Gemeenteblad van Midden-Delfland
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 114193 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Delfland | Gemeenteblad 2026, 114193 | beleidsregel |
Beleidsregels Inkomen Participatiewet gemeente Midden-Delfland 2026
Hoofdstuk 2 Vaststellen van de bijstandsnorm
Artikel 2.1 Toepassing van deze beleidsregel
De bepalingen in dit hoofdstuk gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde AOW-leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen in dit hoofdstuk alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.
Hoofdstuk 4 Vrijlating van het inkomen
Artikel 4.1 Bijdragen aan arbeidsinschakeling
Inkomsten uit arbeid dragen naar het oordeel van het college bij aan de arbeidsinschakeling, indien:
Artikel 4.3 Aanvullende inkomstenvrijlating
De alleenstaande ouder heeft recht op de aanvullende inkomstenvrijlating indien:
Artikel 4.4 Inkomstenvrijlating jongeren
Van de belanghebbende die 18 jaar of ouder is, maar jonger dan 27 jaar, wordt maximaal 12 maanden (aaneengesloten) 15% van de netto-inkomsten per maand vrijgelaten, voor zover het naar het oordeel van het college bijdraagt aan arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 4.1.
Artikel 4.7 Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid
Naast inkomsten uit arbeid geldt de vrijlating ook voor de volgende inkomsten:
Hoofdstuk 5 Vaststellen van het vermogen
Artikel 5.3 Immateriële schadevergoeding
Een vergoeding voor immateriële schade als bedoeld in artikel 31, tweede lid onderdeel s van de Participatiewet wordt in ieder geval vrijgelaten, indien deze vergoeding lager is dan het bedrag aan vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet.
Indien de immateriële schadevergoeding hoger is dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet, beoordeelt het college in hoeverre het meerdere van de vergoeding verenigbaar is met de bijstand. In deze overweging neemt het college mee:
Het bedrag aan immateriële schadevergoeding, hoger dan het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet en waarvan het college van oordeel is dat dit niet verenigbaar is met de bijstand, wordt toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende.
Artikel 6.3 Zoektermijn jongeren
Het college maakt in ieder geval gebruik van de bevoegdheid een aanvraag voor algemene bijstand voor het verstrijken van de zoektermijn in behandeling te nemen als bedoeld in artikel 41, elfde lid, van de wet, wanneer sprake is van ten minste een van de volgende omstandigheden:
Hoofdstuk 7 Bijstand en eigen woning
Artikel 7.1 Vorm van de lening
Indien bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 tweede lid van de Participatiewet, is de vorm hiervan de vestiging van een hypotheekrecht op een eigen woning of een woonschip zijnde een registergoed, en van de vestiging van een pandrecht op een woonwagen of een woonschip zijnde een niet-registergoed;
Indien de bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting minder bedraagt dan tweemaal het netto minimumloon, bedoeld in artikel 37 eerste lid van de Participatiewet, wordt niet tot de vestiging van een hypotheek- of pandrecht overgegaan. De eventueel te verlenen bijstand kan als geldlening of om niet verstrekt worden, afhankelijk van het bepaalde in artikel 50 van de Participatiewet, samen met artikel 48 eerste en tweede lid van de Participatiewet;
Het college verbindt aan de verlening van bijstand onder verband van krediethypotheek of -pand als bedoeld in het eerste lid de verplichting dat de belanghebbende zich schriftelijk bereid verklaart hieraan mee te werken. Bij weigering de verklaring te ondertekenen, kan geen bijstand of voorschot worden verstrekt.
Artikel 7.2 Vaststelling waarde woning
De waarde van de woning of de woonwagen wordt vastgesteld overeenkomstig de waarde zoals vermeld op de laatste aanslag in het kader van Wet waardering onroerende zaken, tenzij de laatste aanslag ouder is dan twaalf maanden. In dat geval wordt de woning, c.q. de woonwagen getaxeerd door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij al een taxatierapport van niet ouder dan twaalf maanden aanwezig is. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van de woning indien onbewoond en vrij van huur;
In geval van een woonschip wordt de waarde vastgesteld op basis van een taxatie door een in overleg met belanghebbende aan te wijzen erkende makelaar in Delft, tenzij belanghebbende een taxatierapport toont, dat niet ouder is dan twaalf maanden, van het betreffende woonschip. Dit taxatierapport moet uitgaan van de waarde van het woonschip indien onbewoond en vrij van huur;
De kosten van taxatie, de hypotheekakte, de inschrijving van de hypotheek en de bijkomende kosten komen ten laste van de eigenaar. De bijstand voor deze kosten wordt aangemerkt als bijzondere bijstand. Indien niet wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek buiten de schuld van belanghebbende, kunnen de kosten van taxatie als bijzondere bijstand om niet aan belanghebbende worden verleend;
Indien belanghebbende naar het oordeel van het college de rente geheel of gedeeltelijk kan betalen, doch niet kan aflossen, wordt een betaling eerst tot ten hoogste het bedrag van de verschuldigde maandrente aangemerkt als aflossing en wordt de rente die daardoor niet wordt betaald bijgeschreven bij het nog niet afgeloste deel van de geldlening;
Artikel 7.6 Verkoop van de woning
Bij verkoop van de woning kan het college wegens bijzondere omstandigheden van medische of sociale aard van belanghebbende dan wel wegens werkaanvaarding elders door belanghebbende, na toepassing van het eerste lid, besluiten tot het verlenen van een nieuwe geldlening eveneens onder verband van een krediethypotheek voor de aankoop van een andere woning, tot ten hoogste het bedrag van de ingevolge het eerste lid afgeloste geldlening, onder voorwaarde dat belanghebbende het na aflossing vrijgekomen vermogen met inbegrip van het in het derde lid bedoelde bedrag volledig inzet voor de aankoop van de andere woning;
Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34 derde lid van de Participatiewet, bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht;
Aldus vastgesteld bij besluit van 3 maart 2026.
De gemeentesecretaris
M.A.I. Born
De burgemeester
F.I. Noordermeer – Van Slageren
Op 1 januari 2026 treedt het wetsvoorstel Participatiewet in balans in werking. Met dit wetsvoorstel krijgen gemeenten enkele nieuwe bevoegdheden bij de uitvoering van de Participatiewet. Doel van deze wijzigingen is onder meer dat het verlenen van bijstand beter aansluit bij de situatie van de inwoner. Om willekeur te voorkomen, wil het college nadere uitvoeringsregels vastleggen. Tegelijkertijd heeft het college van de mogelijkheid gebruik gemaakt om twee bestaande beleidsregels samen te voegen en enkele andere uitvoeringsregels vast te leggen. Dit komt de eenduidigheid van de uitvoering van de Participatiewet in Midden-Delfland ten goede.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In dit artikel zijn de begrippen omschreven die worden gebruikt in de beleidsregel. Voor het overige gelden de definities uit de Participatiewet of de Algemene wet bestuursrecht. Enkele van de begrippen uit de beleidsregel worden hieronder nader toegelicht.
In de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) wordt het begrip ‘probleemschulden’ (of: 'problematische schulden') niet gedefinieerd. Wel wordt aangegeven voor wie schuldhulpverlening is bedoeld. In artikel 1 van de Wgs staat:
‘het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.’
Voor de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) geldt een vergelijkbaar criterium. In de definitie zijn iets eenvoudiger woorden gebruikt om dit uit te drukken. Daarbij speelt ook de overweging, dat het niet de bedoeling is om exact te gaan boekhouden bij het beoordelen van iemands financiële situatie. Het is voldoende dat ‘naar het oordeel van’ het college iemand zijn schulden niet meer kan aflossen of is gestopt met betalen.
Hoofdstuk 2 Vaststellen van de bijstandsnorm
De Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om de norm lager vast te stellen in twee situaties, namelijk als de belanghebbende geen of lage woonlasten heeft (artikel 27) en als de belanghebbende schoolverlater is (artikel 28). Daarnaast is met de introductie van de kostendelersnorm in 2015 relevant of de belanghebbende een commerciële huurrelatie heeft met zijn of haar medebewoners. Het is wenselijk dat het college vastlegt wat zij verstaat onder een commerciële huurrelatie.
Het college maakt geen gebruik van de bevoegdheid om de norm lager vast te stellen als de belanghebbende schoolverlater is. Uit jurisprudentie (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2020:624) blijkt dat de bijstandsnorm niet lager mag worden vastgesteld dan wat eerder aan studiefinanciering werd ontvangen. Dit is tijdrovend om voor elk individu te beoordelen. Het is mogelijk om met een vast verlagingspercentage te werken. Het percentage zou dan echter zo gering worden, dat een dergelijke beleidsregel dan geen toegevoegde waarde meer heeft.
Artikel 2.1 Toepassing van deze beleidsregel
De norm voor jongeren tot 21 jaar is lager. Het verlagen van de uitkering zou dan erg grote gevolgen hebben. Ook de kostendelersnorm is pas van toepassing vanaf 21 jaar. Om deze redenen hebben de bepalingen dit hoofdstuk alleen betrekking op personen van 21 jaar en ouder.
De Participatiewet biedt het college de mogelijkheid de bijstandsnorm van een belanghebbende lager vast te stellen, voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie, waaronder begrepen het niet aanhouden van een woning (artikel 27 Participatiewet). Immers, als iemand geen woonlasten heeft, heeft hij of zij lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Voor de verlaging met 20% van de gehuwdennorm is aangesloten bij de regiogemeenten en bij het beleid zoals dit voorheen was vastgelegd in de ‘Verordening toeslagen en verlagingen Wet werk en bijstand 2012 gemeente Midden-Delfland’. Een lagere korting toepassen zou een aanzuigende werking vanuit de regio kunnen hebben.
Artikel 2.3 Inkomsten uit commerciële (onder-)verhuur
Volledig zakelijke relaties zoals (onder-)huurschap en (onder-)verhuurschap of kostgever- en kostnemersschap blijven voor de kostendelersnorm buiten beschouwing. Bij deze relaties is er immers sprake van deelname aan het economisch verkeer en wordt een commerciële prijs voor het gehuurde en de overeengekomen diensten betaald.
De Participatiewet geeft niet aan wat wordt verstaan onder een commerciële prijs. In het eerste lid, onderdeel c is daarom vastgelegd dat het college een bedrag, hoger dan € 310,- per maand beschouwt als een marktconforme, commerciële huurprijs. Dit bedrag is ongeveer gelijk aan het bedrag dat iedereen tenminste aan huur zou moeten kunnen betalen volgens de Wet op de huurtoeslag.
Artikel 33, vierde lid van de Participatiewet geeft aan dat indien de belanghebbende de woning bewoont met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers, de daaruit voorvloeiende lagere algemene noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking worden genomen, mits hiermee bij het vaststellen van de bijstandsnorm nog geen rekening is gehouden. Met andere woorden: enkel in situaties waarbij de kostendelersnorm niet van toepassing is. In het tweede lid van artikel 2.3 is vastgelegd dat de inkomsten uit (onder-)verhuur of kostgeverschap op de uitkering van verhuurder in mindering worden gebracht. Van de huurinkomsten wordt € 70,- per maand vrijgelaten, omdat hier ook kosten tegenover staan, zoals extra energiekosten, hoger watergebruik en dergelijke.
Bij drie of meer kostgangers en/of (onder-)huurders wordt de (onder-)verhuur en/of kostgever geacht een bedrijf te exploiteren. Om dan voor bijstand in aanmerking te komen dient een beroep te worden gedaan op het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004. Dit is vastgelegd in het derde lid van artikel 2.3.
Artikel 2.4 Geen commerciële (onder-)verhuur
Een overeenkomst tussen bloedverwanten in de eerste en tweede graad wordt niet als commerciële overeenkomst erkend. Dit volgt uit artikel 19a, eerste lid van de Participatiewet.
In het tweede lid is opgenomen het college niet accepteert dat een al bestaande, niet-zakelijke overeenkomst door het (alsnog) sluiten van een (ver)huurovereenkomst, een zakelijke overeenkomst wordt. Hiermee wordt voorkomen dat belanghebbenden op deze wijze een hogere uitkering verkrijgen, terwijl er feitelijk geen sprake is van commerciële (ver)huur, maar van woningdelen.
Artikel 2.5 Verblijf in inrichting
Artikel 23 Participatiewet bepaalt dat bij verblijf in een inrichting afwijkende bedragen gelden voor de te verlenen bijstand. Van verblijf in een inrichting is sprake vanaf het moment van opname in een inrichting. Opnames in inrichting kunnen van korte duur zijn. Ook kan sprake zijn van herhaalde (korte) opnames kort achter elkaar. In dergelijke gevallen is het niet wenselijk om de norm (telkens) meteen om te zetten, mede gelet op de administratieve last voor zowel belanghebbende als gemeente. Bovendien zullen vaste lasten van belanghebbenden in dergelijke situaties vaak doorlopen waarvoor steeds bijzondere bijstand verleend zou moeten worden. Ook een permanente opname komt vaak onverwacht en is het niet mogelijk vaste lasten (zoals huur) direct te stoppen. Daarom vindt het college een overgangsperiode wenselijk.
In deze beleidsregel is bepaald dat de voorheen geldende bijstandsnorm ‘de maand uit plus één maand’ na de dag van opname behouden blijft. Zowel bij tijdelijk als langdurig verblijf in een inrichting. Pas daarna wordt de normale uitkeringsnorm omgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting.
Bijvoorbeeld: Een alleenstaande wordt op 15 juni opgenomen in een inrichting. De alleenstaande norm van artikel 21 onderdeel a Participatiewet wordt nog voor de maand van opname en de volledige maand erna verstrekt. Dat betekent dus dat belanghebbende deze norm behoudt tot en met 31 juli. Vanaf 1 augustus geldt de inrichtingsnorm.
Wanneer een inrichting in een andere gemeente is, kan het zijn dat iemand zijn hoofdverblijf niet meer in Midden-Delfland heeft. Na zes maanden wordt iemand geacht zijn hoofdverblijf niet meer in Midden-Delfland te hebben. Artikel 40, eerste lid Participatiewet verzet zich dan tegen bijstandsverlening. Als de belanghebbende stelt dat het verblijf tijdelijk is en hij de reële intentie heeft om terug te keren naar Midden-Delfland en dit concreet kan maken, kan op individuele gronden de bijstand worden voortgezet.
Personen jonger dan 21 jaar en wonend in een inrichting, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onder a Participatiewet). Daarom wordt hun uitkering, na afloop van de overgangsperiode uit het eerste lid, beëindigd.
In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen over het vrijlaten van giften in het kader van artikel 31, eerste lid, onderdelen m en s, van de wet. Het begrip ‘gift’ wordt hier niet nader omschreven. Uit de wetshistorie van achtereenvolgende bijstandswetten en de jurisprudentie daaromtrent blijkt dat het bij een gift moet gaan om een bevoordeling van de ontvanger, met een onverplicht karakter (vrijgevigheid), zie bijv. ECLI:NL:CRVB:2016:1160. Daarmee wordt aangesloten bij de omschrijving van ‘gift’ in artikel 7:186, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek: “Een gift is iedere handeling die ertoe strekt dat degene die de handeling verricht, een ander ten koste van het eigen vermogen verrijkt”. Voor het aannemen van een gift is het dus nodig dat sprake is van een drietal vereisten: de verarming van de gever, de verrijking van de ontvanger, als gevolg van een (onverplichte) handeling uit vrijgevigheid waar partijen zich bewust van zijn (zie ook Hoge Raad 12 juli 2002, ECLI:NL:HR:AD7272).
In de Participatiewet geldt een gift als middel dat vrijgelaten wordt als dat in het individuele geval verantwoord is in het kader van de bijstandsverlening (artikel 31, tweede lid, onderdeel s). Dit artikel blijft ongewijzigd, maar ingevoegd wordt, dat giften en kostenbesparingen tot een bedrag van € 1.200,- per kalenderjaar in ieder geval niet tot de middelen worden gerekend (artikel 31, tweede lid, onderdeel m). Dit bedrag wordt periodiek aangepast. De wetgever heeft niet beoogd beleidsruimte te bieden om dat bedrag categoriaal te verhogen of te verlagen.
Naast de categoriale vrijlatingsregeling heeft het college enkele omstandigheden genoemd waarin het verantwoord is om giften buiten beeld te houden bij het beoordelen van het recht op bijstand. Het college kiest hier voor giften die bedoeld zijn voor kosten die het noodzakelijk vindt, maar niet altijd vergoed (kunnen) worden door de gemeente. Bijvoorbeeld noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen (waarvoor een regeling in bijzondere bijstand zit) of zorgkosten waarvoor iemand geen beroep kan doen op de collectieve zorgverzekering. Ook giften die gebruikt worden om een crisissituatie te voorkomen worden vrijgelaten. Daarbij valt te denken aan het voorkomen van een uithuiszetting of afsluiting van energie.
De gemeente Midden-Delfland werkt samen met de (financiële) noodfondsen Stichting Urgente Noden (SUN) en de Stichting Gezinsherenigingen Vluchtelingen Delft (SGVD). Deze stichtingen bieden onder bepaalde voorwaarden financiële ondersteuning bij urgente noodsituaties. Alleen hulpverlenende instanties kunnen namens een belanghebbende een aanvraag indienen bij de SUN en/of de SGVD. Deze aanvragen worden vervolgens beoordeeld aan de hand van stringente voorwaarden. De giften van de SUN en SGVD hebben altijd een specifieke bestemming en zijn dus niet vrij besteedbaar voor de belanghebbende. Om deze reden worden de giften van de SUN en SGVD vrijgelaten. Voor giften van overige charitatieve instellingen, zoals kerken en Klein Maar Dapper, geldt het gestelde in artikel 3.1.
Het is echter mogelijk ook giften in andere situaties vrij te laten. Bepalend is, dat een belanghebbende door de gift niet in een positie komt die niet langer verenigbaar is met bijstandverlening. Daarvoor zijn aanknopingspunten te vinden in de financiële situatie van de belanghebbende. Als er beslag op de uitkering ligt, of als de belanghebbende een schuldregeling heeft getroffen, zal dit bijvoorbeeld eerder aanleiding vormen om giften in het individuele geval buiten beeld te houden, dan als er geen financiële problematiek speelt.
Ook giften in natura kunnen als middel bij de bijstandverlening betrokken worden. Gaat het om giften in natura voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, dan kunnen die als besparingsbijdragen worden aangemerkt en moet beoordeeld te worden of deze leiden tot afstemming van de algemene bijstand. Andersoortige giften in natura (bijv. een antieke klok) kunnen als middel in aanmerking worden genomen als het om zaken gaat die in redelijkheid te gelde gemaakt kunnen worden.
Als het gaat om giften in natura die bestemd zijn voor kosten waarin de algemene bijstand voorziet, spreken we over ‘bijdragen die leiden tot een kostenbesparing’ (zie ook artikel 18, dertiende lid, van de wet). Deze zgn. besparingsbijdragen worden niet als middel aangemerkt, die als inkomen of vermogen bij de bijstandverlening betrokken moeten worden. Zij kunnen echter wel leiden tot verlaging van de algemene bijstand, vanwege lagere bestaanskosten. Met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de Wet wordt de bijstand dan afgestemd op die lagere bestaanskosten (individualiseringsbeginsel). Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de regelmatige ontvangst van boodschappen of het betalen van de zorgpremie of huur door derden. Zulke besparingsbijdragen van derden vallen ook onder de giftenvrijlating van thans maximaal € 1.200 per kalenderjaar. Zij vallen echter niet onder de surplus-regeling voor giften, die in het individuele geval gelet op artikel 31, eerste lid, onderdeel s, van de Wet, vrijgelaten kunnen worden bovenop de algemene vrijlating van € 1.200 per kalenderjaar. Daarom is het nodig beide soorten bijdragen goed af te bakenen.
Hoofdstuk 4 Vrijlating van het inkomen
De Participatiewet, de Ioaw en de Ioaz kennen een aantal uitzonderingen op het uitgangspunt dat bijstand aanvullend is op eigen middelen. In een paar situaties mag een belanghebbende (tijdelijk) een deel van de inkomsten uit arbeid behouden boven op de bijstandsuitkering. Het doel van het (tijdelijk) vrijlaten van inkomsten uit arbeid is het bevorderen van de arbeidsparticipatie en het stimuleren van de belanghebbende om een parttime baan te accepteren.
Artikel 4.1 Bijdragen aan arbeidsinschakeling
Voor de algemene inkomstenvrijlating en de aanvullende inkomstenvrijlating geldt dat hier slechts aanspraak op bestaat, als naar het oordeel van het college de inkomsten bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.
Het is vrij lastig om in iedere individuele situatie vast te stellen of de inkomsten uit arbeid bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende. Ook bestaat het gevaar op rechtsongelijkheid, omdat dit door iedere klantmanager op een andere wijze kan worden geïnterpreteerd.
Met parttime arbeid doet een belanghebbende werkervaring op en laat hij zien dat hij wil werken. Om de belanghebbende te belonen en om rechtsongelijkheid tegen te gaan, is in dit artikel vastgelegd dat het college van mening is dat het starten met parttime werk tijdens de bijstand altijd bijdraagt aan de arbeidsinschakeling van de belanghebbende.
Een belanghebbende die al over een parttime baan beschikt bij aanvang van de uitkering, hoeft niet direct ‘beloond’ te worden voor deze werkzaamheden. De belanghebbende heeft dan nog geen activiteiten verricht om vanuit de bijstand tot een hoger inkomen te komen. Daarom is in het tweede lid van dit artikel vastgelegd dat de inkomstenvrijlating pas geldt als er vanuit de bijstand werk wordt aanvaard of er sprake is van een structurele urenuitbreiding van de bestaande werkzaamheden.
In de situaties dat de belanghebbende pas zeer kort voor aanvang van de bijstand aan het werk is gegaan (circa maximaal een maand), kan in het individuele geval besloten worden toch direct de inkomstenvrijlating toe te passen.
Artikel 4.2 Algemene inkomstenvrijlating
De algemene inkomstenvrijlating geldt voor belanghebbenden die bijstand ontvangen en daarnaast inkomsten hebben uit parttime arbeid.
De ‘algemene inkomstenvrijlating’ is wettelijk vastgelegd in artikel 31, tweede lid, onderdeel n van de Participatiewet, artikel 8, tweede lid van de Ioaw en artikel 8, derde lid van de Ioaz. Op basis van deze wetsartikelen hebben belanghebbenden, ouder dan 27 doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, recht op een inkomstenvrijlating van 25% van de inkomsten uit arbeid tot een wettelijk maximumbedrag per maand. Deze inkomstenvrijlating kan maximaal 6 maanden worden ingezet, indien deze inkomsten naar oordeel van het college bijdragen aan de arbeidsinschakeling.
Bij partners geldt dat wanneer beide partners onder de doelgroep vallen, iedere partner afzonderlijk recht heeft op de algemene inkomstenvrijlating.
Voor belanghebbenden, ouder dan de pensioengerechtigde leeftijd, geldt de voorwaarde dat de inkomsten moeten bijdragen aan de arbeidsinschakeling niet. Evenmin geldt de maximumtermijn van 6 maanden. Bij pensioengerechtigden met inkomsten uit arbeid kan de inkomstenvrijlating structureel worden ingezet.
De algemene inkomstenvrijlating kan eenmaal per bijstandsperiode worden toegekend. In dit artikel ligt vast welke regels het college hanteert ten aanzien van de start van een nieuwe bijstandsperiode. Hierbij wordt aangesloten bij het gestelde in artikel 45, derde lid van de Participatiewet.
Indien de eerdere uitkering beëindigd is wegens schending van de inlichtingenplicht, kan het college besluiten om geen nieuwe vrijlatingsperiode toe te kennen, tot het moment dat er twee jaar zijn verstreken.
Artikel 4.3 Aanvullende inkomstenvrijlating
Alleenstaande ouders, ouder dan 27 jaar die de volledige zorg dragen over een ten laste komend kind, jonger dan 12 komen onder voorwaarden in aanmerking voor een inkomstenvrijlating van 12,5% van inkomsten uit arbeid een wettelijk vastgesteld maximumbedrag per maand. Dit betekent dat indien het jongste ten laste komende kind gedurende de vrijlatingsperiode 12 jaar wordt, de vrijlating vervalt. Het recht op vrijlating bestaat dan tot en met de maand waarin het kind 12 jaar wordt.
In tegenstelling tot bij de algemene inkomstenvrijlating, moet het bij deze inkomstenvrijlating gaan om een aaneengesloten periode van maximaal 30 maanden. Dit betekent dat – indien de belanghebbende gedurende deze 30 maanden een periode geen inkomsten uit arbeid heeft – de vrijlating over deze maanden vervalt. De aanvullende inkomstenvrijlating dient voorafgegaan te worden door de periode van de algemene inkomstenvrijlating.
Artikel 4.4 Inkomstenvrijlating jongeren
Met de inwerkingtreding van het wetsvoorstel Participatiewet in balans krijgen jongeren tot 27 jaar ook recht op de generieke inkomstenvrijlating van 15% voor 12 maanden. Deze maatregel gaat in per 1 januari 2027. Gemeenten mogen echter, bij wijze van gedogen, al in 2026 hierop vooruitlopen.
Het college ziet deze maatregel als een goede ontwikkeling en wil in het gedoogjaar hiervan gebruik maken. Daarvoor is het nodig dit in beleidsregels vast te leggen.
Artikel 4.5 Inkomstenvrijlating bij een medische urenbeperking
Volgens artikel 6b van de Participatiewet, artikel 4b van de Ioaw en artikel 4b van de Ioaz is er bij een belanghebbende sprake van een medische urenbeperking, indien rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen dat de belanghebbende als gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling voor een geringer aantal uren belastbaar is dan de normale arbeidsduur. Het UWV verricht hiervoor het onderzoek en adviseert het college hierover.
Indien het college heeft vastgesteld dat er sprake is van een medische urenbeperking, bestaat recht op een inkomstenvrijlating van 15% van de inkomsten uit arbeid tot een wettelijk vastgesteld maximumbedrag per maand.
Bij de inkomstenvrijlating medische beperking geldt niet het leeftijdscriterium van 27 jaar. Ook is er geen tijdslimiet aan verbonden. Zolang de belanghebbende een medische beperking heeft en inkomsten uit parttime werk, bestaat er recht op de inkomstenvrijlating.
De vrijlating van inkomsten voor medisch beperkten is niet verenigbaar met de algemene inkomstenvrijlating en de aanvullende inkomstenvrijlating.
Het college kent de inkomstenvrijlating ambtshalve toe bij een arbeidscontract van meer dan 10 uur werk per week. Bij een 0-urencontract of een contract, minder dan 10 uur in de week treedt het college eerst in overleg met de belanghebbende. Het kan in die situaties namelijk voor belanghebbende gunstiger uitpakken om te wachten met het inzetten van de vrijlating, bijvoorbeeld wanneer de verwachting is dat de inkomsten na bijvoorbeeld 2 maanden hoger zijn dan bij aanvang van het dienstverband.
Artikel 4.7 Gelijkstelling met inkomsten uit arbeid
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 4.8 Geen inkomstenvrijlating bij niet of te laat melden
Het college is niet verplicht de inkomstenvrijlating toe te passen, indien de belanghebbende de inkomsten heeft verzwegen. Dit volgt onder andere uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 december 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY6572).
Hoofdstuk 5 Vaststellen van het vermogen
Artikel 5.1 Vrijlaten waarde auto’s, motoren, boten, caravans
Auto’s, motoren, boten en caravans gelden als bezittingen die meetellen voor de vermogensvaststelling. Op grond van vaste jurisprudentie geldt dat een auto, motor, boot of caravan tot het vermogen van de belanghebbende behoort als hij daar daadwerkelijk de beschikking over heeft of redelijkerwijs over kan beschikken.
Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn (artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet). Het college heeft in dit artikel hierover regels neergelegd.
De waarde van een auto of motor wordt bepaald aan de hand van de dagwaarde volgens Independer.nl. Deze site vraagt minder gegevens dan de ANWB Koerslijst waardoor de uitvoering makkelijker is. Deze werkwijze wordt niet gebruikt als:
Is een auto of motor niet (meer) is opgenomen in de koerslijst, dan is het toelaatbaar de waarde ervan vast te stellen op basis van bij een erkende dealer per telefoon ingewonnen toereikende informatie. Is de auto ten hoogste 3 maanden geleden aangeschaft, dan kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, als niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn.
Artikel 5.2 Materiële schadevergoeding
In artikel 31, tweede lid onder l van de Participatiewet is vastgelegd dat een aantal bij ministeriële regeling aan te wijzen uitkeringen en vergoedingen voor (im)materiële schade niet tot de middelen behoren. Welke uitkeringen en vergoedingen dit zijn, ligt vast in artikel 7 van de Regeling Participatiewet, Ioaw en Ioaz.
Alle vergoedingen voor (im)materiële schade die niet in deze lijst voorkomen, worden op grond van artikel 31, tweede lid onderdeel m vrijgelaten, voor zover deze naar het oordeel van het college uit een oogpunt van bijstandsverlening verantwoord zijn.
In dit artikel ligt vast hoe het college omgaat met vergoedingen voor materiële schade. Een materiële schadevergoeding is bedoeld om kosten te betalen die gemaakt zijn of nog gemaakt moeten worden, bijvoorbeeld voor de vervanging van (een deel van) de inboedel na een brand.
De belanghebbende dient aan te tonen waarvoor de schadevergoeding bedoeld is. Ook dient de belanghebbende bewijsstukken in te leveren dat de vergoeding besteed is aan het doel waarvoor het verstrekt is.
Een belanghebbende kan ook materiële schadevergoeding krijgen die bedoeld is als tegemoetkoming voor (gederfde) inkomsten. De belanghebbende kan bijvoorbeeld door letselschade zijn baan verliezen, waardoor het inkomen lager is of helemaal wegvalt. Bij de beoordeling of een dergelijke vergoeding als inkomen beschouwd moet worden, dient gekeken te worden op welke periode de vergoeding betrekking heeft. Het schadebedrag wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden van deze periode en maandelijks gekort als inkomen. Dat kan vanwege de lange afhandelingsduur van dergelijke letselschades ook een periode in het verleden zijn. Terugvordering is dan aan de orde.
Artikel 5.3 Immateriële schadevergoedingen
Vergoedingen voor immateriële schade worden vrij gelaten tot het bedrag van het vrij te laten vermogen voor een alleenstaande, als bedoeld in artikel 34, derde lid onderdeel a van de Participatiewet. De betekenis van dit artikel is verder niet van belang, het gaat alleen om het bedrag. Het maakt dus ook niet uit of de belanghebbende alleenstaand is of gehuwd. Gehuwden krijgen dus samen één keer de vrijlating.
Het meerdere van de schadevergoeding wordt toegerekend tot het vermogen van de belanghebbende. Of de schadevergoeding gevolgen heeft op het recht op uitkering, hangt dan af van de hoogte van de schadevergoeding en het overige vermogen van de belanghebbende.
Artikel 6.1 Verkorte aanvraagprocedure
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om een verkorte aanvraag in behandeling te nemen als de belanghebbende eerder een uitkering heeft ontvangen. Het college beperkt de termijn tot 6 maanden na beëindiging van de eerdere uitkering. De reden hiervoor is dat in het geval van werkaanvaarding de belanghebbende na 6 maanden recht heeft op een WW-uitkering voor ten minste drie maanden.
De aanvraagprocedure voor algemene bijstand is voor veel inwoners ingewikkeld en wordt als (te) lang ervaren. Vooral bij een korte periode van werk of bij flexibel werk moet de – behoorlijk uitgebreide - aanvraagprocedure steeds weer opnieuw doorlopen worden en zit men lang in financiële onzekerheid. Door de combinatie van een aantal maatregelen wordt de (behandeling van de) aanvraag sneller en eenvoudiger. Eén van die maatregelen is de vereenvoudigde (of verkorte) aanvraagprocedure, op grond van artikel 43a van de wet. Dit nieuwe artikel geeft gemeenten de ruimte om een inwoner die binnen twaalf maanden opnieuw een bijstandsuitkering aanvraagt via een vereenvoudigde aanvraag op korte termijn weer van een uitkering te voorzien. Van deze ruimte is gebruik gemaakt. Het college benut dan de nog aanwezige gegevens over de eerdere bijstandsperiode en vraagt deze niet opnieuw van de belanghebbende.
Een vereenvoudigde aanvraagprocedure in combinatie met hergebruik van gegevens, is bij uitstek bedoeld voor situaties waarin aangenomen mag worden dat de omstandigheden niet wezenlijk veranderd zijn, zodat het recht op bijstand eenvoudig is vast te stellen. Het college kiest hier voor de situatie dat de eerdere bijstandsverlening is beëindigd door werkaanvaarding. Doel is dat inwoners gemakkelijker weer de bijstand in kunnen stromen, wat de drempel verlaagt om aan het werk te gaan. Vanwege het recht op een WW-uitkering na 6 maanden werken, wordt de periode van de verkorte aanvraag beperkt tot 6 maanden.
In elk geval mag het hergebruik van gegevens er volgens de wet niet toe leiden dat er sprake is van een meer belastende aanvraag.
Sommige gegevens kunnen eerder aan verandering onderhevig zijn dan andere. Hier is benoemd welke gegevens in ieder geval gecheckt worden op eventuele wijzigingen. Het college kan bij twijfel te allen tijde alsnog om meer actuele informatie vragen bij de belanghebbende. Ook op andere punten.
De tekst van het nieuwe artikel 43a van de wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 15a van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is in het derde lid opgenomen, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de uitvoering van de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 6.2 Bijstand met terugwerkende kracht
Een bijstandsuitkering gaat in op de dag dat het recht ontstaat, maar niet eerder dan de meldingsdatum (art. 44, eerste lid, van de wet). In de meeste gevallen zal de meldingsdatum daarom de ingangsdatum zijn. Het college krijgt in artikel 44, vijfde lid van de wet de ruimte om in individuele omstandigheden met maximaal drie maanden terugwerkende kracht toe te kennen. Van die ruimte is in deze beleidsregels gebruik gemaakt. Het blijft ook mogelijk om in bijzondere omstandigheden verder terug te gaan, op grond van vaste rechtspraak. Hierbij kan gedacht worden aan de situatie dat iemand om medische redenen niet in staat was om zich eerder te melden en een aanvraag in te dienen.
In lijn met de Memorie van Toelichting bij de wet (Kamerstukken II 2023/24, 36 582, nr. 3, p. 46-47) kunnen twee situaties worden onderscheiden:
De wetgever heeft vooral het oog gehad op situaties waarbij het de belanghebbende niet te verwijten was dat de aanvraag (te) laat is ingediend en waarbij de effecten daarvan (te) ernstig zijn. Door terugwerkende kracht toe te passen, kunnen de nadelige effecten worden beperkt, en kunnen bijvoorbeeld verdere betalingsachterstanden en het oplopen van schulden worden voorkomen.
Hier worden omstandigheden genoemd die naar het oordeel van het college wijzen op een niet verwijtbare te late melding. Voor de onderdelen 1, 2 en 5 geldt, dat het (vooral) gaat om omstandigheden van persoonlijke aard (niet in staat zijn om, bijv. door ziekenhuisopname, en onvoldoende ‘doenvermogen’). Voor de onderdelen 3, 4 en 6 geldt dat het meer om systeemtechnische omstandigheden gaat (bijv. eerst een aanvraag voor WW, daarna, na afwijzing, richting bijstand). Ook het nemen van eigen verantwoordelijkheid door zelf te solliciteren, wil het college niet afstraffen (onderdeel 7). De bijstand werkt dan terug tot het moment waarop de inwoner in de betreffende omstandigheden is geraakt (maximaal drie maanden, zie ook het tweede lid). Uiteraard moet dan wel vanaf dat eerdere moment voldaan zijn aan de voorwaarden voor de bijstandverlening.
Als niet met terugwerkende kracht bijstand wordt verleend, kunnen de gevolgen voor de inwoner dermate ernstig zijn, dat alleen al om die reden toch terugwerkende kracht wordt toegepast. In dit onderdeel zijn enkele indicatoren genoemd die terugwerkende kracht kunnen rechtvaardigen. Het gaat vooral om precaire actuele financiële omstandigheden (onderdelen 1 en 2), of problemen die door financiële omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt, of daaraan hebben bijgedragen, zoals huisuitzettingen, afsluiting van nutsvoorzieningen of royement van zorgverzekeringen. Een ongeluk komt zelden alleen, vaak is er meer aan de hand dan uitsluitend financiële problematiek, daarom is van belang te benadrukken dat het gaat om indicatoren. Er is ruimte om ook in andere gevallen uit te gaan van terugwerkende kracht.
Artikel 44, vijfde lid, van de Participatiewet geeft het college de bevoegdheid om bijstand toekennen vanaf de dag die maximaal drie maanden gelegen is voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld. Met dit artikellid in de beleidsregel stelt het college vast wat in normale gevallen de maximale termijn voor terugwerkende kracht zal zijn.
De voorgaande leden zijn ook van toepassing op uitkeringen op grond van de Ioaw. De tekst van het nieuwe artikel 44, vijfde lid, van de wet, is woordelijk herhaald en overgenomen in artikel 16a, vierde lid, van de Ioaw. Uit oogpunt van eenduidigheid is aan het derde lid toegevoegd, dat de beleidsregel die op dit punt geldt voor algemene bijstand, ook van toepassing is op een uitkering op grond van de Ioaw. Er zijn geen inhoudelijke argumenten om voor de Ioaw op dit punt een andere koers te varen dan voor de Participatiewet.
Artikel 6.3 Zoektermijn jongeren
Voor alle jongeren tot 27 jaar geldt een zoektermijn van vier weken na de melding voor algemene bijstand. In deze zoektermijn van vier weken wordt van hen verwacht dat zij zoeken naar werk of scholing. Daarmee investeren zij in hun toekomst. Maar dat is niet voor alle jongeren een realistisch perspectief.
Voor jongeren vanuit het praktijkonderwijs of het voortgezet speciaal onderwijs geldt een uitzondering. Dat geldt ook voor jongeren met een medische urenbeperking of die behoren tot de doelgroep die in aanmerking komt voor loonkostensubsidie. Zij kunnen direct een aanvraag indienen, en de gemeente moet deze aanvraag direct in behandeling te nemen.
In aanvulling op deze situaties kan het college besluiten geen zoektermijn in te zetten als naar het oordeel van het college de omstandigheden van de belanghebbende of het gezin daartoe aanleiding geven (artikel 41 lid 11 van de wet). In artikel 6.3 worden groepen jongeren genoemd voor wie de zoektermijn achterwege blijft, omdat zij zich in kwetsbare omstandigheden bevinden. De genoemde omstandigheden gelden als indicator voor de aanwezigheid van kwetsbare omstandigheden.
Daarnaast heeft het college twee situaties genoemd waarin het opleggen van de zoektermijn niet van toegevoegde waarde is. Het gaat onder andere om jongeren die aantoonbaar zelfstandig naar werk hebben gezocht (sub h). Het college wil deze groep niet ‘straffen’ met een zoektermijn, terwijl zij eerst op eigen kracht naar werk of opleiding hebben gezocht.
Hoofdstuk 7 Bijstand en eigen woning
Het college maakt gebruik van de bevoegdheid om een krediethypotheek te vestigen als bijstand wordt verstrekt in de vorm van een gelding omdat de belanghebbende waarde in de eigen woning heeft. Hoewel van de belanghebbende in beginsel wordt verlangd dat hij de woning te gelde maakt alvorens bijstandsverlening aan de orde is, gaat het college zeer terughoudend om met opleggen van de deze verplichting. Dit leidt namelijk tot een verplichte verhuizing die grote financiële en sociale gevolgen kan hebben voor de belanghebbende en zijn gezin.
Artikel 7.1 Vorm van de lening
Het college kiest ervoor om een drempelbedrag te hanteren alvorens wordt overgegaan tot het vestigen van een krediethypotheek. Dit om de kosten van het vestigen van een hypotheek in verhouding te laten staan tot de verwachte hoogte van de lening. Het drempelbedrag is ongeveer tweemaal het netto minimumloon per maand. Op deze manier wordt aangesloten bij het drempelbedrag dat is opgenomen in artikel 50, tweede lid Participatiewet.
Artikel 7.2 Vaststelling waarde woning
De kosten die gemaakt worden om de krediethypotheek te vestigen, komen ten laste van de belanghebbende. Als daarvoor de middelen ontbreken, kan hiervoor bijzondere bijstand worden verleend. Deze bijzondere bijstand alleen in de vorm van bijstand om niet kan worden verleend, tenzij er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid, of indien er sprake is van binnenkort te ontvangen middelen voor dit doel.
Artikel 7.3 Voorwaarden en bedingen
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 7.4 Vaststelling hoogte aflossing
Aflossing van de lening vindt in principe plaats in 120 gelijke maandelijkse termijnen. Daarmee is de lening in tien jaar afgelost. Op deze manier wordt aangesloten bij de termijnen genoemd in artikel 58, zevende lid van de Participatiewet. Daarin staan de bepalingen over terugvordering van andere bijstandsschulden. Het artikel biedt de ruimte om het maandelijkse bedrag af te stemmen op de situatie van de belanghebbende.
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Artikel 7.6 Verkoop van de woning
Als de woning wordt verkocht, wordt de lening terstond afgelost. Echter, in bijzondere omstandigheden kan het college de belanghebbende toestaan het bedrag van de lening te gebruiken voor de aankoop van een nieuwe woning. De aflossingsverplichtingen blijven echter onverkort van toepassing.
Deze artikelen behoeven geen toelichting.
Dit artikel biedt ruimte om af te wijken van bepalingen in de beleidsregels als de toepassing ervan zou leiden tot onbillijkheden bij de belanghebbende. Hoewel het college hiertoe al verplicht is op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht, hecht hij eraan dit voor de duidelijkheid ook hier te benoemen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-114193.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.