Gemeenteblad van Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2026, 117047 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Groningen | Gemeenteblad 2026, 117047 | beleidsregel |
Besluit tot wijzigen van de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004
HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE GRONINGEN
Gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en de artikelen 20, 31, tweede lid, onderdelen m en s en 44 van de Participatiewet;
Vast te stellen de volgende “Beleidsregel tot wijziging van de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004.
De Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 worden als volgt gewijzigd.
A. Artikel 2.1 komt te luiden:
Artikel 2.1 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Onverminderd de voorgaande leden geldt voor de ingangsdatum van de bijstand na afwijzing van de aanvraag bij andere sociale zekerheidsinstellingen het volgende:
Als belanghebbende zich niet voor bijstand heeft gemeld binnen drie werkdagen gerekend vanaf de dag van ontvangst van de afwijzing, maar wel binnen dertig dagen gerekend vanaf die dag, dan geldt het volgende. Het aantal kalenderdagen gerekend vanaf de dag van ontvangst van de afwijzing tot en met de datum van de melding wordt opgeteld bij de ingangsdatum die zou hebben gegolden voor de uitkering van de andere sociale zekerheidsinstelling.
De voorgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing op de toekenning van een uitkering, bedoeld in artikel 16a, vierde lid van de IOAW/IOAZ. Inzake het Bbz geldt op grond van artikel 27a, eerste lid, onderdeel d, Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 als beperking dat het bedrijf nog niet is beëindigd.
B. Artikel 3.3 komt te luiden:
Artikel 3.3 Vrijlaten van giften
Tijdelijk kunnen in een individueel geval giften tot een hoger bedrag van de middelen worden uitgezonderd voor zover deze uit het oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s, van de Participatiewet. Als verantwoord in een individueel geval kunnen worden aangemerkt:
C. Artikel 5.5 komt te luiden:
Artikel 5.5 Kosten van levensonderhoud voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar
Er is ruimte om van het bedrag genoemd in artikel 20 derde lid van de Participatiewet af te wijken als:
het totaalbedrag van de algemene bijstand en de aanvulling uitkomt boven de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder genoemd in artikel 21 van de Participatiewet, in een vergelijkbare situatie als alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd. Op grond van het vierde lid van artikel 20 van de Participatiewet is verlagen van de aanvulling in dat geval verplicht.
Voor een belanghebbende van 18, 19 en 20 jaar die in een inrichting verblijft is alleen bijzondere bijstand op grond van artikel 35 van de Participatiewet mogelijk. De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de bijstandsnorm voor een persoon van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijft als genoemd in artikel 23 van de Participatiewet.
D. Na artikel 5.5 wordt een artikel ingevoegd dat luidt als volgt.
Artikel 5.5a Uitstroompremie jongeren
Met ingang van 1 januari 2026 kan aan jongeren tot 27 jaar een uitstroompremie worden toegekend als bedoeld in artikel 17 van de Re-integratieverordening Participatiewet Groningen 2024.
E. In de artikelsgewijze toelichting bij de Beleidsregels algemene en bijzondere bijstand Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 worden de volgende wijzigingen aangebracht.
de toelichting bij artikel 2.1 komt te luiden:
Artikel 2.1 Het verlenen van bijstand met terugwerkende kracht
Op grond van artikel 44, eerste lid gaat de bijstand niet eerder in dan op de dag van melding. Op grond van vaste jurisprudentie kan alleen bijstand met terugwerkende kracht worden verstrekt als sprake is van uitzonderlijke omstandigheden, zoals een belanghebbende die in coma is geraakt. Op grond van het (nieuwe) vijfde lid krijgt de gemeente meer ruimte om de bijstand, als sprake is van individuele omstandigheden, met terugwerkende kracht toe te kennen, zij het met maximaal drie maanden.
Het begrip ‘individuele omstandigheden’ is breder dan ‘bijzondere omstandigheden’ en houdt in dat de omstandigheden op zich niet bijzonder hoeven te zijn, maar in dit individuele geval wel om een afwijkend besluit vragen. Er kunnen hierbij twee soorten omstandigheden worden onderscheiden:
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het belanghebbende niet te verwijten valt dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn.
De bestaande jurisprudentie blijft van toepassing. In een dergelijk geval is bijstandsverlening ook niet per se beperkt tot drie maanden.
Bij de overweging of terugwerkende kracht op zijn plaats is, is onder andere de noodzaak van bijstand in die periode van belang. Heeft belanghebbende in die periode bijvoorbeeld ondersteuning van familie of vrienden gekregen, dan hoeft er geen sprake te zijn geweest van noodzaak en is bijstand van terugwerkende kracht niet nodig.
Bovendien moet in alle gevallen worden beoordeeld of sprake is van een niet verwijtbare te late melding. Hoewel de in het vierde lid aangegeven omstandigheden kunnen wijzen op een niet verwijtbare te late melding zal dit in het voorliggende geval nog wel moeten worden getoetst.
De periode van terugwerkende kracht is maximaal drie maanden, maar wordt bepaald door de periode waarin in het betreffende geval feitelijk de bijstandsbehoeftigheid aanwezig is.
In dit artikellid worden omstandigheden benoemd die wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Dat die omstandigheden zich voordoen betekent niet per definitie dat ook bijstand met terugwerkende kracht moet worden verstrekt. Het is een zogenoemde ‘kan’ bepaling waarin situaties worden opgesomd die in het individuele geval zouden kunnen leiden tot bijstand met terugwerkende kracht. In ieder geval moet worden voldaan aan de eis van bijstandsbehoeftigheid en kan het te laat aanvragen ondanks het zich voordoen van een genoemde omstandigheid in een individueel geval toch verwijtbaar zijn (tweede lid). Anderzijds kunnen er zich ook omstandigheden voordoen die niet zijn opgesomd in dit artikellid, maar wél leiden tot bijstand met terugwerkende kracht; het is namelijk geen limitatieve opsomming.
Onderdeel a is ruimer dan de medische omstandigheden op grond waarvan volgens de jurisprudentie als terugwerkende kracht gerechtvaardigd was. Er kan bijvoorbeeld sprake zijn van een ziekenhuisopname, of een gebrek aan ‘doenvermogen’ door een (lichte) verstandelijke beperking.
Onderdeel c is alleen van toepassing als het voor belanghebbende onmogelijk was om de gegevens tijdig te verstrekken. In andere gevallen biedt de bezwaarpraktijk voldoende mogelijkheden om aan financiële problemen van belanghebbende tegemoet te komen.
In onderdeel d is bijvoorbeeld onvoldoende zicht op inkomen of vermogen als gevolg van een flexibel arbeidscontract, echtscheiding, erfenis of detentie. Ook een andere ‘crisis’ in het leven van belanghebbende kan leiden tot recht op bijstand met terugwerkende kracht.
Met onderdeel e is bedoeld te voorkomen dat belanghebbende ‘gestraft’ wordt voor het feit dat hij bijvoorbeeld eerst heeft geprobeerd om (weer) betaald werk te vinden of rond te komen van een deeltijdbaan.
Over de situatie benoemd in onderdeel f is al jurisprudentie voorhanden. Bijstandsverlening met terugwerkende kracht voor een belanghebbende die met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning heeft gekregen is dan niet beperkt tot drie maanden, maar er zijn strikte voorwaarden aan verbonden (zie Schulinck, Vreemdelingen). Het gaat dan alleen om reële kosten die hij heeft moeten maken, waarvoor aantoonbaar een schuld is aangegaan, bijvoorbeeld een lening bij kennissen. Het is in elk geval niet vanzelfsprekend dat een belanghebbende bijstand krijgt. Onderdeel f kan daarom in een enkel geval van toepassing zijn.
In dit artikellid worden omstandigheden benoemd waarbij door toekenning met terugwerkende kracht ernstigere financiële gevolgen worden voorkomen zoals oplopende betalingsachterstanden of afsluiting van gas en licht. Ook hier is sprake van een zogenoemde ‘kan’ bepaling en is hetgeen dat daarover in de toelichting, in de eerste alinea onder het vierde lid, is aangegeven van overeenkomstige toepassing. In veel gevallen zal sprake zijn van een combinatie van omstandigheden aangegeven in het vierde en vijfde lid: belanghebbende heeft bijvoorbeeld na een scheiding eerst geprobeerd met zijn deeltijdbaan in zijn levensonderhoud te voorzien, maar daardoor is de huurachterstand zodanig opgelopen dat uithuiszetting dreigt.
Bijstand met terugwerkende kracht mag niet worden ingezet om schulden af te betalen (artikel 13, eerste lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Dit is bijvoorbeeld het geval als het schulden betreft die zijn ontstaan in een periode dat belanghebbende over voldoende inkomsten beschikte. Gaat het echter om schulden die belanghebbende in de maanden vóór de aanvraag heeft opgebouwd omdat hij in die periode feitelijk niet over voldoende middelen beschikte, dan kan bijstand met terugwerkende kracht worden verleend.
In dit lid wordt de al bestaande regeling uiteengezet waarmee de ingangsdatum wordt berekend als sprake is van afwijzing van een aanvraag bij een andere sociale zekerheidsinstelling. Verschil met het vierde lid, onderdeel b, is dat niet wordt gekeken naar verwijtbaarheid en de terugwerkende kracht langer kan zijn dan drie maanden (als het afwijzingsbesluit van de voorliggende voorziening lang op zich laat wachten).
Met de zogenoemde ‘schuifregeling’ wordt gestimuleerd dat belanghebbende zich meteen na ontvangst van de afwijzing meldt voor een bijstandsuitkering. Tegelijkertijd wordt gegarandeerd dat hij geen nadeel ondervindt van het gegeven dat hij eerst moet proberen aanspraak te maken op een voorliggende voorziening.
Om de werking van de schuifregeling uit te leggen volgt hier een voorbeeld. Belanghebbende is op 19 april werkloos geworden en heeft zich op 19 april gemeld bij het UWV voor een WW-uitkering. De ingangsdatum zou dan 19 april zijn. Belanghebbende krijgt echter op 29 mei een afwijzing, gedateerd op 28 mei. Om aanspraak te kunnen maken op de schuifregeling (onderdeel a) had hij zich binnen drie werkdagen, dus niet later dan donderdag 31 mei, voor bijstand moeten melden. Hij meldt zich echter pas op 8 juni. Het aantal kalenderdagen van 29 mei (inclusief) tot en met 8 juni is 11. Er worden dan 11 dagen bij 19 april (inclusief) opgeteld. De ingangsdatum van de bijstand is 29 april (onderdeel b). Had belanghebbende zich pas op 28 juni gemeld, dan was de ingangsdatum van de bijstand 28 juni geworden (onderdeel c).
de toelichting bij artikel 3.3 komt te luiden:
Artikel 3.3 Vrijlaten van giften
In dit artikel zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, tweede lid, onderdelen m en s. Een gift is volgens artikel 7:186, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek, iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt. Voor een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (ECLI:NL:CRVB:2016:1160; Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
Het in artikel 31, tweede lid, onderdeel m van de Participatiewet vastgelegde vrijlatingsbedrag zorgt ervoor dat (het totaal van) giften tot maximaal € 1.200 niet tot de middelen wordt gerekend. Hiermee worden enerzijds bijstandsgerechtigden evenals degenen die niet van de bijstand afhankelijk zijn het voordeel gegund van vrijgevigheid van personen of instellingen in hun netwerk. Anderzijds wordt, gelet op het minimumbehoefte-karakter, de vrijlating beperkt tot ten hoogste € 1.200 per kalenderjaar. Het grensbedrag geldt per kalenderjaar en ongeacht het feit of belanghebbende het hele jaar of maar een deel van het jaar bijstandsgerechtigd is geweest. Juist op het moment van (plotselinge) bijstandsafhankelijkheid kan ondersteuning door het netwerk zeer welkom zijn. Het grensbedrag geldt daarnaast per uitkering en er wordt geen onderscheid naar leefsituatie gemaakt (TK 2023-2024, 36582, nr. 3, p. 38).
Het grensbedrag geeft inwoners met een bijstandsuitkering duidelijkheid, want giften die in totaal niet hoger zijn dan € 1.200 per kalenderjaar hoeven niet bij de gemeente te worden gemeld. Daar staat tegenover dat van belanghebbenden wordt verwacht dat zij zelf hun giften bijhouden.
Het grensbedrag dat op 1 januari 2026 € 1.200 bedraagt, kan door de minister periodiek worden verhoogd met een veelvoud van € 50 op grond van artikel 39 van de Participatiewet.
Niet alle giften worden als middel aangemerkt. Als een bijstandsgerechtigde een bepaald product, zoals boodschappen (incidenteel) ontvangt als schenking of deze worden voor hem betaald, dan kan hij er niet vrijelijk over beschikken. In dat geval vallen de giften niet onder het middelenbegrip, tenzij de geschonken goederen in redelijkheid weer de gelde gemaakt kunnen worden (zie tweede lid, onderdeel d). Dit betekent dat wanneer ouders bijvoorbeeld hun kind met de feestdagen een tas met boodschappen geven, zijn nieuwe winterjas betalen of hem een vliegticket op naam toesturen, deze producten niet als middel worden beschouwd en dus voor de bijstand helemaal niet in aanmerking worden genomen. Hetzelfde geldt voor charitatieve instellingen die bijvoorbeeld de voetbalschoenen en -kleding voor een kind, een sportabonnement of muziekles betalen.
In de rechtspraak worden deze giften in natura aangemerkt als besparingsbijdrage, voor zover zij betrekking hebben op de kosten die tot de algemene noodzakelijke kosten van het bestaan behoren. Als daarbij sprake is van structurele bijdragen die substantieel zijn, dan is de gemeente gehouden de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid van de Participatiewet af te stemmen op de lagere bestaanskosten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden die rechtstreeks worden voldaan (en niet ‘over de kas’ van de bijstandsgerechtigde lopen).
Om verwarring bij belanghebbenden te voorkomen (zie bijvoorbeeld de zaak Wijdemeren) heeft de wetgever ervoor gekozen structurele besparingsbijdragen ook onder het vrijlatingsbedrag van € 1.200 te brengen. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel s van de Participatiewet (zie hierover tweede lid).
Samenvatting giften, besparingsbijdragen en vrijlating
Giften worden in aanmerking genomen voor de bijstand als ze bestaan uit:
De reden is dat een gift vrij besteedbaar moet zijn. Voor giften tot maximaal € 1.200 geldt een vrijlating. In ons beleid gelden daar bovenop in individuele gevallen nog ruimere vrijlatingen zoals aangegeven in het tweede lid.
Naast bovengenoemde giften wordt (alleen) rekening gehouden met ‘giften’ in natura als ze:
Ook hier geldt een vrijlating van maximaal € 1.200. Deze ‘giften’ worden in de Participatiewet geen giften, maar besparingsbijdragen genoemd, zoals vastgelegd in artikel 18 van de Participatiewet.
Als een bijstandsgerechtigde een gift of besparingsbijdrage ontvangt die (tezamen met andere giften) meer bedraagt dan € 1.200, moet hij contact opnemen met de gemeente.
De vrijlating geldt zowel voor giften die als inkomen als voor giften die als vermogen kunnen worden beschouwd. Of een gift als inkomen of als vermogen moeten worden aangemerkt, is pas van belang op het moment dat de grens van € 1.200 wordt overschreden. Wordt een gift aangemerkt als vermogen en komt de gift – dat wil zeggen het deel dat boven de € 1.200 uitkomt – samen met het al aanwezige vermogen boven de geldende vermogensgrens uit, dan zal de bijstandsuitkering beëindigd moeten worden. Met vermogensgrens wordt bedoeld de grens van het zogenoemde vrij te laten bescheiden vermogen genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet. Kan de gift, die boven het grensbedrag uitkomt, als inkomen worden aangemerkt, dan is dit te beschouwen als inkomen in de maand van ontvangst en moet dit worden verrekend met de uitkering.
Of een gift als vermogen of als inkomen moet worden aangemerkt, is in beginsel afhankelijk van de mate waarin de gift het directe bestedingsniveau van de bijstandsgerechtigde beïnvloedt (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ8609). Giften in de vorm van geld (kasstortingen) of bijdragen in het levensonderhoud hebben een direct effect op het bestedingsniveau en vallen daarom in beginsel binnen het inkomensbegrip. Dat geldt in veel mindere mate voor giften in de vorm van duurzame gebruiksgoederen, bijvoorbeeld een wasmachine of een fiets. Deze zullen in beginsel als vermogen kunnen worden gekwalificeerd.
Als een bijstandsgerechtigde cumulatief giften ontvangt die boven het grensbedrag uitkomen, hoeft dat niet automatisch te leiden tot gevolgen voor het recht op bijstand. Op individuele basis kan de gemeente ook hogere giften niet als middel in aanmerking nemen indien deze – met name in verband met hun doel – nog verantwoord zijn met het oog op bijstandsverlening. Door middel van beleid zoals vastgelegd in het tweede lid is hier verder invulling aangegeven.
Categoriale verhoging van het grensbedrag van € 1.200 is niet mogelijk maar tijdelijk kunnen op individuele basis ook hogere giften buiten beschouwing worden gelaten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandsverlening. Gelet op het minimumbehoeftekarakter van de bijstandsverlening mag de gift namelijk niet leiden tot een voor een bijstandsgerechtigde ongebruikelijk bestedingsniveau. Een gift ter vrije besteding zal in dat kader eerder op gespannen voet staan met bijstandsverlening dan een gift met een bepaald doel, bijvoorbeeld een bepaalde schuld kunnen aflossen of in een bepaalde maand vaste lasten kunnen betalen (TK 2023-2024, 36582, nr. 3, p. 36). In de onderdelen a tot en met d zijn handvatten aangegeven op basis waarvan kan worden beoordeeld of het verantwoord is om hogere giften buiten beschouwing te laten. Deze handvatten zijn geformuleerd als een zogenoemde ‘kan’ bepaling: het is enerzijds geen limitatieve opsomming, maar anderzijds is hiermee geen verplichting aangeven om in alle gevallen zoals hier aangegeven de hogere gift vrij te laten; er kunnen zich omstandigheden voordoen waardoor het vrijlaten van een bepaalde hier genoemde gift niet als verantwoord kan worden beschouwd.
Wanneer sprake is van een financiële gift voor een bepaald doel is van belang om te beoordelen of in de administratie van belanghebbende de gift voldoende te onderscheiden is van de rest van de financiële componenten en of belanghebbende kan aantonen dat de gift ook daadwerkelijk voor het aangegeven doel is of wordt gebruikt.
Bij een gift die is bedoeld om medische kosten te voldoen (onderdeel b) zal de term ‘noodzakelijke medische kosten’ ruimer kunnen worden uitgelegd dan is bedoeld in het kader van de Participatiewet. Immers noodzakelijke medische kosten worden in principe vergoed door de basisverzekering. Als sprake is van crowdfunding voor deze kosten moet worden bekeken of stortingen voor dit doel zijn afgeschermd van de rest van de financiën. Het beste is om hiervoor een aparte rekening te openen.
Giften in natura kunnen als middel in aanmerking genomen worden als het om goederen gaat die gemakkelijk te gelde gemaakt kunnen worden. Denk bijvoorbeeld aan een antieke klok of een piano. In onderdeel d is daaraan een grens gesteld. Mocht een dergelijk gift het in onderdeel d bepaalde grensbedrag te boven gaan, dan zal de gift voor het meerdere als vermogen worden aangemerkt.
de toelichting bij artikel 5.5 komt te luiden:
Artikel 5.5. Kosten van levensonderhoud voor belanghebbenden van 18, 19 of 20 jaar
Wanneer een jongere een beroep doet op aanvullende bijstand voor levensonderhoud was het aan de gemeente om hiervoor beleid te ontwikkelen. Met ingang van 1 januari 2026 heeft de wetgever daarvoor een vaste norm bepaald in het derde en vierde lid van artikel 20 van de Participatiewet. Het betreft algemene bijstand, wat logisch is omdat het voor hogere algemene bestaanskosten is bedoeld. De verhoging van de norm geldt per uitkering en is dus voor alleenstaanden en voor gehuwden/samenwonenden hetzelfde bedrag.
De ophoging van de jongerennorm heeft geen fiscale gevolgen, maar kan wel gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag van (eventuele) huisgenoten.
Het bedrag van de verhoging van de jongerennorm kan bij noodzakelijke hogere kosten of bij duidelijk lagere kosten voor levensonderhoud worden afgestemd op de situatie van de jongere. De woonsituatie van de jongere kan hierbij bepalend zijn. Als het alleen lagere woonkosten betreft kan de uitkering ook worden verlaagd op grond van artikel 27 in plaats van artikel 18 van de Participatiewet.
Na de toelichting bij artikel 5.5 wordt een toelichting bij het nieuwe artikel 5.5a ingevoegd die luidt als volgt.
Artikel 5.5a Uitstroompremie jongeren
De premie arbeidsinschakeling voor jongeren tot 27 jaar (artikel 31, vierde lid [nieuw], Participatiewet) kan vanwege de benodigde aanpassingen in de ICT-systemen pas per 1 januari 2027 in werking treden. Gemeenten die deze premie handmatig kunnen verstrekken, krijgen de mogelijkheid om deze premie in het zogenoemde gedoogjaar 2026, een- of tweemaal te verstrekken als dit bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de jongere (Kamerbrief over de gedoogde onderdelen van Participatiewet in balans van de Staatssecretaris Participatie en Integratie van 14 oktober 2025).
Op basis van artikel 31, tweede lid, onderdeel j van de Participatiewet heeft de raad in de Re-integratieverordening de uitstroompremie opgenomen. Jongeren kunnen hiervoor vanaf 1 januari 2026 ook in aanmerking komen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-117047.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.