Verordening voor de behandeling van participatie Eemnes 2026

De gemeenteraad van de gemeente Eemnes; gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 januari 2026 [B25.01618]; gelet op de artikelen 149 en 150 van de Gemeentewet, de artikelen 3.1, 2.4 en 3.4 van de Omgevingswet en de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit; besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1. Onderwerp verordening

Deze verordening regelt de betrokkenheid van en samenwerking met inwoners, bedrijven en anderen bij de ontwikkeling –mede omvattend de voorbereiding, uitvoering en evaluatie- van gemeentelijke initiatieven en beleid en de rol van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad in deze processen. Deze verordening is daarnaast van toepassing op de manier waarop de gemeente ondersteuning biedt of reageert op initiatieven van inwoners, maatschappelijke organisaties of andere belanghebbenden.

Artikel 2: Definities

Deze verordening verstaat onder:

 

  • bestuursorgaan: het bestuursorgaan dat bevoegd is, afhankelijk van de inhoud van het beleid of de taak is dat de gemeenteraad, het college of de burgemeester;

  • college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eemnes;

  • inspraak: Een door of namens een bestuursorgaan georganiseerde gelegenheid voor inwoners, organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden om hun mening over beleidsvoornemens te geven en daarover toelichting te geven en van gedachten te wisselen voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door de gemeenteraad, of door het college van burgemeester en wethouders of de burgemeester als bedoeld in artikel 150, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • inwoners: ingezetenen als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • overheidsparticipatie: Initiatieven van inwoners, organisaties, bedrijven of anderen met een overwegend maatschappelijke component, of een combinatie daarvan;

  • inwonersparticipatie: Het op initiatief van de gemeente betrekken van inwoners, organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid en plannen. Inwonersparticipatie kan de vorm aannemen van informeren, raadplegen, adviseren, coproduceren en meebeslissen;

  • maatschappelijke partijen: verenigingen, stichtingen, buurtcomités, sociale ondernemingen die tot doel hebben een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente;

  • nota Participatie: het door de raad vastgestelde participatiebeleid in de Nota Participatie ‘Participatienota Blaricum, Eemnes en Laren met ambities en werkwijze van september 2024;

  • ondernemers: bedrijven en instellingen die statutair binnen de gemeente zijn gevestigd of in hoofdzaak binnen de gemeente hun activiteiten verrichten;

  • participatie: Het deelnemen van inwoners, organisaties, bedrijven en andere belanghebbenden aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van gemeentelijk beleid of gemeentelijke plannen, alsmede (het door de gemeente ondersteunen van) initiatieven van inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden met impact op de lokale samenleving;

  • uitdaagrecht: het recht van inwoners en maatschappelijke partijen om de feitelijke uitvoering van een gemeentelijke taak over te nemen als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet.

Artikel 3. Doelstelling en reikwijdte

  • 1.

    Deze verordening heeft als doel de kwaliteit van lokale democratische processen te vergroten, de relatie tussen gemeente en inwoners te versterken en helderheid te scheppen over proces en rolverdeling en via participatietrajecten te komen tot een overwogen besluit.

  • 2.

    Het bestuursorgaan past bij participatie bij het vaststellen of wijzigen van de omgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1 van de Omgevingswet, het omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van de Omgevingswet of een programma als bedoeld in artikel 3.4 van de Omgevingswet, zoveel mogelijk deze verordening toe. Daarbij neemt het bestuursorgaan de motiveringsplicht als bedoeld in de artikelen 10.7, 10.2 en 10.8 van het Omgevingsbesluit in acht.

  • 3.

    Er vindt geen inwonersparticipatie of toepassing van het uitdaagrecht plaats als:

    • a.

      dit bij of op grond van wettelijk voorschrift is uitgesloten of al er sprake is van uitvoering van regelingen van hogere overheden waarbij de gemeente geen ruimte heeft om eigen afwegingen te maken; of

    • b.

      voor een beleidsvoornemen dat uitsluitend of hoofdzakelijk betrekking heeft op interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente.

    • c.

      het om een lopend uitvoerings- of evaluatietraject of een ondergeschikte herziening van die trajecten of het beleid gaat

    • d.

      de uitkomst van de inwonersparticipatie of de toepassing van het uitdaagrecht vanwege de spoedeisendheid niet kan worden afgewacht

    • e.

      de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder moet wegen

    • f.

      sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft

    • g.

      het om interne [organisatorische] aangelegenheden van de gemeente gaat

  • 4.

    Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen beleid of inwonersparticipatie plaatsvindt en ten aanzien van zijn eigen taken of om toepassing van het uitdaagrecht kan worden verzocht.

  • 5.

    Participatie, inspraak en uitdaagrecht wordt verleend aan inwoners, lokale ondernemers, maatschappelijke organisaties en andere belanghebbenden en bedrijven of organisaties die lokaal actief zijn of een lokaal belang hebben

  • 6.

    Participatie wordt altijd toegepast als de wet daartoe verplicht.

  • 7.

    Deze verordening is opgesteld met de gemeentelijke ‘Participatienota Blaricum, Eemnes en Laren’ als kader

Artikel 4. Participatieparagraaf

  • 1.

    Het college neemt elk jaar een paragraaf in de begroting op waarin de speerpunten voor participatie in het komend jaar benoemd worden en legt deze paragraaf ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor.

  • 2.

    Het college neemt elk jaar een paragraaf in het jaarverslag op waarin het college verslag doet van de uitvoering van deze verordening en legt deze ter besluitvorming aan de gemeenteraad voor.

Hoofdstuk 2 Inwonerparticipatie

Artikel 5. Participatieproces

  • 1.

    Het bestuursorgaan besluit bij de start van een proces voor vaststelling van een visie, beleid, plan, programma of project of participatie van toepassing is of gewenst is. Leidend hierbij zijn de ambities en werkwijze uit de Nota Participatie2024.

  • 2.

    Als het bestuursorgaan besluit om inwonersparticipatie toe te passen wordt dit vastgelegd in een participatieplan waarin ten minste antwoord wordt gegeven op de volgende onderwerpen:

    • a.

      het doel en de intentie van de participatie;

    • b.

      de impact van visie, beleid, plan, programma of project;

    • c.

      de omschrijving, het proces en de planning van de inwonersparticipatie;

    • d.

      de wijze waarop het participatieproces geëvalueerd en teruggekoppeld wordt ;

    • e.

      wie moeten er betrokken worden? Wie zijn de belanghebbende;

    • f.

      de kosten van het participatieproces;

    • g.

      wie is verantwoordelijk voor de werkwijze en wie voor de uitvoering?;

    • h.

      hoe gaan we om met bestaand beleid en kaders?;

    • i.

      wat is de rol van het college van burgemeester en wethouders en/of de raad?;

    • j.

      wat doe je met de uitkomsten van het participatieproces?.

  • 3.

    Als het college de besluitvorming over beleid voor de gemeenteraad voorbereidt, stelt het college het plan op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

  • 4.

    Het bestuursorgaan heeft de volgende opties om navolging te geven aan de uitkomsten van het participatieproces:

    • -

      het bestuursorgaan neemt kennis van de uitkomsten van het participatietraject en zal nader afwegen of en in welke mate deze kunnen worden meegenomen in de politieke besluitvorming.

    • -

      het bestuursorgaan beschouwt de adviezen en conclusies uit het participatietraject als een zwaarwegend uitgangspunt bij politieke besluitvorming.

    • -

      het bestuursorgaan neemt de adviezen en conclusies uit het participatietraject over mits deze passen binnen de vooraf gestelde inhoudelijke, financiële en procedurele kaders.

    Hiervan kan het bestuursorgaan afwijken, bijvoorbeeld omdat het participatietraject sterk uiteenlopende visies opleverde, omdat betrokken belangen onvoldoende zijn meegewogen of omdat de participatie leidde tot nieuwe ideeën en inzichten die op gespannen voet staan met de vooraf gestelde kaders. De afwijking wordt expliciet gemotiveerd en gecommuniceerd aan de deelnemer aan het participatietraject.

Artikel 6. Herhalen van participatie.

  • a.

    Participatie is maatwerk en dient afgestemd te worden op de aard en context van het plan of traject. Bij herhaalde plannen of voortzetting van bestaande trajecten mag eerder georganiseerde participatie worden meegenomen, mits deze aantoonbaar goed is gedocumenteerd.

  • b.

    Indien voor eenzelfde plan of traject al een breed en representatief participatietraject heeft plaatsgevonden, hoeft dit niet opnieuw te worden uitgevoerd, mits dit traject heeft plaatsgevonden binnen een termijn van 5 jaar voorafgaand aan het nieuwe plan of de voortzetting daarvan.

  • c.

    Participatie dat ouder is dan 5 jaar wordt beschouwd als een aanvulling op het eerdere traject en niet als een herhaling daarvan. In dat geval dient een nieuw participatietraject te worden georganiseerd dat aansluit op de actuele context en inzichten.

  • d.

    Indien eerdere participatie later heeft plaatsgevonden binnen de genoemde termijn, is het verplicht opnieuw een participatietraject uit te voeren.

Artikel 7. Eindverslag inwonersparticipatieverslag

  • 1.

    Nadat inwonersparticipatie heeft plaatsgevonden stelt het bestuursorgaan een eindverslag van de inwonersparticipatie op en maakt dit openbaar.

  • 2.

    In het participatieproces staat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van het proces dat is gevolgd;

    • b.

      de uitkomsten van het proces en de argumenten die naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een onderbouwde reactie met wat het bestuursorgaan heeft gedaan met de opmerkingen van de mensen die hebben meegedacht, waarbij wordt aangegeven welke punten al dan niet worden overgenomen; en

    • d.

      een evaluatie van het proces dat is gevolgd.

  • 3.

    Het bestuursorgaan maakt het participatieverslag op de gebruikelijke wijze openbaar en informeert actief de bij het participatieproces betrokken belanghebbenden.

  • 4.

    Als het college het plan voor de inwonersparticipatie heeft opgesteld, stelt het college ook het eindverslag op en informeert de gemeenteraad over de inhoud.

Hoofdstuk 3 Inspraak

Artikel 8. Onderwerp van inspraak

Als een bestuursorgaan in het kader van de inwonersparticipatie voor inspraak kiest of als inspraak wettelijk verplicht is, is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een ander proces vaststelt.

 

  • 1.

    Elk bestuursorgaan besluit ten aanzien van zijn eigen bevoegdheden of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid.

  • 2.

    Inspraak wordt altijd verleend indien de wet daartoe verplicht.

  • 3.

    In elk geval wordt inspraak verleend over:

    • a.

      beleidsvoornemens betreffende de energie- en warmtetransitie;

    • b.

      het ontwerpen of wijzigen van verkeerscirculatieplannen;

    • c.

      Een grootschalige inrichting of herinrichting van wegen, straten of pleinen, inclusief de aanleg, wijziging of opheffing van geluidwerende voorzieningen

    • d.

      de inrichting, wijziging of opheffing van recreatieve voorzieningen.

  • 4.

    Geen inspraak wordt verleend:

    • a.

      ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen;

    • b.

      indien inspraak bij of op grond van wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • c.

      indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft;

    • d.

      inzake de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • e.

      indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; of

    • f.

      indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van de gemeente voor kwetsbare groepen in de samenleving.

Artikel 9. Inspraakprocedure

  • 1.

    Inspraak wordt verleend aan inwoners, organisaties, bedrijven en andere ingezetenen en belanghebbenden.

  • 2.

    Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt.

Artikel 10. Eindverslag inspraakprocedures

  • 1.

    Ter afronding van de inspraak maakt het bestuursorgaan een eindverslag op. Het eindverslag bevat in elk geval:

    • a.

      een overzicht van de gevolgde inspraakprocedure;

    • b.

      een weergave van de inspraakreacties die tijdens de inspraak mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een reactie op deze inspraakreacties, waarbij met redenen omkleed wordt aangegeven op welke punten al dan niet tot aanpassing van het beleidsvoornemen wordt overgegaan; en

    • d.

      Het bestuursorgaan maakt het eindverslag op de gebruikelijke wijze openbaar. In ieder geval wordt het eindverslag ter kennis gebracht aan een ieder die een zienswijze heeft ingebracht onder vermelding van de verdere procedure. Tevens wordt – voor zover van toepassing – daarbij kennis gegeven van de datum/data waarop het onderwerp in kwestie wordt behandeld in (een) commissievergadering(en) en/of de raadsvergadering

Hoofdstuk 4 Overheidsparticipatie

Artikel 11. Deelnemen aan overheidsparticipatie

  • 1.

    De gemeente neemt deel aan inwonersinitiatieven als naar het oordeel van het bestuursorgaan het inwonersinitiatief bijdraagt aan de doelstellingen van het gemeentelijk beleid, en/of anderszins een positieve maatschappelijke bijdrage levert aan de lokale samenleving.

  • 2.

    De raad stelt jaarlijks een budget ter beschikking voor ideeën en initiatieven uit de samenleving.

  • 3.

    Het verzoek tot overheidsparticipatie bevat in elk geval:

    • a.

      een omschrijving van de overheidsparticipatie die de indiener voor ogen heeft;

    • b.

      de reden dat de indiener het verzoek indient;

    • c.

      het resultaat dat de indiener beoogt.

  • 4.

    De indiener van het verzoek geeft daarnaast in elke geval aan;

    • a.

      Wat de relevante betrokkenheid, kennis en de ervaring van de indiener is;

    • b.

      Welke kosten of middelen er volgend de indiener aan het verzoek verbonden zijn;

    • c.

      Hoe de indiener de kwaliteit en de uitvoering van de taak wil waarborgen.

  • 5.

    Het bestuursorgaan kan naar aanleiding van het verzoek aanvullende informatie opvragen.

  • 6.

    De gemeente beslist binnen 12 weken of het voorstel wordt overgenomen.

  • 7.

    Het bestuursorgaan kan afzien van deelname aan een inwonersinitiatief als:

    • a.

      er sprake is van onvoldoende draagvlak voor het initiatief bij omwonenden of anderen;

    • b.

      het initiatief naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders op financiële, juridische of praktische gronden niet haalbaar is;

    • c.

      dat het een onderwerp betreft waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure in de zin van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht loopt of onderwerpen waarover de burgerlijke rechter is gevraagd een oordeel uit te spreken; of

    • d.

      het een onderwerp betreft dat overwegend het privébelang van de indiener dient.

  • 8.

    Het bestuursorgaan kan besluiten het inwonersinitiatief te ondersteunen door middel van:

    • a.

      het (eventueel tijdelijk) ter beschikking stellen van ruimtes of huisvesting;

    • b.

      het beschikbaar stellen van een (aanjaag)subsidie of andere financiële middelen;

    • c.

      de inzet van ambtelijke expertise of netwerken; of

    • d.

      een andere vorm van ondersteuning.

  • 9.

    Het bestuursorgaan neemt een besluit over het inwonersinitiatief en informeert de indieners.

Artikel 12. Uitvoering overheidsparticipatie

  • 1.

    Als het bestuursorgaan het verzoek om overheidsparticipatie toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

    • a.

      het proces, het resultaat en de looptijd van de overheidsparticipatie;

    • b.

      het budget en de financieringswijze van de overheidsparticipatie;

    • c.

      het contract met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de overheidsparticipatie;

    • d.

      de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de overheidsparticipatie; en

    • e.

      de evaluatie van de overheidsparticipatie.

Hoofdstuk 5 Uitdaagrecht

Artikel 13. Verzoek toepassing uitdaagrecht

  • 1.

    De gemeente biedt inwoners, maatschappelijke initiatieven en lokale bedrijven de mogelijkheid een voorstel te doen om de uitvoering van gemeentelijke taken over te nemen zoals bedoelt in artikel als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de gemeentewet.

  • 2.

    Een voorstel met betrekking tot het uitdaagrecht wordt bij het college van burgemeester en wethouders ingediend en omvat in ieder geval de volgende onderdelen:

    • a.

      omschrijving van de taak die de indiener wil overnemen;

    • b.

      uitleg waarom of hoe de indiener dat beter en/of goedkoper kan;

    • c.

      duidelijkheid over de betrokkenheid, kennis of ervaring van de indiener;

    • d.

      indicatie van het draagvlak onder belanghebbende inwoners;

    • e.

      raming van de kosten die aan de uitvoering van de taak verbonden zijn;

    • f.

      omschrijving van de manier waarop de indiener met de gemeente wil samenwerken of ondersteuning nodig heeft; en

    • g.

      inzicht in hoe de indiener garant staat voor de kwaliteit en de uitvoering van de taak op de langere termijn.

  • 3.

    De gemeente beslist binnen 12 weken of het voorstel wordt overgenomen

  • 4.

    Als het voorstel wordt overgenomen, voorziet het bestuursorgaan de indiener van gepaste ondersteuning. De gemaakte afspraken (over o.a. de taken, het resultaat, het budget, de looptijd en de periodieke evaluatie) worden vastgelegd in een overeenkomst. De gemeente kan op verschillende manieren ondersteunen:

    • a.

      materieel: menskracht, locaties, geld, praktische ondersteuning;

    • b.

      formeel: regelgeving, vergunningen, richtlijnen, monitoren en meten; of

    • c.

      informeel: verbinden, inspireren, aandacht geven en communiceren.

  • 5.

    Het bestuursorgaan wijst een voorstel af als onvoldoende aannemelijk wordt gemaakt dat het voorstel voldoet aan de in lid 2 genoemde voorwaarden, niet beter wordt uitgevoerd of de kosten hoger zijn of als het bestuursorgaan overname van de gemeentelijke taak om andere redenen onwenselijk vindt.

Artikel 14. Uitvoering taak

  • 1.

    Als het bestuursorgaan het verzoek om uitdaagrecht toewijst, maakt het met de indiener afspraken over:

    • a.

      het proces, het resultaat en de looptijd van de uitvoering van de taak;

    • b.

      het budget en de financieringswijze van de uitvoering van de taak;

    • c.

      het contract met en de ondersteuning door het bestuursorgaan gedurende het proces van de uitvoering van de taak;

    • d.

      de stappen bij het niet nakomen van de gemaakte afspraken en het tussentijds beëindigen van de uitvoering van de taak; en

    • e.

      de evaluatie van de uitvoering van de taak.

Hoofdstuk 6 Evaluatie

Artikel 15. Evaluatie en monitoring van deze verordening

  • 1.

    De uitvoering van deze verordening wordt eenmaal per raadsperiode geëvalueerd. Het college van burgemeester en wethouders zendt hiertoe aan de raad een evaluatieverslag.

  • 2.

    Dit verslag beschrijft de wijze waarop participatieprocessen zijn georganiseerd, de rolinvulling door raad en college, de kosten, het resultaat van de participatie en de belangrijkste ervaringen. Het verslag bevat tevens informatie over bewonersinitiatieven, toegekende budgetten en over de werking van het uitdaagrecht.

Artikel 15a Behandeling door raad

  • 1.

    Het verslag wordt eerst besproken in de raadscommissie.

  • 2.

    De raad besluit vervolgens:

    • kennis te nemen van het verslag, en

    • zo nodig het college opdracht te geven tot verbeteringen.

Artikel 15b Terugkoppeling

  • 1.

    Het college rapporteert in het volgende verslag over de uitvoering van eventuele verbeterpunten.

Hoofdstuk 7 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 16. Nadere regels college

Het college kan over inwonersparticipatie OF het uitdaagrecht nadere regels vaststellen.

Artikel 17. Hardheidsclausule

Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening. Het bestuursorgaan onderbouwt waarom het afwijkt.

Artikel 18 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking de dag na die waarop zij is bekendgemaakt.

  • 2.

    De verordening kan worden aangehaald als: Participatieverordening Eemnes 2026.

  • 3.

    De Inspraakverordening Eemnes 2008 wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van de Participatieverordening Eemnes 2026, zie citeertitel’.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 16 februari 2026.

De voorzitter,

De griffier,

Naar boven