in paragraaf 8.4.3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.44 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen en omgeving
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een bedrijventerrein zonder gpp, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een bedrijventerrein zonder gpp

     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw

     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    45 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, anders dan binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, waarbij middels maatwerkvoorschriften een hogere geluidbelasting mogelijk is dan aangegeven in het eerste lid, niet hoger dan de waarde, bedoeld in de tabel in het derde lid. 

  • 5.

    Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing wanneer de eigenaar en de bewoner van het in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw geen medewerking verlenen aan het uitvoeren van een akoestisch onderzoek, of het laten aanbrengen van maatregelen.

  • 6.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

  • 7.

    Als binnen 50 meter van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht zich geen geluidgevoelig gebouw bevindt, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in het eerste lid, op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.45 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44eerstederde en zesde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden

     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 8.46 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit

     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 8.44derde lid het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit

     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 07.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 07.00 uur.

Artikel 8.47 Waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een drijvende woonfunctie, niet hoger dan de waarde, bedoeld in onderstaande tabel, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Waarde voor geluid op een drijvende woonfunctie

 

07.00 – 19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00 – 07.00 uur

Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

55 dB(A)

50 dB(A)

45 dB(A)

Artikel 8.48 Eerbiedigende werking
  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 8.49 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen
  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.48 en 8.50, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd of onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs; en

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax) tussen en 07:00 uur en 19:00 uur, bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.46 en 8.48, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen;

    • b.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; 

    • c.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan; of

    • d.

      het geluid van niet via elektronische weg versterkt geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 8.44 tot en met 8.48, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 8.50 Waar waarden gelden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 8.44eerste lid, en 8.45eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 8.51 Festiviteiten
  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 8.44 tot en met 8.50, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van: 

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 8.4.3 Geluid veroorzaakt door windturbines en windparken

Artikel 8.52 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.53 Waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 8.54 Registratie gegevens windturbines
  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage IVi  bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage IVi  bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Afdeling 8.5 TRILLINGEN

Paragraaf 8.5.1 Trillingen door een activiteit

Artikel 8.55 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan vijf jaar.

Artikel 8.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van artikel 8.55tweede lid aanhef en onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of 

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 8.57 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 8.58 Functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 8.59 Voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 8.60 Waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in de tabel in het tweede lid.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in onderstaande tabel.

    Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 8.61 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders

Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn:

  • a.

    om te bezien in hoeverre de activiteit leidt tot (onaanvaardbare) trillinghinder; en

  • b.

    ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften.

Artikel 8.62 Maatwerkvoorschriften

Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over afdeling 8.5.

W

Hoofdstuk 20 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Hoofdstuk 20 [GERESERVEERD] TIJDELIJKE REGELS

[Gereserveerd]

Afdeling 20.1 REPARATIE WINKELSTEEG

Paragraaf 20.1.1 Kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw bouwen, toevoegen of gebruiken
Artikel 20.1 Buiten toepassing verklaring
  • 1.

    De volgende artikelen uit het tijdelijke deel van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing op het bouwen, toevoegen of gebruiken van een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw:

    • a.

      artikel 18.11 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Noord'; 

    • b.

      artikel 20.8 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Zuid'; en

    • c.

      artikel 17.9 van het bestemmingsplan 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert'

  • 2.

    De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locatie Reparatie Winkelsteeg - kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw toevoegen.

X

Artikel 22.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

  • 1.

    Voor de toepassing van de artikelen 22.28eerste en tweede lid, 22.38, 22.287,22.288,  22.290 tot en met 22.293 en 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Y

Artikel 22.14 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Z

Artikel 22.15 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in artikel 22.14, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

AA

Artikel 22.22 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

[Vervallen]

  • 1.

    Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

BB

Artikel 22.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

  • 3.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

    [vervallen]

CC

Artikel 22.34 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

[Vervallen]

  • 1.

    Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Artikel 22.303, eerste lid, is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

DD

Artikel 22.35 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;

  • h.

    voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld [vervallen];

  • i.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking; en

  • j.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

EE

Artikel 22.45 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften

  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over de artikelen 22.44, 22.49 en 22.50 en de paragrafen  22.3.222.3.3  tot en met 22.3.26.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen 22.49 en 22.50 en de paragrafen  22.3.222.3.3  tot en met 22.3.26.

  • 3.

    Een maatwerkvoorschrift wordt gesteld met het oog op de belangen, bedoeld in artikel 22.42.

  • 4.

    Op het stellen van een maatwerkvoorschrift over een milieubelastende activiteit zijn de instructieregels in paragraaf 5.1.4 en artikel 5.165 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

FF

Paragraaf 22.3.2 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

[Vervallen]

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

[Vervallen]

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

[Vervallen]

  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

  • 5.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • 6.

    Op een activiteit waarop het vijfde lid van toepassing is, zijn gedurende de periode, bedoeld in dat lid, het eerste tot en met het vierde lid niet van toepassing.

GG

Paragraaf 22.3.4 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.4 Geluid

[Vervallen]

Subparagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

[Vervallen]

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

[Vervallen]

  • 1.

    In afwijking van artikel 22.54, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 3.

    In afwijking van artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door bovengrondse hoogspanningsverbindingen met een spanning van ten minste 110 kV

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

[Vervallen]

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

[Vervallen]

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

[Vervallen]

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

[Vervallen]

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek

[Vervallen]

  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in artikel 22.79; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • i.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • ii.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen 22.3.4.2, 22.3.4.3 en 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

[Vervallen]

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    In afwijking van het eerste en tweede lid zijn voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein of activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaaden zijn vastgesteld, het zesde en zevende lid van toepassing.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 5.

    Het derde lid is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, het eerste en tweede lid of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 6.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 7.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Subparagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

[Vervallen]

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in de paragrafen 22.3.4.3 en 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste, derde en vierde lid, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden
     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van artikel 22.63, eerste lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van artikel 22.63, derde lid, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

[Vervallen]

  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de artikelen 22.65, eerste lid, en 22.66, eerste lid, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

[Vervallen]

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, 22.64, eerste lid, 22.65, eerste lid en 22.66, eerste lid, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking

[Vervallen]

  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69 en 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.67 en 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

[Vervallen]

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 22.63, eerste lid, en 22.64, eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

[Vervallen]

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in de artikelen 22.63 tot en met 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten

[Vervallen]

  • 1.

    De waarden, bedoeld in de in artikelen 22.63 tot en met 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

[Vervallen]

Artikel 22.75 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines

[Vervallen]

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Subparagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

[Vervallen]

Artikel 22.79 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

[Vervallen]

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen

[Vervallen]

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

HH

Paragraaf 22.3.5 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

[Vervallen]

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

[Vervallen]

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

[Vervallen]

In afwijking van artikel 22.83, tweede lid, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

[Vervallen]

Onverminderd artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

[Vervallen]

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

[Vervallen]

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen

[Vervallen]

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

    Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

II

Artikel 22.141 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

JJ

Artikel 22.149 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

KK

Artikel 22.150 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

LL

Artikel 22.160 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

MM

Artikel 22.176 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

NN

Artikel 22.180 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

OO

Artikel 22.184 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

PP

Artikel 22.191 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

QQ

Artikel 22.194 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.194 Water

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

      een slibvangput en olieafscheider; of

    • b.

      een slibvangput en olieafscheider die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

RR

Artikel 22.195 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

SS

Artikel 22.198 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

    [vervallen]

TT

Artikel 22.204 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in artikel 22.202 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

    [vervallen]

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

UU

Artikel 22.208 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

    [vervallen]

VV

Artikel 22.211 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

    [vervallen]

WW

Artikel 22.220 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

[Vervallen]

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

XX

Artikel 22.232 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

    [vervallen]

YY

Artikel 22.235 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

    [vervallen]

ZZ

Artikel 22.257 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

[Vervallen]

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

AAA

Artikel 22.284 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld

    [vervallen]

BBB

Artikel 22.286 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

    [vervallen]

CCC

Artikel 22.288 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

[Vervallen]

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

DDD

Artikel 22.289 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

[Vervallen]

Tekeningen als bedoeld in artikel 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

EEE

Artikel 22.291 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld [vervallen];

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

FFF

Artikel 22.292 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

      • 3.

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld [vervallen];

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

GGG

Artikel 22.296 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

    [vervallen]

HHH

Artikel 22.302 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

    [vervallen]

III

Artikel 22.303 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

[Vervallen]

  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in artikel 22.284, eerste lid, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.

JJJ

Bijlage I wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage I Overzicht Informatieobjecten

Archeologisch Rijksmonument

/join/id/regdata/gm0268/2025/44849203ac17444184629d0565a44394/nld@2026‑03‑12;15473785

Bebouwingscontour houtkap

/join/id/regdata/gm0268/2025/5edec514974d4c96b8da2a890e54812c/nld@2025‑10‑08;18215983

Beperkingengebied energie - interferentiegebied

/join/id/regdata/gm0268/2024/b1bafb0db34d4c85bfa2bae7a388195a/nld@2025‑04‑17;09524121

Belemmeringengebied energie - interferentiegebied

/join/id/regdata/gm0268/2024/b1bafb0db34d4c85bfa2bae7a388195a/nld@2026‑03‑12;15473785

bodem - deelgebied 1900 tot 1945

/join/id/regdata/gm0268/2024/1747a7d8383f48db8285bbfa3b9f240e/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied 1945 tot 1965

/join/id/regdata/gm0268/2024/81a4b406c29d47b697398dd746e321f0/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied 1965 tot heden

/join/id/regdata/gm0268/2024/49ff20e32c174eb9b796147d8126f537/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied tot 1900

/join/id/regdata/gm0268/2024/b1b2610a884f4076bc44f86d4a9babf0/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied Veur Lent

/join/id/regdata/gm0268/2025/734997aa87764f75bc523d1558a5a333/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied Waalsprong

/join/id/regdata/gm0268/2024/a7ba285e4c424f22904611c37e7483ee/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied Waalsprong kassen

/join/id/regdata/gm0268/2024/057ed04dd242494590ecf1bd4c96027a/nld@2025‑04‑17;09524121

bodem - deelgebied Waalsprong ophoging

/join/id/regdata/gm0268/2024/ab21d17e2fb9402192624a2f772bc177/nld@2025‑04‑17;09524121

Bodembeheergebied

/join/id/regdata/gm0268/2024/34aad304581a426da7500084764fc022/nld@2025‑04‑17;09524121

Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad 1945 tot 1965

/join/id/regdata/gm0268/2024/2a395513054a41f282b341ae97cf3e38/nld@2025‑10‑08;18215983

Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad tot 1945

/join/id/regdata/gm0268/2024/c79bb8d0bbab462c84d2408d700bede4/nld@2025‑10‑08;18215983

Bodemkwaliteitsgebied - bestaande stad vanaf 1965

/join/id/regdata/gm0268/2024/ebd46ce99b5f45c782cf19847884458d/nld@2025‑10‑08;18215983

Bodemkwaliteitsgebied - Veur Lent

/join/id/regdata/gm0268/2025/af5966d07921438fab4ff7c68b987240/nld@2025‑04‑17;09524121

Bodemkwaliteitsgebied - Waalsprong

/join/id/regdata/gm0268/2024/0a41e2797307477bae75521a31371dc5/nld@2025‑10‑08;18215983

Gebied met archeologische (verwachtings)waarden

/join/id/regdata/gm0268/2025/4539d71add434268bfb28a90b14ff072/nld@2026‑03‑12;15473785

Hoogte in meters ten opzichte van NAP

/join/id/regdata/gm0268/2025/cff32f3b4bc64355aa0bf2c93bd0b98f/nld@2025‑10‑08;18215983

Neder-Germaanse Limes: bufferzone aquaduct

/join/id/regdata/gm0268/2025/476c806b68824a84847fb1eb3e9a5d24/nld@2026‑03‑12;15473785

Reparatie Winkelsteeg - kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw toevoegen

/join/id/regdata/gm0268/2025/58603ffd5ca543e4b6bedccd952942e5/nld@2026‑03‑12;15473785

Vrijgestelde verticale bouwdiepte in meters ten opzichte van NAP

/join/id/regdata/gm0268/2025/0861d187cbe64da9b2009889a6b9260e/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde

/join/id/regdata/gm0268/2025/14d3313658634de3a1a8e9e5ba1e96d1/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde

/join/id/regdata/gm0268/2025/af61869fb1854008afaa735af11fa0a0/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde

/join/id/regdata/gm0268/2025/fac89bafd4ff4591a55fca98055ce236/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - maatwerk

/join/id/regdata/gm0268/2025/cb069f7c63444ada9a9ba4cba34187a1/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - maatwerk 2

/join/id/regdata/gm0268/2025/48181376867442029376de7161bbaf1e/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - middeleeuwse kern

/join/id/regdata/gm0268/2025/0e44f3a1b1764c8fbe73dca7c67cd9d3/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde

/join/id/regdata/gm0268/2025/9d83960a8ded405ab96cc4a54fa44435/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde

/join/id/regdata/gm0268/2025/c050a5bae89f424db2f97fd5d7ea798b/nld@2026‑03‑12;15473785

Waardengebied cultureel erfgoed - molenbiotoop

/join/id/regdata/gm0268/2025/74553638bbc6462996e9f5cd8fea6bd6/nld@2025‑10‑08;18215983

KKK

Bijlage II wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage II Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:

aansluitafstand

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

AS SIKB 2000

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 02‑11‑2021;

BRL SIKB 2000

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 7.0, 07‑03‑2022;

BRL SIKB 7000

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van graven in de bodem, saneren van de bodem, grondwatersanering en ingrepen in de waterbodem, versie 7.0, 07‑03‑2022;

akoestische onderbouwing

een onderbouwing van de aanwezigheid van voldoende geluidswering voor contactgeluid en luchtgeluid gebaseerd op:

  • a.

    een meting die voldoet aan NEN5077; 

  • b.

    een berekening conform NEN-EN 12354 deel 1, 2, 3, 4 en 6; of

  • c.

    een bepaling op basis van de kengetallen zoals toegepast in softwarepakketten zoals DGMR Geluidwering gevels, Directivity of aantoonbaar gelijkwaardig.

Daar waar bepalingen/metingen worden aangevuld met berekeningen, volgen de rekenregels uit NEN-EN 12354 deel 1, 2, 3, 4 en 6, artikel 6.6 van de Omgevingsregeling en bijlage IVh van de Omgevingsregeling. In afwijking van deze rekenregels is zowel een berekening in terts dan wel octaafbanden toegestaan waarbij de rekenresultaten gelden voor de octaafbanden van 63Hz tot 2 Khz dan wel de hierbinnen vallende tertsbanden. Berekeningen dienen voorzien te zijn van een onderbouwing op basis van tekeningen, fotomateriaal, (kern)boringen of gelijkwaardig.

archeologisch deskundige

een gemeentelijke (beleids)archeoloog of een andere door het College van Burgemeester en Wethouders aan te wijzen deskundige op het gebied van de archeologie.

archeologisch onderzoek

diverse vormen van onderzoek naar de archeologische waarden binnen een plangebied, uitgevoerd volgens de geldende versie van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie.

archeologisch rapport

een verslag vervat in rapportvorm van een archeologisch onderzoek, op basis waarvan een conclusie kan worden getrokken over de aanwezigheid van archeologische waarden.

archeologische verwachtingswaarde

de kans op archeologische vondsten of informatie.

archeologische waarde

Onder archeologische waarden wordt verstaan:

  • archeologische verwachtingswaarden

  • vastgestelde archeologische waarden of resten

bebouwingsgebied

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

bedrijfsgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van bedrijfsactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan. 

bodemgevoelige locatie

bodemgevoelige locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving, alsmede een locatie waar als gevolg van het gebruik sprake is van een verhoogde kans op blootstelling aan de grond, waaronder verstaan:

  • a.

    een speeltuin, speelplein of anderszins aangewezen locatie waar kinderen spelen;

  • b.

    een volkstuinencomplex; 

  • c.

    een buurtmoestuin; en

  • d.

    aangewezen locaties voor stadslandbouw.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

distributienet voor warmte

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

geurgevoelig object
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

ISO 11423-1

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

groenproduct

organische producten, niet zijnde afvalstoffen, die worden gebruikt ter verbetering van de fysisch-chemische kwaliteit van grond. Voorbeelden zijn compost, gecomposteerd boomschors of veen. Dierlijke mest en zuiveringsslib vallen niet onder deze definitie.

hyperscale datacentrum

het exploiteren van een rekencentrum of datacentrum, als bedoeld in artikel 3.235 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer. Een hyperscale datacentrum omvat ook andere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die het hyperscale datacentrum functioneel ondersteunen.

NEN 5725

NEN 5725:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek;

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie 

de standaardnorm die door de beroepsgroep van archeologen wordt gehanteerd voor de uitvoering van archeologisch onderzoek.

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

NEN 5740

NEN 5740:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2023;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

NEN 6090

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 5725

NEN 5725:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek;

NEN 5740

NEN 5740:2023: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2023;

oorspronkelijk hoofdgebouw

het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd.

straatpeil
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

NEN 6966

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

Traject 1

de visueel verontreinigde geroerde bovengrond.

NEN-EN 858-1/A1

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

Traject 2

de visueel schone ongeroerde ondergrond.

NEN-EN 858-2

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

verdachte bodemlocatie

een locatie die verdacht is op het aantreffen van bodemverontreinigingen, zoals opgenomen en begrensd in het register met verdachte bodemlocaties als bedoeld in artikel 3.122.26, of een locatie die verdacht is op grond van een vooronderzoek conform NEN 5725.

NEN-EN 872

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

warmteplan

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

NEN-EN 1825-1

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

woonruimte

besloten ruimte die, al dan niet tezamen met een of meer andere ruimten, bestemd of geschikt is voor bewoning door een huishouden, met inbegrip van een standplaats voor een woonwagen en de ligplaats voor een woonschip

NEN-EN 1825-2

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 12566-1

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN-ISO 2813

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-EN-ISO 10301

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-ISO 15705

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

LLL

Na bijlage II wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

Bijlage III Meet- en rekenbepalingen

onderlinge afstand tussen (evenwijdige) rijen funderingspalen

de afstand tussen (evenwijdige) rijen funderingspalen wordt gemeten van de buitenzijde van de ene funderingspaal tot de buitenzijde van de andere funderingspaal.

MMM

Bijlage III wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Bijlage III Meet- en rekenbepalingen

[Gereserveerd]

[Vervallen]

NNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

6.1.3.2 Hoe dit omgevingsplan zich verhoudt tot het VNG-casco

De gemeente Nijmegen heeft het VNG-casco als vertrekpunt gehanteerd, maar heeft gaandeweg wel eigen keuzes gemaakt. Hoofdstuk 32 'Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving' functioneert nog steeds als een richtingaanwijzer voor de professionele gebruiker. Per functie, gebied of thema is aangegeven welke regelpakketjes (paragrafen) relevant zijn. De systematiek van het VNG-casco - waarbij een regelpakketje in hoofdstuk 32 geactiveerd móét worden - is echter niet toegepast. In hoofdstuk 32 van dit omgevingsplan worden er dus geen activiteiten in- of uitgesloten, wel worden er o.a. functies en gebieden aangewezen. Dit zijn zogenaamde gebiedsaanwijzingen. Op basis van deze gebiedsaanwijzingen worden (gebruiks)activiteiten in- en uitgesloten. Dit gebeurt echter niet in hoofdstuk 32, maar in hoofdstuk 4 en verder. Als gevolg van deze keuze wordt hoofdstuk 32 minder belangrijk, maar houden we de functionaliteit als richtingaanwijzer wel overeind. Het is een handvat voor de professionele gebruiker om te achterhalen welke regels er in een gebied of voor een specifiek thema gelden. Daarbij kan gezocht worden op de functie van een locatie (afdeling 3.12.1), een gebied (afdeling 3.22.2) of op een thema (afdeling 3.32.3). Afhankelijk van de regels waarnaar de professionele gebruiker op zoek is, kan een keuze gemaakt worden tussen de verschillende ingangen. De verwijzingen in hoofdstuk 32 naar de regelpakketjes in de daarop volgende hoofdstukken (4 tot en met 9) is zo veel mogelijk uitputtend. Of een regelpakket van toepassing is op een locatie wordt echter niet bepaald in hoofdstuk 32, maar in het betreffende regelpakketje zelf.

In het VNG-casco zijn alle inhoudelijke regels voor activiteiten opgenomen in één hoofdstuk. Dit is een vergaarbak aan activiteiten, waarbij voor elke op zichzelf staande activiteit een paragraaf is opgenomen. Als professionele gebruiker raak je daardoor al snel verstrikt in een veelheid aan regelpakketjes. Nijmegen heeft getracht de systematiek om alle regels voor een specifieke activiteit te bundelen in één paragraaf door te trekken, maar heeft wel de keuze gemaakt om hoofdstuk 6 (Activiteiten) op te knippen in meerdere hoofdstukken. De achterliggende gedachte daarbij is dat de regels voor activiteiten gegroepeerd worden naar het type activiteit en daardoor ook beter te beheren zijn. In Nijmegen onderscheiden we:

  • beschermen van gevoelige functies (hoofdstuk 4);

  • beschermen van erfgoed (hoofdstuk 5);

  • gebruiksactiviteiten (hoofdstuk 6);

  • bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten (hoofdstuk 7);

  • milieubelastende activiteiten (hoofdstuk 8); en

  • overige activiteiten (hoofdstuk 9).

 

De naamgeving van de hoofdstukken komt overeen met de naamgeving van de bovenliggende activiteiten in de functionele structuur in de Registratie Toepasbare Regels. Op deze wijze is getracht meer structuur aan te brengen in de hoeveelheid activiteiten die dit omgevingsplan herbergt. In dit omgevingsplan zijn de regels voor een activiteit (zoveel mogelijk) opgenomen in één paragraaf. Daarmee passen we de door de VNG bedachte structuur - waarbij de regels voor een activiteit altijd in een aparte paragraaf worden opgenomen - strikt toe. Dit heeft als voordeel dat er (indien nodig) gemakkelijk geschoven kan worden met paragrafen binnen de structuur van het omgevingsplan en er eenvoudig hoofdstukken kunnen worden toegevoegd. In de basis zijn de regels in de hoofstukken 4 tot en met 9 als volgt opgebouwd:

 

  • Regeling 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen' = tophaakactiviteit 

    • Hoofdstuk X = tussenliggende activiteit (zoals 'milieubelastende activiteiten')

      • Afdeling X.1 = tussenliggende activiteit (zoals 'bodembeheeractiviteiten')

        • Paragraaf X.1.1 = activiteit (zoals 'Bodem saneren')

OOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 1.6 Voorrangsbepaling: regels in het nieuwe deel gaan voor regels in het tijdelijke deel

Dit artikel bevat een voorrangsbepaling. De gemeente Nijmegen kiest ervoor om de ruimtelijke regels uit het tijdelijke omgevingsplan 'activiteitgericht' te verhuizen naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Bij het activiteitgericht verhuizen houden we de ruimtelijke regels in het tijdelijk deel voorlopig in stand. Met een voorrangsbepaling regelen we dat de regels in het nieuwe deel voor gaan op de ruimtelijke regels in het tijdelijke deel. Zodra we alle ruimtelijke regels hebben verplaatst naar het nieuwe deel, verwijderen we de onderliggende bestemmingsplannen en beheersverordeningen gelijktijdig uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Met dit artikel is geregeld dat de regels in hoofdstuk 32 tot en met hoofdstuk 7 voorrang hebben op regels in het tijdelijke deel (voormalige bestemmingsplannen en beheersverordeningen). 

PPP

Na sectie ' Voorrangsbepaling: regels in het nieuwe deel gaan voor regels in het tijdelijke deel' worden twaalf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 2.3 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde' zijn gebieden met een lage archeologische verwachtingswaarde aangewezen. Deze gebieden zijn gebaseerd op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen. 

Artikel 2.4 Regels voor activiteiten in een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

Artikel 2.5 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde' zijn gebieden met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde aangewezen. Deze gebieden zijn gebaseerd op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen. 

Artikel 2.6 Regels voor activiteiten in een gebied met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

Artikel 2.7 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde' zijn gebieden met een hoge archeologische verwachtingswaarde aangewezen. Deze gebieden zijn gebaseerd op de Archeologische beleidskaart van de gemeente Nijmegen. 

Artikel 2.8 Regels voor activiteiten in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

Artikel 2.9 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde' zijn gebieden met een (zeer) grote archeologische waarde aangewezen. Onderdeel van dit waardengebied is onder meer de bufferzone van het UNESCO-werelderfgoedgebied 'Neder Germaanse Limes'. De bufferzone is een zone rondom de kernzone van het aangewezen Werelderfgoedgebied. Deze zone kent een verhoogde verwachting voor archeologische resten, maar is tot op heden nog niet gewaardeerd. 

Het 'Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde' bevat ook alle AMK-terreinen en gemeentelijke archeologische terreinen. Dit zijn terreinen waarvan de archeologische waarden reeds tot op zekere hoogte bekend zijn. Dit zijn enerzijds terreinen die door Rijk en Provincie zijn aangemerkt als belangrijke archeologische terreinen waarvan is vastgesteld dat er archeologische sporen en/of vondsten aanwezig zijn. Ze staan vermeld op de Archeologische Monumenten Kaart (AMK). Nijmegen telt een flink aantal AMK-terreinen. In omschrijvingen variëren deze terreinen van een terrein met archeologische waarde tot en met een terrein met zeer hoge archeologische waarde. Gegeven de aanwezige archeologische sporen en/of vondsten op deze terreinen dienen ook deze terreinen goed beschermd te worden. Dit geldt ook voor de gemeentelijke terreinen waarvan de hoge archeologische verwachting reeds is aangetoond maar die nog niet volledig zijn gewaardeerd.

Artikel 2.10 Regels voor activiteiten in een gebied met een (zeer) grote archeologische waarde

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

Artikel 2.11 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele waarde' zijn de gebieden met een vastgestelde archeologische waarde en de kernzone van het UNESCO-werelderfgoed 'Neder Germaanse Limes' opgenomen. De gebieden met een vastgestelde archeologische waarde bevatten locaties waarvan is aangetoond dat er een waardevolle en behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Waar mogelijk worden deze vindplaatsen in situ (zijnde ter plaatse van aantreffen, in de bodem) behouden. 

Gebieden die de status hebben van UNESCO-werelderfgoed, maar niet zijn aangewezen als archeologisch Rijksmonument, maken onderdeel uit van het 'Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele waarde'.

Artikel 2.12 Regels voor activiteiten in een gebied met een uitzonderlijk universele of vastgestelde archeologische waarde

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

Artikel 2.13 Aanwijzing

In dit artikel wordt een waardengebied aangewezen. Dit is een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. Met de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele waarde' zijn de gebieden met een vastgestelde archeologische waarde en de kernzone van het UNESCO-werelderfgoed 'Neder Germaanse Limes' opgenomen. De gebieden met een vastgestelde archeologische waarde bevatten locaties waarvan is aangetoond dat er een waardevolle en behoudenswaardige vindplaats aanwezig is. Waar mogelijk worden deze vindplaatsen in situ (zijnde ter plaatse van aantreffen, in de bodem) behouden. 

Gebieden die de status hebben van UNESCO-werelderfgoed, maar niet zijn aangewezen als archeologisch Rijksmonument, maken onderdeel uit van het 'Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele waarde'.

Artikel 2.14 Regels voor activiteiten in een gebied met maatwerk

Dit artikel is bedoeld als richtingaanwijzer en bevat geen inhoudelijke regels waaraan voldaan moet worden. Het artikel bevat slechts een verwijzing naar de relevante paragraaf in dit omgevingsplan, waarin de inhoudelijke regels voor activiteiten een gebied met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen. 

QQQ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.12.15 Aanwijzing

RRR

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.22.16 Regels voor activiteiten in een molenbiotoop

SSS

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32.17 Aanwijzing

TTT

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

UUU

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.52.19 Regels voor interferentiegebieden

VVV

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.72.21 Aanwijzing

WWW

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

XXX

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.92.23 Bodemfunctieklasse

YYY

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.102.24 Regels voor het beschermen van de fysieke leefomgeving

ZZZ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.112.25 Regels voor het beschermen van het milieu

AAAA

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.122.26 Register van verdachte bodemlocaties

BBBB

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.132.27 Aanwijzing

CCCC

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.142.28 Aanwijzing

DDDD

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.152.29 Aanwijzing

EEEE

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.162.30 Aanwijzing

FFFF

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.172.31 Aanwijzing

GGGG

Na sectie ' Aanwijzing' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 2.32 Aanwijzing archeologisch Rijksmonument

In dit artikel worden archeologisch Rijksmonumenten aangewezen door middel van een gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'.

Artikel 2.33 Schakelbepaling voor archeologische Rijksmonumenten

Dit artikel dient als richtingaanwijzer. In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de regels voor een rijksmonumentenactiviteit. Deze regels zijn niet opgenomen in dit omgevingsplan, maar zijn op Rijksniveau geregeld in afdeling 5.1 van de Omgevingswet. Deze afdeling bevat onder meer een vergunningplicht voor het verrichten van een rijksmonumentenactiviteit. 

HHHH

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.12 Voorschriften bij omgevingsvergunning: bodemgevoelig gebouw bouwen, bodemgevoelige locatie toevoegen of bouwactiviteit (omgevingsplan)

IIII

Na sectie ' Algemeen toepassingsbereik' worden twaalf secties ingevoegd, luidende:

Artikel 5.2 Toepassingsbereik

Dit artikel bevat het toepassingsbereik. Het toepassingsbereik geeft aan voor welke activiteiten de regels in deze paragraaf gelden. In het eerste lid is bepaald dat paragraaf 5.2.1 van toepassing is op activiteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden. Het betreft hier activiteiten die het bodemarchief kunnen verstoren en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen beschadigen. Onder bodemverstorende activiteiten wordt verstaan:

  • het graven in de land- of waterbodem, waaronder begrepen het afgraven en egaliseren van gronden, alsmede het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren, het aanleggen van drainage en het verwijderen van bestaande funderingen;

  • het indrijven van voorwerpen, waaronder begrepen heiwerkzaamheden, het slaan van damwanden, het aanbrengen van peilbuizen, ploffen en op andere wijzen indrijven van voorwerpen in de bodem. Ploffen betreft een nieuwe techniek om de bodem te verrijken met zuurstof en voedselrijke grond;

  • het ophogen van de land- of waterbodem, waaronder begrepen het egaliseren of anderszins wijzigen van het maaiveld;

  • het toevoegen van oppervlakteverharding, waaronder mede begrepen het anderszins afdekken van de (water)bodem. Het aanleggen van oppervlakteverharding of het afdekken van de (water)bodem leidt niet altijd tot een rechtstreekse verstoring van het bodemarchief, maar kan er wel voor zorgen dat de bodem plaatselijk droger of juist natter wordt (door afstromend hemelwater). Dit kan eventueel aanwezige archeologische waarden in de bodem aantasten. Verder kan het afdekken van de bodem leiden tot verkleuring van de bodem. Deze verkleuring ontstaat doordat water onder de afdekking niet kan verdampen waardoor kleibodem een egaal blauwe kleur krijgt en archeologische grondsporen niet meer te herkennen zijn. Onder toevoegen wordt verstaan de som van de nieuwe en bestaande oppervlakte aan verharding.

  • het verlagen van de grondwaterstand; 

  • het rooien van een diepwortelende plant of boom; en

  • het bewerken van de landbodem, waaronder begrepen het woelen, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden. 

 

In het tweede lid is bepaald dat de regels in deze paragraaf uitsluitend van toepassing zijn in gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde. Deze gebieden zijn geometrisch begrensd met de locatie 'Gebied met archeologische (verwachtings)waarden'. 

Artikel 5.3 Oogmerken

Dit artikel somt op met welke oogmerken de regels in deze paragraaf zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen, waaronder het beschermen van cultureel erfgoed. De oogmerken in deze paragraaf zijn een concretisering van dit doel voor zover het gaat om bouw- en aanlegactiviteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden. 

Artikel 5.4 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

Dit artikel bevat een vergunningplicht voor activiteiten binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarden. Het gaat daarbij om alle activiteiten die het bodemarchief (kunnen) verstoren en daarmee eventueel aanwezige archeologische waarden kunnen beschadigen. 

Artikel 5.5 Meldplicht: activiteit in een gebied met een vrijgestelde verticale bouwdiepte

Dit artikel bevat een meldplicht voor activiteiten in ontwikkelgebieden waar de bodem tot een bepaalde bouwdiepte is vrijgegeven op basis van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek. Deze vrijgestelde bouwdiepte is weergegeven met de omgevingsnorm 'Vrijgestelde verticale bouwdiepte in meters ten opzichte van NAP'. Indien bij het uitvoeren van de activiteit als bedoeld in artikel 5.2eerste lid de vrijgestelde verticale bouwdiepte niet wordt overschreden, is een omgevingsvergunning niet nodig en kan volstaan worden met een melding voorafgaand aan de start van de activiteit(en). De vrijgestelde verticale bouwdiepte is gerelateerd aan het NAP. Voor activiteiten die de vrijgestelde verticale bouwdiepte overschrijden is de vergunningplicht in artikel 5.4 gewoon van toepassing. 

Voor Waalfront geldt een uitzondering. In het tweede lid is immers bepaald dat op de locatie 'Waardengebied archeologie - maatwerk 2' (Waalfront) de vrijgestelde verticale bouwdiepte mag worden overschreden ten behoeve van funderingswerken, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 

  • de verstoring van de bodem niet meer bedraagt dan 2,5% van de oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft;

  • de funderingspalen in evenwijdige rijen worden gesitueerd; en

  • de onderlinge afstand tussen de (evenwijdige) rijen funderingspalen niet minder dan 5 meter bedraagt, waarbij wordt gerekend van de buitenzijde van de ene funderingspaal tot de buitenzijde van de andere funderingspaal. 

Regelkwalificaties op maatwerklocaties
afbeelding binnen de regeling
Voorwaarden meldplicht
afbeelding binnen de regeling

Binnen een (evenwijdige) rij dient het aantal funderingspalen, met het oog op het beschermen en (in situ) behouden van archeologische waarden, zo veel als mogelijk beperkt te worden. Bij voorkeur dient binnen een rij ook een afstand van 5 meter tussen de funderingspalen (rand tot rand) gehanteerd te worden. Waar dit niet mogelijk is, kunnen de funderingspalen op kortere afstand van elkaar worden geplaatst. Dit dient echter zo veel als mogelijk is beperkt te worden. Dit betreft een inspanningsverplichting. De verstoring van de bodem mag niet meer bedragen dan 2,5% van de oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft. 

Indien voor funderingswerken niet kan worden voldaan aan de hiervoor beschreven voorwaarden kan de activiteit alsnog worden toegelaten met een omgevingsvergunning. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal dan beoordeeld worden of de aanwezige archeologische waarden in de bodem niet onevenredig geschaad worden. Indien de funderingswerken niet tot een onevenredige aantasting leiden, kan de omgevingsvergunning verleend worden. 

In het derde en vierde lid is aangegeven welke gegevens en bescheiden een melding moet bevatten. 

 

Artikel 5.6 Uitzondering op vergunningplicht: algemene vrijstellingen

Dit artikel bevat diverse uitzonderingen op de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.4. In het eerste lid is bepaald dat voor activiteiten die niet dieper reiken dan 30 centimeter onder het maaiveld of de waterbodem geen omgevingsvergunning nodig is. Onderkeldering is een activiteit die plaatsvindt onder het maaiveld. 

In het tweede lid is een uitzondering opgenomen voor het ophogen van het maaiveld met een hoogte kleiner of gelijk aan 1,0 meter. De bepalingen in het eerste en tweede lid betreffen algemene vrijstellingen die in principe overal in de gemeente van toepassing zijn. Een uitzondering hierop vormen de gebieden met uitzonderlijk universele waarden. Deze zijn op grond van artikel 5.7 uitgezonderd. 

In het derde lid is bepaald dat wanneer de uitzonderingen in het eerste of tweede lid niet kunnen worden toegepast (bijvoorbeeld omdat de graafwerkzaamheden geheel of gedeeltelijk dieper reiken dan 30 centimeter), het vierde lid van toepassing is. Het vierde lid bevat een uitzondering voor activiteiten met een bepaalde omvang. Deze omvang is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde (hoe hoger de verwachtingswaarde, hoe kleiner de vrijgestelde oppervlakte). Bij het bepalen van de gezamenlijke oppervlakte als bedoeld in het vierde lid worden bestaande bouwwerken meegerekend, met uitzondering van het oorspronkelijk hoofdgebouw. 

Naast de voornoemde algemene uitzonderingen, gelden er nog een aantal uitzonderingen voor specifieke activiteiten. In het vijfde lid is een uitzondering opgenomen voor het bouwen van een bouwwerk op minder dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw. Het vijfde lid is is niet van toepassing in gebieden met een uitzonderlijke universele waarde. Op grond van artikel 5.8 is het vijfde lid ook niet van toepassing in gebieden die zijn aangewezen als 'Middeleeuwse kern'.

In het zesde lid is een uitzondering opgenomen voor activiteiten die plaatsvinden in het kader van normaal onderhoud en beheer, krachtens een verleende omgevingsvergunning of in het kader van archeologisch onderzoek. Wat verstaan wordt normaal onderhoud en beheer is afgebakend in het betreffende lid. 

Het zevende lid bevat een uitzondering voor activiteiten met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 4m2. Deze uitzondering is uitsluitend van toepassing op activiteiten die plaatsvinden op de locatie 'Waardengebied archeologie - maatwerk 2'. 

Artikel 5.7 Inperking uitzondering in gebieden met uitzonderlijke universele of vastgestelde archeologische waarde

Dit artikel bevat een inperking van de uitzonderingen in artikel 5.6 eerste tot en met het vijfde lid. Deze inperking geldt voor alle gebieden die zijn aangewezen als 'Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele waarde'. Dit zijn gebieden met UNESCO-Werelderfgoedstatus die niet als Rijksmonument zijn aangewezen, alsmede gebieden met een vastgestelde archeologische waarde. 

Artikel 5.8 Inperking uitzondering in Middeleeuwse kern

In artikel 5.6 vijfde lid is een uitzondering op de vergunningplicht opgenomen indien een bouwwerk niet meer dan 3 meter uit de fundering van een bestaand gebouw wordt gebouwd. Deze uitzondering is niet van toepassing in middeleeuwse kernen. Het gaat hierbij om de oude kernen van Nijmegen en Lent. Deze kernen kennen een grote tijdsdynamiek. Sinds de Romeinse tijd is de binnenstad van Nijmegen stelselmatig gegroeid tot de stedelijke omgeving die we heden ten dage kennen. In de kern van Lent is eveneens een stabiele bebouwing zichtbaar en dat vanaf de vroege middeleeuwen. In beide is reeds veelvuldig onderzoek uitgevoerd op basis waarvan de begrenzing van deze kernen bepaald kan worden. In beide oude kernen is de uitzondering op de vergunningplicht in artikel 5.6 vijfde lid niet van toepassing. De uitzondering in artikel 5.6 zesde lid is toegekend vanuit de gedachte dat bouwputten voor nieuwe bebouwing steeds iets ruimer ontgraven zijn en vervolgens met schoon zand gestabiliseerd aangevuld werden. Er wordt dus uitgegaan van de veronderstelling dat bij bestaande bebouwing iets ruimer reeds verstoorde gronden aanwezig zijn. Deze bouw- en werkwijze is echter voor oude kernen met een Romeinse of vroeg middeleeuwse oorsprong incorrect. Tot de 20ste eeuw werden funderingen en (ondiepe) kelders handmatig ontgraven waarbij enkel ontgraven werd wat ook daadwerkelijk noodzakelijk was. De verstoring bij bestaande bebouwing is dan ook doorgaans beperkt tot de feitelijke bebouwing.

Artikel 5.9 Inperking uitzondering in verband met start archeologisch onderzoek

De AMZ-cyclus is een vaste procedure binnen de archeologische monumentenzorg (AMZ) in Nederland. De cyclus is verankerd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie als een verplicht werkproces voor archeologen. De cyclus omvat drie stadia, namelijk inventariseren/waarderen, selecteren en maatregelen nemen.

Tot de inventariserende en waarderende fase worden het bureauonderzoek (met een te specificeren verwachting), het inventariserend veldonderzoek (IVO-o [verkennend, karterend en waarderend booronderzoek] en IVO-p [proefsleuvenonderzoek]) en de waardering gerekend. Doorgaans start de inventariserende fase met het bureauonderzoek, waarna op basis van de gespecificeerde verwachting de keuze voor een specifieke soort inventariserend veldonderzoek volgt (al dan niet meerdere achter elkaar, zoals karterend booronderzoek gevolgd door proefsleuvenonderzoek).

Onder selectie valt het nemen van het selectiebesluit, dat na elk stadium van de inventariserende en waarderende fase genomen kan worden door het bevoegd gezag. Doorgaans volgt een negatief besluit wanneer er geen of onvoldoende waardevolle (lees behoudenswaardige) archeologische resten te verwachten zijn.

Naar aanleiding van een selectiebesluit kunnen de volgende maatregelen volgen:

  • het einde van het archeologisch onderzoek;

  • een volgende stap in de inventariserende en waarderende fase;

  • het verrichten van een archeologische opgraving;

  • het fysiek beschermen van de vindplaats.

 

Indien eenmaal is gestart met deze AMZ-cyclus, dan bepaalt de conclusie uit deze cyclus het verdere verloop. Er kan dan niet worden teruggevallen op de 'reguliere' uitzonderingen, zoals deze in artikel 6.5 en 6.6 zijn opgenomen. 

Artikel 5.10 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

In artikel 5.4 is een vergunningplicht opgenomen voor het graven in de land- of waterbodem, het indrijven van voorwerpen in de land- of waterbodem en het ophogen van het maaiveld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in dit artikel verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.11

Artikel 5.11 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden

In artikel 5.4 is een vergunningplicht opgenomen voor het graven in de land- of waterbodem, het indrijven van voorwerpen in de land- of waterbodem en het ophogen van het maaiveld. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of de activiteit leidt tot een onevenredige aantasting van eventueel aanwezige archeologische waarden. Om te kunnen beoordelen of er geen archeologische waarden onevenredig (kunnen) worden geschaad dient een archeologisch onderzoek te worden overlegd. 

Artikel 5.12 Adviesprocedure

Op grond van de provinciale verordening bestaat binnen de bufferzone van het Romeins aquaduct de verplichting om bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor activiteiten in de bufferzone, advies in te winnen bij Gedeputeerde Staten. Met dit artikel wordt hier invulling aan gegeven. 

Artikel 5.13 Voorschriften bij omgevingsvergunning

Met dit artikel kan het bevoegd gezag voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 5.4, om te voorkomen dat de aanwezige archeologische waarden aangetast worden.

JJJJ

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.25.14 Toepassingsbereik

KKKK

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.35.15 Oogmerken

LLLL

Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.45.16 Binnenplanse omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

MMMM

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.55.17 Uitzondering op vergunningplicht: activiteit in een molenbiotoop

Dit artikel bevat een uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in artikel 5.45.16. Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk (of uitbreiding daarvan), het bouwen van een dakkapel en het herbouwen van een bestaand gebouw of bouwwerk, geen gebouw zijnde, is geen omgevingsvergunning nodig. Voor het herbouwen van een bestaand gebouw geldt dat voldaan moet worden aan de voorwaarden als genoemd in dit artikel. 

NNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.65.18 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in dit artikel verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 5.75.19. Een inventariserend onderzoek naar een molenbiotoop is een systematische studie die tot doel heeft om de omgeving of het leefgebied rondom een windmolen inclusief windvang, in kaart te brengen en te analyseren. Dit type onderzoek richt zich op het verzamelen van informatie en gegevens met betrekking tot de natuurlijke en menselijke aspecten van de directe omgeving van de molen. De bestaande conditie van de molenbiotoop is raadpleegbaar via https://gelderland2024.molenbiotoop.nl/.

OOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.75.19 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: activiteit in een molenbiotoop

In artikel 5.45.16 is een vergunningplicht opgenomen voor specifieke bouw- en aanlegactiviteiten binnen een molenbiotoop. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of de betreffende activiteit de windvang niet beperkt en of de cultuurhistorische waarde van de molen als landschapselement niet onevenredig in gevaar wordt gebracht.

PPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.5 Bijzondere aanvraagvereisten omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan)

In artikel 22.26 is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen, uitbreiden of (ingrijpend) wijzigen van een hoofdgebouw. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning dienen de gegevens en bescheiden als genoemd in het eerstetweede lid (voor nieuwbouw) en tweedeeerste lid (voor bestaande bouw) verstrekt te worden. Deze gegevens en bescheiden zijn nodig om te kunnen beoordelen of voldaan wordt aan de beoordelingsregels in artikel 7.6.

In het derde lid is bepaald dat het tweede lid (bestaande bouw) pas vanaf 1 januari 2026 van toepassing is. Er is bewust voor gekozen om dit in een apart lid te regelen, zodat het derde lid na inwerkingtreding van het tweede lid (op 1 januari 2026) kan komen te vervallen. 

QQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 7.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning: bouwactiviteit (omgevingsplan)

In artikel 22.26 is een vergunningplicht opgenomen voor het bouwen, uitbreiden of (ingrijpend) wijzigen van een hoofdgebouw. Bij de aanvraag om een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of het bouwplan voorziet in voldoende natuurinclusieve maatregelen. Dit betreft een aanvulling op artikel 22.29 en is geformuleerd als een zogenaamde open norm. Om te kunnen beoordelen of er in voldoende mate maatregelen worden getroffen, wordt getoetst aan de normen in de Toolbox Natuurinclusief Bouwen d.d. november 2023. Op basis van deze toolbox kan eenvoudig vastgesteld worden of voldaan wordt aan de open norm.

In het derde lid is bepaald dat het tweede lid (bestaande bouw) pas vanaf 1 januari 2026 van toepassing is. Er is bewust voor gekozen om dit in een apart lid te regelen, zodat het derde lid na inwerkingtreding van het tweede lid (op 1 januari 2026) kan komen te vervallen. 

RRRR

Na sectie ' Beoordelingsregels omgevingsvergunning: gesloten bodemenergiesysteem installeren' worden 32 secties ingevoegd, luidende:

Artikel 8.32 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.

Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Lid 3

onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.

Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

Lid 4

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

Artikel 8.33 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Lid 1

De uitzondering in artikel 8.32vierde lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Lid 2

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

 

Geluid gevoelig gebouw

                                                               Activiteiten

-

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4  zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4  zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit afdeling 8.4 zijn niet van toepassing

Artikel 8.34 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in artikel 22.44, derde lid van dit omgevingsplan. 

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Artikel 8.35 Waar waarden gelden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.

Onderdeel c

Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming «gevoelige terreinen» gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.

In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als «drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip».

In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

Artikel 8.36 Functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.

Artikel 8.37 Voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 8.38 Geluidonderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.

De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien.

In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.

Artikel 8.39 Informatieplicht: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 22.46 worden verstrekt.

Artikel 8.40 Informatieplicht: activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Dit artikel heeft mede als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 8.38 en 8.39eerste en tweede lid of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. In artikel 8.40 is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

Artikel 8.41 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om te bepalen of sprake is van (onaanvaardbare) geluidhinder en om te bepalen of maatwerkvoorschriften nodig zijn. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen.

Artikel 8.42 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op, ter invulling van of in afwijking van het gestelde in afdeling 8.4. Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor:

  • onvoorziene situaties;

  • bijzondere gevallen;

  • lokale omstandigheden;

  • het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Artikel 8.43 Toepassingsbereik

Lid 1

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

Lid 2

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.

Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Artikel 8.44 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen en omgeving

Lid 1

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden.

Lid 2

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

Lid 3

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

Lid 4

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 8.34 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

Artikel 8.45 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheer- inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 8.46 Waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

 

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

Artikel 8.47 Waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het in de artikelen 8.44eerste lid, 8.45eerste lid en 8.46eerste lid opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingsplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 8.48 Eerbiedigende werking

Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB’s» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.

Artikel 8.49 Buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Lid 1

onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

Lid 2, onderdeel d

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Artikel 8.50 Waar waarden gelden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.

Artikel 8.51 Festiviteiten

In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.

Artikel 8.52 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.

Artikel 8.53 Waarden windturbines

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.

Artikel 8.54 Registratie gegevens windturbines

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.

Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in artikel 8.38.

Artikel 8.55 Toepassingsbereik

Lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Lid 2

Onderdeel b 

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

Artikel 8.56 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In artikel 8.55tweede lid, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Artikel 8.57 Meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.

Artikel 8.58 Functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.

Artikel 8.59 Voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 8.60 Waarden voor continue trillingen

Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.

Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.

Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

Artikel 8.61 Informatieplicht: gegevens en bescheiden op verzoek van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om te bepalen of sprake is van (onaanvaardbare) trillinghinder en om te bepalen of maatwerkvoorschriften nodig zijn. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen.

Artikel 8.62 Maatwerkvoorschriften

Dit artikel geeft burgemeester en wethouders de mogelijkheid om maatwerkvoorschriften te stellen in aanvulling op, ter invulling van of in afwijking van het gestelde in afdeling 8.5. Een maatwerkvoorschrift geldt voor een individueel geval en staat in een apart maatwerkbesluit. Burgemeester en wethouders kunnen een maatwerkvoorschrift bijvoorbeeld gebruiken voor:

  • onvoorziene situaties;

  • bijzondere gevallen;

  • lokale omstandigheden;

  • het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

Artikel 20.1 Buiten toepassing verklaring

Binnen deze bestemmingsplan is met de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting vervoer gevaarlijke stoffen weg' geregeld dat het gebruik van gebouwen als zeer kwetsbaar object of als kwetsbaar object uitsluitend is toegestaan nadat het BEVI-bedrijf op het adres Roggeweg 7-9 en Sint Teunismolenweg 58 te Nijmegen, diens bedrijfsvoering heeft gestaakt en ter plaatse gestaakt houdt, in die zin dat vanaf die locatie geen vervoer van gevaarlijke stoffen meer plaatsvindt. De omschrijving van de regels zoals genoemd in in de betreffende regels is echter te strikt aangezien een deel van de activiteiten van het BEVI-bedrijf op het adres Roggeweg 7-9 en Sint Teunismolenweg 58 te Nijmegen - en daarmee ook het vervoer van gevaarlijke stoffen van en naar het bedrijf - blijft bestaan. Met het betreffende bedrijf is inmiddels overeenstemming bereikt voor het beperken van de activiteiten. De Bevi-activiteiten worden beëindigd zodat de grote stromen van gevaarlijke stoffen door het gebied Winkelsteeg niet meer aan de orde zijn. De beperkingen ten aanzien van het gebruik van gebouwen als (zeer) kwetsbaar object dienen daarmee geen doel meer. Om woningbouw ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting vervoer gevaarlijke stoffen weg' mogelijk te maken is het wenselijk dat de beperkingen komen te vervallen. Met dit artikel worden de betreffende regels buiten werking gesteld. 

SSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.

Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

[Vervallen]

TTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 lid 2

onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

[Vervallen]

UUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 lid 3

onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.

Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

[Vervallen]

VVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.54 lid 4

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • –.

    elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • –.

    stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

[Vervallen]

WWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 lid 1

De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

[Vervallen]

XXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.55 lid 2

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

Activiteiten

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

[Vervallen]

YYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 lid 1

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

[Vervallen]

ZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.62 lid 2

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.

Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

[Vervallen]

AAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 lid 1

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden.

In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

[Vervallen]

BBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 lid 2

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

[Vervallen]

CCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 lid 3

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

[Vervallen]

DDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.63 lid 4

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

[Vervallen]

EEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 lid 1

onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

[Vervallen]

FFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28DC , vierde lid, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28, vierde lid, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (artikel 22.28, vierde lid, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de artikelen 22.26 en 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

GGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 lid 1

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

[Vervallen]

HHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.83 lid 2

onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

[Vervallen]

IIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.44 lid 3

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de toelichting bij artikel  22.568.34  (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

JJJJJ

Na sectie ' Geluid' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

22.54, Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de artikel 22.41, tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het tweede lid van artikel 22.1 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.

Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

22.54, Tweede lid

onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

22.54, derde lid

onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.

Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 22.44, derde lid, onder a, van dit omgevingsplan.

22.54, vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • a.

    elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • b.

    stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

22.55 eerste lid

De uitzondering in artikel 22.54, tweede lid, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

22.55 tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

Activiteiten

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

KKKKK

Na sectie ' Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek' worden twee secties ingevoegd, luidende:

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

22.62 eerste lid

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

22.62 tweede lid

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.

Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

22.63 eerste lid

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden.

In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

22.63 tweede lid

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

22.63 derde lid

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

22.63 vierde lid

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

LLLLL

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

22.70 eerste lid

onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

MMMMM

Na sectie ' Geluid: meet- en rekenbepalingen' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van artikel 22.1, tweede lid van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van artikel 1.1, eerste lid, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

NNNNN

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1normen beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

OOOOO

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.208 lid 3

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

PPPPP

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 lid 2

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

QQQQQ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan de NEN-EN 858-1 en 2normen. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

RRRRR

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.232 lid 3

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

SSSSS

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 ende geldende NEN-EN 1825-2normen. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 ende NEN-EN 1825-2normen, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

TTTTT

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 lid 2

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

[Vervallen]

UUUUU

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform de geldende NEN-EN 1825-1 en -2normen. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van de NEN-EN 1825-1 en -2normen, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

VVVVV

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.211 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • a.

    De waarden van een bodemrapport volgens de NEN 5740-normen waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

  • b.

    De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

  • c.

    De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

WWWWW

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813-normen, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als artikel 22.219 of artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

XXXXX

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.235 lid 1

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • a.

    de waarden van een bodemrapport volgens de NEN 5740-normen waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • b.

    de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • c.

    de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

YYYYY

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 lid 1

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

[Vervallen]

ZZZZZ

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 lid 2

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

[Vervallen]

AAAAAA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.296 lid 2

Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

[Vervallen]

BBBBBB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 lid 1

In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

onderdeel b

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

onderdeel c

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

onderdeel d

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

[Vervallen]

CCCCCC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 lid 2

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

[Vervallen]

DDDDDD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

EEEEEE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in artikel 22.280. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in artikel 22.286 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

FFFFFF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de toelichting bij artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • a.

    bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • b.

    de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • a.

    het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • b.

    het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • c.

    het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • d.

    het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • e.

    het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • f.

    het winnen van grondstoffen,

  • g.

    agrarische grondwerkzaamheden, en

  • h.

    activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Tweede lid

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

GGGGGG

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.291 lid 2

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

HHHHHH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.292 lid 2

onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de toelichting bij artikel 22.288.

onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

IIIIII

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

onderdeel b

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

onderdeel c

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

onderdeel d

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

Motivering

1 Algemeen

1.1 Aanleiding voor deze wijziging

Sinds 1 januari 2024 heeft Nijmegen een tijdelijk omgevingsplan. Daarin zijn regels opgenomen van de bestemmingsplannen en een groot aantal Rijksregels voor bouwen en milieu (de bruidsschat). Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om de regels uit het tijdelijke deel om te zetten naar één gebiedsdekkend omgevingsplan, waarin alle regels voor de fysieke leefomgeving een plek moeten krijgen. Met deze wijziging van het omgevingsplan worden de volgende regels aan het omgevingsplan toegevoegd:

  • regels voor activiteiten in gebieden met archeologische (verwachtings)waarden 

  • regels voor geluid en trillingen veroorzaakt door activiteiten

 

Daarnaast wordt de bruidsschat opgeschoond en wordt er een kleine reparatie voor Winkelsteeg doorgevoerd.   

Bij het voorliggende wijzigingsbesluit hoort een motivering. Daarin wordt gemotiveerd waarom de beoogde wijziging van het omgevingsplan bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De gemeente moet daarbij rekening houden met alle betrokken belangen. In deze motivering wordt hier nader op ingegaan. 

1.2 Begrenzing besluitgebied

Het gebied waar dit besluit over gaat (besluitgebied) wordt begrensd door het Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen. Het Ambtsgebied omvat alle gronden die binnen de grenzen van gemeente Nijmegen gelegen zijn. 

1.3 Participatie

Participatie vindt in een zo vroeg mogelijk stadium plaats. Dit geldt ook voor het gesprek met andere bestuursorganen (ketenpartners) die bij de wijziging van het omgevingsplan betrokken moeten worden. Als leidraad voor de participatie gelden de verschillende stappen uit het participatiebeleid voor het ruimtelijk domein. Dit start met een verkennende fase en het maken van een participatieplan. Na het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit start de formele procedure (zie paragraaf 1.4).

1.4 Procedure

Ontwerpfase

De gemeente maakt het ontwerp-wijzigingsbesluit bekend door het te publiceren in het gemeenteblad via de Landelijke Voorziening Bekendmaken en Beschikbaar stellen (LVBB). Tegelijk met de bekendmaking geeft de gemeente kennis van de terinzagelegging van de bijbehorende stukken. Het LVBB levert de wijziging automatisch door aan het Omgevingsloket. Via het onderdeel ‘Regels op de Kaart’ kan iedereen zien welke regels waar gelden.

Het ontwerp-wijzigingsbesluit en de daarbij behorende stukken worden gedurende een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd (artikel 3:11, Awb). Binnen deze termijn heeft eenieder de mogelijkheid een zienswijzen in te brengen. Dit kan zowel schriftelijk als mondeling. Eventuele zienswijzen worden beantwoord in een separate notitie, die te zijner tijd als bijlage bij het wijzigingsbesluit wordt opgenomen.

Vaststellingsfase

De wijziging van het omgevingsplan wordt ter besluitvorming aan de gemeenteraad voorgelegd. Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het wijzigingsbesluit gepubliceerd in het gemeenteblad via de LVBB. Tussen de vaststelling van het wijzigingsbesluit en de bekendmaking moeten in beginsel minimaal 2 weken zitten.

Inwerkingtreding

Een wijziging van het omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit bekend heeft gemaakt. De gemeente kan een later tijdstip van inwerkingtreding in het omgevingsplan opnemen.

2 Archeologie

2.1 Voorbereiding en participatie

2.1.1 Participatie

Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel. Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben: 

  • het beschermen en (in situ) behouden van archeologische waarden en archeologische monumenten; en

  • het behouden en beschermen van de uitzonderlijk universele waarde van de Neder-Germaanse Limes.

 

Voor deze wijziging is een participatieplan opgesteld. Het participatieplan is te vinden op: Omgevingsplan gemeente Nijmegen - Centrum - MijnWijkplan

In het kader van voorliggend wijzigingsbesluit is voorafgaand aan de wettelijke procedure een inloopbijeenkomst georganiseerd. Het doel van deze inloopbijeenkomst was om inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken. Tijdens de inloopbijeenkomst zijn belangstellenden in de gelegenheid gesteld hun belangen, zorgen, ideeën en expertise kenbaar te maken, zodat dit kon worden meegenomen in het ontwerp-wijzigingsbesluit. Door vroegtijdig de dialoog aan te gaan, streeft de gemeente naar betere plannen, meer draagvlak en het tijdig signaleren van mogelijke knelpunten. Een verslag van de inloopbijeenkomst is te vinden in bijlage I Participatieverslag

Naar aanleiding van de ontvangen reacties tijdens de inloopbijeenkomst heeft de gemeente geen aanleiding gezien om de concept-regels voor activiteiten in een archeologisch waardengebied inhoudelijk aan te passen. 

2.1.2 Vooroverleg ketenpartners

Het voorliggende wijzigingsbesluit is voor advies voorgelegd aan de volgende ketenpartners en organisaties:

  • Provincie Gelderland; en 

  • Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

 

De ontvangen reacties en adviezen zijn gebundeld en voorzien van een reactie in bijlage II Verslag vooroverleg. Voor zover deze reacties of adviezen leiden tot een aanpassing van het ontwerpwijzigingsbesluit, worden deze voor de start van de formele wijzigingsprocedure verwerkt in het ontwerpwijzigingsbesluit.

2.2 Hoe het nu is geregeld

2.2.1 Algemeen
2.2.1.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de bestaande regelgeving voor activiteiten in gebieden met archeologische (verwachtings)waarden. 

2.2.1.2 Wettelijk stelsel

Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:

  • Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

  • Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

  • Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen.

  • Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

 

Instructieregels

Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'.

  • ‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen.

  • ‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd.

  • ‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.

2.2.2 Rijksregels
2.2.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving

Artikel 5.130 

Artikel 5.130 van het Bkl bevat een instructieregel die bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek. Verder is in dit artikel van het Bkl geregeld dat de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij moet stellen van de archeologische onderzoeksplicht. Maar dat de gemeente in een omgevingsplan een grotere of kleinere vrijstellingsgrens kan vastleggen.

Met het voorliggende wijzigingsbesluit wordt invulling gegeven aan de instructieregel van het Rijk. In het ontwerpwijzigingsbesluit ‘Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02’ worden de regels uit het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ beleidsneutraal overgenomen in het kader van de transitie naar één omgevingsplan. De regels zijn weliswaar anders geformuleerd, maar inhoudelijk regelen ze hetzelfde. Er is geen sprake van een beleidswijziging of verruiming van de regels. 

Op grond van de regels in afdeling 5.2 van het wijzigingsbesluit geldt een vergunningplicht voor bodemverstorende activiteiten in gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde. Een omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien met een archeologisch onderzoek of anderszins is aangetoond dat de aanwezige archeologische waarden niet (kunnen) worden geschaad. Getracht is juist om de regels duidelijker te formuleren, zodat er geen interpretatieverschillen meer kunnen ontstaan. Het is in specifieke gevallen onduidelijk hoe het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’ zich verhoudt tot de vangnetregeling in de bruidsschat. Een bouwactiviteit kan vergunningvrij zijn op grond van de bruidsschat, terwijl het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid vergunningplichtig is op grond van het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’. Dat zorgt voor onduidelijkheid bij de burger en kan ertoe leiden dat archeologische waarden onbedoeld worden geschaad. 

Het ontwerpwijzigingsbesluit bevat een aantal algemene uitzonderingen op het verbod om zonder omgevingsvergunning bodemverstorende activiteiten uit te voeren. Deze zijn gelijk aan de vrijstellingsgrenzen uit het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’. Voor o.a. Waalfront geldt een aantal specifieke uitzonderingen, omdat het bodemarchief hier tot een bepaalde diepte is vrijgegeven op basis van een archeologisch booronderzoek. In een selectiebesluit d.d. 28 oktober 2018 is vastgelegd tot welke diepte het bodemarchief in Waalfront is vrijgegeven. Indien de werkzaamheden niet dieper reiken dan deze vrijgegeven bouwdiepte, geldt de vergunningplicht niet. In aanvulling daarop is ook een uitzondering opgenomen voor funderingswerkzaamheden, mits er sprake is van archeologievriendelijk bouwen. Het doel van de regels voor archeologievriendelijk bouwen is dat in de toekomst archeologisch onderzoek mogelijk blijft. Nijmegen hanteert daarom een maximale verstoring van 2,5% en een onderlinge afstand tussen funderingspalen van 5 meter, met dien verstande dat het aantal funderingspalen zoveel als mogelijk wordt beperkt. Deze uitzondering/vrijstelling is al in 2021 in onze ruimtelijke regels verankerd (o.a. in het bestemmingsplan ‘Nijmegen Waalfront – 5 (Ulpia en Fabrica)’ en is later gecontinueerd in het ‘Facetbestemmingsplan Archeologie 2023’. 

Nijmegen hanteert andere voorwaarden voor archeologievriendelijk bouwen dan de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. De handreiking van de RCE gaat uit van een maximale verstoring van 2% en een onderlinge afstand tussen de palen(rijen) van 4 meter. De handreiking is overigens niet bindend, maar moet worden opgevat als een aanbeveling die de huidige kennis en ervaring op het gebied van archeologievriendelijk bouwen weergeven. Voor zover het de afstand tussen palen(rijen) betreft is Nijmegen strenger dan de handreiking van het RCE. Als het gaat om de verstoringsoppervlakte rekent het RCE met een percentage van 2%, gemeten over de oppervlakte van de vindplaats in het plangebied. Om interpretatieverschillen (over de grens van het plangebied) te voorkomen heeft Nijmegen geregeld dat niet meer dan 2,5% van het te bebouwen oppervlak verstoord mag worden. De Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed heeft in het verleden ingestemd met de Nijmeegse regels voor archeologievriendelijk bouwen zoals deze nu zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Met dit wijzigingsbesluit worden deze regels beleidsneutraal overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. De RCE heeft mondeling aangegeven hiermee in te kunnen stemmen. 

Resumerend kan gesteld worden dat er met het voorliggende ontwerpwijzigingsbesluit  rekening is gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 5.130 Bkl.

Artikel 5.131

Artikel 5.131 van het Bkl bevat een instructieregel die bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed.

In het voorliggende wijzigingsbesluit zijn de gebieden met uitzonderlijk universele waarden geografisch begrensd in de locatie ‘Waardengebied archeologie – uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde’. Binnen gebieden met uitzonderlijk universele waarden geldt voor activiteiten die verstorend kunnen zijn altijd een vergunningplicht, met uitzondering van het verrichten van activiteiten in het kader van normaal onderhoud of archeologisch onderzoek en activiteiten die worden verricht krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning. Hiermee wordt voldaan aan artikel 5.131 van het Bkl.

2.2.3 Provinciale regels
2.2.3.1 Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit de provinciale omgevingsvisie te realiseren. In de verordening zijn alleen regels opgenomen die nodig zijn om de provinciale ambities waar te maken of om wettelijke plichten na te komen. Net als de omgevingsvisie richt de omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen.

De Omgevingsverordening Gelderland bevat instructieregels met het oog op het behoud van de kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes (artikel 5.50 tot en met 5.52). Deze kernkwaliteiten en instructieregels zijn hieronder samengevat opgenomen.



Neder-Germaanse Limes

afbeelding binnen de regeling
Gebiedsaanwijzing Neder-Germaanse LimesBron: Omgevingsverordening Gelderland



Kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn:

  • de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk; en

  • archeologische overblijfselen uit de periode van 20 voor Christus tot 450 na Christus langs en samenhangend met de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit:

    • militaire versterkingen (legioensvestigingen, forten, wachttorens, burgerlijke nederzettingen, tempel en grafvelden;

    • overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, havens, oeverwerken, kanaal, aquaduct, pannenbakkerij; en

    • verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen.

 

NIJMEGEN - VALKHOF - HUNNERPARK

De restanten van een vroeg-Romeinse stad, en een laat-Romeins fort als onderdeel van de grensinfrastructuur.

NIJMEGEN - HUNNERBERG

De restanten van operationele basis, legioensfort, civiele nederzetting. De Hunnerberg herbergt de overblijfselen van twee grote vestingwerken en van de burgerlijke nederzetting rondom de laatste daarvan. Het eerdere fort was een unieke operationele basis. Dit is de vroegste militaire basis in het Rijnland en kan worden beschouwd als de bakermat van de Nederduitse grens. Gelegen in een verhoogde positie met uitzicht op de Rijnvallei in het noorden en oosten werd het opgericht als de springplank voor een punitieve expeditie op Duits grondgebied over de Rijn.

NIJMEGEN - KOPS PLATEAU

De overblijfselen van een onregelmatig gevormd vroeg-Romeins fort. Het omvat een deel van de fortverdediging en enkele waarschijnlijke begravingen die behoren tot het latere legioensfort van Nijmegen-Hunnerberg en haar civiele nederzetting en een begraafplaats

AQUADUCT

Het object omvat de waterbronnen en aardwerken van een aquaduct dat het legioensfort van Nijmegen-Hunnerberg heeft bevoorraad. Hoewel het door de eeuwen heen heeft geleden onder enige erosie, is het aardwerk nog grotendeels intact.



Instructieregels kernzone van de Neder-Germaanse Limes Hunnerberg

afbeelding binnen de regeling
Gebiedsaanwijzing kernzone van de Neder-Germaanse Limes HunnerbergBron: Omgevingsverordening Gelderland



Instructieregels bufferzone van de Neder-Germaanse Limes

afbeelding binnen de regeling
Gebiedsaanwijzing bufferzone van de Neder-Germaanse LimesBron: Omgevingsverordening Gelderland

 

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de bufferzone van de Neder-Germaanse Limes worden in het omgevingsplan regels gesteld in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten, bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes. De regels strekken er in ieder geval toe dat beschadiging of vernieling van werelderfgoed wordt voorkomen, dat de kernkwaliteiten niet worden aangetast en dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning activiteiten met een oppervlakte van 100 vierkante meter of meer te verrichten, waarbij de bodem dieper dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd. 

In een omgevingsplan kan een andere oppervlakte of diepte worden aangehouden dan de oppervlakte en diepte, bedoeld in het tweede lid, onder c, als archeologische gegevens daartoe aanleiding geven.



Instructieregels Neder-Germaanse Limes bufferzone Aquaduct

afbeelding binnen de regeling
Gebiedsaanwijzing Neder-Germaanse Limes bufferzone AquaductBron: Omgevingsverordening Gelderland

Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Neder-Germaanse Limes bufferzone Aquaduct, worden regels gesteld die ertoe strekken dat over een aanvraag om een omgevingsvergunning, die betrekking heeft op een activiteit binnen de bufferzone Aquaduct, Gedeputeerde Staten in de gelegenheid wordt gesteld om binnen vier weken advies uit te brengen over die aanvraag.

In dit omgevingsplan is geregeld dat het verboden is om zonder omgevingsvergunning activiteiten met een oppervlakte van 50 vierkante meter of meer te verrichten, waarbij de bodem dieper dan 30 centimeter onder maaiveld wordt geroerd. Voor de kernzone geldt deze vrijstelling niet. Daar zijn alle activiteiten die het bodemarchief kunnen verstoren vergunningplichtig, ongeacht de verstoringsdiepte of oppervlakte. Voor activiteiten in de bufferzone van het Aquaduct geldt op grond van het omgevingsplan een adviesprocedure. Het voorliggende wijzigingsbesluit voldoet daarmee aan de instructieregels van de Omgevingsverordening Gelderland. 

2.2.4 Gemeentelijke regels
2.2.4.1 Omgevingsplan gemeente Nijmegen

In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan is de bruidsschat opgenomen. De bruidsschat bestaat uit gedecentraliseerde Rijksregels die we als gemeente kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden. De bruidsschat omvat voor het thema archeologie vooral regels over gemeentelijke archeologische monumenten, regels over wanneer sprake is van een vrijstelling van archeologisch onderzoek en de vergunningprocedure (aanvraagvereisten en voorschriften). De regels uit de Erfgoedwet die de fysieke leefomgeving betreffen, zoals de regels rondom vergunningverlening, zijn opgenomen in de bruidsschat. Ook onder de Omgevingswet zijn archeologische waarden beschermd door middel van het vergunningenstelstel. Daarnaast regelt de bruidsschat de regelgeving rondom gemeentelijke (archeologische) monumenten en het vrijstellingenbeleid.  

Het gemeentelijke archeologiebeleid is opgenomen in het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en doorvertaald in enkele bestemmingsplannen die nadien zijn vastgesteld. Daarmee is voor alle archeologisch waardevolle gebieden een vergunningplicht en onderzoekplicht ingesteld. Dit wijzigt niet in de transitiefase. Het bestemmingsplan 'Facetbestemmingsplan Archeologie 2023' is onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan en bevat regels voor activiteiten in gebieden met archeologische (verwachtings)waarden. Met dit wijzigingsbesluit vertalen we de regels uit het tijdelijk deel naar het nieuwe deel van het omgevingsplan zonder de regels inhoudelijk te wijzigen. Wel worden de regels anders geformuleerd. De vangnetregels uit de bruidsschat kunnen daarmee komen te vervallen. 

2.3 Wat we willen bereiken

2.3.1 Rijksdoelen
2.3.1.1 Omgevingswet

Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer bestuurlijke afwegingsruimte om te sturen op (het bereiken van) doelen. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Om deze doelen te bereiken, kent de wet instrumenten voor gemeenten. Zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Eén van de doelen van de wet is het stellen van regels die eenvoudig, overzichtelijk, snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd zodat maatschappelijke doelen efficiënter en effectiever kunnen worden bereikt. In artikel 2.1 van de Omgevingswet is bepaald dat gemeenten deze instrumenten in ieder geval kunnen inzetten voor het beschermen van de gezondheid (derde lid onder b) en het beschermen van het milieu (derde lid onder c).

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Dit wijzigingsbesluit is opgesteld met het oog op het beschermen van cultureel erfgoed en de uitzonderlijk universele waarde van werelderfgoed. In voorliggend wijzigingsbesluit wordt concreet invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. 

2.3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De kern van deze nieuwe aanpak is het integraal werken aan verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken.

De NOVI benoemt het nationale belang om cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang te behouden en versterken. Dit uit zich in bescherming van waardevolle, open en kwetsbare landschappen en bebouwde gebieden, uitgaand van hun kernkwaliteiten. Bij (stedelijke) groei, verdichting, transformatie of krimp moet rekening worden gehouden met unieke landschappelijke structuren en objecten, cultuurlandschappen (of onderdelen daarvan), archeologische monumenten, gebouwde of aangelegde monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en (genomineerde) werelderfgoederen en wederopbouwgebieden van nationaal belang. De opgave is cultureel erfgoed en (inter)nationale unieke landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten te ontwikkelen, te behouden, te versterken en te benutten bij gebiedsontwikkeling en transformatie.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Binnen de opgave om culturele en landschappelijk kwaliteiten te beschermen, neemt het Rijk een kaderstellende en ondersteunende rol op zich. Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet in de bescherming van archeologische waarden conform de uitgangspunten van de Nationale Omgevingsvisie. 

2.3.2 Provinciale doelen
2.3.2.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Gezondheidsschade, onacceptabele risico’s en onaanvaardbare geur- en geluidhinder moeten worden voorkomen. De provincie streeft naar een op gezondheid gerichte benadering van de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu.

De omgevingsvisie bevat thematische visie-schetsen, waarbij cultuurhistorie wordt gebruikt als geschiedkundige verwijzing naar het rijke verleden van Gelderland. Cultuurhistorie, erfgoed en/of (historisch) landschap worden niet met een specifieke schets opgenomen in deze visie. Het spreekt voor zich dat erfgoed en historische landschappen, en daarmee indirect ook hun bescherming, wel onderdeel vormen van enkele visie-schetsen zoals een aantrekkelijk woon- en leefklimaat maar bijvoorbeeld ook biodiversiteit en energietransitie.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

De provincie stelt in haar omgevingsverordening instructieregels ten aanzien van de omgang met erfgoed. Van belang voor de gemeente Nijmegen zijn in het bijzonder de instructieregels ten aanzien van de Neder-Germaanse Limes. De verordening stelt dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Limes en de bijbehorende bufferzone, er in het Omgevingsplan regels gesteld dienen te worden in het belang van de instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten.

Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet in regels ten aanzien van de omgang met erfgoed conform de uitgangspunten van de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'. 

2.3.3 Gemeentelijke doelen
2.3.3.1 Omgevingsvisie gemeente Nijmegen

Op 10 september 2025 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie gemeente Nijmegen' vastgesteld. Voor het aspect archeologie is vooral de hoofdlijn 'Aantrekkelijke stad' van belang. Nijmegen hecht belang aan het behoud van de eigen sterke identiteit als stad met historie en wil deze versterken. Het archeologische erfgoed van de stad speelt hierbij een belangrijke rol. In de Omgevingsvisie hebben we met betrekking tot archeologie de ambitie benoemd om het cultureel erfgoed niet alleen te beschermen en in stand houden, maar ook te versterken, ontwikkelen en benutten. Daarnaast willen we ons werelderfgoed beter in beeld brengen.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Voorliggend wijzigingsbesluit voorziet in regels voor bescherming en instandhouding van het waardevolle archeologische erfgoed binnen de gemeente. 

2.4 Wat we gaan wijzigen

2.4.1 Inleiding

Met de voorliggende wijziging worden regels voor activiteiten in een gebied met archeologische waarden geïntegreerd in het omgevingsplan. Het betreft een zogenaamde ‘thematische wijziging’. Dit betekent dat deze regels voor het hele Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen gaan gelden. Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de manier waarop de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan een plek hebben gekregen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staat in de artikelsgewijze toelichting bij het omgevingsplan.

2.4.2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving

In hoofdstuk 3 van het omgevingsplan worden gebieden aangewezen door middel van een zogenaamde gebiedsaanwijzing. Een gebiedsaanwijzing maakt het mogelijk een gebied te benoemen, te begrenzen en van een typering te voorzien. Het is gedefinieerd als 'een door regels of beleid aangewezen gebied'. De Archeologische rijksmonumenten zijn aangewezen als een 'Archeologisch Rijksmonument'. Dit is een beperkingengebied waar afdeling 5.1 van de Omgevingswet van toepassing is. Voor archeologische Rijksmonumenten worden dus gene regels in het omgevingsplan opgenomen. 

Voor wat betreft de terreinen met een archeologische (verwachtings)waarde die niet als Rijksmonument zijn aangewezen en de gebieden met een verwachtingswaarde is eveneens een gebiedsaanwijzing opgenomen. Deze gebieden zijn aangewezen als een 'Waardengebied archeologie'. Hierin is een onderverdeling gemaakt in vijf categorieën, afhankelijk van de archeologische waarde (lage verwachtingswaarde, middelhoge verwachtingswaarde, hoge verwachtingswaarde, (zeer) grote archeologische waarde en uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde).

2.4.3 Beschermen van erfgoed

In hoofdstuk 5 van het omgevingsplan worden de komende jaren regels opgenomen die betrekking hebben op erfgoed, landschap en natuur. Deze wijziging ziet toe op het toevoegen van regels voor activiteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden.

De regels voor activiteiten in gebieden met archeologische (verwachtings)waarden zijn opgenomen in paragraaf 5.2.1 'Activiteiten in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden' die deel uitmaakt van afdeling 5.2 'Archeologie'. De regels in deze paragraaf zijn uitsluitend van toepassing op de locatie 'Gebieden met archeologische (verwachtings)waarden'.

Binnen het waardengebied is het verboden om zonder omgevingsvergunning activiteiten uit te voeren die het bodemarchief kunnen verstoren. Afhankelijk van de archeologische waarden zijn er uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. Zo is bepaald dat voor activiteiten die niet dieper reiken dan 30 centimeter onder het maaiveld of voor het ophogen van het maaiveld met niet meer dan 1,0 meter geen omgevingsvergunning nodig is. Als de uitzondering niet van toepassing is op een activiteit (als bijvoorbeeld dieper dan 0,30 wordt gegraven) dan is er een uitzondering voor activiteiten met een bepaalde omvang opgenomen. Deze omvang is afhankelijk van de archeologische verwachtingswaarde (hoe hoger de verwachtingswaarde, hoe kleiner de vrijgestelde oppervlakte). Deze algemene vrijstellingen zijn in principe binnen alle waardengebieden van toepassing. Een uitzondering hierop vormen de gebieden met uitzonderlijk universele waarden en gebieden met een vastgestelde waarde, op deze gebieden zijn deze algemene vrijstellingen niet van toepassing. Een omgevingsvergunning is hier (vrijwel) altijd nodig.

De vergunningplicht is ingesteld voor het behoud van de uitzonderlijke universele waarde van werelderfgoed en voor bescherming en instandhouding van het waardevolle archeologische erfgoed binnen de gemeente. Om te kunnen beoordelen of er geen archeologische waarden (kunnen) worden geschaad dient een archeologisch onderzoek te worden overlegd. 

2.4.4 Hoe de wijzigingen zich verhouden tot de bruidsschat

Met deze wijziging worden aanpassingen gedaan aan de regels in hoofdstuk 22 (bruidsschat). Regels ter bescherming en instandhouding van archeologische waarden worden met deze wijziging opgenomen in het definitieve omgevingsplan. De regels die hiervoor zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn verhuisd naar hoofdstuk 5 van het definitieve omgevingsplan en komen in het tijdelijke deel te vervallen. Het gaat om de volgende artikelen:

  • Overgangsrecht gemeentelijke monumenten (art. 22.2) 

  • Vrijstelling archeologisch onderzoek (art. 22.22).

  • Omgevingsplanactiviteit archeologisch monument (art. 22.288)

  • Eisen aan tekeningen (art. 22.289) 

  • Regels voor sloopwerkzaamheden in beschermd stads- of dorpsgezicht (22.296) 

  • Inperking uitzondering op de vergunningplicht (22.28.4 a en b) 

  • Aanvraagvereisten omgevingsvergunning (div. artikelen)

  • Voorschriften voor archeologische monumentenzorg (22.303)

2.5 Haalbaarheid

2.5.1 Wijze van bekostiging

Omdat het voorliggende wijzigingsbesluit geen kostenverhaalplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, is het niet nodig de kosten publiekrechtelijk te verhalen. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsbesluit worden betaald uit gemeentelijke middelen. 

3 Geluid en trillingen 

3.1 Voorbereiding en participatie

3.1.1 Participatie

Met participatie wordt in de Omgevingswet bedoeld ‘het in vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van besluitvorming of een project of activiteit om tijdig belangen, meningen en creativiteit op tafel te krijgen’. Het gaat nadrukkelijk om het betrekken van partijen bij het besluitvormingsproces voordat formele besluitvorming van start gaat. Vroegtijdige participatie moet mensen in staat stellen mee te denken aan een nog te maken keuze voor de toekomst van een gebied of locatie. Participatie hoeft niet te leiden tot overeenstemming. Participatie is maatwerk en de vorm is afhankelijk van het beoogde doel. Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben de gezondheid van personen en het milieu te beschermen.

Voor deze wijziging is een participatieplan opgesteld. Het participatieplan is te vinden op: Omgevingsplan gemeente Nijmegen - Centrum - MijnWijkplan

In het kader van voorliggend wijzigingsbesluit is voorafgaand aan de wettelijke procedure een inloopbijeenkomst georganiseerd. Het doel van deze inloopbijeenkomst was om inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken. Tijdens de inloopbijeenkomst zijn belangstellenden in de gelegenheid gesteld hun belangen, zorgen, ideeën en expertise kenbaar te maken, zodat dit kon worden meegenomen in het ontwerp-wijzigingsbesluit. Door vroegtijdig de dialoog aan te gaan, streeft de gemeente naar betere plannen, meer draagvlak en het tijdig signaleren van mogelijke knelpunten. Een verslag van de inloopbijeenkomst is te vinden in bijlage I Participatieverslag

Naar aanleiding van de ontvangen reacties tijdens de inloopbijeenkomst heeft de gemeente geen aanleiding gezien om de concept-regels voor geluid en trillingen door activiteiten aan te passen.

3.1.2 Vooroverleg ketenpartners

Het voorliggende wijzigingsbesluit is voor advies voorgelegd aan de volgende ketenpartners en organisaties:

  • Provincie Gelderland;

  • Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN);

  • GGD Gelderland-Zuid; en

  • ProRail.

 

De ontvangen reacties en adviezen zijn gebundeld en voorzien van een reactie in bijlage II Verslag vooroverleg. Voor zover deze reacties of adviezen leiden tot een aanpassing van het ontwerpwijzigingsbesluit, worden deze voor de start van de formele wijzigingsprocedure verwerkt in het ontwerpwijzigingsbesluit.

3.2 Hoe het nu is geregeld

3.2.1 Algemeen
3.2.1.1 Inleiding

Dit hoofdstuk beschrijft de relevante bestaande regelgeving voor het thema geluid en trillingen door activiteiten.

3.2.1.2 Wettelijk stelsel

Het stelsel omgevingsrecht bestaat uit de Omgevingswet, vier Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) en een Omgevingsregeling. De Omgevingsregeling is de ministeriële regeling bij de Omgevingswet. Het gaat vooral om technische en administratieve regels. In de vier AMvB’s staan de regels voor het praktisch uitvoeren van de wet:

  • Het Omgevingsbesluit (Ob) regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage.

  • Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen.

  • Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit, voor welke activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Het bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen.

  • Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

 

Instructieregels

Voor een aantal onderwerpen gelden instructieregels vanuit het Rijk of de provincie. Een instructieregel is een algemene regel waarmee een bestuursorgaan aan een ander bestuursorgaan aangeeft hoe het een taak of bevoegdheid moet uitoefenen. Er zijn drie varianten van een instructieregel: 'in acht nemen', 'rekening houden met' en 'betrekken bij'.

  • ‘In acht nemen’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aan die instructieregel móét voldoen.

  • ‘Rekening houden met’ betekent in het kader van de instructieregel dat er sprake is van een zwaarwegende positie van een belang bij de belangenafweging, zonder dwingend te sturen op de uitkomst daarvan. Afwijken is alleen toegestaan als het bestuursorgaan daar goede redenen voor heeft. Het afwijken moet wel goed worden gemotiveerd.

  • ‘Betrekken bij’ betekent in het kader van de instructieregel dat een overheid aandacht schenkt aan feiten of verwachtingen van feiten. De bestuurlijke afwegingsruimte is groot.

3.2.2 Rijksregels
3.2.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een van de vier AMvB’s. De AMvB’s geven uitvoering aan de Omgevingswet. In het Bkl worden waarden gesteld aan de omgeving. Het besluit bevat regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Paragraaf 5.1.4 gaat over het beschermen van de gezondheid en het milieu. In deze paragraaf zijn waarden opgenomen waaraan milieutechnisch voldaan moet worden. In deze paragraaf gaat het dan met name om geluid, trillingen, geur en de bodemkwaliteit. Voor deze thematische wijziging zijn de paragrafen over geluid door activiteiten (5.1.4.2) en trillingen  (5.1.4.4) van belang. De instructieregels in deze paragrafen gaan over de aanvaardbaarheid van geluid en trillingen bij het toelaten van een activiteit en/of een geluidgevoelig gebouw. 

Voor de aanvaardbaarheid van geluid bevat het Bkl een systematiek met waarden en voorwaarden waarbinnen het bevoegd gezag de aanvaardbaarheid van geluid beoordeelt. De systematiek bestaat uit standaardwaarden en grenswaarden. Bij voldoen aan de standaardwaarde is geluid doorgaans aanvaardbaar. Bij meer geluid dan de standaardwaarde zijn aanvullende voorwaarden van toepassing.

Voor het beoordelen van de aanvaardbaarheid van trillingen wordt enkel gewerkt met standaardwaarden. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden. 

Het voorliggende wijzigingsbesluit voldoet aan de instructieregels uit de hierboven genoemde paragrafen. 

Het Bkl bevat meer instructieregels ten aanzien van geluid. Het gaat om regels voor de activiteit ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen’ (paragraaf 5.1.4.2a Bkl). In de bruidsschat zijn geen regels opgenomen voor deze activiteit. Om deze reden wordt de activiteit ‘geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen’ daarom niet geregeld in dit wijzigingsbesluit, maar wordt deze meegenomen in een van de volgende wijzigingsbesluiten.

3.2.3 Gemeentelijke regels
3.2.3.1 Omgevingsplan gemeente Nijmegen

In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan is de bruidsschat opgenomen. De bruidsschat bestaat uit gedecentraliseerde Rijksregels die we als gemeente kunnen aanpassen aan de lokale omstandigheden. De bruidsschat bevat onder andere regels over milieubelastende activiteiten. Die regels zijn opgenomen in afdeling 22.3. Daarin zijn onder meer regels gesteld over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw en trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De gemeente kan deze Rijksregels laten vervallen, aanpassen of (ongewijzigd) overnemen, mits wordt voldaan aan de instructieregels van het Rijk en de provincie.

3.2.3.2 Beleidsregels omgevingsvergunning voor overschrijden van de standaardwaarde geluid 2024

De Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelen de toegestane geluidbelasting op woningen en andere geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen en ziekenhuizen. Ook worden er grenzen gesteld aan de geluidsbelasting op woonwagenstandsplaatsen en ligplaatsen voor woonschepen. In alle gevallen gaat het om de geluidsbelasting die wordt veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen binnen de geluidsaandachtsgebieden van deze bronnen.

De ten hoogste aanvaardbare geluidsbelasting wordt de standaardwaarde genoemd. Als niet aan deze standaardwaarde kan worden voldaan, is het mogelijk om hier onder voorwaarden van af te wijken tot en met de grenswaarde. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om dit vast te stellen. 

Deze beleidsregels geven de voorwaarden aan waaronder er afgeweken kan worden van de standaardwaarden als gesteld in art 3.34 lid 1 onder a.

Burgemeester en wethouders kunnen op grond van art 3.52 Bkl alleen afwijken van de standaardwaarde als is gebleken dat:

1. de geluidsbelasting niet kan worden verlaagd tot de standaardwaarde;

2. de geluidsbelasting kan worden verlaagd tot de standaardwaarde, maar dat dit leidt tot overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard;

3. de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbaar geluidsniveau in de woning op basis van art 3.53 Bkl.

Dit beleid heeft zowel betrekking op nieuwe geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit mogen worden gebouwd, als op woonfuncties die ontstaan door splitsing van afzonderlijke woonfuncties en op geluidgevoelige functies die ontstaan door transformatie van niet geluidgevoelige functies tot geluidgevoelige functies. 

Externe instanties, zoals Rijkswaterstaat, de spoorwegbeheerder of het college van burgemeester en wethouders van een naastgelegen gemeente kunnen een verzoek bij college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen indienen voor afwijken van de standaardwaarde indien een geluidsgevoelige bestemming binnen de grenzen van de gemeente Nijmegen ligt. Deze verzoeken komen niet vaak voor en hebben meestal betrekking op de aanleg van een (spoor)weg en de aanleg of uitbreiding van industrieterreinen.

3.3 Wat we willen bereiken

3.3.1 Rijksdoelen
3.3.1.1 Omgevingswet

Onder de Omgevingswet krijgen gemeenten meer bestuurlijke afwegingsruimte om te sturen op (het bereiken van) doelen. De maatschappelijke doelen van de Omgevingswet zijn het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. Bij het beschermen gaat het om het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Om deze doelen te bereiken, kent de wet instrumenten voor gemeenten. Zoals de omgevingsvisie en het omgevingsplan. Eén van de doelen van de wet is het stellen van regels die eenvoudig, overzichtelijk, snel en adequaat kunnen worden uitgevoerd zodat maatschappelijke doelen efficiënter en effectiever kunnen worden bereikt. In artikel 2.1 van de Omgevingswet is bepaald dat gemeenten deze instrumenten in ieder geval kunnen inzetten voor het beschermen van de gezondheid (derde lid onder b) en het beschermen van het milieu (derde lid onder c).

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Dit wijzigingsbesluit is opgesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en het milieu. In voorliggend wijzigingsbesluit wordt concreet invulling gegeven aan de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet. 

3.3.1.2 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) omvat een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. De kern van deze nieuwe aanpak is het integraal werken aan verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken.

In de NOVI worden de nationale belangen beschreven waarop de nationale overheid zich in de NOVI richt. Een van deze belangen is realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit. De in de NOVI gehanteerde term leefomgevingskwaliteit omvat zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit van de fysieke leefomgeving. Onder ruimtelijke kwaliteit komen de gebruiks-, belevings- en toekomstwaarde samen. Milieukwaliteit heeft betrekking op waarden die wij toekennen aan een gezonde en veilige woon-, werk- en leefomgeving. Het gaat dan om concrete onderwerpen als luchtkwaliteit, geluidhinder, stank, omgevingsveiligheid, bodem- en waterkwaliteit. Ook sociale samenhang en economische vitaliteit zijn onderdeel van een te realiseren goede leefomgevingskwaliteit. De opgave is de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Binnen de opgave om onze leefomgeving veiliger en gezonder te maken, neemt het Rijk een kaderstellende rol op zich. Het Rijk stuurt op de opgave door normstelling en grenswaarden in instructieregels op te nemen.

Voorliggend wijzigingsbesluit voldoet aan de instructieregels uit het Bkl en draagt hiermee bij aan de opgave om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving te verbeteren. 

3.3.2 Provinciale doelen
3.3.2.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

In de Omgevingsvisie ‘Gaaf Gelderland’ (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal. Gezondheidsschade, onacceptabele risico’s en onaanvaardbare geur- en geluidhinder moeten worden voorkomen. De provincie streeft naar een op gezondheid gerichte benadering van de kwaliteit van de leefomgeving en het milieu.

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Voorliggend wijzigingsbesluit voldoet aan de instructieregels uit het Bkl en draagt hiermee bij aan het doel om onaanvaardbare geluidhinder te voorkomen. De provincie stelt in haar omgevingsverordening geen instructieregels met betrekking tot geluid en trillingen.

3.3.3 Gemeentelijke doelen
3.3.3.1 Omgevingsvisie 'Nijmegen Stad in Beweging'

Op 10 september 2025 heeft de gemeenteraad de 'Omgevingsvisie gemeente Nijmegen' vastgesteld. Voor de aspecten geluid en trillingen is vooral de hoofdlijn 'Sociale en gezonde stad'  relevant. Het beschermen en bevorderen van gezondheid door het creëren en behouden van een gezonde leefomgeving is de hoofddoelstelling. 

Doorwerking in dit wijzigingsbesluit

Door middel van deze thematische wijziging wordt beoogd een gezonde leefomgeving te waarborgen door onaanvaardbare geluidhinder en trillinghinder te voorkomen. 

3.4 Wat we gaan wijzigen

3.4.1 Inleiding

Met de voorliggende wijziging worden regels voor het de thema’s geluid en trillingen geïntegreerd in het omgevingsplan. Het betreft een zogenaamde ‘thematische wijziging’. Dit betekent dat deze regels voor het hele Ambtsgebied van de gemeente Nijmegen gaan gelden. Dit hoofdstuk geeft een nadere toelichting op de wijzigingen. De toelichting op de afzonderlijke artikelen staat in de artikelsgewijze toelichting bij het omgevingsplan.

3.4.2 Milieubelastende activiteiten

Hoofdstuk 8 van het omgevingsplan is voorbehouden aan regels over milieubelastende activiteiten. Met dit wijzigingsbesluit worden in hoofdstuk 8 twee nieuwe afdelingen toegevoegd. Een afdeling met regels over geluid en een afdeling met regels over trillingen. De nieuwe afdeling over geluid bevat drie paragrafen: 1. Algemene bepalingen, 2. Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en 3. Geluid door windturbines. De nieuwe afdeling met regels over trillingen bevat geen paragrafen. De indeling van beide afdelingen sluit aan bij de indeling van het Bkl.

3.4.3 Hoe de wijzigingen zich verhouden tot de bruidsschat

Geluid

In het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat) is een paragraaf opgenomen met regels voor geluid. Het gaat om de volgende paragraaf met onderliggende subparagrafen:

Paragraaf 22.3.4 Geluid

  • Subparagraaf 22.3.4.1: Algemene bepalingen

  • Subparagraaf 22.3.4.2: Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

  • Subparagraaf 22.3.4.3: Geluid door windturbines

  • Subparagraaf 22.3.4.4: Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

 

Subparagrafen 22.3.4.1 t/m 22.3.4.3 zijn, na afgestemd te zijn op de instructieregels uit het Bkl, verhuisd naar hoofdstuk 8 van het definitieve omgevingsplan. Deze subparagrafen komen in het tijdelijk deel te vervallen. De regels in subparagraaf 22.3.4.4 zijn niet van toepassing op de gemeente Nijmegen, omdat binnen het ambtsgebied geen civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen aanwezig zijn. Om deze reden komt deze subparagraaf te vervallen zonder verhuisd te worden naar het definitieve omgevingsplan.   

Trillingen

In het tijdelijke omgevingsplan (bruidsschat) is een paragraaf opgenomen met regels voor trillingen. Deze paragraaf is verhuisd, na afgestemd te zijn op de instructieregels uit het Bkl, naar hoofdstuk 8 van het definitieve omgevingsplan. De paragraaf in het tijdelijk deel komt te vervallen.

3.4.4 Ontwerp plan-mer Programma Overgedragen Milieuregels Overheid

Naar aanleiding van het zogenoemde Nevele-arrest van het Europees Hof van Justitie van 25 juni 2020 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van State over het Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding van 30 juni 2021 volgt dat het Activiteitenbesluit milieubeheer als een plan kan worden gezien waarvoor een plan-mer vereist kan zijn. Een deel van het Activiteitenbesluit is in in de bruidsschat terecht gekomen. De vraag is dus ook of het verhuizen van de milieuregels van hoofdstuk 22 naar het permanente deel van het omgevingsplan plan-mer-plichtig is. 

Om dubbel werk te voorkomen is interbestuurlijk afgesproken om uit voorzorg samen tot een plan-mer voor alle milieuregels in de bruidsschat te komen. Om een plan-mer te kunnen uitvoeren is een plan of programma nodig. De plan-mer voor de bruidsschat wordt gekoppeld aan het programma Overgedragen Milieuregels Omgevingswet , een vrijwillig programma onder de Omgevingswet. Interbestuurlijk is afgesproken dat het Rijk deze plan-mer uitvoert.

Inmiddels heeft het Rijk een ontwerp-programma en ontwerp plan-mer opgesteld. In het ontwerp plan-mer zijn verschillende varianten voor o.a. de geluidsregels vergeleken met de referentiesituatie. De referentiesituatie is de situatie waarin de regels voor geluid nog onderdeel uitmaakten van het Activiteitenbesluit Milieubeheer. In het voorliggende wijzigingsbesluit is uitgegaan van een beleidsarme verhuizing van de geluidsregels uit de bruidsschat. In de ontwerp plan-mer draagt deze variant de naam 'voortzetting van de bruidsschatregel, gebiedsbreed'. De millieueffecten van deze variant ten opzichte van de referentiesituatie verschillen niet veel. Volgens de ontwerp plan-mer is er dan ook geen sprake van aanzienlijke negatieve milieueffecten. 

De verwachting bestaat dat bovenstaande bevindingen niet zullen wijzigen in het definitieve plan-mer.

3.5 Haalbaarheid

3.5.1 Wijze van bekostiging

Omdat het voorliggende wijzigingsbesluit geen kostenverhaalplichtige activiteit als bedoeld in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit mogelijk maakt, is het niet nodig de kosten publiekrechtelijk te verhalen. De kosten voor het opstellen van dit wijzigingsbesluit worden betaald uit gemeentelijke middelen. 

4 Overige wijzigingen

4.1 Reparatie Winkelsteeg

4.1.1 Inleiding

Dit wijzigingsbesluit bevat regels die tot doel hebben een aantal regels uit de bestemmingsplannen 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Noord', 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Zuid' en 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert' buiten werking te stellen, met als doel woningbouw mogelijk te maken.

4.1.2 Vooroverleg ketenpartners

De voorgenomen reparatie is voor advies voorgelegd aan de volgende ketenpartners en organisaties:

  • Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN); en

  • Veiligheidsregio Gelderland-Zuid. 

 

De reacties en adviezen worden gebundeld en voorzien van een reactie in het participatieverslag. Voor zover deze reacties of adviezen hebben geleid tot een aanpassing van het ontwerp-wijzigingsbesluit, zijn deze voor de start van de formele wijzigingsprocedure verwerkt in het ontwerp-wijzigingsbesluit.

4.1.3 Hoe het nu is geregeld

Met dit wijzigingsbesluit is beoogd de volgende bestemmingsplannen te repareren:

  • 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Noord';

  • 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Zuid'; en

  • 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert'. 

 

Binnen deze bestemmingsplannen is met de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting vervoer gevaarlijke stoffen weg' geregeld dat het gebruik van gebouwen als zeer kwetsbaar object of als kwetsbaar object uitsluitend is toegestaan nadat het BEVI-bedrijf op het adres Roggeweg 7-9 en Sint Teunismolenweg 58 te Nijmegen, diens bedrijfsvoering heeft gestaakt en ter plaatse gestaakt houdt, in die zin dat vanaf die locatie geen vervoer van gevaarlijke stoffen meer plaatsvindt. 

4.1.4 Wat we willen bereiken

De omschrijving van de regels zoals genoemd in de betreffende regels is echter te strikt aangezien een deel van de activiteiten van het BEVI-bedrijf op het adres Roggeweg 7-9 en Sint Teunismolenweg 58 te Nijmegen - en daarmee ook het vervoer van gevaarlijke stoffen van en naar het bedrijf - blijft bestaan. Met het betreffende bedrijf is inmiddels overeenstemming bereikt voor het beperken van de activiteiten. De Bevi-activiteiten worden beëindigd zodat de grote stromen van gevaarlijke stoffen door het gebied Winkelsteeg niet meer aan de orde zijn. De beperkingen ten aanzien van het gebruik van gebouwen als (zeer) kwetsbaar object dienen daarmee geen doel meer. Om woningbouw ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting vervoer gevaarlijke stoffen weg' mogelijk te maken is het wenselijk dat de beperkingen komen te vervallen. 

4.1.5 Wat we gaan wijzigen en waarom

Met dit wijzigingsbesluit wordt geregeld dat de volgende artikelen uit het tijdelijke deel van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn op het bouwen, toevoegen of gebruiken van een kwetsbaar of zeer kwetsbaar gebouw:

  • artikel 18.11 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Noord'; 

  • artikel 20.8 van het 'Chw-bestemmingsplan Nijmegen Winkelsteeg - Kanaalknoop Zuid'; en

  • artikel 17.9 van het bestemmingsplan 'Nijmegen Winkelsteeg - Stationsomgeving Goffert'

 

Er is in de verantwoording van de betreffende bestemmingsplannen reeds gemotiveerd dat de beoogde bouwplannen haalbaar en te verantwoorden zijn op grond van externe veiligheid als het transport van gevaarlijke stoffen aanzienlijk zou worden teruggedrongen. Dit is nu het geval.

4.2 Paragraaf 22.3.2 Bruidsschat

Paragraaf 22.3.2 van de Bruidsschat komt te vervallen. De regels in deze paragraaf waren van toepassing tot 1 december 2023 en kunnen daarom geschrapt worden. 

4.3 Vervallen NEN-normen in omgevingsplan

Per 1 oktober 2025 is de Omgevingsregeling gewijzigd. Deze zorgt ervoor dat de verwijzingen in het omgevingsplan (van rechtswege) naar nationale en internationale NEN-normen worden opgenomen in hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling. Daarmee worden deze meet- en rekenregels naar centraal niveau overgeheveld. Voor bestaande regels in het omgevingsplan, met daarin een verwijzing naar een NEN-norm, geldt dat die vervangen wordt door de inhoud van deze regeling. Zodoende zijn de betreffende artikelen, leden en zinsneden in de bruidsschat komen te vervallen. 

4.4 Wijziging hoofdstructuur omgevingsplan

Het omgevingsplan van Nijmegen is in opbouw. Dit betekent dat  de opzet en hoofdstructuur de komende jaren nog veranderingen zal ondergaan. Wijzigingen in de hoofdstructuur leiden doorgaans tot hernummering van hoofdstukken en artikelen. Dit is niet altijd wenselijk, maar tegelijkertijd is het niet te voorkomen. Met dit wijzigingsbesluit wordt hoofdstuk 3 (aanwijzingen in de fysieke leefomgeving) verplaatst naar hoofdstuk 2. Dit hoofdstuk vormt namelijk de richtaanwijzer voor het omgevingsplan. Daarnaast wordt hoofdstuk 3 gereserveerd voor het beschermen van vitale functies. Dit nieuwe hoofdstuk gaan we de komende tijd voorbereiden en zal naar verwachting in 2026 gevuld worden met regels voor het beschermen van de energievoorziening (kabels en leidingen) en de drinkwatervoorziening (grondwaterbeschermings- en waterwingebieden). De wijziging in de structuur leidt niet tot inhoudelijke wijzigingen in de regels.

I Participatieverslag 

1 Aanleiding

De gemeente werkt aan een wijzigingsbesluit van het Omgevingsplan van de gemeente Nijmegen. Dit is een juridisch document met alle regels voor de fysieke leefomgeving: de ruimte waarin we wonen, werken, reizen en recreëren. Denk aan regels over bouwen, infrastructuur, water, bodem, natuur, landbouw, luchtkwaliteit en cultureel erfgoed. 

Sinds de invoering van de Omgevingswet is het omgevingsplan grotendeels leeg. De gemeente heeft tot 2032 de tijd om het plan met regels en geografische informatieobjecten (kaarten) aan te vullen. Met het komende wijzigingsbesluit worden regels toegevoegd over archeologie, en geluid & trillingen. 

Voor archeologie en voor geluid & trillingen gaat het om bestaande regels die inhoudelijk niet of nauwelijks veranderen. 

2 Doel inloopavond

Het doel van de inloopavond was om belanghebbenden in een vroeg stadium te betrekken. Zo kunnen hun belangen, zorgen, ideeën en expertise worden meegenomen in het ontwerp en de besluitvorming. Door de dialoog aan te gaan, streeft de gemeente naar betere plannen, meer draagvlak en het tijdig signaleren van mogelijke knelpunten.

3 Programma

De inloopavond had de vorm van een informatiemarkt en vond plaats in het restaurant van het Stadhuis en de aangrenzende vergaderruimten. Er waren vier stands: één voor het thema kamerverhuur (niet meegenomen in deze wijziging), één voor archeologie, één voor geluid & trillingen en één voor het omgevingsplan in het algemeen, met de regels zichtbaar op de (digitale) kaart. Bezoekers konden binnenlopen tussen 18:00 en 21:00 uur en vrijblijvend in gesprek gaan met betrokken ambtenaren van de gemeente Nijmegen. In totaal waren er 39 bezoekers.

4 Stands

4.1 Algemeen

Per stand is een verslag gemaakt van de avond. Op de volgende pagina leest u wat er per thema is besproken. Wat er uiteindelijk met de opbrengsten gebeurt, leest u in het wijzigingsbesluit

4.2 Archeologie
4.2.1 Context

In 2023 heeft de gemeenteraad het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 vastgesteld. De regels uit dit bestemmingsplan maken deel uit van het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uiterlijk in 2032 moet de gemeente alle regels uit dit tijdelijke deel omzetten naar het nieuwe deel. Dit gebeurt zoveel mogelijk zonder beleidswijzigingen. Voor archeologie betekent dit dat de regels worden verduidelijkt om de dienstverlening te verbeteren. Inhoudelijk blijven de regels hetzelfde.

4.2.2 Reacties

Algemeen

Het was voor iedereen duidelijk dat het om een verhuizing zonder beleidswijziging ging. Bezoekers reageerden positief op het werken met een “activiteit in een gebied met een archeologische waarde”. Hierdoor verdwijnt het onderscheid tussen een aanvraag voor “bouwen” en “aanleggen”.

Archeologische beleidskaart

Over de Archeologische Beleidskaart werd opgemerkt dat deze nog fijnmaziger kan zijn en dat de onderbouwing van de verschillende waarden niet inzichtelijk is. Er wordt gewerkt aan een zogenaamde “Archeologische verwachtingenkaart”, die duidelijk maakt waarom bepaalde gebieden een bepaalde waarde hebben.

Overige vragen

Bezoekers stelden onder meer de volgende vragen:

  • Wat is er eigenlijk te vinden in Lindenholt?

  • Hoe wordt bepaald waar gegraven moet worden?

  • Wordt er wel eens iets bijzonders gevonden in Nijmegen?

  • Wat gebeurt er met vondsten?

  • Wanneer gaat het museum weer open?

  • Wat gebeurt er wanneer tijdens de bouw iets wordt gevonden?

 

Daarnaast kwamen er vragen die niet direct bij dit thema horen, zoals:

  • Waarom wordt een deel van de Benedenstad opeens door de gemeente bij het Centrumgebied gerekend?

  • Hoe moet het parkeren in de Benedenstad?

Voor de laatste vraag is verwezen naar de wijkmanager.

Valkhofpark

Meerdere bezoekers gaven aan dat het Valkhofpark verwaarloosd wordt en dat het groen sterk te lijden heeft onder festivals. Tijdens de avond zijn de plannen toegelicht voor de reconstructie van de burchtmuren en het herstel en de versterking van het groen.

4.3 Geluid en trillingen
4.3.1 Context

Bij de invoering van de Omgevingswet is een aantal thema’s gedecentraliseerd, waaronder geluid en trillingen. Via een zogenaamde bruidsschat zijn hiervoor regels van het Rijk overgedragen, zodat er geen gat in de regelgeving ontstond. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Ook deze regels moeten uiterlijk in 2032 worden omgezet naar het nieuwe deel.

4.3.2 Wijzigingsbesluit

Met het aankomende wijzigingsbesluit worden de regels voor geluid en trillingen opgenomen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het betreft regels voor activiteiten die geluid of trillingen veroorzaken bij gevoelige gebouwen, zoals woningen, scholen en verzorgingstehuizen. Deze regels bevatten normen voor de maximale hoeveelheid geluid en trillingen die een activiteit mag veroorzaken.

4.3.3 Reacties

Klachten

Veel bezoekers gebruikten de participatieavond om een geluidsklacht in te dienen. Inhoudelijk is er nauwelijks over de regels gesproken; de aandacht lag vooral op het verbeteren van de persoonlijke leefomgeving. Daarbij kwamen de volgende onderwerpen aan bod:

  • Evenementengeluid (met name dancefeesten en de Vierdaagsefeesten)

    • Waarom faciliteert de gemeente festivals waar jongeren gehoorschade kunnen oplopen

    • Er zijn volgens bezoekers te veel evenemententerreinen.

    • Bepaalde organisaties zouden meer dancefeesten in het Goffertpark willen organiseren.

  • Overlast van horeca op het Koningsplein

  • Wegverkeersgeluid

    • Klachten betroffen vooral asociaal rijgedrag, zoals hard optrekken en rijden met te hoge snelheid.

  • Motorgeluid (met name op de Vossenpelsestraat).

  • Industrielawaai in Nijmegen-West

    • Waarom wordt hier geen strengere normering toegepast?

  • Bouwlawaai in de avond en nacht

 

De regels

De regels uit het Omgevingsplan bleken voor inwoners moeilijk leesbaar en vroegen om mondelinge toelichting.

Kinderdorp Neerbosch

Een bezoeker vroeg of de normen voor geluid waren verruimd voor bedrijventerrein Westkanaaldijk en grote lawaaimakers in Beuningen (ARN en zandwinning Beuningse Plas). Dit is niet het geval. Voorheen waren de regels landelijk vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Met de Omgevingswet zijn ze overgedragen aan gemeenten en opgenomen in de bruidsschat, het tijdelijke omgevingsplan. Met de wijziging worden de regels beleidsneutraal overgezet naar het nieuwe deel. De waarden voor geluid en trillingen wijzigen niet. Verruiming (meer geluid toestaan) is niet mogelijk; strengere waarden zijn wel toegestaan, maar momenteel niet aan de orde.

II Verslag vooroverleg

1 Inleiding

Ten behoeve van het in procedure brengen van het wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Nijmegen, 2025-02' is het concept-ontwerpwijzigingsbesluit voor vooroverleg toegestuurd aan de relevante ketenpartners. In deze bijlage wordt verslag gedaan van de opgehaalde resultaten.

De bevoegde gezagen en ketenpartners die belang hebben bij dit wijzigingsbesluit hebben een conceptversie van de juridische regels, geometrie en de motivering toegestuurd gekregen. De partijen kregen drie weken de tijd om op- en aanmerkingen terug te sturen. Het gaat om de volgende partijen: 

  • Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN);

  • Veiligheidsregio Gelderland-Zuid;

  • Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed;

  • Provincie Gelderland;

  • GGD Gelderland-Zuid; en

  • ProRail.

 

Alle opmerkingen, aanmerkingen en vragen zijn verzameld en doorgenomen.  Dit participatieverslag geeft de hoofdlijnen weer van de ontvangen feedback. In hoofdstuk 4 zijn alle ontvangen reacties opgenomen en is aangegeven wat we met de feedback hebben gedaan. Dit participatieverslag wordt gedeeld met de betrokken partijen en wordt openbaar gesteld als bijlage bij de motivering van het ontwerp-wijzigingsbesluit.

2 Verwerking van de feedback

Alle ontvangen opmerkingen zijn opgenomen in een tabel in hoofdstuk 4 bij dit verslag. In de tabel is tevens opgenomen of, en zo ja hoe, de feedback is verwerkt in het wijzigingsbesluit. 

3 Vervolg

Naar aanleiding van de ontvangen feedback is het wijzigingsbesluit aangepast en gepromoveerd tot een ontwerp wijzigingsbesluit. Het ontwerp wijzigingsbesluit wordt voorgelegd aan het burgemeester en wethouders. Na een akkoord van burgemeester en wethouders start de formele voorbereidingsprocedure conform Afdeling 3:4 Algemene wet bestuursrecht met de publicatie en het ter inzage leggen van het ontwerp wijzigingsbesluit. Eenieder heeft binnen de inzagetermijn van zes weken de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen op het ontwerp wijzigingsbesluit. Na het aflopen van deze termijn worden de zienswijzen beoordeeld. Reacties op de zienswijzen worden verzameld in een zienswijzennota en eventuele wijzigingen naar aanleiding van de zienswijzen worden verwerkt in het wijzigingsbesluit.

Het (gewijzigde) wijzigingsbesluit wordt vervolgens definitief gemaakt en, na akkoord te zijn bevonden door burgemeester en wethouders, ter vaststelling aangeboden aan de gemeenteraad. Wanneer de gemeenteraad besluit het wijzigingsbesluit vast te stellen, wordt het besluit gepubliceerd en start de beroepstermijn van zes weken. De gemeente stuurt een exemplaar van het besluit aan degenen die een zienswijze op het ontwerpbesluit hebben ingediend. Binnen de beroepstermijn hebben belanghebbenden de mogelijkheid een beroepschrift in te dienen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het wijzigingsbesluit treedt vier weken nadat het bekend is gemaakt in werking.

4 Beantwoording reacties betrokken partijen

 

#

Betrokken partij

Onderwerp

Feedback

Verwerking feedback

1a

Omgevingsdienst Regio Nijmegen 

Reparatie Winkelsteeg

Artikel 20.1, het buiten toepassing verklaren van de betreffende artikelen in de bestaande bestemmingsplannen, volstaat. Er is immers in de verantwoording van de betreffende bestemmingsplannen al aangegeven dat de bouwplannen haalbaar en te verantwoorden zijn op grond van externe veiligheid als het transport van gevaarlijke stoffen aanzienlijk zou worden teruggedrongen. Dit is nu het geval. 

Naar ons oordeel is de vergunningplicht die volgt voor het toevoegen van de kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen op dit moment overbodig voor dit werkingsgebied. Deze zijn immers al getoetst voor de betreffende bouwvlakken met de vigerende milieuvergunningen die destijds golden en nu nog gelden

De vergunningplicht voor het toevoegen van kwetsbare en zeer kwetsbare objecten is komen te vervallen. Wat resteert is het artikel waarin de betreffende bestemmingsplannen buiten toepassing worden verklaard. Ter verduidelijking is het artikel opgesplitst in twee leden. In het tweede lid wordt het werkingsgebied van de regel geduid. 

1b

 

Geluid

In artikel 8.15, lid 3, sub b staat het volgende:

 

Waarom is er gekozen voor een norm van 65 dB(A) op 7,5 m afstand en niet op de gevel van een geluidgevoelig gebouw?

De normstelling biedt generiek meer zekerheid. Ook in gevallen waar geluidgevoelige gebouwen op grotere afstand zijn gesitueerd zal door deze aanpak het bronvermogen niet (onnodig) hoog uit kunnen vallen.

1c

 

Geluid

In tabel 5.65.1, uit artikel 5.65 van het Bkl, is een standaardwaarde van 65 dB(A) opgenomen voor de nachtperiode.

In artikel 8.16 is het volgende opgenomen:

Als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de artikelen 8.10eerste lid, en 8.11eerste lid ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Vaak zal de norm op 50 meter afstand vanaf de terreingrens worden overschreden, omdat veel bedrijven een hinderafstand hebben die groter is dan 50 meter.

Vaak zal het bedrijf worden toegelaten indien het op basis van BBT en de gebudgetteerde geluidruimte in het zonebeheersmodel inpasbaar is.

Is het zinvol om hiervoor een afwijkingsregel op te nemen, of wordt dit opgelost met maatwerkvoorschriften?

De actuele werkwijze betreft het opstellen van een maatwerkvoorschrift. Deze werkwijze wordt vooralsnog gecontinueerd. In afdeling 8.4 hebben we een artikel toegevoegd waarin de mogelijkheid wordt geboden om maatwerkvoorschriften te stellen.

 

1d

 

Geluid

In Artikel 8.7 worden gevallen genoemd wanneer een akoestisch onderzoek nodig is. Er zijn ook ander gevallen te bedenken waarbij een akoestisch onderzoek wenselijk is, bijvoorbeeld:

  • Ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften;

  • In de situaties waarbij geluidsoverlast wordt verwacht.

 

Het is wenselijk om in een artikel ‘geluidonderzoek op verzoek’ op te nemen.

In de periode richting vaststelling van dit wijzigingsbesluit onderzoeken we op welke manier we dit 'geluidonderzoek op verzoek' juridisch kunnen borgen. 

1e

 

Geluid

Zijn er gebieden in de gemeente Nijmegen die getypeerd kunnen worden als ‘rustige woonwijken’ of ‘landelijk gebied’, die momenteel een hoger beschermingsniveau genieten, en waarvoor in het omgevingsplan lagere normen dan de standaardwaarden worden opgenomen? Of zijn er gebieden die de gemeente juist extra wil beschermen tegen geluid?

Op dit moment zijn er geen gebieden met een eigen definitie. Op projectniveau zijn in het verleden wel onderzoeken gedaan naar het referentieniveau van het omgevingsgeluid. Op projectniveau is dan is sommige gevallen wel aangesloten bij het L95-niveau, als dit ook technisch mogelijk was. 

In deze eerste ‘verhuizing' is het aspect geluid zoveel als mogelijk beleidsneutraal overgezet vanuit de bruidschat naar hoofdstuk 8. Wij sluiten niet uit dat er in de toekomst voor het aspect geluid een gebiedsgericht beleid wordt ontwikkeld. Voor deze beleidsontwikkeling dient eerst bestuurlijk draagvlak te zijn.

1f

 

Geluid

Batterij-energieopslagsystemen (BESS) nemen sterk toe in aantal in Nederland. BESS zijn nog niet als milieubelastende activiteit opgenomen in het Bal. Grootschalige BESS kunnen echter veel geluid produceren, waaronder tonaal en/of laagfrequent geluid. Het kan wenselijk zijn om hiervoor specifieke regels of beleid op te nemen in het omgevingsplan.

We wachten hiermee totdat deze activiteit is geregeld in het Bal.

1g

 

Trillingen

In artikel 8.23, lid 2, sub a staat het volgende:



Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

b.    in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en



Gelden er in bovengenoemde situaties geen trillingsnormen in trillingsgevoelige gebouwen? Of gelden er minder strenge trillingsnormen? 

We schrappen sub b van het toepassingsbereik. Hierdoor gelden de normen die voor trillingen zijn opgenomen in het omgevingsplan óók in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld. Middels maatwerkvoorschriften is verruiming altijd mogelijk.

Bij de activiteiten op een geluidgezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld is het risico gering. Dit onderwerp speelt meer bij geluidgevoelige gebouwen naast spoorwegen. 

1h

 

Trillingen

Artikel 8.28 Waarden voor continue trillingen

Er zijn geen trillingsnormen opgenomen voor herhaald voorkomende trillingen. Dergelijke trillingen kunnen zich voordoen bij verschillende milieubelastende activiteiten (mba).

We voegen een artikel toe aan afdeling 8.5 met de mogelijkheid om als bevoegd gezag maatwerkvoorschriften te stellen waarmee in individuele gevallen een onderbouwing voor trilling kan worden geëist. 

1i

 

Trillingen

In paragraaf 8.5 worden geen gevallen genoemd wanneer een trillingsonderzoek nodig is. Er zijn milieubelastende activiteiten (puinbreken/lopende banden/stansmachines/hei-installaties etc.) te bedenken waarbij een trillingsonderzoek wenselijk is, bijvoorbeeld:

  • Ten behoeve van het opstellen van maatwerkvoorschriften;

  • In de situaties waarbij trillingsoverlast wordt verwacht.

Het is wenselijk om in een artikel ‘trillingsonderzoek op verzoek’ op te nemen.

In de periode richting vaststelling van dit wijzigingsbesluit onderzoeken we op welke manier we dit 'trillingsonderzoek op verzoek' juridisch kunnen borgen. 

1j

 

Trillingen

Zijn er gebieden in de gemeente Nijmegen die getypeerd kunnen worden als extra trillingsgevoelig (o.a. chipfabrieken/laboratoria), die momenteel een hoger beschermingsniveau genieten, en waarvoor in het omgevingsplan lagere normen dan de standaardwaarden worden opgenomen? Of zijn er gebieden die de gemeente juist extra wil beschermen tegen trillingen?

Er zijn op dit moment geen gebieden in de gemeente Nijmegen met een eigen beschermingsniveau voor trillingen. In deze eerste verhuizing is het aspect trillingen zoveel als mogelijk beleidsneutraal overgezet vanuit de bruidsschat naar hoofdstuk 8. Wij sluiten niet uit dat er in de toekomst voor het aspect geluid een gebiedsgericht beleid wordt ontwikkeld. Voor deze beleidsontwikkeling dient eerst bestuurlijk draagvlak te zijn.

2

ProRail

Geluid

In artikel 22.271 onder b zijn onbedoeld de hoofdspoorwegen niet meegenomen, waardoor in tegenstelling tot rijkswegen een vergunningplicht ontstaat voor aanpassingen aan de hoofdspoorwegen die ervoor de Omgevingswet niet was. ProRail verzoekt de gemeente om hoofdspoorwegen toe te voegen aan het artikel. 

Ondanks dat artikel 22.271 geen onderdeel uitmaakt van het voorliggende wijzigingsbesluit, hebben we aan IPLO de vraag gesteld hoe we het verzoek van Pro-Rail juridisch kunnen inwilligen. In principe kunnen we de regels in hoofdstuk 22 niet wijzigen zonder dat we deze overzetten naar het permanente deel van het omgevingsplan. Het overzetten van deze regels naar het permanente deel hebben we op een later moment op de planning staan.

Via het IPLO hebben we een reactie van het ministerie van BZK ontvangen. Het ministerie geeft aan te overwegen de fout in artikel 22.271 te herstellen in de volgende wijzigingen van de Vangnetregeling Omgevingswet. 

We hebben ProRail verzocht contact op te nemen met het ministerie van BZK om hen de noodzaak van de wijziging van artikel 22.271 voor te leggen. Op dit moment wacht gemeente Nijmegen met het wijzigen van artikel 22.271, totdat het herstel in de Vangnetregeling Omgevingswet is opgenomen.

 

III Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen

1 Inleiding

1.1 Algemeen

Het ontwerp wijzigingsbesluit 'Omgevingsplan gemeente Nijmegen, wijziging 2025-02' heeft in de periode van vrijdag 24 oktober 2025 tot en met donderdag 4 december 2025 voor een ieder ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is 1zienswijze binnengekomen. De zienswijze is in deze ‘Nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen’ samengevat en voorzien van een beantwoording door het college van burgemeester en wethouders. Ook is aangegeven of de zienswijze al dan niet tot aanpassing van het omgevingsplan heeft geleid. Voor zover een onderdeel van een zienswijze niet specifiek aan bod zou komen, wil dat niet zeggen dat de zienswijze niet in de beoordeling betrokken is. De reactie op het betreffende onderdeel ligt dan besloten in de weerlegging van de overige onderdelen van de zienswijze. De zienswijzen zijn dus volledig in de beoordeling betrokken. 

In deze nota zienswijzen en ambtshalve wijzigingen zijn de NAW-gegevens (naam, adres, woonplaats) van indieners van zienswijzen weggelaten. Dit weglaten, de ‘anonimiseringsverplichting’, vloeit voort uit de Algemene verordening persoonsgegevens (AVG). Daarin is bepaald dat NAW-gegevens van natuurlijke personen niet elektronisch beschikbaar mogen zijn. Dit geldt niet voor ondernemingen die behoren tot een rechtspersoon (bijvoorbeeld een B.V. of een v.o.f.) en voor personen die beroepsmatig betrokken zijn bij de procedure. De NAW-gegevens van de indieners zijn wel bekend bij de gemeente.

1.2 Overzicht zienswijzen

[Gereserveerd]

2 Zienswijzen

2.1 Beantwoording zienswijzen
Beantwoording zienswijzen

#

Thema

Zienswijze

Beantwoording

Conclusie

1.

Archeologie

Waalkwartier West BV

 

 

1.1

Archeologie

Waalkwartier West is de ontwikkelaar van gronden in het Waalkwartier, dat onderdeel is van Waalfront. Ten behoeve van deze ontwikkeling zal de bodem worden geroerd en vergraven waarmee de bodem kan worden verstoord. De wijziging van het omgevingsplan ziet onder meer op het toevoegen van een regeling voor archeologie. Uit de toelichting van het omgevingsplan lijkt dat is beoogd het "Facetbestemmingsplan Archeologie 2023" beleidsneutraal over te nemen. Dat wil zeggen dat de regeling in het omgevingsplan niet afwijkt van de regeling zoals deze in het Facetplan is opgenomen. 

Waalkwartier West heeft bij de ontwikkeling van het Waalkwartier gemerkt dat het facetbestemmingsplan een onvolledige regeling bevat voor gebieden waarvoor een selectiebesluit is genomen. In de kern komt het erop neer juist in de gevallen waarvoor een selectiebesluit is genomen, een vergunningplicht geldt. Terwijl in een niet eerder onderzochte situatie een vrijstelling kan gelden. 

De gemeente heeft inderdaad beoogd de regeling uit het "Facetbestemmingsplan Archeologie 2023" beleidsarm over te zetten naar het omgevingsplan. De regeling is anders vormgegeven, maar op inhoud nagenoeg gelijk aan het Facetbestemmingsplan uit 2023. Een uitzondering hierop vormen de 'maatwerk dubbelbestemmingen' (gebieden waarvoor reeds een selectiebesluit is genomen). Deze zijn door de gewijzigde systematiek niet één-op-één om te zetten naar het omgevingsplan. Dit heeft te maken met het feit dat het criterium onlosmakelijkheid onder de Omgevingswet is vervallen (zie de beantwoording onder 1.2).

De constatering van reclamant dat het Facetbestemmingsplan een onvolledige regeling bevat voor gebieden waarvoor een selectiebesluit is genomen, is gedeeltelijk juist. Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze is geconstateerd dat het Facetbestemmingsplan en het ontwerp-wijzigingsbesluit van het omgevingsplan een vicieuze cirkel bevatten voor locaties waarvoor de AMZ-cyclus is opgestart. In de beantwoording van punt 1.2 wordt hier nader op ingegaan. 

De zienswijze leidt niet tot wijzigingen. 

1.2

Archeologie

In artikel 5.4 van de ontwerp-wijziging is een verbod opgenomen voor bodem beroerende activiteiten. In artikel 5.5 zijn generieke vrijstellingen opgenomen van de vergunningplicht. In artikel 5.6 zijn zogenoemde maatwerkvrijstellingen opgenomen. 

In artikel 5.9 van de ontwerp-wijziging wordt vervolgens een uitzondering gemaakt op de generieke vrijstelling in artikel 5.5 en de maatwerkvrijstelling in artikel 5.6 van het omgevingsplan, in het geval de AMZ-cyclus reeds is gestart. 

Voornoemde regeling is onduidelijk voor een afgeronde AMZ-cyclus. Als gevolg daarvan geldt altijd een vergunningplicht, ook als een selectiebesluit is genomen. 

De uitzondering op de uitzondering van artikel 5.9 heeft tot gevolg dat voor de betrokken handelingen toch de vergunningplicht in artikel 5.4 geldt. Artikel 5.9 lijkt daarbij te zijn bedoeld voor locaties waar de AMZ-cyclus (net) is opgestart en nog onduidelijkheid bestaat over eventueel te nemen maatregelen na het nemen van het selectiebesluit. De maatwerkvrijstellingen in artikel 5.6 zijn afgeleid uit een selectiebesluit. Problematisch is dat it de letterlijke tekst van artikel 5.9 volgt dat de maatwerkvrijstellingen van artikel 5.6 niet meer van toepassing zijn nadat de AMZ-cyclus is opgestart. Het probleem is alsdus dat in artikel 5.9 van de ontwerp-wijziging niet erin voorziet dat de maatwerkvrijstellingen weer herleven als de AMZ-cyclus is afgerond of wel voorzien in een vrijstelling voor maatregelen die in het selectieadvies of - besluit als vrijgesteld zijn aangewezen. 

Verzocht wordt de planregeling op dit punt aan te passen en te verduidelijken. 

De constatering dat de uitzondering op de vergunningplicht in artikel 5.6 niet van toepassing is nadat de AMZ-cyclus is opgestart is juist en zorgt ervoor dat de uitzonderingen in artikel 5.6 niet toegepast kunnen worden. Dit is het geval voor de ontwikkeling van Waalkwartier West, maar geldt ook voor andere 'maatwerk-locaties'. Voor al deze locaties geldt namelijk dat de bodem op grond van archeologisch onderzoek tot een bepaalde diepte is vrijgegeven. Daarmee is de AMZ-cyclus gestart en zijn de uitzonderingen in artikel 5.6 niet langer van toepassing. Dit betekent inderdaad dat voor de activiteiten genoemd in het toepassingsbereik (artikel 5.2) een omgevingsvergunning nodig is.

Dat er voor Waalkwartier West (en andere maatwerklocaties) een selectiebesluit is genomen betekent overigens niet dat de AMZ-cyclus is afgerond. Op basis van een selectiebesluit zijn er zijn drie keuzemogelijkheden: behouden in situ (in de bodem bewaren en beschermen), opgraven (behouden ex situ) of vrijgeven. Nadat de interpretatie en synthese is voltooid worden de vondsten en documentatie, ondergebracht in depots en digitale archieven. Daarna is de AMZ-cyclus afgerond. Voor Waalkwartier West is de AMZ-cyclus dus nog niet afgerond. 

Dit neemt niet weg dat de ontwerp-wijziging een vicieuze cirkel bevat. Op grond van artikel 5.4 zijn bodemverstorende activiteiten vergunningplichtig. Op grond van artikel 5.6 gelden er voor maatwerklocaties enkele uitzonderingen op deze vergunningplicht, die op grond van artikel 5.9 nooit kunnen worden toegepast, omdat in alle gevallen sprake is van een AMZ-cyclus die reeds is opgestart. Daarmee is artikel 5.6 feitelijk overbodig. 

Gelet op het voorgaande is het nodig de regeling in het ontwerp-wijzigingsbesluit aan te passen. Voor bodemverstorende activiteiten op een maatwerklocatie (waaronder ook Waalkwartier-West) die niet dieper reiken dan de vrijgestelde (verticale) bouwdiepte kan volstaan worden met een melding. Dit geldt ook voor funderingswerkzaamheden in Waalfront, mits daarbij voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 

  • de verstoring van de bodem bedraagt minder dan 2,5% vande oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft;

  • de funderingspalen worden in evenwijdige rijen gesitueerd; en

  • de onderlinge afstand tussen de (evenwijdige) rijen funderingspalen bedraagt 5 meter of meer.

 

afbeelding binnen de regeling

De gemeente bevindt zich op het standpunt dat een meldplicht noodzakelijk is, omdat het criterium onlosmakelijkheid is vervallen. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties achten wij het herstellen van de uitzondering op de vergunningplicht niet mogelijk. Dit vanwege het feit dat de vergunningplicht voor het verrichten van een activiteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarden wordt losgekoppeld van de bouwactiviteit. Op dit moment is de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen een natuurlijk ‘toetsmoment’ voor het bevoegd gezag Archeologie. Zij beoordelen of de aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor archeologievriendelijk bouwen (uitzondering op de vergunningplicht). Voldoet de aanvraag niet, dan geldt alsnog een vergunningplicht. Doordat we de activiteit nu loskoppelen van de bouwactiviteit, vervalt dit toetsmoment. Gelet op de aanwezige archeologische waarden in het gebied achten wij dit in strijd met de instructieregels in het Bkl. Het verstoren van archeologische waarden is immers onomkeerbaar. Daarom wordt voor de voormalige 'uitzonderingen op de vergunningplicht' een meldplicht ingesteld. 

Een meldplicht houdt in dat de aanvrager 4 weken voor het starten van de activiteit een melding moet doen bij het bevoegd gezag. Zonder deze melding mag de activiteit niet starten. 

Tot slot worden enkele algemene vrijstellingen uit artikel 5.5 ook van toepassing verklaard op de meldplicht die gaat gelden op maatwerklocaties. Onder meer het graven tot een diepte van 0,3 meter en werkzaamheden in het kader van normaal onderhoud en beheer kunnen toestemmingsvrij verricht worden. 

De zienswijze leidt tot de volgende aanpassingen:

  • Artikel 5.6 (Uitzondering op vergunningplicht: maatwerk) komt te vervallen. 

  • In artikel 5.9 wordt de verwijzing naar artikel 5.6 te vervallen. 

  • Er wordt een nieuw artikel 5.5 (meldingsplicht) opgenomen dat als volgt komt te luiden:

 

Artikel 5.5 Meldplicht: activiteit in een gebied met een vrijgestelde verticale bouwdiepte

1.

In afwijking van artikel 5.4 is het verboden een activiteit, als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, uit te voeren in een Waardengebied archeologie - maatwerk zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij:

  • a.

    de activiteit dieper reikt dan de hoogte in meters ten opzichte van NAP, zoals weergegeven met de omgevingsnorm Vrijgestelde verticale bouwdiepte in meters ten opzichte van NAP.

2.

In afwijking van artikel 5.4 is het verboden funderingspalen in de landbodem te drijven op de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 2 zonder dit ten minste vier weken voorafgaand aan de start van de activiteit te melden, tenzij ten minste één van de volgende omstandigheden zich voordoet:

  • a.

    de verstoring van de bodem meer bedraagt dan 2,5% van de oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft;

  • b.

    de funderingspalen niet in evenwijdige rijen worden gesitueerd; of

  • c.

    de onderlinge afstand tussen (evenwijdige) rijen funderingspalen kleiner is dan 5 meter.

3.

Een melding als bedoeld in het eerste en tweede lid bevat:

  • a.

    een omschrijving van de uit te voeren activiteit(en), inclusief:

    • 1.

      de omvang van de bodemverstorende activiteit(en) in vierkante meters (m²);

    • 2.

      de graafdiepte in meters ten opzichte van NAP;

    • 3.

      de geplande start- en einddatum van de werkzaamheden en een globale fasering; 

    • 4.

      de methode van uitvoering van de werkzaamheden (handmatig of machinaal), inclusief het in te zetten materieel; en

  • b.

    een situatietekening van de locatie waarop de activiteit(en) betrekking heeft, voorzien van:

    • 1.

      een noordpijl;

    • 2.

      ten minste twee coördinatenparen (RD- of GPS-coördinaten); en

    • 3.

      de exacte locatie en omvang van de voorgenomen activiteit(en);

  • c.

    doorsnedetekeningen van de voorgenomen activiteit(en), met daarop per afzonderlijke ingreep aangegeven:

    • 1.

      de locatie;

    • 2.

      de omvang; en 

    • 3.

      de diepte ten opzichte van NAP.

4.

In aanvulling op het derde lid bevat een melding als bedoeld in het tweede lid tevens een omschrijving van het type funderingspaal en het aantal funderingspalen.

 

NB: de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk omvat alle maatwerklocaties (incl. Stationsdistrict, Winkelsteeg en Waalfront), de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 1 omvat uitsluitend Waalfront. 

 

  • In hoofdstuk 2 wordt een nieuwe subparagraaf 2.2.3.6 (Waardengebied archeologie - maatwerk) opgenomen. Daarin wordt de gebiedsaanwijzing 'Waardengebied archeologie - maatwerk aangewezen. Deze is van toepassing op alle maatwerklocaties. Deze subparagraaf dient uitsluitend als richtingaanwijzer voor de gebruiker van het omgevingsplan en bevat geen inhoudelijk regels maar slechts een verwijzing naar de regels in paragraaf 5.2.1.

  • De artikelen in paragraaf 5.2.1 worden hernummerd. 

1.3

Archeologie

Reclamant wijst erop dat een omgevingsplan moet voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat een regeling conserverend van aard is en derhalve geen wijziging inhoudt ten opzichte van een daaraan voorafgaand plan, neemt niet weg dat de raad bij vaststelling opnieuw moet beoordelen of de regeling in overeenstemming is met ETFAL. De raad kan aldus niet volstaan met het ongemotiveerd overnemen van de regeling van het Facetbestemmingsplan.

In de motivering bij het ontwerp-wijzigingsbesluit is beargumenteerd dat de beoogde regels voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij het opstellen van het ontwerp-wijzigingsbesluit is gezocht naar een balans tussen beschermen en benutten. Daarbij is ook getoetst aan de instructieregels van het Rijk en de provincie Gelderland. Daarnaast is het ontwerp-wijzigingsbesluit getoetst aan de Omgevingsvisie gemeente Nijmegen, waarin de gemeente zichzelf tot doel heeft gesteld cultureel erfgoed te beschermen. 

Aangetoond is dat Waalkwartier West ontwikkeld wordt op de resten van een Romeinse stad. Het gaat hier om een vindplaats van internationaal belang. Artikel 5.130 van het Bkl stelt dat het omgevingsplan regels bevat ter bescherming van erfgoed. Er moet rekening worden gehouden met o.a. het voorkomen van beschadiging en het conserveren en in stand houden van archeologische resten, bij voorkeur in situ. 

De regels voor archeologie hebben tot doel de aanwezige archeologische waarden in de bodem te beschermen, maar maken het benutten van de locatie voor woningbouw niet onmogelijk. De gemeente meent dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het toestemmingsvrij maken van funderingswerkzaamheden in Waalkwartier West voldoet niet aan dit criterium, omdat er dan geen toetsmoment meer is voor het bevoegd gezag (zie ook de beantwoording onder punt 1.3). Omdat het verstoren van archeologische waarden onomkeerbaar is, wordt dit in strijd geacht met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

De zienswijze leidt niet tot wijzigingen. 

1.4

Archeologie

Ten behoeve van Waalfront is op 26 oktober 2018 een selectiebesluit genomen op basis van de documenten "Archeologie Waalfront, Nijmegen Selectieadvies en generale eisen aan de maatregelen" en "Maatregelenplan Archeologie ontwikkelbedrijf Waalfront Nijmegen". De maatwerkvrijstellingen van artikel 5.6 beogen het selectiebesluit te implementeren. 

Aan de gronden binnen het Waalfront is de functie "Vrijgestelde verticale bouwdiepte in meters ten opzichte van NAP" toegekend. Op grond van artikel 5.6, derde lid geldt dan een vrijstelling als funderingswerken niet dieper reiken dan de weergegeven omgevingsnorm én wordt voldaan aan de eis dat de verstoring maximaal 2,5 van het te bebouwen oppervlakte bedraagt en "er sprake is van evenwijdige rijen met een onderlinge afstand tussen heipalen van 5 meter of meer". Waarbij de afstand tussen heipalen wordt gemeten van de buitenzijde van de ene heipaal tot de buitenzijde van de andere heipaal.

De oppervlakte-eis en eis dat de afstand tussen heipalen 5 meter moet zijn, is daarbij strenger dan het selectiebesluit en de daaraan ten grondslag liggende documenten vereisen. 

In het selectieadvies zijn de toegelaten bodemingrepen opgenomen. Op pagina 23 staat:

"Resumerend zijn bodemverstorende activiteiten toegestaan (vrijstellingsnorm): 

[...] Doelstelling moet zijn om het aantal funderingspalen zoveel als mogelijk te beperken en zoveel als mogelijk in evenwijdige rijen met een afstand van 5 m te realiseren."

en uit het Maatregelenplan Archeologie ontwikkelbedrijf Waalfront Nijmegen volgt op pagina 8: 

"Palenplan:

Voor het plangebied is nog niet voor alle gebieden een palenplan opgesteld. De onderheiing wordt uitgevoerd met grondverdringende prefab palen tot een maximum van 2,5% van het oppervlak van het plangebied. Het aantal funderingspalen wordt zoveel als mogelijk beperkt en in evenwijdige rijen met een afstand van 5 meter gerealiseerd."

Vervolgens wordt verwezen naar de Handreiking Paalfundering in een archeologievriendelijk bouwplan (RCE 2016). Daarin staat:

4. De afstand tussen de palen(rijen) gerekend van rand tot rand bedraagt minimaal 4 meter."

Uit hoofdstuk 4, pagina 13 van dit maatregelenplan volgt dat de gemeente eisen heeft geformuleerd waaraan het ontwikkelbedrijf moet voldoen voor het behoud in situ van de geselecteerde archeologie te garanderen. De gemeente bepaalt dat bodemverstorende activiteiten onder meer zijn toegestaan (vrijstellingsnorm): 

"Voor heiwerkzaamheden met een verstoring kleiner dan 2,5% van het te bebouwen plangebied en indien de funderingspalen een onderlinge afstand hebben die groter is dan 2,5m."

In hoofdstuk 5 staan maatregelen uitgeschreven voor het behoud van archeologische waarden bij bodemingrepen in zones 2-5. Op pagina 18 onder paragraaf 5.7 staan de maatregelen voor de fundering en damwanden uitgeschreven. 

Uit het bovenstaande volgt dat uit het specifieke selectiebesluit en maatregelpakket volgt dat er geen harde eis geldt ten aanzien van de afstand tussen de funderingspalen, maar dat er een doel wordt gesteld om het aantal funderingspalen zoveel als mogelijk te beperken en in evenwijdige rijen met een afstand van 5 meter te realiseren. Er is daarmee sprake van een inspanningsverplichting. Dit advies zou naar mening van de reclamant in de planregeling moeten worden overgenomen. 

Daarnaast dient ook de oppervlakte-eis van 2,5% te worden verbonden aan het plangebied. 

De maatwerkvrijstelling van artikel 5.4, derde lid, van de ontwerpwijziging is daarmee niet correct vastgesteld voor het gehele plangebied. 

Daarmee devalueert de waarde van het selectiebesluit. Immers, het college moet aanvragen die passen binnen de grenzen van het selectiebesluit maar niet voldoen aan de maatwerkvrijstelling op basis van de planregeling zoals opgenomen in het ontwerp-wijzigingsbesluit alsnog beoordelen. Dit is niet alleen ondoelmatig maar ook rechtsonzeker. Ook dit zou moeten leiden tot een aanpassing van de planregeling. Gelet op het bovenstaande in de ontwerp-wijziging niet in overeenstemming met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 

Het klopt dat de regels in artikel 5.6 zijn gebaseerd op het selectiebesluit uit 2018. De in het selectiebesluit opgenomen voorwaarden voor archeologievriendelijk bouwen zijn vertaald naar regels in het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) uit 2021. Deze zijn later overgenomen in het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en luiden als volgt:

  • voor funderingswerken met een verstoring kleiner dan 2,5% van het te bebouwen plangebied, waarbij tevens geldt:

    • dat het aantal funderingspalen zoveel als mogelijk wordt beperkt;

    • er sprake is van evenwijdige rijen met een afstand tussen de palen van minimaal 5 m.

 

Afstand van 5 meter

In het ontwerp-wijzigingsbesluit is getracht de regels uit het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 en het daarvoor geldende bestemmingsplan te verduidelijken. Onder meer door een reken- en meetbepaling op te nemen voor het bepalen van de afstand tussen de funderingspalen. Uit de regels in het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) volgt dat sprake moet zijn van "evenwijdige rijen met eenafstand tussen de palen van minimaal 5 meter". Daarbij wordt gemeten van de buitenzijde van de ene funderingspaal tot de buitenzijde van de andere funderingspaal. Daarmee wordt aangesloten bij de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen van het RCE, waaruit volgt dat bij de afstand tussen palen(rijen) gerekend wordt van rand tot rand. Dit is zo bepaald om te voorkomen dat archeologische waarden in de bodem onevenredig geschaad worden. 

Het selectiebesluit is hierin minder duidelijk, maar beoogd is te rekenen van rand tot rand. Dit blijkt onder meer uit de verwijzing naar de Handreiking Algemene uitgangspunten archeologievriendelijk bouwen van het RCE. Het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) laat hierover ook geen twijfel bestaan. Het opnemen van de reken- en meetbepaling leidt dan ook niet tot een verdere aanscherping van de regels, maar dient slechts ter verduidelijking. Voor de volledigheid dient vermeld te worden dat het hier gaat om de afstand tussen de (evenwijdige) rijen funderingspalen. 

Reclamant verwijst in de zienswijze naar de passage in hoofdstuk 4, pagina 13 van het maatregelenplan, waarin een afstand van 2,5 meter wordt genoemd. Dit betreft een kennelijke verschrijving. Dit blijkt onder meer uit het feit dat - behoudens deze verschrijving - overal wordt gesproken over een afstand van 5 meter. Ook verwijst reclamant naar de handreiking van het RCE, waarin een afstand van 4 meter wordt genoemd. Uitgangspunt voor Waalfront is altijd geweest om een afstand van 5 meter te hanteren. Dit moet bovendien niet gelezen worden als een inspanningsverplichting, maar als een uitgangspunt. Afwijken (met een omgevingsvergunning) kan alleen indien is aangetoond dat de archeologische waarden in de bodem niet onevenredig geschaad worden.

Evenwijdige rijen

Uit de regels in het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) volgt dat sprake moet zijn van evenwijdige rijen. Het selectiebesluit laat hier meer ruimte voor interpretatie en stelt dat de palen "zoveel als mogelijk in evenwijdige rijen met een afstand van 5 meter te realiseren" moeten worden gerealiseerd. In het omgevingsplan wordt op dit punt aangesloten bij de regels uit het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica). Dit betekent dat een melding uitsluitend volstaat als sprake is van evenwijdige rijen. Anders wordt teruggevallen op de vergunningplicht en moet aangetoond worden dat dit de archeologische waarden in de bodem niet onevenredig schaadt. 

Dat het aantal funderingspalen binnen een (evenwijdige) rij funderingspalen zoveel als mogelijk wordt beperkt betreft daarentegen wel een inspanningsverplichting. Daarmee is bedoeld dat binnen de (evenwijdige) rijen de funderingspalen op een kortere afstand kunnen worden geplaatst (dan 5 meter), maar dat het aantal palen in een rij zoveel mogelijk moet worden beperkt. Omdat dit niet objectief te beoordelen is door de melder, vervalt deze regel. De inspanningsverplichting blijft onverminderd van toepassing, ook omdat anders niet kan worden voldaan aan de verstoringsgraad van 2,5%. In de artikelsgewijze toelichting op de meldplicht zal hier aandacht aan worden besteed. 

Verstoringsgraad van 2,5%

In het ontwerp-wijzigingsbesluit is verder verduidelijkt dat de verstoringsgraad van 2,5% wordt berekend over het te bebouwen oppervlak. Reclamant voert aan dat dit niet past binnen de grenzen van het selectiebesluit. De gemeente heeft deze aanpassing echter nodig geacht omdat het anders onduidelijk is voor de melder over welk oppervlak het percentage van 2,5% berekend moet worden. 

In het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront - 5 (Ulpia en Fabrica) is de verstoringsgraad van 2,5% gerelateerd aan het “te bebouwen plangebied”. Dit kan worden uitgelegd als de locatie(s) binnen de bestemmingsplangrens (= het plangebied waarop de regels van toepassing zijn) waar op grond van het betreffende bestemmingsplan gebouwd mag worden (uitsluitend ter plaatse van het bouwvlak). 

Deze (impliciete) definitie van het “te bebouwen plangebied” zoals deze gold op grond van het bestemmingsplan Nijmegen Waalfront – 5 (Ulpia en Fabrica) is teniet gedaan met het vaststellen van het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023, omdat daarin geen bouwvlakken zijn opgenomen en het plangebied ruimer is dan alleen Waalfront. 

Naar aanleiding van de ingebrachte zienswijze heeft overleg plaatsgevonden met reclamant. In dit overleg heeft reclamant aangegeven dat de hierboven genoemde uitleg in de praktijk te strikt is. De regels worden op dit punt aangepast. Voor Waalkwartier West wordt een verstoringsgraad van 2,5% over 'de oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft' gehanteerd. Daarmee kunnen naar redelijkheid en billijkheid ook gronden buiten de bouwvlakken in de melding betrokken worden. Dit is ook verduidelijkt in de artikelgewijze toelichting op de meldplicht.

Conclusie

Om te kunnen volstaan met een melding moet voldaan worden aan de volgende voorwaarden:

  • de verstoring van de bodem bedraagt niet meer dan 2,5% van de oppervlakte van het terrein waarop de melding betrekking heeft; 

  • de funderingspalen worden in evenwijdige rijen gesitueerd; en

  • de onderlinge afstand tussen de (evenwijdige) rijen funderingspalen niet minder dan 5 meter bedraagt, waarbij wordt gerekend van de buitenzijde van de ene funderingspaal tot de buitenzijde van de andere funderingspaal. 

 

afbeelding binnen de regeling

Op grond van het bovenstaande kan objectief beoordeeld worden of volstaan kan worden met een melding. Wordt aan één van de voorwaarden niet voldaan, dan geldt een vergunningplicht en zal door het bevoegd gezag worden beoordeeld of de beoogde activiteit niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de archeologische waarden in de bodem. Voor de duidelijkheid; met een omgevingsvergunning kan dus een grotere verstoring (dan 2,5%) of kortere afstand tussen rijen funderingspalen worden toegestaan, mits dit vanuit archeologisch oogpunt aanvaardbaar is. 

Daarmee schept het omgevingsplan voor iedereen duidelijkheid. 

De zienswijze leidt tot de volgende aanpassingen:

  • Artikel 5.6 (Uitzondering op vergunningplicht: maatwerk) komt te vervallen. 

 

 

 

1.5

Archeologie

Reclamant verzoekt de raad om alsnog te voorzien in een toereikende regeling voor afgeronde AMZ-cycli en de correcte inpassing van het selectiebesluit van 26 oktober 2018. 

Kortheidshalve wordt verwezen naar de beantwoording onder punt 1.1 tot en met 1.4. Volledigheidshalve wenst de gemeente te verduidelijken dat met het nemen van een selectiebesluit de AMZ-cyclus nog niet is afgerond. 

De zienswijze leidt niet tot wijzigingen. 

3 Ambtshalve wijzigingen

3.1 Ambtshalve wijzigingen
Ambtshalve wijzigingen

#

Thema

Wijziging

Motivering

1

Geluid en trillingen

Aan paragraaf 8.4.2 zijn twee artikelen toegevoegd: 

  • Artikel 8.40, waarin is geregeld dat gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders kunnen worden opgevraagd ten behoeve van het bepalen van geluidhinder of het opstellen van maatwerkvoorschriften. 

  • Artikel 8.41, waarin is geregeld dat burgemeester en wethouders een maatwerkvoorschrift mogen stellen over de algemene regels in afdeling 8.4.

In artikel 8.39 worden gevallen genoemd waarvoor een akoestisch onderzoek nodig is. Er zijn echter ook andere gevallen te bedenken waarbij een akoestisch onderzoek wenselijk kan zijn. Artikel 8.40 is een vangnetbepaling waarmee het college van burgemeester en wethouders bij een vermoeden op geluidhinder door een activiteit, gegevens en bescheiden kan opvragen om de daadwerkelijke hinder te bepalen. Wanneer nodig kan het college op basis van de aangeleverde gegevens en bescheiden maatwerkvoorschriften stellen. 

Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in individuele gevallen afwijken van algemene regels voor activiteiten. Om geluidhinder te voorkomen of te beperken kan het in gevallen nodig zijn om maatwerkvoorschriften te stellen waarmee een verstrenging van de geluidsnorm plaatsvindt. Daarentegen kan het ook voorkomen dat in sommige gevallen een geluidsnorm voor een activiteit te streng is en deze via een maatwerkvoorschrift wordt versoepeld. In beide gevallen dient het college van burgemeester en wethouders te motiveren waarom een maatwerkvoorschrift wordt gesteld en dat met dit maatwerkvoorschrift (nog steeds) wordt voldaan aan ETFAL en de instructieregels. 

2

Geluid en trillingen

Aan paragraaf 8.5.1 zijn twee artikelen toegevoegd: 

  • Artikel 8.63, waarin is geregeld dat gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders kunnen worden opgevraagd ten behoeve van het bepalen van trillinghinder of het opstellen van maatwerkvoorschriften. 

  • Artikel 8.64, waarin is geregeld dat burgemeester en wethouders een maatwerkvoorschrift mogen stellen over de algemene regels in afdeling 8.5.

In paragraaf 8.5.1 worden geen gevallen genoemd waarvoor een trillingonderzoek nodig is. Er zijn echter milieubelastende activiteiten te bedenken waarbij een trillingonderzoek wenselijk kan zijn. Artikel 8.63 is een vangnetbepaling waarmee het college van burgemeester en wethouders bij een vermoeden op trillinghinder door een activiteit, gegevens en bescheiden kan opvragen om de daadwerkelijke hinder te bepalen. Wanneer nodig kan het college op basis van de aangeleverde gegevens en bescheiden maatwerkvoorschriften stellen.

Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in individuele gevallen afwijken van algemene regels voor activiteiten. Om geluidhinder te voorkomen of te beperken kan het in gevallen nodig zijn om maatwerkvoorschriften te stellen waarmee een verstrenging van de geluidsnorm plaatsvindt. Daarentegen kan het ook voorkomen dat in sommige gevallen een geluidsnorm voor een activiteit te streng is en deze via een maatwerkvoorschrift wordt versoepeld. In beide gevallen dient het college van burgemeester en wethouders te motiveren waarom een maatwerkvoorschrift wordt gesteld en dat met dit maatwerkvoorschrift (nog steeds) wordt voldaan aan ETFAL en de instructieregels. 

3

Overig

In hoofdstuk 8 en 22 zijn alle verwijzingen naar specifieke NEN-normen komen te vervallen. In bijlage II bij het omgevingsplan zijn de begripsbepalingen van alle specifieke NEN-normen verwijderd.  

Per 1 oktober 2025 is de Omgevingsregeling gewijzigd. Deze zorgt ervoor dat de verwijzingen in het omgevingsplan (van rechtswege) naar nationale en internationale NEN-normen worden opgenomen in hoofdstuk 6 en bijlage II van de Omgevingsregeling. Daarmee worden deze meet- en rekenregels naar centraal niveau overgeheveld. Voor bestaande regels in het omgevingsplan, met daarin een verwijzing naar een NEN-norm, geldt dat die vervangen wordt door de inhoud van deze regeling. Zodoende zijn de betreffende artikelen, leden en zinsneden in de bruidsschat komen te vervallen. 

4

Overig

  • Hoofdstuk 3 'Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving' is verplaatst naar hoofdstuk 2. Inhoudelijk is het hoofdstuk ongewijzigd, de artikelen zijn hernummerd. 

  • Er is een nieuw hoofstuk 3 'Beschermen van vitale functies' opgenomen. 

Het omgevingsplan van Nijmegen is in opbouw. Dit betekent dat  de opzet en hoofdstructuur de komende jaren nog veranderingen zal ondergaan. Wijzigingen in de hoofdstructuur leiden doorgaans tot hernummering van hoofdstukken en artikelen. Dit is niet altijd wenselijk, maar tegelijkertijd is het niet te voorkomen. Met dit wijzigingsbesluit wordt hoofdstuk 3 (aanwijzingen in de fysieke leefomgeving) verplaatst naar hoofdstuk 2. Dit hoofdstuk vormt namelijk de richtaanwijzer voor het omgevingsplan. Daarnaast wordt hoofdstuk 3 gereserveerd voor het beschermen van vitale functies. Dit nieuwe hoofdstuk gaan we de komende tijd voorbereiden en zal naar verwachting in 2026 gevuld worden met regels voor het beschermen van de energievoorziening (kabels en leidingen) en de drinkwatervoorziening (grondwaterbeschermings- en waterwingebieden). De wijziging in de structuur leidt niet tot inhoudelijke wijzigingen in de regels.

5

Archeologie

Aan artikel 5.2 zijn de volgende activiteiten toegevoegd: 

  • het rooien van een diepwortelende plant of boom;

  • het ophogen van de land- of waterbodem; en

  • het bewerken van de landbodem.

 

De volgende activiteiten komen te vervallen:

  • het ophogen van het maaiveld; en

  • het verrichten van overige bodemverstorende werkzaamheden. 

De activiteiten in artikel 5.2 (toepassingsbereik) en artikel 5.4 (binnenplanse omgevingsvergunning) zijn aangescherpt en afgestemd op activiteiten die met wijziging 2026-01 aan het omgevingsplan worden toegevoegd. 

 

Archeologie

Artikel 5.4 komt als volgt te luiden:

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een of meerdere activiteiten, bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, te verrichten. 

Artikel 5.4 bevat een opsomming van de vergunningplichtige activiteiten. Deze is gelijk aan het toepassingsbereik in artikel 5.2, eerste lid. Om die reden wordt in artikel 5.4 verwezen naar de activiteiten als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid. 

7

Archeologie

De volgende geografische informatieobjecten (GIO's) worden gewijzigd:

  • Waardengebied archeologie - lage verwachtingswaarde

  • Waardengebied archeologie - middelhoge verwachtingswaarde

  • Waardengebied archeologie - hoge verwachtingswaarde

  • Waardengebied archeologie - (zeer) grote archeologische waarde

  • Waardengebied archeologie - uitzonderlijk universele of vastgestelde waarde

Bij controle van het ontwerpbesluit is geconstateerd dat voor een aantal bestemmingsplannen een herstelbesluit is genomen. Daarmee zijn de archeologische dubbelbestemmingen uit het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 onbedoeld 'overschreven'. Als gevolg hiervan is niet voor alle locaties het juiste beschermingsniveau overgenomen. Met de gewijzigde begrenzing van de GIO's wordt dit hersteld. 

8

Archeologie

Aan artikel 5.6 (uitzondering op vergunningplicht: algemene vrijstellingen) wordt een nieuw lid toegevoegd, dat als volgt komt te luiden: 

Het verbod, bedoeld in artikel 5.4, geldt niet als: 

  • a.

    de activiteit plaatsvindt op de locatie Waardengebied archeologie - maatwerk 2; en

  • b.

    de gezamenlijke oppervlakte van de aangevraagde activiteit(en) gelijk aan of kleiner is dan 4 m2.

Op grond van het Facetbestemmingsplan Archeologie 2023 geldt voor een aantal maatwerklocaties een uitzondering op de vergunningplicht voor activiteiten met een oppervlakte kleiner of gelijk aan 4 m2. Deze uitzondering was in het ontwerpbesluit ondergebracht in een afzonderlijk artikel, dat is komen te vervallen. De uitzondering op de vergunningplicht wordt daarom toegevoegd aan de algemene vrijstellingen in artikel 5.6. 

9

Algemeen

In het toepassingsbereik van de paragrafen 4.2.1 en 7.5.2 wordt het woord ‘en’ aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming verwijderd.  

Alleen indien dit voor de duidelijkheid nodig is, wordt door gebruik van het woord "of" dan wel "en" aan het slot van het voorlaatste onderdeel van een opsomming het alternatieve, onderscheidenlijk cumulatieve karakter van de opsomming tot uitdrukking gebracht. In dit geval is dit niet nodig. Daarom wordt het woord "en" verwijderd. 

10

Algemeen

De naamgeving van de gebiedsaanwijzing 'Beperkingengebied energie - interferentiegebied' gewijzigd in de 'Belemmeringengebied energie - interferentiegebied'. Dit wordt gewijzigd in paragraaf 8.3.1 en subparagraaf 2.2.5.1.

De naamswijziging van de gebiedsaanwijzing heeft geen rechtsgevolgen. De wijziging wordt doorgevoerd met het oog op wijziging 2026-01, waarin meerdere belemmeringengebieden worden toegevoegd. In dat kader is gekozen voor een alternatieve naamgeving, die beter aansluit bij de terminologie die gebruik wordt in de AMvB's. 

Naar boven