Gemeenschappelijke regeling Stadsgewestelijke brandweer Vlissingen-Middelburg 2025

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Vlissingen en Middelburg, ieder voor zover zij voor de eigen gemeente bevoegd zijn;

 

overwegende dat de gemeentebesturen hebben besloten tot de vorming van één stadsgewestelijke brandweer;

 

gehoord de gemeenteraden van Vlissingen en Middelburg op respectievelijk 16 december 2025 en op 25 september 2025;

 

gelet op de Gemeentewet, het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten en de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

b e s l u i t e n:

 

de gemeenschappelijke regeling "Stadsgewestelijke Brandweer Vlissingen-Middelburg" als volgt te wijzigen:

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Deze regeling verstaat onder:

     

    • a.

      de regeling: de Gemeenschappelijke regeling Stadsgewestelijke Brandweer Vlissingen-Middelburg (SGB);

    • b.

      deelnemers: de aan deze regeling deelnemende gemeenten;

    • c.

      het samenwerkingsverband: het openbaar lichaam, bedoeld in artikel 2 van de regeling.

  • 2.

    Waar in deze regeling artikelen van enige wet of andere wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing worden verklaard, komen in die artikelen in de plaats van de gemeente, burgemeester en wethouders, onderscheidenlijk: het samenwerkingsverband, het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Artikel 2 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, als bedoeld in deze regeling (SGB), dat is gevestigd te Middelburg.

  • 2.

    Het rechtsgebied van deze regeling omvat het grondgebied van de gemeenten Middelburg en Vlissingen (het stadsgewest).

  • 3.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 3 Doel/Missie

Het openbaar lichaam heeft tot doel het beheer en onderhoud van de brandweerkazernes en brandkranen binnen het stadsgewest in de ruimste zin des woords conform de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), de Wet veiligheidsregio’s, de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland en het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

Artikel 4 Bestuursorganen

De Gemeenschappelijke regeling kent de volgende bestuursorganen: het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

Hoofdstuk 2 Belang, Taken en Bevoegdheden

Artikel 5 Belang

De regeling voert de in artikel 6 genoemde regelingen en taken uit.

Artikel 6 Taken en bevoegdheden

Met de vaststelling van de Gemeenschappelijke regeling Veiligheidsregio Zeeland 2013 (VRZ), is uitvoering gegeven aan de wettelijke verplichting in de Wet veiligheidsregio’s om de gemeentelijke brandweerzorg over te dragen aan de Veiligheidsregio Zeeland (VRZ). De wettelijke brandweertaken, zoals genoemd in de Wet veiligheidsregio’s, zijn overgegaan. De taken die achterblijven bij de SGB betreffen het onderhoud en het beheer van de brandweerkazernes en brandkranen binnen het stadsgewest. De gebouwen en brandkranen worden om niet ter beschikking gesteld aan de VRZ op grond van een tussen de SGB en de VRZ overeengekomen bruikleenovereenkomst, welke in werking is getreden op 1 januari 2013.

Ter uitvoering van het hierboven omschreven doel heeft het openbaar lichaam de volgende bevoegdheden: het beheren en inrichten van een bedrijfsvoering ten behoeve van het beheer en onderhoud van de gebouwen en brandkranen binnen het stadsgewest.

Artikel 7 Bezwaar en beroep

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening als bedoeld in artikel 7:13, van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 8 Klachtrecht

Het algemeen bestuur is bevoegd tot het vaststellen van een verordening over de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9, van de Algemene wet bestuursrecht. Voor de behandeling van deze klachten wordt aangesloten bij de Nationale Ombudsman.

Hoofdstuk 3 Het algemeen bestuur

Artikel 9 Samenstelling

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit de burgemeesters van beide gemeenten alsmede één door elk van de colleges van burgemeester en wethouders uit zijn midden aan te wijzen vertegenwoordiger.

  • 2.

    Het college van beide gemeenten wijst een lid en een plaatsvervangend lid uit de leden van het college aan. Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid zijn functie bij de gemeente verliest.

  • 3.

    De colleges van de gemeenten beslissen in beginsel binnen één maand na de benoeming van de wethouders van elke zittingsperiode over de aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan.

  • 5.

    De leden van het algemeen bestuur die tussentijds ontslag nemen, stellen de voorzitter van het algemeen bestuur evenals het college die hen heeft aangewezen hiervan op de hoogte. Het ontslag is onherroepelijk.

  • 6.

    Leden van het algemeen bestuur die ontslag hebben genomen, behouden hun lidmaatschap totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 7.

    De aanwijzing voor de vervulling van plaatsen die zijn opengevallen, vindt binnen twee maanden plaats door het college die het aangaat.

Artikel 10 Bevoegdheden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Aan het algemeen bestuur komen bij deze regeling alle bevoegdheden toe, die niet aan een ander orgaan zijn opgedragen. Het algemeen bestuur kan alle bevoegdheden delegeren aan het dagelijks bestuur, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen delegatie verzet.

  • 2.

    De volgende bevoegdheden van het algemeen bestuur zijn niet overdraagbaar:

     

    • a.

      het aanwijzen van een plaatsvervanger en de overige leden van het algemeen bestuur;

    • b.

      het vaststellen van de begroting, respectievelijk begrotingswijzigingen en de rekening;

    • c.

      het vaststellen van een reglement van orde;

    • d.

      het vaststellen van de Financiële verordening en de Controle verordening;

    • e.

      het vaststellen van een verordening tot instelling van een commissie ex artikel 7:13, van de Algemene wet bestuursrecht en de verordening voor de behandeling van klachten als bedoeld in hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • f.

      het doen van voorstellen tot wijziging, toetreding, uittreding en opheffing van deze gemeenschappelijke regeling; en

    • g.

      het instellen van commissies als bedoeld in artikel 24, 24a en 25 van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Artikel 11 Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast en brengt dit ter kennis van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Het algemeen bestuur vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten, maar minimaal twee keer per jaar en verder zo dikwijls als de voorzitter dit nodig acht of ten minste twee leden van het algemeen bestuur dit verzoeken (onder schriftelijke opgave van de te behandelen onderwerpen).

  • 3.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op en tegelijkertijd met de oproep maakt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering openbaar. De agenda en de daarbij behorende voorstellen, met uitzondering van de in Hoofdstuk Va, Gemeentewet, genoemde stukken waarop geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de oproep ter inzage gelegd.

  • 4.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 5.

    Uit de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing het bepaalde in artikel 20 (quorum voor opening van vergadering), artikel 22 (onschendbaarheid, verschoningsrecht), artikel 26 (handhaving orde vergadering), artikel 28 (niet-deelname aan de stemming), artikel 29 (quorum voor geldige stemming), artikel 30 (tot stand komen besluit), artikel 31 (geheime stembriefjes), artikel 32 (overige stemmingen en artikel 33 (ambtelijke bijstand van het Algemeen bestuur).

Artikel 11a Besloten vergadering

In een besloten vergadering van het algemeen bestuur worden geen besluiten genomen over het meerjarenbeleidsplan, de begroting, begrotingswijzigingen, de jaarstukken en het liquidatieplan.

Hoofdstuk 4 Dagelijks bestuur

Artikel 12 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat ten minste uit de voorzitter en twee leden door het algemeen bestuur aan te wijzen.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur worden aangewezen door en uit het algemeen bestuur nadat in overeenstemming met artikel 9 de leden van het algemeen bestuur zijn aangewezen.

  • 3.

    De aanwijzing van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die openvallen, vindt plaats binnen twee maanden na de melding van de opengevallen plaats.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan personen uitnodigen om als adviseur aan de vergaderingen deel te nemen.

Artikel 12a Einde lidmaatschap

  • 1.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt indien het lid ophoudt lid te zijn van het algemeen bestuur.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur treden af op de dag waarop de zittingsperiode van de gemeenteraad afloopt. Zij blijven hun functie waarnemen tot het moment dat het algemeen bestuur in de nieuwe samenstelling nieuwe leden voor het dagelijks bestuur heeft aangewezen.

  • 3.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit lid niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur geniet. In dit geval is het bepaalde in artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Op het ontslagbesluit zijn artikel 4:8 en 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 12b Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak als de voorzitter of een ander lid van het dagelijks bestuur dit nodig acht met opgave van de te behandelen onderwerpen. De vergadering vindt plaats binnen twee weken nadat het verzoek is ingekomen.

  • 2.

    Voor zover deze regeling niet anders bepaalt, kan het dagelijks bestuur zijn werkzaamheden verdelen over zijn leden. Het dagelijks bestuur deelt zijn besluiten daarover mee aan het algemeen bestuur.

  • 3.

    Besluiten worden genomen met gewone meerderheid van stemmen. Als de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen, dat aan het algemeen bestuur ter kennisneming wordt overgelegd.

  • 5.

    Voor de besluitvorming in het dagelijks bestuur en de verplichting tot geheimhouding zijn de overeenkomstige bepalingen zoals die zijn opgenomen in de Gemeentewet voor het college van toepassing.

Artikel 13 Taken en bevoegdheden

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met:

     

    • a.

      het uitvoeren van alle taken en bevoegdheden inzake het beheer en de inrichting van de bedrijfsvoering ten behoeve van het beheer en onderhoud van de gebouwen en brandkranen binnen het stadsgewest.

    • b.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd, voor zover die voorbereiding niet aan anderen is opgedragen;

    • c.

      het uitvoeren van besluiten van het algemeen bestuur;

    • d.

      het beheer van de eigendommen en geldmiddelen van het samenwerkingsverband;

    • e.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en het verlies van recht of bezit;

    • f.

      het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van het samenwerkingsverband, alsmede op al wat het samenwerkingsverband aangaat, waaronder de zorg voor de archiefbescheiden;

    • g.

      het behartigen van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheidslichamen en instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het samenwerkingsverband van belang is; en

    • h.

      het verplicht en actief verstrekken van inlichtingen aan het algemeen bestuur.

Hoofdstuk 5 De Voorzitter

Artikel 14 Benoeming en taken

  • 1.

    Het voorzitterschap wordt vervuld door de burgemeester van Vlissingen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan de voorzitter tussentijds ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.

  • 3.

    De voorzitter leidt de vergaderingen van het algemeen en het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Bij verhindering of ontstentenis van de voorzitter wordt deze vervangen door een lid van het dagelijks bestuur, aan te wijzen door het dagelijks bestuur.

  • 5.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur uitgaan.

  • 6.

    De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Hij kan deze vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen gemachtigde.

  • 7.

    Indien de voorzitter behoort tot het bestuur van een gemeente, die partij is in een geding waarbij het samenwerkingsverband is betrokken, wordt het samenwerkingsverband door het andere lid van het dagelijks bestuur vertegenwoordigd.

Hoofdstuk 6 Inlichtingen, verantwoording en ontslag

Artikel 15 Intern

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, samen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur geeft ongevraagd aan het algemeen bestuur informatie die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur geeft samen, dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoeken, alle gevraagde inlichtingen.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur kan door het algemeen bestuur worden ontslagen, als dit niet meer het vertrouwen van het algemeen bestuur bezit. In dit geval is het bepaalde in artikel 49 en verder van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 5.

    De leden 1 t/m 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 16 Informatieverstrekking door het algemeen en dagelijks bestuur en de voorzitter

 

  • 1.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter geven aan de raden van de deelnemende gemeenten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig is.

  • 2.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de raden of één of meer leden daarvan alle inlichtingen die door één of meer raden worden verlangd. Deze informatie wordt in dat geval ook verstrekt aan de andere gemeenteraad.

  • 3.

    Belangrijke financiële, beleidsmatige en/of organisatorische ontwikkelingen of belangrijke afwijkingen van de samenwerkingsafspraken zendt het algemeen en dagelijks bestuur met een tussentijdse rapportage tijdig ter informatie naar de raden van de deelnemende gemeenten.

Artikel 17 Informatieverstrekking door individuele leden van het algemeen bestuur

  • 1.

    Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur is aan het college door wie hij is benoemd, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16, van de Wet gemeenschappelijke regelingen, verantwoording schuldig voor het door hem in dat bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Een lid of plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur kan door het college waarbinnen dit lid functioneert, worden ontslagen, indien dit lid niet meer het vertrouwen van het college bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 8:1, van de Algemeen wet bestuursrecht van toepassing.

Artikel 18 Bekendmaking

  • 1.

    Besluiten van het bestuur van een openbaar lichaam, die algemeen verbindende voorschriften inhouden, zijn pas geldig als deze via het blad gemeenschappelijke regeling bekend zijn gemaakt.

  • 2.

    De bekendgemaakte besluiten zijn van kracht op de achtste dag van de bekendmaking, tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen.

Hoofdstuk 7 Financiële bepalingen

Artikel 19 Begrotingsprocedure

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stuurt jaarlijks vóór 30 april de ontwerpbegroting van de gemeenschappelijke regeling Stadsgewestelijke Brandweer voor het komende kalenderjaar, evenals de financiële beleidsuitgangspunten voor de komende jaren (meerjarenraming), aan de raden van de deelnemende gemeenten. Het bepaalde in artikel 190 lid 1, van de Gemeentewet is van toepassing, evenals het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen binnen twaalf weken na ontvangst van de ontwerpbegroting het dagelijks bestuur hun zienswijze aangeven.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stuurt de begroting binnen twee weken na vaststelling, maar in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan Gedeputeerde Staten.

  • 4.

    Op wijzigingen van de begroting zijn voorgaande bepalingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat een begrotingswijziging uiterlijk 30 september van het betreffende begrotingsjaar door het Algemeen bestuur wordt vastgesteld.

  • 5.

    Een begrotingswijziging blijft achterwege voor uitgaven die binnen een programma van de eigen begroting kunnen worden opgevangen en/of die geen structurele gevolgen hebben voor de begroting van het volgende jaar en/of volgende jaren.

Artikel 20 Bijdragen van de gemeenten

  • 1.

    De deelnemende gemeenten dragen elk voor 50% de kosten van de regeling.

  • 2.

    De deelnemende gemeenten zullen er steeds zorg voor dragen dat de gemeenschappelijke regeling over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen te voldoen.

  • 3.

    Indien aan het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van de artikelen 194 en 195 van de Gemeentewet.

Artikel 21 Reserve

  • 1.

    De Gemeenschappelijke regeling Stadsgewestelijke Brandweer vormt een reserve ten laste van de gemeentelijke bijdragen aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld.

  • 2.

    Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op gemeentelijke verzoeken hierover past het dagelijks bestuur de afspraken tussen de deelnemende gemeenten over de te vormen reserve toe.

Artikel 22 Jaarstukken

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemende gemeenten te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controle belaste accountant.

  • 2.

    De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de raden van de deelnemende gemeenten in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming.

  • 4.

    Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt de jaarstukken en de resultaatbestemming vast.

  • 5.

    De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan Gedeputeerde Staten gezonden, maar vóór 15 juli.

  • 6.

    Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt – voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft – het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.

Hoofdstuk 8 Archief

Artikel 23 Archief

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. Deze regeling wordt toegestuurd aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling.

  • 3.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet over te brengen archiefbescheiden wijst het algemeen bestuur een archiefbewaarplaats aan.

Artikel 23a Informatieveiligheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft.

  • 2.

    Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan de deelnemende gemeenten moeten voldoen.

Artikel 23b Participatie van ingezetenen en belanghebbenden

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid.

  • 2.

    Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken:

    • a.

      bij ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • e.

      indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; en

    • f.

      indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving.

  • 3.

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het algemeen bestuur een andere inspraakprocedure vaststelt.

Hoofdstuk 9 Toetreding, Uittreding, Wijziging, Geschillen, Opheffing en Liquidatie

Artikel 24 Toetreding en uittreding

  • 1.

    Het college van de gemeente dat wenst toe te treden, richt het verzoek hiertoe aan het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stuurt het verzoek als bedoeld in het eerste lid na ontvangst door aan de besturen van de deelnemende gemeenten onder overlegging van zijn advies over de toetreding en de eventueel daaraan te verbinden voorwaarden.

  • 3.

    Toetreding vindt plaats indien de deelnemende gemeenten daarmee instemmen.

Artikel 24a Aanvang uittredingsprocedure

  • 1.

    De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn raad, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan

  • 3.

    Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding.

  • 4.

    De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeenkomen.

Artikel 24b Procedure voor vaststelling uittredingsplan

  • 1.

    Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding.

  • 2.

    Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom.

  • 3.

    Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het concept-uittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer.

  • 4.

    Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger van het bestuur van de uittredende deelnemer.

  • 5.

    Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 25 gelet op de vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 6.

    Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 25 en vastgestelde jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar.

  • 7.

    Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risico-opslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten.

  • 8.

    Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen (maximaal 5 jaartermijnen) of in één keer dient te betalen.

Artikel 24c Te vergoeden kosten, de uittreedsom

  • 1.

    De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten.

  • 2.

    Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn.

  • 3.

    Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door de GR SGB die samenhangen met de afbouw van structurele en incidentele overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere structurele en incidentele verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.

  • 4.

    Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 24c, eerste lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 24b, tweede lid, anders is vastgelegd.

  • 5.

    Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer.

  • 6.

    De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 24c, vijfde lid.

  • 7.

    Indien de kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoelt in artikel 28B en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in de voorgaande leden de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%.

  • 8.

    Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer.

Artikel 24d Verplichtingen uittreder

  • 1.

    De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van de GR SGB die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden.

Artikel 25 Wijziging

  • 1.

    De regeling wordt gewijzigd, indien de deelnemende gemeenten daartoe eensluidend besluiten.

  • 2.

    Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer deelnemers.

  • 3.

    Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemende gemeenten worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn beschouwingen ter zake binnen acht weken aan de raden van de deelnemende gemeenten doet toekomen, waarna deze deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur verder handelen conform het bepaalde in het vorige lid van dit artikel.

Artikel 26 Geschillen

  • 1.

    Voordat over een geschil als bedoeld in artikel 28 Wgr de beslissing van Gedeputeerde Staten wordt ingeroepen, legt het algemeen bestuur het geschil voor aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De geschillencommissie bestaat uit drie leden. Een lid wordt aangewezen door het algemeen bestuur en een lid wordt aangewezen door de betrokken gemeente(n). Deze twee leden wijzen gezamenlijk een derde lid aan dat tevens als voorzitter van de commissie optreedt.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken besturen.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

  • 5.

    Indien het advies van de commissie niet leidt tot oplossing van het gerezen geschil wordt bij het verzoek om een beslissing van Gedeputeerde Staten een afschrift van het advies van de commissie gevoegd.

Artikel 27 Ontbinding en liquidatie

  • 1.

    De regeling wordt opgeheven indien de deelnemende gemeenten daartoe besluiten.

  • 2.

    Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. Een zodanig besluit wordt met een twee derde meerderheid genomen, gehoord de raden van de deelnemende gemeenten. Een liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemende gemeenten alle rechten en verplichtingen van de gemeenschappelijke regeling over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze.

  • 3.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van de gemeenten en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie.

  • 5.

    Het besluit tot ontbinding of tot wijziging van deze regeling wordt direct gezonden aan de gemeenten.

  • 6.

    De organen van de gemeenschappelijke regeling blijven ook na het tijdstip van ontbinding in functie, totdat de vereffening is voltooid.

  • 7.

    Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van in liquidatie', zodat het opschrift komt te luiden: "(GR SGB LL)"

Hoofdstuk 10 Slotbepalingen

Artikel 28 Overgangsbepaling

Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter van het openbaar lichaam blijven hun functies vervullen tot de zittingsperiode van de gemeenteraden is beëindigd en in hun opvolging is voorzien.

Artikel 29 Inwerkingtreding

  • 1.

    Het college van de gemeente van vestiging zorgt namens alle deelnemende gemeenten voor bekendmaking in haar gemeenteblad.

  • 2.

    De gemeenschappelijke regeling treedt in werking op de dag nadat deze is bekendgemaakt.

Artikel 30 Evaluatie

De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie.

Artikel 31 Titel

De regeling kan worden aangehaald als "De gemeenschappelijke regeling Stadsgewestelijke brandweer Vlissingen-Middelburg 2025

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Middelburg,

de waarnemend secretaris,

G. Kolhorn

de burgemeester

Y.P. van Mastrigt

Aldus vastgesteld door de burgemeester van Middelburg,

mr. Y.P. van Mastrigt

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Vlissingen,

de secretaris,

drs. R.D.A. Wiskerke

de burgemeester

drs. A.R.B. van den Tillaar

Aldus vastgesteld door de burgemeester van Vlissingen,

drs. A.R.B. van den Tillaar

Naar boven