Beleidsregels Participatiewet in balans fase 1 Montferland

Participatiewet in balans fase 1

 

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van Montferland over het op basis van de Participatiewet vrijlaten van giften in individuele gevallen, het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn, het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure en het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht (Verzamelbeleidsregel Participatiewet in balans fase 1 Montferland 2026)

 

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;

gelet op artikel 4:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 31, tweede lid, onderdeel s, 41, elfde lid, 43a, eerste lid, en 44, vijfde lid, van de Participatiewet en de artikelen 15a, eerste lid, en 16a, vierde lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

 

besluit vast te stellen de volgende beleidsregels:

 

Beleidsregels Participatiewet in balans fase 1 Montferland

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Montferland;

  • Ioaw: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • jongere: de belanghebbende of het gezin, bedoeld in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

  • probleemschulden: schulden die naar het oordeel van het college in redelijkheid niet meer afgelost kunnen worden;

  • schuldregeling: een schuldregeling op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening of de Wet schuldsanering natuurlijke personen;

  • Wet: Participatiewet;

  • Wmo 2015: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • zoektermijn: de termijn van vier weken, genoemd in artikel 41, vierde lid, van de Wet;

HOOFDSTUK 2. BELEIDSKEUZES

Artikel 2. Vrijlaten van giften in individuele gevallen

Bij de beoordeling of giften in een individueel geval en uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Wet, beschouwt het college de volgende categorieën giften in ieder geval als verantwoord: de opsomming is niet limitatief,

  • a.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden;

  • b.

    giften die worden verstrekt en ingezet voor medisch noodzakelijke kosten;

  • c.

    giften waarmee probleemschulden zijn betaald die zijn ontstaan voorafgaand aan de ingangsdatum van algemene bijstand;

  • d.

    giften in natura, niet zijnde een bijdrage die leidt tot een kostenbesparing als bedoeld in artikel 18, achtste lid, van de Wet, met een waarde tot maximaal € 1.200.

Artikel 3. Het behandelen van bijstandsaanvragen van jongeren voor afloop van de zoektermijn

Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:

  • 1.
    • a.

      de jongere verblijft in een inrichting of heeft recht op opvang als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015;

    • b.

      de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding:

      • 1.

        in een inrichting verbleven;

      • 2.

        opvang gehad als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015; of

      • 3.

        bij een pleegouder of in een gezinshuis verbleven als bedoeld in artikel 2.3, zesde lid, van de Jeugdwet.

    • c.

      voor de jongere gold uiterlijk binnen een jaar voorafgaand aan de melding een kinderbeschermingsmaatregel die werd uitgevoerd door een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 2.4, van de Jeugdwet;

    • d.

      de jongere een zorgbehoefte heeft;

    • e.

      de jongere niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen of niet met een woonadres, maar met een briefadres ingeschreven is in de basisregistratie personen;

    • f.

      de jongere heeft uiterlijk een jaar voorafgaand aan de melding algemene bijstand ontvangen;

    • g.

      de jongere heeft probleemschulden, of schulden die naar het oordeel van het college probleemschulden kunnen worden, als de zoektermijn wordt toegepast;

  • 2.

    Het college maakt in principe geen gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen, als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de Wet wanneer sprake is van een van de volgende omstandigheden;

    • a.

      de jongere beschikt over een startkwalificatie;

    • b.

      de jongere heeft zich naar het oordeel van het college voorafgaand aan de melding onvoldoende ingespannen om arbeid te verkrijgen of te behouden;

    • c.

      de jongere beschikt over een maximaal vermogen, bedoeld in artikel 34, eerste lid, van de Wet.

Artikel 4. Het volgen van de vereenvoudigde aanvraagprocedure

  • 1.

    Het college kan gebruik maken van de bevoegdheid om gegevens die bij hem berusten in verband met eerdere bijstandsverlening als bedoeld in artikel 43a, eerste lid, van de Wet, te gebruiken, wanneer:

    • a.

      dit gebruik leidt tot een voor de belanghebbende minder belastende aanvraag;

    • b.

      de nieuwe aanvraag is ingediend binnen maximaal 12 maanden na het eindigen van de algemene bijstand; en,

    • c.

      de eerdere bijstandsverlening is beëindigd vanwege:

      • werkaanvaarding;

      • een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 13 van de Wet;

      • een verblijf buiten de gemeente.

  • 2.

    Voorafgaand aan het gegevensgebruik gaat het college bij een belanghebbende ten minste na of er wijzigingen zijn in de volgende gegevens:

    • a.

      het hoofdverblijf;

    • b.

      de gezinssituatie; en

    • c.

      het inkomen en het vermogen.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraagprocedure van een uitkering, bedoeld in artikel 15a, eerste lid, van de Ioaw.

Artikel 5. Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht

  • 1.

    Het college is in ieder geval van oordeel dat individuele omstandigheden ertoe noodzaken bijstand toe te kennen vanaf een dag gelegen voor de dag waarop een belanghebbende zich heeft gemeld als bedoeld in artikel 44, vijfde lid, van de Wet als:

    • a.

      er omstandigheden zijn die rechtvaardigen, dat belanghebbende zich niet eerder heeft gemeld, zoals in ieder geval in een van de volgende situaties:

      • 1.

        de belanghebbende was niet in staat om bijstand aan te vragen;

      • 2.

        de belanghebbende was niet op de hoogte van de mogelijkheid om bijstand aan te vragen;

      • 3.

        een aanvraag voor een passende en toereikende voorliggende voorziening is afgewezen;

      • 4.

        de belanghebbende had onvoldoende zicht op de hoogte van zijn inkomen of vermogen, bijvoorbeeld als gevolg van een flexibel arbeidscontract, een echtscheiding, een erfenis of detentie;

      • 5.

        de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen.

    • b.

      er omstandigheden zijn die erop wijzen dat het ernstige gevolgen voor de belanghebbende heeft, als de bijstand niet wordt toegekend voorafgaand aan de melding, zoals in ieder geval in de volgende situaties het geval kan zijn:

      • 1.

        de belanghebbende heeft een schuldensituatie waarvoor dienstverlening vanuit het Financieel loket benodigd is;

      • 2.

        na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende is failliet verklaard;

      • 3.

        na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten).

  • 2.

    Het college kent de bijstand toe vanaf de dag waarop het recht op bijstand is ontstaan. Deze dag ligt maximaal drie maanden vóór de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid van dit artikel zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw.

HOOFDSTUK 3. SLOTBEPALINGEN

Artikel 6. Evaluatie

Binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze beleidsregel onderzoekt het college de doeltreffendheid en de effecten van deze beleidsregel in de praktijk.

Artikel 7. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze beleidsregels treedt in werking op 24 februari 2026

  • 2.

    Besluiten die zijn genomen voor de datum waarop deze beleidsregel in werking is getreden, blijven in stand totdat daarover opnieuw wordt beslist.

Artikel 8. Citeertitel

Deze beleidsregels wordt aangehaald als Beleidsregels Participatiewet in Balans fase 1 gemeente Montferland.

Het college van burgemeester en wethouders,

24 februari 2026

de secretaris,

B. Booltink

de burgemeester,

A.C.V. Fellinger

Naar boven