Gemeenteblad van Alkmaar
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Alkmaar | Gemeenteblad 2026, 110974 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Alkmaar | Gemeenteblad 2026, 110974 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar 2026
De raad van de gemeente Alkmaar;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 26 november 2025
Het advies van de commissie Sociaal 26 november 2025
Het bepaalde in artikel 149 van de Gemeentewet en de Jeugdwet.
Besluit vast te stellen de verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar 2026
Overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot diens sociale netwerk.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
In deze verordening wordt verstaan onder:
Budgetplan of Pgb- plan: een document dat de jeugdige of zijn ouder invult. Hiermee geeft de jeugdige of zijn ouder aan dat hij of zij jeugdhulp wil inkopen met een Pgb en waarin wordt gemotiveerd waarom de een individuele voorziening niet passend wordt geacht. De gemeente zorgt voor een document dat de jeugdige of de ouder kan invullen. Het cjg bepaalt vooraf wat er in het document moet komen.
Centrum voor jeugd en gezin (cjg): het team van professionals vanuit het gemeentelijk sociaal domein en vrij toegankelijke voorzieningen. Vanuit hun eigen expertise en verantwoordelijkheid zorgen zij samen voor een preventieve, effectieve en efficiënte inzet van jeugdhulp en staan in contact met de toegang;
Cliëntondersteuner: onafhankelijk persoon die de jeugdige/en of diens ouder(s) ondersteunt met informatie, advies en algemene ondersteuning, die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen.
Individuele voorziening: een voorziening als bedoeld in artikel 2.9 sub a Jeugdwet die hulp geeft aan de jeugdige of de ouder. Deze voorziening is niet vrij beschikbaar voor iedereen. Er is toestemming nodig van een verwijzer(college, huisarts, jeugdarts, medisch specialist, gecertificeerde instelling).
(integraal) onderzoeksplan: het document waarin de hulpvraag van jeugdige en/of ouder(s) staat beschreven, samen met de doelen en hoe deze te bereiken. Het cjg brengt op de verschillende leefdomeinen (zoals wonen, werk, onderwijs, financiën en vrije tijd) de gezinssituatie in kaart om de juiste ondersteuning voor de jeugdige en zijn gezin mogelijk te maken.
Procesregie: als een jeugdige en/ of ouder(s) hulp krijgt op meerdere leefdomeinen ( Jeugd, WMO, Zaffier, GGZ, school) dan kan het cjg procesregie doen. Het cjg zorgt met procesregie dat de betrokken organisaties goed op elkaar aansluiten. Het cjg bespreekt met het gezin en de betrokken organisaties de voortgang, bewaakt dat iedereen doet wat nodig is en stuurt bij waar nodig.
Professional: een (jeugd)professional met een SKJ-registratie of een BIG-registratie. De SKJ-registratie blijkt uit de inschrijving in het kwaliteitsregister Jeugd. De BIG-registratie blijkt uit de inschrijving in een register zoals bedoeld is in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG).
Toekomstplan : in geval van (verwachte) doorgaande hulpverlening na het 18e levensjaar, het plan dat door de jeugdige (indien nodig met ondersteuning) en samenspraak met betrokken hulpverlening wordt opgesteld en naast zorgcontinuïteit ingaat op relevante leefdomeinen( zoals wonen , werk, onderwijs, financiën en vrije tijd).
Hoofdstuk 2. Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.2 Beschikbare vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen
De volgende vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen zijn beschikbaar:
Buitenschoolse opvang plus (BSO+): Is een vorm van buitenschoolse opvang voor jeugdigen van 4-13 jaar uit het speciaal onderwijs, speciaal basisonderwijs of regulier onderwijs. Voor deze jeugdigen is de reguliere BSO (tijdelijk) niet (meer) passend. Zij hebben extra ondersteuning nodig vanwege bijvoorbeeld een ontwikkelingsstoornis, gedrags- of psychologische problemen. BSO+ biedt extra structuur en meer begeleiding in een groep van maximaal 8 kinderen. Kinderen leren in groepsverband van en met elkaar door samen te spelen, sociale vaardigheden te ontwikkelen en te oefenen met omgangsvormen en regels. De BSO+ betrekt ouders actief bij de opvang, met als doel dat de ontwikkelde vaardigheden en routines ook thuis worden ondersteund en versterkt. BSO+ wordt (deels) bekostigd door de gemeente en ouders/verzorgers doen voor het opvanggedeelte een beroep op de kinderopvangtoeslag.
Artikel 2.3 Centrum voor jeugd en gezin (cjg) en toegang
Het cjg voert het basispakket jeugdgezondheidszorg (-10 maanden tot 18 jaar) en het Rijksvaccinatieprogramma uit. Daarnaast levert het cjg rond opvoeden en opgroeien:
De mogelijkheid tot regie voeren over de inzet van hulp indien gezinnen (in afstemming met jeugdige en/of diens ouder(s) en andere betrokken partijen) te maken hebben met beperkte zelfredzaamheid en problemen op meerdere leefgebieden (multiproblematiek) en waarbij meerdere hulpverleners betrokken zijn, met als uitzondering wanneer een jeugdige een maatregel in het gedwongen kader heeft;
Wanneer de hulpvraag verder gaat dan alleen de ondersteuning van de jeugdige en/of diens ouders met betrekking tot de jeugdige, zal het cjg in samenwerking met ouders en of jeugdige, en zo nodig het onderwijs en/ of andere betrokken (zorg)organisaties een (integraal) onderzoeksplan, als in artikel 3.6, opstellen en samen met ouders en of jeugdige beslissen over best passende hulp;
Het cjg kan vanuit procesregie, als bedoeld in artikel 3.5 en dit artikel onder lid i, betrokken zijn en tijdens evaluatiemomenten met alle betrokkenen onderzoeken of de ingezette hulp nog passend is. De procesregisseur schaalt af, in overleg met de toegang, wanneer de inzet van specialistische jeugdhulp niet langer noodzakelijk is of de procesregie overgedragen kan worden aan één van de betrokken zorgaanbieders. Het cjg werkt vanuit het vrijwillig kader. Als de veiligheid in het geding is kan het cjg voor overleg en advies contact opnemen met Veilig Thuis, als benoemd in artikel 2.4;
Artikel 2.5 Individuele jeugdhulpvoorzieningen
Artikel 2.6 Vervoersvoorziening
De toegang kent slechts een vervoersvoorziening toe als:
Blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van ouder(s) ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te zorgen of te laten zorgen, kan een vervoersvoorziening worden verstrekt.
Hoofdstuk 3 Toegang tot een individuele voorziening
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
Het college draagt zorg voor de inzet van jeugdhulp van een individuele voorziening na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder. Het college hanteert de volgende voorwaarden:
De jeugdhulpaanbieder dient zich bij het beoordelen en onderzoeken van de jeugdhulpvraag na een verwijzing te houden de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie en met de regels die daarover zijn neergelegd in deze Verordening en/of nadere regels;
Het college kan, als daar aanleiding voor is, controle uitvoeren naar de verwijzing of de door de jeugdhulpaanbieder beoordeelde jeugdhulpvraag. De controle ziet toe op het volgen van de professionele standaarden, het volgen van de regels als vastgelegd in deze verordening en de afspraken die de jeugdhulpaanbieder op basis van de contract- of subsidierelatie heeft gemaakt.
Het college kan na verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder waar het college geen contract- of subsidierelatie mee heeft besluiten dat de aanvraag wordt geweigerd als er ook een passend alternatief kan worden geboden door een jeugdhulpaanbieder waar het college wel een contract- of subsidierelatie mee heeft.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de gecertificeerde instelling nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdbeschermingsmaatregel. Ook draagt het college zorg voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het openbaar ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
Het college en de gecertificeerde instelling treden in overleg als de gecertifieerde instelling bepaalt dat de jeugdhulp moet worden geleverd door een jeugdhulpaanbieder waar het college geen contract- of subsidierelatie mee heeft. Het doel van dat overleg is om vast te stellen of het mogelijk is dat aan de jeugdige passende ondersteuning wordt geboden door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente een contract- of subsidierelatie heeft. Als dat niet lukt, overleggen partijen om duidelijke afspraken te maken over welke jeugdhulp wordt ingezet en door welke aanbieder.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente, indienen hulpvraag
Jeugdigen of hun ouder(s) die hun woonplaats hebben in de gemeente kunnen ook hun hulpvraag indienen bij het cjg van de gemeente. Dit kan fysiek, telefonisch of schriftelijk. Als de jeugdige of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de jeugdhulpvraag.
Artikel 3.4 Het vooronderzoek bij toegang jeugdhulp via het cjg en toegang van de gemeente
De jeugdige en/of de ouder(s) kunnen een familiegroepsplan opstellen. Dit betekent dat zij samen met familie, vrienden en andere personen uit hun sociaal netwerk een plan maken. Dit kan alleen als het gaat om vrijwillige jeugdhulp. Als er al een familiegroepsplan is, is dat de basis voor het gesprek met het cjg.
Artikel 3.5 Het gesprek en onderzoek voor een beoordeling
Het cjg doet onderzoek middels het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep. Het cjg stelt vast:
Stap 3: wanneer het cjg de problemen en stoornissen heeft vastgesteld, kan worden bepaald welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;
Stap 5: slechts voor zover die mogelijkheden ontoereikend zijn, dient het college een voorziening van jeugdhulp te verlenen. Voor zover het onderzoek naar de nodige hulp, dan wel jeugdhulp specifieke deskundigheid vereist kan het cjg externe deskundigen om advies vragen. Voorwaarde is dat het advies nodig is om de hulpvraag goed te kunnen beoordelen. Het cjg brengt de jeugdige en/of zijn ouder(s) hiervan op de hoogte.
Artikel 3.6 (integraal) onderzoeksplan
In het (integraal) onderzoeksplan hebben jeugdige en/of ouder(s) samen met de medewerker van het cjg de hulpvraag beschreven en staan de uitkomsten van het gesprek en het onderzoek uitgewerkt zoals benoemd in artikel 3.5 lid 5. Op basis van de informatie in het (integraal)onderzoeksplan, legt het cjg de noodzaak van een individuele voorziening vast.
Hoofdstuk 4 Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening
Artikel 4.1 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning van een individuele voorziening
Jeugdigen of ouder(s) kunnen in aanmerking komen voor een individuele voorziening wanneer door het cjg of een andere verwijzer is vastgesteld dat:
Er geen andere voorliggende voorziening bestaat waarvan de jeugdige en/of ouder(s) gebruik kunnen maken om de hulpvraag te beantwoorden. Van een voorliggende voorziening is sprake als op grond van een andere wet aanspraak op zorg is. De volgende voorzieningen zijn in ieder geval voorliggend: Wet langdurige zorg, Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Wet op het passend onderwijs, Wet publieke gezondheid, participatiewet en de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen.
Soms hebben de jeugdige en/of ouder(s) zelf al jeugdhulp geregeld. Dit gebeurde voordat het gesprek met het cjg plaatsvindt zoals beschreven in artikel 3.5. Kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouders voorafgaand aan de aanvraag hebben gemaakt worden in beginsel niet vergoed. Het college kan alsnog een individuele voorziening jeugdhulp toekennen en de gemaakte kosten vergoeden. Dat kan alleen als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Artikel 4.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en probleemoplossend vermogen
Bij de toepassing van dit artikel maakt het college in elk individueel geval een integrale afweging op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet. Daarbij worden de specifieke omstandigheden van deze jeugdige en zijn ouders betrokken. Er kan geen besluit worden genomen uitsluitend op basis van de navolgende leden.
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers of opvoeders. Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als er sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont, zoals bedoeld in artikel 4.1 lid 1 b III.
Het cjg bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in balans is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders, samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare (vrij toegankelijke) voorzieningen. Het cjg houdt hierbij rekening met de volgende factoren:
Als sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt de toegang geen individuele voorziening jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouders door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Het cjg neemt in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 3.5) de balans tussen draaglast en draagkracht mee.
Gaat het om hulp die de gebruikelijke hulp overstijgt dan zijn de ouders in eerste instantie nog steeds verantwoordelijk voor het bieden van deze bovengebruikelijke hulp. Het cjg beoordeelt of van ouders verwacht mag worden dat ze deze hulp bieden, zoals in artikel 4.1 lid 1 onder b staat weergegeven. Hierbij wordt uitgegaan van 2 situaties:
Langdurend: het gaat om chronische situaties waarbij naar verwachting de jeugdhulp langer dan drie maanden nodig zal zijn of meerdere periodes van drie maanden in één kalenderjaar. Verwacht wordt dat ouder(s)/verzorger(s) in kortdurende situaties de bovengebruikelijke hulp bieden, tenzij dit gelet op de aard van de hulp niet kan worden verwacht of de ouder(s)/verzorger(s) door (dreigende) overbelasting de hulp niet kunnen bieden.
Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouders, bij de beschikbaarheid van de ouders voor het verlenen van de hulp, bij de belasting van de ouders en bij de financiële situatie van de ouders wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. De toegang verstrekt dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Als ouders een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen individuele voorziening tot jeugdhulp.
Artikel 4.3 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
Hoofdstuk 5 individuele jeugdhulpvoorziening via een persoonsgebonden budget (Pgb)
Artikel 5.1 aanvullende criteria Pgb
De jeugdige en/of de ouder(s) vullen een Pgb-plan in. Dit Pgb-plan leveren ze samen met het (integraal) onderzoeksplan in om een Pgb aan te vragen. Het Pgb-plan geeft in elk geval antwoord op onderstaande punten:
De motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente niet passend is en een Pgb gewenst is. De Zorg in natura is de individuele voorziening die de gemeente kan bieden. Hiervoor heeft de gemeente contracten afgesloten met aanbieders. De motivering moet daarbij inzichtelijk maken bij welke gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders de jeugdige of zijn ouders zich hebben georiënteerd en waarom die aanbieders niet passend zouden zijn;
Artikel 5.2 aanvullende crite ria formele hulp
Onder formele hulp wordt hulp verstaan aan de jeugdige en/of de ouder(s) die voldoet aan de onderstaande voorwaarden:
De jeugdhulp moet worden geleverd door professionals die werken bij een organisatie met een aanbod dat past bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het Pgb krijgen. Deze organisatie staat met dit aanbod ingeschreven in het Handelsregister volgens artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007. De professionals hebben relevante diploma’s om de taken en werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren.
De jeugdhulp moet worden geleverd door professionals die als zzp’er taken en werkzaamheden uitvoeren die passen bij de hulpvraag waarvoor de jeugdige en/of de ouder(s) het Pgb krijgen. De professionals staan met deze taken en werkzaamheden ingeschreven in het Handelsregister volgens artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007. De professionals hebben relevante diploma’s om de taken en werkzaamheden die nodig zijn uit te voeren.
Artikel 5.3 Aanvullende criteria Informele hulp
Artikel 5.4 Vaststelling hoogte PGB
Het tarief waarmee het Pgb wordt berekend hangt af van de soort hulp die nodig is. We maken verschil tussen formele en informele hulp en voor zover van toepassing, de te bieden deskundigheid en/of de in de branche geldende kwaliteitseisen. De tarieven voor formele ondersteuning PGB zijn niet gelijk aan de ZIN tarieven, omdat er door de betreffende zorgaanbieders minder overheadkosten gemaakt hoeven worden dan een door gemeente gecontracteerde aanbieder. Dit betreft o.a. kosten in relatie tot de aanbesteding en bijbehorende programma van eisen, verantwoordingsrapportages en (afstemmings-)overleggen.
Als het op basis van onder a vastgestelde PGB in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen jeugdhulp te kunnen inkopen en het Pgb is bestemd voor het inkopen van een vorm van jeugdhulp die niet beschikbaar is in het door de gemeente gecontracteerde en gesubsidieerde aanbod of die vanwege de aard van de zorg uitsluitend door één specifieke aanbieder kan worden geleverd, wordt een tarief bepaald dat is afgestemd op de uit het Pgb-plan blijkende kosten voor de in te kopen jeugdhulp.
De persoon die een Pgb ontvangt, dan wel de beheerder, mag met de jeugdhulpaanbieder geen afspraak maken op basis waarvan de SVB de jeugdhulpaanbieder middels een vast maandloon uitbetaalt zonder dat de persoon die een Pgb ontvangt de factuur heeft geaccordeerd. Dit betekent dat de jeugdhulpaanbieder maandelijks een factuur met daadwerkelijk gerealiseerde uren aan de persoon die het Pgb beheert ter accordering aanbiedt.
Het budget kan niet besteed worden aan bemiddelings- en administratiekosten, kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers, kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren Pgb, reiskosten, kosten voor lidmaatschappen en cursussen, kosten voor feestdagen uitkering en een eenmalige uitkering en er is geen eenmalig vrij te besteden bedrag.
Hoofdstuk 6 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Artikel 6.1 Herziening ,intrekken, wijzigen en beëindigen
Indien het college een individuele voorziening heeft toegekend aan de jeugdige en/of de ouder(s), dan informeren de jeugdige en/of de ouder(s) het college als er iets in hun situatie verandert. Het is hun plicht om dat zo snel mogelijk te doen. Ze geven veranderingen door die ervoor kunnen zorgen dat het college een nieuw besluit moet nemen. Ze weten dat die veranderingen invloed hebben op de individuele voorziening. Of ze hadden dat moeten weten.
Trekt het college het besluit in op grond van de situatie in lid 2? Hiervoor kan het college de gemaakte kosten voor een deel of helemaal terugvorderen van de zorgaanbieder dan wel de pgb-aanbieder. Het gaat om de kosten voor de individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb waar de jeugdige en/of de ouder(s) geen recht op hadden.
Artikel 6.2 Fraudepreventie en controle
Het college zet in op fraudepreventie. Onderdeel daarvan is de wijze waarop het college jeugdigen en ouders informeert over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening ( in natura of in de vorm van een PGB) zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.
Hoofdstuk 7 Afstemming met andere domeinen
Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid
Soms gaat de jeugdhulp wel door nadat de jeugdige 18 jaar is geworden. Dat noemen we verlengde jeugdhulp. In die situatie vindt het gesprek een half jaar voor dat de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt plaats. De jeugdhulpaanbieder betrekt de jeugdige, het gezin en het cjg en/of de toegang bij (het opstellen van) het toekomstplan.
Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg
Het college draagt zorg dat wanneer de toegang een besluit neemt over de inzet van zorg die vanaf de 18e verjaardag valt onder het basispakket van de Zorgverzekeringswet en er de reële verwachting is dat deze zorg na de 18e verjaardag van de jeugdige door zal lopen, het besluit voldoet aan de eisen die daaraan gesteld worden door de zorgverzekeraars.
Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg
Ondersteuning valt niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet als een jeugdige vanwege een somatische aandoening of beperking of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap een blijvende behoefte heeft aan zorg én als de jeugdige blijvend 24 uur per dag zorg in de nabijheid of permanent toezicht nodig heeft:
Ondersteuning die gezien voorgaande in ieder geval niet onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet valt, betreft:
Als jeugdige of zijn ouder(s) weigeren mee te werken aan het verkrijgen van een besluit op basis van de Wet langdurige zorg terwijl er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de jeugdige recht heeft op zorg op grond van de Wet langdurige zorg, bijvoorbeeld bij de noodzaak tot meer dan 4 dagdelen dagbesteding, dan weigert het college een individuele voorziening op grond van de Jeugdwet.
Als een jeugdige met een besluit op basis van de Wet langdurige zorg een aanvraag indient voor behandeling voor een psychische stoornis, verleent het college een individuele voorziening jeugdhulp, mits de behandeling integraal onderdeel uitmaakt van de geboden behandeling vanuit de Wet langdurige zorg.
Artikel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Het college maakt nadere afspraken met de samenwerkingsverbanden primair en voortgezet onderwijs en met de schoolbesturen van de scholen primair, voortgezet en speciaal onderwijs over:
Het vastleggen van afspraken over de afstemming van jeugdhulpvoorzieningen, onderwijszorg, onderwijsaanbod (waaronder afwijkingen van het onderwijsprogramma, vrijstelling van onderwijsactiviteiten en afwijkingen van de minimaal verplichte onderwijstijd) en leerplicht in het onderwijsperspectiefplan (OPP);
Als een jeugdige voor het behalen van onderwijsdoelen begeleiding en/of persoonlijke verzorging nodig heeft op school in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen of psychische problemen en stoornissen, valt de ondersteuning onder de jeugdhulpplicht van de Jeugdwet. Daarbij zijn algemene voorzieningen zoals ‘Jeugdhulp op School’ voorliggend op individuele voorzieningen.
Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning
Het college draagt zorg voor een goede afstemming tussen de toegang en de Wet maat- schappelijke ondersteuning professionals en aanbieders, indien een jeugdige of zijn ouders naast jeugdhulp- voorzieningen (ook) in aanmerking komen voor voorzieningen op grond van deze verordening en op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.
Artikel 7.6 Afstemming werk en inkomen
De afstemming tussen aanspraken op een voorziening op basis van de Jeugdwet en op basis van wet- en regelgeving inzake werk en inkomen is als volgt geregeld:
Artikel 7.8 Afstemming met het justitiedomein
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Justitiële Jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4 lid 2 onderdeel b van de wet.
Het college en de Raad voor Kinderbescherming leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol dit conform artikel 3.1 lid 5 van de wet. In ieder geval wordt de wijze waarop het college en de Raad voor Kinderbescherming overleggen over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen vastgelegd, dit conform artikel 3.1 lid 6 van de wet.
Hoofstuk 8 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit
Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap
Het college stelt ingezetenen en belanghebbenden van de gemeente Alkmaar, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
Artikel 9.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Beslissing op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening Jeugdhulp Alkmaar 2024 geschiedt op grond van Verordening Jeugdhulp gemeente Alkmaar 2024, die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) worden afgeweken.
De raad van Alkmaar, 19 februari 2026 met voorzetting op 2 maart 2026
mw. drs. A.M.C.G. Schouten, burgemeester
mw. mr. V.H. Hornstra, griffier
Toelichting verordening jeugdhulp gemeente Alkmaar
In deze toelichting leest u een extra uitleg bij de artikelen in de verordening.
Wat is het doel van de verordening?
De raad van de gemeente Alkmaar geeft met deze verordening een opdracht aan het college. De opdracht is om te zorgen voor de juiste jeugdhulp in onze gemeente. In de verordening staan de regels die voor alle inwoners gelden als het gaat om jeugdhulp.
De reikwijdte van de jeugdhulpplicht in de wet vormt al enkele jaren een belangrijk onderwerp in gesprekken over de jeugdzorg. In de Hervormingsagenda Jeugd is de afspraak gemaakt dat de wetgever de wet gaat aanpassen om deze reikwijdte te verduidelijken en af te bakenen c.q. te begrenzen. Dit om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp terechtkomt bij de meest kwetsbare gezinnen of gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Het doel is om duidelijk te maken wat er wel onder de jeugdhulpplicht valt, in plaats van wat er niet onder valt. Op dit moment geldt er geen jeugdhulpplicht voor hulp die op ‘eigen kracht’ kan worden geboden of worden georganiseerd, maar deze begrippen zijn echter niet gedefinieerd in de wet. Als er vrij toegankelijke voorzieningen zijn, dan gaan deze momenteel voor op niet-vrij toegankelijke voorzieningen. De verordening voorziet in:
Hoe zit de verordening in elkaar?
De verordening begint in hoofdstuk 1 met een begrippenlijst. In hoofdstuk 2 en 3 staan de verschillende voorzieningen die er zijn. Hoofdstuk 2 gaat over voorzieningen die er zijn voor jeugdigen en/of hun ouder(s). Hoofdstuk 3 gaat over de toegang tot een individuele voorzieningen die mogelijk zijn binnen de jeugdhulp. De regels voor het proces leest u in hoofdstuk 4 en 5. De verordening sluit af met hoofdstuk 6, 7, 8 en 9. Daarin staan rechten, plichten en algemene regels.
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen
Het aantal definities van artikel 1 is beperkt aangezien de wet al flink aantal definities kent die ook bindend zijn voor deze verordening. Deze wettelijke definities zijn dan ook niet nogmaals opgenomen in de verordening . Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’ en ‘jeugdige’. In de verordening worden de begrippen overeenkomstig de Jeugdwet gebruikt.
Indien mogelijk worden ‘jeugdige’ en ‘ouder’ algemeen aangeduid als ‘jeugdige en ouder(s)’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’. Gebruik van ‘of ’impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouder(s)’bedoelen we dus:
Vrij toegankelijke en individuele voorzieningen
Een voorziening voor jeugdhulp kan een breed spectrum van verschillende soorten ondersteuning, hulp en zorg omvatten.
In de verordening is onderscheid gemaakt tussen vrij toegankelijke en individuele (niet vrij toegankelijke) voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Voor een deel van de hulpvragen zal volstaan kunnen worden met een vrij toegankelijke voorziening. Hier kunnen de jeugdige en zijn ouder(s) gebruik van maken zonder dat zij daarvoor een verwijzing of een besluit van de gemeente nodig hebben. De jeugdige en zijn ouder(s) kunnen zich voor deze jeugdhulp dus rechtstreeks tot de jeugdhulpaanbieder wenden. Een individuele voorziening zal vaak betrekking hebben op meer gespecialiseerde zorg. Voor deze niet vrij toegankelijke vormen van hulp zal eerst beoordeeld moeten worden of de jeugdige of zijn ouder(s) deze hulp daadwerkelijk nodig hebben. De gemeente bepaalt zelf welke hulp vrij toegankelijk is en welke niet. In deze verordening zijn de beschikbare vrij toegankelijke en individuele voorzieningen uitgewerkt in de artikelen 2.1 en 2.2.
Inzet van het sociaal netwerk valt in principe onder eigen kracht. Als iemand uit het sociaal netwerk vanuit de Pgb de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie omdat blijkt dat de huidige de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig. De inzet van het sociaal netwerk is aantoonbaar beter, het belang van het kind staat centraal.
Persoon uit sociaal netwerk kan zorgen voor:
(Integraal) onderzoeksplan en uitleg bij verschillende plannen in de Jeugdwet
Er zijn verschillende soorten plannen in de Jeugdwet. Wij leggen de belangrijkste plannen kort uit.
In dit plan staat wat de hulpvraag is. Het gaat om afspraken over andere dingen die spelen in het gezin. Bijvoorbeeld de hulpvraag van een broertje of zusje of problemen met schulden. Het (integraal)onderzoeksplan is een samenvatting van de gesprekken die zijn gevoerd om te bepalen wat de meeste passende hulp is . Er zijn verschillende personen bij die gesprekken geweest:
In dit plan staat wat de jeugdige en de ouder(s) zelf kunnen doen om de hulpvraag te beantwoorden. Eventueel samen met hun sociale netwerk. De jeugdige en/of de ouder(s) maken dit plan zelf. In het familiegroepsplan staat welke problemen de jeugdige of het gezin heeft, welke hulp nodig is, en wie die hulp geeft. Ouders, familieleden, vrienden of andere direct betrokkenen kunnen een familiegroepsplan maken. Op deze manier kunnen zij meedenken en helpen aan een oplossing en wordt dus geput uit de eigen kracht. Vervolgens bespreken ze het plan met het cjg. Hulpverleners kunnen wel informatie inbrengen voor het familiegroepsplan en voorwaarden voor veiligheid stellen.
Het cjg ondersteunt bij of maakt een perspectiefplan waarin doelen worden geformuleerd en waarin wordt afgestemd wie wat wanneer doet en levert. De vraag van de jeugdige(en gezin) staat centraal: wat is er nodig om weer (zo) zelfstandig (mogelijk) verder te kunnen na het 18e levensjaar? De jeugdige krijgt altijd de mogelijkheid om hiervoor een onafhankelijk voorzitter in te schakelen (bijvoorbeeld via de onafhankelijke clientondersteuning ). Daarbij wordt tevens de vraag gesteld of het eigen netwerk, de buurt, een ervaringsdeskundige jongere, ouders, mantelzorgers, onafhankelijke cliëntondersteuners kunnen bijdragen in de ondersteuning. In het perspectiefplan worden de resultaten omschreven die de jeugdige wil bereiken.
Hoofdstuk 2 Vormen van jeugdhulp
Artikel 2.1 Sociale basis voor jeugdigen
Binnen de sociale basis in onze gemeente zijn er ook activiteiten voor jeugdigen. De activiteiten vanuit de sociale basis bestaan uit wat inwoners met en voor elkaar doen. Maar ook uit de (sociale) basisvoorzieningen ofwel vrij toegankelijke voorzieningen vanuit organisaties. Sociale basisvoorzieningen ofwel vrij toegankelijke voorzieningen hebben te maken met alle onderdelen van het dagelijks leven: ontmoeting, onderwijs, opvoeding, werk, gezondheid, wonen, bewegen, cultuur en veiligheid. Het aanbod is gericht op preventie, het versterken van zelfredzaamheid en samenredzaamheid en het ontplooien van talent.
Deze sociale basis is er voor alle jeugdigen. Toch is het voor sommige jeugdigen moeilijker om mee te komen. Omdat ze weinig beschermende en stimulerende factoren in hun directe omgeving hebben. Zo krijgen ze bijvoorbeeld geen aanmoediging om hun talent te ontwikkelen. Of ze groeien op in een ongezonde omgeving. Vanuit de gemeente hebben wij extra aandacht voor deze doelgroepen:
Met risicojongeren bedoelen we jongeren die meer dan 1 probleem hebben. Die problemen hebben vaak met elkaar te maken en versterken elkaar. Door de problemen is het risico groot dat de jongere niet meer mee kan doen in de samenleving of terechtkomt in de criminaliteit.
Inzet gericht op gelijke kansen voor de jeugd spitst zich niet toe op één enkel doel, zoals gezondheid, maar richt zich vaak op meerdere doelen tegelijk. De inzet vanuit de sociale basis op jeugd is gericht op onder meer:
Artikel 2.2 Beschikbare vrij toegankelijke jeugdhulpvoorzieningen
Dit artikel regelt de jeugdhulpvoorzieningen die vrij toegankelijk zijn, zoals:
Jeugdigen/ ouder(s) uit de gemeente Alkmaar kunnen hier gebruik van maken zonder dat hiervoor een toegangsbeslissing van de toegang of verwijzing van een (huis)arts noodzakelijk is.
Soms is het aanbod wel speciaal bedoeld voor een bepaalde doelgroep ( o.a. BSO+). De jeugdige of zijn ouder(s) die tot de doelgroep van de voorziening behoort, kan er meestal meteen, of na verwijzing door bijv. het CJG, toegang, school of huisarts, gebruik van maken.
Veel jeugdigen en ouder(s) komen met een hulpvraag eerst bij het cjg. Daarom is het belangrijk dat het cjg goed weet wat de vraag precies is. Waar hebben de jeugdige en/of de ouder(s) behoefte aan? Het cjg probeert een duidelijk antwoord te krijgen op deze vraag. Door verschillende vragen te stellen over de hulpvraag.
Als het nodig is, kan het cjg ook advies geven bij de hulpvraag. Het cjg geeft informatie en advies bij o.a. deze onderwerpen:
Er zijn nog meer organisaties die dat doen. Het cjg werkt met deze organisaties samen.
Alle inwoners kunnen een cliëntondersteuner vragen om gratis hulp. Een cliëntondersteuner kan bijvoorbeeld meegaan naar een gesprek. De cliëntondersteuner helpt de jeugdige en/of de ouder(s) om hulp te organiseren. De cliëntondersteuner geeft ook informatie en advies. Het gaat om hulp bij 1 van deze onderwerpen: zorg en ondersteuning; opvoeden en opgroeien ;onderwijs; welzijn; wonen; werk en inkomen; financiële problemen. Heel belangrijk is dat de cliëntondersteuner onafhankelijk is. Dit betekent dat hij of zij niet bij de gemeente of bij een zorgorganisatie in dienst is.
Artikel 2.3 Centrum voor jeugd en gezin (cjg) en toegang
Het Centrum Jeugd en Gezin(cjg) is de plek waar ouders/verzorgers, kinderen, jongeren tot 23 jaar en professionals terecht kunnen met al hun vragen over opvoeden en opgroeien. Samen kijken ze wat er aan de hand is en welke hulp het beste past bij de situatie van het kind of het gezin. Cjg kan ouders ondersteunen bij het opstellen van een (integraal) onderzoeksplan, maar ook wijzen op de mogelijkheid om zelf, of met ondersteuning van derden, een familiegroepsplan op te stellen. Ze proberen altijd een totaalbeeld te krijgen, zodat de hulp goed op elkaar is afgestemd. Tijdens het gesprek met een medewerker van het team is aandacht voor de diverse omstandigheden waar een jeugdige en daarmee het gezin zich in bevindt. De ondersteuning van het team kan bestaan uit het verhelderen van de hulpvraag op alle leefgebieden, advisering door de toegang over de beschikbare vormen van jeugdhulp en deze inzetten en hulp op andere leefgebieden inzetten. Het cjg is dichtbij huis en vrij toegankelijk.
Soms zijn er zorgen over de veiligheid van kinderen in een gezin. Bijvoorbeeld als er sprake is van:
of meerdere problemen tegelijk. In zulke situaties kan het cjg samenwerken met : VeiligThuis, de Raad voor de Kinderbescherming , de jeugdbescherming ( Gecertificeerde Instelling). Samen wordt besloten wie de beste hulp kan geven. Doel: De situatie in het gezin verbeteren, zodat kinderen veilig kunnen opgroeien en zwaardere maatregelen (zoals een ondertoezichtstelling) niet nodig zijn
Voor meer informatie over wat het Centrum Jeugd en Gezin doet kunt u terecht op de website van de gemeente Alkmaar. De jeugdgezondheidszorg zoals die in Alkmaar uitgevoerd wordt door de GGD NHN, maakt integraal onderdeel uit van de cjg.
Opstellen (integraal) onderzoeksplan
Het cjg ondersteunt bij of maakt een (integraal) onderzoeksplan waarin doelen worden geformuleerd De vraag van het gezin staat centraal: wat is er nodig om weer (zo) zelfstandig (mogelijk) verder te kunnen? Het gezin krijgt altijd de mogelijkheid om hiervoor een onafhankelijk clientondersteuning in te schakelen. Daarbij wordt tevens de vraag gesteld of het eigen netwerk, de buurt, een ervaringsdeskundige jongere, ouders, mantelzorgers, onafhankelijke cliëntondersteuners kunnen bijdragen in de ondersteuning. In het (integraal) onderzoeksplan worden de doelresultaten omschreven die het gezin wil bereiken. Op basis van de doelen in dit plan kan passende gecontracteerde specialistische jeugdhulp door de toegang worden gezocht en ingezet. De toegang zet alleen jeugdhulp in die inhoudelijk én financieel effectief wordt geacht (rendement) en geeft een herindicatie af indien nodig.
Regiehulp is een lastig begrip in de hulpverlening. Het is volgen hoe ingezette (specialistische) hulp bijdraagt aan de gestelde doelen. De regie ligt allereerst bij de jeugdige en zijn ouders zelf. Daarnaast zal de verantwoordelijkheid voor regie in de regel bij de hulpverlener liggen die het meest intensief bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouders betrokken is. Als er sprake is van aanvullende jeugdhulp heeft de jeugdhulpaanbieder in de regel deze taak. In bepaalde gevallen (bijvoorbeeld wanneer naast jeugdhulp ook veel andere zorg geboden wordt) kan het cjg de regie (tijdelijk) op zich te nemen. Cjg neemt hierin het initiatief om samen met jeugdige en/of gezin en de aanbieder te bespreken of de inzet adequaat, proportioneel en gericht is op het leren omgaan met de problematiek en stemt hierover af met de toegang. Het gaat hier onder meer om het ontwikkelperspectief van de jeugdige. Het kan zijn dat de vooruitgang van de jeugdige niet meer in verhouding staat tot de specialistische zorg. Samen met ouders en/of jeugdige wordt dan gekeken naar andere, mogelijk lichtere vormen van ondersteuning.
Artikel 2.4 Advies-en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (VT)
Er is het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling Veilig Thuis Noord-Holland Noord. Zij geven advies en zo nodig passende ondersteuning bij huiselijk geweld en kindermishandeling aan inwoners en professionals. Wat doet Veilig Thuis?
Veilig Thuis Noord-Holland Noord is 24 uur per dag bereikbaar via telefoonnummer 0800-2000 en via de website www.veiligthuisnhn.nl kan op werkdagen tussen 9.00 en 17.00 uur gechat worden met medewerkers.
Artikel 2.5 Individuele jeugdhulpvoorzieningen
Soms is de ondersteuning of begeleiding vanuit een algemene voorziening niet genoeg. Dan kan een jeugdige en/of de ouder(s) misschien gebruikmaken van een individuele voorziening. Voor de toegang tot een individuele voorziening is een voorafgaand, diepgaand onderzoek nodig naar behoeften en kenmerken. De toegang tot een individuele voorziening is geregeld in hoofdstuk 3 . Individuele jeugdhulp wordt gezien als aanvullend op het vrij toegankelijke aanbod aan preventie en jeugdhulp zoals omschreven in artikel 2.1 en 2.2.
Ook is het mogelijk dat iemand een aanvraag indient voor een individuele voorziening en het cjg vervolgens na het onderzoek tot de conclusie komt dat er een vrij toegankelijke voorziening aanwezig is die passend is. Dan kan het cjg daarnaar verwijzen en kan de toegang de aanvraag voor de individuele voorziening dus afwijzen. Zie dit ook in verband met hoofdstuk 3 van deze verordening.
De professional vanuit het cjg kan betrokken blijven bij de ondersteuning van de jeugdige en zijn ouder(s). Jeugdhulp wordt in de regel dichtbij geboden, in de directe leefomgeving van de jeugdige en zijn ouder(s), als in: in de thuissituatie, op het kinderdagverblijf, de school, de locatie van de jeugdhulpaanbieder of op enige andere locatie.
Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt dat de gemeenteraad, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 2.9, van de wet, in de verordening (in samenhang met de wetgeving) kan sturen op duur, omvang en frequentie van individuele voorzieningen (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 148 en Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 10, p. 40). In dit artikel wordt daarom bij bepaalde individuele voorzieningen op collectief niveau op deze elementen gestuurd. Het college heeft de afspraken die zij maakt met jeugdhulpaanbieders in het kader van de inkoop- en subsidierelatie overgenomen in de bijlage bij deze verordening. Het feit dat deze omvang in beginsel wordt aangehouden, maakt dat in zeer bijzondere individuele situaties van de in de verordening bepaalde omvang kan worden afgeweken.
Artikel 2.6 Vervoersvoorziening
Dit artikel gaat in op de voorwaarden voor een vervoersvoorziening. Het vraagstuk vervoer staat centraal, waarbij er wordt gekeken naar een oplossing die aansluit op de ondersteuningsbehoefte van de aanvrager.
Het jeugdhulpvervoer wordt conform artikel 2.3, tweede lid Jeugdwet gezien als jeugdhulp. Het criterium van medische noodzaak, zoals dit in de AWBZ gold, is hierbij aangevuld met het criterium van (gebrek aan) zelfredzaamheid, nu dit ook één van de criteria is voor het ontvangen van jeugdhulp. Zoals bij iedere vorm van jeugdhulp het geval is, hoeft er geen hulp te worden ingezet als de jeugdige of zijn ouder(s) dit, eventueel met behulp van het sociaal netwerk, zelf kunnen regelen.
Het staat de gemeente vrij om het jeugdhulpvervoer naar eigen inzicht te organiseren, ‘naar het oordeel van het college.’ Vervoer naar een jeugdhulpaanbieder wordt ingezet als dit de beste manier is om de aanvrager te ondersteunen vanwege een beperking in de zelfredzaamheid. In het tweede lid staan twee criteria waaronder het college een vervoersvoorziening toekent. In het tweede lid is geregeld dat bij het bepalen of een vervoersvoorziening nodig is ook wordt gekeken naar de eigen mogelijkheden van de jeugdige en zijn ouder(s) om het vervoer zelf te verzorgen of te laten verzorgen. Daarbij worden de (financiële) draagkracht en belastbaarheid(draaglast) van de ouder(s) en de mogelijkheden en bereidheid van het sociaal netwerk meegewogen (derde lid).
Op basis van geldende rechtspraak mag van ouder(s) in principe worden verwacht dat ze hun kind zelf vervoeren, ook als dergelijk vervoer meer van hen verlangt dan dat er in de regel van ouder(s) verwacht mag worden (boven gebruikelijke hulp). Als de ouder(s) de jeugdige zelf kunnen vervoeren naar de jeugdhulpaanbieder, is er sprake van eigen kracht. De gemeente hoeft dan geen vervoersvoorziening toe te kennen. De Rechtbank Oost-Brabant heeft op 3 november 2021 (ECLI:NL:RBOBR:2021:5719) uitgesproken dat de gemeente de financiële draagkracht van de ouder(s) in positieve zin mag meewegen bij het besluit. Dit betekent dat een vervoersvoorziening wel kan worden toegekend als de ouder(s) om financiële redenen de kosten van het vervoer niet kunnen betalen.
In het vijfde lid zijn de verschillende vervoersvoorzieningen opgesomd. Een vervoersvoorziening kan worden gecombineerd met een training ‘zelfstandig leren reizen’ (zesde lid). Het vergroten van de zelfstandigheid en zelfredzaamheid is een belangrijk uitgangspunt. De noodzaak van een vervoervoorziening wordt opgenomen in het (integraal) onderzoeksplan (negende lid). Uit het onderzoek moet dus wel blijken dat dit voor de jeugdige nodig is om aan de jeugdwetdoelen te voldoen (artikel 2.3 Jeugdwet). Ook moeten de ouder(s) en/of jeugdige (afhankelijk van de leeftijd) wel toestemming geven voor het verlenen van deze begeleiding.
Per 1 januari 2024 is een nieuw artikel 5a.1 in de Regeling Jeugdwet gekomen. Hierin staat de verplichting voor een jeugdhulpaanbieder om een jeugdige die ten minste 1 maand voltijds in een accommodatie verblijft zak- en/of kleedgeld te verstrekken. Deze verplichting geldt alleen als de ouder(s) niet voldoen aan hun onderhoudsplicht. Een jeugdige van 6 tot 12 jaar krijgt alleen zakgeld en een jeugdige van 12 jaar of ouder krijgt zak- en kleedgeld.
Op grond van het Burgerlijk Wetboek (art. 1:392) zijn ouder(s) primair verantwoordelijk voor het levensonderhoud van hun kinderen, ook wanneer het kind met een ondertoezichtstelling of voogdijmaatregel in een residentiële inrichting verblijft. De regeling geldt ook in geval van verlengde jeugdhulp met verblijf, maar is niet van toepassing op pleegzorg. In de praktijk komt het voor dat bepaalde kosten voor het levensonderhoud van een kind niet betaald worden door of verhaald kunnen worden op de ouder(s) en ook niet uit een andere regeling vergoed kunnen worden, maar waarbij het wel in het belang van de jeugdige is dat deze kosten gemaakt worden. Dit betreft o.a. de volgende situaties:
Bijlage 1a is toegevoegd aan de Regeling Jeugdwet, waarin de bedragen voor zak- en kleedgeld zijn opgenomen.
Hoofdstuk 3 Toegang tot een individuele voorziening
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via het medisch domein
In artikel 2.6, eerste lid, onderdeel e, van de Jeugdwet is geregeld dat, naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp, ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp blijft bestaan. Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige zich rechtstreeks melden bij de jeugdhulpaanbieder.
De Jeugdwet regelt daarnaast dat de jeugdhulp toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts en de medisch specialist. Na een dergelijke verwijzing staat meestal nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een jeugdige of zijn ouder precies nodig heeft. Een jeugdige kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieder die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder zelf zijn die op basis van zijn professionele autonomie beoordeelt welke voorziening precies nodig is (de behandelvorm), hoe vaak iemand moet komen (de omvang) en hoe lang (de duur). Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contractrelatie. Deze afspraken zien toe op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Ook is de jeugdhulpaanbieder gehouden aan hetgeen volgt uit deze verordening (zie Kamerstukken II, 33684, nr. 3, p. 148). Dit betekent concreet dat de jeugdhulpaanbieder gebonden is aan de voorwaarden van artikel 3.5 tweede lid . De jeugdhulpaanbieder zal bij het beoordelen van de vorm van jeugdhulp rekening moeten houden met een voorziening die een passende bijdrage levert aan de in dat artikel genoemde doelen.
De huisarts, medisch specialist en jeugdarts kunnen niet verwijzen naar jeugdhulp in Pgb; Alleen de gemeente is bevoegd om te oordelen over de inzet van een Pgb (artikel 8.1.1 Jeugdwet). Daarnaast is conform de Memorie van Toelichting op de Jeugdwet jeugdhulp alleen direct toegankelijk als deze verwijzing naar een jeugdhulpaanbieder wordt gedaan waar het college een subsidie- of contractrelatie mee heeft.
Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via justitieel kader
Een andere ingang tot de jeugdhulp is via de gecertificeerde instelling, de kinderrechter (strafrechtelijke beslissing), het openbaar ministerie en de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting. De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening, behoudens het bepaalde in artikel 7.7 en 7.8.
Hiervoor verstrekt het college geen beschikking.
Artikel 3.3 Toegang jeugdhulp via de gemeente, indienen hulpvraag
Artikel 2.3 Jeugdwet regelt de toegang via de gemeente. Het college van burgemeester en wethouder(s) is het bevoegde bestuursorgaan tot het bepalen van jeugdhulp voor de jeugdige of zijn ouder(s). In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet zelf uitvoeren, maar daartoe het cjg/toegang machtigen. Ook op andere plaatsen in deze verordening en in de wet waar staat ‘het college’, kan toegang/cjg worden gelezen. Het cjg en/of toegang verzorgt namelijk de route naar jeugdhulp via de gemeente.
Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen, betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het cjg is (mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren een of meer gesprekken (zie artikel 3.5). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276).
Voor het verkrijgen van een individuele voorziening, geldt de in hoofdstuk 3 beschreven procedure. Bij het onderzoek ter beoordeling van een ingediende hulpvraag zal, zoals beschreven in artikel 3.5, in een gesprek met de jeugdige en zijn ouder(s) de gehele situatie worden bekeken en kan bijvoorbeeld alsnog worden verwezen naar een vrij toegankelijke of andere voorziening in plaats van, of naast, mogelijke toekenning van een individuele voorziening.
Eerste lid: het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp van de jeugdige of zijn ouder(s) die hun woonplaats hebben in de gemeente. Op 1 januari 2022 is het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet veranderd. Het woonplaatsbeginsel is een hulpmiddel om te bepalen welke gemeente verantwoordelijk is voor de jeugdhulp aan een jeugdige. In de nieuwe definitie ligt de verantwoordelijkheid bij de gemeente waar de jeugdige zijn woonadres heeft volgens de Basisregistratie Personen (de BRP). Deze definitie is van toepassing voor jeugdhulp zonder verblijf. Bij jeugdhulp met verblijf is de woonplaats: de gemeente waar de jeugdige onmiddellijk voorafgaande aan zijn verblijf zijn woonadres had in de zin van de Wet basisregistratie personen. De gemeente waar de jeugdige vandaan komt, blijft dus verantwoordelijk voor de jeugdige en voor de kosten van de jeugdhulp voor deze jeugdige.
Jeugdigen of ouder(s) kunnen een aanvraag jeugdhulp mondeling, schriftelijk of telefonisch indienen. In de Jeugdwet zelf zijn geen termijnen opgenomen voor de periode van onderzoek of het nemen van een besluit op een aanvraag jeugdhulp. Dit betekent dat de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, daarbij geldt een redelijke termijn (dat wil zeggen: acht weken) voor het nemen van een besluit op een aanvraag. Deze termijn start bij het eerste contact over de aanvraag. De ervaring leert dat het onderzoek bij jeugd vaak meer tijd vraagt, zeker bij multi-problematiek. Dit wil overigens niet zeggen dat er in die periode geen ondersteuning kan worden geboden aan de jeugdige en/of ouder(s). AAls er meer tijd nodig is voor het onderzoek, zal dit in goed overleg met de jeugdige en ouder(s) gebeuren. De beslistermijn kan eenmalig zonder toestemming van de aanvrager met 8 weken verlengd kan worden (artikel 4:14 Awb). De beslistermijn kan langer worden opgeschort als de aanvrager daar schriftelijk mee instemt of in afwachting van ontbrekende stukken (artikel 4:15 Awb)
Artikel 3.4 Vooronderzoek bij toegang jeugdhulp via het cjg en toegang van de gemeente
Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en te zorgen dat jeugdigen en hun ouder(s) goed worden geïnformeerd.
lid 2 dient ter voorbereiding van het gesprek waarbij voor het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag relevante bekende gegevens in kaart worden gebracht, zodat cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Ook hierdoor is een goede afstemming nodig met eventuele andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
De regels met betrekking tot de privacy van betrokkenen en gegevensuitwisseling die gelden op grond van de Jeugdwet en de AVG zijn hierop van overeenkomstige toepassing. Indien gegevens nodig zijn waartoe het college geen toegang heeft in verband met de privacyregels, kan het college de jeugdige of zijn ouder(s) vragen om toestemming om deze op te vragen of in te zien. Overigens is het vragen van toestemming niet nodig zodra de verwerking van gegevens ‘binnen één wet blijft’. Het cjg heeft de bevoegdheid om in het kader van het jeugdhulponderzoek zonder toestemming van de jeugdige/ouder(s) gegevens te verwerken die in het kader van het jeugdhulponderzoek verkregen zijn. Op basis van de Jeugdwet biedt artikel 7.4.0. Jeugdwet in bepaalde gevallen een wettelijke grondslag voor gegevensuitwisseling.
Het vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de aanvraag meer of minder uitgebreid zijn en omvat ook de uitnodiging voor het gesprek.
Derde lid: bij de vaststelling van de datum, het tijdstip en de locatie voor het gesprek (eerste lid) kunnen ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de jeugdige of zijn ouder(s) worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen. Tevens kan worden beoordeeld of sprake is van een voorliggende voorziening en/of het college op grond van artikel 1.2 van de wet al dan niet is gehouden om een voorziening op basis van deze wet te treffen.
In het vierde lid is bepaald dat het college de identiteit van de jeugdige en zijn ouder(s) vaststelt aan de hand van het BSN. Het vaststellen van de identiteit van de jeugdige is verplicht. Dat staat in artikel 7.2.2. van de wet. Dit moet gebeuren op basis van de BSN-controle. Artikel 7.2 van de wet regelt daarmee meteen dat het BSN gebruikt mag worden.
Artikel 7.2.3 2a van de wet regelt dat als een eerdere medewerker in de keten de identiteit al heeft vastgesteld, de volgende het in principe niet nog een keer hoeft te doen.
Artikel 7.2.3 2b van de wet regelt dat de identiteit kan worden gecontroleerd door de BSN in de BRP te controleren.
In het vijfde lid is bepaald dat het cjg de jeugdige en zijn ouder(s) wijst en uitleg geeft over de mogelijkheid om hulp te krijgen van een vertrouwenspersoon of cliëntondersteuner. Deze mensen helpen gratis en zijn onafhankelijk.
Het zesde lid Jeugdigen en hun ouder(s) krijgen de kans om een familiegroepsplan te maken. Dit is geregeld in de Jeugdwet. De jeugdhulpaanbieder moet jeugdigen en hun ouder(s) deze kans geven (artikel 4.1.2 van de Jeugdwet). Wij kiezen ervoor om jeugdigen en hun ouder(s) al eerder hierover te informeren. Dat biedt namelijk de kans om de informatie op te nemen in het (integraal) onderzoeksplan. Vaak maken jeugdigen en hun ouder(s) het familiegroepsplan samen met familie, vrienden en andere personen uit hun sociale netwerk. In het familiegroepsplan staat wat elke partij zelf kan doen om de situatie te verbeteren. Het is dus niet zo dat op basis van het familiegroepsplan alleen besloten wordt tot de inzet van specialistische jeugdhulp.
In sommige situaties kan iemand anders beoordelen of specialistische jeugdhulp nodig is:
Als de gemeente al een dossier heeft van de jeugdige of zijn ouder(s) , en de jeugdige of zijn ouder(s) geven toestemming om dit dossier te gebruiken dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) kan afzien van een gesprek. Een gesprek over de acute hulpvraag is dan in de regel wel nodig. Indien de hulpvraag ook al bekend is, en het bijvoorbeeld over een vervolgvraag gaat, dan kan in overleg met de jeugdige of zijn ouder(s) van het gesprek worden afgezien.
Artikel 3.5 Het gesprek en onderzoek voor een beoordeling
We hebben er bewust voor gekozen om niet vast te leggen hoe het gesprek gevoerd wordt. Dat zou de jeugdige, de ouder(s) én de professionals te veel beperken. In de verordening ligt alleen vast wat de onderwerpen van gesprek moeten zijn. Uiteraard gelden bij de gesprekken de eisen van de Jeugdwet en het Besluit Jeugdwet. Ook voeren de professionals de gesprekken volgens de professionele standaarden. Die heeft de beroepsgroep zelf opgesteld.
Om de juiste hulp te kunnen inzetten en een zorgvuldig besluit te kunnen nemen, is het van belang dat alle feiten en omstandigheden van de hulpvraag worden onderzocht. In dit artikel wordt benadrukt dat een gesprek deel uitmaakt van het onderzoek en dat de omgeving van de jeugdige daar zo veel mogelijk bij betrokken wordt. Uitgangspunt is dat persoonlijk contact tussen de gemeente en de jeugdige en/of zijn ouder(s) plaatsvindt.
De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft een stappenplan opgesteld om te borgen dat het onderzoek zorgvuldig wordt uitgevoerd:
Stel vervolgens vast welke problemen er zijn en breng deze in kaart,
Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stel daarna vast welke hulp nodig is en in welke mate die nodig is,
De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren.
Stel tot slot vast welk aandeel de ouder(s) of het sociale netwerk in de hulp kunnen hebben.
Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul.
Het vierde punt gaat over de ‘de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen’ van jeugdigen en ouder(s) (zie artikel 2.3 Jeugdwet). Kort gezegd: eigen kracht. Als vastgesteld is dat de ouder(s) of het sociale netwerk niet zelf de hulp kunnen bieden, moet de gemeente een daarbij passende voorziening voor jeugdhulp toekennen. de beoordeling van ‘eigen kracht’ staat verder uitgewerkt in artikel 4.2.
De CRvB geeft helaas geen concrete aanwijzingen over hoe gemeenten de beoordeling van eigen kracht moeten doen. Wel zegt de CRvB dat het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp onderdeel uitmaakt van de beoordeling van eigen kracht. Hoe en aan de hand waarvan de gemeente dit in een individuele situatie beoordeelt moet inzichtelijk zijn voor de hulpvrager. Dit kan verder in de Nadere regels worden uitgewerkt.
Lid 2 omvat de onderdelen a. tot en met e. welke de onderwerpen zijn die in ieder geval aan de orde komen in het onderzoek. Indien de jeugdige of zijn ouder(s) al bij de gemeente bekend zijn, zullen een aantal zaken niet meer uitgediept hoeven te worden en zal bijvoorbeeld alleen kunnen worden gevraagd of er nog nieuwe ontwikkelingen zijn. Komen een jeugdige of zijn ouder(s) voor het eerst bij de gemeente, dan zal het gesprek dienen om een totaalbeeld van de jeugdige of zijn ouder(s) en hun situatie te krijgen.
Als een inwoner een vraag of probleem heeft, kan hij of zij op verschillende plekken hulp krijgen. Het risico daarvan is dat hulpverleners dan niet goed van elkaar weten wat ze doen. Daarom kiezen we in onze gemeente voor integrale hulp en ondersteuning. Dit betekent bijvoorbeeld dat er 1 plan komt voor iemand met meer dan 1 probleem op verschillende leefgebieden en over verschillende domeinen( participatie, wonen, onderwijs, financiën). In het plan kijken we dan hoe de hulp voor de verschillende problemen bij elkaar kan passen. Ons uitgangspunt is: 1 gezin, 1 plan, 1 regisseur( ondersteuningsplan). Uit het plan moet blijken welke doelen er zijn gesteld, hoe die gerealiseerd gaan worden en welke bijdragen daarin van alle partijen verwacht worden. Ook de onderzoeksvragen moeten terugkomen in het ondersteuningsplan. Het besluit over specialistische jeugdhulp volgt uit het ondersteuningsplan.
Het cjg voert deze taak samen met verschillende medewerkers vanuit het sociaal domein uit om de problemen aan te pakken, zie artikel 2.3.
Soms zijn de hulpvraag of problemen ingewikkeld. Het kan dan handig zijn om 1 of meer externe deskundigen in te schakelen. Wanneer dat de enige mogelijkheid is om een zorgvuldig onderzoek naar de aanvraag te doen, is het zelfs in zekere zin verplicht.
Het is bij de adviesaanvraag van belang dat hierbij een heldere vraag of afgebakende opdracht wordt verstrekt, zodat duidelijk is voor de jeugdige of ouder(s) en de adviseur welk aanvullend onderzoek nog nodig is.
Lid 3 stelt dat uit het gesprek tussen de jeugdige en zijn ouder(s) en de hulpverlener naar voren kan komen dat er al professionals vanuit andere domeinen betrokken zijn. In dat geval kan het cjg ervoor kiezen informatie op te vragen namens en met instemming van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Ook kan ervoor gekozen worden dat gezamenlijk het gesprek aangegaan wordt met deze andere professionals of kan de jeugdige of ouder zelf voor de nodige informatie uit deze domeinen zorgen.
Lid 4 en lid 5. Van het gesprek tussen de jeugdige en/of ouder(s) en een professional van het cjg over de jeugdhulpvraag wordt een (integraal) onderzoeksplan gemaakt.
De verdere inhoud van het (integraal) onderzoeksplan staat in de verordening niet tot in detail beschreven. Regionaal maken gemeenten en de aanbieders samen afspraken over de vorm en de inhoud van het (integraal) onderzoeksplan.
Het college heeft de ruimte nadere regels te maken over de inhoud van het onderzoek en de daarbij te volgen werkwijze.
Artikel 3.6 (integraal) Onderzoeksplan
Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure. De inhoud van het (integraal) onderzoeksplan is in de verordening niet in detail beschreven. Wel dát de uitkomsten van het gesprek altijd in het (integraal) onderzoeksplan vastgelegd worden. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het (integraal) onderzoeksplan toe te voegen, voordat de toegang dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming.
Het is belangrijk dat de jeugdhulpaanbieder weet wat de gezinssituatie is. Ook moet de aanbieder weten van de afspraken en de gestelde doelen die in het onderzoeksplan staan. De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk dat de aanbieder deze informatie krijgt. Het cjg of de toegang kan dit ook doen als dat nodig is.
Hoofdstuk 4 Behandeling aanvraag individuele jeugdhulpvoorziening
Artikel 4.1 Criteria en afwegingsfactoren bij de toekenning
In artikel 2.9 onderdeel a van de Jeugdwet is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening moet aangeven wat de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening zijn. In dit artikel is ter uitwerking van deze verplichting een kader gegeven.
Belangrijk is dat eerst de problematiek in kaart wordt gebracht en is vastgesteld welke hulp gelet op deze problematiek passend is om aan de jeugdwetdoelen te voldoen. Het uitgangspunt is dat we kijken wat de jeugdige en/of de ouder(s) zelf kunnen doen. Samen met hun sociale netwerk. Daarna kijken we welke vrij toegankelijke voorzieningen er zijn waar ze gebruik van kunnen maken. Is er daarmee niet genoeg om de hulpvraag te beantwoorden? Dan kijken we naar een individuele voorziening. Dit is een van de belangrijkste uitgangspunten van de Jeugdwet: het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun omgeving (artikel 2.1 onderdeel d van de Jeugdwet).
In het eerste lid onder d is bepaald dat de inzet van een individuele voorziening een laatste vangnet vormt. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.
Onder lid e wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken. Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. Onder lid 1e wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen bieden het cjg en de toegang ruimte om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.
Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest de toegang de goedkoopst adequate voorziening ( lid 2). Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Dit betekent ook dat als de voorziening in de vorm van pgb verstrekt wordt, het pgb-bedrag gebaseerd wordt op de goedkoopst passende voorziening.
De jeugdige en/of de ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk om zich op tijd bij de gemeente (cjg) te melden. Doen zij dat later? Dan kan de toegang toch een individuele voorziening toekennen. Daar gelden een aantal voorwaarden bij:
In het vijfde lid is bepaald dat de individuele voorziening in de vorm van Zorg in natura of een Pgb kan worden verstrekt.
Artikel 4.2 Beoordeling (boven)gebruikelijke hulp en eigen kracht
Dit artikel geeft uitleg van wanneer er sprake is van eigen kracht en biedt een duidelijker (afwegings)kader voor het cjg om afwegingen te maken voor de benodigde jeugdhulp.
Artikel 2.3 van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er met eigen mogelijkheden niet uitkomen. De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet het college hulp bieden.
De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen. Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362).
Eigen kracht’ kan verschillende zaken inhouden, zoals:
Nadat de noodzakelijke hulp voor het gezin in kaart is gebracht door het cjg, moet worden onderzocht of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden. Dit wordt vermeld in het (integraal) onderzoeksplan. Van ouder(s)/verzorgers wordt verwacht dat zij ondersteunen bij de activiteiten die de jeugdige niet kan uitvoeren. Hulp en ondersteuning kan worden ingezet wanneer dit de eigen draagkracht overstijgt.
Eigen kracht van ouder(s) is leidend. Wanneer er problemen zijn in het voldoende kunnen ondersteunen en begeleiden van de jeugdigen, wordt onderzocht of het gezin dit tekort op eigen kracht, dat wil zeggen zonder een (jeugdhulp)voorziening, aan kan. Bij voldoende eigen kracht wordt geen individuele jeugdhulpvoorziening afgegeven; ook niet in de vorm van een Pgb.
De begrippen "draagkracht" en "draaglast" sluiten beter aan bij de geest van de Jeugdwet en benadrukken het uitgangspunt van normaliseren. Het geeft een kader voor vragen als: wat kan er van opvoeders zelf verwacht worden en wanneer overstijgt dit de “normale” opvoeding?
Het cjg onderzoekt en beoordeeld wanneer er sprake is van gebruikelijke hulp en wanneer van bovengebruikelijke hulp. Maar ook in welke situaties er toch sprake is van onvoldoende eigen kracht, ook al er is er in principe sprake van gebruikelijke hulp (dat is het geval als draagkracht en draaglast niet in balans zijn). Ook kan juist de omgekeerde situatie aan de orde zijn dat er in principe sprake is van bovengebruikelijke hulp, maar doordat de draagkracht en draaglast in balans zijn, er toch voldoende eigen kracht is. De draagkracht en draaglast is dus een onderdeel bij het bepalen van de eigen kracht. Deze begrippen en het afwegingskader worden in de nadere regels nader ingevuld.
Artikel 4.3 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening
Bij het al dan niet toekennen van jeugdhulp, of het tussentijds wijzigen van de rechten en plichten rondom een jeugdhulpvoorziening, zal het college een schriftelijke beschikking afgeven. Hiertegen kan de Jeugdige of zijn ouder(s) bezwaar en beroep indienen.
De jeugdige of zijn ouder(s) moeten met de beschikking de informatie krijgen die nodig is om hun rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de jeugdige of zijn ouder(s) goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.
Artikel 4.4 Verlenging en her indicering
Soms krijgt een jeugdige voor een lange tijd specialistische jeugdhulp. Bijvoorbeeld als hij of zij een ernstige beperking heeft. De toegang beoordeelt dan namens het college of de specialistische jeugdhulp door moet gaan. Die beoordeling vindt plaats als sprake is van verlenging. Wanneer procesregie gevoerd wordt vindt de beoordeling plaats tijdens de 1 gezin 1 plan ( ondersteuningsplan) overleggen.
Om tijdige voortzetting van de hulpverlening na afloop van een indicatie te kunnen waarborgen dient minimaal acht weken voor afloop van die indicatie een verzoek tot verlenging te worden ingediend. Na ontvangst van het verzoek tot verlenging, met een evaluatierapport of –verslag over de voorliggende periode, zal een herbeoordeling van de hulpverlening plaatsvinden, waarna een besluit zal worden genomen over voortzetting dan wel wijziging van de individuele voorziening, alsmede het volume en de duur van de herindicatie.
Hoofdstuk 5 Individuele jeugdhulpvoorziening via PGB
Artikel 5.1 Aanvullende criteria Pgb
Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden.
Als een jeugdige of zijn ouder(s) in aanmerking wil komen voor een Pgb, wordt om een Pgb-budgetplan gevraagd. Het budgetplan Pgb Jeugd vervangt het (integraal) onderzoeksplan niet. Het is een extra bijlage bij het (integraal) onderzoeksplan. In het (integraal) onderzoeksplan staat wat de hulpvraag en gewenste doelresultaten zijn. In het budgetplan staat waarom de jeugdige en/of de ouder(s) een Pgb willen. Ook staan er details in over de kosten. Met het Pgb-budgetplan laat de jeugdige of zijn ouder(s) zien dat is nagedacht over de manier waarop het budget zal worden besteed. Maar belangrijker nog: het vraagt de jeugdige of zijn ouder(s) ook om na te denken over de besteding van het budget dat zij aanvragen. Het Pgb-budgetplan is dus ook een hulpmiddel voor de jeugdige of zijn ouder(s).
In de bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat Pgb- budgetplan om te kunnen beoordelen of aan 1 of meerdere voorwaarden voor het verstrekken van een Pgb is voldaan. Een aantal zaken vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is. Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in dit artikel van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn.
Als het cjg vindt dat de hulp die de betreffende hulpverlener biedt geen passende oplossing is voor de problematiek van de jeugdige of ouder, kan de toegang het Pgb om die reden afwijzen. Let wel: de jeugdige of ouder komt nog steeds in aanmerking voor de benodigde hulp! Alleen niet bij de hulpverlener die hij of zij zelf voor ogen had.
De bekwaamheid voor het hebben van een persoonsgebonden budget wordt in samenspraak met de Aanvrager getoetst, maar het oordeel van het cjg is hierin leidend.
Hier worden de criteria genoemd aan de hand waarvan wordt beoordeeld of budgethouder/beheerder in staat is om de aan het beheer van een persoonsgebonden budget voortvloeiende taken te kunnen uitvoeren. Deze zijn afgeleid van de 10 punten uit de 'Kader Pgb-vaardigheid' noemen, ontwikkeld door de VNG en VWS.
goed werkgeverschap: de budgethouder of budgetbeheerder moet kennis hebben van zijn of haar rechten en plichten als werkgever. Activiteiten die vallen onder deze taak zijn onder andere het inwerken van jeugdhulpaanbieders, plannen/roosteren en monitoren of de doelstellingen uit het opgestelde onderzoeksplan behaald worden;
administratie voeren: een belangrijk onderdeel van het beheren van een Pgb is de administratie. Hiervoor moet een budgethouder of budgetbeheerder financiële vaardigheden hebben zodat deze de facturen kan controleren en het budget kan monitoren. Verantwoording: Om aan deze taak te kunnen voldoen is het nodig dat een budgethouder of budgetbeheerder kennis heeft van de wetgeving op dat terrein.
Lid 5. Recent heeft de CRvB uitspraak gedaan over de dubbelrol: CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761. Het gaat hier om een uitspraak in het kader van de Wmo, waarvan wij uitgaan dat dit ook voor jeugd geldt. De CRvB bepaalt in deze uitspraak dat het college zich op het standpunt mag stellen dat een beoogde zorgverlener niet het Pgb van de cliënt kan beheren, omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken kan vervullen.
NB: Een ouder die het Pgb beheert en de andere ouder die de hulp verleent, mag op grond van deze uitspraak niet geweigerd worden. Artikel 8.1.1 lid 2 onderdeel a Jeugdwet maakt deze constructie mogelijk. Een Pgb dat beheerd wordt door een ander dan degene die de hulp gaat is toegestaan, dus dat geldt ook als zij een persoonlijke relatie hebben.
Onder 5b wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake.
Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbreken. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen.
Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van betrokken hulpverlening. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont.
Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn. Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgb-aanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude.
Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning - participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid.
Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt.
Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel.
Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb.
Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. In lid 6 onder a is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het cjg. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden.
Zesde lid, n. Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal- over een periode van 16 weken- gemiddeld maximaal 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen.
Artikel 5.2 Aanvullende criteria Formele hulp
We maken verschil tussen formele en informele hulp. Op basis daarvan bepalen we de hoogte van het Pgb.
Wordt de hulp gegeven vanuit een organisatie of een beroep? Dan gaat het om formele hulp. Uit lid blijkt 1 hoe we dat vaststellen. Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJ registratie heeft. Overigens kunnen niet alle professionals binnen de jeugdhulp een SKJ-registratie krijgen. Een voorbeeld zijn therapeuten die zelfstandig werken.
Familieleden geven altijd informele hulp. De reden is dat zij vooral een persoonlijke relatie hebben met de jeugdige en/of de ouder(s) ( 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in dit artikel; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat bepaalt het tarief voor het Pgb.
Artikel 5.3 Aanvullende criteria Informele hulp
Artikel 8.1.1., derde lid, Jeugdwet geeft de gemeenteraad de bevoegdheid om bij verordening te bepalen onder welke voorwaarden de persoon aan wie een Pgb wordt verstrekt, de jeugdhulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk. Dit wordt ook wel informeel Pgb genoemd. De gemeente heeft dus beleidsruimte. Het is echter niet mogelijk de inzet van het Pgb voor iemand uit het sociale netwerk helemaal uit te sluiten in de verordening. De beleidsruimte beperkt zich tot het vastleggen in welke situaties en onder welke voorwaarden een Pgb voor het sociale netwerk kan worden ingezet.
In het eerste lid zijn de criteria opgenomen wanneer iemand voor een Pgb in aanmerking komt bij het betrekken van een persoon uit het sociaal netwerk. Deze criteria zijn aanvullend op de criteria die genoemd zijn in artikel 5.1. Een van de in het zesde lid genoemde voorwaarden is dat geen Pgb wordt verstrekt als dat tot overbelasting leidt van de persoon uit het sociaal netwerk die de hulp gaat verlenen.
In het jeugddomein komt het veelvuldig voor dat een persoonsgebonden budget gebruikt wordt om informele zorg, bijvoorbeeld geleverd door de ouder zelf, te bekostigen. Gemeenten mogen op grond van de Jeugdwet (artikel 8.1.1 derde lid) hieraan beperkingen stellen. De informele zorgverlener dient ook aan een aantal minimale kwaliteitscriteria te voldoen die horen bij de aard van de geboden ondersteuning. Dit betekent dat niet alle kwaliteitseisen die in de Jeugdwet gesteld worden aan jeugdhulpaanbieders onverkort voor de informele zorgverlener gelden, maar er wel basisvereisten zijn. Zo wordt geen registratie in een beroepsregister (SKJ of BIG) verwacht, maar kan de informele zorgverlener wel gevraagd worden aan te tonen over de juiste kennis en expertise te beschikken en/of ondersteuning door een professionele zorgverlener richting de informele zorgverlener goed geregeld te hebben.
De Jeugdwet verbiedt echter niet om bepaalde vormen van jeugdhulp uit te sluiten en, zeker bij vormen van jeugdhulp waarbij de inzet van professionals nodig is, ligt het niet voor de hand te veronderstellen dat de hulp ook door iemand uit het sociale netwerk kan worden geboden. Een uitsluiting in de verordening is feitelijk niet nodig omdat in het onderzoek naar jeugdhulp bij het onderdeel ‘aard en omvang van de benodigde jeugdhulp’ al bepaald is dat de hiervoor genoemde hulp door een professional moet worden geboden. Voor de duidelijkheid is echter in het eerste lid onder b opgenomen dat een Pgb informeel niet kan worden toegekend voor ggz-zorg, omdat in dat geval niet aan de kwaliteit kan worden voldaan (dus dan is niet aan de voorwaarden voldaan). Dit geldt bij ggz-zorg altijd en is dus niet casus afhankelijk. GGZ-behandeling kan, gelet op de aard van de hulp, alleen door een professional worden geboden. Professionele hulp vergt een objectieve en onafhankelijke blik. Een persoon uit het sociaal netwerk is door de relatie met de jeugdige, ongeacht zijn of haar diploma’s en werkervaring, niet in staat een professionele afstand tot de jeugdige te bewaren en dus de vereiste professionaliteit te bieden die vereist is voor dit type jeugdhulp.
In het derde lid zijn extra voorwaarden gesteld aan een Pgb voor logeren. Dit moet leiden tot ontlasting van de verzorgende ouder(s) en in belangrijke mate bijdragen aan het vergroten van de eigen kracht van de jeugdige of zijn ouder(s). Tevens moet hiermee de inzet van gespecialiseerde jeugdhulp worden voorkomen of verminderd. Deze extra voorwaarden zijn opgenomen om te voorkomen dat het logeren bij bijv. opa en oma, wat niet ongebruikelijk is, wordt verstrekt met een Pgb. Een Pgb is dan alleen mogelijk als daarmee daadwerkelijk aan de doelen van jeugdhulp wordt gewerkt.
Artikel 5.4 Vaststelling hoogte PGB
Dit artikel berust op artikel 2.9, onder c, van de Jeugdwet. In deze wetsbepaling staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld. Uit jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2019:467) volgt dat de vaststelling van de hoogte van het Pgb en de wijze van tarifering behoren tot de essentialia van het voorzieningenpakket. Dat betekent dat de gemeenteraad deze zaken in de verordening moet regelen.
In de eerste plaats wordt gekeken naar een adequate jeugdhulpvoorziening en in tweede instantie zijn de kosten leidend in de keuze die gemaakt wordt. Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De jeugdige en zijn ouders wordt gevraagd in goed overleg met het cjg een inschatting te maken van de benodigde inzet, uitgedrukt in aantal uren, dagdelen of etmalen (afhankelijk van de aard van de zorg). De toegang maakt vervolgens een inschatting of het door de pgb-zorgverlener gevraagde aantal uren, dagdelen of etmalen en tarief reëel is en neemt hierover een besluit. Op die manier wordt gestreefd naar passende zorg voor alle kinderen, die dat nodig hebben.
Het Pgb is niet hoger dan de kosten van de goedkoopst adequate voorziening in natura (eerste lid). Uit jurisprudentie volgt dat daar sprake van is als de jeugdhulp met het vastgestelde tarief bij tenminste één jeugdhulpaanbieder kan worden ingekocht. De tarieven voor professionele jeugdhulp zijn afgeleid van de naturatarieven, tenzij uit het pgb-plan blijkt dat de hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden. Dan mag uitgegaan worden van dit lagere tarief.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen twee soorten tarieven: het formeel tarief en informeel tarief.
Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief op basis van het cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Daarmee wordt rekening gehouden met de aanvullende kosten die formele aanbieders moeten maken om aan de kwaliteitseisen die op hen van toepassing zijn te kunnen voldoen.
De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura.
Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend. In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel.
De pgb-tarieven voor formele hulp worden jaarlijks geïndexeerd met de OVA-index (de Overheidsbijdrage in de Arbeidskostenontwikkeling (OVA), zoals opgenomen in lid 3, lid 4, lid 5. De wijze van indexering is gelijk aan de indexering die van toepassing is op de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. Voor de tekst van het artikel is aangesloten bij de tekst van de modelovereenkomst contractstandaard jeugd van het Ketenbureau I-Sociaal Domein.
Recent is nieuwe rechtspraak over het Pgb-tarief voor informele hulp. Conform de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en CRvB 16-8-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1580)) geldt dat het tarief voor een pgb voor informele hulp overeenkomt met de cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT). Inmiddels is er ook een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 30 november 2023 (ECLI:NL:RBLIM:2023:6979) dat dit ook voor Pgb’s uit de Jeugdwet geldt. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is een tarief op basis van cao Verpleeg-, Verzorgingshuizen en Thuiszorg (VVT) passend geacht.
Er vindt in principe geen indexatie plaats van het tarief voor de inzet van het sociaal netwerk en is gebaseerd op de ontwikkeling van de inflatie en/ of de stijging betreffend CAO.
Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en zijn ouder(s) uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; het college stelt een bedrag ter besteding beschikbaar. Het college verricht, via de Sociale Verzekeringsbank (SVB), betalingen als de door de jeugdige en zijn ouder(s) zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden. Voor dit trekkingsrecht is gekozen om fraude met besteding van het budget zoveel mogelijk tegen te gaan. De constructie zorgt ervoor dat het budget alleen wordt besteed om jeugdhulp in te kopen die ertoe strekt betrokkene de ondersteuning, hulp en zorg te bieden die de jeugdige of zijn ouder(s) nodig hebben (TK 2012-2013, 33 684, nr. 4 pagina 11).
In de Regeling Jeugdwet (paragraaf 8) zijn de bepalingen omtrent de Pgb nader uitgewerkt. Zo is te lezen dat de persoon aan wie een Pgb is verstrekt, de budgethouder, een schriftelijke overeenkomst, overeenkomst van opdracht of overeenkomst voor vervoer sluit met iedere derde die hij ten laste van zijn Pgb jeugdhulp laat verlenen. Deze overeenkomsten moeten voldoen aan door de SVB vastgestelde modelovereenkomsten. De overeenkomsten moeten ook door het college worden goedgekeurd. Deze goedkeuring is een besluit in de zin van artikel 1:3 Awb.
De budgethouder kan het budget gebruiken om met een jeugdhulpaanbieder de benodigde hulp in te kopen. De aanbieder, zal na verlening van de hulp, een factuur sturen die dan door de budgethouder moet worden geaccordeerd en doorgezonden aan de SVB. Die zal vervolgens de betaling aan de aanbieder voor hulp verrichten.
Vanuit de SVB bestaat de mogelijkheid dat budgethouder en zorgaanbieder in de zorgovereenkomst een vast maandloon overeenkomen. Maandelijkse betaling aan de zorgaanbieder vindt dan automatisch plaats door SVB zonder vooraf ontvangen factuur of specificatie. Dergelijke afspraken zijn niet wenselijk, omdat zorg in de praktijk veelal fluctueert en een vast maandloon daar geen rekening mee houdt. Het is belangrijk dat de budgethouder per maand te zien krijgt welke zorg er is geleverd en wat de daarmee samenhangende kosten zijn.
In het vijfde lid is opgenomen welke kosten voor vergoeding uitgesloten zijn vanuit een Pgb. Tevens staat opgenomen dat het college geen vrij besteedbaar bedrag oftewel een verantwoordingsvrij bedrag toekent.
Artikel 5.6 tussentijdse beëindiging pgb
In dit artikel zijn situaties opgenomen wanneer het PGB mogelijk stopt. Dat kan in de gevallen als het budget niet wordt gebruikt, bij verhuizing, overlijden, veranderde situatie of als de budgethouder overstapt naar zorg in natura.
Hoofdstuk 6 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
Artikel 6.1 Herziening ,intrekken, wijzigen en beëindigen
De jeugdige of de ouder(s) moeten bij een Pgb alle relevante informatie geven aan het college. Dat staat in artikel 8.1.2 lid 1 van de Jeugdwet. Wij passen deze informatieplicht niet alleen toe bij het Pgb, maar ook bij Zorg in natura. Het Pgb is namelijk ook een individuele voorziening. Ook bij een individuele voorziening in natura is het logisch dat jeugdigen en hun ouder(s) voldoende en juiste informatie geven. Alleen dan kan het college beoordelen of ze terecht gebruik willen maken van de voorziening.
In lid 2 staat in welke situaties het college een besluit mag herzien, wijzigen, intrekken of beëindigen:
Het college is niet verplicht om gebruik te maken van deze bevoegdheid.
In de Jeugdwet staan regels voor het herzien en intrekken van Pgb’s (artikel 8.1.4). Uit de toelichting bij de wet blijkt dat het ook om wijzigen en beëindigen gaat. Wij noemen dit expliciet zo in de verordening. Ook passen we deze regels toe voor de Zorg in natura.
Lid 3. We verwachten van de jeugdige en/of de ouder(s) dat zij kort na het besluit in actie komen. Het Pgb voor de individuele voorziening helpt hen namelijk om de gewenste resultaten te bereiken. Hebben zij het Pgb in de 6 maanden na het besluit nog niet gebruikt? Dan kunnen wij ervanuit gaan dat zij het Pgb niet meer gaan gebruiken. Het college kan het besluit dan intrekken.
Lid 5. Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Deze bepaling is nodig voor een goede juridische basis. In dit lid regelen we de terugvordering. Dit staat namelijk niet in de Jeugdwet. Het is wel belangrijk, omdat de terugvordering nodig is om een bedrag te mogen invorderen. Bij terugvorderen eisen we het bedrag terug. Bij invorderen nemen we maatregelen om het bedrag echt terug te krijgen.
In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking.
Om deze redenen is in het zevende lid de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen.
Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting.
Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz.
Het college kan daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder f. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.
Artikel 6.2 Fraudepreventie en controle
Op grond van artikel 2.9 onderdeel d van de Jeugdwet moeten in de verordening regels worden gesteld over de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening in natura of een Pgb evenals van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Deze bepaling is een uitwerking van deze wettelijke plicht.
Lid 1.Het is van belang dat jeugdigen en ouder(s) zich bewust zijn van de rechten, maar ook de plichten die verbonden zijn aan een jeugdhulpvoorziening. Denk bijvoorbeeld aan de plicht om het college op de hoogte te houden van alle relevante feiten en omstandigheden. Of de regels rondom verantwoording van een Pgb. Het college moet de jeugdige en ouder(s) hierover informeren en ook uitleggen welke mogelijke consequenties het kan hebben als men zich niet houdt aan deze verplichtingen.
Lid 2.In deze bepaling is de mogelijkheid en de grondslag gegeven om een toezichthouder aan te wijzen die zich bezighoudt met het toezicht op een rechtmatige uitvoering van de Jeugdwet (zie artikel 5:11 Awb). Anders dan in de Wmo 2015, is in de Jeugdwet niet bepaald dat het college een toezichthouder moet aanwijzen. Toch kan uit de wetsgeschiedenis worden afgeleid dat het mogelijk is een toezichthouder aan te wijzen. Zo wordt in de Memorie van Toelichting bijvoorbeeld de medewerkingsverplichting jegens de toezichthouder benoemd (zie TK 2013-2014, 33684, nr. 11).
Het toezicht door de aangewezen toezichthouder ziet niet op de kwaliteit van de door de jeugdhulpaanbieders geleverde jeugdhulp. Dat toezicht is namelijk belegd bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de Inspectie Veiligheid en Justitie (zie Hoofdstuk 9 van de Jeugdwet). Zij voeren het kwaliteitstoezicht uit binnen het samenwerkingsverband Toezicht Sociaal Domein (TSD). Voor zover de gemeente signalen ontvangt over de kwaliteit van de te leveren of geleverde zorg, stuurt de gemeente deze door naar het TSD.
Het toezicht door de gemeentelijke toezichthouder Jeugd ziet o.a. op de rechtmatigheid van ingediende declaraties door jeugdhulpaanbieders. Het college stelt nadere regels vast over de taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder. De toezichthouder is bij de uitoefening van zijn taak gebonden aan de regels zoals vastgelegd in de artikelen 5:11 t/m 5:20 van de Awb.
Lid 3 In deze bepaling is vastgelegd dat het college nadere regels kan vaststellen over de (reikwijdte van) taken en bevoegdheden van de gemeentelijke toezichthouder Jeugd (zie ook artikel 5:14 Awb).
Hoofdstuk 7 Afstemming met andere domeinen
Op basis van de Jeugdwet artikel 2.9 zijn gemeenten verplicht in hun verordening op te nemen hoe de afstemming met andere voorzieningen geregeld is. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het toekomstplan, dat immers over alle domeinen heen gaat. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten.
Artikel 7.1 Overgang naar volwassenheid
Wij vinden het belangrijk dat jeugdigen de hulp krijgen die ze nodig hebben. Ook als ze die hulp na hun 18e verjaardag nog steeds nodig hebben. Daarom vindt er op tijd afstemming plaats. We hebben niet gekozen voor een vast moment, omdat dit per hulpvraag kan verschillen. Vaak vindt de afstemming plaats als de jeugdige 16,5 jaar is.
Bij verlengde jeugdhulp vindt de afstemming later dan 16,5 jaar plaats. Het is wel belangrijk dat de afstemming op tijd plaatsvindt. Daarbij houden we rekening met de tijd die nodig is om de andere voorziening te hebben.
De aanbieder heeft de verplichting om samen met cliënten die in zorg zijn vanaf het 16e jaar een ‘toekomstplan’ op te stellen, als blijkt dat de jeugdige de ondersteuning nodig heeft na 18e levensjaar (plan t.a.v. wonen, werken en daginvulling) met een duidelijk omschreven en haalbare tijdslijn naar volwassenheid. Ook wordt hierin aangegeven of en zo ja welke hulp en/of ondersteuning nog nodig is en hoe deze vanuit de Wmo 2015, Wlz, Zorgverzekeringswet wordt ingezet vanaf de 18e verjaardag. De aanbieder betrekt minimaal een half jaar voordat een jongere de leeftijd van 18 jaar (voor pleegzorg en gezinshuis 21 jaar) bereikt, de verwijzer bij (het opstellen van) het toekomstplan. Belangrijke uitgangspunten voor de overgang naar volwassenheid zijn: -
Het toekomstplan is van de jeugdige en/of zijn ouder(s). Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het toekomstplan. De relevante informatie uit het toekomstplan kan door de jeugdige en/of zijn ouder(s) zelf of door het cjg en/of toegang aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden. De ouder(s)/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor.
Artikel 7.2 Afstemming gezondheidszorg
Bij lid 1 gaat het om specialistische jeugdhulp die eerst onder de geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen viel. Deze jeugdhulp valt vanaf 18 jaar onder de Zorgverzekeringswet. Zorgverzekeraars stellen hierbij eisen. Zo moet de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de verwijzer zijn. Het cjg en/of toegang kan voor zo’n verwijzing zorgen door contact op te nemen met de verwijzer.
Vanaf 18 jaar heeft de jeugdige een eigen zorgverzekering nodig. Daarbij geldt ook een eigen risico. Dit kan ervoor zorgen dat de jeugdige de hulp wil stoppen. Het cjg en/of toegang is hier alert op. Ook kan het cjg de jeugdige ondersteunen bij de veranderingen en nieuwe verantwoordelijkheden.
Artikel 7.3 Afstemming langdurige zorg
Wanneer jeugdigen levenslang en levens-breed zorg nodig hebben, vallen zij onder de Wet langdurige zorg. Bij kinderen is dit echter nog niet altijd makkelijk vast te stellen. Het cjg en/of toegang, ondersteunt de jeugdige en zijn ouder(s) (zo nodig) bij de aanvraag bij het Centraal indicatieorgaan zorg (CIZ), die over toegang tot de langdurige zorg gaat.
Dit lid is een nadere uitwerking van de Jeugdwet, artikel 1.2 eerste lid onderdeel c:”Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen:...indien het college gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige of zijn wettelijke vertegenwoordiger weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.” Hierbij zal natuurlijk altijd het belang van de jeugdige voorop staan. De jeugdige mag nooit het slachtoffer worden van onwillige ouder(s).
Artikel 7.4 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Veel kinderen in de leeftijd van 0 – 4 jaar bezoeken een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal en brengen een groot deel van hun tijd op die plekken door. De gemeente speelt een belangrijke rol in de bevordering van de pedagogische kwaliteit van deze voorschoolse voorzieningen en het vergroten van het bereik onder specifieke doelgroepen.
Korte lijnen tussen onderwijs, kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en het cjg zijn belangrijk. Zorgen om kinderen kunnen zo makkelijk gedeeld worden, advies ingewonnen en zo nodig gestart worden met het bespreken met kind en/of ouder(s) welke ondersteuning, jeugdhulp geboden kan worden.
De samenwerkingsverbanden in het primair en voortgezet onderwijs spelen een centrale rol bij het organiseren van passend onderwijs( bijv. onderwijsondersteuning, begeleiding bij dyslexie ,huiswerkbegeleiding, remedial teaching en begeleiding bij leerstoornissen) en (speciale) onderwijszorg op de scholen en bovenschools. In veel gevallen zullen onderwijszorg en zorg voor de jeugd elkaar nauw raken. Het is dan ook van belang dat er goede afspraken zijn tussen gemeente en het onderwijs, met name als het gaat om de vraag vanuit welke partij welke ondersteuning kan worden geleverd. Bovendien volgt uit de wet dat de gemeente en het schoolbestuur in individuele gevallen overleggen als een individuele jeugdhulpvoorziening nodig is (zie artikel 2.7 lid 1 Jeugdwet).
Artikel 7.5 Afstemming maatschappelijke ondersteuning
Het hier gestelde betekent dat het cjg en/of de toegang, indien de situatie zich voordoet, afstemming zoekt met een Wmo-consulent danwel een passende Wmo-aanbieder. Ook vallen bepaalde voorzieningen, waaronder in ieder geval begeleiding, na het 18e jaar niet meer onder de Jeugdwet, maar onder de Wmo. De gemeente is verantwoordelijk voor een warme overdracht na het 18e jaar. Daarbij is van belang dat tijdig, minimaal een half jaar tevoren, met uitgangspunt 1,5 jaar, bekeken wordt wat er gaat veranderen na het 18e jaar. Zodat de continuïteit van zorg geborgd is.
Artikel 7.6 Afstemming werk en inkomen
Soms speelt in gezinnen die jeugdhulp nodig hebben, ook armoede- en schuldenproblematiek. De jeugdhulp kan daardoor niet of veel minder effectief zijn. Het is daarom van belang dit soort problematiek tijdig te signaleren en gezinnen naar de juiste hulp en armoedevoorzieningen te leiden. Ook van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen wordt hierin een actieve houding verwacht.
Artikel 7.7 Afstemming met gecertificeerde instellingen
De gecertificeerde instellingen kunnen zelfstandig jeugdhulp inzetten bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (gedwongen kader). Het is dan ook van belang dat de gemeente, als financier van de gecertificeerde instellingen én de jeugdhulp, goede afspraken maakt met de gecertificeerde instellingen. Dit artikel benoemt een aantal concrete onderwerpen waarover afspraken moeten worden gemaakt. De afspraken worden vastgelegd in een samenwerkingsprotocol met de gecertificeerde instellingen. De Jeugdwet stelt zo’n samenwerkingsprotocol verplicht (zie artikel 3.5 lid 3 Jeugdwet).
Artikel 7.8 Afstemming met het justitiedomein
In de strafrechtelijke beslissing– in het kader van een taakstraf of (gedrag beïnvloedende) maatregel – kan de rechter besluiten tot de inzet van jeugdhulp. In de regel zal de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) hierover adviseren. Bij (jeugdreclasserings)maatregelen zal de gecertificeerde instelling betrokken zijn bij de uitvoering hiervan. Gaat het om taakstraffen, dan is dat de RvdK. Daarnaast kan de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts, of directeur van de justitiële jeugdinrichting besluiten tot de inzet van jeugdhulp in het kader van het scholings‐ en trainingsprogramma in het nazorgtraject. De gemeente is betrokken in het trajectberaad. Afspraken hierover zijn vastgelegd in het samenwerkingsprotocol met de RvdK.
Artikel 7.9 Afstemming met Veilig Thuis
Artikel 4.1.1 Wmo 2015 legt het college de plicht op om een Advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) in te richten. Het AMHK, beter bekend als Veilig Thuis, is beschikbaar voor advies en consult voor professionals. Hoogwaardige specialistische kennis is nodig bij bijvoorbeeld complexe situaties van huiselijk geweld en kindermishandeling, eer gerelateerd geweld, seksueel misbruik, achterlating en huwelijksdwang, extreme stalking. Veilig Thuis kan passende hulp inschakelen. In het kader hiervan zijn in ieder geval afspraken nodig over de toegang en eventueel doorverwijzing naar jeugdhulpvoorzieningen.
Hoofstuk 8 Waarborging verhouding prijs-kwaliteit
Artikel 8.1 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
In dit artikel staat wat we doen om de verhouding tussen prijs en kwaliteit te beschermen. De gemeente moet hierover regels maken. Dat staat in artikel 2.12 van de Jeugdwet. Het gaat om de prijs en kwaliteit van jeugdhulp of van de uitvoering van een maatregel van de kinderbescherming of jeugdreclassering.
De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. In Hoofdstuk 9 van de Awb is de klachtbehandeling uitvoering geregeld. Dit artikel is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van jeugdigen en ouder(s) te geven.
Voor de melding van klachten over de feitelijke hulpverlening moeten jeugdige of zijn ouder(s) zich richten tot de aanbieder/instelling die de hulpverlening biedt. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet.
Artikel 8.3 Inspraak en medezeggenschap
In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot inspraak en medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v. van de wet.
In het eerste lid is verwezen naar de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet vastgestelde inspraakverordening. Op deze manier wordt gewaarborgd dat voor het jeugdhulpbeleid eenzelfde inspraakprocedure geldt als voor andere terreinen. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.
Dit artikel regelt dat het college iedere 2 jaar het gevoerde beleid evalueert.
Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouder(s) kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouder(s).
Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 Jeugdwet het college al maatwerk te verrichten.
Gebruik van de hardheidsclausule zal daarom in dat opzicht niet snel aan de orde komen. In uitzonderingsgevallen zou het bijvoorbeeld kunnen spelen bij de regels rondom het verstrekken van een Pgb. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.
Artikel 9.3 Intrekking oude verordening en overgangsrecht
Met deze bepalingen zorgen we ervoor dat de jeugdhulp blijft doorgaan. Ook als onze afspraken met aanbieders veranderen in de nieuwe verordening. De jeugdige en/of de ouder(s) moeten namelijk kunnen rekenen op de jeugdhulp. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Tot slot is in lid 3 vastgelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden.
Bijlage I Individuele voorzieningen
In deze bijlage is de beschrijving en de doelgroep per beschikbare voorziening Jeugdhulp opgenomen. De afspraken die de jeugdhulpaanbieder op basis van de contract- of subsidierelatie heeft gemaakt zijn te vinden op https://hulpinregioalkmaar.nl.
a. Ondersteuningsgericht Individueel Licht;
Deze lichte individuele begeleiding is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en op het voorkomen van een achteruitgang daarin. De beperking/problematiek van de jeugdige is niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de jeugdige. Desondanks lukt het ouders en jeugdige niet om hun leven zelfstandig vorm te geven. De begeleiding is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezin. Het accent ligt op het eigen maken van vaardigheden of nieuw gedrag door langdurig oefenen en trainen, zodat deze vaardigheden of nieuw gedrag eigen gemaakt worden bij de jeugdige en/of gezin. De begeleiding is planbaar.
Ondersteuningsgerichte inzet in het kader van respijtzorg
Begeleiding is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van de gemeente mogelijk. Ook hierbij is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend en is dit onderdeel van een systemische aanpak. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk/omgeving/vrij toegankelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. De gemeentelijke toegang wordt bij het vinden van deze oplossing betrokken.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van het resultaat in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het gezin en het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij het oefenen van (sociale) vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van dag en/of weekstructuur en/of het vergroten of behouden van de regie.
De jeugdige heeft mogelijk daarnaast fysieke ondersteuning/hulp nodig bij de dagelijkse persoonlijke verzorging.
Lichte beperkingen houden in dat de jeugdige lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij/zij in staat het sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn/haar geld te beheren (jongvolwassenen). Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De jeugdige kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.
b. Ondersteuningsgericht Individueel Midden;
Individuele begeleiding Midden is gericht op het stimuleren en behouden van de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie en op het voorkomen van achteruitgang daarin. De beperking/problematiek van de jeugdige is niet dermate complex dat een hoge graad van deskundigheid nodig is voor de omgang met de jeugdige, maar de behoefte aan ondersteuning is hoog. De begeleiding is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezin. Het accent ligt op het eigen maken van vaardigheden of nieuw gedrag door langdurig oefenen en trainen zodat deze vaardigheden of nieuw gedrag eigen gemaakt worden bij de jeugdige en/of gezin.
Begeleiding is in het kader van respijtzorg, enkel met toestemming van de gemeente mogelijk. Ook hierbij is de inzet vanuit het eigen netwerk of lokale voorzieningen altijd voorliggend en is dit onderdeel van een systemische aanpak. Bij het ontbreken van mogelijkheden binnen het eigen netwerk kan begeleiding tijdelijk ingezet worden. In die periode worden er alternatieven in het eigen netwerk/omgeving/vrij toegankelijke voorzieningen onderzocht en georganiseerd. De gemeentelijke toegang wordt bij het vinden van deze oplossing betrokken. De begeleiding is planbaar.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor, of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij het oefenen met (sociale) vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van dag en/of weekstructuur en/of het vergroten of behouden van de regie.
Het gaat hierbij om jeugdigen bij wie sprake is van matig tot zwaar regieverlies door bijvoorbeeld ernstige gedragsproblemen, psychische problematiek, niet aangeboren hersenletsel of een audiovisuele beperking. De jeugdige heeft te maken met complexe problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal bekend is. Zonder deze begeleiding kan de jeugdige niet goed in het gezin functioneren.
Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de jeugdige niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe problemen op waardoor de jeugdige afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de jeugdige soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Minimaal 1 uur per week; Maximaal 7 uur per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 24 maanden
c. Ondersteuningsgericht Individueel Zwaar;
De begeleiding is erop gericht de huidige situatie van zelfredzaamheid en participatie te stimuleren/behouden en achteruitgang daarvan te voorkomen. De beperking/problematiek van de jeugdige is dermate complex dat specifieke deskundigheid nodig is voor de omgang met de jeugdige, de behoefte aan ondersteuning is hoog. De regie moet (deels) worden overgenomen, doordat onvoldoende inzicht bestaat in de eigen beperkingen/omvang van de eigen problematiek. De jeugdige en/of het gezin zit met het denken en handelen vast in bepaalde patronen en heeft ondersteuning nodig om deze te doorbreken. De begeleiding is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige en het gezin.
De begeleiding is planbaar en/of oproepbaar, wat maakt dat inzet in de avonduren, weekenden en feestdagen tot dit perceel behoort.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De jeugdige heeft ondersteuning nodig bij het oefenen met (sociale) vaardigheden of handelingen, het aanbrengen van dag en/of weekstructuur en/of het vergroten of behouden van de regie.
Het gaat hierbij om jeugdigen bij wie sprake is van zwaar regieverlies door bijvoorbeeld ernstige gedragsproblemen, psychische problematiek, niet aangeboren hersenletsel of een audiovisuele beperking. De jeugdige heeft te maken met complexe problematiek waarvan de achterliggende oorzaak veelal bekend is. Zonder deze begeleiding kan de jeugdige niet goed in het gezin functioneren.
Beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de jeugdige niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert zodanige problemen op, dat de jeugdige afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf, doordat de jeugdige soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing of uithuisplaatsing.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn); Minimaal 1 uur per week; maximaal 7 uur per week
Duur per beschikking(richtlijn); Maximaal 24 maanden
d. Ondersteuningsgericht Groep Licht;
De jeugdhulp is gericht op het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen. De in te zetten hulp is doelmatig met een passende (personele) inzet om de gestelde doelen te bereiken en de leefbaarheid te optimaliseren.
De hulp is bestemd voor jeugdigen met een licht verstandelijke en/of lichamelijke beperking en/of lichte ontwikkelingsproblemen, waarbij ook hun opvoeders praktische handvatten meekrijgen hoe hiermee om te gaan. Hierdoor is er sprake van een systemische aanpak. Begeleiding vindt plaats op locatie van de jeugdhulpaanbieder, waarbij de jeugdige deelneemt aan groepsactiviteiten. Het dagprogramma betreft een volledig aanbod, gebaseerd op een begeleidingsplan waarin MBO- en HBO-opgeleide jeugdprofessionals hun kennis inzetten om een zo groot mogelijke verbetering te realiseren.
De dagbesteding biedt structurele zingevende daginvulling. Het activiteitenprogramma biedt de jeugdige structuur, sociale contacten en zingeving. Persoonlijke begeleiding bij de activiteiten is soms noodzakelijk. Vrijwilligers en mantelzorgers kunnen een gedeelte van de zorg en begeleiding op zich nemen met ondersteuning van professionele hulp. De dagbesteding wordt aangeboden in een groep.
Dit perceel kan niet worden ingezet als kinderopvang. Kinderopvang valt niet onder de Jeugdwet en kan dan ook niet met dit perceel worden geleverd. Indien ondersteuning passende onder de Jeugdwet gedurende kinderopvang nodig is, is aanvullende inzet vanuit de gemeente wel mogelijk.
Bij jeugdigen die zijn vrijgesteld van de leerplicht kan scholing of educatie ook onderdeel zijn van de opdracht. Het gaat hierbij om onderwijs vervangende dagbesteding, waarbij ook in de toekomst geen sprake is van deelname aan onderwijs of dagvullende activiteit in de vrije tijd in de vorm van respijtzorg.
Aanleren van vaardigheden om mee te kunnen in het onderwijs vallen expliciet niet onder deze zorgvorm, maar worden geleverd vanuit Passend Onderwijs.
Om deel te nemen aan deze vorm van dagbesteding gedurende lestijden is er sprake van een (tijdelijke) vrijstelling van de leerplicht. In dat geval wordt voor iedere jeugdige samen met de wettelijke vertegenwoordigers en het onderwijs een Onderwijs Ontwikkelperspectiefplan opgesteld. De aangeboden activiteiten passen bij het beschreven perspectief. Dit plan wordt in samenwerking met het onderwijs uitgevoerd.
De jeugdige vraagt ondersteuning bij het vasthouden of vergroten van de regie. De problematiek beperkt zich tot één of enkele leefgebieden, waarbij sprake is van lichte beperkingen.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Dit betreft hulp voor jeugdigen die gebruik moeten maken van dagbesteding, omdat zij niet mee kunnen in het reguliere of speciale onderwijssysteem, en gedurende de dag (na het volgen van onderwijs) niet thuis kunnen blijven. Ze worden overdag of tijdens dagdelen opgevangen in gespecialiseerde voorzieningen. Bij deze jeugdigen is zorg voorliggend, omdat de problematiek te complex is voor het regulier of speciaal onderwijs en ook voor de reguliere naschoolse opvang. De zorg die in dit segment wordt geboden kan niet door het onderwijs worden gefaciliteerd en valt niet onder de verantwoordelijkheid van Passend Onderwijs.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Minimaal 1 dagdeel per week; maximaal 2 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 12 maanden
e. Ondersteuningsgericht Groep Midden;
De hulp is bestemd voor jeugdigen met een licht verstandelijke en/of lichamelijke beperking en/of ontwikkelingsproblemen waarbij ook hun opvoeders praktische handvatten meekrijgen hoe hiermee om te gaan. Begeleiding vindt plaats op locatie van de jeugdhulpaanbieder, waarbij de jeugdige deelneemt aan groepsactiviteiten zonder dat opname en verblijf met overnachting nodig is. Er wordt gewerkt met goed omschreven doelen gericht op het ontwikkelen en aanleren van praktische of sociaal emotionele vaardigheden en het vermogen om kennis op te nemen en verwerken. De mogelijkheden van de jeugdige worden zo goed mogelijk benut, zodanig dat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt wordt. Het dagprogramma betreft een volledig aanbod, gebaseerd op een begeleidingsplan waarin MBO- en HBO-opgeleide jeugdprofessionals hun kennis inzetten om een zo groot mogelijke verbetering te realiseren.
De dagbesteding biedt structurele zingevende daginvulling. Het activiteitenprogramma biedt de jeugdige structuur, sociale contacten en zingeving. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een groep. Persoonlijke begeleiding bij de activiteiten is soms noodzakelijk. Vrijwilligers en mantelzorgers kunnen een gedeelte van de zorg en begeleiding op zich nemen met ondersteuning van professionele hulp. De dagbesteding wordt aangeboden in een groep.
Dit perceel kan niet worden ingezet als kinderopvang. Kinderopvang valt niet onder de Jeugdwet en kan dan ook niet met dit perceel worden geleverd. Indien ondersteuning passende onder de Jeugdwet gedurende kinderopvang nodig is, is aanvullende inzet vanuit de gemeente wel mogelijk.
Bij jeugdigen die zijn vrijgesteld van de leerplicht kan scholing of educatie ook onderdeel zijn van de opdracht. Het gaat hierbij om onderwijs vervangende dagbesteding, waarbij ook in de toekomst geen sprake is van deelname aan onderwijs of dagvullende activiteit in de vrije tijd in de vorm van respijtzorg. Aanleren van vaardigheden om mee te kunnen in het onderwijs vallen expliciet niet onder deze zorgvorm, maar worden geleverd vanuit Passend Onderwijs.
Om deel te nemen aan deze vorm van dagbesteding gedurende lestijden is er sprake van een (tijdelijke) vrijstelling van de leerplicht. In dat geval wordt voor iedere jeugdige samen met de wettelijke vertegenwoordigers en het onderwijs een Onderwijs Ontwikkelperspectiefplan opgesteld. De aangeboden activiteiten passen bij het beschreven perspectief. Dit plan wordt in samenwerking met het onderwijs uitgevoerd. De jeugdige vraagt ondersteuning bij het vasthouden of vergroten van de regie. De problematiek beperkt zich tot twee tot vier leefgebieden, waarbij sprake is van lichte beperkingen.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Dit betreft hulp voor jeugdigen die gebruik moeten maken van dagbesteding, omdat zij niet mee kunnen in het reguliere of speciale onderwijssysteem en gedurende de dag niet thuis kunnen blijven. Ze worden overdag of tijdens dagdelen opgevangen in gespecialiseerde voorzieningen. Bij deze jeugdigen is zorg voorliggend, omdat de problematiek te complex is voor het regulier of speciaal onderwijs en ook voor de reguliere naschoolse opvang. De zorg die in dit segment wordt geboden kan niet door het onderwijs worden gefaciliteerd.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Minimaal 1 dagdeel per week; maximaal 4 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 12 maanden
f. Ondersteuningsgericht Groep Zwaar;
De hulp is bestemd voor jeugdigen met een licht verstandelijke en/of lichamelijke beperking en/of matig of ernstige ontwikkelingsproblemen waarbij ook hun opvoeders praktische handvatten meekrijgen hoe hiermee om te gaan. Begeleiding vindt plaats op locatie van de jeugdhulpaanbieder, waarbij de jeugdige gedurende een dagdeel of dag (2 dagdelen) deelneemt aan groepsactiviteiten. Er wordt gewerkt met goed omschreven doelen gericht op het ontwikkelen en aanleren van praktische of sociaal emotionele vaardigheden en het vermogen om kennis op te nemen en verwerken. De mogelijkheden van de jeugdige worden zo goed mogelijk benut, zodanig dat een zo zelfstandig mogelijk niveau van functioneren bereikt wordt. Het dagprogramma betreft een volledig aanbod, gebaseerd op een begeleidingsplan waarin MBO- en HBO-opgeleide jeugdprofessionals hun kennis inzetten om een zo groot mogelijke verbetering te realiseren.
De dagbesteding biedt structurele activerende daginvulling. Het activiteitenprogramma biedt de jeugdige structuur, sociale contacten en zingeving. Bij de activiteiten wordt begeleiding geboden in een groep. Persoonlijke begeleiding bij de activiteiten is soms noodzakelijk. Vrijwilligers en mantelzorgers kunnen een gedeelte van de zorg en begeleiding op zich nemen met ondersteuning van professionele hulp. De dagbesteding wordt aangeboden in een groep. Dit perceel kan niet worden ingezet als kinderopvang.
Kinderopvang valt niet onder de Jeugdwet en kan dan ook niet met dit perceel worden geleverd. Indien ondersteuning passende onder de Jeugdwet gedurende kinderopvang nodig is, is aanvullende inzet vanuit de gemeente wel mogelijk.
Bij jeugdigen die zijn vrijgesteld van de leerplicht kan scholing of educatie ook onderdeel zijn van de opdracht. Het gaat hierbij om onderwijs vervangende dagbesteding, waarbij ook in de toekomst geen sprake is van deelname aan onderwijs of dagvullende activiteit in de vrije tijd in de vorm van respijtzorg.
Aanleren van vaardigheden om mee te kunnen in het onderwijs vallen expliciet niet onder deze zorgvorm, maar worden geleverd vanuit Passend Onderwijs.
Voor iedere jeugdige is samen met de wettelijke vertegenwoordigers en het onderwijs een Onderwijs Ontwikkelperspectief opgesteld. De aangeboden activiteiten passen bij het beschreven perspectief. Dit plan wordt in samenwerking met het onderwijs uitgevoerd.
Persoonlijke verzorging kán een onderdeel zijn van de hulpvraag. Dit wordt binnen dit perceel geleverd om een tekort aan zelfredzaamheid op te heffen bij algemene dagelijkse levensverrichtingen.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Dit betreft hulp voor jeugdigen die gebruik moeten maken van dagbesteding, omdat zij niet mee kunnen in het reguliere of speciale onderwijssysteem en gedurende de dag niet thuis kunnen blijven. Ze worden overdag of tijdens dagdelen opgevangen in gespecialiseerde voorzieningen. Bij deze jeugdigen is zorg voorliggend, omdat de problematiek te complex is voor het regulier of speciaal onderwijs en ook voor de reguliere naschoolse opvang. De zorg die in dit segment wordt geboden kan niet door het onderwijs worden gefaciliteerd en valt niet onder de verantwoordelijkheid van Passend Onderwijs
Voor de jeugdige en zijn gezinssysteem voor wie gestelde doelen als gevolg van ernstige en meervoudige problematiek door een beperking, stoornis of aandoening niet zelfstandig of in reguliere voorzieningen voor onderwijs of vrije tijd haalbaar zijn én voor wie de ondersteuning daarin vanuit het gezin en eigen netwerk niet toereikend is.
De jeugdige ervaart regieverlies. Er is sprake van complexe problematiek op vier of meer leefgebieden. Of eventueel sprake van zware beperkingen op één tot drie leefgebieden.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Minimaal 1 dagdeel per week; maximaal 9 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 12 maanden
g. Herstelgericht Individueel Medicatiecontrole;
De curatieve GGZ-zorg is gericht op medicamenteuze behandeling van lichte tot matige, licht- tot middelcomplexe ADHD of stabiele chronische problematiek na afloop van een behandeltraject in de GGZ.
De jeugdige ervaart gedragsproblemen en psychische en/of psychiatrische stoornissen waarbij medicatie noodzakelijk is om de belemmerende effecten van de aandoening te dempen.
Jeugdigen waarvoor het periodiek bijstellen van de medicatie noodzakelijk is om de medicatie zo efficiënt en doelmatig mogelijk te laten werken.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 10 keer per jaar
Duur per beschikking (richtlijn): 15 tot 30 minuten per keer
h. Herstelgericht Individueel Licht;
Soms hebben jeugdigen of ouders ondersteuning nodig bij het opgroeien of bij de opvoeding. Het product Herstelgericht Individueel Licht kan dan worden ingezet voor o.a. opvoedondersteuning, het trainen van sociale vaardigheden, stimuleren van de sociaal emotionele ontwikkeling of het aanleren van vaardigheden of leren omgaan met belemmeringen voortkomend uit een beperking en/of gedragsproblematiek. Begeleidingsvormen vallen hier expliciet niet onder. Het gaat om een therapeutische of corrigerende behandeling. De jeugdhulp wordt individueel of als gezinsbehandeling aangeboden gericht op het gedrag van de jeugdige, de opvoeding of de (gezins)problematiek. Het in kaart brengen en beschrijven van de problematiek is een onderdeel van dit product, in combinatie met behandeling van de hulpvraag. Dit product wordt alleen ingezet als het voorliggende veld ontoereikend is gebleken.
Voorbeelden van interventies/modules binnen dit perceel kunnen zijn:
Vanuit de inzet wordt integraal gekeken naar het hele systeem, waarbij het gezin in het behandelplan en de analyse wordt betrokken.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigen wordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Herstelgericht Individueel Licht kan worden ingezet voor jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar en/of hun ouders/opvoeders, die problematiek ervaren waarbij de inzet van coaching of begeleiding niet toereikend is. De interventie kan zowel van toepassing zijn op ouders, alsmede de jeugdige zelf. In geval van ouders zal de behandeling zich o.a. richten op het aanleren van bepaalde opvoedvaardigheden of op problematiek voortkomend uit een echtscheiding. In geval van de jeugdige zal de behandeling zich richten op de gedragsproblematiek of het vergroten van sociale vaardigheden.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 1 uur per week gedurende maximaal 26 weken
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 26 uur totale inzet gedurende maximaal 26 weken (6 maanden)
i. Herstelgericht Individueel Midden;
Soms hebben jeugdigen of ouders ondersteuning nodig bij het opgroeien of bij de opvoeding. Het product Herstelgericht Individueel Midden kan dan worden ingezet voor o.a. het stimuleren van de sociaal emotionele ontwikkeling of het aanleren van vaardigheden of leren omgaan met belemmeringen voortkomend uit een beperking en/of gedragsproblematiek. Begeleidingsvormen vallen hier expliciet niet onder. Het gaat om een therapeutische of corrigerende behandeling. De jeugdhulp wordt individueel of als gezinsbehandeling aangeboden, gericht op het gedrag van de jeugdige, de opvoeding of de (gezins)problematiek. Het in kaart brengen en beschrijven van de problematiek is een onderdeel van dit product, in combinatie met behandeling van de hulpvraag. De jeugdhulp richt zich op complexe problematiek, waarbij een intensieve, maar praktische behandeling nodig is.
Voorbeelden van interventies/modules binnen dit perceel kunnen zijn:
Vanuit de inzet wordt integraal gekeken naar het hele systeem, waarbij het gezin in het behandelplan en de analyse wordt betrokken.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Herstelgericht Individueel Midden kan worden ingezet voor jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar en/of hun ouders/opvoeders die opvoedproblematiek ervaren waarbij de inzet van coaching of begeleiding niet toereikend is. De interventie kan zowel van toepassing zijn op ouders, alsmede de jeugdige zelf. In geval van ouders zal de behandeling zich richten op het aanleren van bepaalde opvoedvaardigheden of op (gezins)problematiek bijvoorbeeld voortkomend uit een echtscheiding. In geval van de jeugdige zal de behandeling zich richten op de gedragsproblematiek of het vergroten van (sociale) vaardigheden.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 2 uur per week cliëntcontact
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 6 tot 12 maanden
j. Herstelgericht Individueel Zwaar;
Soms hebben jeugdigen of ouders ondersteuning nodig bij het opgroeien of bij de opvoeding. Het product Herstelgericht Individueel Zwaar kan worden ingezet voor o.a. het stimuleren van de sociaal emotionele ontwikkeling of het aanleren van vaardigheden of leren omgaan met belemmeringen voortkomend uit een beperking en/of gedragsproblematiek. Begeleidingsvormen vallen hier expliciet niet onder. Het gaat om een therapeutische of corrigerende behandeling. De jeugdhulp wordt individueel of als gezinsbehandeling aangeboden, gericht op het gedrag van de jeugdige, de opvoeding of de (gezins)problematiek. Het in kaart brengen en beschrijven van de problematiek is een onderdeel van dit product, in combinatie met behandeling van de hulpvraag. De jeugdhulp richt zich op meervoudige complexe problematiek. Het gaat om intensieve behandeling op basis van wetenschappelijke methoden, geboden door een behandelaar op WO-niveau.
De interventie richt zich op een meervoudige complexe hulpvraag. Denk aan gezinnen met complexe opvoedproblematiek, jeugdigen en gezinnen met een stapeling van hulpvragen, generationele/systeemgebonden problematiek.
Voorbeelden van interventies/modules binnen dit perceel kunnen zijn:
Vanuit de inzet wordt integraal gekeken naar het hele systeem, waarbij het gezin in het behandelplan en de analyse wordt betrokken.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Herstelgericht Individueel Zwaar kan worden ingezet voor jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar en/of hun ouders/opvoeders. In geval van ouders zal de behandeling zich richten op aanleren van bepaalde opvoedvaardigheden of bijvoorbeeld op problematiek voortkomend uit een echtscheiding. In geval van de jeugdige zal de behandeling zich richten op de gedragsproblematiek of het vergroten van (sociale) vaardigheden.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 5 uur per week cliëntcontact
Duur per beschikking (richtlijn): 6 tot 12 maanden
k. Herstelgericht Groep Licht;
Het gaat bij Herstelgerichte Groep Licht bijvoorbeeld om het observeren van gedrag, het trainen van sociale vaardigheden (waar in het voorliggende veld geen passend aanbod beschikbaar is), psycho-educatie, het aanleren van vaardigheden of omgaan met bepaalde vragen.
Het aanbod, inclusief de behandeling, wordt geleverd in groepsverband. Observatie/diagnostiek kan een onderdeel zijn in combinatie met behandeling van de hulpvraag.
Er is sprake van een enkelvoudige hulpvraag die met een gerichte interventie beantwoord moet kunnen worden. De hulpvraag betreft één of maximaal twee leefgebieden van de jeugdige. De keuze voor de aanpak, doelen en resultaten zijn concreet bij aanvang of in maximaal twee sessies concreet te maken. Observatie wordt ingezet wanneer de hulpvraag enige verheldering nodig heeft. Expliciet vallen hier begeleidingsvormen niet onder. Het gaat om therapeutisch of corrigerende behandeling.
Stapelen met andere vormen van ambulante jeugdhulp is mogelijk. Andere ambulante vormen richten zich daarbij op concrete doelen die alleen in de thuissituatie te bereiken zijn.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Het gaat om problematiek die niet door coaching of begeleiding kan worden aangeleerd.
In geval van de jeugdige zal de interventie zicht richten op sociale vaardigheden of (grensoverschrijdend) gedrag. Ouders ervaren problemen bij de jeugdige en/of in het gezin en zijn derhalve onderdeel van de behandeling.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 2 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 26 weken (6 maanden)
l. Herstelgericht Groep Midden;
Het gaat bij Herstelgerichte ambulante jeugdhulp groep Midden bijvoorbeeld om intensief observeren van gedrag, het trainen van sociale vaardigheden (waar in het voorliggende veld geen passend aanbod beschikbaar is), psycho-educatie, het aanleren van vaardigheden of omgaan met bepaalde vragen.
Het aanbod, inclusief de behandeling wordt geleverd in groepsverband en er is een noodzaak voor een multidisciplinaire aanpak.
Er is sprake van een onduidelijke en/of meervoudige hulpvraag van een jeugdige, ouders en/of gezin. Observatie/diagnostiek kan binnen dit perceel een combinatie vormen met de behandeling. Deze diagnostiek wordt multidisciplinair ingericht.
Stapelen met andere vormen van ambulante jeugdhulp is mogelijk. Andere ambulante vormen richten zich op daarbij op concrete doelen, die alleen in de thuissituatie te bereiken zijn.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Het gaat om problematiek die niet door coaching of begeleiding kan worden aangeleerd.
In geval van de jeugdige zal de interventie zich richten op sociale vaardigheden of (grensoverschrijdend) gedrag. Ouders ervaren problemen bij de jeugdige en/of in het gezin en zijn derhalve onderdeel van de behandeling.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): 3 tot 5 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 6 tot 12 maanden
m. Herstelgericht Groep Zwaar;
De hulpvraag betreft een complexe hulpvraag; er is sprake van meerdere (meer dan twee) hulpvragen op meerdere leefgebieden op verschillende domeinen in het systeem.
Er kan sprake zijn generationele/systeemgebonden problematiek. Er is onderzoek/diagnostiek nodig naar oorzaken en oplossingsrichtingen. Deze observatie/diagnostiek heeft noodzakelijkerwijs een multidisciplinair karakter.
Er is een multidisciplinaire aanpak nodig om tot een aanpak en vaak ook om tot herstel te komen.
Het multidisciplinaire karakter van de zorg kan domein- en wet overstijgend zijn, waardoor onderdelen, zoals bijvoorbeeld logopedie ook vanuit de andere wetgeving (ZVW) worden gefinancierd. De hulpverlener draagt er zorg voor dat indien nodig, deze
zorg is verankerd in het aanbod. Binnen de behandeling is een prominente rol verankerd voor de gedragswetenschapper.
De behandeling bestaat uit en cyclus van behandeling en diagnostiek/analyse.
Multidisciplinaire Kinderdagbehandeling (Daghulp)
Stapelen met andere vormen van ambulante jeugdhulp is mogelijk. Andere ambulante vormen richten zich op daarbij op concrete doelen, die alleen in de thuissituatie te bereiken zijn.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Het gaat om problematiek die niet door coaching of begeleiding kan worden aangeleerd. In geval van de jeugdige zal de interventie zicht richten op sociale vaardigheden of (grensoverschrijdend) gedrag. Ouders ervaren problemen bij de jeugdige en/of in het gezin en zijn derhalve onderdeel van de behandeling.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn); 3-9 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 9 tot 18 maanden
n. Herstelgericht Individueel GGZ;
De individuele GGZ is gericht op behandelen van matig tot ernstige, complexe psychische problemen of niet-stabiele chronische problematiek met matige tot ernstige beperkingen in het dagelijks functioneren. De problematiek vraagt niet om een multidisciplinaire aanpak. De inzet is doelmatig en passend om het behandeldoel te bereiken.
Individuele GGZ is voor jeugdigen met een beperking op grond van een DSM-5–benoemde stoornis of een vermoeden hiervan. Het gezin wordt betrokken bij het opstellen van het behandelplan. Gedurende de behandeling wordt integraal gekeken, waarbij de gezinsleden een actieve rol spelen in de behandeling. Diagnostiek kan onderdeel zijn van de behandeling.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De problematiek waar de jeugdige mee kampt is psychiatrisch of psychisch van aard.
De hulpvraag vraagt niet om een multidisciplinaire aanpak. Er is sprake van een DSM-5 stoornis of een vermoeden hiervan. Het betreft hierbij jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): 1 tot 2 uur per week
Duur per beschikking (richtlijn): doorlooptijd 6 maanden
o. Herstelgericht Individueel Hoogspecialistische-GGZ;
Hoogspecialistische-GGZ behandeling is multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen (of gezinnen) met zeer complexe problematiek, bij wie een of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM-5) op de voorgrond staan. De methoden die worden gebruikt zijn Evidence Based.
Hoog specialistische GGZ komt pas in beeld als andere behandelmogelijkheden geen uitzicht (meer) bieden tot verbetering of stabilisatie van de psychiatrische of psychische problematiek van de jeugdige en de belemmeringen in het dagelijks functioneren die dit met zich meebrengt.
Psychiatrische diagnostiek vindt plaats gedurende de behandeling, echter indien nodig kan aanvullende of hernieuwde diagnostiek onderdeel uitmaken van de behandeling.
GGZ-systeeminterventies vallen ook onder ‘hoogspecialistische behandeling’.
Gedurende de behandeling wordt integraal gekeken, waarbij de gezinsleden een actieve rol spelen in de behandeling.
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigen wordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De problematiek van de jeugdige mee kampt is psychiatrisch of psychisch van aard. Er is sprake van ernstig internaliseren en/of externaliserende problematiek bij de jeugdige.
Om in aanmerking te komen voor dit perceel, is er sprake van co-morbiditeit en is een multidisciplinaire inzet noodzakelijk.
Jeugdigen (0-18 jaar) met zeer complexe problematiek, bij wie één of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM-5) op de voorgrond staan en voor wie geen passende ambulante behandeling en/of basis- en specialistische GGZ behandeling beschikbaar is.
Te denken valt aan de volgende situaties:
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): 2 tot 4 uur per week
Duur per beschikking (richtlijn): Gemiddeld 445 dagen
p. Herstelgericht Individueel Forensische Psychiatrie;
De Forensische Psychiatrie levert een multidisciplinaire behandeling voor jeugdigen met zeer complexe problematiek, bij wie een of meer ernstige psychiatrische stoornissen (benoemd in de DSM-5) op de voorgrond staan en hebben geleid tot een delict en/of seksueel of agressief grensoverschrijdend gedrag vertonen (of bij wie de dreiging hiertoe in de nabije toekomst groot is). De methoden die worden gebruikt zijn Evidence Based.
In tegenstelling tot de (hoog)specialistische GGZ staan het gevaarcriterium en het risicogericht handelen centraal. Binnen de forensische zorg wordt daarom in het bijzonder aandacht besteed aan delict- (of grensoverschrijdend) gerelateerd gedrag en risicotaxatie.
Bij de jeugdige is óf een strafrechtelijke maatregel opgelegd wegens het plegen van een strafbaar feit volgens het jeugdstrafrecht of adolescentenstrafrecht óf een civielrechtelijke maatregel, een civielrechtelijk onderzoek.
Een forensische zorginstelling of een zorginstelling met een forensische poli beschikt over meer dan drie onderscheidende interventies/methodieken/zorgprogramma's die specifiek ontwikkeld zijn voor de forensische doelgroep, waarvan minimaal één interventie of zorgprogramma erkend is als minimaal 'goed onderbouwd' door de erkenningscommissie justitiële interventies van het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) en de andere behandelvormen minimaal gebaseerd zijn op de werkzame Risk-Need- Responsivity-principes (RNR).
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigenwordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De stoornis die mogelijk ten grondslag ligt aan de zorg is geen in- of exclusiecriterium voor de inzet van forensische zorg. Het gevaarcriterium is dit echter wel. Zonder passende en tijdige behandeling vormen deze jeugdigen een gevaar voor zichzelf en hun omgeving en wordt het steeds moeilijker om het grensoverschrijdende gedrag te beperken en de negatieve ontwikkeling en achterliggende problematiek aan te pakken.
Jeugdigen (12-23 jaar) met zeer complexe problematiek, bij wie het gevaarcriterium uitwijst dat de jeugdige een gevaar voor zichzelf of de omgeving is.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): 2 tot 5 behandelingen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 365 dagen
q. Herstelgericht Dagbehandeling GGZ;
Er is sprake van een therapeutisch groepsklimaat.
Dagbehandeling GGZ is jeugdhulp gericht op het herstellen of op gang brengen van een ernstig vastgelopen of verstoorde ontwikkeling van een jeugdige en het versterken van de opvoedingskracht van het gezin als gevolg van een psychiatrische stoornis.
De hulp vindt plaats in een groep gedurende een of meer dagdelen per week, afhankelijk van de behandelbehoefte. Er wordt een interventieprogramma in een structuurversterkend klimaat geboden door een multidisciplinair team. Ouder(s) worden altijd bij de behandeling betrokken.
Afhankelijk van de behandel- en ondersteuningsvragen van de jeugdige en/of ouder(s) kan het aanbod verder bestaan uit:
Ervaringsdeskundigen maken onderdeel uit van de behandeling op momenten dat deze van meerwaarde kunnen zijn voor de jeugdige of het gezin. Van ervaringsdeskundigen wordt verwacht dat zij aantoonbaar ervaringsdeskundige zijn en dat zij een relevante op jeugdhulp gerichte opleiding en/of opleiding tot ervaringskundige hebben gevolgd op minimaal MBO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
De problematiek waar de jeugdige mee kampt is psychiatrisch of psychisch van aard. Er is sprake van ernstig internaliseren en externaliserende kindeigen problematiek.
Dagbehandeling GGZ is bedoeld voor jeugdigen van 0 tot 18 jaar waarbij:
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 2 dagdelen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 6 tot 12 maanden
r. Hulp bij Ernstige Dyslexie (Diagnostiek);
Alvorens een school een leerling wil doorverwijzen voor dyslexie dienen de stappen te zijn doorlopen zoals deze beschreven zijn in het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling 3.0 (of latere versie):
Het diagnostisch onderzoek: de dyslexieaanbieder brengt met behulp van classificerend en verdiepend onderzoek in kaart wat de aard is van de klachten die de jeugdige ervaart en in de factoren die een rol spelen in het ontstaan of in stand houden hiervan, en geeft op basis hiervan antwoord op de hulpvraag. Op het individu toegesneden handelingsadviezen worden vastgelegd in een zorgplan.
Afgeven van behandelindicatie: na het diagnostisch onderzoek vindt een analyse plaats van de uitkomsten en wordt een eindrapport opgemaakt met eventueel een behandelplan dat besproken wordt met de ouders. Indien jeugdige niet zelf in het vervoer kan voorzien zijn de vervoerskosten ook onderdeel van het arrangement. Dit is ter bepaling tussen aanbieder en jeugdige onderling.
Jeugdigen in de basisschoolleeftijd waarbij de gegevens vanuit het onderwijs een vermoeden opleveren dat er sprake is van ernstige dyslexie.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 1 keer in de 2 weken
Duur per beschikking (richtlijn): 6 maanden
s. Hulp bij Ernstige Dyslexie (Behandeling);
De behandeling bestaat ten minste uit:
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 45-60 behandelingen van 50-60 minuten, meestal 1 keer per week
Duur per beschikking (richtlijn): Gemiddeld 18 maanden
Consultatie kan voor verschillende doelen worden ingezet. Een verzoek kan zowel vanuit de jeugdhulpaanbieder als vanuit de gemeentelijke toegang komen. De gemeentelijke toegang stelt de toekenning vast.
Er is consultatie mogelijk op de volgende niveaus:
Consultatie kan worden ingezet indien de gemeente specifieke expertise van een jeugdhulpaanbieder nodig heeft. Dit kan in de volgende gevallen:
Consult bij speciale hulpvragen:
Het gaat hierbij om inzet die niet binnen de reguliere dienstverlening van de jeugdhulpaanbieder ten behoeve van intake, diagnostiek of probleemanalyse. De inzet van consult betekent niet automatisch dat de jeugdige of het gezin bij deze jeugdhulpaanbieder jeugdhulp ontvangt.
Bij afsluiting van de jeugdhulp kan de gemeentelijke toegang in overleg met jeugdige, gezin en hulpverlener bepalen dat consultatie voor een maximum van 10 uur ingezet kan worden in het kader van nazorg. Dit is alleen het geval indien deze functie niet door partijen in het voorliggend veld kan worden geleverd.
Op welk niveau consultatie geleverd wordt, wordt bepaald in overleg tussen de gemeente en de te consulteren partij of tussen het RET en de te consulteren partij.
Het betreft jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar en/ of diens gezin.
Een consultatievraag wordt ingezet in het kader van een bestaand jeugdhulptraject of naar aanleiding van een vraag vanuit de gemeentelijke toegang of de gecertificeerde instelling.
De waakvlamfunctie wordt ingezet als nazorg. Nazorg betreft geen standaard toewijzing, er is sprake van een risico op terugval. Er is nog sprake van een hulpvraag van de jeugdige en/ of het gezin na afloop van het traject.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 16 uur binnen de duur van de beschikking
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 3 maanden
u. Ambulant Crisishulpverlening;
Ambulant: Crisishulpverlening wordt ingezet indien er sprake is van een crisissituatie in het gezin. Dit kan zijn vanwege een onveilige situatie in het gezin door de jeugdige zelf, ouders of andere inwonende gezinsleden. De dreiging is intern in het gezin zelf of extern naar de directe omgeving. Ambulant Crisishulpverlening kan alleen worden ingezet indien er een directe acute noodzaak is voor directe hulpverlening in het gezin. Uitstellen van de crisisinterventie voor 24 uur of langer heeft directe onacceptabele gevolgen voor de veiligheid van een jeugdige, het gezin of de omgeving. De inzet van Ambulant: Crisishulpverlening voorkomt dat jeugdigen uit huis moeten worden geplaatst.
Het betreft jeugdigen in de leeftijd van 0 tot 18 jaar. De beschermende factoren wegen op het moment van de inzet niet op tegen de dreiging die in het gezin – naar de jeugdige, de gezinsleden (door de jeugdige) of de omgeving – uitgaat. Een directe interventie (binnen 24 uur) is noodzakelijk om in het gezin de verhoudingen te normaliseren. Er is een plan nodig om herhaling van de crisis te voorkomen. De dreiging is acuut, waarbij nog moet worden vastgesteld wat de onderliggende hulpvraag is en op welke manier de situatie kan worden gestabiliseerd.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 4-6 weken
Een behandelgroep is een kleinschalige voorziening en biedt de jeugdige een veilige en stabiele omgeving wanneer daar in de thuissituatie geen invulling aan kan worden gegeven. De voorziening richt zich op het bieden van professionele ondersteuning en hulpverlening op het gebied van ontwikkelingstaken aan deze jeugdigen en hun systeem. Hierbij wordt gekeken naar hun behoefte, hun achtergrond en de mate van beschadiging die zij hebben opgelopen in hun thuissituatie. De behandelgroep is een voorziening die jeugdigen een veilige gezinsvervangende plek biedt. Deze richt zich op het bevorderen van een gezonde ontwikkeling van een jeugdige. Waarbij het uitgangspunt is dat de jeugdige weer terug naar huis gaat, naar een gezinsvervangend systeem of naar zelfstandigheid wordt begeleid. Om die reden blijven ouders en het sociale netwerk betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Ouders spelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige. Er wordt gewerkt conform de richtlijnen residentiele jeugdhulp.
Jeugdigen tot 18 jaar uit gezinnen waar de opvoedproblemen en ontwikkelingsproblemen van de jeugdige zo groot zijn, dat de jeugdige tijdelijk of voor langeretijd niet meer in het eigen gezin kan wonen. De jeugdigen gaan in principe naar school en/of dagbesteding. De instelling is de (tijdelijke) woon- en verblijfsplaats.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): 12 maanden
De jeugdige heeft zeer intensieve begeleiding en ondersteuning nodig en moet beschermd worden tegen zichzelf en/of de omgeving. De drie-milieusvoorziening bestaat uit een combinatie van onderwijs, behandeling en verblijf op het terrein van de aanbieder. Het gedrag van deze jeugdige maakt intensief toezicht noodzakelijk. Ouders en het sociale netwerk blijven betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Ouders spelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige. De te leveren behandeling is maatwerk en toegespitst op de situatie en de hulpvraag van de jeugdige en kan, net alstraining van het systeem ten behoeve van het terugkeerperspectief naar huis en/of het verbeteren van contact met het systeem, apart worden afgegeven. Bij dit perceel is er sprake van besloten wonen met 24-uurs toezicht/beveiliging en zeer intensieve behandeling en begeleiding in een overzichtelijke groep. Er wordt gewerkt conform de Richtlijn Residentiele Jeugdhulp. In de toekomstvisie van de regio is dit een onwenselijke zorgvorm, waarbij wordt gestreefd om deze aan het eind van de contractperiode afgebouwd te hebben.
Dit perceel wordt ingezet voor jeugdigen die 24-uurs toezicht nodig hebben in een open/besloten drie-milieusvoorziening. Het betreft jeugdigen met (zeer) ernstige meervoudige gedrags- of psychiatrische problematiek. Veelal is er sprake van een groot veiligheidsrisico; jeugdigen die een gevaar voor zichzelf zijn en/of gevaar voor zichzelf onvoldoende herkennen, dan wel worden bedreigd door derden. De jeugdige heeft continu sturing en toezicht nodig. Er wordt gedragsregulering en behandeling ingezet. Naast de problematiek van de jeugdige zelf kan er sprake zijn van een onveilige of instabiele opvoed- en opgroeiomgeving en/of een ernstige verstoorde balans in de draagkracht en de draaglast. Bij (één van) de ouders/opvoeders kan sprake kan zijn van verstandelijke, psychiatrische/verslavingsproblemen, ernstige relatieproblemen. Hierdoor is een Drie-milieusetting waarin alle onderdelen van het leefklimaat worden beheerd noodzakelijk. Er is veelal sprake van verstoorde gezagsverhouding, pedagogische onmacht en/of verwaarlozing/mishandeling. De jeugdige kan op grond van zijn/haar problemen tijdelijk niet meer functioneren in een gezinssituatie/jeugdige kan (nog) niet zelfstandig wonen ofwel de problematiek kan niet verholpen worden met (intensieve) ambulante behandeling specifieke eisen. De problematiek is in die mate heftig, dat deelname aan het reguliere onderwijs en/of dagbesteding geen optie is.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): 9 maanden
c. Klinishe Jeugd-GGZ(besloten);
In zeer ernstige gevallen kan een besloten klinische opname nodig zijn. Opname is kortdurend. Gedurende de opname is er intensief VOV-personeel aanwezig. De VOV-staf kent de behandeldoelen van de jeugdige en werkt hieraan middels het bieden van ondersteuning, begeleiding, training en/of behandeling.
Kleinschaligheid is het uitgangspunt binnen de klinische jeugd-GGZ. Het aantal jeugdigen, hun achtergrond en problematiek hangt samen met de kwaliteit van het leefklimaat binnen de groepen. Dit leidt tot een omvang van maximaal acht jeugdigen. Ouders en het sociale netwerk blijven betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Ouders spelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige. De te leveren behandeling is maatwerk en toegespitst op de situatie en de hulpvraag van de jeugdige en kan, net als training van het systeem ten behoeve van het terugkeerperspectief naar huis en/of het verbeteren van contact met het systeem, apart worden afgegeven.
Klinische jeugd-GGZ wordt ingezet voor jeugdigen:
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): 12 maanden
d. Klinische Jeugd-GGZ (gesloten);
In zeer ernstige gevallen kan een gesloten klinische opname nodig zijn. Opname is kortdurend. Gedurende de opname is er zeer intensief VOV-staf aanwezig. De VOV-staf kent de behandeldoelen van de jeugdige en werkt hieraan middels het bieden van ondersteuning, begeleiding, training en/of behandeling. De te leveren behandeling is maatwerk en toegespitst op de situatie en de hulpvraag van de jeugdige en kan, net als training van het systeem ten behoeve van het terugkeerperspectief naar huis en/of het verbeteren van contact met het systeem, apart worden afgegeven. Kleinschaligheid is het uitgangspunt binnen de klinische jeugd-GGZ. Het aantal jeugdigen, hun achtergrond en problematiek hangt samen met de kwaliteit van het leefklimaat binnen de groepen. Dit leidt tot een omvang van maximaal acht jeugdigen. Ouders en het sociale netwerk blijven betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Ouders spelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige.
Naschoolse vormen van Dagbehandeling groep mogen niet ingezet worden, want dit valt onder de taken van de pedagogische medewerkers. Dit geldt voor alle taken en activiteiten die worden uitgevoerd door de pedagogische medewerkers ten behoeve van het pedagogisch klimaat.
Klinische jeugd-GGZ wordt ingezet voor jeugdigen:
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): 16 maanden
Logeeropvang is een kort en tijdelijk verblijf. Hiervan kan gebruik worden gemaakt als er sprake is van noodzakelijke ontlasting van het gezin of het gezinssysteem, indien de ontlasting niet op een andere wijze kan worden vormgegeven. De jeugdige verblijft dan in een andere omgeving met andere mensen, maar wel met de nodige begeleiding. Hierdoor hebben de mensen thuis, die normaal de zorg en aandacht geven, even tijd voor zichzelf. Zo wordt op de lange termijn een uithuisplaatsing voorkomen. Logeren moet ontwikkelingsgericht zijn. Er wordt voorzien in adviezen om het systeem (o.a. ouders en verzorgers) buiten het logeren om in zijn kracht te zetten. Logeren is gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid van de jeugdige. Het heeft tevens als doel om inzet van zwaardere zorg te voorkomen. Bij deze jeugdigen is continu directe nabijheid van een begeleider noodzakelijk. Daarnaast wordt volgens een begeleidingsplan zorg geleverdgericht op het stimuleren van zelfredzaamheid, persoonlijke- en sociale ontwikkeling. In dit perceel zijn naast de dagelijkse verzorging (zoals eten, drinken, slapen) ook activiteiteninbegrepen. Gedurende de periode dat deze voorziening ingezet wordt, worden samen met het lokale team de alternatieven in het voorveld en het netwerk onderzocht en wordt onderzocht welke handvatten ouders nodig hebben om overbelasting te voorkomen.
Jeugdigen van 0 tot 18 jaar waarbij sprake is van klachten op meerdere leefgebieden ten gevolge van psychische problematiek of stoornis, en/of dreigende ontwikkelingsachterstand, en/of een beperking en/of gedragsproblematiek. Jeugdigen uit gezinnen met problemen op meerdere levensgebieden, van wie de ouder(s) als een gevolg van factoren in de thuissituatie in combinatie met kindfactoren tijdelijk ontlast dienen te worden. Het betreft jeugdigen die een grote ondersteuningsbehoefte hebben en een grote noodzaak tot structuur en regelmaat.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 3 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 18 maanden per beschikking
Pleegzorg wordt toegewezen aan jeugdigen die (tijdelijk) niet in hun oorspronkelijke opvoedsituatie kunnen blijven, doordat de ontwikkeling en/of veiligheid van de jeugdige in het geding is. Pleegzorg is erop gericht een jeugdige een plek te bieden om veilig op te groeien. Het uitgangspunt is dat de ouder(s) uiteindelijk zelf de opvoeding weer op zich nemen. Wanneer dit niet mogelijk is, dan blijft de jeugdige voor langere tijd bij de pleegouders en mogelijk tot jeugdige volwassen is. De relatie met ouders en het sociale netwerk blijft belangrijk voor pleegkinderen. Ouders en netwerk blijven onderdeel van de opvoeding van de jeugdige en worden hier actief bij betrokken (op een veilige en verantwoorde manier).
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer in het eigen gezin kan wonen. Dit kan zowel vrijwillig gebeuren als in een situatie waarvoor een rechter een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar bereikt
Een gezinshuis is een kleinschalige vorm van jeugdhulp met verblijf. De gezinshuisouders bieden 24/7 opvoeding, ondersteuning en zorg aan de bij hen in huis geplaatste jeugdigen. Het betreft jeugdigen die tijdelijk of langdurig zijn aangewezen op intensieve en professionele hulpverlening als gevolg van beschadigende ervaringen en/of complexe problematiek. Jeugdigen in gezinshuizen worden opgevangen in een situatie die ‘zo thuis mogelijk’ is. Jeugdigen krijgen hierbij een stabiele plek, waar zij zo nodig voor langere tijd tot hun 21e jaar, en eventueel indien nodig tot hun 23e jaar, kunnen verblijven, tot het moment waarop zij of weer terug naar huis (natuurlijke ouders) kunnen of tot wanneer zij zelfstandig gaan wonen. Minimaal één van de gezinshuisouders is een professionele hulpverlener, die de jeugdige kan ondersteunen bij de hulpvragen of ondersteuning kan bieden bij het inslijten van vaardigheden aangeleerd gedurende behandelingen. Voor ondersteuning bij de begeleiding van de jeugdige en de eventuele hulpvragen die de jeugdige heeft of kan ontwikkelen, is ondersteuning beschikbaar op HBO-niveau in de vorm van een pedagogisch medewerkeren een gedragswetenschapper op WO-niveau.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen
Jeugdigen tot 21 jaar die tijdelijk of blijvend niet thuis kunnen wonen en voor wie pleegzorg niet mogelijk is vanwege de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige. Kenmerkend voor de doelgroep is dat zij naast verzorging en alledaagse opvoeding, structureel een beroep doen op specifieke opvoedingsvaardigheden. Dat kan het geval zijn als er sprake is van beperkingen (o.a. gedragsproblematiek, psychiatrische problematiek of cognitieve problematiek), trauma’s, verwaarlozing, misbruik en/of mishandeling. Wanneer jeugdigen (hierdoor) gedragsproblematiek ontwikkelen (acting- out en/of acting-in), vraagt dat om specifieke, de alledaagse overstijgende opvoedvaardigheden, veel extra aandachten dus professionele vaardigheden om hiermee om te gaan. Gezinshuisouders onderscheiden zich hierin van pleegouders. Jeugdigen die tot hun 21e levensjaar in een gezinshuis wonen, hebben een eerste toewijzing hiervoor al voor het 18e levensjaar ontvangen. Indien blijkt dat een jeugdige tot het 23e levensjaar in het gezinshuis moet verblijven kan in overleg met de gemeentelijke toegang het verblijf tot 23 jaar worden verlengd.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn) Gezinshuis: Tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar bereikt. Mogelijk verlengde jeugdwet tot 23 jaar.
Jeugdigen in een fasehuis, worden opgevangen in een groep. Dit is geen leefgroep, maar een groep gericht op het ‘zelfstandig worden’ van jeugdigen en is in die zin een voorloper van een zelfstandigheidstraining. Jeugdigen krijgen een stabiele plek, waar zij zo nodig voor langere tijd tot hun 18e jaar kunnen verblijven, tot het moment waarop zij of weer terug naar huis kunnen of tot wanneer zij zelfstandig gaan wonen. Ouders/verzorgers en het netwerk blijven betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Oudersspelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige. De behandeling wordt vormgegeven door de pedagogisch medewerkers op de groep, ondersteund door een gedragswetenschapper. De problematiek die de jeugdige ervaart, alsmede de leeftijd van de jeugdigen maakt toezicht en begeleiding noodzakelijk.
Er wordt gewerkt conform de Richtlijn Residentiele Jeugdhulp.
De jeugdige is door de problematiek of de leeftijd (nog) onvoldoende zelfredzaam om zelfstandig te kunnen wonen, waardoor begeleiding noodzakelijk is. Jeugdigen uit gezinnen met systeemproblematiek/multiproblem, die zelf ook problematiek ervaren. Door omstandigheden thuis kan de jeugdige niet thuis blijven wonen en is een alternatieve woonplek noodzakelijk. De basisvaardigheden ontbreken nog waardoor toezicht en begeleiding nodig is.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn); Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn) 18 maanden
i. Zelfstandigheidstraining/Kamertrainingscentrum (KTC);
Jeugdigen krijgen een stabiele plek, waar zij zo nodig voor langere tijd kunnen verblijven, tot het moment waarop zij of weer terug naar huis kunnen of tot wanneer zij zelfstandig gaan wonen. De reguliere begeleiding bij het wonen wordt binnen dit perceel geleverd. Jeugdigen in een KTC, worden opgevangen in een groep. Dit is geen leefgroep, maar een groep gericht op het ‘zelfstandig worden’ van jeugdigen. Het gaat hierbij om een verzameling van zelfstandige units, eventueel met een gezamenlijke ruimte. In deze setting wordt een jeugdige voorbereid op zelfstandig wonen. De jeugdhulp wordt vormgegeven door de pedagogisch medewerkers op de groep, ondersteund door een gedragswetenschapper. De wijze waarop deze hulpvorm wordt vormgegeven kan verschillen, door het gebruik van kamers, studio’s, etc. Ouders en het sociale netwerk blijven betrokken bij de opvoeding van de jeugdige en zijn onderdeel van het traject dat met de jeugdige wordt doorlopen. Ouders spelen (waar mogelijk) een actieve rol in het leven van de jeugdige en dragen bij aan de ondersteuning aan de jeugdige. Er wordt gewerkt conform de richtlijnen residentiele jeugdhulp.
Jeugdigen tot 18 jaar uit gezinnen met systeemproblematiek/multiproblem die nog niet volledig zelfstandig kunnen wonen. Door omstandigheden thuis kan de jeugdige niet thuis blijven wonen, maar is opvang noodzakelijk. De basisvaardigheden zijn aanwezig, maar er is in het zelfstandig wonen wel nog begeleiding gewenst.
j. Pleegzorg crisis (ondersteuningsgericht);
Pleegzorg Crisis wordt ingezet wanneer er sprake is van een crisissituatie in het gezin. Dit kan zijn vanwege een onveilige situatie inhet gezin door de jeugdige zelf, ouders of andere inwonende gezinsleden. De dreiging is intern in het gezin zelf of extern naar de directe omgeving. Deze dienstverlening kan alleen worden ingezet indien er een directe acute noodzaak is voor opvang van jeugdigen in het gezin. De betrokken hulpverleners stellen met het gezin en de jeugdige een plan van aanpak op waarmee de situatie die leidde tot de uithuisplaatsing in de toekomst wordt voorkomen. Uitstellen van de crisisinterventie voor 24 uur of meer heeft directe onacceptabele gevolgen voor de veiligheid van een jeugdige. Met deze inzet wordt de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd. Pleegzorg Crisis is erop gericht een jeugdige een plek te bieden om veilig te verblijven, maar ook om de (biologische) ouders van de jeugdige te betrekken in de oplossing voor de onveilige situatie. Waar mogelijk vindt plaatsing in het eigen netwerk van het gezin plaats. Het uitgangspunt is dat de ouder(s) uiteindelijk zelf de opvoeding weer op zich nemen, ondanks dat dit niet vanzelfsprekend is. De tijd waarin dit perceel in wordt gezet, wordt benut om te bepalen of de jeugdige weer thuis kan wonen en wat er nodig is om een veilige thuissituatie te creëren. Ouders en het sociale netwerk blijven onderdeel van de opvoeding van de jeugdige en worden hier actief bij betrokken (op een veilige en verantwoorde manier), ook in een situatie die leidde tot deze crisisinterventie.
De jeugdige die gebruikt maakt van deze voorziening kan in een gezonde gezinssituatie of woonomgeving redelijk leeftijdsadequaat functioneren. De jeugdige of diens omgeving heeft hulpvragen gericht op de ontwikkeling, waar jeugdhulp voor nodig is. Uitstellen van de crisisinterventie voor 24 uur of meer heeft directe onacceptabele gevolgen voor de veiligheid van een jeugdige. Met deze inzet wordt de veiligheid van de jeugdige gewaarborgd. De jeugdige komt uit een onveilige situatie en dit kan zijn sporen hebben achtergelaten.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): 24 maanden
k. Crisisopvang Wonen (ondersteuningsgericht);
De crisisopvang wordt ingezet indien er sprake is van een crisissituatie in het gezin. De crisisopvang is elk moment van de dag op elke dag van het jaar (24/7) beschikbaar. De organisatie biedt een woonplek in een professionele gezinssetting (niet pleegzorg) Bijvoorbeeld een gezinshuis of een lichte behandelgroep of op een woonlocatie waar de jeugdige onder begeleiding tijdelijk zelfstandig kan verblijven. De betrokken hulpverleners stellen met het gezin en de jeugdige een plan van aanpak op waarmee de situatie die leidde tot de uithuisplaatsing in de toekomst wordt voorkomen. In de gevallen waarin voorzien wordt dat een jeugdige niet terugkomt, wordt een plan gemaakt waarmee ouders en jeugdige binnen de omstandigheden zo goed als mogelijk contact houden. Met behulp van dit plan wordt, zo nodig met andere hulpverleners, een traject uitgezet. De jeugdige kampt zelf met problematiek, maar die is niet van dien aard dat naar verwachting opname in een behandelgroep of klinische setting noodzakelijk is. Wel heeft de jeugdige in de dagelijkse gang van zaken professionele ondersteuning nodig. Crisisopvang kan alleen worden ingezet indien er een noodzaak is voor de uithuisplaatsing van een jeugdige, omdat deze vanwege de omstandigheden in het gezin acuut gevaar loopt op het gebied van veiligheid of de ontwikkeling. Uitstellen van de crisisinterventie voor 24 uur heeft directe onacceptabele gevolgen voor de veiligheid van een jeugdige. Deze veiligheid kan niet worden geborgd door middel van ambulante inzet in het gezin. Er wordt gewerkt conform de Richtlijn Residentiele Jeugdhulp.
De jeugdige die gebruikt maakt van deze voorziening kan in een gezonde gezinssituatie of woonomgeving redelijk leeftijdsadequaat functioneren. Bij de jeugdige of diens gezin die gebruik wil maken van dit perceel is sprake van een crisissituatie. De jeugdige heeft zelf hulpvragen gericht op de eigen ontwikkeling, waar jeugdhulp voor nodig is. De situatie waar de jeugdige vandaan komt en nu in terecht komt vraagt extra aandacht en begeleiding om ervoor te zorgen dat het leven van de jeugdige weer op de rit komt, waardoor professionele begeleiding/ouders nodig is/zijn.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 28 dagen
l. Crisisopvang Behandelen (Herstelgericht);
Opvang in de intramurale crisisopvang kan op elk moment van de dag op elke dag van het jaar (24/7). De organisatie biedt een verblijfsplek in een setting met veel toezicht (bijvoorbeeld behandelgroep of klinische setting). Het veiligheidsniveau van de voorziening is passend bij de hulpvraag en de achterliggende problematiek van de jeugdige en het gezin. De betrokken hulpverleners stellen met het gezin en de jeugdige een plan van aanpak op waarmee de situatie die leidde tot de uithuisplaatsing in de toekomst wordt voorkomen. In de gevallen waarin voorzien wordt dat een jeugdige niet terugkomt, wordt een plan gemaakt waarmee ouders en jeugdige binnen de omstandigheden zo goed als mogelijk contact houden. Met behulp van dit plan wordt, zo nodig met andere hulpverleners, een traject uitgezet. De jeugdige kampt met zowel internaliserend, als externaliserend gedrag, waardoor op een grote mate van toezicht noodzakelijk is. Crisisopvang behandelen kan alleen worden ingezet indien er een directe acute noodzaak is voor de uithuisplaatsing van een jeugdige omdat de jeugdige, het gezin of de omgeving vanwege de omstandigheden in het gezin in combinatie met de problematiek van de jeugdige acuut gevaar loopt. Uitstellen van de crisisinterventie voor 24 uur heeft directe onacceptabele gevolgen voor de veiligheid van een jeugdige of de omgeving. Deze veiligheid kan niet worden geborgd door middel van ambulante inzet in het gezin.
De jeugdige die gebruikt maakt van deze voorziening kan niet in een gezonde gezinssituatie of woonomgeving leeftijdsadequaat functioneren. De jeugdige heeft kind eigen problematiek gericht op de ontwikkeling, waar jeugdhulp voor nodig is. Jeugdhulpverleners die al bij het gezin betrokken zijn gaan hierom zoveel mogelijk door. De situaties waar de jeugdige vandaan komt en nu in terecht komt vragen extra aandacht en begeleiding om ervoor te zorgen dat het leven van de jeugdige weer op de rit komt. Er is een plan voor nodig om herhaling van de crisis te voorkomen
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn); Maximaal 7 etmalen per week
Duur per beschikking (richtlijn): Maximaal 28 dagen
Deeltijdpleegzorg is een vorm van pleegzorg waarbij een jeugdige af en toe (bijv. in weekenden of vakanties) naar een pleegouder gaat. Dat is om ouders of pleegouder te ondersteunen en/of ontlasten. Of om te zorgen dat een kind uit een verblijfsinstelling af en toe het gewone gezinsleven kan meemaken. Deeltijdpleegzorg is erop gericht een jeugdige een plek te bieden om veilig op te groeien. Het uitgangspunt is dat de ouder(s) uiteindelijk zelf de opvoeding weer volledig op zich nemen. De relatie met ouders en het sociale netwerk blijft belangrijk voor pleegkinderen. Ouders en netwerk blijven onderdeel van de opvoeding van de jeugdige en worden hier actief bij betrokken (op een veilige en verantwoorde manier). De jeugdhulpaanbieder draagt zorgt voor de werving van de pleegzorg en het tot stand brengen van een match tussen de jeugdige en een (deeltijd)pleeggezin. Ouders worden betrokken bij de match tussen het kind en de pleegouders. De jeugdhulpaanbieder betrekt het sociale netwerk van de jeugdige en onderzoekt de mogelijkheden die het sociale netwerk biedt. De jeugdhulpaanbieder biedt ondersteuning bij de samenwerking tussen ouders en pleegouders. Ook bieden zij begeleiding aan het pleeggezin gericht op de opvoeding en begeleiding van de jeugdige. De jeugdhulpaanbieder informeert het pleeggezin over (financiële) regelingen en geeft voorlichting op het gebied van de financiële mogelijkheden en verplichtingen behorend bij het pleegouderschap.
Verbinding met het onderwijs en/of dagbesteding
Het onderwijs en/of dagbesteding wordt altijd betrokken indien het traject of de hulpvraag gevolgen voor of effect op de dagbesteding van de jeugdige heeft. Bij het bestendigen van de hulpvraag in de eigen omgeving van de jeugdige of het gezin, wordt samen met het onderwijs bepaald welke rol het onderwijs daarin kan spelen.
Jeugdigen van 0 tot 21 jaar uit gezinnen waar de opvoedingsproblemen zo groot zijn dat de jeugdige tijdelijk of voor langere tijd niet meer volledig in het eigen gezin kan wonen. Dit kan zowel vrijwillig gebeuren als in een situatie waarvoor een rechter een kinderbeschermingsmaatregel heeft uitgesproken. Het is van belang om ruim voor het 21e jaar te starten met het maken van een toekomstplan op weg naar zelfstandigheid. Jeugdigen die tot hun 21e pleegzorg ontvangen, hebben een eerste toewijzing hiervoor al voor het 18e levensjaar ontvangen. Indien blijkt dat een jeugdige tot het 23e levensjaar in het pleeggezin moet verblijven kan in overleg met de gemeentelijke toegang het verblijf tot het 23e levensjaar worden verlengd.
Aanvullende leveringsvoorwaarden voor deze voorziening
Intensiteit (richtlijn): Gemiddeld 3 etmalen per week (maximaal 156 etmalen per jaar)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-110974.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.