Besluit tot vervanging van Rollepaal-Oost

Wijzigartikel I

Het Omgevingsplan gemeente Hardenberg wordt gewijzigd zoals beschreven in de motivering bij deze wijziging van het omgevingsplan en deze in Bijlage A bij dit besluit is opgenomen, met als doel het realiseren van de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost.

Artikel II

Dit omgevingsplan treedt in werking op ntb.

Bijlage A Integrale tekstvervanging Rollepaal-Oost

Omgevingsplan gemeente Hardenberg

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Afdeling 1.1 Algemene bepalingen

Artikel 1.1 Begripsbepalingen
  • 1.

    Bijlage I bij dit omgevingsplan bevat begripsbepalingen voor de toepassing van dit omgevingsplan.

  • 2.

    Begripsbepalingen die zijn opgenomen in de bijlage bij de Omgevingswet en in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij in Bijlage I daarvan is afgeweken.

Artikel 1.2 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    In dit omgevingsplan gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

    • a.

      risico-index voor PFAS: de risico-index voor PFAS wordt bepaald volgens de richtlijnen van het RIVM zoals opgenomen in de memo Achtergrondwaarden en risicogrenzen ten behoeve van onderbouwing Maximale Waarden PFAS voor toepassen van grond en baggerspecie (29 april 2021);

    • b.

      de dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

    • c.

      de goothoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, ondergeschikte bouwdelen worden hierbij buiten beschouwing gelaten;

    • d.

      de bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

    • e.

      de oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

    • f.

      de inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. Ruimten, zoals kelders en kruip- en soortgelijke ruimten, onder de onderzijde van de begane grondvloer - en tussen de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren - worden niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk, tenzij:

      • 1.

        de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen; of

      • 2.

        de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft;

      In bestaande situaties wordt een kelder waarvan de onderzijde van de begane grondvloer op meer dan 0,3 meter boven peil is gelegen of de kelder aan de buitenzijde een directe toegang heeft, niet meegerekend bij de inhoud van een bouwwerk. Bij recreatiewoningen wordt de inhoud van een kelder onder de recreatiewoning wel meegeteld bij de inhoud van de woning;

    • g.

      het bebouwingspercentage: een aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

    • h.

      de vloeroppervlakte: de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;

    • i.

      de bruto vloeroppervlakte: de oppervlakte van een ruimte of van een groep van ruimten gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen;

    • j.

      het verkoopvloeroppervlakte: de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw voor detailhandel, onder welke ruimten niet zijn begrepen opslag-, personeels-, sanitaire en andere dienstruimten, garderobes en keukens;

    • k.

      de ashoogte van een windturbine:

      • 1.

        turbines met een horizontale as: vanaf het middelpunt van de as van de wieken tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;

      • 2.

        turbines met een verticale as: vanaf de rotor tot aan het aansluitende afgewerkte terrein;

    • l.

      de tiphoogte van een windturbine:

      • 1.

        turbines met een horizontale as: de ashoogte van een windturbine plus de straal van de rotorcirkel;

      • 2.

        turbines met een verticale as: de ashoogte van een windturbine plus het deel van de rotorbladen dat daarbovenuit steekt;

    • m.

      de rotordiameter van een windturbine: deze wordt bepaald door het maximale bereik van de rotordiameter, gemeten loodrecht op de as;

    • n.

      wijziging van een (spoor)weg: daaronder wordt bij een weg verstaan:

      • 1.

        het verplaatsen van een of meer rijstroken met meer dan 2 meter;

      • 2.

        het verhogen of verlagen van de rijstroken met meer dan 1 meter;

      • 3.

        een toename van het aantal rijstroken, niet zijnde voorsorteerstroken en in- en uitvoegstroken;

      • 4.

        het vervangen van een wegdek door een minder stil wegdek; of

      • 5.

        het verwijderen van geluidbeperkende maatregelen bestaande uit werken of bouwwerken langs de weg;

        en bij een spoorweg:

      • 6.

        het verhogen van de maximumrijsnelheid;

      • 7.

        het vervangen van spoormaterieel door minder stil spoormaterieel; of

      • 8.

        het verhogen van de treinintensiteit;

    • o.

      waar waarden gelden:

      • 1.

        op een gevoelig gebouw, anders dan een woonschip of woonwagen:

        • i.

          op de gevel als het gaat om een gevoelig gebouw; en

        • ii.

          op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen gevoelig gebouw;

      • 2.

        op de begrenzing van een locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen als het gaat om een woonschip of woonwagen; en

      • 3.

        in een gevoelige ruimte, als het gaat om een gevoelige ruimte.

    • p.

      de waarden voor geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen of in geluidgevoelige ruimten zijn niet van toepassing op:

      • 1.

        het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval; en,

      • 2.

        onversterkt menselijk stemgeluid, tenzij het muziekgeluid is of daarmee is vermengd.

  • 2.

    Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de grens van de locatie of de rooilijn met niet meer dan 1 meter wordt overschreden.

Artikel 1.3 Doelen omgevingsplan Hardenberg
  • 1.

    Dit omgevingsplan is met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet gericht op het uitoefenen van de bevoegdheden en taken van de gemeente Hardenberg als bedoeld in artikel 2.1 van de Omgevingswet waarbij sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en andere regels die met het oog daarop nodig zijn als bedoeld in artikel 4.2 van de Omgevingswet.

  • 2.

    De gemeente Hardenberg staat voor een nieuwe periode van groei waarin we ons ontwikkelen tot landstad Hardenberg. Daarbij staan vier uitgangspunten centraal:

    • a.

      de groei vasthouden en doortrekken, een stabiele bevolkingsgroei is daarbij een voorwaarde;

    • b.

      kwaliteiten toevoegen wordt belangrijker: we streven naar brede welvaart en een aantrekkelijke omgeving om te wonen, te werken of te ondernemen;

    • c.

      ruimte als troefkaart: daarmee onderscheiden we ons, in Hardenberg krijg je veel voor weinig;

    • d.

      bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden: we zijn een regionaal economisch en vervoersknooppunt voor noordoost-Nederland. Met de as Zwolle-Hardenberg als basis voor samenwerking en bereikbaarheid.

  • 3.

    De ontwikkeling naar landstad Hardenberg vindt plaats op basis van de volgende kenmerken:

    • a.

      een grote verscheidenheid in het landelijk gebied;

    • b.

      aantrekkelijk wonen;

    • c.

      een vitale economie; en

    • d.

      samen bouwen aan een duurzame toekomst.

Artikel 1.4 Gebiedsindeling omgevingsplan Hardenberg

Afdeling 1.2 Programma’s en omgevingswaarden

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 2 Stedelijk gebied

Afdeling 2.1 Algemene bepalingen stedelijk gebied

Paragraaf 2.1.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.1 Doelstellingen
  • 1.

    Voor het stedelijk gebied gelden de volgende specifieke doelstellingen:

    • a.

      het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners;

    • b.

      het behouden en verder ontwikkelen van het karakter van de verschillende kernen en het bouwen aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteit van de woongebieden;

    • c.

      het voldoen aan de regionale woningbehoefte met een passend woningaanbod, bij voorkeur middels kleine woningbouwprojecten die inspelen op woontrends;

    • d.

      het creëren van meer kleinschalige woon-/zorgconcepten en nieuwe combinaties van (betaalbaar) wonen met ambulante zorg;

    • e.

      het geven van ruimte aan kleinschalige bedrijfsactiviteiten door een goede en flexibele ruimtelijke inpassing;

    • f.

      het revitaliseren en transformeren van de bestaande woningvoorraad en het stimuleren van investeringen in levensloopbestendigheid en duurzaamheid (waaronder het duurzaam verwarmen van woningen);

    • g.

      het beschikken over voldoende bedrijventerreinen voor groeiende bedrijven met een grote ruimtebehoefte;

    • h.

      het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat op het bedrijventerreinen en het versterken van het ondernemersklimaat;

    • i.

      het beschikken over een goede fysieke en digitale bereikbaarheid van bedrijventerreinen;

    • j.

      het stimuleren van een circulaire economie en verduurzaming;

    • k.

      het stimuleren van de energietransitie en klimaatadaptatie;

    • l.

      het zorgdragen voor een goede beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen met waar mogelijk behoud van landschappelijke elementen en een vloeiende overgang naar de omgeving;

    • m.

      het zorgdragen voor een goede segmentering (juiste bedrijf op de juiste plek) op bedrijventerreinen;

    • n.

      het zorgdragen voor een hoog kwaliteitsniveau en stimuleren van samenwerking tussen bedrijven en delen van voorzieningen (parkmanagement); 

    • o.

      het ontwikkelen van vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart met een goede samenhang tussen bereikbaarheid, cultureel aanbod, winkels en horeca, nieuwe bedrijvigheid, wonen en openbare ruimte;

    • p.

      het uitbouwen van het stationsgebied van Hardenberg tot verblijfsgebied dat aanvullend is op het centrum;

    • q.

      het ondersteunen van de leefbaarheid in kleine kernen met een concentratie en bundeling van dorpsvoorzieningen en een goede onderlinge bereikbaarheid met verschillende vervoermiddelen;

    • r.

      het ontwikkelen van een goede strategie om het voorzieningenniveau te laten meebewegen met de veranderende behoefte;

    • s.

      het behouden van een zo compleet en sterk mogelijk voorzieningenpakket in de gemeente met een basisvoorziening zoals een ontmoetingsruimte in elke kern; en,

    • t.

      het behouden en versterken van de kwaliteit van de hoofdgroenstructuur bestaande uit groen en bos ten behoeve van een gezond leef- en woonmilieu en de vrijetijdseconomie..

  • 2.

    Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het stedelijk gebied de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties:

    • a.

      agrarisch in stedelijk gebied;

    • b.

      bedrijf in stedelijk gebied;

    • c.

      bedrijventerrein;

    • d.

      begraafplaats;

    • e.

      centrum;

    • f.

      cultuur en ontspanning;

    • g.

      detailhandel in stedelijk gebied;

    • h.

      dienstverlening;

    • i.

      gemengd;

    • j.

      hoofdgroenstructuur;

    • k.

      horeca in stedelijk gebied;

    • l.

      industrieterrein;

    • m.

      penitentiaire inrichting;

    • n.

      maatschappelijke voorzieningen in stedelijk gebied;

    • o.

      recreatie in stedelijk gebied;

    • p.

      sport;

    • q.

      wonen in stedelijk gebied; en,

    • r.

      woongebied.

Artikel 2.2 Algemene regels stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.2 Algemene bepalingen stedelijk gebied Rollepaal Oost

Paragraaf 2.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.3 Doelstellingen
  • 1.

    Voor stedelijk gebied Rollepaal Oost gelden de volgende specifieke doelstellingen:

    • a.

      het beschikken over voldoende bedrijventerreinen voor groeiende bedrijven met een grote ruimtebehoefte;

    • b.

      het stimuleren van een aantrekkelijk vestigingsklimaat op het bedrijventerreinen en het versterken van het ondernemersklimaat;

    • c.

      het beschikken over een goede fysieke en digitale bereikbaarheid van bedrijventerreinen;

    • d.

      het stimuleren van een circulaire economie en verduurzaming;

    • e.

      het stimuleren van de energietransitie en klimaatadaptatie;

    • f.

      het zorgdragen voor een goede beeldkwaliteit en landschappelijke inpassing van bedrijventerreinen met waar mogelijk behoud van landschappelijke elementen en een vloeiende overgang naar de omgeving;

    • g.

      het zorgdragen voor een goede segmentering (juiste bedrijf op de juiste plek) op bedrijventerreinen; 

    • h.

      het zorgdragen voor een hoog kwaliteitsniveau en stimuleren van samenwerking tussen bedrijven en delen van voorzieningen (parkmanagement).

    • i.

      het zorgdragen voor een aanvaardbaar geluidniveau in de omgeving van het industrieterrein.

  • 2.

    Met het oog op het bereiken van deze doelstellingen kent het stedelijk gebied Rollepaal Oost de volgende functies met daaraan gestelde regels ten behoeve van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties:

    • a.

      hoofdgroenstructuur;

    • b.

      industrieterrein.

Artikel 2.4 Algemene regels stedelijk gebied

Gereserveerd

Afdeling 2.3 Agrarisch in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.4 Bedrijf in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.5 Bedrijventerrein

[Gereserveerd]

Afdeling 2.6 Centrum

[Gereserveerd]

Afdeling 2.7 Detailhandel in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.8 Dienstverlening

[Gereserveerd]

Afdeling 2.9 Gemengd

[Gereserveerd]

Afdeling 2.10 Hoofdgroenstructuur

Paragraaf 2.10.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 2.10.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.5 Oogmerk functie hoofdgroenstructuur

De regels over de functie hoofdgroenstructuur in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behouden van de hoofdgroenstructuur met betekenis voor de openbare ruimte en de aanwezigheid van beeldbepalende bomen;

  • b.

    het behouden en versterken van het landschap; en

  • c.

    de recreatieve beleving en het gezonde leven.

Paragraaf 2.10.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 2.10.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 2.6 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

  • 1.

    De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

    • a.

      het ontwikkelen en beheren van de hoofdgroenstructuur; en

    • b.

      recreatief extensief verblijven.

  • 2.

    Gereserveerd

  • 3.

    Ter plaatse van de locatie ontsluiting zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

    • a.

      het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg;

    • b.

      zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en

    • c.

      het gebruiken van openbaar gebied.

SubParagraaf 2.10.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 2.7 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.10.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a.

    het voeren van reclame; en,

  • b.

    het opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten;

  • c.

    de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen binnen de locatie ontsluiting.

Paragraaf 2.10.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 2.10.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

[Gereserveerd]

SubParagraaf 2.10.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 2.8 Vaste beoordelingsregels bouwen ten behoeve van waterbeheer

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van waterbeheer wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; en

  • b.

    de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Artikel 2.9 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)

Een omgevingsvergunning voor het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter; en

  • b.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

SubParagraaf 2.10.3.3 Verboden bouwactiviteiten

Artikel 2.10 Aanwijzing verboden bouwactiviteiten

Ter plaatse van de locatie ontsluiting is het verboden om een windturbine te realiseren, in stand te houden en gebruiken binnen een afstand van 7,85 meter plus een halve rotordiameter vanaf de grens van de locatie voor een hoofdroute voor spoorwegverkeer, met een minimum van 30 meter.

Paragraaf 2.10.4 Overige activiteiten
SubParagraaf 2.10.4.1 Toegestane overige activiteiten

Artikel 2.11 Aanwijzing toegestane overige activiteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning bestaande wegen, paden en parkeervoorzieningen in stand te houden en te gebruiken.

Afdeling 2.11 Hoofdgroenstructuur Rollepaal Oost

Paragraaf 2.11.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 2.11.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.12 Oogmerk functie hoofdgroenstructuur in stedelijk gebied

De regels over de functie hoofdgroenstructuur in stedelijk gebied Rollepaal Oost in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het behouden van de hoofdgroenstructuur met betekenis voor de openbare ruimte;

  • b.

    het behouden en versterken van het landschap;

  • c.

    de recreatieve beleving en het gezonde leven; en

  • d.

    het afschermen van het industrieterrein Rollepaal Oost.

Paragraaf 2.11.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 2.11.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 2.13 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • a.

    het ontwikkelen en beheren van de hoofdgroenstructuur; en,

  • b.

    recreatief extensief verblijven;

  • c.

    de aanleg en instandhouding van een grondwal.

SubParagraaf 2.11.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 2.14 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf SubParagraaf 2.11.2.1 is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a.

    het opsporen en winnen van delfstoffen en andere bodemschatten;

  • b.

    crossen met motorvoertuigen, met uitzondering van elektrische fietsen;

  • c.

    het voeren van reclame;

  • d.

    het opslaan van goederen, voorwerpen, gewassen en afvalproducten; en,

  • e.

    het houden van dieren.

Paragraaf 2.11.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 2.11.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

Artikel 2.15 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 2.13 mits deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1.

SubParagraaf 2.11.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 2.16 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen ten behoeve van waterbeheer en overige bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 2.13 anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 2.15.

Artikel 2.17 Vaste beoordelingsregels bouwen ten behoeve van waterbeheer

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwen van bouwwerken ten behoeve van waterbeheer voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²; en,

  • b.

    de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Artikel 2.18 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)

De omgevingsvergunning wordt verleend indien het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt ten hoogste 2 meter;

  • b.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Paragraaf 2.11.4 Overige activiteiten
SubParagraaf 2.11.4.1 Toegestane overige activiteiten

Artikel 2.19 Aanwijzing toegestane overige activiteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden te verrichten:

  • a.

    de aanleg van de hoofdgroenstructuur en paden;

  • b.

    werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;

  • c.

    activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.

SubParagraaf 2.11.4.2 Vergunningplichtige overige activiteiten

[Gereserveerd]

SubParagraaf 2.11.4.3 Geboden overige activiteiten

Artikel 2.20 Aanwijzing geboden activiteiten

  • 1.

    Ter plaatse van de locatie afschermende beplanting Rollepaal Oost geldt de verplichting dat er een groenstrook wordt aangelegd en onderhouden in de vorm van afschermende beplanting met een minimale breedte van 10 meter.

  • 2.

    Ter plaatse van de locatie grondwal Rollepaal Oost geldt de verplichting dat er een grondwal wordt aangelegd en onderhouden met de volgende afmetingen:

    • a.

      de grondwal is minimaal 3 meter hoog;

    • b.

      de grondwal is minimaal 18 meter breed.

  • 3.

    Er kan een maatwerkvoorschrift worden gesteld dat een naar aard en omvang vergelijkbare inrichting voorschrijft.

Afdeling 2.12 Horeca in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.13 Industrieterrein

Paragraaf 2.13.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.21 Aanwijzing industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost

De locatie industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost is aangewezen als industrieterrein zoals bedoeld in artikel 5.78e van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.22 Oogmerk functie industrieterrrein Rollepaal en Rollepaal Oost

De regels in deze afdeling over de functie industrieterrein Rollepaal zijn gesteld met het oog op het voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties.

Artikel 2.23 Normadressaat

Aan Afdeling 2.13 wordt voldaan door de degene die de milieubelastende activiteiten, die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, verricht.

Artikel 2.24 Geluidproductieplafonds industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost

Voor de locatie industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost gelden de volgende geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zoals bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet:

Geluidproductieplafond

x-coördinaat

y-coördinaat

Lden in dB

Lnight in dB

GPP-IL Rollepaal 01

230994,31

513574,38

46,9

36,9

GPP-IL Rollepaal 02

230706,5

513966,1

46,7

36,7

GPP-IL Rollepaal 03

230300,09

514198,5

45,6

35,6

GPP-IL Rollepaal 04

229852,06

514354,2

43,4

33,4

GPP-IL Rollepaal 05

229373,15

514325,8

42,7

32,7

GPP-IL Rollepaal 06

228890,54

513894,91

42,4

32,4

GPP-IL Rollepaal 07

228422,84

514209,4

41,1

31,1

GPP-IL Rollepaal 08

228197,49

513800,5

41,3

31,3

GPP-IL Rollepaal 09

228319,26

513333,2

42,9

32,9

GPP-IL Rollepaal 10

228554,46

512915,0

44,6

34,6

GPP-IL Rollepaal 11

228868,96

512552,7

46,5

36,5

GPP-IL Rollepaal 12

229147,21

512154,2

45,8

35,8

GPP-IL Rollepaal 13

229572,84

511963,6

45,6

35,6

GPP-IL Rollepaal 14

230000,64

512175,8

47,9

37,9

GPP-IL Rollepaal 15

230392,78

512463,03

49,9

39,9

GPP-IL Rollepaal 16

230779,42

512757,4

49,3

39,3

GPP-IL Rollepaal 17

231088,5

513116,8

46,9

36,9

GPP-IL Rollepaal 18

228725,77

513829,9

50,1

40,1

GPP-IL Rollepaal 19

228825,23

513842,9

51,1

41,1

GPP-IL Rollepaal 20

228924,38

513855,9

53,0

43,0

GPP-IL Rollepaal 21

229023,54

513868,9

54,6

44,6

GPP-IL Rollepaal 22

229122,7

513881,9

54,1

44,1

GPP-IL Rollepaal 23

229221,84

513894,9

52,4

42,4

GPP-IL Rollepaal 24

229341,5

513890,83

50,4

40,4

GPP-IL Rollepaal 25

229432,17

513871,6

52,0

42,0

GPP-IL Rollepaal 26

229512,23

513935,85

49,6

39,6

GPP-IL Rollepaal 27

229656,04

513897,84

49,2

39,2

GPP-IL Rollepaal 28

229897,76

513869,81

50,1

40,1

GPP-IL Rollepaal 29

230681,83

513596,43

50,6

40,6

GPP-IL Rollepaal 30

229653,93

512478,44

54,1

44,1

GPP-IL Rollepaal 31

229033,02

512912,28

50,9

40,9

GPP-IL Rollepaal 32

228872,11

513256,83

49,8

39,8

GPP-IL Rollepaal 33

228630,12

513500,66

47,8

37,8

GPP-IL Rollepaal 34

228599,84

513595,97

47,7

37,7

GPP-IL Rollepaal 35

228569,18

513691,09

47,0

37,0

GPP-IL Rollepaal 36

229246,48

513392,13

57,2

47,2

GPP-IL Rollepaal 37

229327,24

513410,12

57,5

47,5

GPP-IL Rollepaal 38

229392,38

513423,48

57,1

47,1

GPP-IL Rollepaal 39

229470,38

513435,24

56,9

46,9

Artikel 2.25 Geluidproductieplafonds industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost resultaatsverplichting

De omgevingswaarde als bedoeld in Artikel 2.24 is een resultaatsverplichting.

Artikel 2.26 Geluidaandachtsgebied in plaats van geluidzone

In afwijking van de regels van de in het volgende overzicht genoemde artikelen uit de bestemmingsplannen in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg, zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, geldt de gebiedsaanwijzing industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidaandachtsgebied als geluidaandachtsgebied bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving:

Bestemmingsplan

Datum vaststelling

Artikel

Bestemmingsplan Dedemsvaart

18‑02‑2014

Artikel 20

Buitengebied Hardenberg

02‑12‑2014

Artikel 58

Deze regel is opgenomen als attendering aan de gebruiker van dit omgevingsplan. De exacte ligging van het geluidaandachtsgebied moet worden geraadpleegd in het geluidregister zoals bedoeld in artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.27 Geluidaandachtsgebied industrieterrein Rollepaal

In aanvulling op de regels uit het bestemmingsplan ‘De Rollepaal’ (uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet) van de gemeente Hardenberg, dat op 18 maart 1999 is vastgesteld, geldt de gebiedsaanwijzing industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidaandachtsgebied als geluidaandachtsgebied bedoeld in paragraaf 5.1.4.2a.4 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Deze regel is opgenomen als attendering aan de gebruiker van dit omgevingsplan. De exacte ligging van het geluidaandachtsgebied moet worden geraadpleegd in het geluidregister zoals bedoeld in artikel 11.52 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 2.13.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 2.13.2.1 Toegestane gebruiksacitiviteiten

Artikel 2.28 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten industrieterrein Rollepaal

  • 1.

    Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal is in aanvulling op het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de exploitatie van een bedrijf toegestaan als ook wordt voldaan aan de voorwaarden zoals opgenomen in Artikel 2.30.

  • 2.

    Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal is in aanvulling op het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de exploitatie van een kantoor toegestaan.

  • 3.

    Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal zijn in afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet de volgende activiteiten toegestaan:

    • a.

      bedrijfswonen;

    • b.

      de exploitatie van een bedrijf.

  • 4.

    Ter plaatse van de locatie kantoor Rollepaal geldt voor het gezamenlijke geluid zoals bedoeld in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de waarde 59 dB voor het Lden.

Artikel 2.29 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten industrieterrein Rollepaal Oost

  • 1.

    Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is de exploitatie van een bedrijf toegestaan onder de voorwaarden zoals opgenomen in Artikel 2.31 en Artikel 2.32, met dien verstande dat de bedrijvigheid is gericht op productie, logistiek en/of groothandel.

  • 2.

    In aanvulling op het gestelde in lid 1 zijn ondergeschikte detailhandel, productiegebonden detailhandel, ondergeschikte horeca en het gebruik van bedrijfsgebonden kantoorruimten ook toegestaan.

  • 3.

    Het is toegestaan om per kavel slechts één inrit van maximaal 10 meter breed te gebruiken als de kavel maximaal 5 hectare groot is. Bij grotere kavels zijn twee inritten toegestaan.

  • 4.

    Ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost is de exploitatie van een hoog- en middenspanningsstation toegestaan.

Artikel 2.30 Algemene regels toegestane bedrijfsactiviteiten - geluidquotum industrieterrein Rollepaal (Lden en Lnight)

  • 1.

    Ter plaatse van het industrieterrein Rollepaal geldt in afwijking van de regels, zoals opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan zoals bedoeld in artikel 22.1 onder a van de Omgevingswet, dat het is toegestaan om milieubelastende activiteiten uit te oefenen, als wordt voldaan aan het bepaalde in de volgende leden van dit artikel. Dit betreft de artikelen uit de in het volgende overzicht opgenomen bestemmingsplannen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg:

    Bestemmingsplan

    Datum vaststelling

    Artikel

    Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart

    24‑03‑2009

    Artikel 3

    Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema)

    06‑03‑2012

    Artikel 3

    Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk deel

    02‑07‑2013

    Artikel 3

    Bestemmingsplan Dedemsvaart

    18‑02‑2014

    Artikel 7

    Bestemmingsplan Dedemsvaart (herziening)

    17‑03‑2015

    Artikel 7

    Rollepaal Oost, omgeving Schutwijk Dedemsvaart

    15‑09‑2015

    Artikelen 4 en 5

    Rollepaal, Langewijk 135, Dedemsvaart

    12‑03‑2024

    Artikel 3

  • 2.

    De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lden, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, die met dit omgevingsplan zijn vastgesteld mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in bijlage III bij de regels van dit omgevingsplan. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal aangeduide kavels.

  • 3.

    De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lnight, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, die met dit omgevingsplan zijn vastgesteld mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in bijlage IV bij de regels van dit omgevingsplan. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal aangeduide kavels.

Artikel 2.31 Algemene regels toegestane bedrijfsactiviteiten - geluidquotum industrieterrein Rollepaal Oost (Lden en Lnight)

  • 1.

    Ter plaatse van de industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan om milieubelastende activiteiten uit te oefenen, als wordt voldaan aan het bepaalde in de volgende leden van dit artikel.

  • 2.

    De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lden, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, die met dit omgevingsplan zijn vastgesteld mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage V bij de regels van dit omgevingsplan. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal Oost aangeduide kavels.

  • 3.

    De geluidbelasting, uitgedrukt in de dosismaat Lnight, die door de milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend op de referentiepunten GPP-IL Rollepaal 01 tot en met GPP-IL Rollepaal 39, die met dit omgevingsplan zijn vastgesteld mag niet groter zijn dan de geluidbelasting die hiervoor is vastgesteld zoals weergegeven in Bijlage VI bij de regels van dit omgevingsplan. De in deze bijlage opgenomen geluidquota gelden voor de met de omgevingsnorm kavels Rollepaal Oost aangeduide kavels.

Artikel 2.32 Algemene regels toegestane bedrijfsactiviteiten - geur

  • 1.

    In aanvulling op de regels opgenomen in Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan, geldt voor de milieubelastende activiteiten die op de locatieindustrieterrein Rollepaal Oost in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing worden uitgeoefend, dat de daarmee samenhangende geurbelasting op de afstand ‘omgevingsnorm afstand geur’ in meters vanaf de begrenzing waarbinnen deze samenhangende activiteiten worden uitgeoefend en daarbuiten, niet hoger mag zijn dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 onderschrijdingspercentiel.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in lid 1 mag de geurbelasting door de milieubelastende activiteiten ter hoogte van binnen de in lid 1 genoemde afstand gelegen geurgevoelige gebouwen niet hoger zijn dan 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel en 2 ouE/m3 als 99,9 onderschrijdingspercentiel.

Artikel 2.33 Industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost - meet- en rekenbepalingen geluid

  • 1.

    Op het bepalen van de geluidbelasting op een referentiepunt waarvoor een gpp is vastgesteld, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.6 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 2.

    Als bij nieuwvestiging van een bedrijf of wijziging van een bedrijf op industrieterrein Rollepaal of industrieterrein Rollepaal Oost de begrenzing van het bedrijf slechts een deel van het kavel in beslag neemt waarvoor het geluidquotum geldt; volgt het quotum voor de bijdrage aan de gpp’s voor dit bedrijf uit de volgende berekening:

    Lden = 10xlog10((Adeelx10(Lden/10))/Atot) en Lnight = 10xlog10((Adeelx10(Lnight/10))/Atot) waarin:

    Adeel = het oppervlak dat door het bedrijf binnen het totale kavel wordt ingenomen

    Atot = het oppervlak van het totale kavel waarvan het bedrijf een deel inneemt.

  • 3.

    Als bij nieuwvestiging van een bedrijf of wijziging van een bedrijf op industrieterrein Rollepaal of industrieterrein Rollepaal Oost het bedrijf meerdere kavels bestrijkt waarvoor geluidquota gelden, wordt de bijdrage door de milieuactiviteiten op de verschillende kavels getoetst aan de daarvoor vastgestelde quota waarbij - als het bedrijf van het kavel slechts een deel in beslag neemt - aan het volgens lid 2 berekende deel van het quotum wordt getoetst.

Artikel 2.34 Opslag van goederen in de buitenlucht

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan goederen in de buitenlucht op te slaan, met dien verstande dat deze opslag achter de voorgevelrooilijn en achter bedrijfsgebouwen plaatsvindt. Als de opslag zichtbaar is vanaf de openbare ruimte wordt deze met een haag, bomen of struiken van het zicht onttrokken.

Artikel 2.35 Parkeren op eigen terrein

Als op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost op eigen terrein vóór de voorgevelrooilijn wordt geparkeerd, dan moeten deze parkeerplaatsen met een haag van inheemse planten of struiken met een hoogte tussen 0,5 en 1,0 meter hoog worden afgeschermd.

Artikel 2.36 Laad- en losactiviteiten

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het toegestaan om laad- en losactiviteiten op het eigen terrein uit te voeren, mits deze laad- en losactiviteiten niet zichtbaar zijn vanaf de representatieve gevelzijde van de bedrijfsbebouwing.

Artikel 2.37 Algemene regels toegestane bedrijfsactiviteiten - toegankelijkheid openbare buitenruimte specifieke zorgplicht

Degene die ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost de openbare ruimte gebruikt, is verplicht ervoor zorg te dragen dat de openbare ruimte voldoende toegankelijk is voor personen met een functiebeperking.

SubParagraaf 2.13.2.2 Gebruiksactiviteiten met informatieplicht

Artikel 2.38 Aanwijzing gebruiksactiviteiten met een informatieplicht

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op milieubelastende activiteiten die op industrieterrein Rollepaal Oost in onderlinge samenhang worden uitgeoefend.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op milieubelastende activiteiten die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, waarbij:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 22.61 of een ander artikel in Afdeling 22.3 een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

SubParagraaf 2.13.2.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

[Gereserveerd]

SubParagraaf 2.13.2.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 2.39 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de op grond van SubParagraaf 2.13.2.1 toegestane gebruiksactiviteiten is verboden, dit verbod geldt ook voor risicovolle activiteiten als bedoeld in bijlage VII en VIII van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 2.40 Parkeren op de openbare weg

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het niet toegestaan om op de openbare weg te parkeren.

Paragraaf 2.13.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 2.13.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 2.41 Bouwactiviteiten, oriëntatie verlichting

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost, deelgebied A mag verlichting die richting de grondwal is georiënteerd op maximaal 4 meter hoogte worden bevestigd.

Artikel 2.42 Bouwactiviteiten, inrichting kavels

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost moet er bij bouwactiviteiten op kavels groter dan 5.000 m² worden gewaakt voor lange wandvorming aan de openbare weg. Bij wanden langer dan 100 meter, wordt deze onderbroken door de bebouwing fysiek te geleden/op te delen, en/of in de architectuur, aanpassing materiaal, kleur en/of detaillering.

Artikel 2.43 Bouwactiviteiten, oriëntatie vluchtwegen

Op de locatie brandvluchtgebied industrieterrein Rollepaal Oost moet aan de noordzijde van gebouwen een uitgang aanwezig zijn die gebruikers in staat stelt het gebouw noordwaarts te ontvluchten bij een calamiteit.

SubParagraaf 2.13.3.2 Toegestane bouwactiviteiten

Artikel 2.44 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in artikel Artikel 2.28 en Artikel 2.38 mits deze in overeenstemming is met Artikel 5.4.

SubParagraaf 2.13.3.3 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 2.45 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

Ter plaatse van de locatie industrieterrein Rollepaal Oost is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren, in stand te houden en te gebruiken als bedoeld in Artikel 2.28, Artikel 2.38 en Artikel 2.18, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 2.44.

Artikel 2.46 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde

De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 2.45 wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het aantal bedrijfswoningen per bouwperceel bedraagt niet meer dan het bestaande aantal;

  • b.

    ter plaatse van de locatie bouwvlak Rollepaal Oost worden gebouwen en overkappingen binnen dit bouwvlak gebouwd;

  • c.

    de afstand van gebouwen tot de perceelgrens bedraagt ten minste 5 meter;

  • d.

    gebouwen zijn evenwijdig óf haaks op de voorgevelrooilijn georiënteerd;

  • e.

    gebouwen zijn voorzien van ten minste twee ingebouwde nestkasten geschikt voor de Zwarte Roodstaart;

  • f.

    gebouwen met een bouwhoogte van meer dan 5 meter zijn voorzien van ten minste twee niet ingebouwde verblijfsplaatvoorzieningen voor Dwergvleermuizen;

  • g.

    aan gebouwen met platte daken worden de volgende maatregelen getroffen:

    • 1.

      platte daken hebben een verhoogde dakrand van ten minste 10 centimeter

    • 2.

      open doorvoeren en afvoeren zijn afgeschermd met boldraadroosters

    • 3.

      platte daken zijn voorzien van schuilmogelijkheden voor Scholekster-jongen;

  • h.

    in afwijking van het bepaalde in sub e, f en g mogen de voorzieningen in plaats van in, op of aan een gebouw in, op of aan bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden gerealiseerd op hetzelfde perceel;

  • i.

    gebouwen moeten voorzieningen hebben die borgen dat:

    • 1.

      binnen of buiten het bouwblok in minimaal 80 mm waterberging is voorzien

    • 2.

      een bui van 70 mm in een uur (T=100) niet leidt tot wateroverlast binnen het gebouw;

  • j.

    de maximale bebouwingshoogte mag niet hoger zijn dan de met de omgevingsnorm maximale bebouwingshoogte Rollepaal Oost als maximale bebouwingshoogte in meters is aangegeven.

  • k.

    als het gebouw een schuin dak krijgt, heeft dit dak een maximale dakhelling van 20%;

  • l.

    het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 70% van het bouwperceel met dien verstande dat er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Paragraaf 5.2.2;

  • m.

    een reclameuiting of naamsaanduiding mag niet aan de achtergevel van gebouwen worden aangebracht;

  • n.

    boven 4 meter boven het maaiveld mogen geen verlichte reclame-uitingen worden aangebracht en in werking zijn;

  • o.

    de bouwhoogte van lichtmasten bedraagt niet meer dan 8 meter;

  • p.

    de bouwhoogte van vlaggenmasten bedraagt niet meer dan de met de omgevingsnorm maximale bouwhoogte vlaggenmasten Rollepaal Oost als maximale bouwhoogte in meters is aangegeven;

  • q.

    de bouwhoogte van op de grond geplaatste zonnepanelen en zonnecollectoren bedraagt niet meer dan 5 meter;

  • r.

    de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt niet meer dan 3 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) een naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw maximaal 1 meter bedraagt;

  • s.

    het bepaalde in sub r, voor zover het de bouwhoogte van 1 meter betreft, is niet van toepassing ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost;

  • t.

    de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 12 meter;

  • u.

    in afwijking van het bepaalde in sub t bedraagt de bouwhoogte van bliksemspichten niet meer dan 25 meter ter plaatse van de locatie hoogspanningsstation Rollepaal Oost.

Artikel 2.47 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)

  • 1.

    Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in artikel Artikel 2.46 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:

    • a.

      het in afwijking van Artikel 2.46 onder s verhogen van de toegestane bouwhoogte van lichtmasten tot de bestaande bouwhoogte van gebouwen op dat bouwperceel;

    • b.

      het in afwijking van Artikel 2.46 onder v verhogen van de maximaal toegestane bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen vóór (het verlengde van) een naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw tot maximaal 3 meter;

    • c.

      het in afwijking van Artikel 2.46 onder w verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 15 meter voor overige bouwwerken;

    • d.

      het in afwijking van Artikel 2.46 onder w verhogen van de bouwhoogte van schoorstenen, antennes en silo’s tot maximaal 30 meter.

  • 2.

    De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:  

    • a.

      het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

    • b.

      het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;

    • c.

      het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeers- en brandveiligheid;

    • d.

      het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat van mens, plant en dier;

    • e.

      het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen als bedoeld in Paragraaf 5.2.2; en,

    • f.

      het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 2.3 enArtikel 2.22.

Paragraaf 2.13.4 Overige activiteiten
Artikel 2.48 Uitvoering van parkeervoorzieningen

Op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost worden parkeervoorzieningen met grasbetontegels of een andere vorm van halfverharding geplaveid, zodat hemelwater in de bodem kan treden.

Paragraaf 2.13.5 Milieubelastende activiteiten
Artikel 2.49 Industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidgrenswaarden voor geluidgevoelige gebouwen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost worden uitgeoefend en die in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing plaats vinden, op een geluidgevoelig gebouw niet hoger dan de waarde bedoeld in de onderstaande tabel:

-

tussen 19:00 en 07:00 uur

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door aandrijfgeluid van transportmiddelen

70 dB(A)

Maximaal geluidniveau LAmax veroorzaakt door andere piekgeluiden

65 dB(A)

Artikel 2.50 Industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidgrenswaarden voor in- en aanpandige geluidgevoelige ruimten
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van geluidhinder is het geluid door milieubelastende activiteiten die op industrieterrein Rollepaal en industrieterrein Rollepaal Oost worden uitgeoefend en die in onderlinge samenhang binnen een zekere begrenzing plaats vinden, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde bedoeld in de onderstaande tabel:

    -

    tussen 07:00 en 19:00 uur

    tussen 19:00 en 23:00 uur

    tussen 23:00 en 07:00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07:00 en 19:00 uur.

Artikel 2.51 Industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, meet- en rekenbepaling geluid

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 2.52 Industrieterrein Rollepaal Oost, geurbelastende activiteiten
  • 1.

    Milieubelastende activiteiten die op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost in onderlinge samenhang binnen en zekere begrenzing worden uitgeoefend, mogen ter hoogte van de gevel van geurgevoelige gebouwen die buiten de begrenzing van het industrieterrein liggen geen hogere geurbelasting veroorzaken dan de in de volgende tabel weergegeven grenswaarde:

    Aard van de geur

    zeer hinderlijk

    hinderlijk

    minder hinderlijk

    minst hinderlijk

    Grenswaarde in ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel

    0,05

    0,15

    0,5

    1,5

     
     
     
     
     
  • 2.

    Milieubelastende activiteiten die op de locatieindustrieterrein Rollepaal in onderlinge samenhang binnen en zekere begrenzing worden uitgeoefend, mogen ter hoogte van de gevel van geurgevoelige gebouwen die buiten de begrenzing van het industrieterrein liggen geen hogere geurbelasting veroorzaken dan de in de volgende tabel weergegeven grenswaarde:

    Aard van de geur

    zeer hinderlijk

    hinderlijk

    minder hinderlijk

    minst hinderlijk

    Grenswaarde in ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel

    0,15

    0,5

    1,5

    5

  • 3.

    De in de lid 1 en lid 2 aangegeven mate van hinderlijkheid wordt volgens de in de methodiek van de NVN 2818 beschreven systematiek bepaald aan de hand van de zogenoemde hedonische waarde zoals opgenomen in de volgende tabel:

    Bij een geurbelasting die gelijk te stellen is aan de onderstaande concentratie voor een geur met hedonische waarde -2

    wordt de geur getypeerd als:

    minder dan 1,5 ouE/m3

    zeer hinderlijk

    tussen de 1,5 en 5 ouE/m3

    hinderlijk

    tussen de 5 en 15 ouE/m3

    minder hinderlijk

    meer dan 15 ouE/m3

    minst hinderlijk

Artikel 2.53 Industrieterrein Rollepaal Oost, voorkomen lichthinder
  • 1.

    Reclameuitingen die op het industrieterrein Rollepaal Oost worden gebruikt en die zijn voorzien van verlichting moeten tussen 23:00 en 07:00 uur zijn uitgeschakeld.

  • 2.

    Reclameuitingen die op het industrieterrein Rollepaal Oost worden gebruikt en die zijn voorzien van verlichting mogen niet flikkeren, bewegen of op een andere manier dynamisch zijn.

  • 3.

    Terreinverlichting die op het industrieterrein Rollepaal Oost wordt gebruikt moet zijn voorzien van armaturen en moet zo staan opgesteld dat het hierdoor op de grond geworpen licht zicht tot het bedrijfsterrein in kwestie beperkt.

Artikel 2.54 Industrieterrein Rollepaal Oost, beperken stikstofemissies

Binnen de begrenzing van industrieterrein Rollepaal Oost mag geen materieel worden gebruikt dat machinaal wordt aangedreven door verbrandingsmotoren, dit met uitzondering van motorvoertuigen als vrachtwagens, bestelwagens en personenvoertuigen.

Afdeling 2.14 Maatschappelijke voorzieningen in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.15 Penitentiaire inrichting

[Gereserveerd]

Afdeling 2.16 Recreatie in stedelijk gebied

[Gereserveerd]

Afdeling 2.17 Sport

[Gereserveerd]

Afdeling 2.18 Woongebied

Paragraaf 2.18.1 Algemene bepalingen
Artikel 2.55 Oogmerk functie woongebied

De regels over de functie woongebied in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het benutten en ontwikkelen van woongebieden, ten behoeve van een goed woon- en leefklimaat;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid en veiligheid van de directe woonomgeving; en

  • c.

    het behoud en samenstelling van de woningvoorraad als bedoeld in artikel Artikel 2.1.

Paragraaf 2.18.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 2.18.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 2.56 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan:

  • a.

    wonen door één huishouden in een woning;

  • b.

    kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis onder de voorwaarden in Artikel 2.57; en

  • c.

    het gebruiken van het openbaar gebied.

Artikel 2.57 Algemene regels kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis

Voor kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    het betreft de exploitatie van een bedrijf zoals vermeld op de Lijst van toegestane kleinschalige bedrijfsactiviteiten in bijlage III;

  • b.

    de activiteit dient inpandig te worden verricht;

  • c.

    de vloeroppervlakte mag niet meer bedragen dan 30% van het bruto vloeroppervlak van de totale bebouwing tot een maximum van 100 m²;

  • d.

    degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning;

  • e.

    in direct verband met de kleinschalige bedrijfsactiviteit is beperkte detailhandel toegestaan; en

  • f.

    er is voorzien in voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2.

SubParagraaf 2.18.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Artikel 2.58 Aanwijzing vergunningplichtige afwijkende gebruiksactiviteiten

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:

  • a.

    zorgfuncties bij het wonen: het wonen in één of meerdere woningen door wonen in groepsverband voor speciale doelgroepen, zoals hulpbehoevenden met daarbij behorende speciale woonzorgfuncties;

  • b.

    kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden uit artikel Artikel 2.57; en

  • c.

    de exploitatie van een kinderopvang.

Artikel 2.59 Extra beoordelingsregels

De omgevingsvergunning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    bij de activiteit als bedoeld in Artikel 2.58eerste lid onder c: degene die de activiteit uitoefent, dient tevens de gebruiker te zijn van de woning;

  • b.

    de activiteit mag geen onevenredige hinder opleveren voor de omgeving;

  • c.

    de activiteit mag geen onevenredige afbreuk doen aan het ruimtelijk (woon)karakter van de buurt;

  • d.

    de activiteit mag de bebouwings- en gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden niet onevenredig aantasten;

  • e.

    de activiteit mag geen onevenredige nadelige invloed hebben op de afwikkeling van het verkeer en er moet sprake zijn van voldoende parkeervoorzieningen op eigen terrein. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen wordt gerealiseerd in overeenstemming met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2;

  • f.

    de activiteit mag geen publieksgericht karakter hebben; en

  • g.

    de activiteit doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen voor dit deelgebied en de oogmerken zoals bedoeld in artikel Artikel 2.1 en Artikel 2.55.

SubParagraaf 2.18.2.3 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 2.60 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Gebruik dat afwijkt van de gebruiksactiviteiten in subparagraaf 2.18.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten en subparagraaf 2.18.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten is verboden. In ieder geval omvat het verbod:

  • a.

    het gebruik van gronden en bouwwerken in combinatie met bedrijfsdoeleinden - anders dan kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis – voor:

    • 1.

      de exploitatie van horeca- of detailhandelsbedrijven, anders dan is bedoeld in Artikel 2.56 onder b;

    • 2.

      verblijfsrecreatie, anders dan bed & breakfasts;

    • 3.

      groothandel;

    • 4.

      reparatiewerkzaamheden voor particulieren van motorvoertuigen, vaartuigen of caravans;

  • b.

    wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg- of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden;

  • c.

    opslag voor de voorgevel van het hoofdgebouw.

Paragraaf 2.18.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 2.18.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

[Gereserveerd]

SubParagraaf 2.18.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 2.61 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw

Een omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een hoofdgebouw wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    per bouwperceel is het bestaand aantal woningen in de bestaande bebouwingstypologie toegestaan, tenzij ter plaatse op de kaart:

    • 1.

      is aangegeven dat sprake is van een ‘woonzorgcomplex’ of een ‘appartementencomplex’;

    • 2.

      een ander maximaal aantal woningen Kraneplas is aangegeven, dan geldt dit aantal;

  • b.

    als er op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw binnen dit bouwvlak te worden gebouwd;

  • c.

    als er op de kaart bebouwingstypologieën zijn opgenomen, dient het hoofdgebouw te worden gebouwd met inachtneming van de ter plaatse aangegeven bebouwingstypologie;

  • d.

    het hoofdgebouw mag de voorgevelrooilijn niet overschrijden, tenzij op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dient het hoofdgebouw in de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden gebouwd;

  • e.

    het hoofdgebouw dient te worden geplaatst binnen een strook - gemeten vanuit de voorgevelrooilijn danwel de naar de weg gekeerde bouwgrens - met een diepte van:

    • 1.

      20 m voor vrijstaande woningen;

    • 2.

      15 m voor overige grondgebonden woningen;

  • f.

    de afstand tot de zijdelingse perceelgrens mag:

    • 1.

      bij vrijstaande woningen niet minder bedragen dan 3 meter aan beide zijden;

    • 2.

      bij andere woningen dan vrijstaande woningen en rijwoningen niet minder bedragen dan 3 meter aan één zijde;

  • g.

    de goot- en bouwhoogte bedragen niet meer dan 115% van de goot- en bouwhoogte van het bestaande hoofgebouw op het bouwperceel, tenzij ter plaatse op de kaart een andere maximale goothoogte woongebied Kraneplas of maximale bouwhoogte woongebied Kraneplas is aangegeven dan bedragen deze niet meer dan ter plaatse op de kaart is aangegeven;

  • h.

    het bebouwingspercentage bedraagt niet meer dan 60% van het bouwperceel; en,

  • i.

    de dakhelling bedraagt ten minste 35°, tenzij ter plaatse op de kaart is aangegeven dat sprake is van een ‘woonzorgcomplex’ of een ‘appartementencomplex’.

Artikel 2.62 Vaste beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het bepaalde in dit artikel is niet van toepassing op een aangebouwd bijbehorend bouwwerk indien deze voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen zoals opgenomen in artikel Artikel 2.61;

  • b.

    als er op de kaart een bouwvlak woongebied is aangegeven, dan dienen bijbehorende bouwwerken binnen dit bouwvlak te worden gebouwd;

  • c.

    de goothoogte bedraagt niet meer dan 3,5 meter;

  • d.

    de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 6 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw. In afwijking hiervan mag de bouwhoogte van overkappingen niet meer dan 3,5 meter bedragen;

  • e.

    bijbehorende bouwwerken worden minimaal 3 meter achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw gebouwd. In afwijking hiervan mogen overkappingen achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde voorgevel van het hoofdgebouw worden gebouwd;

  • f.

    de gezamenlijke oppervlakte, inclusief de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken, die niet voldoet aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen, bedraagt niet meer dan 75 m² tot een maximum bebouwd oppervlak van 60% van het bouwperceel. Dit is met inbegrip van de oppervlakte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken die niet voldoen aan de beoordelingsregels voor hoofdgebouwen.  

Artikel 2.63 Vaste beoordelingsregels overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde)

Een omgevingsvergunning voor het bouwen van overige bouwwerken wordt verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 1 meter. In afwijking hiervan is een bouwhoogte van 2 meter toegestaan indien de erf- of perceelafscheiding:

    • 1.

      op een erf of perceel, waarop al een hoofdgebouw aanwezig is waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;

    • 2.

      achter de voorgevelrooilijn staat; en

    • 3.

      op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied staat, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn als bedoeld in Artikel 5.13; en

  • b.

    de bouwhoogte van alle andere overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 3 meter.

Artikel 2.64 Extra beoordelingsregels

  • 1.

    In afwijking van de vaste beoordelingsregels zoals opgenomen in Artikel 2.61, Artikel 2.62 en Artikel 2.63 wordt de omgevingsvergunning ook verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het in afwijking van Artikel 2.61sub d verkleinen van de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens, met dien verstande dat de afstand tot de perceelgrens ten minste 1 m dient te bedragen;

    • b.

      het in afwijking van Artikel 2.61sub e verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte;

    • c.

      het in afwijking van Artikel 2.61sub g verlagen van de dakhelling of het toestaan van een plat dak;

    • d.

      het in afwijking van Artikel 2.62 sub c en d verhogen van de toegestane goot- en/of bouwhoogte, met dien verstande dat de bouwhoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt dient te blijven aan de bouwhoogte van het hoofdgebouw, dan wel de goothoogte van het bijbehorend bouwwerk ondergeschikt blijft aan de goothoogte van het hoofdgebouw;

    • e.

      het in afwijking van Artikel 2.62 sub e bouwen van bijbehorende bouwwerken op een kortere afstand tot de voorgevelrooilijn;

    • f.

      het in afwijking van Artikel 2.62 sub f vergroten van het oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken tot 150 m2 en het bebouwen van het bouwperceel met meer dan 60%; en,

    • g.

      het in afwijking van Artikel 2.63 verhogen van de toegestane bouwhoogte tot 3 meter voor erf- en terreinafscheidingen en 15 meter voor overige bouwwerken.

  • 2.

    Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt in aanvulling op het eerste lid de omgevingsvergunning ook verleend indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a afwijken van het bouwvlak, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van hetgeen is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen; en,

    • b.

      het in afwijking van Artikel 2.16 Vaste beoordelingsregels (ver)bouwen hoofdgebouw sub a en c vergroten van het aantal woningen en hun bebouwingstypologie, met dien verstande dat het in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid of er aanleiding is om het aantal woningen te wijzigen vanwege andere marktomstandigheden en/of het voorkomen van leegstand.

  • 3.

    De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:

    • a.

      het bouwplan leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

    • b.

      het bouwplan is passend in het straat- en bebouwingsbeeld;

    • c.

      het bouwplan doet geen afbreuk aan de verkeersveiligheid;

    • d.

      het bouwplan doet geen afbreuk aan het woon- en leefklimaat;

    • e.

      het bouwplan voorziet in voldoende parkeervoorzieningen. Van voldoende parkeervoorzieningen is sprake als het aantal parkeerplaatsen dat wordt gerealiseerd in overeenstemming is met het gemeentelijk beleid ten aanzien van parkeernormen zoals bedoeld in paragraaf Paragraaf 5.2.2;

    • f.

      het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken zoals bedoeld in artikel Artikel 2.1 en artikel Artikel 2.55.

Hoofdstuk 3 Landelijk gebied

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 4 Algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen

Afdeling 4.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.1 Doelstellingen

Voor de algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen gelden de volgende specifieke doelstellingen:

  • a.

    het beschermen van het milieu;

  • b.

    het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

  • c.

    het creëren van een aantrekkelijk, vitaal en concurrerend woon- en leefklimaat dat optimaal bijdraagt aan een positieve gezondheid van de inwoners;

  • d.

    het beheer van infrastructuur en het behoeden van de staat en werking van infrastructuur voor nadelige gevolgen van activiteiten;

  • e.

    het beheer van watersystemen; en,

  • f.

    het beschermen van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed.

Afdeling 4.2 Beperkingengebied molen

[Gereserveerd]

Afdeling 4.3 Beschermd dorpsgezicht

[Gereserveerd]

Afdeling 4.4 Beschermingszones Astron

Paragraaf 4.4.1 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.4.1.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 4.2 Beschermingszones Astron

  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning binnen de daarvoor aangewezen beschermingszone kleine windmolens, windturbines en zonneparken Rollepaal Oost met een elektrische veldsterkte (flux) van 20 t/m 30 dBµV/m, gemeten volgens een meetprotocol zoals gespecificeerd in EN55032 (120 kHz bandbreedte op 10 meter afstand) bouwwerken te realiseren en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt verleend indien het bouwwerk voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het bouwwerk is voorzien van een AVG-vermogen (RMS-veld) detector;

    • b.

      het bouwwerk mag geen elektrische storing veroorzaken voor de radiotelescopen van het Nederlands Instituut voor Radioastronomie (Astron), waarbij het schriftelijk advies van Astron wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; en

    • c.

      er één type zonnepanelen en één plaatsingssysteem wordt toegepast.

Afdeling 4.5 Bodemgebieden

Paragraaf 4.5.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.4 Bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Er kunnen in het kader van de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.3 in de bodembeheergebieden met maatwerkvoorschriften worden afgeweken van de kwaliteitseisen of worden aangevuld voor het toepassen van grond of baggerspecie op of in de landbodem zoals bedoeld in de artikelen 4.1273 en 4.1275 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    De regels met betrekking tot bodembeheergebieden gelden ook voor locaties met gereinigde grond die van oorsprong afkomstig is uit deze bodembeheergebieden.

Paragraaf 4.5.2 Milieubelastende activiteiten
SubParagraaf 4.5.2.1 Toegestane milieubelastende activiteiten

Artikel 4.5 Aanwijzing en algemene regels toegestane drins en andere OCB's

  • 1.

    Ter plaatse van het bodembeheergebied Rollepaal is het - in afwijking van de kwaliteitseisen, bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving - toegestaan grond en baggerspecie toe te passen waarbij voor drins en overige OCB’s de volgende kwaliteitseisen (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof) gelden:

    • a.

      Som drins: 500 µg/kg d.s.

    • b.

      Overige OCB’s: conform de somparameter voor organochloorhoudende bestrijdingsmiddelen (OCB’s) (landbodem) zoals beschreven in bijlage E van de Regeling bodemkwaliteit 2022.

    • c.

      Som OCB’s: 500 µg/kg d.s.

  • 2.

    De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

    • a.

      voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1272, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving; en,

    • b.

      de grond of baggerspecie is afkomstig uit het bodembeheergebied Rollepaal.

Artikel 4.6 Aanwijzing en algemene regels toegestane PFOA en PFOS

  • 1.

    Ter plaatse van de bodembeheergebieden is het - in aanvulling op artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving en het Handelingskader PFAS (december 2021) - toegestaan om grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor PFOA een kwaliteitseis geldt van 30 µg/kg d.s. en voor PFOS 29 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).

  • 2.

    De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

    • a.

      voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de hoogste waarden van de volgende twee kwaliteitseisen:

      • 1.

        bedoeld in artikel 4.1272 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en,

      • 2.

        zoals geformuleerd in de Nota Bodembeheer (Regio IJsselland), die onderdeel zijn van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan.

    • b.

      gebruikmakend van de risicogrenswaarde voor de functie Wonen is de risico-index voor PFAS lager dan 1;

    • c.

      de grond of baggerspecie is afkomstig uit (een van) de bodembeheergebieden; en,

    • d.

      de grond of baggerspecie wordt toegepast op een locatie als bedoeld in Artikel 4.3, waar de bodem al voor het toepassen aantoonbaar en vergelijkbaar diffuus met de stof was verontreinigd.

Artikel 4.7 Aanwijzing en algemene regels grootschalige bodemtoepassingen

  • 1.

    Het is - in afwijking van artikel 4.1274, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving - toegestaan om grootschalig grond of baggerspecie toe te passen waarbij voor som drins een kwaliteitseis geldt van 500 µg/kg d.s., voor PFOA 29 µg/kg d.s. en voor PFOS 30 µg/kg d.s. (voor standaardbodem, uitgedrukt in µg/kg droge stof).

  • 2.

    De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

    • a.

      voor de andere stoffen voldoet de grond of de baggerspecie aan de kwaliteitseisen bedoeld in artikel 4.1274 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • b.

      gebruikmakend van de INEV is de risico-index voor PFAS lager dan 1; en,

    • c.

      de grond of baggerspecie is afkomstig uit de gemeente Hardenberg.

Artikel 4.8 Gegevens en bescheiden voor het toepassen van baggerspecie

In aanvulling op artikel 4.1267 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden ten minste een week voor het toepassen van grond of baggerspecie de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een bewijs waaruit blijkt dat PFAS voldoet aan de eisen ten aanzien van de risico-index volgens Artikel 4.6 lid 2 sub b en Artikel 4.7 lid 2 sub b.

Afdeling 4.6 Externe veiligheidsgebieden

Paragraaf 4.6.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 4.6.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.9 Begrenzing brandvoorschriftengebieden Industrieterrein Rollepaal

Het brandvoorschriftengebied industrieterrein Rollepaal is een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.10 Begrenzing brandvoorschriftengebied Rollepaal Oost

Het brandvoorschriftengebied industrieterrein Rollepaal Oost is een brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 4.11 Begrenzing brandvluchtgebied Rollepaal Oost

Het brandvluchtgebied industrieterrein Rollepaal Oost is een gebied waarbinnen gebouwen moeten zijn voorzien van een vluchtweg aan de noordzijde.

Afdeling 4.7 Gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

Paragraaf 4.7.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.12 Oogmerk gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

De regels over gebieden met archeologische (verwachtings)waarde zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten;

  • b.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en

  • c.

    het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden.

Paragraaf 4.7.2 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.7.2.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 4.13 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in een gebied met archeologische (verwachtings)waarde wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld:

  • 2.

    Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

Artikel 4.14 Bevoegdheid stellen vergunningvoorschriften

Indien uit het in Artikel 4.13 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; en

  • c.

    de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 4.7.3 Overige activiteiten
SubParagraaf 4.7.3.1 Vergunningplichtige overige activiteiten

Artikel 4.15 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden

  • 1.

    Binnen een gebied met archeologische (verwachtings)waarde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas en de diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Kraneplas zoals aangegeven op de kaart:

    • a.

      het ophogen van de bodem;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

    • d.

      het verlagen of het verhogen van het waterpeil;

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt;

    • f.

      het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft;

    • g.

      het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;

    • h.

      het aanleggen van bos of boomgaard; en

    • i.

      het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.

  • 2.

    Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen;

    • a.

      al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd;

    • b.

      onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is;

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en

    • d.

      uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.

  • 4.

    De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het eerste lid genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.

Afdeling 4.8 Gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost

Paragraaf 4.8.1 Algemene bepalingen
Artikel 4.16 Oogmerk functie gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

De regels over de gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van archeologische monumenten;

  • b.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ; en,

  • c.

    het behouden en beschermen van de verwachte archeologische waarden.

Paragraaf 4.8.2 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.8.2.1 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 4.17 Aanvraagvereisten vergunningplichtige bouwactiviteiten

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost wordt in de volgende gevallen, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld:

  • 2.

    Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat die gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

Artikel 4.18 Bevoegdheid stellen vergunningsvoorschriften

Indien uit het in Artikel 4.17 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen of kunnen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning over:

  • a.

    de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;

  • b.

    de verplichting tot het doen van opgravingen; en,

  • c.

    de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.

Paragraaf 4.8.3 Overige activiteiten
SubParagraaf 4.8.3.1 Vergunningplichtige overige activiteiten

Artikel 4.19 Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige werken en werkzaamheden

  • 1.

    Binnen gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken wanneer de oppervlakte gelijk of meer bedraagt dan de oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oost en/of de diepte gelijk of meer dan de diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oost zoals aangegeven op de kaart:

    • a.

      het ophogen van de bodem;

    • b.

      het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • c.

      het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

    • d.

      het verlagen of het verhogen van het waterpeil;

    • e.

      het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, waarbij de breedte van deze werken ten minste 1,25 m bedraagt;

    • f.

      het bebossen van gronden die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze regel niet de functie bos heeft;

    • g.

      het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd;

    • h.

      het aanleggen van bos of boomgaard; en,

    • i.

      het verrichten van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, aanleggen van drainage en ontginnen.

  • 2.

    Het onder het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die het normale onderhoud of gebruik betreffen;

    • a.

      al in uitvoering zijn, of volgens een verleende vergunning al mogen worden uitgevoerd;

    • b.

      onderdeel zijn van werkzaamheden waarvoor al een omgevingsvergunning is verleend en in werking is;

    • c.

      in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen worden verricht, mits verricht door een ter zake deskundige; en,

    • d.

      uitgevoerd worden op gronden waarvan aangetoond kan worden dat deze geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor werken en werkzaamheden wordt, in aanvulling op de algemene indieningsvereisten voor een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 6.2, een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die volgens de aanvraag worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld.

  • 4.

    De vergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in het Artikel 4.19 lid 1 genoemde werken en werkzaamheden, of de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal.

Afdeling 4.9 Hoofdroute (spoor)wegverkeer

Paragraaf 4.9.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 4.9.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.20 Oogmerk functie hoofdroute (spoor)wegverkeer

De regels over de hoofdroute wegverkeer Rollepaal Oost in deze afdeling zijn gesteld met het oog op

  • a.

    een goede bereikbaarheid in zijn algemeenheid en van voorzieningen in het bijzonder; en,

  • b.

    een veilig en een comfortabel ingerichte openbare ruimte.

Paragraaf 4.9.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 4.9.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 4.21 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

a. het ontwikkelen en beheren van de (spoor)wegverkeersstructuur, waarbij alleen een wijziging van de (spoor)weg mag plaatsvinden indien er geen geluidgevoelige gebouwen zijn gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de (spoor)weg;

b. zich verplaatsen, vervoeren en parkeren; en,

c. het gebruiken van het openbaar gebied.

SubParagraaf 4.9.2.2 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 4.22 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

De volgende gebruiksactiviteiten zijn verboden:

  • a.

    de exploitatie van een verkooppunt voor motorbrandstoffen.

Paragraaf 4.9.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.9.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

Artikel 4.23 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Paragraaf 4.9.2 mits deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1.

Afdeling 4.10 Hoofdwaterstructuur

Paragraaf 4.10.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 4.10.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.24 Oogmerk functie hoofdwaterstructuur

  • 1.

    De regels over de hoofdwaterstructuur Rollepaal Oost in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

    • a.

      een goede waterkwaliteit;

    • b.

      waterberging;

    • c.

      een klimaatbestendige waterstructuur;

    • d.

      waterveiligheid;

    • e.

      waterbeleving en recreatieve waarde; en,

    • f.

      de cultuurhistorie.

  • 2.

    Binnen de hoofdwaterstructuur Rollepaal Oost wordt onderscheid gemaakt in:

    a. de functie water.

Paragraaf 4.10.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 4.10.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 4.25 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

  • 1.

    De volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan binnen de functie hoofdwaterstructuur Rollepaal Oost:

    • a.

      het ontwikkelen en beheren van de waterstructuur;

    • b.

      varen, vervoeren en aanmeren;

    • c.

      het gebruiken van het openbaar gebied; en

    • d.

      recreatief extensief verblijven.

Paragraaf 4.10.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.10.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

Artikel 4.26 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.25, mits deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1.

Afdeling 4.11 Leidingnetwerk

Paragraaf 4.11.1 Algemene bepalingen
SubParagraaf 4.11.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 4.27 Oogmerk functie leidingnetwerk

De regels over het leidingnetwerk Rollepaal Oost in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het beschermen van het leidingnetwerk tegen nadelige gevolgen van activiteiten;

  • b.

    het behouden en creëren van ruimte voor en in de nabijheid van het leidingsnetwerk voor bestaande en toekomstige activiteiten van de landelijk netbeheerder;

  • c.

    het creëren van ruimte voor de energietransitie met aandacht voor de kwaliteit, het gebruik en de waarden in het landelijk gebied; en,

  • d.

    het benutten van duurzaam gas en waterstof.

Paragraaf 4.11.2 Gebruiksactiviteiten
SubParagraaf 4.11.2.1 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 4.28 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

Ter plaatse van de locatie leidingnetwerk Rollepaal Oost is het uitsluitend het ontwikkelen, in werking hebben en beheren van ondergrondse hoogspanningsleidingen met een maximale spanning van 110 kV en bijbehorende voorzieningen toegestaan.

SubParagraaf 4.11.2.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Artikel 4.29 Aanwijzing vergunningplichtige gebruiksactiviteiten in beperkingengebied leidingnetwerk

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebruiksactiviteiten te verrichten als bedoeld in Bijlage VII van het Besluit kwaliteit leefomgeving ter plaatse van de locatie beperkingengebied van het leidingnetwerk Rollepaal Oost.

Artikel 4.30 Beoordelingsregels vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen:

  • a.

    geen onevenredig negatieve gevolgen heeft voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het leidingnetwerk, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding/verbinding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3; en,

  • b.

    de gebruiksactiviteiten geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.27.

Paragraaf 4.11.3 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.11.3.1 Toegestane bouwactiviteiten

Artikel 4.31 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.28, mits:

  • a.

    deze in overeenstemming is met Afdeling 5.1; en,

  • b.

    het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken ten dienste van de gebruiksactiviteiten als bedoeld in Artikel 4.28, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

SubParagraaf 4.11.3.2 Vergunningplichtige bouwactiviteiten

Artikel 4.32 Aanwijzing en vaste beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten ten dienste van het leidingnetwerk

  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken ten behoeve van de activiteiten als bedoeld in Artikel 4.28, anders dan de vergunningvrije bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.31.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de oppervlakte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 100 m2 per gebouw;

    • b.

      de goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 3 en 6 meter;

    • c.

      de bouwhoogte van hoogspanningsmasten mag niet meer dan 45 meter bedragen; en,

    • d.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken mag niet meer bedragen dan 3 meter.

Artikel 4.33 Aanwijzing en vaste beoordelingsregels bouwactiviteiten binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk

  • 1.

    Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk Rollepaal Oost zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning te (ver)bouwen en bouwwerken te realiseren en deze in stand te houden en te gebruiken, anders dan de bouwactiviteiten bedoeld in Artikel 4.31.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt verleend indien het (ver)bouwen van een gebouw of het realiseren van bouwwerk, geen gebouw zijnde, voldoet aan de volgende voorwaarden: het betreft het vervangen, vernieuwen of veranderen van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte en hoogte niet worden vergroot en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, en wordt voldaan aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3.

Artikel 4.34 Extra beoordelingsregels

Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de in Artikel 4.33 genoemde beoordelingsregels, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden:

  • a.

    de bouwwerken voldoen aan de regels van de ter plaatse toegedeelde functie(s), als bedoeld in Hoofdstuk 2 en Hoofdstuk 3;

  • b.

    het bouwen heeft geen onevenredig negatieve gevolgen voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3;

  • c.

    het bouwen doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.27.

Paragraaf 4.11.4 Overige activiteiten
SubParagraaf 4.11.4.1 Toegestane overige activiteiten

Artikel 4.35 Aanwijzing toegestane werken en werkzaamheden

De volgende werken en werkzaamheden zijn toegestaan:

  • a.

    het aanleggen en wijzigen van het leidingnetwerk (met inbegrip van bijbehorende voorzieningen).

SubParagraaf 4.11.4.2 Vergunningplichtige overige activiteiten

Artikel 4.36 Aanwijzing vergunningplichtige werken en werkzaamheden

  • 1.

    Het is verboden om binnen het beperkingengebied van het leidingnetwerk Rollepaal Oost zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te verrichten, in stand te houden en te gebruiken:

    • a.

      het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging;

    • b.

      het indrijven van voorwerpen in de bodem;

    • c.

      het verrichten van grondbewerkingen, waartoe wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en aanleggen van drainage;

    • d.

      het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van watergangen;

    • e.

      het aanleggen van wegen, paden, parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

    • f.

      het aanbrengen van zonnepanelen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur;

    • g.

      het opslaan van goederen, (brandbare)stoffen en/of materialen;

    • h.

      het aanbrengen en/of rooien van diepwortelende beplantingen en bomen; en,

    • i.

      het aanleggen van kabels en leidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties en apparatuur, tenzij het gaat om activiteiten die zijn toegestaan in Artikel 4.35.

  • 2.

    De vergunningplicht geldt niet voor het verrichten van het volgende:

    • a.

      werken en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;

    • b.

      werken en werkzaamheden, waarmee rechtens is of mag worden begonnen ten tijde van de inwerkingtreding van deze regels;

    • c.

      activiteiten die door of in opdracht van de beheerder van de distributieleiding worden verricht in verband met de oogmerken genoemd in Artikel 4.27; en

    • d.

      activiteiten die graafwerkzaamheden betreffen als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten.

Artikel 4.37 Beoordelingsregels werken en werkzaamheden

De omgevingsvergunning wordt alleen verleend indien door de uitvoering daarvan, of de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen:

  • a.

    de werken en werkzaamheden geen onevenredig negatieve gevolgen hebben voor het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van de ondergrondse distributieverbinding, waarbij het schriftelijk advies van de beheerder van de distributieleiding wordt betrokken zoals bepaald in Artikel 6.3;

  • b.

    de werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk doen aan de doelstellingen en oogmerken als bedoeld in Artikel 4.1 en Artikel 4.27.

Afdeling 4.12 Geluidsgebieden door (spoor)wegen en industrieterreinen

[Gereserveerd]

Afdeling 4.13 Laagvliegroutes

Paragraaf 4.13.1 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 4.13.1.1 Verboden bouwactiviteiten

Artikel 4.38 Hoogtebeperking laagvliegroutes

Het bouwen van bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 meter vanaf het maaiveld binnen laagvliegroutes is niet toegestaan.

Afdeling 4.14 Landgoed

[Gereserveerd]

Afdeling 4.15 Monumenten en karakteristieke bebouwing

[Gereserveerd]

Afdeling 4.16 Volkstuinen

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 5 Algemene regels voor activiteiten

Afdeling 5.1 Bouwwerk bouwen

Paragraaf 5.1.1 Bouwactiviteiten
SubParagraaf 5.1.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.1 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het bouwen van bouwwerken.

Artikel 5.2 Bestaande maatvoering toegestaan

  • 1.

    Indien afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken meer bedragen dan op grond van deze afdeling danwel Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als maximaal toegestaan worden aangehouden en in stand gehouden.

  • 2.

    In die gevallen dat afstanden tot, en bouwhoogten, inhoud, aantallen en/of oppervlakten van bestaande bouwwerken, minder bedragen dan op grond van deze titel danwel Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 is voorgeschreven, mogen deze maten en hoeveelheden als minimaal toegestaan worden behouden en in stand gehouden.

Artikel 5.3 Anti-dubbeltelregel

  • 1.

    Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

  • 2.

    Bouwwerken die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een vergroting van het oorspronkelijke bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of het gebruik daarvan, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

SubParagraaf 5.1.1.2 Toegestane activiteiten

Artikel 5.4 Aanwijzing toegestane bouwactiviteiten

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning bouwwerken te realiseren en in stand te houden ten behoeve van:

    • a.

      nutsvoorzieningen;

    • b.

      voorzieningen voor verkeer, parkeren en extensieve openluchtrecreatie;

    • c.

      groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en,

    • d.

      waterhuishoudkundige voorzieningen.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.26 is het toegestaan zonder omgevingsvergunning een mechanische voorziening of technische installatie inclusief bijbehorende onderdelen zoals een omkasting (voor bijvoorbeeld luchtverversing, warmte- en/of koudeopwekking en elektriciteitsopwekkingssystemen) op de grond in het achtererfgebied te realiseren en in stand te houden, met uitzondering van windturbines.

  • 3.

    Voor de bouwwerken als bedoeld in het eerste en tweede lid gelden de volgende voorwaarden:

    • a.

      de bouwwerken behoren bij de toegedeelde functie;

    • b.

      de bouwhoogte bedraagt maximaal 3 meter; en

    • c.

      de oppervlakte bedraagt maximaal 15 m2.  

SubParagraaf 5.1.1.3 Vergunningplichtige activiteiten

Artikel 5.5 Aanwijzing vergunningplichtige bouwactiviteiten

  • 1.

    In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken op en in gronden:

    • a.

      binnen een afstand van 20 meter van de functie ‘hoofdroute (spoor)wegverkeer’ als bedoeld in Afdeling 4.9, loodrecht gemeten uit de as van de (spoor)weg in verband met de aanvaardbaarheid uit oogpunt van (spoor)wegbeheer en verkeersveiligheid, uitgezonderd andere bouwwerken; en,

    • b.

      binnen een afstand van 5 meter van de functie ‘water’ als bedoeld in Afdeling 4.10 loodrecht gemeten op de functiegrens van die gronden in verband met de waterstaatkundige aanvaardbaarheid.

  • 2.

    In afwijking van het elders in dit omgevingsplan bepaalde is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een aanlegsteiger te plaatsen.

Artikel 5.6 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: algemeen

  • 1.

    De omgevingsvergunning wordt verleend indien de bouwactiviteit:

    • a.

      in overeenstemming is met de toegedeelde functie en daarbij al dan niet met omgevingsvergunning toegestane gebruiksactiviteiten als bedoeld in hoofdstuk 2 t/m hoofdstuk Hoofdstuk 4;

    • b.

      voldoet aan de beoordelingsregels als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;

    • c.

      voldoet aan de beoordelingsregels als opgenomen in deze subparagraaf. 

Artikel 5.7 Beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten: uiterlijk van bouwwerken

  • 1.

    De volgende beoordelingsregels zijn op de locatie industrieterrein Rollepaal Oost van toepassing op de omgevingsvergunning voor het (ver)bouwen van een gebouw:

    • a.

      de gevels van gebouwen die op ontsluitingswegen zijn gericht, worden als representatieve gevel vormgegeven;

    • b.

      gebouwen worden in onderlinge samenhang uitgevoerd;

    • c.

      de gevels van gebouwen worden uitgevoerd in baksteen, hout, staal, beton, glas of aluminium;

    • d.

      de kleurstelling van gebouwen bestaat uit grijs- of aardetinten;

    • e.

      de kleur van kozijnen, ramen en deuren is terughoudend en past bij de materialen en kleuren van de gevel.

Artikel 5.8 Vaste beoordelingsregels openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen

  • 1.

    De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken voor openbare nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen:

    • a.

      de oppervlakte bedraagt per gebouw of bouwwerk niet meer dan 50 m²;

    • b.

      de bouwhoogte van gebouwen bedraagt niet meer dan 5 meter;

    • c.

      de bouwhoogte van erf- en perceelafscheidingen bedraagt niet meer dan 2 meter;

    • d.

      de bouwhoogte van verlichtingsarmaturen bedraagt niet meer dan 12 meter; en

    • e.

      de bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt niet meer dan 10 meter.

  • 2.

    Voor een sport- of speeltoestel die niet in overeenstemming is met het eerste lid, geldt de mogelijkheid tot het verhogen van de toegestane bouwhoogte, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • a.

      niet hoger dan 4 meter; en

    • b.

      uitsluitend functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens.

  • 3.

    Er kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, het bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheid maatwerk- of vergunningvoorschriften worden gesteld aan de locatie en de bouwhoogte van gebouwen voor openbare nutsvoorzieningen en verkeers- en verblijfsdoeleinden, indien deze meer dan 2,5 m bedraagt.

Artikel 5.9 Beoordelingsregels plaatsen aanlegsteiger

De volgende vaste beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor het plaatsen van een aanlegsteiger:

  • a.

    de steiger behoort bij de toegedeelde functie als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 en wordt geplaatst volgens de vaste beoordelingsregels voor bouwwerken die binnen die functie op die locatie van toepassing zijn;

  • b.

    de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud en de ontwikkeling van de waterveiligheid van de regionale waterkeringen zoals opgenomen in de omgevingsverordening van provincie of waterschap;

  • c.

    de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan de instandhouding en ontwikkeling van ter plaatse voorkomende of daaraan eigen landschaps- en natuurwaarden; en

  • d.

    de plaatsing van de steiger doet geen afbreuk aan het behoud, herstel of de duurzame ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden zoals bepaald in de provinciale omgevingsverordening.

Artikel 5.10 Beoordelingsregels bedrijfs- of dienstwoning

[Gereserveerd]

Artikel 5.11 Beoordelingsregels woningsplitsing voormalige boerderij

De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing op de omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten die verband houden met het toestaan van extra woningen per bouwperceel: 

  • a.

    er is één woning extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.000 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i;

  • b.

    er zijn twee woningen extra toegestaan, indien de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing meer dan 1.500 m3 bedraagt, met inachtneming van het bepaalde in c tot en met i;

  • c.

    de extra woning mag/de extra woningen mogen uitsluitend worden gerealiseerd binnen de aaneengesloten bebouwing van een voormalige boerderij, te weten de woonruimte met aangrenzende deel of soortgelijke inpandige ruimte;

  • d.

    de uiterlijke verschijningsvorm van de voormalige boerderij moet in stand blijven;

  • e.

    de gezamenlijke inhoud van de woningen mag niet meer bedragen dan de bestaande inhoud van de aaneengesloten bebouwing;

  • f.

    de extra woning dient/de extra woningen dienen te passen binnen het gemeentelijk woningbouwprogramma;

  • g.

    er mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden of functie van aangrenzende gronden;

  • h.

    op geen van de gevels van een extra woning mag, bij voltooiing, de geluidsbelasting vanwege een weg of spoorweg de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder overschrijden;

  • i.

    de inpassing op het gebouwerf en in het landschap vindt op zorgvuldige wijze plaats en wordt in stand gehouden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.

Artikel 5.12 Specifieke beoordelingsregels over de beeldkwaliteit

  • 1.

    Ter plaatse van de locatie woongebied Kraneplas wordt een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten alleen verleend als het bouwplan past binnen de gestelde voorwaarden in het Beeldkwaliteitsplan, zoals opgenomen in deze regel.

    Beeldkwaliteitsplan 4.1
    Beeldkwaliteitsplan1.jpg
    Beeldkwaliteitsplan 4.1.1
    Beeldkwaliteitsplan2.jpg
    Beeldkwaliteitsplan 4.1.2
    Beeldkwaliteitsplan3.jpg

Artikel 5.13 Extra beoordelingsregels voor bouwactiviteiten

  • 1.

    Voor bouwactiviteiten die niet in overeenstemming zijn met de regels voor bouwactiviteiten in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, gelden de volgende afwijkingsmogelijkheden: 

    • a.

      het afwijken tot niet meer dan 10% van de maten, afmetingen en percentages als opgenomen in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4;

    • b.

      het in geringe mate aanpassen van het beloop of het profiel van de wegen of de aansluiting van wegen onderling, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;

    • c.

      het afwijken van functie- of bebouwingsgrenzen, indien noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein, of uit oogpunt van doelmatig gebruik van gronden en bebouwing, mits die afwijkingen ten opzichte van wat is aangegeven niet meer dan 5 m bedragen;

    • d.

      het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits niet hoger dan 3 meter en de oppervlakte niet meer dan 50 m² bedraagt;

    • e.

      het bouwen van een antenne-installatie, mits niet hoger dan 40 meter, onder andere onder de specifieke voorwaarden zoals opgenomen in lid 4 en 6; en

    • f.

      voor het bouwen van niet voor bewoning bestemde bouwwerken voor:

      • 1.

        ecologische voorzieningen, zoals uitkijkpunten en observatiehutten;

      • 2.

        eenvoudige dagrecreatieve voorzieningen, zoals schuilgelegenheden, rustpunten en informatieborden,

      waarvan de oppervlakte niet meer dan 25 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 12 meter mag bedragen.

  • 2.

    De volgende beoordelingsregels zijn daarbij van toepassing:

    • a.

      er ontstaat geen strijd met de regels in afdeling Artikel 22.3 van de bruidsschat; en

    • b.

      er ontstaat geen onevenredige aantasting van:

      • 1.

        de functie- en gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en/of bouwwerken;

      • 2.

        de verkeersveiligheid;

      • 3.

        de parkeervoorzieningen;

      • 4.

        het bebouwingsbeeld;

      • 5.

        het landschap.

  • 3.

    Er kunnen met het oog op landschappelijke inpassing voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden om de inpassing op het gebouwerf en in het landschap op zorgvuldige wijze plaats te laten vinden en in stand te houden, aan de hand van een ruimtelijk kwaliteitsplan dat in overeenstemming is met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart die geldt ten tijden van het verrichten van de bouwactiviteit.

  • 4.

    In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor mobiele communicatie de volgende beoordelingsregels van toepassing:

    • a.

      het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een mobiel netwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van vergunningsvrije antenne-installaties op gebouwen, bestaande zendmasten of andere bestaande bouwwerken zoals lichtmasten en verkeersportalen;

    • b.

      de antenne-installatie wordt zoveel mogelijk uit het zicht geplaatst;

    • c.

      de antenne-installatie en bijbehorende apparatuur dienen zoveel mogelijk te worden geïntegreerd in de architectuur of omgeving, ook door zo veel mogelijk aan te sluiten bij bestaande bebouwing of (groen)elementen;

    • d.

      de antenne-installatie, de bijbehorende technische installaties en de bedrading moeten door zorgvuldige materiaal- en kleurkeuze in de omgeving ingepast worden;

    • e.

      de antenne-installatie mag geen afbreuk doen aan de visuele kwaliteit van een gebouw en de omgeving en specifieke architectonische kenmerken niet aantasten;

    • f.

      de antenne-installatie mag geen onevenredige of onomkeerbare afbreuk doen aan de waarde van monumentale gebouwen of beschermde dorpsgezichten, waarbij:

      • 1.

        blijvende bouwkundige aantasting of (gevolg)schade aan het monument moet worden voorkomen;

      • 2.

        de zichtbaarheid van de antenne vanaf de openbare ruimte moet worden geminimaliseerd;

      • 3.

        bliksem- en brandbeveiliging moeten worden aangepast op de nieuwe situatie;

      • 4.

        restauratie- en onderhoudswerkzaamheden, in aan of op het monument moeten ongehinderd doorgang kunnen vinden; en

    • g.

      bij antenneplaatsing moet gestreefd worden naar een zo klein mogelijke impact op de ondergrond. Aansluitingen op ondergrondse infra moet plaatsvinden door zo weinig mogelijk ruimtebeslag in die ondergrond en zo weinig mogelijk graafwerkzaamheden. Het heeft de voorkeur dat aanbieders zoveel mogelijk opstelpunten delen (site-sharing).

  • 5.

    In aanvulling op Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor mobiele communicatie voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een toelichting op de locatiekeuze vanuit de gewenste mobiele connectiviteit en vanuit netwerktechnisch oogpunt voor tenminste één van de netwerken van de mobiele operators;

    • b.

      een toelichting of er is gekeken naar plaatsing op bestaande antenne-opstelpunten; en

    • c.

      het bij een aanvraag van een omgevingsvergunning ter beoordeling voor te leggen materiaal dient een goed beeld te geven van de inpassing van de beoogde installatie in zijn omgeving, compleet met toebehorende infrastructuur.

  • 6.

    In aanvulling op het tweede lid zijn voor het bouwen van een antenne-installatie voor radiozendamateurs de volgende beoordelingsregels van toepassing:

    • a.

      het doel van de antenneplaatsing is verbeterde dekking en/of capaciteit van een radiozendnetwerk en kan niet bereikt worden met de plaatsing van een lagere antenne-installatie of vergunningsvrije antenne-installaties;

    • b.

      de antenne-installatie mag niet voor de voorgevelrooilijn staan, bij voorkeur op het achtererf;

    • c.

      de antenne-installatie mag niet op en/of boven gronden van derden komen;

    • d.

      indien er welstandseisen van toepassing zijn, dient er te worden voldaan aan redelijke eisen van welstand. De kleur dient in de meeste gevallen bij voorkeur grijs of vergelijkbaar te zijn;

    • e.

      de antenne-installatie mag niet meer dan 5 meter hoger zijn dan de nok van het hoofdgebouw op het perceel;

    • f.

      er wordt maximaal één antenne-installatie per bouwperceel op grond van dit lid opgericht;

    • g.

      de antenne-installatie bevindt zich niet in beschermd dorpsgezicht;

    • h.

      de antenne-installatie bevindt zich niet bij of in de onmiddellijke nabijheid van een rijks- of gemeentelijk monument; en

    • i.

      de antenne-installatie mag geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaken.

  • 7.

    In aanvulling op Artikel 22.35 en Artikel 6.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een antenne-installatie voor radiozendamateurs voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      diploma radiozendamateur;

    • b.

      de door of namens de overheid verleende zendvergunning; en

    • c.

      een motivering ten aanzien van het doel en de wijze van uitvoering van de antenne-installatie, waaruit blijkt dat de antenne-installatie geen onaanzienlijke inbreuk op hun woon- en leefomgeving veroorzaakt.

SubParagraaf 5.1.1.4 Verboden activiteiten

Artikel 5.14 Verboden bouwactiviteiten

Het is verboden een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken:

Afdeling 5.2 Gronden of bouwwerk gebruiken

Paragraaf 5.2.1 Gebruiksactiviteiten: algemeen
SubParagraaf 5.2.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.15 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden of bouwwerken.

SubParagraaf 5.2.1.2 Toegestane gebruiksactiviteiten

Artikel 5.16 Mantelzorg / extra huishouden

  • 1.

    Het is toegestaan mantelzorg te bieden in een (bedrijfs)woning of het huishouden aan te vullen met een huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen.

  • 2.

    Voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van Artikel 22.36 en Artikel 22.37 mag deze mantelzorg of het extra huishouden niet plaatsvinden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning.

Artikel 5.17 Evenementen

  • 1.

    Het omgevingsplan verzet zich niet tegen het gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van evenementen en andere meerdaagse of regelmatig terugkerende activiteiten met een maximum van drie evenementen per jaar met een duur van ten hoogste 15 dagen per evenement, mits, voor zover noodzakelijk, een omgevingsvergunning op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is verleend.

SubParagraaf 5.2.1.3 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Artikel 5.18 Kleinschalige duurzame energiewinning

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gronden te gebruiken voor kleinschalige duurzame energiewinning ten behoeve van de opwekking van windenergie en zonne-energie op gebouwen in afwijking van de toegedeelde functie in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt verleend voor zover het realiseren van de bouwwerken daarvoor op basis van de bouwregels bij die functie mogelijk is.

Artikel 5.19 (Pre)mantelzorg

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende gebruiksactiviteiten uit te voeren:

    • a.

      voor zover niet vergunningvrij is toegestaan op basis van Artikel 22.36 en Artikel 22.37: het bieden van mantelzorg danwel het huisvesten van een extra huishouding ten behoeve van dringende sociale, verzorgings- of sociaaleconomische redenen in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij de bedrijfswoning;

    • b.

      het tijdelijk bieden van pré-mantelzorg in een (bedrijfs)woning vooruitlopend op de verlening van mantelzorg.

  • 2.

    De omgevingsvergunning voor mantelzorg of een extra huishouden in een vrijstaand bijbehorend bouwwerk van een bedrijfswoning wordt verleend indien de gebruiksactiviteit voldoet aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      het gebruik leidt niet tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

    • b.

      het gebruik moet passen binnen de aard, schaal en het beeld van het perceel en de omgeving;

    • c.

      er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; en

    • d.

      het gebruik doet geen onevenredige afbreuk aan de doelstellingen en oogmerken voor het betreffende gebied en de betreffende functie.

  • 3.

    De omgevingsvergunning voor pré-mantelzorg wordt verleend als het bieden van pré-mantelzorg plaatsvindt in overeenstemming met de "Beleidsregel pré-mantelzorgwoningen gemeente Hardenberg” (datum vaststelling college 3 oktober 2023) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s).

SubParagraaf 5.2.1.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Artikel 5.20 Aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

  • 1.

    Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken in strijd zijn met het karakter en het oogmerk van de aan locaties toegedeelde functies in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, een en ander behoudens voor zover zulks noodzakelijk is in verband met het op de functie gerichte gebruik van de gronden en bouwwerken.

  • 2.

    Het verbod in het eerste lid omvat in ieder geval het gebruik van gronden en/of bouwwerken voor niet-bestaande activiteiten die voldoen aan de omschrijvingen in kolom 1 (type projecten) en aan de bijbehorende omschrijvingen in kolom 2 (mer-plicht) van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, tenzij er een locatie ‘mer-activiteiten toegestaan’ is opgenomen.

  • 3.

    Gebruiksactiviteiten die op grond dit hoofdstuk niet zijn toegestaan - rechtstreeks danwel na melding of middels een omgevingsvergunning - zijn verboden.  

  • 4.

    Het gebruik als seksinrichting is verboden.   

  • 5.

    Het wonen in een zorgwoning door niet hulpbehoevenden of professionele hulpverleners die zorg of hulp verlenen aan ter plaatse wonende hulpbehoevenden is verboden.

  • 6.

    Het gebruik als hyperscale datacentrum is verboden.

Artikel 5.21 Bebouwingscontour jacht

[Gereserveerd]

Artikel 5.22 Bebouwingscontour jacht Rollepaal Oost

De locatie bebouwingscontour jacht Rollepaal Oost is aangewezen als bebouwingscontour jacht zoals bedoeld in artikel 11.71 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Paragraaf 5.2.2 Voertuig parkeren
Artikel 5.23 Parkeergelegenheid
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van de parkeerbehoefte tot gevolg heeft.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw aan te leggen parkeergelegenheid; en

    • b.

      een parkeerbalans en toelichting hierop.

  • 3.

    De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:

    • a.

      er dient op eigen terrein in voldoende mate in parkeergelegenheid ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's, motorfietsen, fietsen of andere voertuigen te worden voorzien en standgehouden op of onder het gebouw, en/of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw of terrein behoort. Er is sprake van voldoende parkeergelegenheid indien wordt voldaan aan de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); en

    • b.

      de parkeergelegenheid dient qua maatvoering passend te zijn, gelet op het gebruik van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer. Er is sprake van een passende maatvoering indien deze is afgestemd op gangbare auto's, zoals opgenomen in de richtlijnen en maatvoering in de "Parkeernormennota Hardenberg" (datum vaststelling raad 17 juli 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s); of

    • c.

      er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en b:

      • 1.

        indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en

      • 2.

        als wordt voorzien in een parkeergelegenheid die gelet op de parkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is, bijvoorbeeld in de vorm van alternatieve parkeerruimte in de nabijheid, daarbij rekening houdend met de reeds bestaande bebouwing ter plaatse en de mogelijkheid van dubbelgebruik.

  • 4.

    Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de parkeergelegenheid.

Artikel 5.24 Laden en lossen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk te bouwen of een gebruiksactiviteit aan te vangen of te intensiveren die een toename van het laden of lossen van goederen tot gevolg heeft.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een tekening met daarop de eventuele bestaande en nieuw te realiseren laad- en losruimte; en

    • b.

      een beschrijving van de (aantallen) vervoersbewegingen.

  • 3.

    De volgende beoordelingsregels zijn van toepassing:

    • a.

      er dient aan, in of onder dat gebouw, of op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort in voldoende mate te zijn voorzien in laad- en losruimte; of

    • b.

      er kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a:

      • 1.

        indien het voldoen aan die bepalingen op overwegende bezwaren stuit; en

      • 2.

        als wordt voorzien in een laad- en losruimte die gelet op de verkeerbelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig is.

  • 4.

    Er kunnen vergunningvoorschriften worden verbonden ten aanzien van het realiseren en in standhouden van de laad- en losruimte.

Afdeling 5.3 Milieubelastende activiteit verrichten

Paragraaf 5.3.1 Milieubelastende activiteiten - algemene regels
Artikel 5.25 Milieubelastende activiteiten - toepassingsbereik

Deze subparagraaf is van toepassing op het uitvoeren van milieubelastende activiteiten

Artikel 5.26 Milieubelastende activiteiten - onderlinge samenhang

Bij de beoordeling van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving door milieubelastende activiteiten, wordt de totale invloed beoordeeld van alle activiteiten die op eenzelfde locatie worden uitgevoerd én:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen; óf

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Paragraaf 5.3.2 Milieubelastende activiteiten - rookontwikkeling
Artikel 5.27 Buitenopslag met brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen
  • 1.

    Deze regel is van toepassing op de buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen met een grondoppervlak van afvalstoffen van meer dan 100 m2 en minder dan 625 m2.

  • 2.

    Voor de afvalbewerkende bedrijven, afvalverwerkende bedrijven en bedrijven voor de op- en overslag van afvalstoffen gelden de volgende regels:

    • a.

      De afstand van een buitenopslag van brandbare, niet milieugevaarlijke stoffen en goederen van minder dan 625 m2 tot naastgelegen percelen of objecten (waaronder gebouwen, en andere opslagen) is zo groot dat de stralingswarmte ter hoogte van deze naastgelegen percelen of objecten ten hoogste 15 kW/m2 bedraagt;

    • b.

      De afstand tot een primaire bluswatervoorziening is ten hoogste 100 meter;

    • c.

      De activiteit is tot op 10 meter te bereiken door een brandweerwagen. Daarvoor gelden de volgende eisen:

      • 1.

        Rijstrookbreedte van 3,25 meter verhard en 3,50 meter vrije doorgang

      • 2.

        Vrije doorgangshoogte van 4,20 meter

      • 3.

        Geschikt voor voertuigen met een draaicirkel met een binnenstraal van 5,5 meter en een buitenstraal van 10 meter

      • 4.

        Geschikt voor een totale belasting van 16 ton en een as-last van 11,5 ton.

  • 3.

    Het college kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat gegevens en bescheiden worden verstrekt, die nodig zijn om te beoordelen of kan worden voldaan aan de regels in het omgevingsplan over het bedrijfsmatig opslaan van stoffen.

Paragraaf 5.3.3 Milieubelastende activiteiten - bedrijfsafvalwater
Artikel 5.28 Algemene regels lozingsroute bedrijfsafvalwater
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt bedrijfsafvalwater dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, zo veel mogelijk hergebruikt;

    • b.

      zo nodig na retentie of zuivering bij de bron, in de bodem gebracht; of

    • c.

      als hergebruik of in de bodem brengen redelijkerwijs niet mogelijk is: geloosd op het vuilwaterriool.

  • 2.

    Met het oog op de bescherming van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk wordt bedrijfsafvalwater, dat qua biologische afbreekbaarheid niet overeenkomt met huishoudelijk afvalwater, in stedelijk gebied Rollepaal Oost alleen geloosd op dat vuilwaterriool:

    • a.

      tussen 06.00 en 22.00 uur: met een maximaal debiet van <x> m3 per uur; en

    • b.

      tussen 22.00 en 06.00 uur: met een maximaal debiet van <y> m3 per uur.

  • 3.

    Met het oog op het beschermen van de doelmatige werking van het openbare vuilwaterriool en het zuiveringtechnische werk kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift, in afwijking van het tweede lid, bepalen dat minder of geen bedrijfsafvalwater in het vuilwaterriool wordt geloosd.

Paragraaf 5.3.4 Geluid door milieubelastende activiteiten

[Gereserveerd]

Afdeling 5.4 Werk verrichten

Paragraaf 5.4.1 Werken en werkzaamheden
SubParagraaf 5.4.1.1 Algemene bepalingen

Artikel 5.29 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het verrichten van werken en werkzaamheden.

SubParagraaf 5.4.1.2 Toegestane werken en werkzaamheden

Artikel 5.30 Aanwijzing toegestane werken en werkzaamheden

Het is toegestaan zonder omgevingsvergunning de volgende aanlegactiviteiten te verrichten en de aan te leggen werken in stand te houden en te gebruiken, mits deze niet in strijd zijn met de toegedeelde functie:

  • a.

    nutsvoorzieningen;

  • b.

    infrastructurele voorzieningen (waaronder parkeervoorzieningen);

  • c.

    verblijfsvoorzieningen;

  • d.

    groenvoorzieningen en ecologische voorzieningen; en

  • e.

    vaar- en waterhuishoudkundige voorzieningen.

SubParagraaf 5.4.1.3 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Artikel 5.31 Dempen waterlopen

  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning waterlopen te dempen.

  • 2.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      de demping geen negatieve invloed heeft op het watersysteem;

    • b.

      de demping niet leidt tot een beperking van de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;

    • c.

      het (deels) dempen noodzakelijk is om watersystemen van elkaar gescheiden te houden om waterstaatkundige redenen; en

    • d.

      de te dempen waterloop voor aanvang van demping grondig wordt geschoond van aanwezige beplanting en bagger.

Afdeling 5.5 Kapactiviteiten

Artikel 5.32 Bebouwingscontour houtkap Rollepaal Oost

De locatie bebouwingscontour houtkap Rollepaal Oost is aangewezen als bebouwingscontour houtkap zoals bedoeld in artikel 11.111 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Afdeling 5.6 Overige activiteit verrichten

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 6 Procesregels

Afdeling 6.1 Algemene bepalingen

Artikel 6.1 Rangorde
  • 1.

    Indien op basis van Hoofdstuk 4 op een locatie als gevolg van een stapeling van gebiedsaanwijzingen meerdere locatiegebonden en/of meer specifieke regelingen gelden, dan gaat de regeling voor die het meest bijdraagt aan de doelen van dit omgevingsplan als opgenomen in Artikel 1.3

  • 2.

    Indien in Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.

  • 3.

    Indien in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 via een locatiegebonden en/of meer specifieke regeling anders is bepaald dan in Hoofdstuk 5, dan gaat die regeling voor.

  • 4.

    De regels in dit plan gaan voor op het omgevingsplan dat van rechtswege is ontstaan, met uitzondering van de artikelen 1.1 en 1.2 waarbij het tijdelijke omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet van toepassing blijft.

Artikel 6.2 Algemene indienings- en aanvraagvereisten melding en omgevingsvergunning

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit of een melding op grond van dit plan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aanduiding (aard en omvang) van de activiteit of activiteiten waarvoor de omgevingsvergunning wordt aangevraagd c.q. de melding wordt ingediend;

  • b.

    naam, adres, e-mailadres (voor zover beschikbaar), en woonplaats van de melder of aanvrager en diens eventuele gemachtigde;

  • c.

    de verwachte datum van het begin van de activiteit ingeval van een melding;

  • d.

    een situatietekening of kaart met een schaal van tenminste 1:1.000 voorzien van een noordpijl waarop de ligging, indeling en uitvoering van de activiteit op de locatie ten opzichte van de omgeving is aangegeven; en

  • e.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventuele benodigde beoordeling op grond van dit plan. 

Artikel 6.3 Advies
  • 1.

    Het bevoegd gezag vraagt schriftelijk advies aan:

    • a.

      de stadsbouwmeester over de welstandsaspecten van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten; en,

    • b.

      de gemeentelijke adviescommissie op het gebied van de monumentenzorg in het geval van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor monumentenactiviteiten.

  • 2.

    De stadsbouwmeester baseert zijn/haar welstandsadvies op de criteria uit de vastgestelde beleidsregels over het uiterlijk van bouwwerken als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. Voorzover de regels aan bouwactiviteiten met betrekking tot de voorgeschreven maximale goothoogte en maximale bouwhoogte en de plaatsing op het bouwperceel ruimte bieden voor verschillende mogelijkheden van het realiseren van gebouwen, is deze ruimte tevens bedoeld voor het kunnen stellen van voorwaarden op basis van deze welstandscriteria (voor zover die binnen het betreffende gebied van toepassing zijn) mits:

    • a.

      de vermindering van de goot- en bouwhoogte niet meer bedraagt dan 15% van de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte; en

    • b.

      de binnen de regels te realiseren oppervlakte niet wordt verminderd.

  • 3.

    Totdat de beleidsregels als bedoeld in lid 2 zijn vastgesteld, baseert de stadsbouwmeester zijn/haar welstandsadvies op de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 6.4 Algemene beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning
  • 1.

    Voor een activiteit waarvoor overeenkomstig de daarop toepasselijke beoordelingsregels, als bedoeld in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4, geen omgevingsvergunning kan worden verleend, of die niet overeenkomstig de voor de activiteit geldende algemene regels in deze hoofdstukken kan worden uitgevoerd, kan een omgevingsvergunning worden verleend als wordt voldaan aan de volgende criteria:

    • a.

      er zijn geen geschikte alternatieven en het doorgang vinden van de activiteit is noodzakelijk met het oog op een van de daarop toepasselijke doelen en/of oogmerken; en

    • b.

      het met weigering van de omgevingsvergunning of handhaving van de algemene regel, als bedoeld in de aanhef, te dienen belang is onevenredig in verhouding tot het doel en/of oogmerk van de activiteit.

  • 2.

    Bij de toepassing van het eerste lid, worden de rechtstreeks bij de activiteit betrokken omgevingsdoelen en/of –oogmerken afgewogen, af voor zover niet uit een instructieregel, dit omgevingsplan of de aard van de betrokken activiteit een beperking voortvloeit.

Artikel 6.5 Algemene weigeringsgronden omgevingsvergunning

Een omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

  • a.

    het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit;

  • b.

    het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften;

  • c.

    een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en

  • d.

    de gemeentelijke doelstellingen als opgenomen in Artikel 1.3.

Artikel 6.6 Algemene bevoegdheid stellen maatwerkvoorschriften of vergunningvoorschriften
  • 1.

    Er kunnen met het oog op de belangen zoals genoemd in dit omgevingsplan maatwerkvoorschriften worden gesteld ten aanzien van activiteiten zoals opgenomen in Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze hoofdstukken tenzij anders is bepaald.

  • 3.

    Deze maatwerkvoorschriften strekken slechts tot het waarborgen van de veiligheid, het beschermen van de gezondheid en het beschermen van het milieu.

  • 4.

    Maatwerkvoorschriften worden genomen in onvoorziene situaties, bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en het bereiken van ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving.

  • 5.

    Een maatwerkvoorschrift wordt niet gesteld als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit kan worden verbonden.

  • 6.

    Er kunnen voorschriften aan een omgevingsvergunning worden verbonden. Deze vergunningvoorschriften strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning is vereist.

Artikel 6.7 Gelijkwaardigheid
  • 1.

    Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning in plaats van een maatwerkregel of een vergunningvoorschrift als bedoeld in artikel Artikel 6.6, een gelijkwaardige maatregel te treffen.

  • 2.

    Met de gelijkwaardige maatregel wordt ten minste hetzelfde resultaat bereikt als met de voorgeschreven maatregel of het vergunningvoorschrift is beoogd.

Artikel 6.8 Normadressaat
  • 1.

    Aan Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 die algemeen geldende bepalingen bevatten, wordt door een ieder – waaronder de gemeente - voldaan.

  • 2.

    Aan Hoofdstuk 2, Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 die gaan over de verschillende gebiedsaanwijzingen wordt voldaan door de eigenaar van de locatie en/of degene die uit anderen hoofde bevoegd is over de locatie te beschikken. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de locatie.

  • 3.

    Aan Hoofdstuk 5 wordt voldaan door degene die de activiteit verricht en/of laat verrichten. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 6.9 Administratieve bepaling

Het bevoegd gezag is bevoegd om rekening te houden met de herziening en vervanging van de NEN-normen, voornormen, praktijkrichtlijnen en andere voorschriften waarnaar in dit omgevingsplan - of in de bij dit omgevingsplan behorende bijlagen - wordt verwezen, indien de betrokken norm, voornorm, praktijkrichtlijn of het voorschrift is herzien of vervangen en die herziening of vervanging is gepubliceerd.

Artikel 6.10 Participatie bij omgevingsplanactiviteiten
  • 1.

    Indien participatie van en overleg met derden verplicht is, verstrekt de aanvrager bij het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit op basis van artikel 16.55 lid 4 van de Omgevingswet de volgende gegevens en bescheiden:

    • a.

      een overzicht van het gevolgde participatieproces;

    • b.

      een weergave van de inbreng van degenen die hebben deelgenomen aan de participatie;

    • c.

      een reactie van de aanvrager op de inbreng als bedoeld onder b, waarbij wordt aangegeven welke inbreng op welke wijze is verwerkt in de aangevraagde omgevingsplanactiviteit; en

    • d.

      een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan over de aanvraag om een omgevingsvergunning een participatieproces organiseren met burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen, indien de verstrekte gegevens daar aanleiding toe geven.

Artikel 6.11 Participatie bij wijziging van het omgevingsplan
  • 1.

    Het college stelt een participatieplan op bij de voorbereiding van een wijziging van het omgevingsplan.

  • 2.

    Het participatieplan bevat:

    • a.

      het doel en de intentie van de participatie;

    • b.

      wie de deelnemers zijn van het participatieproces;

    • c.

      welk niveau van participatie wordt toegepast, waarbij een keuze wordt gemaakt uit: raadplegen, adviseren, meebeslissen of samenwerken;

    • d.

      hoe het resultaat wordt betrokken bij de besluitvorming;

    • e.

      hoe het participatieproces wordt vormgegeven; en

    • f.

      of en zo ja, hoe, een evaluatie van het participatieproces plaatsvindt.

  • 3.

    Bij de kennisgeving van het voornemen om een wijziging van het omgevingsplan vast te stellen, wordt op basis van het participatieplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.

  • 4.

    Indien omstandigheden het noodzakelijk maken om het participatieproces als bedoeld in het derde lid aan te passen, draagt het college er zorg voor dat dit onverwijld bekend wordt gemaakt aan de participanten.

  • 5.

    Als afronding van het participatieproces maakt het college een participatieverslag op. Het participatieverslag bevat ieder geval:

    • a.

      een overzicht van het gevolgde participatieproces;

    • b.

      een weergave van de inbreng die tijdens het participatieproces mondeling of schriftelijk naar voren zijn gebracht;

    • c.

      een reactie op de inbreng, met redenen omkleed welke punten al dan niet van invloed zullen zijn op de wijziging van het omgevingsplan; en

    • d.

      een overzicht van de afspraken die op basis van het participatieproces zijn gemaakt.

  • 6.

    Het bevoegd gezag neemt het participatieverslag op bij het besluit tot vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan en motiveert op basis van het participatieplan als bedoeld in het derde lid en het verslag in het zesde lid:

    • a.

      hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn betrokken en wat er met de resultaten is gedaan; en

    • b.

      op welke wijze invulling is gegeven aan het bepaalde in dit artikel.

Afdeling 6.2 Financiële bepalingen

[Gereserveerd]

Afdeling 6.3 Handhaving

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 7 Overgangsrecht en slotbepalingen

Afdeling 7.1 Overgangsrecht

Artikel 7.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • 1.

    Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie aanwezig of in uitvoering is, of gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het omgevingsplan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:

    • a.

      gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;

    • b.

      na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

  • 2.

    Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk met maximaal 10%.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd met het daarvoor geldende wijzigingsbesluit voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 7.2 Overgangsrecht gebruik ten dienste van functie
  • 1.

    Het gebruik van gronden en bouwwerken ten dienste van de functie (of andere gebiedsaanwijzing) met de daarbij behorende milieugebruiksruimte als bedoeld in Hoofdstuk 2,Hoofdstuk 3 en Hoofdstuk 4 dat bestond op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

  • 2.

    Het is verboden het met dit wijzigingsbesluit strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit wijzigingsbesluit strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

  • 3.

    Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het wijzigingsbesluit voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

  • 4.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik, dat al in strijd was met het voorheen geldende wijzigingsbesluit voor die locatie, daaronder begrepen de overgangsbepalingen.

Artikel 7.3 Overgangsrecht overige activiteiten
  • 1.

    Een ontheffing of vergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan:

    • a.

      vergunningplichtig is, geldt als een omgevingsvergunning voor die activiteit;

    • b.

      meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.

  • 2.

    Een melding of een informatieplicht voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan meldingsplichtig is, geldt als een melding voor die activiteit.

  • 3.

    Een voorschrift uit een onherroepelijke omgevingsvergunning voor een activiteit die op grond van dit omgevingsplan niet vergunningplichtig is, geldt als een maatwerkvoorschrift voor zover het mogelijk is op grond van dit omgevingsplan over die activiteit maatwerkvoorschriften te stellen.

  • 4.

    Op activiteiten die op het moment van de inwerkingtreding van een besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie krachtens de tot dan geldende wetgeving en voorschriften plaatsvinden, zijn de bepalingen van Hoofdstuk 1, Hoofdstuk 5, Hoofdstuk 6 en Hoofdstuk 7 van dit omgevingsplan rechtstreeks van toepassing.

Artikel 7.4 Overgangsrecht handhavingsbesluiten

Als dit omgevingsplan op een activiteit van toepassing wordt en voor dat moment een overtreding heeft plaatsgevonden, een overtreding is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en een bestuurlijke sanctie is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, blijft het oude recht op die bestuurlijke sanctie van toepassing tot het tijdstip waarop:

  • a.

    de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd;

  • b.

    de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen; of

  • c.

    als de beschikking gaat om de oplegging van een last onder dwangsom:

  • d.

    de last volledig is uitgevoerd;

  • e.

    de dwangsom volledig is verbeurd en betaald; of

  • f.

    de last is opgeheven.

Artikel 7.5 Voorrangsregels overgangsrecht

Voor zover dit plan elders regels bevat over eerbiedigende werking hebben deze regels voorrang op de regels in deze afdeling.

Afdeling 7.2 Slotbepalingen

Artikel 7.6 Citeertitel

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Hardenberg.

Hoofdstuk 11

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 12

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 13

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 14

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 15

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 16

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 17

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 18

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 19

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 20

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 21

[Gereserveerd]

Hoofdstuk 22 ACTIVITEITEN

Afdeling 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling
  • 1.

    De regels in Afdeling 22.2, met uitzondering van SubParagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    De regels in Afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover voorschriften zijn verbonden aan:

    • a.

      een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet onherroepelijke omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit;

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en na de inwerkingtreding van die wet onherroepelijk wordt.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten
  • 1.

    Voor de toepassing van de Artikel 22.28 lid 1 en Artikel 22.28 lid 2, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.293 en Artikel 22.295 wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is.

  • 2.

    Het eerste lid is van toepassing:

    • a.

      als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of dit omgevingsplan geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

De artikelen Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, zijn van overeenkomstige toepassing op een activiteit als bedoeld in die artikelonderdelen die wordt verricht op een locatie waarvoor een op grond van artikel 4.35, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als instructie geldende aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet van kracht is, zolang in dit omgevingsplan aan die locatie nog niet de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Afdeling 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

Paragraaf 22.2.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften
  • 1.

    Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

  • 2.

    Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Paragraaf 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden
Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit is verleend wordt, onverminderd de aan de vergunning verbonden voorschriften, niet begonnen voordat voor zover nodig:

  • a.

    de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en

  • b.

    het straatpeil is uitgezet.

Artikel 22.6

[Vervallen]

Paragraaf 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken
Artikel 22.7 Repressief welstand
  • 1.

    Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold:

    • a.

      een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en

    • b.

      een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van elektriciteit in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor elektriciteit als de aansluitafstand niet groter is dan 100 m of groter is dan 100 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 100 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van gas in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor gas als:

    • a.

      artikel 10, zesde lid, onder a of b, van de Gaswet op de aansluiting van toepassing is; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en de energiezuinigheid en de bescherming van het milieu is een te bouwen bouwwerk met een of meer verblijfsgebieden aangesloten op het in het warmteplan bedoelde distributienet voor warmte als:

    • a.

      het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van de indiening van de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk nog niet is bereikt; en

    • b.

      de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

  • 2.

    Een gelijkwaardige maatregel voor een aansluiting op het distributienet voor warmte heeft ten minste dezelfde mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu als wordt bereikt met de in het warmteplan voor die aansluiting opgenomen mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu.

  • 3.

    Onverminderd het vierde lid, zijn het eerste en tweede lid niet van toepassing op het bouwen van een woonfunctie voor particulier eigendom of een drijvend bouwwerk.

  • 4.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 voor een gebied een aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt, blijft die aansluitplicht voor dat gebied van toepassing.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingsconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

  • 2.

    De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op de op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

  • 3.

    Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid:

    • a.

      heeft geen vernauwing in de stroomrichting;

    • b.

      heeft een vloeiend beloop;

    • c.

      is waterdicht;

    • d.

      heeft een voldoende inwendige middellijn; en

    • e.

      bevat geen beer- of rottingput.

  • 4.

    Bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in Artikel 22.4 kan in ieder geval worden bepaald:

    • a.

      als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd;

    • b.

      als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en

    • c.

      of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

  • 2.

    De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 3.

    De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • d.

      als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of

    • e.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

  • 3.

    Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg:

    • a.

      een breedte van ten minste 4,5 m;

    • b.

      een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram;

    • c.

      een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en

    • d.

      een doeltreffende afwatering.

  • 4.

    Een verbindingsweg is over de voorgeschreven hoogte en breedte, bedoeld in het derde lid, vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

  • 5.

    Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen
  • 1.

    Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090;

    • b.

      op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2;

    • c.

      op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of

    • d.

      als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

  • 3.

    De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

  • 4.

    Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte, bedoeld in Artikel 22.14 lid 3, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

  • 5.

    Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Paragraaf 22.2.4 Gebruik van bouwwerken
Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners:

    • a.

      wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en

    • b.

      wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een bouwwerk niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat het gebruik in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk
  • 1.

    Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Paragraaf 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen
Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken
  • 1.

    Op een open erf of terrein nabij een bouwwerk is geen brandgevaarlijke stof als bedoeld in tabel 22.2.1 aanwezig.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als:

    • a.

      de in tabel 22.2.1 aangegeven toegestane hoeveelheid per stof niet wordt overschreden, waarbij de totale toegestane hoeveelheid stoffen 100 kilogram of liter is;

    • b.

      de stof deugdelijk is verpakt, waarbij:

      • 1.

        de verpakking tegen normale behandeling bestand is;

      • 2.

        de verpakking is voorzien van een adequate gevaarsaanduiding; en

      • 3.

        geen inhoud onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen; en

    • c.

      de stof wordt gebruikt met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      brandstof in het reservoir van een verbrandingsmotor;

    • b.

      brandstof in een verlichtings-, verwarmings- of ander warmteontwikkelend toestel;

    • c.

      voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken;

    • d.

      gasflessen tot een totale waterinhoud van 115 liter;

    • e.

      dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen de 61 °C en 100 °C tot een totale hoeveelheid van 1.000 liter; en

    • f.

      brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is toegestaan.

  • 4.

    Bij het berekenen van de toegestane hoeveelheid, bedoeld in het tweede lid, onder a, wordt een aangebroken verpakking als een volle meegerekend.

  • 5.

    In afwijking van het derde lid, aanhef en onder e, is de aanwezigheid van meer dan 1.000 liter van een oliesoort als bedoeld in dat onderdeel toegestaan als die oliesoort op zodanige wijze wordt opgeslagen en gebruikt dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand voldoende worden voorkomen.

    Tabel 22.2.1 Brandgevaarlijke stoffen

    ADR-klasse1

    Omschrijving

    Verpakkingsgroep

    Toegestane maximum hoeveelheid

    2

    UN 1950 spuitbussen & UN 2037 houders, klein, gas

    Gassen zoals propaan, zuurstof, acetyleen, aerosolen (spuitbussen)

    n.v.t.

    50 kg

    3

    Brandbare vloeistoffen zoals bepaalde oplosmiddelen en aceton

    II

    25 liter

    3 excl. dieselolie, gasolie of lichte stookolie met een vlampunt tussen 61°C en 100°C

    Brandbare vloeistoffen zoals terpentine en bepaalde inkten

    III

    50 liter

    4.1, 4.2, 4.3

    4.1: brandbare vaste stoffen, zelfontledende vaste stoffen en vaste ontplofbare stoffen in niet-explosieve toestand zoals wrijvingslucifers, zwavel en metaalpoeders

    4.2: voor zelfontbranding vatbare stoffen zoals fosfor (wit of geel) en diethylzink

    4.3: stoffen die in contact met water brandbare gassen ontwikkelen zoals magnesiumpoeder, natrium en calciumcarbide

    II en III

    50 kg

    5.1

    Brandbevorderende stoffen zoals waterstofperoxide

    II en III

    50 liter

    5.2

    Organische peroxiden zoals dicumyl peroxide en di-propionyl peroxide

    n.v.t.

    1 liter

    • 1

      Classificatie volgens de Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (Trb. 1959, 171). Terug naar link van noot.

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen
  • 1.

    De eigenaar of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen aan het open erf of terrein en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat de staat van het open erf of terrein tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 2.

    Degene die een open erf of terrein gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of de veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

  • 3.

    Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten op een open erf of terrein overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door:

    • a.

      het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal;

    • b.

      het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en

    • c.

      het nalaten van het normale onderhoud waardoor het open erf of terrein zich niet in een zindelijke staat bevindt.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid wordt een open erf of terrein niet gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is medegedeeld dat dit in verband met bouwvalligheid van een in de nabijheid gelegen bouwwerk gevaarlijk is.

Paragraaf 22.2.6 Cultureel erfgoed
Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek
  • 1.

    Als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels worden gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, zijn die regels niet van toepassing als die activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor zover er met betrekking tot die regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een andere oppervlakte dan 100 m2 geldt. In dat geval geldt die afwijkende andere oppervlakte.

Paragraaf 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken
SubParagraaf 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

  • 1.

    Artikel 22.27 en Artikel 22.36 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

  • 2.

    Bij de toepassing van Artikel 22.27 en Artikel 22.36 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het bij een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, of Artikel 22.36, onder a, of een bestaand bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder c, gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen

  • 1.

    Voor de toepassing van SubParagraaf 22.2.7.2 en SubParagraaf 22.2.7.3 worden de waarden die daarin in m of m2 zijn uitgedrukt op de volgende wijze gemeten:

    • a.

      afstanden loodrecht;

    • b.

      hoogten vanaf het aansluitend afgewerkt terrein, waarbij plaatselijke, niet bij het verdere verloop van het terrein passende, ophogingen of verdiepingen aan de voet van het bouwwerk, anders dan noodzakelijk voor de bouw daarvan, buiten beschouwing blijven; en

    • c.

      maten buitenwerks, waarbij uitstekende delen van ondergeschikte aard tot ten hoogste 0,5 m buiten beschouwing blijven.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, wordt een bouwwerk, voor zover dit zich bevindt op een erf- of perceelgrens, gemeten aan de kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.

Artikel 22.25 Mantelzorg

Voor de toepassing van SubParagraaf 22.2.7.2 en SubParagraaf 22.2.7.3 wordt huisvesting in verband met mantelzorg aangemerkt als functioneel verbonden met het hoofdgebouw.

SubParagraaf 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Artikel 22.27 Uitzonderingen op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

  • a.

    een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      gelegen in achtererfgebied;

    • 3.

      op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;

    • 4.

      niet hoger dan 5 m;

    • 5.

      de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en

    • 6.

      niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte;

  • b.

    een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      op de grond staand;

    • 2.

      niet hoger dan 5 m; en

    • 3.

      de oppervlakte niet meer dan 70 m2;

  • c.

    een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;

    • 2.

      voorzien van een plat dak;

    • 3.

      gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;

    • 4.

      onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;

    • 5.

      bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en

    • 6.

      zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

  • d.

    een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      niet hoger dan 4 m; en

    • 2.

      alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

  • e.

    een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

  • f.

    een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;

    • 2.

      op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en

    • 3.

      achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;

  • g.

    een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

    • 1.

      een silo; of

    • 2.

      een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

  • h.

    een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is; of

  • i.

    een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;

    • 2.

      geen uitbreiding van het bouwvolume; en

    • 3.

      geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

Artikel 22.28 Inperkingen artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is Artikel 22.27 niet van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen Artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

  • 3.

    Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is Artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

    • a.

      inpandige wijzigingen;

    • b.

      een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd;

    • c.

      een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of

    • d.

      een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

  • 4.

    Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

    • a.

      het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m2; of

    • b.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:

    • a.

      de activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van Paragraaf 22.2.4;

    • b.

      het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • c.

      de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:

      • 1.

        de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of

      • 2.

        bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:

    • a.

      het gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of

    • b.

      het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

  • 1.

    De toelaatbare kwaliteit van de bodem, bedoeld in Artikel 22.29 lid 1, onder c, is de interventiewaarde bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Er is sprake van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie in meer dan 25 m3 bodemvolume hoger is dan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

  • 3.

    Het zinsdeel «in meer dan 25 m3 bodemvolume» in het tweede lid is niet van toepassing voor zover het gaat om aanwezigheid van asbest.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: na einde activiteit

Aan een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie die is verleend met toepassing van Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder c, onder 2, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat het gebouw, of een gedeelte daarvan, alleen in gebruik wordt genomen nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop er een of meer sanerende of andere beschermende maatregelen zijn getroffen als bedoeld in Artikel 22.29.

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder a, kan de omgevingsvergunning voor een activiteit die in strijd is met de in dat onderdeel bedoelde regels toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.29 wordt de omgevingsvergunning geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht.

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

  • 1.

    Als dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald, kunnen aan een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften worden verbonden.

  • 2.

    Artikel 22.303 lid 1 is op het verbinden van die voorschriften van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een opgave van de bouwkosten;

  • b.

    het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • c.

    een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft;

  • d.

    een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

    • 1.

      de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

    • 2.

      de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

    • 3.

      de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

    • 4.

      de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

    • 5.

      het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;

  • e.

    de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het straatpeil en het aantal bouwlagen;

  • f.

    de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein;

  • g.

    gegevens en bescheiden die samenhangen met een uit te brengen advies van de Agrarische Adviescommissie in geval van een aanvraag voor een bouwactiviteit op een locatie waaraan een agrarische functie is toegedeeld;

  • h.

    voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

  • i.

    de volgende gegevens en bescheiden voor de toetsing aan de regels over redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;

    • 2.

      principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;

    • 3.

      kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en

    • 4.

      een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;

  • j.

    als de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie:

    • 1.

      de onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

    • 2.

      als de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen, tenzij het gaat om een locatie die is aangewezen in dit omgevingsplan waar een overschrijding van de toelaatbare kwaliteit, bedoeld in Artikel 22.30, redelijkerwijs is uit te sluiten; en

  • k.

    overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

SubParagraaf 22.2.7.3 Activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

  • a.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

    • 1.

      voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • i.

        5 m;

      • ii.

        0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en

      • iii.

        het hoofdgebouw;

    • 2.

      voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • i.

        als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en

      • ii.

        functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

    • 3.

      de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

      • i.

        bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied;

      • ii.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en

      • iii.

        bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; en

    • 4.

      uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • i.

        een woonwagen;

      • ii.

        een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld; of

      • iii.

        een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden;

  • b.

    het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in Artikel 22.27, onder f; en

  • c.

    het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

  • 1.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen Artikel 22.36, onder a, onder 2, onder ii, van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 22.36, onder a, wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg, gelden in plaats van de in Artikel 22.36, onder a, onder 3, gestelde eisen de volgende eisen:

    • a.

      in zijn geheel of in delen verplaatsbaar;

    • b.

      de oppervlakte niet meer dan 100 m2; en

    • c.

      buiten de bebouwde kom.

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.36 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of

  • b.

    op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Artikel 22.36, aanhef en onder a en c, is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht:

  • a.

    op een locatie in een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, opgenomen veiligheidszone, getypeerd als A-zone of B-zone, rondom een munitieopslag of een locatie voor activiteiten met ontplofbare stoffen;

  • b.

    op een locatie waarop de activiteit op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, niet is toegestaan vanwege het overschrijden van het plaatsgebonden risico van 10-6 per jaar als gevolg van de aanwezigheid van een locatie voor een vergunningplichtige milieubelastende activiteit, transportroute of buisleiding of vanwege de ligging in een belemmeringenstrook voor het onderhoud van een buisleiding; of

  • c.

    op een locatie binnen een afstand als bedoeld in:

    • 1.

      artikel 4.421, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, van dat artikel van toepassing is;

    • 2.

      artikel 4.472c, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 3.

      artikel 4.484, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 4.

      artikel 4.524, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 5.

      artikel 4.532, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 6.

      artikel 4.542, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 7.

      artikel 4.866, eerste of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 8.

      artikel 4.899, eerste lid, onder b, of derde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 9.

      artikel 4.905, eerste lid, onder b, of tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is;

    • 10.

      artikel 4.914, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 11.

      artikel 4.962, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is;

    • 12.

      artikel 4.1008, eerste lid, onder b, of tweede lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, het tweede lid, aanhef en onder b, of het derde lid van dat artikel van toepassing is; of

    • 13.

      artikel 4.1101, eerste lid, onder b, van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het eerste lid, aanhef en onder b, of het tweede lid van dat artikel van toepassing is.

Paragraaf 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken
Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.

Afdeling 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.3.1 Algemene bepalingen
Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik
  • 1.

    Deze afdeling is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in de bijlage bij de Omgevingswet.

  • 2.

    Deze afdeling is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein;

    • c.

      een milieubelastende activiteit die in hoofdzaak in de openbare buitenruimte wordt verricht;

    • d.

      doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen;

    • e.

      een evenement:

      • 1.

        dat ergens anders plaatsvindt dan op een locatie voor evenementen;

      • 2.

        dat geen festiviteit als bedoeld in artikel 5.68 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is; of

      • 3.

        waarover geluidregels zijn gesteld bij of krachtens een gemeentelijke verordening;

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden met een mobiele installatie op een weiland, akker of bos die geen verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

    • g.

      bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen.

  • 3.

    Het tweede lid geldt niet voor milieubelastende activiteiten die bestaan uit het lozen op of in de bodem of op de riolering, voor zover het gaat om de gevolgen van het lozen voor de bodem, voor de voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater of voor het zuiveringtechnisch werk.

  • 4.

    Het tweede lid geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in Paragraaf 22.3.7.

Artikel 22.42 Oogmerken

De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op:

  • a.

    het waarborgen van de veiligheid;

  • b.

    het beschermen van de gezondheid; en

  • c.

    het beschermen van het milieu, waaronder:

    • 1.

      het beschermen en verbeteren van de kwaliteit van lucht, bodem en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen;

    • 2.

      het doelmatig gebruik van energie en grondstoffen; en

    • 3.

      een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Artikel 22.43 Normadressaat

Aan deze afdeling wordt voldaan door degene die de activiteit verricht. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht
  • 1.

    Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de belangen, bedoeld in Artikel 22.42, is verplicht:

    • a.

      alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen;

    • b.

      voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken; en

    • c.

      als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd.

  • 2.

    Deze plicht houdt in ieder geval in dat:

    • a.

      alle passende preventieve maatregelen tegen milieuverontreiniging worden getroffen;

    • b.

      alle passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid worden getroffen;

    • c.

      de beste beschikbare technieken worden toegepast;

    • d.

      geen significante milieuverontreiniging wordt veroorzaakt;

    • e.

      alle passende maatregelen worden getroffen voor het voorkomen van ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet;

    • f.

      afvalwater dat wordt geloosd en gekanaliseerde emissies van stoffen in de lucht doelmatig kunnen worden bemonsterd;

    • g.

      metingen representatief zijn en monsters niet worden verdund;

    • h.

      meetresultaten op geschikte wijze worden geregistreerd, verwerkt, en gepresenteerd;

    • i.

      voor zover verontreiniging van de bodem ontstaat, herstel van de bodem redelijkerwijs mogelijk blijft; en

    • j.

      afvalstoffen worden afgevoerd na beëindiging van een activiteit.

  • 3.

    De plicht, bedoeld in het eerste lid, houdt in ieder geval ook in dat:

    • a.

      de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit zo veel mogelijk worden voorkomen of beperkt; en

    • b.

      de duisternis en het donkere landschap worden beschermd in door het bevoegd gezag aangewezen gebieden.

  • 4.

    Het eerste lid, voor zover het ziet op het tweede lid, en het tweede lid, zijn niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften
Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als gegevens en bescheiden worden verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders, worden die ondertekend en voorzien van:

  • a.

    de aanduiding van de activiteit;

  • b.

    de naam en het adres van degene die de activiteit verricht;

  • c.

    het adres waarop de activiteit wordt verricht; en

  • d.

    de dagtekening.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat
  • 1.

    Voordat de naam of het adres, bedoeld in Artikel 22.46, wijzigen, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit door een ander zal gaan worden verricht, worden de daardoor gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders
  • 1.

    Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders worden de gegevens en bescheiden verstrekt die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften op grond van dit omgevingsplan voor de activiteit toereikend zijn gezien de ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu.

  • 2.

    Gegevens en bescheiden worden verstrekt voor zover degene die de activiteit verricht er redelijkerwijs de beschikking over kan krijgen.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt onverwijld geïnformeerd over een ongewoon voorval.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval
  • 1.

    Zodra de volgende gegevens en bescheiden bekend zijn, worden ze verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders:

    • a.

      informatie over de oorzaken van het ongewoon voorval en de omstandigheden waaronder het ongewoon voorval zich heeft voorgedaan;

    • b.

      informatie over de vrijgekomen stoffen en hun eigenschappen;

    • c.

      andere gegevens die nodig zijn om de aard en de ernst van de gevolgen voor de fysieke leefomgeving te kunnen inschatten; en

    • d.

      informatie over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om de nadelige gevolgen van het ongewoon voorval te voorkomen als bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en

    • b.

      ongewone voorvallen bij wonen.

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing
Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen
  • 1.

    Alle energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van ten hoogste vijf jaar worden getroffen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het energieverbruik van de activiteit en andere milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar kleiner is dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen;

    • b.

      als artikel 15.51 of 16.5 van de Wet milieubeheer van toepassing is; of

    • c.

      op energiebesparende maatregelen aan een gebouw of gedeelte daarvan als bedoeld in artikel 3.84 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

  • 3.

    Aan het eerste lid wordt in ieder geval voldaan door het treffen van de maatregelen die zijn opgenomen in bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling.

  • 4.

    Dit artikel is van toepassing tot 1 december 2023.

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht
  • 1.

    Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer gegevens en bescheiden zijn verstrekt of hadden moeten worden verstrekt, blijven de uit artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, volgende verplichtingen en de verplichtingen volgend uit de regels die bij of krachtens dat artikel in samenhang met artikel 1.7, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zijn gesteld, tot 1 december 2023 van toepassing.

  • 2.

    Op een activiteit waarop het eerste lid van toepassing is, is gedurende de periode, bedoeld in dat lid, Artikel 22.52 niet van toepassing.

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval
Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalstoffen worden binnen een straal van 25 m rond de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, zo vaak als nodig etenswaren, verpakkingen, sport- of spelmaterialen, of andere materialen verwijderd die van de activiteit afkomstig zijn.

Paragraaf 22.3.4 Geluid
SubParagraaf 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

  • 1.

    Paragraaf 22.3.4 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is deze paragraaf niet van toepassing op geluid door een activiteit:

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar; en

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid van:

    • a.

      het met een verplaatsbaar mijnbouwwerk aanleggen, aanpassen, testen, onderhouden, repareren en buiten gebruik stellen van een boorgat of stimuleren van een voorkomen via een boorgat, bedoeld in artikel 4.1116 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • b.

      spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen.

  • 4.

    Deze paragraaf is alleen van toepassing op het geluid door activiteiten bij detailhandel als:

    • a.

      een of meer elektromotoren aanwezig zijn met een gezamenlijk vermogen van meer dan 1,5 kW, met uitzondering van elektromotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder; of

    • b.

      een of meer stookinstallaties aanwezig zijn met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 130 kW.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.54 lid 2, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.54 is deze paragraaf niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is als:

    • a.

      de activiteit al werd verricht voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet en op een locatie is toegelaten op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en

    • b.

      het geluidgevoelig gebouw mag worden gebouwd op grond van:

      • 1.

        het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onverminderd Artikel 22.41 worden voor de toepassing van Paragraaf 22.3.4 als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

De waarden voor het geluid door een activiteit gelden:

  • a.

    als het gaat om een geluidgevoelig gebouw: op de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw: op de locatie waar een gevel mag komen;

  • c.

    in afwijking van onder a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van dat woonschip of die woonwagen; en

  • d.

    als het gaat om een geluidgevoelige ruimte: in een geluidgevoelige ruimte.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

De waarden voor geluid zijn niet van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor geluid niet van toepassing op of in een geluidgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek

  • 1.

    In de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

    • c.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • d.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • e.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken;

    • f.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren;

    • g.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m;

    • h.

      bij een buitenschietbaan als bedoeld in Artikel 22.79; en

    • i.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat:

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • i.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • ii.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder i; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar.

  • 3.

    Voor een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, geldt in afwijking van het eerste lid, onder a, het aantal transportbewegingen tussen 19.00 en 6.00 uur.

  • 4.

    Uit het rapport van een geluidonderzoek, bedoeld in het eerste lid, blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen of wordt voldaan aan:

    • a.

      de waarden, bedoeld in de paragrafen SubParagraaf 22.3.4.2, SubParagraaf 22.3.4.3 en SubParagraaf 22.3.4.4; of

    • b.

      de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden, bedoeld onder a en b, worden overschreden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in Artikel 22.60, verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan op grond van de gegevens in het rapport van het geluidonderzoek, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt;

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, Artikel 22.61 of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

SubParagraaf 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw, met uitzondering van een activiteit als bedoeld in SubParagraaf 22.3.4.3 en SubParagraaf 22.3.4.4.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het geluid waarvoor bij maatwerkvoorschrift of maatwerkregel is bepaald dat het niet representatief is voor een activiteit.

Artikel 22.62a (tijdelijke uitzondering windparken)

Deze paragraaf is niet van toepassing op een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.1.

    Tabel 22.3.1 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van het eerste lid, het geluid van een activiteit die wordt verricht op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, op een geluidgevoelig gebouw op dat terrein, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.2.

    Tabel 22.3.2 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw gelegen op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit, in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.3.

    Tabel 22.3.3 Waarde voor geluid in een geluidgevoelige ruimte binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw
     

    07.00 – 19.00 uur

    19.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 4.

    De in het eerste tot en met derde lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op het laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63 lid 1, Artikel 22.63 lid 3 en Artikel 22.63 lid 4, het geluid door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.4.

    Tabel 22.3.4 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden
     

    07.00 – 21.00 uur

    21.00 – 07.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    De in het eerste lid opgenomen maximale geluidniveaus LAmax zijn niet van toepassing op laden en lossen in de periode tussen 07.00 en 21.00 uur.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63 lid 1, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.5.

    Tabel 22.3.5 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    35 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63 lid 3, het geluid door een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen, maar dat geen glastuinbouwbedrijf is dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.6.

    Tabel 22.3.6 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- of aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied.
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT veroorzaakt door de vast opgestelde installaties en toestellen

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      laden en lossen en het in- en uitrijden van landbouwtractoren of motorvoertuigen met beperkte snelheid, in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in die periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is, in afwijking van Artikel 22.63 lid 1, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, op een geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.7.

    Tabel 22.3.7 Waarde voor geluid op een geluidgevoelig gebouw door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    60 dB(A)

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is in afwijking van Artikel 22.63 lid 3, het geluid door een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied, in geluidgevoelige ruimten binnen een in- of aanpandig geluidgevoelig gebouw, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.8.

    Tabel 22.3.8 Waarde voor geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen, door een glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied
     

    06.00 – 19.00 uur

    19.00 – 22.00 uur

    22.00 – 06.00 uur

    Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT als gevolg van activiteiten

    35 dB(A)

    30 dB(A)

    25 dB(A)

    Maximaal geluidniveau LAmax als gevolg van activiteiten

    55 dB(A)

    50 dB(A)

    45 dB(A)

  • 3.

    Bij het bepalen van het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in het eerste en tweede lid, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het laden en lossen in de periode tussen 06.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      het laden en lossen in de periode tussen 19.00 uur en 06.00 uur, voor zover dat ten hoogste één keer in de genoemde periode plaatsvindt; en

    • c.

      het wassen van kasdekken in de periode tussen 19.00 uur en 6.00 uur.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

  • 1.

    Als een activiteit wordt verricht in een concentratiegebied voor horecabedrijven of in een concentratiegebied voor detailhandel en ambachtsbedrijven dat bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening als zodanig is aangewezen en waarin andere waarden zijn opgenomen dan de waarden, bedoeld in Artikel 22.63, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

  • 2.

    Als een agrarische activiteit wordt verricht in een gebied waarvoor bij of krachtens een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening andere waarden gelden voor het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) op geluidgevoelige gebouwen, bedoeld in de Artikel 22.65 lid 1, en Artikel 22.66 lid 1, gelden de waarden die zijn opgenomen in die verordening.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Voor een drijvende woonfunctie is de waarde 5 dB(A) hoger dan de waarden, bedoeld in de Artikel 22.63 lid 1, Artikel 22.64 lid 1, Artikel 22.65 lid 1 en Artikel 22.66 lid 1, als de locatie van de drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012:

  • a.

    voor een woonschip was bestemd; of

  • b.

    in een gemeentelijke verordening is aangewezen om door een drijvende woonfunctie te worden ingenomen en:

    • 1.

      voor 1 juli 2022 voor een woonschip is bestemd; of

    • 2.

      de aanwezigheid van een woonschip voor 1 juli 2022 in dit omgevingsplan is toegelaten.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking

  • 1.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijven het eerste en tweede lid van dat artikel gelden.

  • 2.

    Voor een activiteit waarop artikel 2.17a, zesde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, van toepassing was, blijft dat lid gelden.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69 en Artikel 22.71, blijft buiten beschouwing:

    • a.

      het geluid door de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval;

    • b.

      het stemgeluid van personen op een onverwarmd en onoverdekt terrein, tenzij dit terrein kan worden aangemerkt als een binnenterrein;

    • c.

      het stemgeluid van bezoekers op het open terrein bij sport- of recreatieactiviteiten;

    • d.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor het primair onderwijs, in de periode vanaf een uur voor aanvang van het onderwijs tot een uur na beëindiging van het onderwijs;

    • e.

      het stemgeluid van kinderen op een onverwarmd of onoverdekt terrein dat onderdeel is van een instelling voor kinderopvang;

    • f.

      het geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, en ook het geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

    • g.

      het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire terreinen;

    • h.

      het ten gehore brengen van muziek wegens het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uur per week op militaire terreinen;

    • i.

      het ten gehore brengen van onversterkte muziek, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld; en

    • j.

      het traditioneel schieten, bedoeld in Paragraaf 22.3.21, behalve voor zover daarvoor bij gemeentelijke verordening regels zijn gesteld.

  • 2.

    Bij het bepalen van het maximale geluidniveau (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, blijft buiten beschouwing het geluid als gevolg van:

    • a.

      het komen en gaan van bezoekers bij een activiteit waarvan horeca-, sport- of recreatieactiviteiten de kern vormen; of

    • b.

      het verrichten in de open lucht van sportactiviteiten of activiteiten die hiermee in nauw verband staan.

  • 3.

    De maximale geluidniveaus (LAmax), bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, zijn tussen 23.00 en 7.00 uur niet van toepassing op aandrijfgeluid van motorvoertuigen bij het laden en lossen als:

    • a.

      voor die activiteit het in die periode geldende maximale geluidniveau (LAmax) niet te bereiken is door het treffen van maatregelen; en

    • b.

      het niveau van het aandrijfgeluid op een afstand van 7,5 m van het motorvoertuig niet hoger is dan 65dB(A).

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Op de locatievoorlopige regels geldt dat als de activiteit wordt verricht op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, gelden de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT), bedoeld in de Artikel 22.63 lid 1, en Artikel 22.64 lid 1 ook op een afstand van 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

  • 1.

    Bij het bepalen van de geluidniveaus, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.69, blijft het geluid veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden, buiten beschouwing.

  • 2.

    Bij het stomen van grond met een installatie van derden worden maatregelen of voorzieningen getroffen die betrekking hebben op:

    • a.

      de periode waarin het stomen van grond plaatsvindt;

    • b.

      de locatie waarop de installatie wordt opgesteld; en

    • c.

      het aanbrengen van geluidbeperkende voorzieningen op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten

  • 1.

    De waarden, bedoeld in Artikel 22.63 tot en met Artikel 22.71, zijn voor zover de naleving van deze normen redelijkerwijs niet kan worden gevergd, niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met de viering van:

    • a.

      festiviteiten die bij of krachtens gemeentelijke verordening zijn aangewezen, in de gebieden in de gemeente waarvoor die verordening geldt; en

    • b.

      andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens die verordening aan te wijzen dagen of dagdelen per gebied of categorie van bedrijfssector kan verschillen en niet meer bedraagt dan twaalf per kalenderjaar.

  • 2.

    Een festiviteit die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) of het maximaal geluidniveau (LAmax), bedoeld in deze paragraaf, zijn de artikelen 6.6 en 6.7 van de Omgevingsregeling van toepassing.

SubParagraaf 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine met een rotordiameter van meer dan 2 m, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, op een geluidgevoelig gebouw.

  • 2.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door het opwekken van elektriciteit met een windturbine of windpark op een geluidgevoelig gebouw, ten hoogste 47 Lden en 41 Lnight.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      de emissieterm LE, bedoeld in onderdeel 3.1 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling, gebaseerd op de effectieve werking gedurende het afgelopen kalenderjaar; en

    • b.

      de voor de duur van een handhavingsmeting benodigde gegevens ter bepaling van de windsnelheid op ashoogte, bedoeld in paragraaf 1.6 van bijlage XXV bij de Omgevingsregeling.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Lden of Lnight, bedoeld in Artikel 22.76, is artikel 6.8 van de Omgevingsregeling van toepassing.

SubParagraaf 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het geluid op een geluidgevoelig gebouw door het exploiteren van een in de buitenlucht of in een gebouw zonder gesloten afdekking of een gebouw met een open zijde gelegen:

    • a.

      civiele schietbaan waar met vuurwapens wordt geschoten; of

    • b.

      militaire schietbaan of militair springterrein op een militair terrein.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geluidhinder is het geluid door een activiteit als bedoeld in Artikel 22.79 op een geluidgevoelig gebouw ten hoogste 50 Bs,dan.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen

  • 1.

    De volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a.

      dagelijks het aantal schoten of ontploffingen per wapentype, per dag-, avond- en nachtperiode, per baan; en

    • b.

      voor de duur van de handhavingsmeting, bedoeld in onderdeel 4.4.1 van bijlage XXVII bij de Omgevingsregeling, de gebruikte wapens en verschoten munitie.

  • 2.

    De gegevens worden gedurende vijf jaar bewaard.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van het geluid Bs,dan, bedoeld in Artikel 22.80, is artikel 6.9 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.5 Trillingen
Artikel 22.83 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op trillingen door een activiteit:

    • a.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een gezoneerd industrieterrein of op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld; en

    • b.

      in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In afwijking van Artikel 22.83 lid 2, onder b, is deze paragraaf ook van toepassing op trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

  • a.

    in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

  • b.

    in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onverminderd Artikel 22.41 worden voor de toepassing van deze paragraaf als één activiteit beschouwd, meerdere activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die:

  • a.

    rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan; of

  • b.

    elkaar functioneel ondersteunen.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

De waarden voor trillingen zijn niet van toepassing op trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit zijn de waarden voor trillingen niet van toepassing in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of op grond van een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning, behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.85 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van trillinghinder zijn de continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarde A1 trillingssterkte Vmax, bedoeld in tabel 22.3.9.

  • 2.

    Als niet voldaan wordt aan de waarde, bedoeld in het eerste lid, is de waarde van continue trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten, niet hoger dan de waarden onder A2 trillingssterkte Vmax en A3 trillingssterkte Vper, bedoeld in tabel 22.3.9.

    Tabel 22.3.9 Waarde voor continue trillingen in trillinggevoelige ruimten

    Soort

    waarden

     

    07.00 – 23.00 uur

    23.00 – 07.00 uur

    A1 trillingssterkte Vmax

    0,1

    0,1

    A2 trillingssterkte Vmax

    0,4

    0,2

    A3 trillingssterkte Vper

    0,05

    0,05

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Op het bepalen van de continue trillingen, bedoeld in deze paragraaf, is artikel 6.11 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Paragraaf 22.3.6 Geur
SubParagraaf 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid zijn de waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in de SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

De waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, voor de geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden:

  • a.

    als het gaat om een geurgevoelig object: op of tot de gevel;

  • b.

    als het gaat om een nieuw te bouwen geurgevoelig gebouw: op of tot de locatie waar een gevel mag komen; en

  • c.

    in afwijking van de onderdelen a en b, als het gaat om een woonschip of woonwagen: op of tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van het woonschip of de woonwagen.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

De waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, zijn niet van toepassing als het geurgevoelig object een functionele binding heeft met de activiteit.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Bij een activiteit zijn de waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2, en de afstanden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, niet van toepassing op een geurgevoelig object dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, behoort of heeft behoord tot die activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.96 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is bepaald dat de waarden en afstanden voor geur niet van toepassing zijn.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

Bij de waarden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.5, en de afstanden, bedoeld in SubParagraaf 22.3.6.2 en SubParagraaf 22.3.6.4 en Artikel 22.245, is geen rekening gehouden met de cumulatie van geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen.

SubParagraaf 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf

Artikel 22.96 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het beginnen met of het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van:

    • a.

      landbouwhuisdieren; en

    • b.

      paarden en pony's die gehouden worden voor het berijden.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op het houden van minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

Een afstand als bedoeld in deze paragraaf geldt vanaf het emissiepunt van een dierenverblijf, bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor de geur op een geurgevoelig object door de activiteit niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.10.

    Tabel 22.3.10 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel op een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig object

    Waarde

    Gelegen binnen de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    2,0 ouE/m3

    Gelegen binnen de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    3,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en buiten een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    8,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de bebouwde kom en binnen een concentratiegebied geurhinder en veehouderij

    14,0 ouE/m3

  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is artikel 6.14 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

  • 1.

    Als onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet de geur op een locatie rechtmatig meer bedraagt dan de waarde, bedoeld in Artikel 22.98 lid 1, mag, in afwijking van Artikel 22.98, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

    • a.

      het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, en

    • b.

      de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op die locatie niet toenemen.

  • 2.

    Voor gevallen als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren van een of meer diercategorieën met geuremissiefactor alleen toenemen als:

    • a.

      een geurbelastingreducerende maatregel wordt getroffen; en

    • b.

      de totale geur na het uitbreiden niet meer bedraagt dan het gemiddelde van de waarde, bedoeld in Artikel 22.96, en de waarde van de geur die de activiteit onmiddellijk voorafgaand aan het treffen van de maatregel rechtmatig mocht veroorzaken.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

Artikel 22.98 lid 1, is niet van toepassing bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, als de afstand op een locatie gelijk of groter is dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.11, tot de volgende geurgevoelige objecten:

  • a.

    een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • b.

    een geurgevoelig object dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan;

  • c.

    een geurgevoelig object met een woonfunctie dat op of na 19 maart 2000 is gebouwd:

    • 1.

      op een locatie die op dat tijdstip werd gebruikt voor het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf;

    • 2.

      in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van het dierenverblijf; en

    • 3.

      in samenhang met de sloop van een dierenverblijf of bedrijfsgebouw dat onderdeel heeft uitgemaakt van een gebouw voor het houden van landbouwhuisdieren of voor functioneel ondersteunende activiteiten; en

  • d.

    een geurgevoelig object dat aanwezig is op een locatie waar een geurgevoelig object met een woonfunctie als bedoeld onder c is gebouwd.

Tabel 22.3.11 Afstand tot een geurgevoelig object met functionele binding of geen functionele binding meer op of na 19 maart 2000 en ruimte-voor-ruimtewoning bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

Geurgevoelig object met functionele binding of functionele binding tot 19 maart 2000

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.12.

Tabel 22.3.12 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

Geurgevoelig object

Afstand

Gelegen binnen de bebouwde kom

100 m

Gelegen buiten de bebouwde kom

50 m

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

  • 1.

    Artikel 22.101 is niet van toepassing als op een locatie waarop onmiddellijk voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in dat artikel.

  • 2.

    In een geval als bedoeld in het eerste lid mag het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen en de afstand tot een geurgevoelig object niet afnemen.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

  • 1.

    Onverminderd Artikel 22.98 tot en met Artikel 22.102 is bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor of zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, de afstand niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.13.

    Tabel 22.3.13 Afstand gevel dierenverblijf tot een geurgevoelig object bij geur door het houden van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden

    Geurgevoelig object

    Afstand

    Gelegen binnen de bebouwde kom

    50 m

    Gelegen buiten de bebouwde kom

    25 m

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.97 geldt de afstand, bedoeld in het eerste lid, vanaf de gevel van een dierenverblijf.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

  • a.

    die afstand niet afnemen;

  • b.

    de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toenemen; en

  • c.

    het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie met geuremissiefactor niet toenemen.

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

Als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet voor het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden of pony’s die gehouden worden voor het berijden, op een locatie rechtmatig niet wordt voldaan aan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103 lid 1, mag, in afwijking van dat artikel, bij het houden van landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden:

  • a.

    die afstand niet afnemen; en

  • b.

    het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toenemen.

SubParagraaf 22.3.6.3

[Vervallen]

Artikel 22.106

[Vervallen]

Artikel 22.107

[Vervallen]

Artikel 22.108

[Vervallen]

Artikel 22.109

[Vervallen]

Artikel 22.110

[Vervallen]

Artikel 22.111

[Vervallen]

Artikel 22.112

[Vervallen]

Artikel 22.113

[Vervallen]

SubParagraaf 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      vaste mest die afkomstig is van landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden;

    • b.

      champost; of

    • c.

      dikke fractie.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op:

    • a.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie met een totaal volume van 3 m3 of minder;

    • b.

      het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op een plek; en

    • c.

      het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.17.

    Tabel 22.3.17 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie

    Opslaan van vaste mest, champost en dikke fractie

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.18.

    Tabel 22.3.18 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong

    Afstand

    Geurgevoelig object gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; en

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op in plasticfolie verpakte veevoederbalen.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen vanaf het dichtstbijzijnde punt van de opslagplaats tot een geurgevoelig object, niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.19.

    Tabel 22.3.19 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

    Afstand

    Niet afgedekt opslaan

    50 m

    Afgedekt opslaan

    25 m

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 750 m2 of een gezamenlijke inhoud van ten hoogste 2.500 m3.

  • 2.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand voor geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin vanaf het dichtstbijzijnde punt van het mestbassin tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.20.

    Tabel 22.3.20 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een mestbassin

    Afstand tot geurgevoelig gevoelig object

     

    Zonder functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Met functionele binding met dierenverblijf in directe omgeving

    Gezamenlijke oppervlakte minder dan 350 m2

    50 m

    25 m

    Gezamenlijke oppervlakte 350 m2 tot en met 750 m2

    100 m

    50 m

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het exploiteren van een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen, bedoeld in artikel 4.864 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.21.

    Tabel 22.3.21 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het composteren of opslaan van groenafval met een volume van 3 m3 tot en met 600 m3.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op groenafval dat een gevaarlijke afvalstof of gebruikt substraatmateriaal is.

  • 3.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de afstand vanaf het dichtstbijzijnde punt van de composteringshoop of de opslagplaats voor groenafval tot een geurgevoelig object niet kleiner dan de afstand, bedoeld in tabel 22.3.22.

    Tabel 22.3.22 Afstand tot een geurgevoelig object bij geur door het composteren of opslaan van groenafval

    Composteren of opslaan van groenafval

    Afstand

    Geurgevoelig object, gelegen binnen de bebouwde kom

    100 m

    Geurgevoelig object, gelegen buiten de bebouwde kom

    50 m

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie, bedoeld in Artikel 22.114, het opslaan van substraatmateriaal van plantaardige oorsprong, bedoeld in artikel 22.113, het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen, bedoeld in Artikel 22.116, en het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in Artikel 22.119, als:

  • 2.

    Dit artikel is ook van toepassing op het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie in een of meer mestbassins, bedoeld in Artikel 22.117 lid 1, als:

    • a.

      de afstand tussen de activiteit, bedoeld in Artikel 22.117 lid 1, en een geurgevoelig object op 1 januari 2013 rechtmatig kleiner was dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.117 lid 2;

    • b.

      het mestbassin voor 1 januari 2013 is opgericht; en

    • c.

      verplaatsing van het mestbassin redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

  • 3.

    In een geval als bedoeld in het eerste of tweede lid is Artikel 22.114 lid 3, Artikel 22.115 lid 2, Artikel 22.116 lid 3, Artikel 22.117 lid 2, of Artikel 22.119 lid 3, niet van toepassing en neemt de afstand tot een geurgevoelig object niet af.

SubParagraaf 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 22.121 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, bedoeld in artikel 3.173 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder is de geur op een geurgevoelig object niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.23.

    Tabel 22.3.23 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    0,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    1 ouE/m3

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is de geur op een geurgevoelig object door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996 en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer in werking en onherroepelijk was, niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 22.3.24.

    Tabel 22.3.24 Waarde voor geur ouE/m3als 98-percentiel door een zuiveringtechnisch werk opgericht voor 1 februari 1996 op een geurgevoelig object

    Activiteit

    Geurgevoelig object

    Grenswaarde

    Het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk, opgericht voor 1 februari 1996

    Gelegen binnen de bebouwde kom, anders dan op een gezoneerd industrieterrein, een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

    1,5 ouE/m3

    Gelegen:

    – op een gezoneerd industrieterrein;

    – op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    – op een Activiteitenbesluit- bedrijventerrein, of

    – buiten de bebouwde kom

    3,5 ouE/m3

  • 3.

    Op het berekenen van de geur is artikel 6.13 van de Omgevingsregeling van toepassing.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden, bedoeld in Artikel 22.122 lid 1, zijn niet van toepassing op de geur door het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk waarvoor tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in werking en onherroepelijk was, op geurgevoelige objecten die:

  • a.

    op het moment van verlening van de vergunning niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gebouwd; of

  • b.

    in de vergunning niet als geurgevoelig werden beschouwd.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij het wijzigen van een zuiveringtechnisch werk als bedoeld in Artikel 22.122 lid 2 en Artikel 22.123, is de waarde van de geur op een geurgevoelig object als gevolg van dat zuiveringtechnisch werk niet hoger dan de waarde voor geur op een geurgevoelig object, voorafgaand aan de verandering, tenzij de waarden, bedoeld in Artikel 22.122 lid 1, niet worden overschreden.

Paragraaf 22.3.7 Bodembeheer
SubParagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 22.125 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verrichten van nazorg als saneren van de bodem heeft plaatsgevonden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, dit omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift.

Artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

  • 1.

    De eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie treft de noodzakelijke maatregelen gericht op het voor onbepaalde tijd in stand houden en onderhouden of vervangen van een afdeklaag.

  • 2.

    Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing voor tijdelijke beschermingsmaatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen maar blootstelling aan de verontreiniging voorkomen in verband met een toevalsvondst als bedoeld in artikel 19.9a van de Omgevingswet.

SubParagraaf 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het graven in de bodem waarbij het bodemvolume waarin wordt gegraven kleiner dan of gelijk is aan 25 m3 en sprake is van:

    • a.

      locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is verleend als bedoeld in artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is; of

    • b.

      locaties of gebieden waar de bodem diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit zoals dat blijkt uit:

      • 1.

        een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet; of

      • 2.

        een bodemkwaliteitskaart vastgesteld op grond van artikel 25c, derde lid van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Graven in de bodem als bedoeld in het eerste lid omvat ook:

    • a.

      het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie;

    • b.

      het tijdelijk opslaan van grond; en

    • c.

      het terugplaatsen van grond na afloop van tijdelijk uitnemen.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het graven in de waterbodem.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

  • 1.

    Ten minste een week voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.127, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht;

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit; en

    • c.

      de verwachte duur ervan.

  • 2.

    Onverwijld na het wijzigen van de begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      als het alleen gaat om het tijdelijk uitnemen van grond; of

    • b.

      op het graven in de bodem in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen wordt grond die bij het graven is vrijgekomen niet langer dan acht weken na beëindiging van het graven in de directe nabijheid van de ontgravingslocatie opgeslagen.

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Met het oog op het beschermen van de gezondheid, het beschermen van de kwaliteit van de bodem en het doelmatig beheer van afvalstoffen, wordt de activiteit milieukundig begeleid volgens BRL SIKB 6000 als het graven plaatsvindt op een locatie waar een afdeklaag is aangebracht als saneringsaanpak en de ontgraving dieper reikt dan deze afdeklaag.

SubParagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een activiteit op een locatie waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking is vastgesteld krachtens artikel 29 in samenhang met artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 22.131, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

SubParagraaf 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen

[Gereserveerd]

Paragraaf 22.3.8 Afvalwaterbeheer
SubParagraaf 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van:

  • a.

    een bodemsanering of grondwatersanering;

  • b.

    een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering; en

  • c.

    ontwatering.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.137, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering, als:

    • a.

      het lozen niet langer dan 48 uur duurt; of

    • b.

      het lozen plaatsvindt bij wonen.

  • 4.

    In afwijking van het eerste en tweede lid worden de gegevens en bescheiden ten minste vijf werkdagen voor het begin van het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering verstrekt, als het lozen langer duurt dan 48 uur maar niet langer dan 8 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater op of in de bodem zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in bijlage XIX bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.26, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Dat grondwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

    Tabel 22.3.26 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in μg/l of mg/l

    Naftaleen

    0,2 μg/l

    PAK’s

    1 μg/l

    BTEX

    50 μg/l

    Vluchtige organohalogeen-verbindingen uitgedrukt als chloor

    20 μg/l

    Aromatische organohalogeen-verbindingen

    20 μg/l

    Minerale olie

    500 μg/l

    Cadmium

    4 μg/l

    Kwik

    1 μg/l

    Koper

    11 μg/l

    Nikkel

    41 μg/l

    Lood

    53 μg/l

    Zink

    120 μg/l

    Chroom

    24 μg/l

    Onopgeloste stoffen

    50 mg/l

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan grondwater bij ontwatering, dat niet afkomstig is van een bodemsanering, een grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een bodemsanering of grondwatersanering en dat geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat grondwater in een schoonwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 50 mg/l en voor ijzer 5 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Voor het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l.

  • 4.

    Het lozen van dat grondwater in een vuilwaterriool duurt niet langer dan 8 weken en de geloosde hoeveelheid is ten hoogste 5 m3/u.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering bij wonen.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor BTEX: NEN-EN-ISO 15680;

    • b.

      voor polycyclische aromatische koolwaterstoffen: NEN-EN-ISO 17993;

    • c.

      voor tetrachlooretheen, trichlooretheen, 1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, vinylchloride, de som van de vijf hiervoor genoemde stoffen, monochloorbenzeen, dichloorbenzeen, trichloorbenzenen: NEN-EN-ISO 10301 of NEN-EN-ISO 15680, waarbij voor vinylchloride enkel NEN-EN-ISO 15680 gebruikt kan worden;

    • d.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • e.

      voor cadmium, koper, nikkel, lood, zink en chroom: NEN 6966 of NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 11885, waarbij de elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • f.

      voor kwik: NEN-EN-ISO 17294-2 of NEN-EN-ISO 12846 of NEN-EN-ISO 17852, waarbij kwik wordt ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2;

    • g.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872;

    • h.

      voor chloride: NEN-EN-ISO 15682;

    • i.

      voor cyaniden totaal: NEN-EN-ISO 14403-1 en NEN-EN-ISO 14403-2;

    • j.

      voor ammonium, nitraat, totaal-fosfaat en sulfaat: NEN-ISO 15923-1;

    • k.

      voor fluoride: NEN 6589 of NEN 6578;

    • l.

      voor endosulfan, α-HCH, y-HCH (lindaan), DDT (incl. DDD en DDE), aldrin, dieldrin, endrin, hexachloorbutadieen en hexachloorbenzeen: NEN-EN 16693;

    • m.

      voor dichloorpropeen: NEN-EN-ISO 15680;

    • n.

      voor mecoprop: NEN-EN-ISO 15913;

    • o.

      voor trichloorfenolen, tetrachloorfenol, dichloorfenolen en pentachloorfenol: NEN-EN 12673;

    • p.

      voor minerale olie: NEN-EN-ISO 9377-2;

    • q.

      voor anthraceen, fenanthreen, chryseen, fluorantheen, benzo(a)anthraceen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(ghi)peryleen en indeno(l23cd)pyreen: NEN-EN-ISO 17993;

    • r.

      voor trihalomethanen (THM): ISO 11423-1;

    • s.

      voor adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX): NEN-EN-ISO 9562;

    • t.

      voor de zuurgraad (pH): NEN-EN-ISO 10523; en

    • u.

      voor ijzerverbindingen: NEN-EN-ISO 17294-2.

SubParagraaf 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

  • a.

    niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening;

  • b.

    geen drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van het Besluit activiteiten leefomgeving is; en

  • c.

    geen afvalwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van dat besluit is.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste zes maanden voor de voorgenomen aanleg van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen en daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing van afvloeiend hemelwater; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste zes maanden voor het veranderen van het lozen door een reconstructie of ingrijpende wijziging van die wegen of daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvloeiend hemelwater worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Afvloeiend hemelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Het tweede lid is niet van toepassing op het lozen van afvloeiend hemelwater dat:

    • a.

      afkomstig is van wonen; of

    • b.

      al plaatsvond voordat het Activiteitenbesluit milieubeheer of het Besluit lozen buiten inrichtingen op de lozing van toepassing werd.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid wordt afvloeiend hemelwater afkomstig van buiten de bebouwde kom gelegen rijkswegen en provinciale wegen, alleen in een schoonwaterriool geloosd als lozen op of in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 5.

    Bij het lozen vanuit een pompkelder van een tunnel of een verdiept weggedeelte is, als dat redelijkerwijs mogelijk is, een voorziening aanwezig om, in afwijking van het vierde lid, het meest vervuilde hemelwater in een vuilwaterriool te lozen.

SubParagraaf 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.148, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het aantal inwonerequivalenten dat wordt geloosd;

    • b.

      de wijze van behandeling van het afvalwater; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Huishoudelijk afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen in een huishouden en daarmee samenhangende activiteiten, dat afvalstoffen bevat die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater alleen op of in de bodem geloosd als het lozen plaatsvindt buiten een bebouwde kom of binnen een bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten, en de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk waarop kan worden aangesloten meer bedraagt dan:

    • a.

      40 m bij niet meer dan 10 inwonerequivalenten;

    • b.

      100 m bij meer dan 10 maar minder dan 25 inwonerequivalenten;

    • c.

      600 m bij 25 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 50 inwonerequivalenten;

    • d.

      1.500 m bij 50 of meer inwonerequivalenten maar minder dan 100 inwonerequivalenten; en

    • e.

      3.000 m bij 100 of meer inwonerequivalenten.

  • 2.

    De afstand, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend:

    • a.

      vanaf de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt; en

    • b.

      langs de kortste lijn waarlangs de afvoerleidingen zonder overwegende bezwaren kunnen worden aangelegd.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid, aanhef en onder a, wordt de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk bij voortzetting van het lozen van huishoudelijk afvalwater op of in de bodem dat voor 1 juli 1990 al plaatsvond, berekend vanaf het gedeelte van het gebouw dat zich het dichtst bij een vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk bevindt.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid kan huishoudelijk afvalwater in de bodem worden geloosd:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt huishoudelijk afvalwater dat wordt geloosd op of in de bodem, geleid via een zuiveringsvoorziening.

  • 2.

    Voor dat afvalwater zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.27.

    Tabel 22.3.27 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

     

    Representatief etmaalmonster

    Steekmonster

    Biochemisch zuurstofverbruik

    30 mg/l

    60 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    150 mg/l

    300 mg/l

    Onopgeloste stoffen

    30 mg/l

    60 mg/l

  • 3.

    Als het huishoudelijk afvalwater minder dan zes inwonerequivalenten bevat kan het, in afwijking van het tweede lid, voor vermenging met ander afvalwater worden geleid door een septictank:

    • a.

      met een nominale inhoud van 6 m3 of meer, volgens NEN-EN 12566-1, en met een hydraulisch rendement van niet meer dan 10 g, volgens annex B van NEN-EN 12566-1; of

    • b.

      die is geplaatst voor 1 januari 2009 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 4.

    Het eerste en tweede lid gelden niet voor het lozen van huishoudelijk afvalwater:

    • a.

      vanuit een spoorvoertuig als bedoeld in artikel 1 van de Spoorwegwet; of

    • b.

      op militaire oefenterreinen in het kader van militaire oefeningen.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor biochemisch zuurstofverbruik: NEN-EN-ISO 5815-1/2; en

    • b.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705.

SubParagraaf 22.3.8.4 Lozen van koelwater

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.151, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de maximale warmtevracht; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.153 Koelwater

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan koelwater worden geloosd in schoonwaterriool.

  • 2.

    Koelwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen in een schoonwaterriool of op een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Aan het te lozen koelwater worden geen chemicaliën toegevoegd.

SubParagraaf 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater wordt afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken niet in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater of op of in de bodem geloosd, tenzij het gaat om afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden die periodiek worden uitgevoerd en waarbij alleen vuilafzetting wordt verwijderd.

SubParagraaf 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

Voor de toepassing van deze paragraaf worden in ieder geval de volgende goederen als inerte goederen beschouwd, voor zover deze niet verontreinigd zijn:

  • a.

    bouwstoffen als bedoeld in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • b.

    grond en baggerspecie als bedoeld in paragraaf 4.124 van het Besluit activiteiten leefomgeving;

  • c.

    A-hout en ongeshredderd B-hout;

  • d.

    snoeihout;

  • e.

    banden van voertuigen;

  • f.

    autowrakken bij een autodemontagebedrijf waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt en wrakken van tweewielige motorvoertuigen bij een demontagebedrijf voor tweewielige motorvoertuigen waaruit alle vloeistoffen zijn afgetapt;

  • g.

    straatmeubilair;

  • h.

    tuinmeubilair;

  • i.

    aluminium, ijzer en roestvrij staal;

  • j.

    kunststof anders dan lege, ongereinigde verpakkingen van voedingsmiddelen, smeerolie, verf, lak of drukinkt, gewasbeschermingsmiddelen, biociden of gevaarlijke stoffen;

  • k.

    kunststofgeïsoleerde kabels anders dan oliedrukkabels, gepantserde papier-loodkabels en papiergeïsoleerde grondkabels;

  • l.

    papier en karton;

  • m.

    textiel en tapijt; en

  • n.

    vlakglas.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.156, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de opgeslagen goederen; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.159 Lozen bij opslaan van inerte goederen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat in contact is geweest met opgeslagen inerte goederen, worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd, als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 4.

    Als de opgeslagen inerte goederen worden bevochtigd, wordt afvalwater dat met opgeslagen goederen in contact is geweest, zoveel mogelijk voor dit bevochtigen gebruikt.

  • 5.

    Het tweede tot en met vierde lid zijn niet van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.1057, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

SubParagraaf 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig uit:

  • a.

    een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel; en

  • b.

    een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan het afvalwater afkomstig uit een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar ontwateringsstelsel worden geloosd op of in de bodem, als dat stelsel voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van voorzieningen en maatregelen als bedoeld in artikel 2.16, eerste lid, onder a, onder 1° en 2°, van de Omgevingswet, en dat stelsel volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan huishoudelijk afvalwater afkomstig uit een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet, worden geloosd op of in de bodem, als dat systeem voorkomt op het in het gemeentelijk rioleringsplan of een gemeentelijk rioleringsprogramma opgenomen overzicht van die systemen en volgens dat plan of programma is uitgevoerd en wordt beheerd.

SubParagraaf 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het schoonmaken en in gebruik nemen van middelen voor het opslaan, transporteren en distribueren van drinkwater of warm tapwater als bedoeld in artikel 1 van de Drinkwaterwet of van huishoudwater als bedoeld in artikel 1 van het Drinkwaterbesluit.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij het schoonmaken en in gebruik nemen van de middelen voor opslag, transport en distributie van drinkwater of warm tapwater, worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Dat afvalwater wordt alleen in een vuilwaterriool geloosd als het lozen op of in de bodem, op een oppervlaktewaterlichaam of in een schoonwaterriool redelijkerwijs niet mogelijk is.

  • 3.

    Bij het lozen op of in de bodem ontstaat geen wateroverlast.

  • 4.

    Aan het water dat wordt gebruikt voor het schoonmaken en dat wordt geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool worden geen chemicaliën toegevoegd.

SubParagraaf 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor het lozen van afvalwater afkomstig van een permanente voorziening voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit, bedoeld in Artikel 22.167, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de activiteit; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater dat vrijkomt bij een calamiteitenoefening worden geloosd op of in de bodem of in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Paragraaf 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen
Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het lozen, bedoeld in de Artikel 22.174 en Artikel 22.175, worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing;

    • b.

      de plaats van de lozingspunten; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

In afwijking van artikel 4.791l van het Besluit activiteiten leefomgeving hoeft bij het lozen van drainagewater afkomstig van het telen van gewassen in een kas die op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond geen recirculatiesysteem aanwezig en in gebruik te zijn, als hergebruik van drainagewater niet doelmatig is en het lozen is aangevangen voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.761, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt te lozen afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere route.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit
  • 1.

    In afwijking van artikel 4.773, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt te lozen afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

  • 3.

    Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt het te lozen afvalwater, bedoeld in het eerste lid, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden, geloosd in een vuilwaterriool of geloosd via die andere lozingsroute.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Als in de waterschapsverordening een andere lozingsroute is toegestaan, wordt, in afwijking van artikel 4.795, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, het te lozen afvalwater, bedoeld in dat artikel, gelijkmatig verspreid over landbouwgronden of geloosd in een vuilwaterriool of via die andere route.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel
Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.177 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de lozingsroute;

    • b.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • c.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.179 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.140, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving kan te lozen afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, ook worden geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een schoonwaterriool zijn de emissiegrenswaarden de waarden, bedoeld in tabel 22.3.28, gemeten in een steekmonster.

    Tabel 22.3.28 Emissiegrenswaarden

    Stof

    Emissiegrenswaarden in mg/l

    Onopgeloste stoffen

    100 mg/l

    Chemisch zuurstofverbruik

    200 mg/l

  • 3.

    Voor het lozen van dat afvalwater in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is van toepassing:

    • a.

      voor chemisch zuurstofverbruik: NEN-ISO 15705; en

    • b.

      voor onopgeloste stoffen: NEN-EN 872.

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton
Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.181 worden aan het college van burgemeester en wethouders gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de aard en omvang van de lozing; en

    • b.

      de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.183 Water
  • 1.

    In aanvulling op artikel 4.158, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, kan te lozen afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton ook worden geloosd in een vuilwaterriool.

  • 2.

    Voor het lozen van dat afvalwater is de emissiegrenswaarde voor onopgeloste stoffen 300 mg/l, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.12 Recreatieve visvijvers
Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.185 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan spuiwater uit recreatieve visvijvers worden geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool. Het spuiwater wordt niet geloosd in een vuilwaterriool.

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal
Artikel 22.188 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op:

    • a.

      digitaal afdrukken; en

    • b.

      ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal bij wonen.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.188 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.190 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Er worden in goede staat verkerende afkwetsrollen gebruikt en er wordt een doelmatige zilverterugwininstallatie toegepast.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid hoeft geen zilverterugwininstallatie te worden toegepast als per jaar minder dan 700 liter aan gebruiksklare fixeer wordt gebruikt en er gedragsvoorschriften zijn opgesteld en worden nageleefd gericht op het beperken van de emissie van zilver.

  • 4.

    Voor het afvalwater is de emissiegrenswaarde voor zilver 4 milligram per liter, gemeten in een steekmonster.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van zilver is NEN 6966, NEN-EN-ISO 17294-2, NEN-EN-ISO 11885 of NEN 6965 van toepassing, waarbij onopgeloste stoffen worden meegenomen in de analyse en elementen worden ontsloten volgens NEN-EN-ISO 15587-1 of NEN-EN-ISO 15587-2.

Paragraaf 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen
Artikel 22.192 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat; en

    • b.

      op wassen van motorvoertuigen bij wonen.

Artikel 22.193 Bodem
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem met oliën, vetten en koelvloeistof wordt gewassen boven een vloeistofdichte bodemvoorziening.

  • 2.

    Motorvoertuigen kunnen ook worden gewassen op een mobiele wasinstallatie die zodanig is uitgevoerd dat vloeistoffen niet in de bodem kunnen geraken, als die mobiele wasinstallatie niet langer dan zes maanden aaneengesloten op eenzelfde locatie is geplaatst.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

Artikel 22.194 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het wassen van motorvoertuigen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Het lozen op of in de bodem is toegestaan, als per week ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast, uitwendig wordt gewassen.

  • 3.

    Voor het afvalwater dat wordt geloosd in een vuilwaterriool is de emissiegrenswaarde voor olie 20 mg/l, gemeten in een steekmonster, of dat afvalwater wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door een slibvangput en olieafscheider:

    • a.

      volgens NEN-EN 858-1 of NEN-EN 858-1/A1 en NEN-EN 858-2; of

    • b.

      die zijn geplaatst voor 2 november 2010 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Bij het analyseren van een monster worden onopgeloste stoffen meegenomen, en op het analyseren is voor olie NEN-EN-ISO 9377-2 van toepassing.

Paragraaf 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding
Artikel 22.196 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen met:

    • a.

      keukenapparatuur;

    • b.

      grootkeukenapparatuur;

    • c.

      een of meer bakkerijovens die chargegewijs worden beladen; of

    • d.

      een of meer bakkerijovens die continu worden beladen met een nominaal vermogen of een aansluitwaarde van ten hoogste 100 kW.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat, met uitzondering van het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.196 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het bereiden van voedingsmiddelen voor personen die wonen of werken op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Artikel 22.198 Water
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen worden geloosd in een vuilwaterriool. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool.

  • 2.

    Als niet in een vuilwaterriool kan worden geloosd, kan het afvalwater op de bodem worden geloosd, als het afvalwater gezamenlijk met huishoudelijk afvalwater wordt geloosd en de voorzieningen voor het zuiveren van huishoudelijk afvalwater zijn berekend op het zuiveren van het afvalwater afkomstig van het bereiden van voedingsmiddelen.

  • 3.

    Afvalwater dat afvalstoffen bevat, die door versnijdende of vermalende apparatuur zijn versneden of vermalen, wordt niet geloosd.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2; of

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater die wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Artikel 22.199 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder worden afgezogen dampen en gassen die naar de buitenlucht worden geëmitteerd:

    • a.

      ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen bebouwing afgevoerd; of

    • b.

      geleid door een ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedingsmiddelen met grootkeukenapparatuur door frituren, bakken in olie of vet of grillen, anders dan met houtskool, worden afgezogen en geleid door een vetvangend filter.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing:

    • a.

      op het bereiden van voedingsmiddelen met keukenapparatuur; en

    • b.

      als het mogelijke effect van de geuremissie van de uittredende lucht van een afzuiginstallatie beperkt blijft tot een gezoneerd industrieterrein, op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld of een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare.

  • 4.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie
Artikel 22.200 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op een milieubelastende activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in artikel 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit
  • 1.

    Het beginnen of uitbreiden in capaciteit van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.200 is alleen toegestaan als nieuwe geurhinder op een geurgevoelig gebouw wordt voorkomen.

  • 2.

    Het eerste lid is ook van toepassing op het wijzigen van de activiteit, als die wijziging leidt tot een grotere of andere geurbelasting ter plaatse van een geurgevoelig gebouw.

Paragraaf 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen.
Artikel 22.202 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op:

    • a.

      het slachten van ten hoogste 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten;

    • b.

      het uitsnijden van vlees van karkassen of karkasdelen;

    • c.

      het uitsnijden van vis; of

    • d.

      het uitsnijden en pekelen van organen.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een activiteit als bedoeld in artikel 3.128 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten; en

      • 6.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, geproduceerd of uitgestoten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater vindt het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten inpandig plaats.

  • 2.

    Te lozen afvalwater kan worden geloosd in een vuilwaterriool, als dat afvalwater afkomstig is van:

    • a.

      het bewerken van dierlijke bijproducten; of

    • b.

      het reinigen en desinfecteren van ruimtes waar een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202 is uitgevoerd.

  • 3.

    Het afvalwater wordt niet geloosd op of in de bodem of in een schoonwaterriool.

  • 4.

    Vethoudend afvalwater dat wordt geloosd, wordt voor vermenging met ander afvalwater geleid door:

    • a.

      een vetafscheider en slibvangput volgens NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2;

    • b.

      een vetafscheider en slibvangput die zijn geplaatst voor 14 september 2004 en zijn afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd; of

    • c.

      een flocculatieafscheider die is geplaatst voor 1 januari 2013 en is afgestemd op de hoeveelheid afvalwater dat wordt geloosd.

  • 5.

    In afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2 kan met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan in die normen vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

  • 6.

    Het afvalwater wordt niet door een biologische zuivering geleid.

  • 7.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder:

    • a.

      wordt bij het slachten van dieren ten minste de vaste dierlijke mest die vrijkomt bij het slachten in afgesloten, lekvrije tonnen of bakken opgeslagen; en

    • b.

      worden dampen en gassen van het broeien of koken van dierlijke bijproducten afgezogen, als deze op de buitenlucht worden geëmitteerd:

      • 1.

        ten minste 2 m boven de hoogste daklijn van de binnen 25 m van de uitmonding gelegen gebouwen afgevoerd; of

      • 2.

        geleid door een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid, onder b, niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het pekelen van dierlijke bijproducten en organen plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het bodemonderzoek gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt, geproduceerd of uitgestoten op het gedeelte van de locatie waar het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verricht.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld: de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de het pekelen van dierlijke bijproducten of organen;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden geïnformeerd over de einddatum.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater worden bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen de gemorste of gelekte stoffen zoveel mogelijk zonder verder toevoegen van water opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en wordt zoveel mogelijk voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine
Artikel 22.214 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opwekken van elektriciteit met een windturbine, bedoeld in artikel 3.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving als:

    • a.

      die slagschaduw veroorzaakt in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit; of

    • b.

      die lichtschittering veroorzaakt.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine, in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor een duur van niet meer dan tien jaar.

  • 3.

    Deze paragraaf is ook niet van toepassing voor zover het gaat om een windpark met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking
  • 1.

    In afwijking van Artikel 22.214 lid 2, is deze paragraaf ook van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar:

    • a.

      in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

  • 2.

    In afwijking van Artikel 22.214 lid 1, is deze paragraaf niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar mag worden gebouwd op grond van:

    • a.

      het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet; of

    • b.

      een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die is aangevraagd voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of beperken van slagschaduw is de windturbine voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt als gemiddeld meer dan zeventien dagen per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag slagschaduw kan optreden in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw en voor zover de afstand tussen de windturbine en een slagschaduwgevoelig gebouw minder dan twaalf maal de rotordiameter bedraagt.

  • 2.

    De afstand wordt gemeten van een punt op ashoogte van de windturbine:

    • a.

      tot de gevel van een slagschaduwgevoelig gebouw; en

    • b.

      tot de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Artikel 22.216 is niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Bij een agrarische activiteit is Artikel 22.216 niet van toepassing op slagschaduw door een windturbine in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw dat:

  • a.

    op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet of een voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet aangevraagde omgevingsvergunning behoort of heeft behoord tot die agrarische activiteit en door een derde bewoond mag worden; of

  • b.

    eerder functioneel verbonden was met die agrarische activiteit en waarvoor op grond van artikel 5.62 van het Besluit kwaliteit leefomgeving in dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is bepaald dat regels voor slagschaduw niet van toepassing zijn.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie

Lichtschittering wordt bij het opwekken van elektriciteit met een windturbine voorkomen of zoveel mogelijk beperkt door toepassing van niet reflecterende materialen of coatinglagen op de betrokken onderdelen.

Artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Op het uitvoeren van een meting van reflectiewaarden is NEN-EN-ISO 2813 van toepassing.

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader
Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het met een acculader laden van een natte accu die vloeibare bodembedreigende stoffen bevat.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het laden van een accu plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Paragraaf 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage
Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen die voorzien is van mechanische ventilatie.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van het bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten; en

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies
  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de kwaliteit van de lucht en het voorkomen of beperken van geurhinder:

    • a.

      worden de aanzuigopeningen voor de ventilatie van de parkeergarage in een verkeersluwe omgeving, of, als dat niet mogelijk is, op ten minste 5 m boven het straatniveau en buiten de beïnvloeding van de uitblaasopeningen aangebracht;

    • b.

      wordt de uit de parkeergarage afgezogen lucht verticaal uitgeblazen op ten minste 5 m boven het straatniveau of, als binnen 25 m van de uitblaasopening een gebouw is gelegen met een hoogste daklijn die meer dan vijf meter boven het straatniveau is gelegen, ten minste één meter boven de hoogste daklijn van dat gebouw; en

    • c.

      bedraagt de snelheid van de uitgeblazen lucht, gemeten bij de rand van de uitblaasopening, ten minste tien meter per seconde.

  • 2.

    Voor zover er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die leidt tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw, is het eerste lid niet van toepassing als voor 1 januari 2008 voor die activiteit:

    • a.

      een vergunning is verleend die voor die datum onherroepelijk is; of

    • b.

      voorschriften golden op grond van een van de besluiten, genoemd in artikel 6.43 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Paragraaf 22.3.21 Traditioneel schieten
Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het traditioneel schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.227 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen; en

      • 3.

        de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Met het oog op het waarborgen van de veiligheid en het beperken van verontreiniging van de bodem vindt het schieten op zodanige wijze plaats dat alle afgeschoten kogels worden opgevangen in een voorziening.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het beperken van verontreiniging van de bodem, vindt traditioneel schieten plaats boven een bodembeschermende voorziening, als bij het schieten hulzen van verschoten munitie vrijkomen.

  • 2.

    De voorziening voor het opvangen van afgeschoten kogels, bedoeld in Artikel 22.229, is opgesteld boven een bodembeschermende voorziening.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem
  • 1.

    Bij het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een eindonderzoek bodem verricht om de kwaliteit van de bodem vast te stellen.

  • 2.

    Het eindonderzoek bodem gaat over de bodembedreigende stoffen die zijn gebruikt op het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden.

  • 3.

    Het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en het veldwerk wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie-instantie of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Het rapport van het eindonderzoek bodem bevat:

  • a.

    de naam en het adres van degene die het onderzoek heeft verricht;

  • b.

    de wijze waarop het onderzoek is verricht;

  • c.

    de aard en de mate van de aangetroffen verontreinigde stoffen en de herkomst daarvan;

  • d.

    informatie over het huidige en eerdere gebruik van het terrein;

  • e.

    bestaande informatie over bodemmetingen en grondwatermetingen die de toestand van de bodem en het grondwater weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodemmetingen en grondwatermetingen voor het constateren van eventuele verontreiniging van de bodem door de bodemverontreinigende stoffen die bij de activiteit zijn gebruikt, zijn geproduceerd of zijn vrijgekomen; en

  • f.

    als de kwaliteit van de bodem wordt hersteld, de wijze waarop en de mate waarin dit gebeurt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Ten hoogste zes maanden na het beëindigen van het traditioneel schieten wordt een rapport van het eindonderzoek bodem verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit
  • 1.

    Als de bodem is verontreinigd, wordt uiterlijk zes maanden na het toezenden van het rapport van het eindonderzoek bodem, de bodemkwaliteit hersteld tot:

    • a.

      de bodemkwaliteit en grondwaterkwaliteit, die is vastgesteld in een rapport volgens NEN 5740 dat is opgesteld voor het begin van de activiteit;

    • b.

      de bodemkwaliteit van de locatie waarop de activiteit is verricht, zoals die is vastgelegd op een bodemkwaliteitskaart als bedoeld in artikel 47, onder a, of artikel 57, tweede lid, van het Besluit bodemkwaliteit; of

    • c.

      de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

  • 2.

    Het herstel wordt verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden
  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten minste vijf dagen voor het begin van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 geïnformeerd over de begindatum.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders wordt ten hoogste vijf dagen na beëindiging van de herstelwerkzaamheden, bedoeld in Artikel 22.235 geïnformeerd over de einddatum.

Paragraaf 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht
Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht waarbij terreinverlichting wordt toegepast.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.237 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.239 Licht
  • 1.

    Met het oog op het beperken van lichthinder is de verlichting die hoort bij een gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht uitgeschakeld:

    • a.

      tussen 23.00 uur en 07.00 uur; en

    • b.

      als er geen sport wordt beoefend en geen onderhoud plaatsvindt.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op dagen of dagdelen in verband met:

    • a.

      de viering van festiviteiten die bij of krachtens een gemeentelijke verordening zijn aangewezen in de gebieden in de gemeente waarvoor de verordening geldt;

    • b.

      de viering van andere festiviteiten die plaatsvinden op de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het aantal bij of krachtens een gemeentelijke verordening aan te wijzen dagen of dagdelen niet meer mag bedragen dan twaalf per kalenderjaar; of

    • c.

      door het college van burgemeester en wethouders aangewezen activiteiten, anders dan festiviteiten als bedoeld onder b, waarbij het aantal aan te wijzen dagen of dagdelen gebaseerd op dit artikel samen niet meer bedraagt dan twaalf dagen per kalenderjaar.

  • 3.

    Een festiviteit of activiteit als bedoeld in het tweede lid die ten hoogste een etmaal duurt, maar die zowel voor als na 00.00 uur plaatsvindt, wordt hierbij beschouwd als plaatshebbende op één dag.

Paragraaf 22.3.23 Opslaan van vaste mest
Artikel 22.240 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van vaste mest met een totaal volume van ten minste 3 m3 en ten hoogste 600 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing:

    • a.

      op het opslaan van vaste mest, korter dan twee weken op één plek; en

    • b.

      als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.90, 3.200, 3.208, 3.211, 3.215 of 3.225 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.240 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.242 Bodem: opslag
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem wordt vaste mest, met uitzondering van gedroogde pluimveemest, opgeslagen:

    • a.

      op een aaneengesloten bodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen; of

    • b.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

  • 2.

    Gedroogde pluimveemest wordt opgeslagen:

    • a.

      in een gebouw met een aaneengesloten bodemvoorziening waar de pluimveemest wordt beschermd tegen weersinvloeden en waar voldoende ventilatie is om condensvorming te voorkomen;

    • b.

      in een afgedekte container als de pluimveemest ten minste elke twee weken wordt afgevoerd; of

    • c.

      op een voldoende dikke absorberende laag als de opslag niet meer dan zes maanden duurt en tegen inregenen is beschermd.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

Artikel 22.245 Geur
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen of het beperken van geurhinder wordt vaste mest opgeslagen:

    • a.

      in een afgesloten voorziening voor een periode van ten hoogste twee weken; of

    • b.

      op ten minste 50 m afstand vanaf de begrenzing van de opslag van vaste mest tot een geurgevoelig object.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden en pony’s die worden gehouden voor het berijden.

Paragraaf 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen
Artikel 22.246 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het opslaan van:

    • a.

      kuilvoer met een totaal volume van meer dan 3 m3; of

    • b.

      vaste bijvoedermiddelen met een totaal volume van meer dan 3 m3.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 of 3.215 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.246 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering;

      • 5.

        op welke punten welk afvalwater wordt geloosd;

      • 6.

        of de punten waarop afvalwater wordt geloosd, zijn aangesloten op het eigen vuilwaterriool of een schoonwaterriool; en

      • 7.

        op welke lozingsroutes het eigen vuilwaterriool en een schoonwaterriool uitkomen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      gegevens over de lozingsroutes; en

    • e.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem worden kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen opgeslagen op een elementenbodemvoorziening, waarbij de vloeistoffen die vrijkomen worden opgevangen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing als kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen als veevoederbalen in plastic folie zijn verpakt.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kunnen vrijkomende vloeistoffen afkomstig van de opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen gelijkmatig worden verspreid over onverharde bodem.

  • 2.

    De vrijkomende vloeistoffen worden niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van de bodembeschermende voorziening voor opslag van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen worden geloosd op of in de bodem als:

    • a.

      het niet in contact is geweest met het kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen; en

    • b.

      het niet is vermengd met daaruit vloeiende vloeistoffen.

  • 2.

    Het afvalwater wordt niet geloosd in een voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Paragraaf 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels
Artikel 22.252 Toepassingsbereik
  • 1.

    Deze paragraaf is van toepassing op het fokken, houden of trainen van meer dan 25 vogels of meer dan 5 zoogdieren.

  • 2.

    Deze paragraaf is niet van toepassing als een milieubelastende activiteit die is aangewezen in artikel 3.200 van het Besluit activiteiten leefomgeving de activiteit omvat.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden
  • 1.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit als bedoeld in Artikel 22.252 worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende processen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein;

      • 2.

        de ligging en de indeling van de gebouwen;

      • 3.

        het gebruik van de te onderscheiden ruimten;

      • 4.

        de ligging van de bedrijfsriolering; en

      • 5.

        de plaats van de lozingspunten;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die is voorzien van een noordpijl;

    • d.

      per dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren:

      • 1.

        gegevens over het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie dat ten hoogste zal worden gehouden;

      • 2.

        een beschrijving van het huisvestingssysteem en van de aanvullende techniek; en

      • 3.

        een beschrijving van het ventilatiesysteem;

    • e.

      per dierenverblijf waar landbouwhuisdieren met geuremissiefactor worden gehouden,:

      • 1.

        een plattegrondtekening op schaal met de ligging van de dierenverblijven, de emissiepunten en een overzicht van ventilatoren met diameter; en

      • 2.

        een doorsnedetekening per dierenverblijf met de goothoogte, de nokhoogte en de hoogte van het emissiepunt; en

    • f.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit.

  • 2.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening
  • 1.

    Met het oog op het voorkomen van verontreiniging van de bodem vindt het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren plaats boven een aaneengesloten bodemvoorziening.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op het fokken, houden of trainen van vogels of zoogdieren in de buitenlucht als uitwerpselen en voedselresten regelmatig worden verwijderd.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

Er wordt een logboek bijgehouden waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde
  • 1.

    Met het oog op het doelmatig beheer van afvalwater kan afvalwater afkomstig van het reinigen en ontsmetten van een dierenverblijf waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden, worden geloosd in een vuilwaterriool als meer dan 10 schapen, 5 paarden of pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren worden gehouden. Het afvalwater wordt niet geloosd in een schoonwaterriool of op of in de bodem.

  • 2.

    Het te lozen afvalwater bevat niet meer dan 300 milligram onopgeloste stoffen per liter.

  • 3.

    Dit artikel is niet van toepassing op afvalwater afkomstig van wonen.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen
  • 1.

    Op het bemonsteren van afvalwater is NEN 6600-1 van toepassing, en een monster is niet gefiltreerd.

  • 2.

    Op het conserveren van een monster is NEN-EN-ISO 5667-3 van toepassing.

  • 3.

    Op het analyseren van onopgeloste stoffen is NEN-EN 872 van toepassing.

Paragraaf 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten
Artikel 22.258 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning het verwerken van polyesterhars waarbij 1 kg of meer organische peroxiden van ADR klasse 5.2 aanwezig is, te beginnen of te veranderen.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt een beschrijving verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om de emissie van styreen te beperken.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als geurhinder wordt voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau wordt beperkt.

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een gesloten bodemenergiesysteem aan te leggen of te gebruiken:

    • a.

      in een interferentiegebied dat is aangewezen in dit omgevingsplan of bij gemeentelijke verordening of omgevingsverordening; of

    • b.

      met een bodemzijdig vermogen van 70 kW of meer.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een plattegrondtekening en situatietekening met daarop de ligging van de lussen van het gesloten bodemenergiesysteem, het middelpunt van het systeem en de einddiepte waarop het systeem zal worden aangelegd;

    • b.

      de coördinaten van het middelpunt van het gesloten bodemenergiesysteem en de einddiepte van het systeem in meters onder het maaiveld;

    • c.

      gegevens waaruit blijkt dat het gebruiken van het gesloten bodemenergiesysteem niet leidt tot negatieve interferentie met bodemenergiesystemen in de omgeving waarvoor een melding is gedaan of een omgevingsvergunning is verleend;

    • d.

      een verklaring van degene die het gesloten bodemenergiesysteem installeert over het energierendement, uitgedrukt als de SPF, dat het systeem zal behalen;

    • e.

      informatie over het bodemzijdig vermogen van het gesloten bodemenergiesysteem en de omvang van de behoefte aan warmte en koude waarin het systeem zal voorzien; en

    • f.

      de naam en het adres van degene die het gesloten bodemenergiesysteem zal ontwerpen, installeren en van degene die de boringen zal verrichten.

  • 3.

    De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als:

    • a.

      het bodemenergiesysteem geen interferentie kan veroorzaken met een ander bodemenergiesysteem waardoor het doelmatig functioneren van een van de systemen kan worden geschaad; en

    • b.

      er geen sprake is van een ondoelmatig gebruik van bodemenergie.

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning maden van vliegende insecten te kweken.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een aanduiding van het soort maden dat wordt gekweekt;

    • b.

      het aantal maden dat ten hoogste zal worden gehouden;

    • c.

      een beschrijving van de voorziening waarin de maden worden gehouden; en

    • d.

      de maatregelen die worden getroffen om hinder voor de omgeving te voorkomen.

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning propaan of propeen op te slaan in meer dan twee opslagtanks met een inhoud van meer dan 150 l.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks, met voor iedere opslagtank:

      • 1.

        de hoeveelheid die ten hoogste wordt opgeslagen in kubieke meters;

      • 2.

        de grootte in kubieke meters; en

      • 3.

        een aanduiding of het gaat om een bovengrondse of ondergrondse opslagtank;

    • b.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van ten hoogste 600 m3:

      • 1.

        de jaarlijkse doorzet in kubieke meters;

      • 2.

        als het gaat om een bovengrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt en de opslagtank;

      • 3.

        als het gaat om een ondergrondse opslagtank: de coördinaten van het vulpunt, de bovengrondse vloeistofvoerende leiding en de aansluitpunten van die leiding en pomp; en

      • 4.

        een beschrijving van de ongewone voorvallen en de nadelige gevolgen daarvan, bedoeld in artikel 19.1, eerste lid, van de Omgevingswet, die zich kunnen voordoen en de passende maatregelen die worden getroffen voor het voorkomen daarvan; en

    • c.

      als het gaat om het opslaan van ten hoogste 50 m3 propaan of propeen met een jaarlijkse doorzet van meer dan 600 m3 of meer dan 50 m3 propaan of propeen:

      • 1.

        de gegevens en bescheiden, genoemd onder b;

      • 2.

        de berekende afstand in meters tot waar het plaatsgebonden risico ten hoogste 1 op de 1.000.000, 1 op de 10.000.000 en 1 op de 100.000.000 per jaar is en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden; en

      • 3.

        de berekende afstand in meters voor de aandachtsgebieden, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, en de aan de berekening ten grondslag liggende rekenbestanden.

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning voertuigen of werktuigen te tanken met LPG.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal opslagtanks dat aanwezig is;

    • b.

      de coördinaten van:

      • 1.

        het vulpunt;

      • 2.

        de bovengrondse vloeistofvoerende leiding;

      • 3.

        de aansluitpunten van die leiding en pomp;

      • 4.

        de bovengrondse opslagtank; en

      • 5.

        de tankzuil;

    • c.

      het brandaandachtsgebied en explosieaandachtsgebied, bedoeld in artikel 5.12 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • d.

      de hoeveelheid LPG die ten hoogste wordt opgeslagen; en

    • e.

      een inschatting van de doorzet van LPG in m3 per jaar.

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een installatie in werking te hebben waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding worden gebracht met als doel het opwekken van een schokgolf.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een installatie waarin gassen worden gemengd en tot ontbranding gebracht, worden de volgende gegevens verstrekt:

    • a.

      de aard en omvang van de geluidemissies;

    • b.

      de door de activiteit veroorzaakte geluidimmissie; en

    • c.

      een beschrijving van de maatregelen die worden getroffen om geluidemissies te beperken.

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologische agens
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een praktijkruimte of laboratorium in werking te hebben waar gericht wordt gewerkt met biologische agens, met uitzondering van biologische agens die ingedeeld zijn of worden in groep 1 of groep 2 als gevolg van de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over de groep waarin het biologisch agens is of wordt ingedeeld als gevolg van de indeling in risicogroepen van de richtlijn biologische agentia;

    • b.

      informatie over de op grond van artikel 2.22, tweede lid, van de Wet dieren aangewezen ziekteverwekkers; en

    • c.

      een aanduiding van de ligging van de ruimten waar gewerkt wordt met het biologisch agens.

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 te verrichten.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen als bedoeld in artikel 2.1 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013; of

    • b.

      ingeperkt gebruik van genetisch gemodificeerde organismen die door Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat op grond van artikel 2.2 of 2.8 van het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 zijn ingeschaald in de categorie van fysische inperking S-I.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      per type werkruimte als bedoeld in bijlage 4 bij het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 het maximale aantal werkruimten:

      • 1.

        waarop inperkingsniveau I of II van toepassing is;

      • 2.

        waarop inperkingsniveau III van toepassing is; en

    • b.

      een plattegrond van de locatie waarop het ggo-gebied is aangegeven.

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning:

    • a.

      drijfmest, digestaat of dunne fractie op te slaan in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3; of

    • b.

      meer dan 600 m3 vaste mest op te slaan.

  • 2.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      het totaal volume of de totale oppervlakte van de mestbassins; en

    • b.

      het totaal volume van de opslagcapaciteit vaste mest in kubieke meters.

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater op of in de bodem te lozen, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen;

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of

    • c.

      het lozen op of in de bodem waaraan in een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van artikel 16.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving of een omgevingsvergunning voor een wateronttrekkingsactiviteit op grond van de waterschapsverordening voorschriften zijn gesteld.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater op of in de bodem worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning afvalwater of andere afvalstoffen te lozen in een schoonwaterriool, tenzij het lozen op grond van deze afdeling is toegestaan.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op:

    • a.

      wonen; of

    • b.

      een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

  • 3.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het lozen van afvalwater in die voorziening worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de maximale hoeveelheid afvalwater per uur; en

    • b.

      het soort afvalwater.

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Op het verlenen van een omgevingsvergunning voor de activiteiten, bedoeld in de Artikel 22.261, zijn de beoordelingsregels, bedoeld in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

Deze afdeling is van toepassing op het aanleggen of wijzigen van een weg of spoorweg, tenzij:

  • a.

    aan de aanleg of wijziging een besluit tot vaststelling van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit ten grondslag ligt; of

  • b.

    het een rijksweg, provinciale weg of bij omgevingsverordening aangewezen lokale spoorweg betreft.

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg
  • 1.

    Het is verboden zonder omgevingsvergunning een weg of spoorweg aan te leggen of te wijzigen als op grond van een omgevingsplan of bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit een geluidgevoelig gebouw is toegelaten binnen het aandachtsgebied van die weg of spoorweg.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een weg als:

    • a.

      deze is gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied;

    • b.

      een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt;

    • c.

      de snelheid wordt verlaagd;

    • d.

      een wegdeklaag wordt vervangen door een wegdeklaag met dezelfde of een grotere geluidsreducerende werking;

    • e.

      de snelheid wordt verhoogd tot ten hoogste de maximumsnelheid, zoals die gold voor een tijdelijke snelheidsverlaging die als maatregel is opgenomen in een programma als bedoeld in artikel 5.12 van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van de Omgevingswet; of

    • f.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 50 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw;

      • 2.

        als een hogere waarde is vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder, de Experimentenwet Stad en Milieu, de Interimwet stad-en-milieubenadering of de Spoedwet wegverbreding: niet meer dan 2 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan die hogere waarde of, als de heersende waarde lager is, de heersende waarde; of

      • 3.

        als de weg en het geluidgevoelige gebouw op 1 januari 2007 waren toegelaten, niet eerder een hogere waarde is vastgesteld dan 48 dB en de heersende waarde hoger is dan 48 dB: niet meer dan 2 dB meer dan de heersende waarde.

  • 3.

    Het eerste lid is niet van toepassing op een spoorweg als:

    • a.

      de intensiteit, de verkeerssnelheid of een combinatie van beide wordt gewijzigd waardoor het geluid onafgerond niet meer dan 1,0 dB toeneemt ten opzichte van het geluid gedurende de drie jaren voorafgaand aan de wijziging;

    • b.

      spoorstaven horizontaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 2 m;

    • c.

      spoorstaven verticaal worden verplaatst over een afstand van minder dan 1 m;

    • d.

      de baanconstructie wordt vervangen door een baanconstructie die niet meer geluid emitteert dan de te vervangen constructie; of

    • e.

      het wijzigen, gerekend zonder het treffen van maatregelen, leidt tot:

      • 1.

        niet meer dan 3 dB meer geluid op de gevel van een geluidgevoelig gebouw dan de heersende waarde; en

      • 2.

        niet meer dan 63 dB op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied
  • 1.

    Het aandachtsgebied van een weg, met inbegrip van een spoorweg die is verweven of gebundeld met delen van die weg, bedoeld in Artikel 22.272 lid 1, strekt zich aan weerszijden van de as van de weg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste rijstrook of spoorstaaf:

    • a.

      binnen een krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde bebouwde kom, tenzij het een autoweg of autosnelweg betreft:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 200 m; en

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken of drie of meer sporen: 350 m; en

    • b.

      buiten die bebouwde kom of voor een autoweg of autosnelweg:

      • 1.

        voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 m;

      • 2.

        voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 m; en

      • 3.

        voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 m.

  • 2.

    Het aandachtsgebied van een spoorweg die niet is verweven of gebundeld met delen van een weg, bedoeld in Artikel 22.272 lid 1, strekt zich aan weerszijden van de as van de spoorweg uit tot de volgende afstand, gemeten vanaf de buitenste spoorstaaf:

    • a.

      voor een spoorweg in een tunnel: 25 m; en

    • b.

      voor een andere spoorweg: 100 m.

  • 3.

    Als zich langs een weg of spoorweg een aandachtsgebied bevindt dat bestaat uit delen met een onderling verschillende breedte, geldt voor de aansluiting van de verschillende delen dat het breedste deel over een afstand gelijk aan een derde van de breedte van dat deel, gemeten vanaf het punt van versmalling van de breedte, nog langs de as van de weg of spoorweg doorloopt en met een loodlijn aansluit op het smalste aandachtsgebied.

  • 4.

    Aan de uiteinden van een weg of spoorweg loopt het aandachtsgebied door over een afstand gelijk aan de breedte van dat gebied ter hoogte van dat uiteinde. Het aandachtsgebied loopt door langs een lijn die is gelegen in het verlengde van de as van de weg of spoorweg en behoudt de breedte die het had ter hoogte van het uiteinde.

Artikel 22.274 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.272 lid 1, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    een akoestisch onderzoek naar:

    • 1.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging of aanleg van de weg of spoorweg ondervinden;

    • 2.

      het geluid dat geluidgevoelige gebouwen binnen het aandachtsgebied in de toekomst door de weg of spoorweg zouden ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken;

    • 3.

      het geluid door andere wegen of niet te wijzigen delen van de weg, als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de wijziging van een weg zal leiden tot een toename van meer dan 2 dB van het geluid op geluidgevoelige gebouwen door die wegen of delen;

    • 4.

      de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het in de toekomst door de weg optredende geluid op de gebouwen, bedoeld onder 1, de standaardwaarde, zijnde 53 Lden voor een weg en 55 Lden voor een spoorweg, te boven zou gaan of om te voorkomen dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid onmiddellijk voorafgaand aan de wijziging;

  • b.

    een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 4; en

  • c.

    een beschrijving van te treffen geluidwerende maatregelen aan gevels van gebouwen waarvoor het toekomstige geluid hoger wordt dan de standaardwaarde en toeneemt ten opzichte van de situatie voor de wijziging of aanleg, voor zover nodig om te voldoen aan de grenswaarde, bedoeld in tabel 3.53 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272 lid 1, wordt alleen verleend als de activiteit er niet toe leidt dat de grenswaarde 70 Lden wordt overschreden.

Artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Aan een omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 22.272 lid 1, worden voorschriften verbonden die ertoe strekken dat:

  • a.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.274, onder a, onder 4, worden getroffen, als deze doelmatig zijn; en

  • b.

    maatregelen als bedoeld in Artikel 22.274, onder c, worden getroffen.

Afdeling 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN

Paragraaf 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet
Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op een regel in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, op grond waarvan:

  • a.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren;

  • b.

    het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten; of

  • c.

    bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels in dat tijdelijke deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid waarvoor op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een omgevingsvergunning is vereist, wordt, als die activiteit niet in strijd is met de in dat tijdelijke deel gestelde regels over het verlenen van de vergunning voor die activiteit, in afwijking van die regels de omgevingsvergunning voor die activiteit geweigerd, als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft van kracht is:

    • a.

      een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 4.103 of 4.104 van de Invoeringswet Omgevingswet, een als voorbereidingsbesluit geldend tracébesluit als bedoeld in artikel 4.49 van de Invoeringswet Omgevingswet of een als voorbereidingsbesluit geldend besluit krachtens de Wet luchtvaart als bedoeld in artikel 4.104a van de Invoeringswet Omgevingswet; of

    • b.

      een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet waarvoor het omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht nog niet in werking is getreden.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

Voor zover in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat het is verboden zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten, kan de omgevingsvergunning in ieder geval worden verleend als het naar het oordeel van het bevoegd gezag aannemelijk is dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Voor zover voor een activiteit in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels, geldt deze bepaling als verbod om de activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Voor zover de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet gestelde regels over het voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 bij omgevingsvergunning afwijken van regels in dat tijdelijke deel de verplichting bevatten om als de activiteit niet in strijd is met die regels de omgevingsvergunning te verlenen, wordt deze verplichting gelezen als een bevoegdheid.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht
  • 1.

    Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 die in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, gestelde regels over afwijking, kan de omgevingsvergunning toch worden verleend als de activiteit niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of het voldoen aan een uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel.

  • 2.

    Op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend, zijn van overeenkomstige toepassing:

    • a.

      artikel 8.0b, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

    • b.

      artikel 8.0c, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving; en

    • c.

      artikel 8.0d, eerste lid, en tweede lid, aanhef en onder a, van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Paragraaf 22.5.2 Aanvraagvereisten
SubParagraaf 22.5.2.1 Algemene bepalingen.

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het verstrekken van gegevens en bescheiden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die is vereist op grond van:

  • a.

    het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet;

  • b.

    Artikel 22.280 van dit omgevingsplan;

  • c.

    een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet; of

  • d.

    artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

SubParagraaf 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid worden gegevens en bescheiden verstrekt over:

    • a.

      de te gebruiken materialen;

    • b.

      de mate waarin sprake is van afvoer van grond naar een andere locatie; en

    • c.

      de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan aan het verrichten van de activiteit.

  • 2.

    Voor zover dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is bepaald: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

SubParagraaf 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan

Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in Artikel 22.280 worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het beoogde en het huidige gebruik van de locaties en bouwwerken waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • b.

      een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:

      • 1.

        de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;

      • 2.

        de situering van bouwwerken ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;

      • 3.

        de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;

      • 4.

        de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en

      • 5.

        het beoogd gebruik van de locatie behorende bij het voorgenomen bouwwerk.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld.

SubParagraaf 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    het monumentnummer en, voor zover van toepassing, de naam van het monument of de plaatselijke aanduiding van het archeologisch monument;

  • b.

    de opgave van het huidige gebruik van het gemeentelijk monument en het voorgenomen gebruik, als dat afwijkt van het huidige gebruik; en

  • c.

    de motivering voor het verrichten van de activiteit en een omschrijving van de gevolgen ervan voor het gemeentelijk monument.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om een archeologisch monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een omschrijving van de aard van de activiteit, met vermelding van:

      • 1.

        de omvang in vierkante meters; en

      • 2.

        de diepte, in centimeters ten opzichte van het maaiveld;

    • b.

      een topografische kaart voorzien van een noordpijl en minimaal twee coördinatieparen, met de exacte locatie en omvang van de activiteit;

    • c.

      doorsnedetekeningen met de exacte locatie, omvang en diepte van de afzonderlijke ingrepen ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      als sprake is van een opgraving, ook als deze alleen bestaat uit een proefsleuvenonderzoek of een proefputtenonderzoek: een programma van eisen voor de opgraving;

    • e.

      als sprake is van een booronderzoek met boren met een diameter groter dan 10 cm: een plan van aanpak voor een booronderzoek;

    • f.

      als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument: overzichtsfoto’s van de bestaande situatie en plantekeningen van de nieuwe toestand; en

    • g.

      voor zover de activiteit bestaat uit een bouwactiviteit: funderingstekeningen.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een rapport waarin de archeologische waarde van dat deel van het archeologisch monument waarop de activiteit van invloed is, in voldoende mate nader is vastgesteld;

    • b.

      een rapport waarin de gevolgen van de activiteit op de archeologische waarden in voldoende mate inzichtelijk zijn gemaakt;

    • c.

      detailtekeningen met van de afzonderlijke ingrepen:

      • 1.

        de exacte locatie;

      • 2.

        de omvang; en

      • 3.

        de diepte ten opzichte van het maaiveld;

    • d.

      voor zover de activiteit bestaat uit aanlegwerkzaamheden of een ontgrondingsactiviteit:

      • 1.

        een bestek met bijbehorende tekeningen; of

      • 2.

        een werkomschrijving met bijbehorende tekeningen;

    • e.

      als sprake is van een sloopactiviteit: bestaande funderingstekeningen; of

    • f.

      als sprake is van een archeologisch monument onder water: een vlakdekkende hoge resolutie sonaropname van de waterbodem en ultrahoge resolutie sonaropnamen van details.

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Tekeningen als bedoeld in Artikel 22.288 hebben een schaal die niet kleiner is dan:

  • a.

    1:2000, als het gaat om een topografische kaart;

  • b.

    1:100, als het gaat om een funderingstekening of doorsnedetekening; en

  • c.

    1:50, als het gaat om een detailtekening.

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het slopen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen sloop:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        als sprake is van het slopen van een deel van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt: situatietekeningen van de bestaande en de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft; of

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische en constructieve aspecten.

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • b.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen verplaatsing:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie;

      • 2.

        foto’s van de bestaande toestand; en

      • 3.

        overzichtsfoto’s van de nieuwe locatie;

    • c.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        situatietekeningen van de bestaande en nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 3.

        plantekeningen van de nieuwe toestand met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

    • d.

      een bestek of werkomschrijving van de wijze van demonteren, van het verplaatsen naar de nieuwe locatie en de herbouw; en

    • e.

      als de activiteit bestaat uit het verplaatsen van een molen; een rapport over de molenbiotoop van de bestaande en de nieuwe situatie.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie, tuinhistorie of over de relatie van het monument tot zijn historische omgeving;

    • b.

      als op de bestaande of op de nieuwe locatie sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag door de activiteit zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • d.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen; of

    • e.

      een opgave van de bij de voorbereiding en het verrichten van de activiteit te hanteren uitvoeringsrichtlijnen.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

  • 1.

    Bij de aanvraag, bedoeld in Artikel 22.287, worden, voor zover het gaat om het wijzigen van een monument of het herstellen daarvan waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar kan worden gebracht, de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de volgende kleurenfoto’s die een duidelijke indruk geven van het monument in relatie tot de voorgenomen activiteit:

      • 1.

        overzichtsfoto’s van de bestaande situatie; en

      • 2.

        detailfoto’s van de bestaande toestand, die een duidelijke indruk geven van het onderdeel van het monument waar de voorgenomen activiteit zal worden verricht;

    • b.

      de volgende tekeningen:

      • 1.

        een situatietekening van de bestaande situatie, en als de nieuwe situatie daarvan afwijkt: een situatietekening van de nieuwe situatie;

      • 2.

        opnametekeningen van de bestaande toestand met voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht;

      • 3

        als er gebreken worden hersteld: gebrekentekeningen;

      • 4.

        plantekeningen van de nieuwe toestand en van de voorgenomen werkzaamheden, met inbegrip van de te vervangen of te veranderen onderdelen en de te verhelpen gebreken, met, voor zover noodzakelijk voor de beoordeling van de aanvraag:

        • i.

          plattegronden;

        • ii.

          doorsneden;

        • iii.

          gevelaanzichten; of

        • iv.

          een dakaanzicht; en

      • 5.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: slooptekeningen; en

    • c.

      een omschrijving van de aard en omvang van de activiteit in de vorm van een bestek of werkomschrijving, met:

      • 1.

        de te gebruiken en de te vervangen materialen, de toe te passen constructies, afwerkingen en kleuren, en de wijze van uitvoering of verwerking; en

      • 2.

        als sprake is van verwijdering van materiaal: de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal.

  • 2.

    Zo nodig worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      een nadere bepaling van de monumentale waarde van het monument aan de hand van cultuurhistorische rapporten, met inbegrip van rapporten over architectuurhistorie, bouwhistorie, interieurhistorie, kleurhistorie of tuinhistorie;

    • b.

      als sprake is van verstoring van de bodem: een rapport waarin de archeologische waarde van de locatie in voldoende mate is vastgesteld;

    • c.

      een beschrijving van de technische staat van het monument of het onderdeel van het monument waarop de voorgenomen activiteit betrekking heeft;

    • d.

      een onderbouwing van de beschrijving van de technische staat aan de hand van technische rapporten, met inbegrip van rapporten over bouwfysische, constructieve, materiaaltechnische of preventieve aspecten;

    • e.

      aanvullende tekeningen van de bestaande en nieuwe toestand, met inbegrip van detailtekeningen;

    • f.

      voor zover er algemene kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten op de activiteit van toepassing zijn: een opgave of de voorgenomen activiteit hierop is afgestemd; of

    • g.

      als de activiteit een monument betreft dat een tuinaanleg, parkaanleg of andere groenaanleg is: een beheervisie.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.287 wordt, voor zover het gaat om het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht, een opgave verstrekt van de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

  • 1.

    Bij een aanvraag als bedoeld in Artikel 22.290 tot en met Artikel 22.292 hebben tekeningen een schaal die niet kleiner is dan:

    • a.

      1:1000, als het gaat om een situatietekening;

    • b.

      1:100, als het gaat om een algemene geveltekening;

    • c.

      1:20 of 1:50, als het gaat om een geveltekening voor een ingrijpende wijziging; en

    • d.

      1:100, als het gaat om een plattegrondtekening, doorsnedetekening of een tekening van het dakaanzicht.

  • 2.

    Een detailtekening heeft een schaal van 1:1, 1:2 of 1:5 en is voorzien van een omschrijving van de materiaaltoepassing en de maatvoering.

  • 3.

    Uit een situatietekening die is voorzien van een noordpijl blijkt de oriëntatie van het monument op het perceel en ten opzichte van omliggende bebouwing en wegen.

  • 4.

    Een plattegrondtekening en een doorsnedetekening bevatten de volgende historische gegevens:

    • a.

      balklagen:

      • 1.

        gestippeld aangegeven in plattegronden van ruimten onder de balklagen; en

      • 2.

        getekend aangegeven in doorsneden met aanduiding van de afmetingen;

    • b.

      geornamenteerde plafonds, gestippeld aangegeven in plattegronden van de ruimten waar deze zich bevinden;

    • c.

      houtafmeting, balklagen en kapconstructie, aangegeven in doorsneden van de bestaande en van de nieuwe toestand; en

    • d.

      bijzondere ruimten of bouwdelen, direct of indirect betrokken bij de activiteit, aangegeven in plattegronden en doorsneden.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

De Artikel 22.287 zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een voorbeschermd gemeentelijk monument.

Artikel 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Artikel 22.297 Omgevingsplanactiviteit: uitweg

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken, hebben of veranderen van een uitweg of het gebruik daarvan worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de locatie van de uitweg aan het voor-, zij- of achtererf;

  • b.

    de afmeting van de nieuwe uitweg of de te veranderen bestaande uitweg en de beoogde verandering daarvan;

  • c.

    de te gebruiken materialen; en

  • d.

    de aanwezigheid van obstakels die in de weg staan voor het aanleggen of het gebruik van de uitweg, zoals bomen, lantaarnpalen en nutsvoorzieningen.

Artikel 22.298 Omgevingsplanactiviteit: alarminstallatie

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het hebben van een alarminstallatie in, op of aan een onroerende zaak die een voor de omgeving opvallend geluid of lichtsignaal kan produceren, bedoeld in een gemeentelijke verordening, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a.

    de aard en de werking van de signalering; en

  • b.

    twee waarschuwingsadressen, inclusief telefoonnummers en namen van contactpersonen.

Artikel 22.299 Omgevingsplanactiviteit: vellen van houtopstand

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het vellen van een houtopstand, identificeert de aanvrager op de aanduiding, bedoeld in artikel 7.3, onder d, van de Omgevingsregeling, iedere houtopstand waarop de aanvraag betrekking heeft met een nummer.

  • 2.

    Per genummerde houtopstand worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de soort houtopstand;

    • b.

      de locatie van de houtopstand op het voor-, zij-, of achtererf;

    • c.

      de diameter in centimeters, gemeten op 1,30 meter vanaf het maaiveld; en

    • d.

      de mogelijkheid tot herbeplanten of het voornemen om op een daarbij te vermelden locatie tot herbeplanten van een daarbij te vermelden aantal soorten over te gaan.

Artikel 22.300 Omgevingsplanactiviteit: handelsreclame

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het maken of voeren van handelsreclame op of aan een onroerende zaak met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      het aantal en de afmetingen van de reclame;

    • b.

      de hoogte van de reclame, gemeten vanaf het maaiveld tot de onderkant;

    • c.

      de te gebruiken materialen, kleuren en verlichting; en

    • d.

      de tekst van de reclame.

  • 2.

    Als een andere dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming handelsreclame maakt of voert, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres en de woonplaats van die ander.

Artikel 22.301 Omgevingsplanactiviteit: opslaan roerende zaken

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het opslaan van roerende zaken in een daarbij aangewezen gedeelte van de gemeente worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de aard van de roerende zaken; en

    • b.

      de omvang van de opslag van de roerende zaken.

  • 2.

    Als een ander dan de eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van de onroerende zaak met diens toestemming roerende zaken opslaat, vermeldt de aanvrager in de aanvraag de naam, het adres, en de woonplaats van die ander.

SubParagraaf 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

  • 1.

    Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht wordt aannemelijk gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd.

  • 2.

    Zo nodig wordt een rapport verstrekt waarin de archeologische waarde van de bodem onder het te slopen bouwwerk in voldoende mate is vastgesteld.

Paragraaf 22.5.3 Voorschriften
Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg
  • 1.

    Aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in Artikel 22.284 lid 1, die van invloed is op een archeologisch monument kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval voorschriften worden verbonden, die inhouden een plicht tot:

    • a.

      het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden;

    • b.

      het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet;

    • c.

      het laten begeleiden van een activiteit die tot bodemverstoring leidt door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan bij die voorschriften te stellen kwalificaties; en

    • d.

      het verrichten van een opgraving of een archeologische begeleiding op een bepaalde wijze, als die wijze in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet.

  • 2.

    Aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht kunnen in het belang van de archeologische monumentenzorg voorschriften over de wijze van slopen worden verbonden.

Hoofdstuk 23 SLOTBEPALINGEN

Artikel 23.1 (citeertitel)

Dit omgevingsplan wordt aangehaald als: Omgevingsplan gemeente Hardenberg.

Bijlage I Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit omgevingsplan wordt verstaan onder:

(ver)bouwen:

het bouwen, herbouwen, verbouwen danwel uitbreiden van een gebouw;

Aanbouw:

een bouwwerk dat is gebouwd aan een bedrijfsgebouw; het bouwwerk onderscheidt zich van een bedrijfsgebouw door de vorm en is architectonisch ondergeschikt;

aanbouw:

een bouwwerk dat is gebouwd aan een bedrijfsgebouw; het bouwwerk onderscheidt zich van een bedrijfsgebouw door de vorm en is architectonisch ondergeschikt;

aanduiding:

·een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar op grond van de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

aansluitafstand:

afstand tussen een leiding van het distributienet en het deel van het bouwwerk dat zich het dichtst bij die leiding bevindt, gemeten langs de kortste lijn waarlangs een aansluiting zonder bezwaren kan worden gemaakt;

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein:

cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

agrarisch bedrijf:

een bedrijf, dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen waaronder begrepen tuinbouw en/of het houden van dieren, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, met inbegrip van pensionstal en productie van zonne-energie waarvan de geproduceerde elektriciteit in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik. Bewerking en vergisting van mest en biomassa zijn activiteiten die onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat deze activiteiten plaatsvinden binnen het eigen bouwvlak, met bedrijfseigen producten en/of bedrijfseigen mest waarvan de geproduceerde elektriciteit en/of brandstof in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik;

agrarisch hulp- en toeleveringsbedrijf:

een bedrijf, dat geheel of overwegend gericht is op het bedrijfsmatig voortbrengen van agrarische producten door het telen van gewassen waaronder begrepen tuinbouw en/of het houden van dieren, waaronder begrepen een productiegerichte paardenhouderij, met inbegrip van pensionstal en productie van zonne-energie waarvan de geproduceerde elektriciteit in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik. Bewerking en vergisting van mest en biomassa zijn activiteiten die onderdeel uitmaken van het agrarisch bedrijf, met dien verstande dat deze activiteiten plaatsvinden binnen het eigen bouwvlak, met bedrijfseigen producten en/of bedrijfseigen mest waarvan de geproduceerde elektriciteit en/of brandstof in hoofdzaak aangewend wordt voor eigen gebruik; CHECK WAAR DIT VOORKOMT

agrarisch loonbedrijf:

een bedrijf, dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven;

agrarische bedrijfsactiviteiten:

activiteiten uitgevoerd door een agrarisch bedrijf;

agrarische cultuurgrond:

grasland en akkerbouwgronden, die hobbymatig in gebruik zijn en niet worden gebruikt ten behoeve van een volwaardige agrarische bedrijfsvoering; CHECK WAAR DIT VOORKOMT

akkerbouwbedrijf:

een bedrijf in de land- en tuinbouwsector, dat zich richt op de benutting van braakliggend land door verbouw en het oogsten van gewassen;

ander bouwwerk:

een bouwwerk, geen gebouw en geen windturbine zijnde;

antenne-installatie:

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

appartement:

het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid in een groter gebouw en dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief verblijf; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

archeologisch onderzoek:

een rapport als bedoeld in artikel 7.199 van de Omgevingsregeling;

archeologische (verwachtings)waarde:

de aan een gebied toegekende (verwachtings)waarden in verband met de kennis en studie van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteit in het verleden, ten minste ouder dan 50 jaar;

archeologische monumentenzorg:

zorg die zich richt op het optimaal beheer van de bodem als unieke bron van informatie over de geschiedenis van Nederland;

AS SIKB 2000:

AS SIKB 2000: Accreditatieschema Veldwerk bij Milieuhygiënisch Bodem- en waterbodemonderzoek, versie 2.8, 07‑02‑2014, met wijzigingsblad van 10‑02‑2018;

baggerspecie:

baggerspecie als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

bebouwde kom als bedoeld in de Wegenverkeerswet:

de bebouwde kom zoals die op basis van artikel 20a van de Wegenverkeerswet door de raad wordt vastgesteld;

bebouwing:

een of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

bebouwingsgebied:

achtererfgebied en de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

bebouwingskarakteristiek:

bebouwing dat door zijn verschijningsvorm als behoudenswaardig aangemerkt wordt;

bebouwingstype/bebouwingstypologie:

het type woning, zoals: vrijstaand, aaneengebouwd, tweekapper, gestapeld of gesplitst;

bebouwingstypologie:

het type woning, zoals: vrijstaand, aaneengebouwd, tweekapper, gestapeld of gesplitst;   

bed & breakfast:

het tegen betaling aanbieden van toeristisch en kortdurend verblijf en ontbijt. Permanente bewoning van een bed & breakfast in een bijbehorend bouwwerk of bedrijfsgebouw is niet toegestaan;

bedrijf:

een onderneming gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen de het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

bedrijfsgebouw:

een niet voor bewoning bestemd gebouw ten dienste van een bedrijf, instelling of voorziening;

bedrijfsmatige exploitatie:

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer of exploitatie, dat in de recreatieverblijven - recreatiewoningen en kampeermiddelen - daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt; van bedrijfsmatige exploitatie is sprake als het recreatieverblijf voor ten minste 140 dagen per jaar beschikbaar is voor verhuur;

bedrijfsplan:

·een beschrijving van de toekomstplannen van een bedrijf, voor de eerstkomende vijf jaar, met inbegrip van een organisatorische en financiële onderbouwing; CHECK WAAR DIT VOORKOMT

bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, die hoort bij en functioneel gebonden is aan een bedrijf, instelling of voorziening in dat gebouw of op dat terrein;

bedrijfswoning / dienstwoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk alleen bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, van wie de huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is;

beeldbepalend pand:

een gebouw dat door bouwvorm, gevelindeling, materiaalgebruik en situering ook bepalend is voor de historische ruimtelijke waarden van het beschermde dorpsgezicht; CHECK WAAR KOMT DIT VOOR

beperkingengebiedactiviteit:

hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet;

berging:

een opslagruimte ten dienste van een recreatief nachtverblijf; CHECK OF HET ERGENS ANDERS OOK VOORKOMT

bestaand:
  • a.

    het gebruik dat op het tijdstip van het laatste besluit tot wijziging van het omgevingsplan op de betreffende locatie rechtens aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip rechtens aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;

  • b.

    het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder ook begrepen het overgangsrecht van het omgevingsplan, of een andere planologische toestemming;

bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

bijeenkomsten van persoonlijke aard:

bijeenkomsten van persoonlijke aard zoals genoemd in artikel 4 van de Drank- en horecawet; CHECK WAAR KOMT DIT VOOR

bodemgevoelige locatie:

een locatie zoals bedoeld in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

bodemverstorende activiteiten:

het plegen van ingrepen die het gebruik van de grond veranderen, waardoor het grondwaterpeil verandert en/of het verrichten van grondbewerkingen;

boerderijkamer:

(een deel van) een (voorheen) agrarisch gebruikt gebouw dat blijvend is bestemd voor recreatief nachtverblijf in een kamer, al dan niet in combinatie met een dagverblijf, met keuken en sanitair in een gemeenschappelijke ruimte;

boomteelt:

een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering die specifiek is gericht op het telen van laanbomen;

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, en het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

bouwlaag:

een voor mensen toegankelijk deel van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen wordt begrensd, met uitzondering van onderbouwen, kelders en kappen; de eerste bouwlaag is de bouwlaag op de begane grond;

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop op grond van de regels van dit plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar op grond van de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan;

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

bouwwerk voor een recreatief nachtverblijf:

een bouwwerk dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf, met een met de grond verbonden constructie van enige omvang en met een plaatsgebonden karakter, zoals een stacaravan, trekkershut of recreatiewoning;

BRL SIKB 2000:

BRL SIKB 2000: Beoordelingsrichtlijn 2000, Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek, versie 5, 12‑12‑2013;

BRL SIKB 7000:

BRL SIKB 7000: Beoordelingsrichtlijn 7000, Uitvoering van (water)bodemsaneringen en ingrepen in de waterbodem, versie 5, 19‑06‑2014, met wijzigingsblad van 12‑02‑2015;

bungalowpark:

complex van recreatiewoningen en/of appartementen die voor recreatief nachtverblijf zijn bestemd; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

camping:

een verblijfsrecreatieterrein, ten behoeve van recreatief verblijf in kampeermiddelen en/of stacaravans, chalets en trekkershutten; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

carport:

een geheel of gedeeltelijk overdekte opstelplaats voor een auto welke ten minste aan twee zijden open is;

chalet:

bouwwerk voor recreatief nachtverblijf bestaande uit één bouwlaag uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben. Een chalet heeft geen vaste verankering in de grond;

composteerbedrijf:

een bedrijf dat op biologische wijze organische afvalstoffen omzet tot compost;

concentratiegebied geurhinder en veehouderij:

gebied I of gebied II, bedoeld in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een in dit omgevingsplan aangewezen concentratiegebied;

cultuur en ontspanning:

voorzieningen ten behoeve van cultuur en ontspanning, waaronder: podiumkunsten/(openlucht)theater, toeristische attracties, creativiteitscentra;

dagrecreatie:

activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport, spel, toerisme en educatie, waarbij overnachting niet is toegestaan;

detailhandel(sbedrijf):

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling voor de verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

dienstverlening:

het op het publiek gerichte aanbieden, verkopen en/of leveren van commerciële en/of maatschappelijke diensten, zoals reisbureaus, kapsalons, uitzendbureaus, bankfilialen en makelaarskantoren;

dierenkliniek:

kliniek en/of praktijk voor de zorg en behandeling van gezelschapsdieren, vee, landbouwhuisdieren en paarden;

distributienet voor warmte:

collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater;

dove gevel:
  • a.

    een bouwkundige constructie waarin geen te openen delen aanwezig zijn en met een in NEN 5077 bedoelde karakteristieke geluidwering die ten minste gelijk is aan het verschil tussen de geluidbelasting van die constructie en 33 dB onderscheidenlijk 35 dB(A); en,

  • b.

    een bouwkundige constructie waarin alleen bij uitzondering te openen delen aanwezig zijn, mits de delen niet direct grenzen aan een geluidsgevoelige ruimte.

eenvoudige dagrecreatie:

extensieve, kleinschalige vormen van vrijetijdsbesteding met een maximale duur van een dag, waarbij geen overnachting plaatsvindt;

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw;

evenement:

elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, waaronder mede wordt verstaan een herdenkingsplechtigheid, een braderie, een optocht (niet zijnde een betoging) op de weg, een feest, muziekvoorstelling of wedstijd op of aan de weg, een straatfeest of een buurtbarbecue op één dag (klein evenement). Dit met uitzondering van:

  • a.

    bioscoop- en theatervoorstellingen;

  • b.

    markten;

  • c.

    kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

  • d.

    het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

  • e.

    betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

  • f.

    sportevenementen.

extensieve openluchtrecreatie:

vormen van recreatief medegebruik van het agrarisch of natuurgebied met al dan niet aangelegde en aanwezige voorzieningen, waarbij de recreatie geen specifiek beslag legt op de ruime, zoals wandel-, ruiter- en fietspaden, vis- en picknickplaatsen;

foliebassin:

een mestbassin uitgevoerd als een met folie beklede grondput met of zonder omdijking;

gastouderopvang:

gastouderopvang als bedoeld in de Wet kinderopvang;

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

gebruik:

het gebruiken, doen gebruiken en/of laten gebruiken;

geluidgevoelig gebouw:

een geluidgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 3.21 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

gesplitste woning:

een woning die gesplitst is in overeenstemming met de "Kaderstellende beleidsnotitie woningsplitsing bij inwoning" (datum vaststelling college 23 januari 2018) of later door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen vervangende beleidsregel(s). Daarbij is sprake van één woning (één hoofdgebouw met bijbehorende bouwwerken) die mag worden bewoond door meer dan één huishouden;

geurgevoelig gebouw:

een geurgevoelig gebouw als bedoeld in artikel 5.91 van het Besluit kwaliteit leefomgeving;

geurgevoelig object:
  • a.

    gebouw:

    • 1.

      dat op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en;

    • 2.

      dat gezien de aard, indeling en inrichting geschikt is om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; en

    • 3.

      dat permanent of op een daarmee vergelijkbare wijze wordt gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf; of

  • b.

    geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gebouwd;

gezoneerd industrieterrein:

industrieterrein als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet;

glastuinbouwbedrijf:

een agrarisch bedrijf, dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen met gebruikmaking van kassen;

groepsaccommodatie:

een (deel van een) gebouw dat blijvend bestemd is voor recreatief nachtverblijf door groepen, waarbij overnacht wordt in slaapzalen en/of slaapkamers, er is een afzonderlijke ruimte voor dagactiviteiten, ook zijn er keuken- en sanitaire voorzieningen die gemeenschappelijk door de groep worden gebruikt;

grond:

grond als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit;

grootschalige bodemtoepassingen:

het toepassen van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 4.1274, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving;

grootschalige detailhandel:

detailhandel - niet zijnde detailhandel in de branchegroepen dagelijkse goederen of mode en luxe artikelen - met een zeer groot winkelvloeroppervlak en met een assortiment van goederen die qua aard en omvang op zichzelf passend zijn binnen een kernwinkelgebied, maar die aantoonbaar vanwege de omvang van het assortiment van de winkelformule een zeer groot winkeloppervlak nodig hebben (waaronder detailhandel in auto's, boten, caravans, tuininrichtingsartikelen, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair);

hobbymatig houden van landbouwhuisdieren:

het houden van minder landbouwhuisdieren dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen of 10 overige landbouwhuisdieren;

hoofdgebouw:

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten voor die activiteit het belangrijkst is;

hoofdverblijf:

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, dat naar constructie en inrichting geschikt is voor de permanente huisvesting van één persoon, een gezin of een hiermee gelijk te stellen groep personen;

hoogspanningsstation:

een installatie voor het schakelen van hoogspanningsverbindingen en/of het transformeren van elektrische energie en/of het regelen en meten ten behoeve van het veilig, betrouwbaar en duurzaam functioneren van het hoogspanningsnet.

horeca(bedrijf):

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt;

horecabedrijf, categorie I:

een horecabedrijf, waar in hoofdzaak maaltijden worden verstrekt en waar doorgaans geen overlast voor het leefklimaat wordt veroorzaakt, zoals restaurants, hotels en pensions en een horecabedrijf dat vooral is gericht op het overdag en 's avonds verstrekken van in hoofdzaak alcoholvrije dranken en eenvoudige etenswaren, zoals ijssalons, croissanterieën, lunchrooms en naar de aard en openingstijden daarmee gelijk te stellen horecabedrijven;

horecabedrijf, categorie II:

een horecabedrijf, waar meestal in hoofdzaak alcoholische dranken worden verstrekt, en/of waarvan de exploitatie doorgaans overlast voor het leefklimaat kan veroorzaken en een grote druk op de openbare orde met zich meebrengt, zoals cafés, bars, snackbars en cafetaria's;

horecabedrijf, categorie III:

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij het doen beluisteren van overwegend mechanische muziek en het gelegenheid geven tot dansen wezenlijke onderdelen vormen, zoals discotheken, dancings en nachtclubs;

hoveniersbedrijf:

een bedrijf, gericht op de aanleg, de inrichting en het onderhoud van tuinen en groen, met gebruikmaking van de daarbij behorende materialen en gereedschappen, zonder dat detailhandel wordt uitgeoefend;

huishouden:

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen;

hulpbehoevende:

persoon die zorg of andere specifieke hulp nodig heeft die onder andere ter plaatse van de zorgwoning kan worden verleend en waarvan de behoefte aan deze specifieke zorg of hulp met een verklaring van een arts, een zorgverlenende organisatie die is verbonden aan de zorgwoning of een andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

internetwinkel:

specifieke vorm van detailhandel, waarbij de transactie via internet (of postorder) tot stand komt en waarbij afhalen, tonen en afrekenen van goederen niet ter plaatse gebeurt;

intrekgebieden:

gebieden zoals genoemd in provinciale verordening en op de kaart Drinkwatervoorziening nr. 09295053 zijn aangegeven;

ISO 11423-1:

ISO 11423-1:1997: Water – Bepaling van het gehalte aan benzeen en enige afgeleiden – Deel 1: Gaschromatografische methode met bovenruimte, versie 1997;

kamerverhuur:

het bedrijfsmatig verhuren van een kamer in een woonhuis, waarbij de kamer niet als zelfstandige wooneenheid kan worden aangemerkt en zoals dit tot uitdrukking komt in de afwezigheid van een zelfstandige entree, keuken of sanitaire voorzieningen;

kampeerboerderij:

voorzieningen binnen al of niet voormalige agrarische bebouwing, bedoeld voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun vaste woon- of verblijfplaats elders hebben; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

kampeermiddel:

een onderkomen dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatief nachtverblijf, maar zonder een met de grond verbonden constructie en zonder een plaatsgebonden karakter, zoals bijvoorbeeld een tent, vouwwagen, toercaravan of camper;

kampeerterrein:

een terrein ingericht voor recreatief verblijf in kampeermiddelen en stacaravans; onder recreatief nachtverblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

kantoor:

een ruimte of bij elkaar behorende ruimten, welke bestemd is of zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden en naar de aard daarmee gelijk te stellen vormen;

kapsalon aan huis:

dienstverlening waarbij de bewoner van een woning tegen betaling kap/knipwerkzaamheden ter plaatse verricht, eventueel met aanverwante activiteiten;

kas:

een gebouw met overwegend transparante, lichtdoorlatende afdekking en wanden, bedoeld voor het kweken en telen van gewassen;

kinderopvang:

het tegen vergoeding aanbieden van verzorging, onderdak en begeleiding aan minderjarigen door anderen dan de eigen ouders, pleeg- of stiefouders bestaande uit de gelijktijdige opvang van meer dan zes kinderen;

kleinschalig kamperen:

kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op een kampeerterrein geschikt voor een beperkt aantal kampeermiddelen;

kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis:

het bedrijfs- of beroepsmatig leveren van diensten of producten, waaronder het houden van kantoor aan huis, dat door zijn beperkte omvang en ruimtelijke uitstraling naar de (directe) woonomgeving in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

kleinschalige duurzame energiewinning:

energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, waarbij weinig tot geen schadelijke milieugevolgen optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte;

landbouwhuisdieren met geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; en

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders;

landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor:

landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld, met uitzondering van pelsdieren.

landhuis:

een aanzienlijk woonhuis van allure, dat één woning omvat;

landschapsontsierende bedrijfsgebouwen:

gebouwen die door de verschijningsvorm zoals blijkend uit goothoogte, nokhoogte, materiaalgebruik, bouwmassa en/of silhouet, visueel storend zijn in het landschapsbeeld; voor het gebied karakteristieke en cultuurhistorisch waardevolle gebouwen vallen hier niet onder;

loonbedrijf:

een bedrijf – geen agrarisch bedrijf zijnde - dat uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het verrichten van werkzaamheden voor en/of de levering van diensten aan agrarische bedrijven;

maatschappelijke voorzieningen:

voorzieningen ter zake van religie, verenigingsleven, cultuur, onderwijs, opvoeding, recreatie, gezondheidszorg, ouderenzorg of zorg voor andere doelgroepen en andere openbare en bijzondere voorzieningen en dienstverlening;

manage:

een bedrijf gericht op het geven, dan wel faciliteren van paardensportinstructie, en het geven van gelegenheid tot het (recreatief) houden en/of berijden van paarden, al dan niet in combinatie met ondergeschikte horeca-activiteiten en/of andere (hippische) evenementen;

mantelzorg:

intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

minicamping:

kamperen in de vorm van recreatief medegebruik op een kampeerterrein geschikt voor een beperkt aantal kampeermiddelen;

modeltuinen:

voor publiek toegankelijke tuinen, ter bezichtiging of bestudering;

motorrijtuig:

voertuigen voorzien van een motor bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen;

natuureducatieve tuin:

een tuin met bijbehorende voorzieningen die vanuit een educatieve doelstelling toegankelijk is voor publiek en tevens gebruikt kan worden voor activiteiten zoals leer-werkstages en workshops;

NEN 5725:

NEN 5725:2017: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek, versie 2017;

NEN 5740:

NEN 5740:2009/A1:2016: Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond, versie 2009+A1 en 2016;

NEN 6090:

NEN 6090:2017: Bepaling van de vuurbelasting, versie 2017;

NEN 6578:

NEN 6578:2011: Water – Potentiometrische bepaling van het totale gehalte aan totaal fluoride, versie 2011;

NEN 6589:

NEN 6589:2005/C1:2010: Water – Potentiometrische bepaling van het gehalte aan totaal anorganisch fluoride met doorstroomsystemen (FIA en CFA), versie 2010;

NEN 6600-1:

NEN 6600-1:2019: Water – Monsterneming – Deel 1: Afvalwater, versie 2019;

NEN 6965:

NEN 6965:2005: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire-absorptiespectrometrie met vlamtechniek, versie 2005;

NEN 6966:

NEN 6966:2006: Milieu – Analyse van geselecteerde elementen in water, eluaten en destruaten – Atomaire emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma, versie 2005 + C1:2006;

NEN-EN 12566-1:

NEN-EN 12566-1:2016: Kleine afvalwaterzuiveringsinstallaties ≤ 50 IE – Deel 1: Geprefabriceerde septictanks, versie 2016;

NEN-EN 12673:

NEN-EN 12673:1999: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal geselecteerde chloorfenolen in water, versie 1999;

NEN-EN 16693:

NEN-EN 16693:2015: Water – Bepaling van de organochloor pesticiden (OCP) in watermonsters met behulp van vaste fase extractie (SPE) met SPE-disks gecombineerd met gaschromatografie-massaspectrometrie (GC-MS), versie 2015;

NEN-EN 1825-1:

NEN-EN 1825-1:2004: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2004 + C1:2006;

NEN-EN 1825-2:

NEN-EN 1825-2:2002: Vetafscheiders en slibvangputten – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2002;

NEN-EN 858-1/A1:

NEN-EN 858-1:2002/A1:2004: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 1: Ontwerp, eisen en beproeving, merken en kwaliteitscontrole, versie 2002 + A1: 2004;

NEN-EN 858-2:

NEN-EN 858-2:2003: Afscheiders en slibvangputten voor lichte vloeistoffen (bijv. olie en benzine) – Deel 2: Bepaling van nominale afmeting, installatie, functionering en onderhoud, versie 2003;

NEN-EN 872:

NEN-EN 872:2005: Water – Bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen – Methode door filtratie over glasvezelfilters, versie 2005;

NEN-EN-ISO 10301:

NEN-EN-ISO 10301:1997: Water – Bepaling van zeer vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen – Gaschromatografische methoden, versie 1997;

NEN-EN-ISO 10523:

NEN-EN-ISO 10523:2012: Water – Bepaling van de pH, versie 2012;

NEN-EN-ISO 11885:

NEN-EN-ISO 11885:2009: Water – Bepaling van geselecteerde elementen met atomaire-emissiespectrometrie met inductief gekoppeld plasma (ICP-AES), versie 2009;

NEN-EN-ISO 12846:

NEN-EN-ISO 12846:2012: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire-absorptiespectrometrie met en zonder concentratie, versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-1:

NEN-EN-ISO 14403-1:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 1: Methode met doorstroominjectie analyse (FIA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 14403-2:

NEN-EN-ISO 14403-2:2012: Water – Bepaling van het totale gehalte aan cyanide en het gehalte aan vrij cyanide met doorstroomanalyse (FIA en CFA) – Deel 2: Methode met continu doorstroomanalyse (CFA), versie 2012;

NEN-EN-ISO 15587-1:

NEN-EN-ISO 15587-1:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 1: Koningswater ontsluiting, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15587-2:

NEN-EN-ISO 15587-2:2002: Water – Ontsluiting voor de bepaling van geselecteerde elementen in water – Deel 2: Ontsluiting met salpeterzuur, versie 2002;

NEN-EN-ISO 15680:

NEN-EN-ISO 15680:2003: Water – Gaschromatografische bepaling van een aantal monocyclische aromatische koolwaterstoffen, naftaleen en verscheidene gechloreerde verbindingen met «purge-and-trap» en thermische desorptie, versie 2003;

NEN-EN-ISO 15682:

NEN-EN-ISO 15682:2001: Water – Bepaling van het gehalte aan chloride met doorstroomanalyse (CFA en FIA) en fotometrische of potentiometrische detectie, versie 2001;

NEN-EN-ISO 15913:

NEN-EN-ISO 15913:2003: Water – Bepaling van geselecteerde fenoxyalkaanherbicide, inclusief bentazonen en hydroxybenzonitrillen met gaschromatografie en massaspectrometrie na vastefase-extractie en derivatisering, versie 2003;

NEN-EN-ISO 17294-2:

NEN-EN-ISO 17294-2:2016: Water – Toepassing van massaspectrometrie met inductief gekoppeld plasma – Deel 2: Bepaling van geselecteerde elementen inclusief uranium isotopen, versie 2016;

NEN-EN-ISO 17852:

NEN-EN-ISO 17852:2008: Water – Bepaling van kwik – Methode met atomaire fluorecentiespectometrie, versie 2008;

NEN-EN-ISO 17993:

NEN-EN-ISO 17993:2004: Water – Bepaling van 15 polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) in water met HPLC met fluorescentiedetectie na vloeistof-vloeistof extractie, versie 2004;

NEN-EN-ISO 2813:

NEN-EN-ISO 2813:2014: Verven en vernissen – Bepaling van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20 graden, 60 graden en 85 graden, versie 2014;

NEN-EN-ISO 5667-3:

NEN-EN-ISO 5667-3:2018: Water – Monsterneming – Deel 3: Conservering en behandeling van watermonsters, versie 2018;

NEN-EN-ISO 5815-1:

NEN-EN-ISO 5815-1:2019: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 1: Verdunning en enting onder toevoeging van allylthioureum, versie 2019;

NEN-EN-ISO 5815-2:

NEN-EN-ISO 5815-2:2003: Water – Bepaling van het biochemisch zuurstofverbruik na n dagen (BZVn) – Deel 2: Methode voor onverdunde monsters, versie 2003;.

NEN-EN-ISO 9377-2:

NEN-EN-ISO 9377-2:2000: Water – Bepaling van de minerale-olie-index – Deel 2: Methode met vloeistofextractie en gas-chromatografie, versie 2000;

NEN-EN-ISO 9562:

NEN-EN-ISO 9562:2004: Water – Bepaling van adsorbeerbare organisch gebonden halogenen (AOX), versie 2004;

NEN-ISO 15705:

NEN-ISO 15705:2003: Water – Bepaling van het chemisch zuurstofverbruik (ST-COD) – Kleinschalige gesloten buis methode, versie 2003;

NEN-ISO 15923-1:

NEN-ISO 15923-1:2013: Waterkwaliteit – Bepaling van de ionen met een discreet analysesysteem en spectrofotometrische detectie – Deel 1: Ammonium, chloride, nitraat, nitriet, ortho-fosfaat, silicaat en sulfaat, versie 2013;

nevenactiviteit:

een activiteit die in ruimtelijk en functioneel opzicht duidelijk ondergeschikt is aan de volgens de gebruiksregels toegestane hoofdfunctie op het perceel;

nutsvoorzieningen:

voorzieningen ten behoeve van het distributienet, het telecommunicatieverkeer, de afval- en grondstoffeninzameling, het openbaar vervoer en/of het wegverkeer;

omgevingsvergunning:

omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet;

onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat of die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

oorspronkelijke bouwplan:

het gebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het gebouw verleende vergunning, is opgeleverd;

openbaar gebied:

weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, en pleinen, parken, plantsoenen, openbaar water en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer;

openbare inrichting:

een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;

opgraving:

archeologische maatregel waarbij een aangetroffen en gewaardeerde vindplaats ex situ wordt behouden;

opslag:

het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde tijdelijke opslag;

opstijgpunt hoogspanningsverbinding:

de locatie waar het ondergrondse deel van een hoogspanningsverbinding boven de grond komt en naar het bovengrondse deel van een hoogspanningsverbinding wordt geleid door een installatie;

overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat dient ter overdekking en niet, of slechts met één wand is omgeven;

paardenbak:

een onverhard en omheind terrein, niet overdekt en met een andere ondergrond dan gras, ingericht voor het africhten, trainen en berijden van paarden en pony's en het op een andere manier beoefenen van de paardensport;

parkeren:

parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens;

participatieframe:

een plan van aanpak waarin kort en krachtig wordt vastgelegd op welke manier participatie wordt toegepast bij een wijziging van het omgevingsplan;

partij:

hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt;

peil:
  • a.

    voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de bouwhoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de bouwhoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

permanente bewoning:

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf, waarbij door betrokkene(n) niet aannemelijk is of kan worden gemaakt dat elders daadwerkelijk over een hoofdverblijf wordt beschikt;

plaggenhut:

eenvoudige, uit hout en heideplaggen opgetrokken hut;

productiegerichte paardenhouderij:

een paardenhouderij waar uitsluitend of in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten en trainen en verhandelen van paarden;

professionele hulpverlener:

een hulpverlener die, al dan niet als werknemer, activiteiten verricht voor een zorgverlenende organisatie of hulpbehoevende die is gericht op het verlenen van zorg of hulp aan hulpbehoevenden;

radiozendamateur:

een persoon die zich als hobbyist bezighoudt met experimenteren op het gebied van het uitzenden en ontvangen van radio- en/of televisiesignalen;

rechthebbende:
  • a.

    de eigenaar of zakelijk gerechtigde van het perceel;

  • b.

    de rechtverkrijgende onder algemene of bijzondere titel van de onder a bedoelde personen.

recreatiewoning:

een gebouw, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief nachtverblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

recreatiewoning:

een gebouw, niet zijnde een stacaravan, chalet, trekkershut of plaggenhut, uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die hun hoofdverblijf elders hebben; onder recreatief verblijf is in ieder geval niet begrepen permanente bewoning door eenzelfde persoon, gezin of andere groep van personen;

rijhal:

een gebouw uitsluitend bestemd voor het africhten van paarden en pony's, ten dienste van en behorende bij een manege of productiegerichte paardenhouderij;

rooilijn:
  • a.

    langs een weg waar bestaande bebouwing is gesitueerd: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn die zoveel mogelijk aansluit aan de ligging van de naar de weg gekeerde gevels van de bestaande bebouwing;

  • b.

    langs een weg waarlangs geen bestaande bebouwing als onder a bedoeld is gesitueerd en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;

ruimtelijke kwaliteit:

het resultaat van menselijk handelen en natuurlijke processen dat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is;

ruimtelijke kwaliteitsplan:

een plan dat beschrijft op welke wijze het erf landschappelijk gezien is ingepast in zijn omgeving, hoe de sterke gebiedskenmerken worden doorvertaald in de inrichting van het erf en hoe de nieuwe ontwikkeling op het erf en waar nodig compenserende maatregelen elders, in overeenstemming met de toepasselijke gemeentelijke landschapsidentiteitskaart bijdragen aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;

school:

een onderwijsinstelling waar les wordt gegeven aan leerlingen, waaronder inbegrepen kinderdagverblijf en buitenschoolse opvang;

schriftelijk advies:

een advies van een daartoe aangewezen instelling dat schriftelijk is verstrekt, waaronder in ieder geval wordt verstaan een e-mail, brief of via het samenwerkingsportaal of zaaksysteem van de gemeente Hardenberg;

schuilgelegenheid:

een gebouw met maximaal drie gesloten wanden, dat dient voor de beschutting van, al dan niet hobbymatig gehouden, dieren tegen weersinvloeden en ook voor de opslag van het voor deze dieren bestemde voer;

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan; een seksbioscoop, een seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf, waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

speelvoorzieningen:

een voorziening bestemd voor vermaak of ontspanning waarbij uitsluitend van zwaartekracht of van fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

spiritueel centrum:

een ontmoetingscentrum met als doel het versterken van het innerlijke geestesleven;

sport:

activiteiten gebaseerd op lichamelijke beweging en/of denkvermogen, met inbegrip van voorzieningen ten behoeve van de uitoefening van deze activiteiten;

sportbedrijf:

een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig voorzien in sport;

stacaravan:

bouwwerk voor recreatief nachtverblijf bestaande uit één bouwlaag uitsluitend bestemd om te dienen voor recreatief verblijf door een persoon, gezin of andere groep van personen, die zijn/hun hoofdverblijf elders hebben. Een stacaravan heeft geen vaste verankering in de grond en moet over de weg als één deel te verplaatsen zijn;

stadsbouwmeester:

door de gemeenteraad benoemde onafhankelijke deskundige die aan het bevoegd gezag advies uitbrengt ten aanzien van de vraag of het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarvoor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van dat bouwwerk is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand;

statische opslag:

(binnen)opslag van goederen die geen regelmatige verplaatsing behoeven zoals (seizoen)stalling van (antieke) auto's, boten, caravans, campers en dergelijke, niet bestemd zijn voor handel en niet worden opgeslagen voor een elders gevestigd niet-agrarisch bedrijf;

stikstofemitterende bouwwerken:

gebouwen voor het houden van landbouwhuisdieren, installaties voor het bewerken of vergisten van mest en/of biomassa, mestplaten en mestsilo's.

straatpeil:
  • a.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

  • b.

    voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;

streekeigen product:

producten die zijn voortgebracht op ambachtelijke wijze op agrarische bedrijven;

supermarkt:

een detailhandelsbedrijf dat zich in hoofdzaak richt op het verkopen van voedings- en genotmiddelen en dagelijkse levensbenodigdheden in een algemeen assortiment, in de vorm van een zelfbedieningszaak;

technische installatie:

een voor de bedrijfsvoering benodigde installatie;

teeltondersteunende voorziening:

een verplaatsbare constructie, overtrokken met transparant materiaal anders dan glas, voor het kweken of beschermen van gewassen, uitsluitend aanwezig tijdens het teeltseizoen;

trekkershut:

een eenvoudige vrijstaande blokhut, bestaande uit één bouwlaag, zonder of met beperkte sanitaire voorzieningen, welke uitsluitend gebruikt wordt voor kortdurend verblijf door wisselende groepen van recreanten, die hun hoofdverblijf elders hebben;

tuinbouw:

het bedrijfsmatig telen en kweken van groenten, bomen, heesters, struiken, planten en bloemen of tuinbouwzaden, in de volle grond, al dan niet gecombineerd met, als ondergeschikte nevenactiviteit, de handel in boomkwekerijgewassen en vaste planten;

tuincentrum:

een detailhandelsvestiging met daarbij behorende kwekerij in kwekerijproducten, zoals bomen, kamer- en andere planten, bollen en bloemen, en ook in artikelen voor tuinaanleg, -inrichting en -onderhoud en dierbenodigdheden voor huisdieren;

veehouderij:

agrarisch bedrijf dat milieubelastende activiteiten verricht bedoeld in artikel 3.201 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een IPPC-installatie voor het houden van pluimvee of varkens) of milieubelastende activiteiten bedoeld in artikel 3.202 van het Besluit activiteiten leefomgeving (exploiteren van een andere milieubelastende installatie), voor zover die activiteiten worden verricht in een dierenverblijf;

vloeroppervlakte:

de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;

vloeroppervlakte:

de netto vloeroppervlakte van een ruimte of gebouw gemeten op vloerniveau tussen de bouwmuren;

voertuigen:

voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

vogelpark:

een voor het publiek toegankelijk park waar diverse vogelsoorten en enkele andere diersoorten worden gehouden, gehuisvest, verzorgd en getoond met bijbehorende voorzieningen en horeca uitsluitend ten behoeve van het vogelpark;

volkstuinencomplex:

complex van meer dan één volkstuinkavels;

volkstuinenkavel:

een niet bij de eigen woning gelegen perceel grond voor het hobbymatig kweken en telen van gewassen, alleen bedoeld voor de eigen consumptie en gebruik;

voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meerdere zodanige gevels, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt;

voorgevelrooilijn:

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel van het hoofdgebouw dat het dichtst bij het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied is gelegen, tot aan de perceelsgrenzen;

voormalige boerderij:

een pand dat oorspronkelijk is gebouwd om dienst te doen als woning bij een agrarisch bedrijf, met aangebouwde bedrijfsruimte;

warmteplan:

besluit over de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor een periode van ten hoogste 10 jaar, uitgaande van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet, de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen.

waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit.

waterloop:

een voor de waterbeheersing bestemde geul die meestal permanent water bevat zoals een rivier, kanaal, beek, sloot of gracht.

waterpeil:

de hoogte (het niveau) van de waterspiegel gemeten naar NAP op het moment van aanvraag om een vergunning of functiewijziging. Dit kan betrekking hebben op zowel oppervlaktewater als grondwater;

weg:

hetgeen in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder wordt verstaan;

weggedeelten:

een straat, plein, terrein of zone.

wegverkeersstructuur:

openbare wegen voor doorgaand verkeer met bijbehorende parkeerstroken, opstelstroken, fiets- en voetpaden, bermen en bermsloten, bruggen en duikers en andere bijbehorende (verkeers)voorzieningen;

windturbine:

een door de wind aangedreven bouwwerk waarmee energie wordt opgewekt, met inbegrip van de bij dit bouwwerk behorende (infrastructurele) voorzieningen;

wonen:

activiteit inhoudende de bewoning van een woning;

woning:

een ruimte of complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

woonwagen:

voor bewoning bestemd gebouw dat is geplaatst op een standplaats en dat in zijn geheel of in delen kan worden verplaatst;

woonzorgcomplex:

complex bestaande uit woonzorgeenheden met zorg- en welzijnsvoorzieningen gericht op 24-uurszorg/begeleiding en waarbij tevens ter ondersteuning daarvan kantoren en kleinschalige, ondergeschikte detailhandel en/of horeca kunnen voorkomen;

zakelijke dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten, bijvoorbeeld in de vorm van bank- en verzekeringsdiensten, exploitatie van en handel in onroerende zaken, adviesbureaus, verhuurbedrijven en hulpdiensten;

zandwinning:

een bedrijfsmatige activiteit die uitsluitend of in overwegende mate is gericht op het winnen, opslaan, overslaan, bewerken, verwerken en handel van zand;

zonnecollectoren:

collectoren voor warmteopwekking of een paneel voor electriciteitsopwekking;

zorgboerderij:

een zorgfunctie waarbij de sociaal-medische opvang van personen, al dan niet in de vorm van het ter plaatse woonachtig zijn, en al dan niet gecombineerd wordt met agrarische activiteiten, in dié zin dat de personen behulpzaam zijn bij de agrarische of natuurbeherende activiteiten;

zorgwoning:

complex van ruimten, bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere personen van een specifieke doelgroep die zorg nodig heeft;

Bijlage II Geografische Informatieobjecten

afschermende beplanting Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/17617f58c58d4afea68160c011aa0fe8/nld@2026‑03‑06;1e1cebbdadf94b649367cf9022241a53

bebouwingscontour houtkap Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/b20db21c82d9448786378e9b5456e388/nld@2026‑03‑06;208a9e1d97394bbd9549100fd36ce00a

bebouwingscontour jacht Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/23d3829ec1814387b8186af6950bda31/nld@2026‑03‑06;4a8a9276fa7042cc876531415112d433

beperkingengebied van het leidingnetwerk Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/25ff9d2d08aa4729affbb5c8fde580ff/nld@2026‑03‑06;563e79ed4b5740c896b838e778652fa4

beschermingszone kleine windmolens, windturbines en zonneparken Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/c6d2a2326f4a41759415f11389a00850/nld@2026‑03‑06;8c81c7fb5f4e4a8e953ca09f8710644c

bodembeheergebied ’t Refter

/join/id/regdata/gm0160/2024/09ab90946edc49688a79a8d163acd5e8/nld@2025‑05‑06;9e1af1d485814011ba9c10e4755ad4c0

bodembeheergebied De Marke

/join/id/regdata/gm0160/2024/3a21886025b4402e8a5596ab380bcc4e/nld@2025‑05‑06;5625075d4dec4abfa7b75ea22b6a31ca

bodembeheergebied Kuilen IV

/join/id/regdata/gm0160/2024/1e5da7d3524d412bab94fe8e567b4e4e/nld@2025‑05‑06;0c4f7c9ef5c94966a8852730800da856

bodembeheergebied Rollepaal

/join/id/regdata/gm0160/2024/7a2d7beb47eb448c82e6cb9270a7c63d/nld@2025‑05‑06;463760c19fde4c08afe3951c93424cd9

bodembeheergebieden

/join/id/regdata/gm0160/2024/f790382514754020b0cb7c73680e07cb/nld@2025‑05‑06;3487c70c27f748daa0bbbfc439dec610

bouwvlak Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/6f4ad11f9b8441db9184907ec6c331fc/nld@2026‑03‑06;ab9540df7f2b474da6945637f41aa0e2

bouwvlak woongebied

/join/id/regdata/gm0160/2026/7b7187631763444e90c9db6594785f2c/nld@2026‑02‑06;756dd126e9054c4390422edda9f61177

brandvluchtgebied industrieterrein Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/ddf2bf59a2f44f7299fce7c0fa1b8493/nld@2026‑03‑06;a27a00301cac4d48abe295606551034e

brandvoorschriftengebied industrieterrein Rollepaal

/join/id/regdata/gm0160/2025/580aca7f9c86415c9bc86b0d64c2efad/nld@2026‑03‑06;bdc9fcd0bdb44946bc252ac2dcaaeb22

brandvoorschriftengebied industrieterrein Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/8cdcf48835364b1489ef6d394eaa3ef2/nld@2026‑03‑06;f459129fa60444a1ba34d49dea0bf99b

diepte van de bodemverstoring Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2025/7af3ee9703a64d39bd76c7b5e7cd8ec0/nld@2026‑02‑06;c39e963e7f5e4f1c8d546be62c15f892

diepte van de bodemverstoring Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/ce6f5ed994ea472285140481a0a36c86/nld@2026‑03‑06;1cca0dd15de44d148dfd63afd5a1fa58

gebieden met archeologische (verwachtings)waarde

/join/id/regdata/gm0160/2025/999ce4b4b03c4dda92a736c6c2ed69fa/nld@2026‑02‑06;75a1d64745f34feba0a5e22204152ecc

gebieden met archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/be7e19a207fa4fba95711c3b12280bca/nld@2026‑03‑06;8ef33be098eb4b54ac868cc2bb873614

grondwal Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/8feaa401042849ba9783d8425ca0247a/nld@2026‑03‑06;3d80cac4a033492aac28d0de449ede86

hoofdgroenstructuur

/join/id/regdata/gm0160/2026/41ecc685dcbe4eeba93930a90c3fb14c/nld@2026‑02‑06;0e810aad55c648d39ff7eca13758f7c2

hoofdgroenstructuur in stedelijk gebied Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/ef4247745c844e9d9a94b36783dbc197/nld@2026‑03‑06;726f59cc7cf245dd8d1496bb2811481a

hoofdroute (spoor)wegverkeer Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/50952f5e04014dc38f44ad39e3845bb5/nld@2026‑03‑06;5bd0fe2d779f46eba8a7e01a0b4aa57a

hoofdwaterstructuur Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/cbb412fdd3854fd2af5059a22d7fea30/nld@2026‑03‑06;6e80589a832b4797ae99bfe80f600e1c

hoogspanningsstation Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/3cbe4a7bfcef442a82a636c8060255cb/nld@2026‑03‑06;7b0041e728964eb297e0b9d2e9653873

industrieterrein Rollepaal

/join/id/regdata/gm0160/2025/4a16c2ae2ac44279850380d5f1870197/nld@2026‑03‑06;c1c016a5424d4508853bb6193809dcce

industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/9d3b1b115d1542bf9f57a5cf9e08ebba/nld@2026‑03‑06;09e64b225cca42c2bb0cbea8c35a2356

industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost, geluidaandachtsgebied

/join/id/regdata/gm0160/2025/c999d87d96e545feb3d05ed64c93057b/nld@2026‑03‑06;c2e8e24c0e0e4a20a05ea11b4a0a5993

industrieterrein Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/c3b1ff59c90d471ebbbcdd826bed01d7/nld@2026‑03‑06;2935e837d2b94a73b19bab0abe676563

industrieterrein Rollepaal Oost, deelgebied A

/join/id/regdata/gm0160/2025/fcd4f673978f48d8bd5ce44c0d4e436c/nld@2026‑03‑06;6b60c444c03d45ef997fa9b3cb5eae72

kantoor Rollepaal

/join/id/regdata/gm0160/2025/77d40c9942354794a57aeac088756559/nld@2026‑03‑06;143dddd7b11e4ea8b113c1ac2c229a76

Kavels Rollepaal

/join/id/regdata/gm0160/2025/02fcdcd7721e4196ad702d9b5859cca7/nld@2026‑03‑06;09d4381b5e7646b391d11281b5cd19b5

kavels Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/1c4730d757f54ce1bb09c40fb1de1514/nld@2026‑03‑06;91e8098e4f8a46d791a31f556bb2dbee

laagvliegroutes

/join/id/regdata/gm0160/2025/ae702c314bc14f7bbdb6a6ae7b11a36e/nld@2026‑02‑06;d316a727187b4509a819b1c9de629ade

leidingnetwerk Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/511c39ca7853409a98a4db81d283d749/nld@2026‑03‑06;8d0ec70b099b47a2b3f9f76a99610a13

maximaal aantal woningen Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2025/4d50a2de903e4068b9ee99edaac1812d/nld@2026‑02‑06;f659ce3487354a5dae6844ab9eca7fc9

maximale bebouwingshoogte Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/aa2fb1d5cb7b4643b80c225fc0dd52ff/nld@2026‑03‑06;63cef6fef2e94f55b23efdc20bc0bc5a

maximale bouwhoogte vlaggenmasten Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/5fa708d161474403a12fe0dc79f0a09f/nld@2026‑03‑06;e8caf6e8b1c148188368e095629a7288

maximale bouwhoogte woongebied Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2025/7e3664ce4bd54353844fcc25c110cf75/nld@2026‑02‑06;945753e71d374c8691e29f4642fc521a

maximale goothoogte woongebied Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2025/80a779b05a3540b7b42a1e0bc22748b4/nld@2026‑02‑06;3c616fea3d0d45448a51269dc31e494e

nieuwe deel van het omgevingsplan

/join/id/regdata/gm0160/2026/195b0c6197ca4cc9b8dbe3bcb10bf929/nld@2026‑02‑06;9ca82aac99b94ecea3612f1798f0eed0

ontsluiting

/join/id/regdata/gm0160/2025/56a114570ec0402fb280a76737a32ba6/nld@2026‑02‑06;acf4b90e1d7e4e5faa6008ec68bdb71f

oppervlakte van de bodemverstoring Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2025/68c976fb981d4c96a247de377122932e/nld@2026‑02‑06;254691f832cb4eb6ad9bc5ffd94890d4

oppervlakte van de bodemverstoring Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/b10420d8b2214a7aa10bb3639c75864b/nld@2026‑03‑06;b003846d65c04a108b5752abbfac2542

stedelijk gebied

/join/id/regdata/gm0160/2026/9566f10936c44c0a8434c08a1cedfae7/nld@2026‑02‑06;d43365e120434756bf83995f49e163ec

stedelijk gebied Rollepaal Oost

/join/id/regdata/gm0160/2025/5695c978bbf44b32a14a7f7c0aad2200/nld@2026‑03‑06;2de95cbf781443758d63320fe098add4

voorlopige regels

/join/id/regdata/gm0160/2025/537b1e8c7c704375b39637806fafbb75/nld@2026‑03‑06;fb9e257cc482429db8deff4a6c72a294

woongebied

/join/id/regdata/gm0160/2024/358cd72305eb4fe1b34d684fb5ad74fa/nld@2026‑02‑06;e1ca97864a4d4a13ac88fb44d101145b

woongebied Kraneplas

/join/id/regdata/gm0160/2026/50da7bd3bea5401c82656d991cd424f7/nld@2026‑02‑06;6301430cdc0e43a289d643d07c2cdccc

Bijlage III Geluidquotum Lden Industrieterrein Rollepaal

Geluidquotum Lden Industrieterrein Rollepaal
Geluidquota_Lden_Rollepaal.jpg

Bijlage IV Geluidquotum Lnight Industrieterrein Rollepaal

Geluidquotum Lnight Industrieterrein Rollepaal
Geluidquota_Lnight_Rollepaal.jpg

Bijlage V Geluidquotum Lden Industrieterrein Rollepaal Oost

Geluidquotum Lden Industrieterrein Rollepaal Oost
Geluidquota_Lden_Rollepaal_Oost.jpg

Bijlage VI Geluidquotum Lnight Industrieterrein Rollepaal Oost

Geluidquotum Lnight Industrieterrein Rollepaal Oost
Geluidquota_Lnight_Rollepaal_Oost.jpg

Bijlage III (LIJST TOEGESTANE KLEINSCHALIGE BEDRIJFSACTIVITEITEN)

1

  • a.

    Kantoren / dienstverlening (waaronder verzekeringsorganisaties, verhuur van onroerend goed, handelsbemiddeling, reisorganisaties en hondentrimsalons)

  • b.

    Computerservice- en informatietechnologiebureau’s

  • c.

    Uitgeverijen, drukkerijen en kopieerinrichtingen

  • d.

    Grafische afwerking, reproductiebedrijven opgenomen media, foto en filmontwikkeling

  • e.

    Studio’s (film, TV, radio, geluid)

  • f.

    Wetenschappelijk onderzoek en opleiding/onderwijs

  • g.

    Reparatie van kantoormachines en computers

  • h.

    Reparatie ten behoeve van particulieren (excl. motorvoertuigen, vaartuigen en caravans)

  • i.

    Ateliers

  • j.

    Meubelstoffering

  • k.

    Schoonheidssalons (waaronder pedicuren)

  • l.

    Hoveniersbedrijven

  • m.

    Personaltraining

  • n.

    Bed & breakfasts

  • o.

    Gastouderopvang (kinderopvang t/m 6 kinderen)

  • p.

    Internetwinkels

Toelichting

Algemene toelichting

1 Gemeentelijke sturingsfilosofie

De gemeente Hardenberg is in het Omgevingsplan Hardenberg uitgegaan van uitnodigingsplanologie: een omgevingsplan dat richting geeft aan initiatieven met vermindering van het aantal procedures en vergunningen. De gemeente Hardenberg bouwt daarbij flexibiliteit in: zoveel mogelijk globale regels en dereguleren waar dat mogelijk is. Het omgevingsplan biedt daarbij afwegingsruimte (meer beoordelingsruimte) bij de ontwikkeling van initiatieven. Het blijft echter een maatschappelijke taak om het belang van een goede omgevingskwaliteit te waarborgen. Uitnodigingsplanologie behoort ook te zorgen voor een veilige, gezonde en ook duurzame leefomgeving. Bovendien moet het omgevingsplan voldoende rechtszekerheid bieden zodat burgers en bedrijven op de gemeente Hardenberg kunnen bouwen. De gemeente Hardenberg weegt dus per situatie (thema of gebied) af of het stellen van regels noodzakelijk is (afhankelijk van de belangen die met de regels zijn gediend).

Sturingsfilosofie = met een goede balans tussen flexibiliteit en rechtszekerheid door maatwerk zorgdragen voor een goede omgevingskwaliteit

2 Gebiedsgerichte benadering

Er is sprake van een actueel tijdelijk omgevingsplan voor het buitengebied en alle kernen. Hierbij is de afgelopen jaren nadrukkelijk gekozen voor een gebiedsgerichte aanpak. Ten grondslag hieraan liggen de Landschap IdentiteitsKaarten (LIK’s) in het buitengebied. Hardenberg kiest waar mogelijk niet voor gedetailleerde regels op perceel niveau, maar voor een gebiedsvisie. In het buitengebied heeft de gemeente Hardenberg het dan over open landschappen (open heide- en veenontginningen), besloten landschappen (besloten heide- en veenontginningen), kwetsbare landschappen (essen- en hoevenlandschap en beekdalen) en landgoederen. De kernen worden gezien als het stedelijke gebied. De gebiedsgerichte benadering past bij de sturingsfilosofie voor het Omgevingsplan Hardenberg, omdat:

  • a.

    dit voor inwoners en bedrijven “gebruiksvriendelijk” is;

  • b.

    dit voor de gemeente “behapbaar” is;

  • c.

    dit aansluit bij de bestaande actuele plannen, die goed ingebed zijn en in de praktijk functioneren;

  • d.

    hiermee de ruimtelijke kwaliteit bij nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied, via de LIK’s gewaarborgd kan worden;

  • e.

    hiermee bestaande rechten kunnen worden beschermd;

  • f.

    hiermee ongewenste situaties gemakkelijk kunnen transformeren naar gewenste situaties.

Deze gebiedsgerichte benadering draagt bij aan het doel van het omgevingsplan om de fysieke kwaliteiten en waarden van de verschillende gebieden in de gemeente te bewaren en te versterken. Binnen deze gebiedsgerichte aanpak is het grondgebied van de gemeente ingedeeld in gebieden met elk hun eigen kenmerken, waarden en doelstellingen. Per gebied is bekeken welke regeling daarvoor het meest passend is. Dit leidt tot lokaal maatwerk en dat is precies het gedachtegoed van de Omgevingswet.

3 (Boom)structuur omgevingsplan

Het Omgevingsplan Hardenberg heeft op basis van de hier boven beschreven gebiedsindeling structuur gekregen; elk gebiedstype vormt als deelgebied van het ambtelijk grondgebied een apart hoofdstuk.

Per gebiedstype zijn vervolgens de daar logischerwijs voorkomende functies als afdelingen in het hoofdstuk opgenomen. Dit zodat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (zie artikel 4.2 van de Omgevingswet). Een functie is: een gebruiksdoel dat, of de status (in de betekenis van bijzondere eigenschap) die een onderdeel van de fysieke leefomgeving op een bepaalde locatie heeft. Het gaat dus om een (meer) continu gebruik (het ‘zijn’). Kenmerkend voor deze functies is dat deze locatiegebonden zijn en daarmee de gebiedsgerichte benadering nader inkleuren. Voor deze functie zijn in de eerste paragraaf algemene bepalingen opgenomen.

Vervolgens zijn per functie regels gesteld aan de activiteiten die passend zijn binnen die functie. Het gaat om activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving conform artikel 4.1 van de Omgevingswet. Een activiteit is: ieder menselijk handelen waarbij, of ieder menselijk nalaten waardoor een verandering of gevolg in de fysieke leefomgeving wordt of kan worden bewerkstelligd. Het gaat dus om een menselijke actie of nalaten daarvan met gevolgen voor de fysieke leefomgeving (het ‘doen’). Daarbij is een onderverdeling gemaakt in paragrafen met de volgende type activiteiten:

  • a.

    gebruiksactiviteiten;

  • b.

    bouwactiviteiten;

  • c.

    overige activiteiten (zoals aanlegactiviteiten).

PM FIGUUR

Per type activiteit is in subparagrafen bepaald hoe de activiteiten meer in detail zijn geregeld:

  • a.

    of ze rechtstreeks zijn toegestaan en welke algemene regels daarvoor gelden;

  • b.

    of ze meldingsplichtig zijn, onder welke algemene regels en welke indieningsvereisten daarvoor gelden;

  • c.

    of ze vergunningplichtig zijn, welke aanvraagvereisten daarvoor gelden en welke beoordelingsregels; en

  • d.

    of ze verboden zijn.

4 Overige hoofdstukken

Daarnaast is er een hoofdstuk (hoofdstuk 7) dat de algemeen voorkomende functies en andere gebiedsaanwijzingen, onafhankelijk van het gebiedstype regelt. Kenmerkend voor deze regels is dat deze veelal niet locatiegebonden zijn maar gemeentebreed gelden (met eventueel een differentiatie naar stedelijk gebied/buitengebied of openbaar gebied/niet openbaar gebied). Ook daar is dezelfde structuur gehanteerd in paragrafen en subparagrafen als in de gebiedstype-hoofdstukken. Ook is er een hoofdstuk (hoofdstuk 8) dat in zijn algemeenheid (en dus niet gebiedsgericht) regels stelt aan activiteiten voor het ambtelijk grondgebied. Daarna volgt een hoofdstuk waarin de algemene procesregels (hoofdstuk 9) zijn of worden opgenomen. Dit kan gaan om onderwerpen als: rangorde, normadressaat, algemene bevoegdheid stellen maatwerk- en vergunningvoorschriften, algemene indienings/aanvraagvereisten, gelijkwaardigheid, algemene weigeringsgronden of beoordelingsregels, ad-vies, kostenverhaal, voorbescherming, participatie, handhaving en monitoring. Vervolgens is er een hoofdstuk met overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 9) opgenomen. Alle hoofdstukken, afdelingen, paragrafen, artikelen, etc. zijn opgebouwd op basis van een uniforme redactie.

Van rechtswege maakt de bruidsschat als hoofdstuk 22 onderdeel uit van de opbouw van het omgevingsplan. Dit totdat de gemeente deze regels vervolgens naar eigen inzichten heeft laten vervallen of (eventueel aangepast) verplaatst naar andere hoofdstukken. De tussenliggende hoofdstukken staan daarom gereserveerd.

5 Systematiek

Het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg en de bestemmingsplannen voor de kernen vormden bij inwerkingtreding van de Omgevingswet het actuele tijdelijke omgevingsplan waarin met standaardisering van regels reeds sprake was van een eenduidige systematiek. Deze plannen hebben als grondlegger gediend voor de regeling van de toekomstige functies in het Omgevingsplan Hardenberg. Daarbij is uitgegaan van onderstaande ‘omkat’-tabel voor het consequent omzetten van de huidige bestemmingen in functies en bijbehorende activiteiten.

Was (bestemmingsplan): structuur bestemmingsplan (o.b.v. SVBP2012)

Wordt (omgevingsplan): structuur functie (o.b.v. pilot Balkbrug)

-

Oogmerk

Bestemmingsomschrijving

Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

Bouwregels

Vaste beoordelingsregels vergunningplichtige bouwactiviteiten

Nadere eisen

N.v.t.

Afwijken van de bouwregels

Beoordelingsregels met nadere beoordelingsruimte vergunningplichtige bouwactiviteiten

Specifieke gebruiksregels

Strijdig gebruik = aanwijzing verboden gebruiksactiviteiten

Overig: algemene regels toegestane gebruiksactiviteiten

Afwijken van de gebruiksregels

Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningplichtige gebruiksactiviteiten

Aanlegvergunningstelsel

Aanwijzing en beoordelingsregels vergunningverplichtige aanlegactiviteiten

Wijzigingsbevoegdheid

Delegatiebesluit

Voor de begrippen is zoveel als mogelijk aansluiting gezocht te worden bij de Stelselcatalogus Omgevingswet. Daarnaast worden er per domein begrippen beschreven.

6 Toepassing TPOD Omgevingsplan en Waardenlijst IMOW

Om tot een eenduidig consequent Omgevingsplan Hardenberg te komen, is bij de keuze van de toe te passen waardenlijsten de volgende volgorde aangehouden:

  • a.

    Gezien de gebiedsgerichte benadering van het Omgevingsplan Hardenberg is bij het opbouwen van de regels en het annoteren daarvan als eerste aansluiting gezocht bij de waardenlijst voor het Gebiedsaanwijzingtype Ruimtelijkgebruik. Deze waardenlijst bestaat namelijk uit verschillende gebiedstypen en is met name van toepassing op de hoofdstukstructuur op basis van deelgebieden in het Omgevingsplan Hardenberg.

  • b.

    Per deelgebied zijn vervolgens de daar logischerwijs voorkomende functies bepaald (continu gebruik: ‘zijn’). Daarvoor is een keuze gemaakt uit de verschillende Functiegroepen binnen de Gebiedsaanwijzigingtype Functie. Indien bepaalde regels niet passen binnen de Functiegroepen, dan is gebruik worden gemaakt van de overige Gebiedsaanwijzingtypen. De keuze welk type is maatwerk.

  • c.

    Per functie zijn regels gesteld aan de type activiteiten (gebruik, bouwen en overig) die passend zijn bij die functie. Daarvoor is een keuze gemaakt uit de Activiteitengroep. De type activiteiten betreffen de bovenliggende activiteiten in de functionele structuur waarvoor een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan worden ingediend (indien er een vergunningplicht geldt). Daarvoor is de volgende keuze gemaakt uit de Activiteitengroep van de waardenlijst IMOW:

    • 1.

      gebruiksactiviteit -> planologische gebruiksactiviteit

    • 2.

      bouwactiviteit -> bouwactiviteit ruimtelijk

    • 3.

      overige activiteiten -> verrichten-van-werken-en-werkzaamhedenactiviteit 

De onderliggende gebruiksactiviteiten zijn vervolgens geannoteerd met de Activiteitengroep van de waardenlijst IMOW die het meest overeenkomt met de functie waarbinnen de activiteit plaatsvindt en de bij die functie behorende locatie. Daarnaast is de activiteitregelkwalificatie van de betreffende subparagraaf van toepassing. Waar nodig in het kader van dienstverlening is deze annotatie bovendien aangevuld met een extra specifieke activiteit (met eventuele specifieke locatie). De annotatie van de onderliggende activiteiten vormt de functionele structuur voor de vragenbomen in de vergunningcheck.

PM FIGUUR

Ook is er een hoofdstuk (hoofdstuk 8) dat in zijn algemeenheid (en dus niet gebiedsgericht) regels stelt aan activiteiten. Daarvoor is ook een keuze gemaakt uit de Activiteitengroep.

Om de meest basale filters in het Omgevingsloket van het DSO te kunnen gebruiken en de functionele structuur te ontwikkelen voor toepasbare regels, is bij elke wijziging van het omgevingsplan voldaan aan een basisniveau van annoteren. Dat behelst in ieder geval het consequent en gestructureerd op artikelniveau annoteren van:

  • a.

    functies (en eventuele andere gebiedsaanwijzingen) met hun locatie;

  • b.

    activiteiten met activiteitregelkwalificatie (toegestaan, meldingsplicht, vergunningplicht, verbod, etc.) en de locatie.

Indien ook andere onderdelen – zoals bijvoorbeeld omgevingsnormen – zijn geannoteerd, is ook dit consequent en gestructureerd gedaan.

Artikelsgewijze toelichting

2 STEDELIJKE GEBIEDEN
2.1 Algemene bepalingen stedelijke gebieden

2.1 Doelstellingen

De doelstellingen onder 1.a t/m 1.k, en 1.o t/m 1.s zijn gebaseerd op de omgevingsvisie van de gemeente Hardenberg. De doelstellingen onder 1.l t/m 1.n zijn gebaseerd op de Bedrijventerreinenvisie gemeente Hardenberg (mei 2010).

2.2 Bedrijventerrein

2.3 Aanwijzing toegestane gebruiksactiviteiten

Lid 2: De geluidbelasting op een bestaande bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 60 Lden en 50 Lnight en op een nieuw te realiseren bedrijfswoning 55 Lden en 45 Lnight (maximale grenswaarde o.b.v. art. 5.78v en 5.78u van het Bkl).

Lid 3: Op bestaande bedrijventerreinen zijn zonnepanelen op de grond toegestaan. Dit omdat het constructief niet altijd mogelijk is op het dak zonnepanelen te realiseren en de gemeente de energietransitie wil stimuleren. Bij nieuwe bedrijventerrein kunnen bedrijven hier op voorhand op voorsorteren. Vanwege de werkvoorziening wil de gemeente Hardenberg hier geen gronden opofferen aan zonnepanelen en dus alleen op het dak toestaan (m.u.v. bestaande situaties).

2.5 Algemene regels toegestane bedrijfsactiviteiten

Voor de voorheen meldingsplichtige milieuactiviteiten zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit geldt over het algemeen op basis van de bruidsschat in hoofdstuk 22 een informatieplicht. Op basis van artikel 22.48 kan het college verzoeken om nadere gegevens die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan toereikend zijn. Voor de voorheen overige meldingsplichtige en vergunningplichtige milieuactiviteiten zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit geldt over het algemeen op basis van het Besluit activiteiten leefomgeving al een meldings- of vergunningplicht. Op grond van artikel 8.9 Besluit kwaliteit leefomgeving wordt bij de beoordeling van een dergelijke vergunningaanvraag rekening gehouden met het omgevingsplan voor wat betreft o.a. emissies. Ook kan het college op basis van artikel 2.20 Besluit activiteiten leefomgeving verzoeken om nadere gegevens die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan toereikend zijn.

Op basis van artikel 5.51 Besluit kwaliteit leefomgeving moeten in het omgevingsplan alleen eisen gesteld aan de luchtkwaliteit als het gaat om activiteiten binnen bepaalde aandachtsgebieden. De gemeente Hardenberg heeft dergelijke aandachtsgebieden niet. In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden verder al gericht regels gesteld aan milieubelastende activiteiten met het oog op de verontreiniging van lucht. De luchtkwaliteit is daarmee aanvaardbaar.

Onder a en b: Dit betreft een vervanging van milieucategorie 1 t/m 4 in gemengd gebied uit VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering op basis van de staalkaart van de VNG voor geluid en geur op bedrijventerreinen. Daarbij wordt ook voldaan aan artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

2.6 Algemene regels waterstoftankstation

Er geldt op basis van bijlage VII Bkl (zonder ondergrens) een PR-contour als waterstof wordt aangevoerd via buisleiding of ter plekke geproduceerd van 30 meter. Bij een vulpunt is deze 35 meter als de waterstof wordt aangevoerd met tanks. Het brandaandachtsgebied is 55 meter.

2.10 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)

Onder b: Dit is gebaseerd op artikel 5.39 en 5.40 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Onder c: Dit betreft de grenswaarde voor geluid op basis van artikel 5.66 Besluit kwaliteit leefomgeving.

Onder d: Op basis van artikel 5.92 Besluit kwaliteit leefomgeving moet de geur door een activiteit op een gevoelig gebouw aanvaardbaar zijn.

Onder e: Op basis van artikel 5.83 Besluit kwaliteit leefomgeving moet de trilling door een activiteit op een trillinggevoelige ruimte aanvaardbaar zijn. De grenswaarden zijn opgenomen in artikel 5.87 en 5.87a Besluit kwaliteit leefomgeving.

2.15 Beoordelingsregels afwijkmogelijkheden (nadere beoordelingsruimte)

Deze beoordelingsregels zijn gebaseerd op de bouwregels (inclusief binnenplanse afwijkmogelijkheden) van de voorheen geldende bestemmingsplannen. Er is meer flexibiliteit ingebouwd zodat ruimte ontstaat om meer bouwactiviteiten toe te staan. Dit op basis van de voormalige kruimelgevallenregeling en naar eigen inzichten kijkend naar vergunningaanvragen.

2.5 Industrieterrein

2.4 Normadressaat

Op grond van artikel 5.78f van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die borgen dat aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan. Dit betekent dat deze planregel(s) ervoor moeten zorgen dat de geluidbelasting door alle milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk de waarde van het gpp op het geluidreferentiepunt niet overschrijdt. Om deze regel handhaafbaar te maken, moet deze van toepassing zijn op een duidelijke normadressaat. Deze normadressaat zou voor de milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein worden uitgeoefend, idealiter de ‘drijver van de inrichting’ of ‘degene die de activiteiten binnen de inrichting uitoefent’ moeten zijn zoals we deze onder het oude recht kende. Met het in werking treden is het juridische begrip ‘inrichting’ echter komen te vervallen. Daarom wordt in dit omgevingsplan voor deze regel gebruik gemaakt van de definitie ‘degene die de milieubelastende activiteiten, die in onderlinge samenhang worden uitgeoefend, verricht’ gebruikt als definitie van de normadressaat.

2.6 Algemene regels

Op grond van artikel 5.78f van het Bkl moeten in het omgevingsplan regels worden opgenomen die borgen dat aan de geluidproductieplafonds wordt voldaan. Dit betekent dat deze planregel(s) ervoor moeten zorgen dat de geluidbelasting door alle milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk de waarde van het gpp op het geluidreferentiepunt niet overschrijdt. De regel is in lid 1 geformuleerd als voorrangsbepaling, om deze in de plaats te laten treden van de gebruiksregels die zijn opgenomen in de voormalige bestemmingsplannen die gezamenlijk het tijdelijke deel voor het industrieterrein Rollepaal oud vormen. Voor het industrieterrein Rollepaal nieuw wordt het omgevingsplan integraal gewijzigd en hoeft deze regel dus niet als voorrangsbepaling te worden geformuleerd. Op dit deelgebied is lid 2 van toepassing, waarvoor het werkingsgebied is beperkt tot het deel Rollepaal nieuw.

Naast de normadressaat moet het geluidproductieplafond worden uitgewerkt naar een geluidquotum dat binnen het geluidproductieplafond beschikbaar wordt gesteld voor het in werking zijn van de ‘inrichting’ zoals dit onder het oude recht wordt geduid. In deze wijziging van het omgevingsplan wordt hiervoor gebruik gemaakt van een geluidverkaveling. Het grondgebied van het industrieterrein Rollepaal is verdeeld in kleinere geografisch begrensde gebieden, waaraan een individueel geluidquotum is toegekend. Deze geluidquota zijn opgenomen in de omgevingsnorm ‘geluidgeluidverkaveling industrieterrein Rollepaal (dB(A))’. In bijlage x bij de regels wordt uitgelegd op welke manier de milieubelastende activiteiten van een bedrijf worden uitgedrukt in het aantal decibellen die per vierkante meter worden uitgestoten. Dit is namelijk niet beschreven in de rekenregels die zijn opgenomen in de bijlagen bij de Omgevingsregeling.

Toepassing voorrangsbepaling: Artikel 22.6 lid 1 Omgevingswet maakt het niet mogelijk om per locatie een deel van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan te laten vervallen. Dat betekent dat het niet mogelijk is een deel van de regels bij besluit uit de regeling te schrappen of in te trekken. Wel kunnen - in de vorm van zogenoemde voorrangsregels - als onderdeel van het nieuwe deel van het omgevingsplan regels worden gesteld waarmee (ook als het gaat om een specifieke locatie) in afwijking van de regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan, nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden geboden. Ook kunnen bouw- en gebruiksmogelijkheden die op grond van regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn toegestaan, aan nadere regels worden onderworpen of zelfs geheel verboden worden verklaard. Met dergelijke juridische oplossingen kunnen nieuwe of afwijkende bouw- en gebruiksmogelijkheden worden geboden of toegelaten bouw- en gebruiksmogelijkheden worden ingeperkt. De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan komen in deze constructie niet te vervallen en blijven ook raadpleegbaar. Dit volgt uit de tekst die is opgenomen in de MvT bij de Verzamelwet Omgevingswet 2023.

2.17 Gebruiksactiviteiten met informatieplicht

Dit artikel heeft als doel om de gemeente op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een industrieterrein. De gegevens zijn nodig voor het beoordelen of activiteiten op het industrieterrein voldoen aan de regels in het omgevingsplan. De verplichting om deze gegevens aan te leveren zijn in dit artikel opgenomen. Er is qua formulering grotendeels aangesloten op artikel 22.61a van dit omgevingsplan. Om onduidelijkheden te voorkomen is het verstandig om de locatie van artikel 22.61a aan te passen, zodat dit artikel in de bruidsschat niet meer van toepassing is op de locatie waar de oude zone op grond van de Wet geluidhinder is omgezet naar gpp’s zoal bedoeld in artikel 3.33 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

HOOFDSTUK 22 ACTIVITEITEN
AFDELING 22.1 ALGEMEEN

Artikel 22.1 Voorrangsbepaling

Eerste lid

In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege wordt ook wel de bruidsschat genoemd. Onder het tijdelijke deel van het omgevingsplan vallen bijvoorbeeld bestemmingsplannen met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet. In deze bestemmingsplannen is er afgeweken van bepalingen bij of krachtens de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer. Dat betekent dat de omgevingsplanregels uit die bestemmingsplannen op onderdelen in strijd zijn met de omgevingsplanregels van rijkswege. Ook kan in een bestemmingsplan toepassing zijn gegeven aan artikel 2, onder a, van de voormalige Interimwet stad-en-milieubenadering waarin is bepaald dat de gemeenteraad in een bestemmingsplan kan afwijken van een milieukwaliteitsnorm voor bodem, geluid en lucht. Omdat ook deze bestemmingsplannen samen met de omgevingsplanregels van rijkswege in het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden opgenomen moet er een voorrangsregel worden opgenomen.

Deze voorrangsregel geldt ook bij strijdigheid tussen de omgevingsplanregels van rijkswege en de:

  • voorwaarden aan het lozen van afvloeiend hemelwater of van grondwater op of in de bodem of in een riool in een gemeentelijke verordening op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer; en

  • de aanwijzing van concentratiegebieden en waardsen of afstanden voor geur bij het houden van landbouwhuisdieren in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Om die reden is in het eerste lid van dit artikel bepaald dat de regels van Afdeling 22.2, met uitzondering van SubParagraaf 22.2.7.3, en Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan niet van toepassing zijn voor zover die regels in strijd zijn met regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. De toets of er sprake is van «strijd» omvat ook een toets of wel of niet sprake is van regels met hetzelfde oogmerk. Als de regels een ander oogmerk hebben, doet «strijd» in de zin van de bepaling zich niet voor. Dit is vergelijkbaar met de wijze waarop bij de toepassing van artikel 121 van de Gemeentewet wordt getoetst of er sprake is van «strijd» met een hogere regeling. SubParagraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling uitgezonderd. Deze paragraaf regelt dat bepaalde bouw- en gebruiksactiviteiten van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan, ongeacht wat er in het omgevingsplan concreet is bepaald. Daarmee zijn deze activiteiten, voor zover die in strijd zouden zijn met het omgevingsplan, aangewezen als vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Als SubParagraaf 22.2.7.3 niet van de werking van het eerste lid van de voorrangsbepaling zou worden uitgezonderd, waardoor die paragraaf toch opzij gezet zou kunnen worden door andersluidende bepalingen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zou als gevolg daarvan de werking van die paragraaf worden ontkracht. Dat is onwenselijk.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit, die met toepassing van het recht zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is verleend. Het gaat hierbij om een vergunningplichtige milieubelastende activiteit die in hoofdstuk 3 van het Bal is aangewezen en waarbij deze vergunningvoorschriften bevat voor een onderwerp dat naar het omgevingsplan is verschoven. Op grond van het overgangsrecht van artikel 4.13, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijven deze vergunningvoorschriften gelden. De vergunningvoorschriften gelden naast het omgevingsplan. De strengste regel is dan bepalend. Ten tijde van de vergunningverlening zijn juist bewust strengere of soepeler voorschriften gesteld, afgestemd op de locatie. De regels in Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing, voor zover zo’n vergunningvoorschrift geldt. De uitdrukking «voor zover» betekent «in de mate dat». Dat houdt in dat alleen die voorschriften van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan buiten toepassing blijven waarvoor voorschriften in de omgevingsvergunning zijn gesteld. Als bijvoorbeeld de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit voor geluid alleen voorschriften met waarden bevat, dan blijft Artikel 22.63 van dit omgevingsplan met geluidwaarden voor geluidgevoelige gebouwen buiten toepassing. Maar Artikel 22.60 van dit omgevingsplan, dat bepaalt wanneer een akoestisch onderzoek gedaan moet worden, is wel van toepassing.

Deze voorrangsbepaling kan relevant zijn voor de volgende onderdelen van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan:

Paragraaf 22.3.2 Energiebesparing

Paragraaf 22.3.3 Zwerfafval

Paragraaf 22.3.4 Geluid

Paragraaf 22.3.5 Trillingen

Paragraaf 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Paragraaf 22.3.11 Uitwassen van beton

Paragraaf 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Paragraaf 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Dit omgevingsplan voorziet niet in een voorrangsbepaling voor bestaande vergunningvoorschriften of maatwerkvoorschriften op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer die op grond van het algemene overgangsrecht maatwerkvoorschriften zijn geworden en die afwijken van of een nadere invulling geven aan de omgevingsplanregels in dit omgevingsplan. Uit de wetssystematiek volgt al dat een maatwerkvoorschrift voorrang heeft op een algemene bepaling.

Artikel 22.2 Overgangsrecht: gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten

Bijlage I bij het Bbl bevat de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument». Deze begrippen gelden op grond van Artikel 1.1 lid 1, van dit omgevingsplan ook voor dit plan. Deze begrippen worden gebruikt in de Artikel 22.28 lid 1 en Artikel 22.28 lid 2, Artikel 22.38, Artikel 22.287, Artikel 22.288, Artikel 22.290 en Artikel 22.295.

De begripsomschrijvingen van bovengenoemde begrippen zijn toegesneden op de wijze waarop de bescherming van monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau via het toekennen van een beschermde status en daardoor het van toepassing worden van bepaalde regels onder het nieuwe recht van de Omgevingswet vorm krijgt. Dit gebeurt door aan het monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven en, als het gaat om een voorbeschermd monument of archeologisch monument, door het voor de locatie van het monument of archeologisch monument toevoegen van een voorbeschermingsregel aan dit omgevingsplan via een voorbereidingsbesluit vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven.

Daarmee zouden buiten de reikwijdte van bovengenoemde begrippen vallen monumenten en archeologische monumenten op gemeentelijk niveau die onder het voor de Omgevingswet geldende recht als gemeentelijk monument of archeologisch monument zijn aangewezen op grond van een gemeentelijke verordening of een voorbeschermde status hebben verkregen op grond van een zodanige verordening, en waaraan nog niet direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of waarvoor op dat moment in het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel is opgenomen. In de praktijk werden onder het voormalige recht onder de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» dergelijke monumenten en archeologische monumenten verstaan (hierna samen te noemen: gemeentelijke monumenten «oude stijl»).

Dit gevolg, dat niet is beoogd, kan zich voordoen tot het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip waarop gemeenten over een omgevingsplan moeten beschikken dat voldoet aan alle eisen van de Omgevingswet. Uiteraard moeten de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» gedurende deze overgangsfase wel adequaat worden beschermd. Dit is het geval zolang deze in dit omgevingsplan nog niet zijn voorzien van de functie-aanduiding gemeentelijk monument in het omgevingsplan of, voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten of archeologische monumenten, ter zake een voorbeschermingsregel in dit omgevingsplan is opgenomen. Daarbij wordt er voor zover het gaat om voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten op gewezen dat die onder de Omgevingswet niet per se eerst via een door een voorbereidingsbesluit toe te voegen voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan hoeven te worden omgezet naar een voorbeschermd gemeentelijk monument in de zin van de begripsomschrijving uit bijlage I bij het Bbl. Afhankelijk van het tijdsverloop van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening en van de procedure om tot vaststelling van een nieuw omgevingsplan te komen, kan er voor deze voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten ook voor worden gekozen om deze direct, dus zonder hiervoor eerst een voorbeschermingsregel aan het omgevingsplan toe te voegen, in het nieuwe deel van het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument te geven. Dit zal zich met name voordoen als de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening gedurende hetzelfde tijdvak gaande is als de procedure tot vaststelling van het omgevingsplan. In dat geval kan het zo zijn dat die procedure tot aanwijzing voldoende voorziet in de benodigde voorbescherming en hoeft die voorbescherming niet afzonderlijk met voorbeschermingsregels in het omgevingsplan te worden gecreëerd.

Voor zover het gaat om de continuering van de gelding van de gemeentelijke verordeningen zelf en een eventueel daarin opgenomen vergunningplicht wordt in de bescherming van de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» al voorzien door de artikelen 22.4 en 22.8 van de Omgevingswet, zoals die artikelen bij de Invoeringswet Omgevingswet worden toegevoegd. Maar voor een adequate bescherming van deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» is ook vereist dat de onderdelen van de Artikel 22.28, Artikel 22.38, Artikel 22.276, Artikel 22.277, Artikel 22.279 en Artikel 22.284 die betrekking hebben op gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten in overeenstemming met de daarvoor geldende begripsomschrijvingen, ook op deze gemeentelijke monumenten «oude stijl» van toepassing zijn. Artikel 22.2 van dit omgevingsplan voorziet hierin. Daarbij is het uiteraard zo dat als bij voorbeschermde monumenten en archeologische monumenten de uitkomst van de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening is dat wordt afgezien van de aanwijzing, op dat moment de voorbescherming vervalt en niet langer sprake is van een «monument of archeologisch monument waarop die verordening van overeenkomstige toepassing is» als bedoeld in Artikel 22.2 lid 1. Het van toepassing zijn van dit artikel op de hier bedoelde gemeentelijke monumenten «oude stijl» kan dus niet alleen worden beëindigd doordat gedurende de overgangsfase daaraan in het omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument wordt gegeven of ter zake in het omgevingsplan een voorbeschermingsregel wordt opgenomen (de situaties beschreven in Artikel 22.2 lid 2), waardoor de desbetreffende monumenten en archeologische monumenten rechtstreeks onder de begrippen gemeentelijk monument en voorbeschermd gemeentelijk monument komen te vallen, maar ook doordat de procedure tot aanwijzing op grond van de gemeentelijke verordening uiteindelijk niet tot een aanwijzing leidt.

Artikel 22.3 Overgangsrecht: rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten

Dit artikel bevat voor rijksbeschermde stads- en dorpgezichten vergelijkbaar overgangsrecht als Artikel 22.2 voor gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumenten. Bij onder het oud recht aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten doet zich in relatie tot de toepassing van de Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan de situatie voor dat deze bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet buiten de bescherming vallen die deze artikelonderdelen bieden aan rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Deze artikelonderdelen koppelen de bescherming namelijk aan de in het omgevingsplan aan een locatie gegeven functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht maar deze functie-aanduiding zal er op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet veelal niet zijn. Dit omdat de systematiek van bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten naar oud recht, anders dan onder de Omgevingswet, niet alleen via het bestemmingsplan en welstandseisen in de gemeentelijke welstandsnota verliep, maar ook via het rechtstreeks werkend sloopvergunningenstelsel in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onder de Omgevingswet is het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten een onderwerp dat als onderdeel van het omgevingsplan wordt geregeld. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat in bestemmingsplannen nog is uitgegaan van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing.

Voor de toepassing van de Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan, zou het ontbreken in het omgevingsplan van de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht met zich brengen dat – zolang in dit omgevingsplan aan een locatie waarvoor een op grond van het oude recht gegeven aanwijzing als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht geldt – die functie-aanduiding nog niet is gegeven, op die locatie zonder beperking op grond van de Artikel 22.27 en Artikel 22.36 van dit omgevingsplan, vergunningvrij mag worden gebouwd. Dit is uiteraard onwenselijk. Artikel 22.3 zorgt dat dit gevolg zich niet voordoet door te bepalen dat de Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing zijn op deze locaties tot aan het moment waarop daaraan in dit omgevingsplan wel de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven.

Hoewel de achtergrond van de Artikel 22.2 en Artikel 22.3 vergelijkbaar is, heeft Artikel 22.3 een iets andere opzet dan Artikel 22.2. Dit komt door het feit dat voor de begrippen «gemeentelijk monument» en «voorbeschermd gemeentelijk monument» in bijlage I bij het Bbl in begripsomschrijvingen is voorzien. Maar er is binnen het stelsel van de Omgevingswet geen begripsomschrijving voor «rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht». Om die reden is er in Artikel 22.3 voor gekozen om de Artikel 22.28 lid 3, en Artikel 22.38, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing te verklaren.

AFDELING 22.2 ACTIVITEITEN MET BETREKKING TOT BOUWWERKEN, OPEN ERVEN EN TERREINEN

§ 22.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.4 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel wordt de mogelijkheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften breed opengesteld voor alle artikelen in deze afdeling. Aangezien alle onderwerpen in deze afdeling van landelijke regelgeving zijn overgeheveld naar de gemeente is het onnodig om de maatwerkmogelijkheid te clausuleren. Voorheen bevatten verschillende artikelen van het Bouwbesluit 2012 een uitdrukkelijke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om anders te besluiten dan opgenomen in de in het betrokken artikel opgenomen eis. In deze afdeling wordt die mogelijkheid niet voor afzonderlijke artikelen opgenomen, aangezien maatwerk met dit artikel breed openstaat. Het bevoegd gezag kan dus altijd bepalen of in het concrete geval met een gemotiveerd maatwerkvoorschrift kan worden gewerkt. Een uitzondering op het niet meer specifiek benoemen van afwijkmogelijkheden in het artikel zelf is Artikel 22.12 over de aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater. De voorheen in het Bouwbesluit opgenomen mogelijkheid voor het bevoegd gezag om aanwijzingen te geven is voor de duidelijkheid van bevoegd gezag en de gebruiker wel in dit artikel overgenomen. Het is op basis van de brede bevoegdheid om maatwerk te stellen op grond van Artikel 22.4 echter ook mogelijk dat het maatwerkvoorschrift in een concreet geval anders moet komen te luiden.

§ 22.2.2 Verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden

Artikel 22.5 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil

In door het bevoegd gezag te bepalen situaties kan het nodig zijn dat, voorafgaande aan het bouwen, door of namens het bevoegd gezag rooilijnen, bebouwingsgrenzen of het meetniveau van het te bouwen bouwwerk op het bouwterrein worden vastgesteld en gemarkeerd (uitgezet). In dit artikel is geregeld dat vergunningplichtige bouwwerkzaamheden pas mogen beginnen als door of namens het bevoegd gezag de rooilijnen of bebouwingsgrenzen of het straatpeil zijn uitgezet. Het kan hierbij gaan om activiteiten die op grond van artikel 5.1, tweede lid onder a, van de Omgevingswet vergunningplichtig zijn (de technische bouwactiviteit) of activiteiten die op grond van dit omgevingsplan vergunningplichtig zijn.

Artikel 22.6

[Vervallen]

§ 22.2.3 Bouwen en in stand houden van bouwwerken

De regels in deze paragraaf gaan over bouwwerken. Zij hebben een relatie met de omgeving waarin dit bouwwerk zich bevindt. De regels over aansluitingen op de diverse distributienetten en waterafvoervoorzieningen en over voorzieningen in het kader van hulpverlening kunnen gezien deze relatie met de omgeving waarin het bouwwerk zich bevindt goed in het omgevingsplan geregeld worden. Als er bijvoorbeeld geen distributienet binnen een bepaalde afstand aanwezig is, kan een bouwwerk daar niet op worden aangesloten. Ook de invulling van de manier waarop in bluswater kan worden voorzien en waar een opstelplaats voor een brandweerwagen het beste kan worden gerealiseerd, is sterk afhankelijk van lokale omstandigheden om het bouwwerk heen. Vanwege deze relatie met de omgeving, het feit dat de inhoud van de regels verder strekt dan alleen het bouwwerk zelf en om geen gat te laten vallen in de verplichtingen zoals die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn deze regels voortaan opgenomen in dit omgevingsplan.

Opgemerkt wordt dat het afsluiten van gebouwen van het distributienet voor gas en aansluiten op een alternatieve warmtevoorziening één van de onderdelen is van de energietransitie in de gebouwde omgeving, en als zodanig is benoemd in het Klimaatakkoord gebouwde omgeving. Het Klimaatakkoord zal in de komende periode worden uitgewerkt, waarbij wordt bezien welke rol wet- en regelgeving kan spelen om te komen tot het afsluiten van gebouwen van het aardgas en het aansluiten op duurzame energiebronnen. Deze nieuwe regels zouden worden gesteld met als doel het fossielvrij maken van de energievoorziening in de gebouwde omgeving, en hebben daarmee dus een ander oogmerk dan de in dit omgevingsplan opgenomen aansluitplichten die met het oog op veiligheid en in gevallen gezondheid zijn gesteld. Regels over de aansluiting op aardgas met het oog op bescherming van het milieu en klimaat zullen in de toekomst mogelijk in het Bbl opgenomen gaan worden en waar nodig voorzien van gemeentelijke maatwerkmogelijkheden. Daarnaast zullen er in hetzelfde kader mogelijk regels gesteld gaan worden over de aansluiting van bestaande bouwwerken op warmtenetten, deze regels strekken verder dan de aansluitplicht voor nieuwe gebouwen zoals deze in Artikel 22.10 is opgenomen. Het is goed mogelijk dat gemeenten na aanpassing van deze algemene rijksregels, al dan niet met maatwerkmogelijkheden voor gemeenten, de regels in het omgevingsplan daar op moeten afstemmen of de geboden maatwerkmogelijkheden zullen gaan benutten. De regels in deze afdeling zullen dus naar verwachting de komende jaren ook lokaal ingezet kunnen gaan worden om de energietransitie op onderdelen te instrumenteren.

Artikel 22.7 Repressief welstand

Dit artikel heeft betrekking op het repressief welstandstoezicht en was voorheen opgenomen in artikel 12 van de Woningwet. Het uiterlijk van bestaande bouwwerken of te bouwen bouwwerken waar op grond van dit plan geen omgevingsvergunning voor nodig is, mogen niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold. Op grond van artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet geldt die welstandsnota als een beleidsregel als bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet. In het voormalige artikel 13a van de Woningwet was opgenomen dat bij een overtreding van artikel 12, eerste lid, het bevoegd gezag de eigenaar kon verplichten zodanige door het bevoegd gezag aan te geven voorzieningen te treffen, dat daarmee werd voldaan aan artikel 12 van die wet. In de systematiek van de Omgevingswet is dit een maatwerkvoorschrift. Op grond van Artikel 22.4 kan het bevoegd gezag zo’n maatwerkvoorschrift ook stellen voor het onderwerp welstand. Omdat de vraag of Artikel 22.7 overtreden is, beantwoord moet worden door de criteria van de welstandsnota te beoordelen, ligt het voor de hand dat het bevoegd gezag door middel van een maatwerkvoorschrift aan de eigenaar van een gebouw duidelijk maakt op welke punten aanpassing nodig is om de ernstige strijd met redelijke eisen van welstand op te heffen.

Als de gemeente geen welstandsnota heeft vastgesteld, gelden er voor de gehele gemeente geen welstandsregels waaraan het uiterlijk van bestaande bouwwerken moet voldoen. Optreden tegen welstandsexcessen is dan niet mogelijk. Op grond van het tweede lid is welstandstoezicht evenmin aan de orde voor door de gemeenteraad aangewezen bouwwerken in daarbij aangewezen (zogenoemde welstandsvrije) gebieden. Op grond artikel 12, tweede lid, van de Woningwet, kon de gemeenteraad die welstandsvrije bouwwerken en gebieden aanwijzen. Deze besluiten zijn in artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet, toegevoegd aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan waar zowel voor het repressieve welstandstoezicht (in Artikel 22.7 lid 2) als voor de beoordeling van een nieuw te bouwen vergunningplichtig bouwwerk aan redelijke eisen van welstand (in Artikel 22.9 lid 2, onderdeel a.), een uitzondering is gemaakt. Het repressieve welstandsvereiste is niet van toepassing op tijdelijke bouwwerken, met uitzondering van seizoensgebonden bouwwerken zoals strandtenten.

De vraag of het uiterlijk van nieuw te bouwen bouwwerken waarvoor wel een omgevingsvergunning op grond van het omgevingsplan nodig is aan daarop van toepassing zijnde welstandseisen voldoet, wordt tijdens het proces van vergunningverlening getoetst. Zie hiervoor Artikel 22.29.

Artikel 22.8 Aansluiting op distributienet voor elektriciteit

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de elektriciteitsvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor elektriciteit. Een aansluiting is voorgeschreven wanneer de aansluitafstand niet groter is dan 100 m. Bij een afstand van meer dan 100 m is de aansluiting voorgeschreven wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een afstand van 100 m. In gevallen dat de afstand groter is dan 100 m en de aansluitkosten hoger, kan worden gekozen voor een vrijwillige aansluiting op het distributienet of voor een individuele voorziening zoals bijvoorbeeld een generator. De wijze waarop de in dit artikellid genoemde afstanden moeten worden gemeten, vloeit voort uit de in dit omgevingsplan opgenomen begripsbepaling «aansluitafstand».

De aansluitplicht houdt alleen de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van elektriciteit mogelijk maken. Of elektriciteit daadwerkelijk wordt geleverd, is afhankelijk van een met het energiebedrijf te sluiten contract.

Overigens is een aansluiting op het distributienet niet verplicht wanneer op grond van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van elektriciteit is toegestaan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor elektriciteit geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Uiteraard staat het een initiatiefnemer wel vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Artikel 22.9 Aansluiting op distributienet voor gas

Dit artikel schrijft voor in welke gevallen de gasvoorziening van een bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor gas. De aansluitplicht geldt voor een aansluitafstand die niet groter is dan 40 m of wanneer de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Opgemerkt wordt dat het sinds de wijzigingen in de Gaswet van 1 juli 2018 en de daarop aansluitende wijziging van het Bouwbesluit 2012 in veel gevallen niet meer mogelijk is nieuw te bouwen gebouwen te voorzien van een gasaansluiting voor zogenoemde kleinverbruikers. In dit artikel is net zoals voorheen in het Bouwbesluit 2012 de relatie met artikel 10, zesde lid, onderdeel a of b, van de Gaswet gelegd om duidelijk te maken dat dit artikel van de Gaswet van invloed is op de vraag of er bij nieuwbouw wel een aansluiting op het gasnet gerealiseerd kan worden door de netbeheerder. Het artikel in de Gaswet gaat niet over bestaande aansluitingen die al gerealiseerd zijn. Daarnaast geldt de aansluitplicht in dit artikel alleen als de aansluitafstand 40 m of kleiner is, of als de aansluitkosten niet hoger liggen dan bij een aansluitafstand van 40 m.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor gas geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Deze bouwwerken hoeven dus al sinds enkele jaren niet meer aan te sluiten op het distributienet voor gas. Daarnaast is het sinds de bovengenoemde aanpassing van de Gaswet in 2018 in slechts enkele gevallen nog mogelijk is om nieuwe bouwwerken aan te sluiten op het distributienet voor gas. Het tweede lid van dit artikel bewerkstelligt dat er in drijvende bouwwerken en woning gebouwd in particulier opdrachtgeverschap nooit een aansluitplicht geldt.

Artikel 22.10 Aansluiting op distributienet voor warmte

Dit artikel stelt een eis voor nieuw te bouwen bouwwerken met een verblijfsgebied. Een dergelijk bouwwerk moet zijn aangesloten op het distributienet voor warmte als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of de aansluitkosten niet hoger zijn dan ze zouden zijn bij een aansluitafstand van 40 m. Die plicht is niet alleen afhankelijk van de aansluitafstand maar ook van de vraag of het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen op het distributienet op het moment van het indienen van de aanvraag om vergunning voor het bouwen nog niet is bereikt. Bij een distributienet voor warmte kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een netwerk voor stadsverwarming. Op grond van het tweede lid zal bij een beroep op een daaraan gelijkwaardige oplossing niet alleen rekening moeten worden gehouden met veiligheid maar ook met energiezuinigheid en milieu. Met het tweede lid wordt de toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel op de aansluiting op het distributienet ingekaderd. In dat tweede lid is aangegeven aan welke energiezuinigheids- en milieucriteria een andere oplossing dan een aansluiting op het warmtenet moet voldoen om in een voorkomend geval als gelijkwaardig aan die aansluiting te kunnen worden aangemerkt. Bij de beoordeling van die gelijkwaardigheid moeten de energiezuinigheids- en milieuprestaties van de aangedragen andere oplossing vergeleken worden met de prestaties bij aansluiting op het warmtenet. Referentiekader daarbij is de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu zoals deze in het warmteplan is opgenomen. De prestaties van het warmtenet moeten daarom voldoende concreet in het warmteplan, als onderdeel van het omgevingsplan, zijn opgenomen. Als, bijvoorbeeld, in het warmteplan alleen gegevens over de CO2-uitstoot van het warmtenet zijn opgenomen en niet over NOx-effecten, dan moeten de milieuprestaties van de te beoordelen andere oplossing alleen voor de CO2-uitstoot worden bepaald en mag NOx niet als factor in beschouwing worden genomen. Als een gemeente voor energiezuinigheid de wettelijk vastgestelde energieprestatiecoëfficiënt (EPC) wil realiseren, dan kan de gemeente in het warmteplan volstaan met de vermelding dat de wettelijke EPC wordt nagestreefd. Aanleg van nieuwe warmtenetten geschiedt veelal in gebieden met een grote bouwopgave (bijvoorbeeld een nieuwe woonwijk met meerdere duizenden woningen). De uitvoering van zo’n bouwopgave en – in samenhang daarmee – van de aanleg van het distributienet voor warmte geschiedt niet in één keer, maar gefaseerd. De uiteindelijke prestatie van het distributienet voor energiezuinigheid en bescherming van het milieu treedt pas op vanaf het moment dat het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen is bereikt. De beoordeling van de gelijkwaardigheid van een aangedragen andere oplossing moet daarom plaatsvinden op basis van die uiteindelijke energiezuinigheids- en milieuprestaties van het warmtenet, zoals die in het warmteplan zijn aangegeven. Zie verder ook de toelichting op de omschrijvingen van de begrippen distributienet voor warmte en warmteplan.

De in dit artikel opgenomen aansluitplicht op het distributienet voor warmte geldt niet voor het bouwen van drijvende bouwwerken of voor woonfuncties die gebouwd worden in particulier opdrachtgeverschap. Dit sluit aan bij de gelijkluidende uitzonderingen uit het Bouwbesluit 2012. Wanneer er een lokale aansluitplicht gold als bedoeld in het vierde lid van dit artikel, blijft deze aansluitplicht wel van kracht.

Uiteraard staat het een initiatiefnemer daarnaast ook vrij om vrijwillig op het distributienet aan te sluiten.

Het overgangsrecht uit artikel 9.2, tiende lid, van het Bouwbesluit 2012 dat behoort bij artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 is inhoudelijk ongewijzigd opgenomen in het vierde lid van dit artikel. Dit lid zet de bestaande overgangsbepaling voort, voor die gebieden waar voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel 6.10, derde lid, van het Bouwbesluit 2012 op basis van de gemeentelijke bouwverordening en eventuele daarop gebaseerde nadere afspraken een aansluitplicht op een distributienet voor warmte (stadsverwarming) gold. In die gebieden blijft die aansluitplicht ook met inwerkingtreding van dit omgevingsplan bestaan. Als er na de inwerkingtreding van dit omgevingsplan in een dergelijk gebied wordt bijgebouwd dan geldt de aansluitplicht ook voor deze nieuwe gebouwen. Met dit overgangsrecht wordt rekening gehouden met de bijzondere eigenschappen van een warmtenet. Alleen wanneer in een bepaald gebied de aansluitplicht op een warmtenet over een langere periode is gewaarborgd, is een dergelijk systeem uit het oogpunt van energiezuinigheid en milieu haalbaar. Met gebied wordt bedoeld het gebied waarvoor een gemeente daadwerkelijk een concessie voor de aanleg en exploitatie van een warmtenet aan een netbeheerder heeft gegund. Dit kan ook de hele gemeente zijn. Artikel 22.10 lid 1, is, als het overgangsrecht nog geldt, dus niet van toepassing. Genoemd eerste lid is wel van toepassing op nieuwe bouwwerken in gebieden waar op het moment van inwerkingtreding van dit omgevingsplan nog geen stadsverwarming is aangelegd en ook geen concessie volgens bovenstaande is verleend.

Artikel 22.11 Aansluiting op distributienet voor drinkwater

Dit artikel regelt in welke gevallen de drinkwatervoorziening moet zijn aangesloten op het openbare distributienet voor drinkwater. De wijze waarop de in dit artikel bedoelde afstanden moeten worden gemeten volgt uit de begripsbepaling van aansluitafstand opgenomen in dit omgevingsplan. Overigens houdt de aansluitplicht niet in dat het drinkwaterbedrijf tot de levering van drinkwater verplicht is of dat de aangeslotene tot het afnemen van drinkwater verplicht is. De aansluitplicht houdt slechts de plicht in tot het aanbrengen van de technische voorzieningen die het betrekken van drinkwater mogelijk maken. Of drinkwater wordt geleverd, is afhankelijk van een met het drinkwaterbedrijf te sluiten contract. Een aansluiting op het distributienet is niet verplicht wanneer door toepassing van het gelijkwaardigheidsbeginsel een alternatieve voorziening voor het betrekken van drinkwater is toegestaan.

Artikel 22.12 Aansluiting van afvoer huishoudelijk afvalwater en hemelwater

In het eerste en tweede lid zijn technische eisen over de aansluiting van de gebouwriolering op de buitenriolering opgenomen. Het derde lid bevat technische eisen aan de uitvoering van een eventueel aanwezige buitenriolering. De eerste drie leden gelden ongeacht de vraag of het bouwwerk aangesloten is op een openbare voorziening voor het beheer van afvalwater. Het vierde lid is alleen van toepassing als er een openbare voorziening voor de afvoer van afvalwater (huishoudelijk afvalwater of hemelwater) aanwezig is waarop kan worden aangesloten. Onderdeel a heeft betrekking op het geval dat er voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is. Onderdeel b heeft betrekking op het geval dat er een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is. In die gevallen bepaalt het bevoegd gezag op welke plaats, op welke hoogte en met welke middellijn de voor de aansluiting van de afvoervoorziening noodzakelijke aansluiting bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd. Op grond van onderdeel c kan het bevoegd gezag voorzieningen eisen om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen. Dit kan met een maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.4. Voor de duidelijkheid is de formulering die voorheen in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen over deze aanwijzing overgenomen in dit artikel, omdat een maatwerkvoorschrift over dit onderwerp naar verwachting in de meeste gevallen deze inhoud zal krijgen. Het is echter op grond van Artikel 22.4 ook mogelijk dat er in gevallen door het bevoegd gezag op een andere manier invulling zal worden gegeven aan het maatwerk.

In paragraaf 2.4.1 van de Omgevingswet zijn de overheidszorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater beschreven. Onder stedelijk afvalwater wordt verstaan huishoudelijk afvalwater of een mengsel daarvan met bedrijfsafvalwater, afvloeiend hemelwater, grondwater of ander afvalwater. De regels over het lozen van huishoudelijk afvalwater, afstromend hemelwater en overtollig grondwater in de openbare riolering staan elders in dit omgevingsplan (en eventueel in het deel van dit omgevingsplan dat is voortgekomen uit de voormalige verordening over afvoer van hemel- en grondwater op grond van artikel 10.32a van de Wet milieubeheer). In dit artikel zijn vervolgens de bouw- en installatietechnische eisen opgenomen die gelden voor de afvoer vanuit of vanaf bouwwerken die aangesloten worden op de perceelaansluiting en in het verlengde daarvan op de openbare voorzieningen voor het beheer van afvalwater.

Die overheidszorgplicht voor afvalwater is zowel bij huishoudelijk afvalwater als bij hemelwater niet absoluut. Wanneer de aanleg van voorzieningen voor huishoudelijk afvalwater in het buitengebied niet doelmatig is, moeten burgers en bedrijven zelf in de afvoer of zuivering van huishoudelijk afvalwater voorzien.

De zorgplicht voor hemelwater gaat ervan uit dat gemeenten ook in stedelijk gebied niet hoeven in te zamelen als burgers en bedrijven zelf in afvoer van hemelwater kunnen voorzien.

Waar wel wordt ingezameld, kan de gemeente bij de invulling van haar zorgplicht kiezen tussen de gemengde of afzonderlijke inzameling.

Artikel 22.13 Bluswatervoorziening

Op grond van het eerste lid moeten gebouwen en andere bouwwerken een toereikende bluswatervoorziening hebben. Doel van dit voorschrift is te waarborgen dat voor de brandweer een adequate openbare of niet-openbare bluswatervoorziening in of bij een bouwwerk beschikbaar is. Wanneer geen toereikende openbare bluswatervoorziening aanwezig is, moet worden zorg gedragen voor een toereikende niet-openbare bluswatervoorziening. Voorbeelden van bluswatervoorzieningen zijn een brandkraan of andere aansluiting op het drinkwater- of ander leidingnet voor bluswater, een watervoorraad, zoals een reservoir, een bassin, een blusvijver, een waterput of een bron (grondwater) of oppervlaktewater zoals een meer, de zee, een sloot, of een kanaal. Een bluswatervoorziening moet bereikbaar en betrouwbaar zijn, dus ook bij droogte of vorst. Daarom is in het artikel opgenomen dat een bluswatervoorziening niet nodig is als dit naar oordeel van het bevoegd gezag gezien de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk niet nodig is.

Het tweede lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een bluswatervoorziening en een ingang van een bouwwerk (gebouw of bouwwerk geen gebouw zijnde). Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld.

De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. Wanneer in de straat of de weg een fysieke scheiding aanwezig is, zoals een gracht of beschermde trambaan, dan moet rekening worden gehouden met de omweg die daar het gevolg van is.

Het derde lid regelt dat de bluswatervoorziening altijd direct bereikbaar moet zijn. Zo kan het bijvoorbeeld noodzakelijk zijn om maatregelen te treffen om te voorkomen dat een bluswatervoorziening wordt geblokkeerd door geparkeerde auto’s of andere objecten.

Artikel 22.14 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten

Dit artikel bevat regels bestemd voor de bereikbaarheid van gebouwen en bouwwerken die geen gebouw zijn waarin personen kunnen verblijven, voor brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Op grond van het eerste lid moet tussen de openbare weg en de toegang van een bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg aanwezig zijn die geschikt is voor het te verwachten verkeer, zoals brandweervoertuigen en voertuigen van andere hulpverleningsdiensten. Niet elk gebouw of elk bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven hoeft over zo’n verbindingsweg te beschikken. Zo’n weg is niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de toegang tot het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt of wanneer het bevoegd gezag van oordeel is dat de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk de aanwezigheid van die voorziening niet nodig maakt.

In het derde lid is aangegeven aan welke eisen een verbindingsweg als bedoeld in het eerste lid moet voldoen. De voorgeschreven minimumbreedte van de verbindingsweg en het voorgeschreven minimum draagvermogen van die weg zijn afgestemd op het gebruik door gangbare voertuigen zonder dat deze elkaar hoeven te kunnen passeren. Aan de in het derde lid gestelde eisen hoeft niet te worden voldaan wanneer in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening een afwijkende regel is opgenomen.

In het vierde lid is bepaald dat op een voorgeschreven verbindingsweg (de in het eerste lid bedoelde weg) geen obstakels aanwezig mogen zijn die de voor de doorgang van brandweervoertuigen benodigde vrije hoogte en breedte blokkeren. Zo mag die weg niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken.

Het vijfde lid bepaalt dat een verbindingsweg niet zodanig mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten onnodig hindert.

Artikel 22.15 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen

Dit artikel heeft betrekking op opstelplaatsen voor brandweervoertuigen bij bouwwerken die voor het verblijf van personen zijn bestemd. Op grond van het eerste lid moeten bij een gebouw en bij een bouwwerk geen gebouw zijnde waarin personen kunnen verblijven opstelplaatsen voor brandweervoertuigen aanwezig zijn, zodat die voertuigen op doeltreffende wijze kunnen worden aangesloten op de bluswatervoorziening. Die opstelplaatsen moeten in voldoende aantal aanwezig zijn, al naar gelang de grootte van het bouwwerk. Zulke opstelplaatsen zijn niet vereist in de in het tweede lid aangegeven gevallen, zoals bij een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2 of als de aard, de ligging of het gebruik van het gebouw respectievelijk het bouwwerk dat naar het oordeel van het bevoegd gezag niet vereist. Het derde lid regelt de maximaal toegestane afstand tussen een opstelplaats en een ingang van het gebouw/bouwwerk. Als het bouwwerk op grond van het Bbl over een brandweeringang moet beschikken, wordt de maximale afstand tussen de bluswatervoorziening en die specifieke ingang geregeld. De afstand mag niet meer dan 40 m bedragen. In het vierde lid is bepaald dat een opstelplaats over de voorgeschreven hoogte en breedte moet worden vrijgehouden voor brandweervoertuigen. Zo mag een opstelplaats niet worden geblokkeerd door geparkeerde auto’s of overhangende takken. Het vijfde lid bepaalt dat een opstelplaats niet zodanig door hekwerken mag zijn afgesloten dat dit de brandweer of andere hulpdiensten (onnodig) hindert. Een eventueel ontsluitingssysteem moet in overleg met het bevoegd gezag worden gekozen.

§ 22.2.4 Gebruik van bouwwerken

De regels in het Bbl beperken zich voor zover het gaat om het gebruik van bouwwerken tot brandveilig gebruik en enkele kleine en afgebakende aspecten van gezondheid (concentraties asbest en formaldehyde) en energiebesparing. Die onderwerpen zijn daarin uitputtend geregeld, zodat de gemeente daarover in het omgevingsplan geen regels kan stellen. Overige aspecten van gebruik kunnen wel in het omgevingsplan worden geregeld. De artikelen over overbewoning en gebruik van een bouwwerk in de buurt van een bouwvallig pand die voorheen in het Bouwbesluit 2012 waren opgenomen, zijn voorbeelden van zulke andere aspecten van gebruik die voortaan in dit omgevingsplan kunnen worden geregeld.

Artikel 22.16 Overbewoning woonruimte

Dit artikel is bedoeld om te voorkomen dat de gezondheid van de bewoners door overbewoning in het geding komt. Dit voorschrift is nadrukkelijk niet bedoeld als normstelling in het kader van de verdeling van woonruimte. Op basis van dit voorschrift kan het bevoegd gezag alleen optreden in het uitzonderlijke geval dat er zoveel mensen in een woning of woonwagen wonen dat dit problemen voor de gezondheid kan opleveren.

Voor de normering in het eerste lid is aangesloten bij wat hierover in het Bouwbesluit 2012 was opgenomen. Voor dat besluit werd het onderwerp lokaal in de bouwverordening geregeld en werden verschillende afmetingen gehanteerd. Door opname van dit onderdeel in de omgevingsplanregels van rijkswege kunnen gemeenten bezien of lokaal een eis op het vlak van overbewoning nodig is en zo ja, met welke maatvoering.

Uit het tweede lid blijkt dat de eis over overbewoning niet van toepassing is op een woonfunctie waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden. Zo’n opvang moet voldoen aan de normen zoals vastgelegd in de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie van 27 januari 2003 tot vaststelling van minimumnormen voor de opvang van asielzoekers in de lidstaten (2003/9/EG).

Artikel 22.17 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een bouwwerk als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet, kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit 2012. Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op gebruik van bouwwerken waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan en het Bbl. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer het gebruik van een bouwwerk leidt tot hinder, overlast, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s anders dan de brandveiligheidsrisico’s die al in het Bbl zijn geregeld.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een bouwwerk gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Het eerste lid regardeert dus enerzijds degene die (als eigenaar, beheerder, verhuurder of anders) het gebouw laat gebruiken door een ander, evenals degene die (zelf) gebruik maakt van een bouwwerk. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheids- en gezondheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen onderbouwen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit zorgplichtartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van geluidhinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • als op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het tweede lid, onderdeel c, is beoogd dat een bouwwerk in een dusdanig nette staat is dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer in een woning overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Het derde lid geeft aan dat dit artikel niet gaat over gebruik van bouwwerken dat al geregeld is in afdeling 6.2 van het Bbl (zie ook hierboven). Die regels zijn namelijk uitputtend en er bestaat geen ruimte dat gebruik daarnaast onderwerp van dit omgevingsplan te laten zijn.

§ 22.2.5 In stand houden en gebruiken van open erven en terreinen

Artikel 22.19 Aanwezigheid brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken

Dit artikel heeft betrekking op de aanwezigheid van relatief beperkte hoeveelheden brandgevaarlijke stoffen nabij bouwwerken, de zogenoemde huishoudelijke opslag. De regels over opslag van brandgevaarlijke stoffen waren voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012 (voor opslag in, op of nabij een bouwwerk) en het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (voor opslag in, op of nabij een bouwsel). De inwerkingtreding van de Omgevingswet brengt geen verandering in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwsel, wel in de regeling van de opslag in, op of nabij een bouwwerk. De opslag in of op een bouwwerk is voortaan geregeld in het Bbl. Dat besluit bevat geen regels over de opslag nabij een bouwwerk omdat het geen regels bevat over zaken buiten een bouwwerk. Om te voorkomen dat er op dit punt een hiaat in de regelgeving ontstaat, wordt de opslag van brandgevaarlijke stoffen nabij een bouwwerk voortaan geregeld in dit omgevingsplan.

Onder brandgevaarlijke stoffen wordt in dit verband verstaan: vaste stoffen, vloeistoffen en gassen die brandbaar of brandbevorderend zijn of bij brand gevaar opleveren. Voor zover die stoffen aanwezig zijn in of op een bouwwerk is die aanwezigheid voortaan landelijk geregeld met de specifieke zorgplicht voor het brandveilig gebruik van bouwwerken (artikel 6.4 van het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken). Het stellen van regels over bedrijfsmatige opslag van stoffen die zowel brand- als milieugevaarlijk zijn, geschiedt in het Bal en in omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten. Dit artikel beperkt zich tot huishoudelijke opslag, dat wil zeggen kleinere hoeveelheden die – rekening houdend met de gevaarsaspecten van die stoffen – voor de goede bedrijfsvoering als werkvoorraad mogen worden beschouwd. Dit is in dit artikel uitgewerkt in een verbod op het aanwezig hebben van brandgevaarlijke stoffen in combinatie met expliciete uitzonderingen op dat verbod. In de bij dit artikel opgenomen tabel 22.2.1 is per soort stof en verpakkingsgroep aangegeven welke hoeveelheid van een brandgevaarlijke stof is toegestaan.

In de eerste kolom van de tabel zijn die stoffen geordend in overeenstemming met de deelverzameling «stoffen die zowel milieu- als brandgevaarlijk zijn» van de ADR (Europese overeenkomst van 30 september 1957 betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg; Trb. 1959, 171). Conform de ADR-terminologie wordt daarbij de netto massa in kilo’s gehanteerd als eenheid voor het vaststellen van hoeveelheden vaste stoffen, vloeibaar gemaakte gassen en onder druk opgeloste gassen en wordt de nominale inhoud in liters als eenheid gehanteerd wanneer het gaat om vloeistoffen en samengeperste gassen.

In het eerste lid is het verbod op het aanwezig hebben van een brandgevaarlijke stof opgenomen. Of iets een brandgevaarlijke stof is, is te lezen in tabel 22.2.1. Uit deze tabel blijkt dat ook medicinale zuurstof een gas is dat onder het voorschrift van dit artikel valt.

Op grond van het tweede lid is het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing wanneer de toegestane maximum hoeveelheid van een bepaalde stof niet wordt overschreden (onderdeel a), de stof deugdelijk is verpakt (onderdeel b) en die stof met inachtneming van de op de verpakking aangegeven gevaarsaanduidingen wordt gebruikt (onderdeel c). Hierbij geldt dat de totale hoeveelheid stoffen niet meer mag zijn dan 100 kilogram of liter. De stof moet zodanig verpakt zijn dat de verpakking tegen een normale behandeling bestand is (wat bij de originele verpakking in de regel al het geval zal zijn) en van de inhoud niets onvoorzien uit de verpakking kan ontsnappen (wat bij deugdelijke sluiting van een geopende originele verpakking in de regel het geval zal zijn). Bij gebruik in overeenstemming met de gevaarsaanduiding moeten de zogenoemde R- en S-zinnen in acht worden genomen. Die zinnen, die in de regel op de originele verpakking zijn aangegeven, geven de producteigenschappen aan (R = risc: bijvoorbeeld «ontvlambaar») en bevatten gebruiksinstructies (S = safety: bijvoorbeeld «niet roken tijdens het gebruik»).

In het derde lid wordt een aantal zelfstandig te lezen afwijkingen van het eerste lid gegeven. Bij de bepaling van de totale hoeveelheid toegestane stoffen hoeft geen rekening te worden gehouden met de in het derde lid opgenomen stoffen. Er hoeft bijvoorbeeld geen rekening te worden gehouden met de in een auto of scooter aanwezige motorbrandstoffen (onder a) of met voor consumptie bestemde alcoholhoudende dranken (onder c).

Onderdeel f van het derde lid bepaalt dat het eerste lid niet van toepassing is op brandgevaarlijke stoffen voor zover de aanwezigheid daarvan bij of krachtens de Omgevingswet is toegestaan. Hiermee wordt zeker gesteld dat voor die stoffen alleen eventuele algemene regels en een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit gelden en zodoende strijdige voorschriften worden uitgesloten.

Op grond van het vierde lid moet de inhoudsmaat van een aangebroken verpakking volledig worden meegerekend. Als bijvoorbeeld in een vat nog vier liter zit van de oorspronkelijke tien liter dan moet gerekend worden met tien liter.

Enkele rekenvoorbeelden op basis van dit artikel. Ongeacht de aanwezigheid van andere stoffen mogen altijd gasflessen met een maximum inhoud van in totaal 115 liter en maximaal 1.000 liter diesel-, gas- of lichte stookolie (vlampunt tussen 61°C en 100°C) aanwezig zijn. Bij de overige stoffen gaat het niet alleen om een maximum hoeveelheid voor stoffen per ADR-klasse (bijvoorbeeld: geen grotere hoeveelheid van stoffen van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep II dan totaal 25 liter) maar mag ook de hoeveelheid van stoffen uit alle genoemde ADR-klassen samen niet meer dan 100 kilogram of liter bedragen. Wanneer bijvoorbeeld in een bouwwerk 50 liter vloeistof van ADR-klasse 3 uit verpakkingsgroep III en 50 kilogram stoffen van ADR-klasse 5.1 aanwezig zijn, is die grens van de toegestane maximum hoeveelheid van 100 kilogram of liter bereikt. In dat geval mogen daarnaast nog wel de eerdergenoemde gasflessen en oliesoorten tot maximaal de daarvoor aangegeven maximum hoeveelheid aanwezig zijn maar geen van de overige in de tabel aangegeven stoffen.

In het vijfde lid is geregeld dat in afwijking van het derde lid, onder e, meer dan 1.000 liter van een in dat artikelonderdeel bedoelde oliesoort aanwezig mag zijn als de wijze van opslag en gebruik daarvan zodanig is dat het ontstaan van een brandgevaarlijke situatie en de ontwikkeling van brand naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende worden voorkomen. Op grond daarvan kan het bevoegd gezag dus instemmen met de aanwezigheid van een grotere hoeveelheid. De reikwijdte van die bevoegdheid is beperkt tot gevallen die buiten de werkingssfeer van de het Bal of een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit vallen.

Artikel 22.20 Specifieke zorgplicht staat en gebruik open erven en terreinen

In dit artikel zijn onderdelen terug te vinden die voorheen waren opgenomen in artikel 1a, tweede lid, van de Woningwet, en de artikelen 7.21 en 7.22 van het Bouwbesluit.

Deze zorgplicht («kapstokartikel») heeft betrekking op de staat en het gebruik van open erven en terreinen waarin niet is voorzien door de andere voorschriften van dit omgevingsplan. Hiermee heeft het bevoegd gezag een «kapstok» om in een specifiek geval in te grijpen wanneer de staat of het gebruik van een open erf of terrein leidt tot hinder, gezondheidsrisico’s en veiligheidsrisico’s. Ook als de staat of het gebruik op zich voldoet aan de voorschriften van dit omgevingsplan kan er reden zijn voor een beroep op dit artikel.

De zorgplicht opgenomen in het eerste lid geldt voor eenieder die een open erf of terrein gebruikt. De term gebruiken moet ruim worden uitgelegd en omvat zowel het zelf gebruiken als het door een ander laten gebruiken. Al deze personen zijn gehouden het noodzakelijke te doen, voor zover dat in hun vermogen ligt, om het ontstaan of voortduren van gevaar voor de gezondheid of veiligheid te voorkomen of te beëindigen. Dit vereist adequaat en tijdig optreden waarbij zowel (tijdelijke) beheersmaatregelen als (permanente) eindmaatregelen noodzakelijk kunnen zijn, afhankelijk van de aard en omvang van een bepaald gevaar.

De zorgplicht is steeds van toepassing, ook in het kader van vergund of op een andere manier toegestaan handelen, al zal in de regel het naleven van de reguliere veiligheidsbepalingen ertoe leiden dat geen gevaar voor de gezondheid of de veiligheid ontstaat of voortduurt.

De geëiste maatregelen op grond van dit artikel moeten altijd in verhouding staan tot het te bestrijden risico. De gemeente zal de noodzaak hiervan in het concrete geval moeten kunnen aantonen.

Enkele voorbeelden van situaties waarin een beroep op dit kapstokartikel gerechtvaardigd kan zijn:

  • als sprake is van lawaaihinder;

  • als sprake is van ernstige rookhinder door het stoken van hout of andere stoffen;

  • als stankverwekkende stoffen zijn opgeslagen;

  • als sprake is van een illegale hennepkwekerij;

  • op gevaarlijke wijze materiaal is gestapeld (bijvoorbeeld voor kinderen bereikbare vaten die kunnen gaan rollen);

  • als asbestbevattende materialen of restanten hiervan zich in een zodanige staat bevinden dat het risico van verspreiding van asbestvezels te vrezen valt. Het Asbestverwijderingsbesluit 2005 ziet op de situatie van sloop en is niet toepasbaar op de situatie van verweren of slijtage.

Met het derde lid onderdeel c is beoogd dat een open erf of terrein in een dusdanig nette staat verkeert dat daardoor geen hinder voor personen ontstaat en dat er geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid ontstaat. Op grond van dit artikel kan bijvoorbeeld worden opgetreden wanneer op een erf overmatig veel last is van schadelijk of hinderlijk gedierte of wanneer de algemene reinheid (gezondheid) dat betaamt. Een open erf en terrein behoort geen gevaar voor de veiligheid of gezondheid op te leveren door drassigheid, stank, verontreiniging, (on)gedierte, begroeiing of voorwerpen. Het moet gaan om ernstige gevallen.

Artikel 22.21 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk

Dit artikel heeft betrekking op het staken van het gebruik van een open erf of terrein als dat gebruik gevaarlijk is in verband met de bouwvalligheid van een nabij gelegen bouwwerk. Voordat sprake kan zijn van een overtreding waartegen het handhavend kan worden opgetreden is het nodig dat het bevoegd gezag eerst een mededeling heeft gedaan dat het gebruik vanwege de technische kwaliteit van dat andere bouwwerk gevaarlijk is. Die mededeling is een mededeling van feitelijke aard en geen beschikking. Als het gebruik na ontvangst van de bedoelde mededeling toch wordt voortgezet kan op grond van artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht handhavend worden opgetreden door oplegging van een last onder bestuursdwang of een last onder de dwangsom. In spoedeisende gevallen kan bestuursdwang zo nodig zonder voorafgaande last worden toegepast (artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht).

§ 22.2.6 Cultureel erfgoed

Artikel 22.22 Vrijstelling van archeologisch onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 41a van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet, dat een vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht bevatte. Dit artikel voorkomt dat er in dit omgevingsplan een lacune zou ontstaan door het wegvallen van artikel 41a. Het gaat hierbij om bodemverstoringen op huis-tuin-en-keukenniveau. Er worden geen grootschalige projecten mee vrijgesteld. Zie ook de toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl1.

Het eerste lid bepaalt dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, regels zijn gesteld over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid (ook wel: aanlegactiviteit), deze regels niet gelden als de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van minder dan 100 m2. Deze activiteiten zijn vrijgesteld van het vereiste om bij de aanvraag om een omgevingsvergunning een archeologisch rapport aan te leveren en van eventuele vergunningvoorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg.

In het tweede lid is bepaald dat als er in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, (voor een locatie) voor bodemverstorende activiteiten een grotere of kleinere oppervlakte dan 100 m2 is vastgesteld voor de vrijstelling van de archeologische onderzoeksplicht, die afwijkende andere oppervlakte geldt. In dat verband wordt erop gewezen dat aan een vastgestelde afwijkende andere oppervlakte, voor zover die minder dan 50 m2 bedraagt, geen praktische betekenis toekomt als het gaat om het vergunningvrij bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf dat voldoet aan de in Artikel 22.27, onder a en b, van dit omgevingsplan gestelde eisen. De vergunningplicht voor een bouwactiviteit op grond van Artikel 22.26 van dit omgevingsplan geldt dan immers niet. Een archeologische onderzoeksplicht zal voor die gevallen overigens wel kunnen worden opgelegd via andere omgevingsvergunningen die op grond van dit omgevingsplan kunnen zijn vereist, bijvoorbeeld voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden ter voorbereiding van de bouwactiviteit. Hiervoor wordt nader verwezen naar Artikel 22.28 lid 4, van dit omgevingsplan en de toelichting daarop.

§ 22.2.7 Vergunningplichten met betrekking tot het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken

§ 22.2.7.1 Algemene bepalingen

Zie voor de systeembeschrijving van de vergunningplichten voor het bouwen ook afdeling 3.2 van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet.

Artikel 22.23 Algemene afbakeningseisen

De in dit artikel opgenomen afbakeningseisen zijn ongewijzigd overgenomen uit artikel 5, eerste en tweede lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. In het eerste lid is opgenomen dat vergunningvrij bouwen niet is toegestaan als het oorspronkelijke bouwwerk waarin, waaraan, waarop of waarbij gebouwd wordt, zonder de daarvoor vereiste vergunning is gebouwd of wordt gebruikt. Dit kan zowel gaan om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a, van de Omgevingswet als een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, onder a, van die wet. In het geval het bouwwerk (geheel of gedeeltelijk) illegaal is gebouwd of wordt gebruikt, is het onwenselijk dat eventuele latere aanpassingen van of uitbreidingen aan of bij dit gebouw vergunningvrij en daarmee legaal zouden kunnen zijn. De mogelijkheid tot vergunningvrij bouwen is daarom zowel hier, als in het Bbl uitgesloten.

In het tweede lid wordt geregeld dat het aantal woningen niet mag toenemen door de vergunningvrije mogelijkheden, tenzij voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.24 Meetbepalingen

In dit artikel zijn de bepalingen over de wijze van meten uit het tweede en derde lid van artikel 1 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht ongewijzigd overgenomen. De in deze afdeling genoemde waarden worden gemeten conform dit artikel.

Artikel 22.25 Mantelzorg

Dit artikel is ongewijzigd overgenomen uit artikel 1, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Voor de toepassing van de genoemde paragrafen wordt huisvesting in verband met mantelzorg altijd als functioneel verbonden met het hoofdgebouw aangemerkt.

Daarmee wordt bewerkstelligd dat een bijgebouw dat of een aan- of uitbouw die wordt gebruikt voor huisvesting in verband met mantelzorg vanwege de expliciet bepaalde functionele verbondenheid met het hoofdgebouw, ook moet worden aangemerkt als een functioneel verbonden bouwwerk en daarmee als bijbehorend bouwwerk als bedoeld in dit omgevingsplan. Daarmee wordt het mogelijk het bijgebouw of de aan- of uitbouw op de grondslag van Artikel 22.27, aanhef en onder a, of Artikel 22.36, aanhef en onder a, van dit omgevingsplan vergunningvrij te bouwen. In de praktijk blijkt de vraag wel eens te ontstaan of er bij de toewijzing van een eigen huisnummer aan een bij een woning aanwezige mantelzorgvoorziening, nog sprake kan zijn van een bijbehorend bouwwerk. Het al dan niet toekennen van een afzonderlijk huisnummer is echter niet van belang voor de uitleg van deze bepaling.

§ 22.2.7.2 Binnenplanse vergunningplicht voor omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Artikel 22.26 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Op grond van dit artikel is het verboden zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken. Als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege wordt hiermee de vergunningplicht voortgezet, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor zover die betrekking heeft op artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van die wet. In afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet, is uitvoerig ingegaan op het expliciet maken dat deze vergunningplicht voor een bouwactiviteit ook betrekking heeft op het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Het verbod behoudens vergunning geldt overigens niet als het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet aangewezen geval. Die vergunningvrije gevallen zijn aangewezen in artikel 2.15f van het Bbl. Bij die aanwijzing gaat het om een landelijk uniforme categorie gevallen waarin geen omgevingsvergunning is vereist voor het verrichten van een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk (zoals bouwen, verbouwen, vervangen of uitbreiden). In zo’n geval is geen omgevingsvergunning vereist, ook niet als de bouw in strijd zou zijn met een in het omgevingsplan gestelde regel. Voldoet een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk niet aan de in het besluit gestelde voorwaarden, dan mag die activiteit niet zonder omgevingsvergunning worden verricht. In aanvulling op de landelijke categorie vergunningvrije gevallen kunnen in het omgevingsplan meer categorieën bouwactiviteiten worden aangewezen waarvoor geen omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit is vereist. In Artikel 22.27 van dit omgevingsplan is van die bevoegdheid gebruik gemaakt om bouwactiviteiten die voorheen waren opgenomen in artikel 3 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht, onder gelijkwaardige voorwaarden, als vergunningvrije omgevingsplanactiviteit mogelijk te maken. In Artikel 22.36 is geregeld dat de onderdelen van artikel 2, bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken, erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter en gebruik van bestaande bouwwerken voor mantelzorg. De Artikel 22.28 en Artikel 22.38 bevatten uitzonderingen op dat vergunningvrije bouwen als dat bouwen betrekking heeft op monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en archeologisch erfgoed.

Artikel 22.27 Uitzondering op vergunningplicht artikel 22.26 – omgevingsplan onverminderd van toepassing

In dit artikel zijn de bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in Artikel 22.26, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Zoals ook in afdeling 3.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet toegelicht, geldt voor deze bouwwerken weliswaar niet de vergunningplicht uit Artikel 22.26, maar de overige regels uit het omgevingsplan blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Onderdeel van die regels kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet. Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd.

Zoals al beschreven betreft het hier een voortzetting van de bouwwerken die in artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Op enkele onderdelen zijn daarin wijzigingen aangebracht. Zo is de eis in onderdeel a, onder 3, dat een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan op meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied moet zijn gelegen, niet langer afhankelijk van de gelding van redelijke eisen van welstand voor het betrokken gebied of bouwwerk. Hiermee wordt de praktische toepassing van de regeling verbeterd.

Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15f, onder p, aanhef en onder 4°) van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Bbl als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd.

Artikel 22.28 Inperking artikel 22.27 vanwege cultureel erfgoed

Artikel 22.28 bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in Artikel 22.27 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht uit Artikel 22.26 toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Artikel 22.28 lid 4, is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Artikel 22.28 lid 4, aanhef, verklaart als hoofdregel de op grond van Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de op grond van Artikel 22.26 van dit omgevingsplan vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk regels gelden als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In Artikel 22.28 lid 4, onder a, is de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op deze hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Op basis van de jurisprudentie is aan de regeling in dit omgevingsplan een subonderdeel toegevoegd (Artikel 22.28 lid 4, onder b). Per saldo leidt dit nieuwe subonderdeel ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk regels als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het nieuwe subonderdeel regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels als bedoeld in Artikel 22.22 van dit omgevingsplan over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn. Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit Artikel 22.27 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd. De uitzondering op de vergunningplicht uit Artikel 22.26 kan dan blijven gelden. De toevoeging van dit nieuwe subonderdeel is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het nieuwe subonderdeel. Het is aan gemeenten om dit bij het vaststellen van het omgevingsplan verder te regelen en de regels die met het oog op de bescherming van archeologische waarden op een locatie worden gesteld aan het bouwen en het uitvoeren van grondwerkzaamheden in onderlinge samenhang te bezien en desgewenst aan te passen.

In aanvulling op de toelichting op artikel 2.30 van het Bbl (bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet oorspronkelijk genummerd als artikel 2.15g) wordt hieronder ingegaan op de instructieregels en instructies die in ieder geval in acht genomen moeten worden bij het in het omgevingsplan aanpassen van de Artikel 22.26 en Artikel 22.27 van dit omgevingsplan en de in dit artikel (22.28) opgenomen uitzonderingen daarop voor cultureel erfgoed.

Bij aanpassing van het omgevingsplan moet de gemeente de instructieregels en instructies van de provincie en het Rijk in acht nemen. Bij dit onderwerp gaat het dan in ieder geval om de instructieregels uit het Bkl over het behoud van cultureel erfgoed (artikel 5.130) en werelderfgoed (artikel 5.131), de provinciale instructieregels over werelderfgoed (op grond van artikel 7.4, derde lid, van het Bkl) en de instructies ter bescherming van rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten, bedoeld in artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet (in samenhang met artikel 4.35 van de Invoeringswet Omgevingswet).

Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan of op via het omgevingsplan (voor)beschermde monumenten of archeologische monumenten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. De omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een bouwwerk valt hier immers één op één samen met de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot een (gemeentelijk of provinciaal) beschermd monument of archeologisch monument. Als een gemeente niet tot een vergunningvrijregime per locatie wil overgaan, ligt een vergelijkbaar regime als opgenomen in artikel 13.11 van het Bal, waarin de vergunningvrije gevallen voor de rijksmonumentenactiviteit zijn aangewezen, voor de hand. In de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Bkl, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. De mogelijkheden om binnen een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Bkl in algemene zin een ondergrens. Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Bkl is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Bkl verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten. Het ligt niet voor de hand dat er op gemeentelijk niveau generiek veel meer vergunningvrij zal kunnen worden verklaard. Voornoemde instructieregel voor beschermde stads- en dorpsgezichten geldt overigens ook voor eventuele via het omgevingsplan beschermde cultuurlandschappen, iets wat met name in het buitengebied aan de orde zou kunnen zijn.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen («afbraak of verandering») van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie).

In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven. De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen.

Artikel 22.29 Beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken algemeen

Dit artikel regelt wanneer een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk wordt verleend. Het artikel is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c en d, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van Artikel 22.29 lid 1, wordt de vergunning alleen verleend als het bouwplan niet in strijd is met de regels die in dit omgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken (onderdeel a) en dat het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota (onderdeel b). In onderdeel a is Paragraaf 22.2.4 expliciet uitgezonderd omdat het hier om voormalige rijksregels gaat waar op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht ook niet aan getoetst werd bij de vergunningverlening. Daarnaast zijn er in dit omgevingsplan (als onderdeel van de omgevingsplanregels van rijkswege) tal van regels opgenomen die niet over bouwwerken gaan, maar bijvoorbeeld over open erven en terreinen. Deze regels vallen alle buiten het beoordelingskader voor de omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op bouwwerken. Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op de eis dat het bouwwerk niet in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Ook deze uitzonderingen zijn een voortzetting van het recht zoals dat gold onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Woningwet.

De redactie van het eerste lid sluit aan bij artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl. Het imperatieve karakter («wordt verleend») houdt in dat de vergunning moet worden verleend als het bouwplan niet in strijd is met de daarvoor gestelde regels in het omgevingsplan. Er kunnen buiten het omgevingsplan om dus geen aanvullende redenen worden gehanteerd om een vergunning toch te weigeren. Het limitatieve karakter komt tot uiting doordat «alleen» op grondslag van de in het omgevingsplan gestelde regels het «binnenplans» verlenen van een vergunning mogelijk is. Als het bevoegd gezag op basis van de regels in het omgevingsplan tot het oordeel komt dat vergunningverlening niet mogelijk of (bij beslissingsruimte) niet wenselijk is, moet de activiteit als strijdig met het omgevingsplan worden aangemerkt. In dat geval is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geldt dat op grond van artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl, de vergunning alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een verdere toelichting hierover wordt verwezen naar de nota van toelichting bij artikel 8.0a van het Bkl.

Onderdeel c

Op grond van Artikel 22.26 is het verboden om zonder vergunning een bouwactiviteit te verrichten en het te bouwen bouwwerk in stand te houden en te gebruiken.

Dit onderdeel bevat de aanvullende beoordelingsregels waaraan een aanvraag om een binnenplanse omgevingsplanactiviteit wordt getoetst.

Wanneer de bodemkwaliteit de waarde voor de toelaatbare kwaliteit overschrijdt, is bouwen alleen mogelijk na het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen, mits die technisch mogelijk zijn. De vraag is louter of het technisch mogelijk is om het geschikt te maken. Het antwoord op die vraag is niet afhankelijk van de goede wil van de initiatiefnemer maar alleen of het objectief, technisch, milieuhygiënisch mogelijk is.

Saneringsmaatregelen worden uitgevoerd in overeenstemming met de milieubelastende activiteit saneren van de bodem, zoals opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierin staan twee standaardaanpakken beschreven. Indien deze aanpakken niet voldoen, kan degene die saneert een maatwerkvoorschrift aanvragen bij het bevoegd gezag. In het omgevingsplan van de gemeenten die vallen in het zinkassengebied De Kempen staan maatwerkregels ten opzichte van de voorschriften in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.30 Nadere invulling beoordelingsregel omgevingsplanactiviteit bouwwerken bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Eerste lid

In het omgevingsplan wordt als lokale waarde de interventiewaarde bodemkwaliteit vastgelegd in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voorheen was dit ook de waarde waaraan de bodemkwaliteit getoetst werd.

Een verbod om te bouwen op verontreinigde bodem (boven de lokale waarde) zonder omgevingsvergunning als er geen maatregelen worden getroffen, volgt uit het samenstel van de vergunningplicht voor bouwen die al elders in de bruidsschat is geregeld met de beoordelingsregel in Artikel 22.29 lid 1 (het toegevoegde onderdeel c), dat die vergunning alleen wordt verleend in de situatie die is gedefinieerd in de specifieke beoordelingsregel.

Tweede lid

Gelijkwaardig met de regels van de voormalige Wet bodembescherming is hierbij opgenomen dat sprake is van een overschrijding van deze interventiewaarde als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voorheen werd dit «het geval van verontreiniging» genoemd. Hierbij kan sprake zijn van onaanvaardbare risico’s en moet, afhankelijk van de functie en het gebruik, wellicht worden gesaneerd of een andere beschermende maatregel worden getroffen. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het niet noodzakelijk om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen; de grens van 25 m3 is alleen bedoeld om te voorkomen dat de beoordelingsregel elke emmer verontreiniging vangt. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van hele kleine verontreinigingen en vereist daarom alleen maatregelen als het om meer dan 25 m3 verontreiniging binnen een perceel gaat.

Derde lid

De grens van 25 m3 uit het tweede lid geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Ook bij een kleinere hoeveelheid dan 25 m3 moeten de in het omgevingsplan omschreven maatregelen worden getroffen.

Artikel 22.31 Voorschrift omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie

Voordat een bodemgevoelig gebouw of een gedeelte van een bodemgevoelig gebouw in gebruik genomen wordt, wordt die informatie verstrekt waaruit blijkt hoe de sanerende of andere beschermende maatregelen, bedoeld in artikel paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, zijn uitgevoerd.

Ter bescherming van de gezondheid van de gebruikers van een bodemgevoelig gebouw is het van belang om te waarborgen dat de voorgeschreven maatregelen daadwerkelijk zijn uitgevoerd. Daartoe dient het voldoen aan deze informatieplicht als voorwaarde voor ingebruikname. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent ook een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering. De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen.

De strekking is dat de initiatiefnemer na afloop van de sanering het bevoegd gezag informeert dat en hoe hij de sanering heeft uitgevoerd. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om adequaat en tijdig toezicht te houden voordat het gebouw in gebruik wordt genomen om te beoordelen of de sanering is afgerond en inderdaad heeft opgeleverd dat het bodemgevoelige gebouw geschikt is voor gebruik.

Dit artikel is gericht op een vergunningvoorschrift met een verbod op ingebruikname als niet is voldaan aan de voorwaarde (voldoen aan de informatieplicht). Het voldoen aan deze informatieplicht heft dat verbod op. Ingeval van het verzuimen om te informeren of het ontbreken van de benodigde informatie kan het bevoegd gezag dus handhaven op overtreding van deze informatieplicht. Toezicht en handhaving op de wijze van saneren en of die in overeenstemming is met de voorschriften over saneren in het Besluit activiteiten leefomgeving vindt plaats op basis van dat besluit.

Een bodemgevoelig gebouw is omschreven als:

  • a.

    gebouw of gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn; of

  • b.

    woonschip of woonwagen.

Deze begripsomschrijving is afkomstig uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en geldt via een schakelbepaling in dit omgevingsplan (artikel 1.1).

Artikel 22.32 Specifieke beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

In het eerste lid van dit artikel wordt, in aanvulling op de beoordelingsregels uit Artikel 22.29, de mogelijkheid gegeven om een omgevingsvergunning toch te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, maar niet in strijd is met de regels die zijn gesteld voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht. Dit betreft regels die in (van het tijdelijke deel van het omgevingsplan deel uitmakende) bestemmingsplannen of inpassingsplannen kunnen zijn opgenomen op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder a en b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Voor het voortzetten van de figuren van wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen is niet in overgangsrecht voorzien. Het college van burgemeester en wethouders kan na inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook geen toepassing meer geven aan deze bepalingen. In plaats van deze specifieke wijzigingsbevoegdheden of uitwerkingsplichten, kan toepassing worden gegeven aan de generieke delegatiemogelijkheid op grond van artikel 2.8 van de Omgevingswet. Als vergunningverlening op grond van Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder a, niet mogelijk is, maar een bouwplan niet in strijd is met de regels die zijn gegeven voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, kan de vergunning echter toch binnenplans worden verleend. Hierbij bestaat overigens beslissingsruimte. Onder de werking van de voormalige Wet ruimtelijke ordening moest bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht (voor zover de bij een uitwerkingsplicht in acht te nemen regels daarvoor de ruimte laten) ook nog zelfstandig beoordeeld worden of het wijzigings- of uitwerkingsplan, los van de daarbij in acht te nemen regels, in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Om die reden is geen imperatief karakter gegeven aan deze aanvullende mogelijkheid om een vergunning voor een bouwplan, dat niet in strijd is met die voor een wijziging- of uitwerking gegeven regels, toch te kunnen verlenen. Het gevolg hiervan is dat, ook al is een bouwplan met de regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht niet in strijd, ook nog een zelfstandige beoordeling moet plaatsvinden of het bouwplan uit een oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar kan worden geacht.

In het tweede lid van dit artikel worden alle instructieregels en instructies waaraan moet worden getoetst bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit van overeenkomstige toepassing verklaard op de beslissing of een omgevingsvergunning met toepassing van het eerste lid kan worden verleend. Ook dit vindt zijn oorsprong in de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of een uitwerkingsplicht moesten, los van de daarbij in acht te nemen regels uit het moederplan, ook de regels uit het voormalige Besluit algemene regels ruimtelijke ordening en de provinciale ruimtelijke verordening in acht worden genomen. Met het tweede lid wordt verzekerd dat ook bij de in het eerste lid geïntroduceerde mogelijkheid om binnenplans een vergunning te verlenen met toepassing van de regels die zijn gesteld voor een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht, geen situatie ontstaat die niet is toegelaten op grond van een onder nieuw recht gestelde instructieregel of gegeven instructie.

Artikel 22.33 Specifieke beoordelingsregels aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Ook in dit artikel zijn aanvullende beoordelingsregels gegeven. Deze aanvullende beoordelingsregels zien op twee specifieke overgangsrechtelijke situaties die verband houden met het feit dat de Omgevingswet niet langer een aanhoudingsplicht kent zoals die was geregeld in artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Die aanhoudingsplicht kon gelden vanwege een voorbereidingsbesluit dat was genomen ter voorbereiding van een nieuw bestemmingsplan of vanwege een aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend bestemmingsplan gold.

Toepassing van deze beoordelingsregels leidt ertoe dat, ondanks dat aan de beoordelingsregels uit Artikel 22.29 wordt voldaan, de vergunning toch moet worden geweigerd als voor de locatie waarop de aanvraag betrekking heeft op grond van de in Artikel 22.33 lid 1, genoemde bepalingen van de Invoeringswet Omgevingswet een nog onder oud recht genomen voorbereidingsbesluit van kracht is, of een tracébesluit of een besluit krachtens de Wet luchtvaart dat op grond van het oude recht gold als een zodanig voorbereidingsbesluit, of een onder oud recht gedane aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor nog geen tot bescherming daarvan strekkend omgevingsplan geldt. Op de plicht om in zo’n geval de vergunning te weigeren bestaat een uitzondering in het geval het bouwplan niet in strijd is met het omgevingsplan dat in voorbereiding is. Dit is vergelijkbaar met de situatie onder oud recht, waarin artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de mogelijkheid bood de onder oud recht toepasselijke aanhoudingsplicht te doorbreken.

In praktische zin betekent de regeling dat onder nieuw recht aangevraagde omgevingsvergunningen voor het verrichten van een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in een gebied waar een nog onder oud recht tot stand gekomen regime van voorbereidingsbescherming van toepassing is, respectievelijk dat onder oud recht als beschermd stads- of dorpsgezicht is aangewezen maar waarop nog geen voldragen beschermingsregime van toepassing is, in beginsel moeten worden geweigerd. Zo kan de vergunning dus worden geweigerd voor activiteiten die in de toekomst niet meer wenselijk worden geacht en onmogelijk zullen worden gemaakt met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. De vergunning kan ook worden geweigerd voor activiteiten waarvan het nog onvoldoende zeker is om te kunnen vaststellen of deze met het toekomstige omgevingsplan aanvaardbaar zullen blijven. Ten tijde van de te nemen beslissing op de aanvraag is het besluit tot wijziging van het omgevingsplan immers nog in voorbereiding en is het mogelijk nog onvoldoende vastomlijnd om te kunnen vaststellen of bepaalde activiteiten daarin uiteindelijk zullen worden toegestaan. Een andere mogelijkheid in zo’n geval kan overigens ook zijn om met instemming van de aanvrager, met toepassing van artikel 4:15, tweede lid, onder a, van de Algemene wet bestuursrecht, de beslistermijn op te schorten tot een moment waarop de voorbereiding zich in een zodanig stadium bevindt dat wel kan worden vastgesteld hoe het bouwplan zich verhoudt tot het in voorbereiding zijnde omgevingsplan. Gewezen wordt in dat verband op het tweede lid, dat de mogelijkheid biedt om de vergunning toch te verlenen als kan worden vastgesteld dat de betrokken activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan respectievelijk het in voorbereiding zijnde omgevingsplan dat voorziet in de bescherming van het stads- of dorpsgezicht. In het laatste geval zal een dergelijk omgevingsplan onder meer moeten voorzien in op de karakteristieken van het beschermde stads- of dorpsgezicht afgestemde beoordelingsregels voor een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Zie ook artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet. Met dit tweede lid wordt een vergelijkbare voorziening getroffen als in het al eerder genoemde artikel 3.3, derde en zesde lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Verschil is echter dat met het tweede lid niet de toepasselijke aanhoudingsplicht wordt doorbroken maar dat in plaats van de vergunning te moeten weigeren, de mogelijkheid is gegeven om de vergunning, onder de vergelijkbare condities dat de activiteit niet in strijd is met het in voorbereiding zijnde omgevingsplan, toch te verlenen.

Voor een meer uitgebreide toelichting op de gevolgen van het vervallen van de aanhoudingsplicht op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt verwezen naar de toelichting bij de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel Invoeringswet Omgevingswet (Kamerstukken II 2018/19, 34 986, nr. 9, p. 35–42).

Artikel 22.34 Voorschriften over archeologische monumentenzorg binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel is voor de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit de voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de gevallen, bedoeld in Artikel 22.26. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, eerste lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarin de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften aan de omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit in het belang van de archeologische monumentenzorg afhankelijk was gesteld van een expliciete regeling in het bestemmingsplan.

Op het verbinden van deze voorschriften is Artikel 22.303 lid 1, van overeenkomstige toepassing. Dat artikellid omschrijft nader welke voorschriften in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval kunnen worden verbonden aan een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of een werkzaamheid als bedoeld in Artikel 22.284 lid 1, die van invloed is op een archeologisch monument. Gelet op deze van overeenkomstige toepassing verklaring wordt hier verder volstaan met een verwijzing naar Artikel 22.303 en de toelichting daarop.

Artikel 22.35 Aanvraagvereisten binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit bouwwerken

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een bouwwerk. De aanvraagvereisten zijn grotendeels ontleend aan de artikelen uit de voormalige Regeling omgevingsrecht met aanvraagvereisten vanwege planologische voorschriften en stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening en vanwege redelijke eisen van welstand, voor zover deze eisen onder de Omgevingswet nog relevant zijn voor in het omgevingsplan geregelde bouwactiviteiten. Anders dan in de Regeling omgevingsrecht zijn deze aanvraagvereisten in Artikel 22.35 geregeld in één artikel, omdat alle genoemde aspecten, inclusief de redelijke eisen van welstand, onder de Omgevingswet worden geregeld in het omgevingsplan. Voor de redelijke eisen van welstand wordt in dit verband verwezen naar de beoordelingsregel in Artikel 22.29 lid 1, aanhef en onder b, van dit omgevingsplan. Aan de aanvraagvereisten is verder toegevoegd de eis dat een opgave van de bouwkosten wordt gedaan. De bouwkosten vormen doorgaans de grondslag voor de legesberekening voor het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. In de voormalige Regeling omgevingsrecht was in de algemene aanvraagvereisten geregeld dat van de kosten van de werkzaamheden van de te verrichten activiteiten opgave wordt gedaan. In de Omgevingsregeling komt dit als algemeen aanvraagvereiste niet meer voor. Daarom moet dit bij een activiteit waarvoor dit van belang is, zoals de in dit artikel bedoelde omgevingsplanactiviteit, bij de specifieke aanvraagvereisten voor die activiteit worden geregeld.

Onderdeel j

Bij een aanvraag om een vergunning voor het bouwen wordt een bodemonderzoek overgelegd. Dit bodemonderzoek is noodzakelijk om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem is overschreden. In dat geval zijn sanerende of andere beschermende maatregelen een voorwaarde voor het bouwen (Artikel 22.29, derde lid, en Artikel 22.30).

Dit is een voortzetting van artikel 8 van de Woningwet in samenhang met de lokale bouwverordening.

§ 22.2.7.3 Aanwijzing activiteiten met betrekking tot bouwwerken van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

Artikel 22.36 Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

In dit artikel is geregeld dat de onderdelen van artikel 2 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, die niet langer landelijk uniform vergunningvrij zijn op grond van het Bbl, op grond van het omgevingsplan onder dezelfde voorwaarden vergunningvrij zijn. Het betreft hier de bijbehorende bouwwerken en erf- en perceelafscheidingen hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter. Met dit artikel wordt geregeld dat het bouwen, in stand houden en gebruiken van deze bouwwerken, mits voldaan wordt aan de hierbij gegeven randvoorwaarden, van rechtswege in overeenstemming is met het omgevingsplan. In combinatie met Artikel 22.27, waarin deze bouwwerken eveneens zijn aangewezen, leidt dit ertoe dat deze bouwwerken zonder vergunning zijn toegelaten op grond van het omgevingsplan. Er is geen binnenplanse vergunning en ook geen buitenplanse vergunning voor deze bouwwerken nodig. De vergunningplicht, bedoeld in Artikel 22.26, is immers niet van toepassing omdat de bouwwerken zijn aangewezen in Artikel 22.27. Evenmin is een andere binnenplanse vergunningplicht of een buitenplanse vergunningplicht aan de orde, omdat hier wordt bepaald dat de aangewezen bouwwerken van rechtswege in overeenstemming zijn met het omgevingsplan. Dit betekent ook dat een omgevingsvergunning die is vereist op grond van een eventuele in het tijdelijke deel van het omgevingsplan opgenomen bepaling dat voor een activiteit van een bepaalde regel (zoals bijvoorbeeld een toegelaten bouwhoogte) bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken, niet nodig is.

Een uitzondering geldt voor de in de aanhef van het artikel opgenomen regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan. Dit betreft de omgevingsplanregels van rijkswege, afkomstig uit onder meer het Bouwbesluit 2012, de Woningwet en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze regels, die ook betrekking kunnen hebben op het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zijn onverminderd van toepassing. Zo geldt voor deze bouwwerken bijvoorbeeld onverminderd het repressieve welstandsvereiste uit Artikel 22.7. Als een bouwwerk in strijd zou zijn met één of meer van deze regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit en dus een omgevingsvergunning vereist.

Bijzondere vermelding verdient nog het in dit artikel in onderdeel c aangewezen gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg. Omdat het hier slechts gaat om gebruik van een bestaand bouwwerk en niet om het bouwen, in stand houden en gebruiken van een te bouwen bouwwerk, is de vergunningplicht uit Artikel 22.26 op deze activiteit niet van toepassing en hoeft deze activiteit dus ook niet te worden aangewezen in Artikel 22.27. De aanwijzing in Artikel 22.36 leidt ertoe dat een binnenplanse noch buitenplanse vergunning nodig is voor gebruik van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 22.37 Bijbehorend bouwwerk in bijzondere gevallen

Dit artikel bevat de specifieke bepalingen voor bijbehorende bouwwerken, zoals die waren opgenomen in artikel 7 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Inhoudelijk zijn deze bepalingen ongewijzigd.

Artikel 22.38 Inperkingen artikel 22.36 vanwege cultureel erfgoed

Dit artikel bevat uitzonderingen en randvoorwaarden voor het vergunningvrij bouwen als bedoeld in Artikel 22.36. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Artikel 22.39 Inperkingen artikel 22.36 vanwege externe veiligheid

Dit artikel bevat uitzonderingen op de mogelijkheden om vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36 te verrichten vanwege het belang van de externe veiligheid. Deze uitzonderingen waren opgenomen in artikel 5, derde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Hieraan ligt ten grondslag de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van ten hoogste een op de miljoen per jaar voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties die op grond van artikel 5.7 van het Bkl in een omgevingsplan in acht moet worden genomen. Voor zover Artikel 22.36 betrekking heeft op die gebouwen – de onderdelen a en c – is het niet wenselijk dat op locaties waar door de in die onderdelen bedoelde activiteiten overschrijding van de norm voor het plaatsgebonden risico aan de orde zou kunnen zijn, vergunningvrij de in die onderdelen bedoelde activiteiten zouden kunnen worden verricht.

De locaties waar deze activiteiten niet mogelijk zijn, zijn in de eerste plaats de locaties waarvoor het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, zelf al vanwege de overschrijding van het plaatsgebonden risico bouwmogelijkheden die kunnen leiden tot kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen niet toelaat. Het gaat hier om Artikel 22.39, onder a en b, dat een omzetting is van artikel 5, derde lid, onder a en b, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De verwijzing naar dit omgevingsplan is hier uitdrukkelijk beperkt tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, dat kort samengevat bestaat uit de onder het voormalige recht geldende planologische regelingen. Dit omdat die regelingen uitgaan van de in de desbetreffende onderdelen van artikel 5, derde lid, gehanteerde begrippen en systematiek, die onder de Omgevingswet anders zijn. Het is aan gemeenten om daar bij het vaststellen van het omgevingsplan toepassing aan te geven. Hierop kan niet in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet worden vooruitgelopen.

Artikel 22.39, onder c, zondert daarnaast ook vergunningvrije activiteiten als bedoeld in Artikel 22.36, onder a en c, uit, als de beoogde locatie voor die activiteiten is gelegen binnen afstanden die degene die een vergunningvrije milieubelastende activiteit verricht op grond van het Bal in verband met het plaatsgebonden risico in acht moet nemen. Het gaat dan om de afstanden tussen bepaalde installaties of opslagvoorzieningen waar met stoffen wordt gewerkt die een veiligheidsrisico voor de omgeving met zich kunnen brengen en te beschermen gebouwen en locaties. Op grond van het Bal geldt als hoofdregel dat veiligheidsafstanden zoals hier bedoeld gelden tot de begrenzing van de locatie waarop de milieubelastende activiteit wordt verricht. Hierdoor zijn er ook geen beperkingen aan de gebruiksruimte buiten die begrenzing. Maar het Bal staat in een aantal situaties afwijking van deze regel toe. Onderdeel c is alleen voor die gevallen van praktisch belang. De zinsnede «voor zover ... van toepassing is» in de verschillende subonderdelen van Artikel 22.39, onder c, brengt dat tot uitdrukking. Degene die een milieubelastende activiteit als hier bedoeld verricht, moet op grond van het Bal op het moment dat de veiligheidsafstanden van toepassing worden buiten de locatie waar hij zijn activiteit verricht, het bevoegd gezag daarover informeren. Het bevoegd gezag moet ervoor zorgen dat deze gegevens terecht komen in het landelijk register externe veiligheidsrisico’s en aldus voor eenieder kenbaar zijn.

Bij de opsomming van activiteiten in Artikel 22.39, onder c, is aangesloten bij de opsomming van activiteiten in bijlage VII, onder A, bij het Bkl. Dat onderdeel van die bijlage geeft voor de daarin genoemde vergunningvrije milieubelastende activiteiten uit het Bal vastgestelde afstanden waarbij wordt voldaan aan de norm voor het plaatsgebonden risico. De opgesomde activiteiten, zoals die in Artikel 22.39, onder c, onder verwijzing naar de desbetreffende artikelen uit het Bal zijn overgenomen, omvatten zes activiteiten die niet worden genoemd in artikel 5, derde lid, onder c, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het gaat hier om de subonderdelen 2, 5, 6, 7, 12 en 13. Voor de activiteit, bedoeld in subonderdeel 2 (het tanken van voertuigen of werktuigen met LPG), heeft dat als achtergrond dat deze activiteit onder het recht voor de Omgevingswet nog vergunningplichtig was. Door de verschuiving van vergunningplichtig naar vergunningvrij moet de activiteit nu aan de opsomming in Artikel 22.39, onder c, worden toegevoegd. Voor de overige toegevoegde activiteiten is gelet op het belang van de externe veiligheid evenmin aanleiding om deze voor de toepassing van Artikel 22.39, onder c, buiten beschouwing te laten.

§ 22.2.8 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Artikel 22.40 Overgangsrecht bestaande bouwwerken

Met dit artikel wordt gecodificeerd dat het overgangsrecht voor bouwwerken, zoals dat in bestemmingsplannen moest zijn opgenomen op grond van artikel 3.2.1 van het voormalige Besluit ruimtelijke ordening en dat betrekking had op de voorwaarden waaronder de in dat artikel bedoelde bouwwerken mogen worden vernieuwd of veranderd, ook voorziet in het in stand mogen houden van die bouwwerken. Het uitdrukkelijk regelen van het in stand mogen houden van die bouwwerken, is een logisch gevolg van het codificeren dat de vergunningplicht in de bruidsschat voor de bouwactiviteit ook ziet op het in stand houden van het te bouwen bouwwerk. In paragraaf 3.2.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Invoeringsbesluit Omgevingswet is hierop ingegaan. Het in stand mogen houden van een bouwwerk wordt hiermee onder het nieuwe recht uitdrukkelijk geregeld. Voor de bouwwerken die onder het planologisch overgangsrecht vielen zoals opgenomen in voormalige bestemmingsplannen, welk overgangsrecht met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel is geworden van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, treden hiermee geen veranderingen op. Ook bij het vaststellen van nieuwe regels over bouwwerken in het omgevingsplan ligt het, zoals al toegelicht in paragraaf 3.2.2, in de rede dat wordt gekozen voor eerbiedigende overgangsbepalingen. In het nieuwe stelsel wordt het echter mogelijk om onder omstandigheden ook minder eerbiedigende vormen van overgangsrecht te kiezen.

AFDELING 22.3 MILIEUBELASTENDE ACTIVITEITEN

§ 22.3.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.41 Algemeen toepassingsbereik

In dit artikel staat het algemeen toepassingsbereik dat geldt voor de hele Afdeling 22.3.

Alle paragrafen in deze afdeling zijn ook voorzien van een toepassingsbereik. Dat betekent dat voor beantwoording van de vraag of een regel uit deze afdeling wel of niet geldt, getoetst moet worden of een activiteit valt binnen het algemene toepassingsbereik zoals staat in dit artikel. Als dat niet het geval is, is de gehele afdeling niet van toepassing. Ook niet als de activiteit past binnen de omschrijving van het toepassingsbereik in een van de paragrafen van deze afdeling.

Eerste lid

In het eerste lid zijn milieubelastende activiteiten als bedoeld in de Omgevingswet onder het toepassingsbereik van deze afdeling gebracht. Dit zijn dus alle activiteiten die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, anders dan lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam, lozingsactiviteiten op een zuiveringtechnisch werk en wateronttrekkingsactiviteiten.

Tweede lid

De onderdelen a tot en met f van het tweede lid sluiten bepaalde milieubelastende activiteiten uit van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling.

Op grond van artikel 22.2, eerste lid, van de Omgevingswet mogen de omgevingsplanregels van rijkswege alleen gaan over regels die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij of krachtens de wet waren gesteld of daaraan gelijkwaardige regels. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij waren alleen van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Wet milieubeheer. Omdat het begrip milieubelastende activiteit in de Omgevingswet breder is dan dat begrip inrichting, is in dit lid een afbakening van het toepassingsbereik opgenomen.

Bij de overgang naar een nieuwe wetsystematiek en begrippenkader is het niet te voorkomen dat er enkele verschuivingen in de uitvoering van de regelgeving optreden. Aanmerkelijke verschuivingen in het toepassingsbereik zijn niet beoogd. Desondanks zullen er op kleine schaal wel enige verschuivingen optreden, omdat de oude criteria van het begrip inrichting niet één op één zijn overgenomen. De omschrijving van het toepassingsbereik in dit artikel vraagt enige mate van interpretatie. Ook de criteria van het begrip inrichting uit de Wet milieubeheer vroegen om interpretatie, en werden door verschillende bevoegde instanties enigszins verschillend geïnterpreteerd.

Bij de interpretatie van het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, is het raadzaam om aan te sluiten bij de praktijk van de voormalige regelgeving. Als een activiteit als Wet milieubeheer-inrichting werd beschouwd, kan deze ook onder de regels voor milieubelastende activiteiten van deze afdeling vallen.

Een beperkte verschuiving is op zich niet bezwaarlijk, als dit er niet toe leidt dat:

  • a)

    activiteiten die eerst niet onder rijksregels vielen door de regels van deze afdeling van dit omgevingsplan worden beperkt;

  • b)

    activiteiten die wel onder de regels vielen en reële risico’s voor de fysieke leefomgeving inhouden ongeregeld blijven.

Situaties als bedoeld onder a zullen niet snel voorkomen. Juist aan de «onderkant» van het inrichtingenbegrip golden er naast de regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer ook andere regels die ervoor zorgen dat ook activiteiten die geen inrichting waren toch aan regels ter bescherming van de leefomgeving waren gebonden. Denk bijvoorbeeld aan de regels van de Algemene Plaatselijke Verordening, maar ook het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 (artikel 7.22). Deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening blijven op het moment van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van het algemeen overgangsrecht (artikel 22.4 van de Omgevingswet bepaalt namelijk dat artikel 122 van de Gemeentewet tijdelijk niet van toepassing is) gelden. Het restrisico-artikel van het Bouwbesluit 2012 is ook opgenomen als regel van rijkswege in het omgevingsplan. Bovendien zijn de regels van deze afdeling voor activiteiten waarop ze van toepassing zouden worden zelden feitelijk beperkend, omdat bij het op gebruikelijke wijze uitvoeren van de activiteit aan de regels wordt voldaan.

Ook voor situaties als bedoeld onder b hoeft in zijn algemeenheid niet te worden gevreesd. Veelal gold voor de activiteiten aan de onderkant van het inrichtingenbegrip naast de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1) alleen een beperkt aantal regels, zoals de geluidregels. Een eventuele overtreding van de zorgplicht van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer zal in veel gevallen ook als overtreding van de algemene zorgplicht van de Omgevingswet kunnen worden aangemerkt. En omdat de rijksregels niet gelden, zal ook de Algemene Plaatselijke Verordening veelal een deel van de bescherming overnemen.

Het algemene overgangsrecht in artikel 22.4 van de Omgevingswet en de mogelijkheden voor maatwerk op grond van deze afdeling zullen eventuele nadelige gevolgen van de beperkte verschuivingen voldoende ondervangen.

Bij het voorbereiden van deze afdeling zijn al verschillende mogelijke verschuivingen in het toepassingsbereik geïdentificeerd. Belangrijke aandachtspunten worden hieronder benoemd.

De onderdelen in dit tweede lid beogen de criteria «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is», «binnen een zekere begrenzing» en «pleegt te worden verricht» binnen de omschrijving van het begrip inrichting in de Wet milieubeheer te vervangen. De categorieën uit bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht zijn niet overgenomen. Sommige ondergrenzen in die categorieën kunnen eventueel terugkomen in het toepassingsbereik van de paragrafen in deze afdeling.

Kleine winkels waar geen installaties met meer dan 1,5 kW elektromotorisch vermogen aanwezig zijn, waren bijvoorbeeld meestal geen Wet milieubeheer-inrichting, maar vallen nu wel onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan. Alhoewel er geen specifieke voorschriften voor gelden, moeten deze activiteiten wel voldoen aan de specifieke zorgplicht.

Onderdeel a

De omgevingsplanregels van rijkswege voor de milieubelastende activiteit zijn alleen van toepassing op milieubelastende activiteiten, anders dan wonen. Hiermee wordt aangesloten op het toepassingsbereik voor de instructieregels voor geluid, trillingen en geur in het Bkl.

Als een hobby een bepaalde omvang overstijgt kan dit ertoe leiden dat het verrichten van een activiteit niet meer onder wonen valt. Denk hierbij aan het in een bepaalde omvang houden van dieren, sleutelen aan auto’s, meubels maken of bereiden van voedingsmiddelen. Waar de grens ligt, is een grijs gebied. Hetzelfde geldt voor bedrijven aan huis. De gemeente mag hier ook zelf invulling aan geven in het omgevingsplan. Overigens was bij de toetsing of er sprake was van een Wet milieubeheer-inrichting het criterium «een omvang alsof zij bedrijfsmatig is» ook altijd een grijs gebied.

Een ander bekend voorbeeld van onduidelijkheid over de vraag of een activiteit een Wet milieubeheer-inrichting was, is het opslaan van huisbrandolie of propaan in tanks bij particulieren. Onder het regime van de Omgevingswet wordt dit afgedekt door het Bal.

Onderdeel b

Het feitelijk verrichten van bouw- en sloopactiviteiten of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein, vallen niet onder deze afdeling. Ook in het Bbl zijn eisen opgenomen voor zowel geluid als trillingen bij bouw- en sloopactiviteiten. Het Bbl bevat voor het verrichten van die activiteiten ook een specifieke zorgplicht. Verder bevat de Algemene Plaatselijke Verordening vaak regels ter voorkoming van hinder door bouw- en sloopgerelateerde activiteiten. Het algemene overgangsrecht van de Omgevingswet in artikel 22.4 van de Omgevingswet zorgt ervoor dat deze regels van de Algemene Plaatselijke Verordening bij de inwerkingtreding van de wet blijven gelden. Naast deze regels bevat Afdeling 22.2 van dit omgevingsplan een specifieke zorgplicht voor het gebruik van een bouwwerk (Artikel 22.18). Het is dus niet zo dat er, door de uitzondering in dit onderdeel, voor deze activiteiten geen regels gelden.

Onder het regime van de Wet milieubeheer gebeurde het in bijzondere gevallen wel dat bouwwerkzaamheden die langer duurden dan zes maanden, als een Wet milieubeheer-inrichting werden gezien. Deze activiteiten vallen buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, maar ook daarvoor geldt dat de hiervoor genoemde regels van toepassing zijn.

Onderdeel c

Deze uitzondering beoogt de activiteiten die in de openbare buitenruimte plaatsvinden uit te sluiten. Voorbeelden zijn kermissen en andere evenementen, weekmarkten, mobiele installaties/activiteiten zoals draaiorgels, ophalen van vuilnis en gevelreiniging (met uitzondering van lozen). Het voor korte periode bezetten van een stukje openbaar toegankelijk terrein, maakt het daarmee niet ontoegankelijk. Activiteiten in een openbaar toegankelijk gebouw, zoals een publieke parkeergarage of het stadhuis, vallen wel onder het toepassingsbereik. Ook het laden en lossen op de openbare weg in de onmiddellijke nabijheid van een winkel, of het verkeer van en naar het bedrijf valt wel onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Voor enkele activiteiten zoals het exploiteren van een mobiele vis-, friet-, oliebollen- of marktkraam of het exploiteren van een terras, was het afhankelijk van de situatie en de interpretatie van het bevoegd gezag of ze gezien werden als een Wet milieubeheer-inrichting. Deze interpretatieverschillen kunnen zich ook nu weer voordoen. Zoals al aangegeven in de inleiding van de toelichting op dit artikel is er in principe geen verschuiving in het toepassingsbereik van deze afdeling in het omgevingsplan ten opzichte van het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting beoogd.

Onderdeel d

Doorgaand verkeer op wegen, vaarwegen en spoorwegen valt niet onder deze afdeling van dit omgevingsplan.

Onderdeel e

Dit onderdeel sluit evenementen, waarover geluidregels zijn gesteld in bijvoorbeeld de Algemene Plaatselijke Verordening of een evenementenverordening uit van het toepassingsbereik van deze afdeling over milieubelastende activiteiten. Deels gebeurt dit al met onderdeel c, omdat evenementen vaak plaatsvinden in de openbare buitenruimte. Maar regelmatig zijn evenementen ook besloten of vinden ze plaats in een tijdelijk leegstaand gebouw. Deze uitzondering geldt niet voor activiteiten waarvoor geen geluidregels gelden bij of krachtens een gemeentelijke verordening, maar waarvoor geluidregels waren opgenomen in een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voorbeelden hiervan kunnen zijn permanente evenemententerreinen of evenementenhallen.

Onderdeel f

Deze uitzondering beoogt vooral het gebruik van landbouwvoertuigen op weilanden en akkers uit te sluiten van het algemene toepassingsbereik voor deze afdeling. De opslag van vaste mest op een weiland of akker valt wel onder dit algemene toepassingsbereik. Een installatie die verplaatsbaar is maar gedurende een langere periode achtereen op een weiland of akkers wordt gebruikt, wordt niet gezien als mobiele installatie en valt ook onder de regels voor de milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan. Bijvoorbeeld een antihagelkanon. Ook verplaatsbare mijnbouwwerken vallen onder het toepassingsbereik van deze afdeling.

Onderdeel g

Vaste objecten zoals bruggen, sluizen en tunnels kunnen door de aanwezigheid van elektromotorisch vermogen gezien worden als milieubelastende activiteiten. Bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor het vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen vallen niet onder het toepassingsbereik van Afdeling 22.3 van dit omgevingsplan.

Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bleven elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen buiten beschouwing bij het bepalen of sprake was van een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dit was bepaald in categorie 1, 1.2, onder c, van bijlage I, onderdeel C, bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Derde lid

Lozingen in de bodem en in de riolering die vielen onder het Besluit lozing afvalwater huishoudens of het Besluit lozen buiten inrichtingen (en de daarmee corresponderende artikelen van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer) worden ook gedecentraliseerd en vallen daarom onder het toepassingsbereik van deze afdeling. Het gaat alleen om de gevolgen van die lozingen voor de bodem, de riolering of het zuiveringtechnisch werk. Zo valt bijvoorbeeld de hoeveelheid en kwantiteit van het lozen van water afkomstig van het ontwateren van een bouwput in de riolering, wel onder de regels van deze afdeling, maar de geluidhinder of geurhinder veroorzaakt door het ontwateren niet.

Vierde lid

De regels voor bodembeheer, zoals opgenomen in Paragraaf 22.3.7 gelden voor alle milieubelastende activiteiten zoals bedoeld in de Omgevingswet. De voorschriften gelden dus ook voor milieubelastende activiteiten buiten voormalige wet milieubeheer-inrichtingen.

Artikel 22.42 Oogmerken

Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de milieubelastende activiteiten in dit (tijdelijke) omgevingsplan zijn gesteld. De wet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in dit omgevingsplan zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 22.42 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 22.42 werkt ook door in de bevoegdheden van bestuursorganen tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Meer uitleg hierover staat bij de Artikel 22.45.

Het artikel sluit aan bij de oogmerken van artikel 4.22 van de Omgevingswet, voor het stellen van rijksregels. Het artikel bouwt voort op de te beschermen belangen die in artikel 1.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer zijn genoemd. Onderdeel c van dit artikel benoemt enkele milieuthema’s, maar ook andere milieuaspecten zoals geluid, trillingen en geur vallen onder de oogmerken van deze afdeling.

Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken of milieuthema’s een rol spelen, en zullen zeker niet alle milieuaspecten bij een activiteit terugkomen in meer uitgewerkte regels. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in dit omgevingsplan zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.43 Normadressaat

De regels van deze afdeling zijn gericht tot degene die de activiteit verricht waarop die regels betrekking hebben. Diegene moet zorg dragen voor de naleving van de regels die voor de activiteit gelden. Kortheidshalve wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2 over de normadressaat van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Artikel 22.44 Specifieke zorgplicht

De specifieke zorgplicht zorgt ervoor dat degene die een activiteit verricht, alles moet doen en laten om negatieve gevolgen voor de veiligheid, het milieu en de gezondheid te voorkomen. Soms lukt voorkomen niet. Dan moet hij ervoor zorgen dat er zo min mogelijk negatieve gevolgen voor het milieu en de gezondheid zijn.

Deze specifieke zorgplichtbepaling komt grotendeels overeen met de specifieke zorgplichtbepaling in het Bal. Dit artikel geldt daarom niet voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Dit is bepaald in het vierde lid. Voor meer informatie over de inhoud en werking van de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar paragraaf 3.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

De specifieke zorgplichten die in dit artikel zijn opgenomen, blijven gelden naast de algemene regels van deze afdeling in dit omgevingsplan, eventuele maatwerkvoorschriften en de vergunningplichten die in deze afdeling zijn opgenomen.

Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij evidente overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het bevoegd gezag zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. Die verduidelijking kan in de vorm van het stellen van een maatwerkvoorschrift (zie het navolgende artikel) maar dat hoeft niet. Ook wanneer het bevoegd gezag degene die de activiteit verricht mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Bal2.

Deze specifieke zorgplicht vervangt onder meer artikel 2.7a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer dat ging over geurhinder. Dit houdt in dat als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, daarbij de geurhinder bij het geurgevoelige gebouw tot een aanvaardbaar niveau moet worden beperkt. Wat aanvaardbaar is, hangt af van de situatie. Hierbij kan rekening gehouden worden met onder meer de volgende aspecten:

  • de bestaande toetsingskaders, waaronder lokaal geurbeleid;

  • de geurbelasting ter plaatse van het geurgevoelige gebouw;

  • de aard, omvang en waardering van de geur die vrijkomt bij de activiteit;

  • de historie van degene die de activiteit verricht en het klachtenpatroon over geurhinder;

  • de bestaande en verwachte geurhinder van de activiteit; en

  • de kosten en baten van technische voorzieningen en gedragsregels op de locatie waarop de activiteit wordt verricht.

Deze specifieke zorgplicht geldt naast de verplichtingen die in de paragrafen en subparagrafen van deze afdeling zijn gesteld voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder.

Derde lid

Nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van en naar de activiteit betreffen hinder door bezoekersverkeer en indirecte geluidhinder.

Bezoekersverkeer is het bezoek van klanten of bezoekers aan een activiteit. De Handreiking Vervoermanagement (november 2017) geeft inzicht in de wijze waarop invulling gegeven kan worden aan dit aspect van de specifieke zorgplicht. Daarnaast legt de handreiking de relatie met de EED, the European Energy Efficiency Directive en hoe daar mee om te gaan. De verschillende doelgroepen krijgen met deze handreiking meer inzicht in de mogelijkheden voor een «integrale» aanpak van duurzame mobiliteit.

Onder indirecte geluidhinder wordt geluidhinder verstaan die niet wordt veroorzaakt door activiteiten of installaties binnen de begrenzing van de locatie waarop de activiteit plaatsvindt, maar die wel aan die activiteit zijn toe te rekenen. In de Artikel 22.56 (geluid: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit) wordt nader ingegaan op het verschil tussen directe geluidhinder en indirecte geluidhinder.

Het bevoegd gezag heeft op grond van Artikel 22.45 de bevoegdheid maatwerkvoorschriften te stellen. Maatwerkvoorschriften kunnen ook inhouden dat de activiteiten worden beschreven en dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht om de mate waarin nadelige gevolgen voor het milieu worden veroorzaakt, te bepalen. De resultaten van een dergelijk onderzoek kunnen aanleiding zijn aanvullende maatwerkvoorschriften te stellen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen voor het milieu, zoals het voorschrijven van maatregelen en gedragsvoorschriften. Bij het stellen van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van indirecte geluidhinder vanwege wegverkeer kan de circulaire van 29 februari 1996 van de Minister van VROM, getiteld «Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer» als hulpmiddel dienen. Dit is niet veranderd ten opzichte van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor een verplaatsbaar mijnbouwwerk als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal, stonden in artikel 21 van het voormalige Besluit algemene regels milieu mijnbouw en artikel 4 van de voormalige Regeling algemene regels milieu mijnbouw, regels over geluid door verkeersbewegingen. Deze regels hielden in dat de etmaalwaarde van de verkeersbewegingen van en naar de mobiele installatie niet hoger was dan 50 dB(A), beoordeeld volgens de hierboven genoemde circulaire van 29 februari 1996. Deze regels komen niet expliciet terug in deze afdeling, maar vallen wel onder de specifieke zorgplicht van dit omgevingsplan, bedoeld in dit derde lid.

Anders dan bij de plichten uit het tweede lid van dit artikel, geldt de zorgplicht uit dit derde lid ook voor milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Niet voor alle nadelige gevolgen van milieubelastende activiteiten voor de fysieke leefomgeving zijn rijksregels gesteld in het Bal. Anders dan in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 2.1, eerste lid, in samenhang met het tweede lid, onderdeel k en q) maken de nadelige gevolgen van het verkeer van personen of goederen van en naar een activiteit en de bescherming van het donkere landschap geen onderdeel uit van de belangen die met het Bal worden behartigd. Voor de belangen die buiten het Bal vallen, kunnen voor het waarborgen van deze belangen op decentraal niveau regels worden gesteld. In dit artikel is dit gedaan, door in het derde lid het voorkomen of beperken van hinder, veroorzaakt door verkeer van en naar de activiteit en het beschermen van de duisternis en het donkere landschap op te nemen.

Vierde lid

Voor milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal geldt de specifieke zorgplicht uit artikel 2.11 van het Bal. Daarom is in het vierde lid bepaald dat het eerste en tweede lid van dit artikel niet gelden voor dergelijke milieubelastende activiteiten. Het derde lid geldt wel voor milieubelastende activiteiten die onder het Bal vallen. In het derde lid zijn immers aspecten genoemd die niet behoren tot het oogmerk van de regels in de hoofdstukken 2 tot en met 5 van het Bal.

Artikel 22.45 Maatwerkvoorschriften

In dit artikel is de bevoegdheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen. De beperkingen die het Activiteitenbesluit milieubeheer stelde aan de mogelijkheden voor maatwerkvoorschriften, zijn daarbij niet overgenomen. Dit sluit aan bij de systematiek van het Bal. Het is niet logisch om beperkingen op te leggen aan het stellen van maatwerkvoorschriften, omdat die beperkingen altijd omzeild kunnen worden via een buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Met een maatwerkvoorschrift mag niet worden afgeweken van de specifieke zorgplicht, zoals opgenomen in Artikel 22.44. Daarmee zou namelijk buiten de oogmerken van deze afdeling worden getreden. Wel mag er met maatwerkvoorschriften invulling gegeven worden aan de specifieke zorgplichten van deze afdeling.

Maatwerk houdt altijd rekening met de oogmerken uit Artikel 22.42 en mag daar niet mee in strijd zijn.

Bij het stellen van een maatwerkvoorschrift volgt het bevoegd gezag de instructieregels van het Bkl. Voorbeeld: Dit omgevingsplan bepaalt voor verschillende situaties dat onversterkt stemgeluid niet meegenomen wordt in de beoordeling van de toelaatbare geluidwaarde. Een gemeente kan niet zomaar voorschrijven dat onversterkt stemgeluid toch meegenomen wordt bij de beoordeling van de geluidwaarde. Het Bkl stelt namelijk in artikel 5.73 (uitzonderingen geluidbronnen) dat dit in de meeste gevallen niet kan.

Artikel 22.46 Algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden

Als op grond van een paragraaf in deze afdeling van dit omgevingsplan, gegevens en bescheiden aan het bevoegd gezag worden verstrekt, worden die gegevens begeleid door een aantal algemene gegevens. De plicht om gegevens te verstrekken vloeit niet voort uit dit artikel. Die plicht is namelijk per activiteit opgenomen in de paragrafen van deze afdeling. Als in een paragraaf van deze afdeling het verstrekken van gegevens en bescheiden is voorgeschreven, bijvoorbeeld vóórdat wordt begonnen met die activiteit, wordt daarbij om specifieke gegevens gevraagd. Die gegevens worden dan verstrekt in aanvulling op de algemene gegevens uit dit artikel.

Artikel 22.47 Gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat

Artikel 22.47 lid 1 regelt dat een naamswijziging of adreswijziging wordt doorgegeven aan het bevoegd gezag vóórdat de wijziging een feit is. Dat is vooral voor de initiatiefnemer zelf van belang: diegene wil immers dat correspondentie van het bevoegd gezag op het juiste adres aankomt. Het tweede lid regelt dat bij overdracht van de activiteit naar iemand anders, de daardoor gewijzigde gegevens aan het bevoegd gezag worden verstrekt. Bijvoorbeeld omdat een bedrijf onder dezelfde bedrijfsnaam en op hetzelfde adres wordt voorgezet, maar wisselt van eigenaar. Dit sluit aan op artikel 5.37 van de Omgevingswet, waar hetzelfde over vergunninghouders is geregeld.

Artikel 22.48 Gegevens en bescheiden op verzoek van het college van burgemeester en wethouders

Dit artikel regelt dat gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt aan het bevoegd gezag, als dat bevoegd gezag die gegevens en bescheiden nodig heeft om voor een specifieke activiteit of een specifieke locatie te beoordelen of de algemene regels en eventuele maatwerkvoorschriften die voor die activiteit of die locatie gelden, nog volstaan. Het gaat om gegevens en bescheiden waar het bevoegd gezag om vraagt. Degene die de activiteit verricht hoeft dus niet uit eigen beweging gegevens of bescheiden op te sturen; al staat dat natuurlijk vrij.

Het gaat in dit artikel alleen om de situatie dat het bevoegd gezag wil bekijken of de algemene regels en maatwerkvoorschriften voor de activiteit nog toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de gezondheid en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu. Bij ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu kan gedacht worden aan het beschikbaar komen van nieuwe passende preventieve maatregelen of de actualisatie van de beste beschikbare technieken. De ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu kunnen bijvoorbeeld aan de orde zijn als er door cumulatie van activiteiten een verslechtering van de kwaliteit van lucht, veiligheid, geluid, oppervlaktewater of grondwater optreedt. Met deze formulering is aangesloten op dezelfde regeling voor vergunningplichtige gevallen, zoals opgenomen in artikel 16.56 in combinatie met artikel 5.38 van de Omgevingswet. Zie de artikelsgewijze toelichting op die artikelen voor verdere uitleg over «ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu» en «ontwikkelingen met betrekking tot de kwaliteit van het milieu». Gegevens waarover degene die de activiteit uitvoert niet redelijkerwijs de beschikking kan krijgen, hoeven uiteraard niet te worden verstrekt.

Artikel 22.49 Informeren over een ongewoon voorval

Zodra vastgesteld is dat er sprake is van een ongewoon voorval moet het bevoegd gezag direct worden geïnformeerd; vertraging is gezien de gevolgen voor de gezondheid en het milieu niet wenselijk. Het gaat hier om voorvallen met een duidelijk negatief gevolg voor het milieu. Voor deze ongewone voorvallen bevat de Omgevingswet in hoofdstuk 19 regels gericht tot bestuursorganen.

De definitie in de Omgevingswet beperkt ongewone voorvallen tot afwijkende gebeurtenissen die significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen hebben. In navolging daarvan verplicht de regeling in dit omgevingsplan er niet toe om het bevoegd gezag te informeren over gebeurtenissen die afwijken van het normale verloop van een activiteit maar die geen significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Zie voor verdere uitleg over ongewone voorvallen afdeling 3.6 van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bal.

Het tweede lid bepaalt dat de informatieplicht niet geldt bij milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij wonen. Het Bal bevat zelf al een informatieplicht voor ongewone voorvallen. Ongewone voorvallen bij de activiteit wonen komen zelden voor, en ook in het oude recht gold daarvoor geen informatieplicht.

Artikel 22.50 Gegevens en bescheiden bij een ongewoon voorval

In dit artikel is omschreven welke gegevens en bescheiden over het ongewoon voorval aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt, zodra deze informatie beschikbaar is. Dat hoeft dus niet met dezelfde spoed als het informeren over het ongewone voorval zelf.

§ 22.3.2 Energiebesparing

Artikel 22.51 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is niet van toepassing op activiteiten die in afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal aangewezen zijn als milieubelastende activiteiten. Voor die activiteiten gelden de artikelen van paragraaf 5.4.1 van het Bal.

De milieubelastende activiteiten die zijn aangewezen in afdeling 3.2 van het Bal, de bedrijfstakoverstijgende activiteiten, vallen wel onder deze paragraaf van dit omgevingsplan. De activiteiten van afdeling 3.2 van het Bal waren onder het oude recht zelden een zelfstandige inrichting, maar meestal onderdeel van een grotere inrichting. Onder het stelsel van de Omgevingswet zijn ze meestal onderdeel van een grotere milieubelastende activiteit. Activiteiten, anders dan de activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal, zijn ofwel geregeld in het Bal in de afdelingen 3.3 en verder, ofwel in het omgevingsplan.

Als een richtingaanwijzer in het Bal de energiemodule aanwijst voor een bepaalde activiteit en daarbij ook een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal plaatsvindt, dan is de energiemodule ook van toepassing op de activiteit uit afdeling 3.2, die dan immers een functioneel ondersteunende activiteit is.

De regels van deze paragraaf gelden voor milieubelastende activiteiten waarbij het energieverbruik van alle milieubelastende activiteiten die worden verricht op dezelfde locatie en die de milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen, in het voorafgaande jaar, gezamenlijk gelijk is aan of groter dan 50.000 kWh aan elektriciteit en 25.000 m3 aardgasequivalenten aan brandstoffen. Hierbij moeten de activiteiten die in afdeling 3.2 van het Bal zijn geregeld ook worden meegenomen. Dus als bijvoorbeeld een supermarkt of horecagelegenheid een activiteit uit afdeling 3.2 van het Bal verricht, dan gelden ook daarvoor de energiebesparingsregels van dit omgevingsplan, tenzij het energieverbruik van de activiteiten op de locatie, gezamenlijk niet boven de drempel uitkomt.

Activiteiten uit afdeling 3.2 van het Bal die zelfstandig boven de drempel kunnen uitkomen, zoals de zuiveringsvoorziening uit paragraaf 3.2.17 van het Bal, waren in de regel onder het oude recht een inrichting, zodat het logisch is dat daarvoor de energiebesparingsregels uit dit omgevingsplan gelden.

Overigens is de gelding van deze paragraaf beperkt tot 1 december 2023. Dit hangt samen met het beleidsvoornemen om in het kader van de voorziene regelgeving over de actualisatie van de energiebesparingsplicht alsnog op rijksniveau ook voor bepaalde milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in de afdelingen 3.3 tot en met 3.11 van het Bal regels over energiebesparing te stellen. Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 in Artikel 22.52 lid 4, dat betrekking heeft op de verplichting energiebesparende maatregelen te treffen, is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor genoemde voorziene regelgeving. Ook de gelding van Artikel 22.52a, dat betrekking heeft op het overgangsrecht voor de regels over energiebesparing zoals deze golden onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, is gekoppeld aan deze datum. Als een gemeente voor 1 december 2023 is overgegaan tot aanpassing van Artikel 22.52 of Artikel 22.52a van dit omgevingsplan, zal na die datum op grond van de geactualiseerde regels over energiebesparing in het Bal moeten worden bezien of deze regels in het omgevingsplan kunnen blijven voortbestaan als maatwerkregel.

De regels in deze paragraaf, die betrekking hebben op zogeheten procesgebonden energiebesparende maatregelen, laten onverlet de regels over de zogeheten gebouwgebonden energiebesparende maatregelen, zoals deze zijn gesteld in de artikelen 3.84, 3.84a en 3.84b van het Bbl.

Artikel 22.52 Energie: maatregelen

Dit artikel vervangt artikel 2.15 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Deze paragraaf is overgenomen uit paragraaf 5.4.1 van het Bal. Zie de bij die paragraaf horende toelichting voor een uitleg van deze artikelen.

Het bevoegd gezag kan, als aannemelijk is dat niet wordt voldaan aan dit artikel, met een maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een onderzoek verlangen waaruit blijkt of aan dit artikel wordt voldaan.

Bijlage VII, onderdeel 16, bij de Omgevingsregeling bevat energiebesparende maatregelen die kunnen worden getroffen.

Artikel 22.52a Energie: overgangsrecht maatregelen en informatieplicht

Dit artikel bevat overgangsrecht voor milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van Paragraaf 22.3.2 van dit omgevingsplan vallen en waarvoor al op grond van het recht voor de Omgevingswet – in concreto artikel 2.15, tweede, tiende of elfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer – door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht aan het bevoegd gezag is verstrekt of had moeten worden verstrekt.

Dit overgangsrecht heeft in de eerste plaats tot gevolg dat tot 1 december 2023 kan worden volstaan met het treffen van de energiebesparende maatregelen, bedoeld in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is inclusief de bijbehorende regels en bijlagen uit afdeling 2.5 van de Activiteitenregeling milieubeheer, zoals de lijst met erkende energiebesparende maatregelen, de rekenmethode voor de terugverdientijd en de rekenmethode voor de hoeveelheid aardgasequivalent. In Artikel 22.52a lid 2, is in dat licht gedurende de periode, bedoeld in het Artikel 22.52 lid 1 op de betreffende milieubelastende activiteiten niet van toepassing verklaard.

Daarnaast volgt uit dit overgangsrecht dat als voor een onder het toepassingsbereik vallende milieubelastende activiteit die is gestart voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet door het betrokken bedrijf of de betrokken instelling een rapportage informatieplicht had moeten worden verstrekt, maar dat nog niet is gebeurd, tot 1 december 2023 nog steeds in overeenstemming met de daaraan in artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit milieubeheer gestelde eisen aan de informatieplicht moet worden voldaan.

Met het opnemen van de datum van 1 december 2023 als einddatum voor het overgangsrecht is aansluiting gezocht bij de datum van het van toepassing worden van de geactualiseerde regels over energiebesparing zoals deze is opgenomen in de hiervoor in de Artikel 22.51 genoemde voorziene regelgeving.

§ 22.3.3 Zwerfafval

Het Bal regelt een groot aantal handelingen met afvalstoffen. Zie onder andere paragraaf 3.2.13 (Opslaan, mengen, scheiden en verdichten van bedrijfsafval of gevaarlijk afval voorafgaand aan inzameling of afgifte) en paragraaf 3.5.11 (Verwerken van bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen).

De voorschriften van afdeling 2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende onderdelen van de Activiteitenregeling milieubeheer, die niet zijn opgegaan in het Bal zijn terecht gekomen in deze paragraaf van het omgevingsplan. Dit is alleen de bepaling over zwerfafval.

Artikel 22.53 Afval: zwerfvuil

Dit artikel is een nadere invulling van de specifieke zorgplicht uit dit omgevingsplan of uit artikel 2.11 van het Bal. Anders dan onder het oude recht, geldt dit artikel ook voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten.

De voorrangsbepaling van Artikel 22.1 lid 2 van dit omgevingsplan is ook relevant voor deze vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Als het aspect zwerfafval bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet al in een voorschrift van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit is geregeld, is deze omgevingsplanregel niet van toepassing.

§ 22.3.4 Geluid

Immissiewaarden versus emissiebeperkende maatregelen

Deze paragraaf bevat regels die zien op de immissie van het geluid, veroorzaakt door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Voor enkele milieubelastende activiteiten zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat dat besluit regels om geluidemissie te voorkomen. Bijvoorbeeld een verplichting om de werkzaamheden binnen uit te voeren. Voor de milieubelastende activiteiten die niet zijn aangewezen in het Bal, zijn in dit omgevingsplan geen emissiebeperkende maatregelen opgenomen. Als het opleggen van (extra) maatregelen ter voorkoming van geluidemissie nodig is, dan kan dit met een maatwerkvoorschrift.

Vergunningplichtige activiteiten en de Handreiking Industrielawaai en vergunningverlening

De geluidparagraaf geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het toepassingsbereik van deze afdeling vallen. Wel is er in Artikel 22.1 lid 2 van dit omgevingsplan een voorrangsbepaling opgenomen voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend.

De geluidparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, geluidnormen en andere geluidvoorschriften opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten.

Voor het vaststellen van geluidvoorschriften in de omgevingsvergunning werd meestal de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gebruikt. Voor zowel vergunningverlening als het stellen van maatwerkvoorschriften bevat deze handreiking informatie. De handreiking bevat (onder meer in hoofdstuk 4) ook nu nog informatie die kan helpen bij het stellen van regels in het omgevingsplan of voorschriften voor activiteiten.

§ 22.3.4.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.54 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw. Alleen geluidgevoelige gebouwen die op een locatie toegelaten zijn op grond van het omgevingsplan of via een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, worden beschermd tegen het geluid veroorzaakt door een activiteit.

Activiteiten

Dit artikel geldt in beginsel voor alle milieubelastende activiteiten die onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude Wet milieubeheer begrip inrichting te vangen. Zie daarover meer in de Divisie Tweede lid. De geluidvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen.

Dat betekent dat het geluid door activiteiten die buiten het algemene toepassingsbereik van deze afdeling vallen, niet hoeft te voldoen aan de bepalingen van deze geluidparagraaf. Voor die activiteiten blijven op grond van artikel 22.4 van de Omgevingswet onder meer de regels gelden over geluidhinder uit de Algemene Plaatselijke Verordening.

Ook is er in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan een algemene voorrangsbepaling opgenomen. Het eerste lid van dat artikel bevat een voorrangsregel voor geluidregels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, op grond van artikel 22.1, onder a van de Omgevingswet, voor zover die regels afwijken van de geluidregels in deze paragraaf van dit omgevingsplan. Een voorbeeld hiervan zijn afwijkende geluidwaarden in een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte op grond van de voormalige Crisis- en herstelwet.

Het Artikel 22.1 lid 2 van dit omgevingsplan bevat een voorrangbepaling voor vergunningvoorschriften in een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit die op grond van het oude recht is verleend. De geluidvoorschriften uit die vergunningen krijgen voorrang op de geluidregels in dit omgevingsplan.

Geluidgevoelig gebouw en geluidgevoelige ruimte

Onder de Omgevingswet zijn begrippen geüniformeerd. Dat betekent dat voor sommige begrippen een nieuwe definitie geldt. Meestal is daar geen beleidsmatige verandering in bedoeld, maar soms kan de nieuwe definitie wel een iets andere uitwerking hebben.

Zo wordt niet meer gesproken over een gevoelig gebouw of een gevoelig object. In plaats daarvan wordt gesproken over een geluidgevoelig gebouw.

Of een gebouw geluidgevoelig is, is afhankelijk van de gebruiksfuncties van dat gebouw. Zo wordt onder de Omgevingswet gesproken van een gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, in plaats van over een woning.

In bestemmingsplannen werden specifieke ruimtes vaak niet bestemd. Het hele gebouw heeft dan dezelfde bestemming. Hierdoor kan in bestaande situaties een verandering ontstaan in de plaats waar de geluidwaarde geldt. Denk aan een aan- of inpandige garage, die wel een nevengebruiksfunctie van wonen heeft, maar geen verblijfsruimte is. De geluidwaarde geldt dan op de gevel van die garage.

Overigens is het begrip geluidgevoelige ruimte in het Bkl ook anders gedefinieerd dan in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een geluidgevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van de aangewezen gebruiksfuncties.

In de praktijk kunnen zodoende kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat het geluid van een activiteit niet geldt op een geluidgevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

De aanwezigheid van een tijdelijk geluidgevoelig gebouw kan wel aanleiding zijn voor het (met maatwerk) opleggen van een andere waarde dan de standaardwaarde of voor het opleggen van maatregelen of gedragsvoorschriften. De specifieke zorgplicht voor een milieubelastende activiteit is ook van toepassing op geluid door een activiteit op deze tijdelijke geluidgevoelige gebouwen.

Tweede lid, onderdeel c

Een gevel kan bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen met toepassing van de artikelen 5.78y of 5.78aa van het Bkl, als niet-geluidgevoelige gevel in het omgevingsplan worden aangemerkt. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op de artikelen 5.78y en 5.78aa in het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Deze niet-geluidgevoelige gevels vervangen in het nieuwe stelsel de gevels die onder de voormalige Wet geluidhinder als «doof» werden aangemerkt of waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering werd afgeweken van de wettelijke norm.

In het overgangsrecht van het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet is in artikel 12.17 bepaald dat onder «niet-geluidgevoelige gevel» ook wordt verstaan een gevel die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is aangemerkt als zogenoemde «dove gevel», evenals een gevel waarvoor de Interimwet stad-en-milieubenadering is toegepast. Ook die gevels blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet niet geluidgevoelig.

Derde lid, onderdeel a

Voor activiteiten met verplaatsbare mijnbouwwerken als bedoeld in artikel 4.1116 van het Bal worden geluidwaarden gesteld in paragraaf 4.109 «Werkzaamheden met verplaatsbaar mijnbouwwerk» van het Bal.

Derde lid, onderdeel b

Geluid door spoorvoertuigen op spoorwegemplacementen valt niet onder de regels van deze paragraaf. Andere geluiden door een spoorwegemplacement, zoals geluid door het wassen van de treinwagons, vallen wel onder deze paragraaf.

Voor het geluid door wegverkeersbewegingen van en naar een spoorwegemplacement geldt de specifieke zorgplicht uit Artikel 22.44 lid 3, onder a, van dit omgevingsplan.

Vierde lid

Een winkel was onder het oude recht vaak geen Wet milieubeheer-inrichting. De regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden daarom niet voor activiteiten bij detailhandel. Winkels vielen wel onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer als de volgende installaties aanwezig waren:

  • elektromotoren met een opgeteld vermogen groter dan 1,5 kW (bijvoorbeeld in automatische rolluiken of airco’s); of

  • stookinstallaties met een opgeteld thermisch vermogen van meer dan 130 kW.

Met dit artikel wordt voorkomen dat de geluidwaarden uit deze paragraaf gaan gelden voor die winkels waarvoor de geluidnormen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet golden.

Wel geldt voor deze winkels de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan.

Artikel 22.55 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

De uitzondering in Artikel 22.54 lid 2, onder b, voor een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw, geldt alleen voor een geluidgevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.59, tweede lid van het Bkl.

Voor een geluidgevoelig gebouw dat al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten geldt de uitzondering niet. Zo’n gebouw valt wel binnen het toepassingsbereik van deze paragraaf en hiervoor blijft wel een waarde gelden voor het geluid door een activiteit op de gevel van een tijdelijk toegelaten geluidgevoelig gebouw.

De reden voor het uitzonderen is dat onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer de geluidnormen wel golden voor gebouwen waarvoor het tijdelijk toegelaten is om ze te gebruiken als geluidgevoelig gebouw.

Zie het schema in de volgende alinea voor een overzicht van de gevallen waarin een waarde voor geluid geldt bij verschillende situaties van geluidgevoelige gebouwen die tijdelijk toegelaten zijn versus activiteiten.

Tweede lid

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen geprojecteerde en in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen geen bescherming tegen geluid van milieubelastende activiteiten. Dit is wel zo bij de instructieregels van het Bkl. De geluidwaarde geldt dan op de locatie waar volgens het omgevingsplan of de omgevingsvergunning de gevel van het gebouw gebouwd mag worden. Omdat de voormalige bestemmingsplannen van rechtswege zijn overgegaan in omgevingsplannen, zou toetsing op een geprojecteerd gebouw ertoe kunnen leiden dat een bestaande activiteit opeens niet meer voldoet aan de geluideisen. In de transitieperiode is dit ongewenst: voor rechtmatige bestaande situaties moeten niet ineens strengere waarden voor geluid gaan gelden. Daarom is in de omgevingsplanregels van rijkswege, voor situaties die al toegestaan zijn voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de uitzondering opgenomen dat onder een geluidgevoelig gebouw niet wordt verstaan een geprojecteerd gebouw of een geluidgevoelig gebouw in aanbouw.

Het uitgangspunt voor het overgangsrecht is dat de initiatiefnemer onder dezelfde condities zijn activiteit moet kunnen blijven voortzetten. Als na de inwerkingtreding van de Omgevingswet een nieuw geluidgevoelig gebouw wordt toegelaten bij een bestaande activiteit, of een nieuwe activiteit begint bij een bestaand geluidgevoelig gebouw, gelden al wel de nieuwe regels. Dit verschil werkt ook door naar de omgevingsplanregels van rijkswege.

Schema: of waarden voor geluid gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geluidgevoelig gebouwen versus situatie activiteiten

Geluidgevoelig gebouw

Activiteiten

al rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

nog niet rechtmatig verricht voor inwerkingtreding van de Omgevingswet

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn wel van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

de waarden voor geluid uit Paragraaf 22.3.4 zijn niet van toepassing

Artikel 22.56 Geluid: meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvinden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de geluidregels voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.58 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling over de milieubelastende activiteit uit te breiden. Bijvoorbeeld met het geluid van een landbouwvoertuig op een akker. Deze bepaling trekt die activiteit niet alsnog «binnen» de activiteit.

Directe hinder, laden en lossen versus indirecte hinder

Ook activiteiten die niet hoofzakelijk op de locatie van het terrein van een bedrijf plaatsvinden, maar in de onmiddellijke nabijheid daarvan, kunnen onderdeel zijn van een activiteit in de zin van dit artikel. Dit wordt beschouwd als «directe hinder». Een voorbeeld hiervan zijn laad- en losactiviteiten die op de openbare weg worden uitgevoerd. Het geluid van dit laden en lossen moet dus ook voldoen aan de waarde voor geluid van een activiteit, zoals opgenomen in deze paragraaf. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de geluidnormen ook voor deze activiteiten in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting.

De geluidvoorschriften in deze paragraaf gelden dus voor het geluid dat beschouwd wordt als «directe hinder». Geluid, veroorzaakt door het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit (totdat het is opgenomen in het heersende verkeersbeeld) wordt beschouwd als «indirecte hinder». Voor indirecte hinder geldt alleen de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 lid 3 van dit omgevingsplan. Zie ook de Divisietekst Derde lid.

Overigens was het onder het oude recht ook afhankelijk van de omstandigheden van het geval wanneer laden en lossen overgaat in het verkeer van personen en goederen van en naar de activiteit. Deze omgevingsplanregels van rijkswege brengen hier geen verandering in.

Artikel 22.57 Geluid: waar waarden gelden

Dit artikel is gebaseerd op artikel 5.60 van het Bkl. Kortheidshalve wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij dat besluit.

Onderdeel c

Net als voorheen worden de ligplaatsen van woonschepen en de standplaatsen van woonwagens beschermd tegen geluidhinder. Anders dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden woonschepen en woonwagens wel als geluidgevoelig gebouw aangemerkt en wordt daarvoor niet de aparte benaming «gevoelige terreinen» gehanteerd. Dit artikel bepaalt vervolgens dat de waarden voor geluid voor woonschepen en woonwagens geldt op de grens van de locatie. Langs andere weg wordt daarmee hetzelfde bereikt.

In bijlage I bij het Bkl is een woonschip gedefinieerd als «drijvende woonfunctie op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen als een ligplaats voor een woonschip».

In bijlage I bij het Bbl wordt onder een woonwagen verstaan: woonfunctie op een locatie bestemd voor het plaatsen van een woonwagen.

Artikel 22.58 Geluid: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid niet van toepassing zijn op geluid door een activiteit, op of in een geluidgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.61 van het Bkl.

Artikel 22.59 Geluid: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geluid op of in een geluidgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor het geluid door die agrarische activiteit op dat geluidgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen geluid, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit in het geval van een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor de woning waar het om gaat (of een ander geluidgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet in de vorm van geluidwaarden, tegen geluidhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor geluid uit dit tijdelijke deel van het omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.62 van het Bkl. Dat artikel biedt ruimere mogelijkheden bij geluidgevoelige gebouwen met een voormalige functionele binding. Deze ruimere mogelijkheden zijn niet opgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.62 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.60 Geluid: onderzoek

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). In de gevallen waarvoor bij de specifieke bepalingen een plicht is opgenomen tot het indienen van een akoestisch rapport, leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een specifieke mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij besluit ook voor andere activiteiten een geluidonderzoek te eisen. Deze mogelijkheid heeft het bevoegd gezag nog steeds, via de maatwerkmogelijkheid in Artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat het geluidsniveau of het maximale geluidsniveau meer bedraagt dan de waarden die gelden voor de activiteit op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning. Het gaat om gevallen waarin gelet op de te verwachten bronvermogens en afstanden tot gevoelige gebouwen het aannemelijk is dat de normen zullen worden overschreden.

De maatwerkmogelijkheid kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien.

In sommige gevallen kan het voor zonebeheer noodzakelijk zijn de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een gezoneerd industrieterrein te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden, genoemd in dit omgevingsplan, een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden.

Artikel 22.61 Gegevens en bescheiden: rapport geluidonderzoek

Ten minste vier weken voor het begin of wijziging van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag versterkt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in Artikel 22.46 worden verstrekt.

Artikel 22.61a Gegevens en bescheiden

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een gezoneerd industrieterrein.

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van Artikel 22.60 en Artikel 22.61 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het zonebeheer. Op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het tweede lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in Artikel 22.61a van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

§ 22.3.4.2 Geluid door activiteiten, anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.62 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf geldt voor activiteiten waarvoor waarden voor langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAR,LT) of het maximaal geluidsniveau (LAmax) gesteld worden. Voor windturbines en buitenschietbanen worden voor geluid andere waarden gesteld, namelijk voor Lden en Lnight en geluid Bs,dan.

Tweede lid

Deze paragraaf is niet van toepassing op geluid dat niet representatief is voor een activiteit. Uitgangspunt is dat elke activiteit onderdeel is van de representatieve bedrijfssituatie en het geluid van elke activiteit representatief geluid is. Niet representatief geluid is alleen het geluid door een uitzonderlijke bedrijfssituatie, dat in een maatwerkbesluit als zodanig is aangemerkt.

Het is aan het oordeel van het bevoegd gezag wat een uitzonderlijke bedrijfssituatie is. In paragraaf 4.2 van bijlage IVh van de Omgevingsregeling zijn richtlijnen gegeven die daarbij kunnen worden toegepast. Hiermee wordt – grofweg – de situatie uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de Handleiding meten en rekenen industrielawaai voortgezet dat incidentele bedrijfssituaties niet worden meegenomen bij het bepalen van het geluid. In het voormalige Activiteitenbesluit is een incidentele bedrijfssituatie een bedrijfssituatie waarvoor op grond van artikel 2.20, zesde lid, andere waarden zijn vastgesteld.

Voor het geluid dat niet representatief is voor een activiteit kan het bevoegd gezag als dat nodig is, wel regels stellen, bijvoorbeeld waarden, tijdstippen of werkwijzen voor de gebeurtenissen die het niet-representatieve geluid veroorzaken. Artikel 5.59 van het Bkl bepaalt namelijk dat het omgevingsplan erin moet voorzien dat ook het niet-representatieve geluid aanvaardbaar is.

Derde lid

In het toepassingsbereik worden windparken met 3 of meer windturbines expliciet uitgesloten, omdat zij ook niet vallen onder SubParagraaf 22.3.4.3 over het geluid door windturbines.

Artikel 22.63 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen

Eerste lid

Het eerste lid bepaalt hoeveel geluid toelaatbaar is op de gevel van een geluidgevoelig gebouw en komt overeen met de geluidnormen die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden.

In de instructieregels van het Bkl zijn geen normen meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode.

Tweede lid

Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kende in artikel 2.17, derde lid, de regeling dat voor geluidgevoelige gebouwen op Activiteitenbesluit-bedrijventerreinen (geen gezoneerde industrieterreinen zijnde) het beschermingsniveau op de gevel 5 dB(A) lager ligt. Om te voorkomen dat activiteiten opeens niet meer aan de geluidwaarden voldoen, is deze regeling in het tweede lid van dit artikel overgenomen. In bijlage I bij de omgevingsplanregels van rechtswege is een begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein opgenomen. Het Bkl biedt in artikel 5.65, tweede lid, voor zulke bedrijventerreinen de mogelijkheid om een 5 dB(A) hogere waarde te stellen.

Derde lid

In de instructieregels (artikel 5.65) van het Bkl zijn de geldende binnenwaarden opgenomen voor in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Deze komen, voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, overeen met de waarden zoals deze op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden. In de instructieregels van het Bkl zijn geen waarden meer opgenomen voor het LAmax in de dagperiode, en de waarden in de avondperiode zijn strenger dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Om te voorkomen dat in de transitieperiode andere waarden voor de activiteiten gaan gelden, zijn in dit artikel de waarden uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer overgenomen.

Vierde lid

Het vierde lid gaat in op de piekgeluiden die veroorzaakt worden door het laden en lossen in de dagperiode. Laden en lossen valt via Artikel 22.41 (algemeen toepassingsbereik) en Artikel 22.56 (meerdere activiteiten beschouwen als één activiteit) onder de activiteit, en daarmee onder de geluidwaarden die in de tabellen zijn gesteld. Dat geldt dus ook voor laden en lossen dat op de openbare weg («in de onmiddellijke nabijheid van») plaatsvindt. Om te voorkomen dat in de periode waarin de gemeenten hun omgevingsplannen nog niet hebben aangepast aan de Omgevingswet, het overdag laden en lossen onder de norm voor het piekgeluid gaat vallen, is het vierde lid toegevoegd. Dit lid bepaalt uitdrukkelijk dat – net als onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer- voor het laden en lossen in de dagperiode geen geluidwaarden voor het piekgeluidniveau gelden. Ook het Bkl geeft geen afzonderlijke waarden voor de piekniveaus in de dagperiode, en dus ook niet voor de piekniveaus van het laden en lossen.

Artikel 22.64 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: tankstation

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit artikel geldt alleen voor bedrijven die uitsluitend of in hoofdzaak een inrichting voor verkoop van brandstoffen aan derden zijn. Door het vervangen van het begrip Wet milieubeheer- inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor is het tankstation nu omschreven als het bieden van gelegenheid voor het tanken van motorvoertuigen van derden. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

Het Bkl gaat in de instructieregels niet meer uit van een apart geluidregime met afwijkende dagperioden voor tankstations. Wel zijn er op grond van de flexibiliteitsbepalingen van deze instructieregels mogelijkheden om in het omgevingsplan rekening te houden met de bijzondere kenmerken van het geluid bij een tankstation, zoals de pieken bij dichtslaan van autoportieren, als het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen maar aanvaardbaar is en er voldaan wordt aan de grenswaarden in het Bkl. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.65 Geluid: waarden voor geluidgevoelige gebouwen: agrarische activiteit, niet zijnde een glastuinbouwbedrijf dat is gelegen in een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, vijfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het begrip agrarische activiteiten wordt in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat om activiteiten die betrekking hebben op gewassen of landbouwhuisdieren voor zover deze geteeld of gekweekt respectievelijk gefokt, gemest, gehouden of verhandeld worden. Daaronder wordt ook verstaan agrarisch gemechaniseerd loonwerk zoals het uitvoeren van cultuurtechnische werken, mestdistributie, grondverzet of soortgelijke dienstverlening.

Dit artikel geldt alleen voor bedrijven of andere locaties waar uitsluitend of in hoofdzaak agrarische activiteiten of activiteiten die daarmee verband houden worden verricht. Door het vervangen van het Wet milieubeheer begrip inrichting door activiteiten is het niet meer mogelijk gebruik te maken van dit zogenoemde hoofdzaakcriterium. Daarvoor in de plaats wordt gesteld dat het moet gaan om een activiteit waarvan agrarische activiteiten de kern vormen. Hiermee is geen inhoudelijke wijziging beoogd.

In navolging van het voormalige Besluit landbouw milieubeheer en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer worden voor de in het eerste lid genoemde activiteiten mobiele bronnen niet meegewogen bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. Daarom zijn de waarden in tabel 22.3.5, die zien op het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau, alleen van toepassing op de vast opgestelde installaties en toestellen. De waarden voor maximale geluidsniveaus zijn van toepassing op alle bronnen: vast en mobiel.

Voor het geluid van deze mobiele installaties geldt alleen de specifieke zorgplicht. Voor agrarische bedrijven die bij inwerkingtreding van de Omgevingswet een omgevingsvergunning voor milieuactiviteiten hebben, blijven op grond van artikel 22.1, de voorschriften van de omgevingsvergunning gelden.

Belangrijke verschillen tussen dit artikel en de instructieregels voor geluid van het Bkl zijn:

  • Dit artikel geeft standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en afwijkende tijdsperioden voor agrarische activiteiten. De instructieregels van het Bkl kennen voor agrarische activiteiten niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is.

  • In dit artikel gelden de standaardwaarden niet voor mobiele installaties. De standaardwaarden van het Bkl gelden ook voor de mobiele installaties bij een agrarisch bedrijf als die vallen onder de representatieve bedrijfsituatie.

  • Akkers en weilanden zijn voor de toepassing van dit artikel geen onderdeel van de activiteit. De instructieregels van het Bkl gaan over al het geluid van locatiegebonden activiteiten, als dat geluid representatief is voor die activiteit.

In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw deel van het omgevingsplan heeft vastgesteld

Artikel 22.66 Geluid: waarde voor geluidgevoelige gebouwen: glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, zesde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De begrippen glastuinbouwbedrijf en glastuinbouwgebied worden in dit omgevingsplan niet meer specifiek gedefinieerd. Het gaat dan respectievelijk om een activiteit die in de kern bestaat uit het in een kas telen van gewassen en een cluster aaneengesloten percelen voor glastuinbouwbedrijven.

De instructieregels van het Bkl kennen voor geluid door glastuinbouwbedrijven niet standaard 5 dB(A) lagere geluidwaarden en ook geen afwijkende tijdsperioden. Het Bkl biedt wel de mogelijkheid om een agrarisch gebied aan te wijzen waar de toelaatbare waarde 5 dB(A) lager is. In dit artikel wordt het onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer geldende geluidregime overgenomen, zodat de geluidsituatie niet verandert zolang de gemeente nog geen nieuw omgevingsplan heeft vastgesteld.

Artikel 22.67 Geluid: waarden bij of krachtens een voor inwerkingtreding van de Omgevingswet vastgestelde gemeentelijke verordening

In artikel 2.17, zevende lid, juncto 2.17a, vijfde lid, en de artikelen 2.18, vijfde lid, en 2.19a, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond een mogelijkheid om bij of krachtens een gemeentelijke verordening hogere of lagere normen te laten gelden, dan de standaardnormen. Op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet blijven die regels zoals opgenomen in een gemeentelijke verordening (in veel gevallen in de Algemene Plaatselijke Verordening) nog gelden. Artikel 22.67 van dit omgevingsplan zorgt ervoor dat de waarden uit die verordening, voorrang hebben op de waarden zoals opgenomen in dit (tijdelijk deel) van het Omgevingsplan.

Artikel 22.68 Geluid: waarden op drijvende woonfunctie voor 1 juli 2012

Dit artikel is een voortzetting van het overgangsrecht voor ligplaatsen, zoals was opgenomen in artikel 2.17, vierde lid, onder d, vijfde lid, onder f, en het zesde lid, onder d, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het in de Artikel 22.63 lid 1, Artikel 22.64 lid 1, Artikel 22.65 lid 1 en Artikel 22.66 lid 1 opgenomen langtijdgemiddelde beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau wordt verhoogd met 5 dB(A). Deze verhoging geldt voor drijvende woonschepen die als zodanig voor 1 juli 2012 in dit omgevingssplan zijn toegelaten èn voor drijvende woonfuncties die voor 1 juli 2012 waren opgenomen in een gemeentelijke verordening en nadien, maar voor 1 juli 2022, alsnog zijn opgenomen in een omgevingsplan.

Artikel 22.69 Geluid: eerbiedigende werking

Deze bepaling geldt ter vervanging van artikel 2.17a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de meeste algemene maatregelen van bestuur op grond van het vervallen artikel 8.40 Wet milieubeheer, zoals het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer, was een overgangsbepaling opgenomen die teruggreep op zogenaamde «8.40-AMvB’s» die daarvóór in werking waren. Dit lid is van toepassing op activiteiten die worden verricht op de locatie van inrichtingen die onder de werking van die oudere besluiten vielen. Voor deze activiteiten worden de waarden in tabel 22.3.1 (standaard) en tabel 22.3.7 (glastuinbouwbedrijf binnen een glastuinbouwgebied) met 5 dB(A) verhoogd, tenzij voordien volgens een milieuvergunning lagere waarden golden. Overigens wordt in artikel 2.17a, eerste tot en met derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer abusievelijk verwezen naar artikel 2.17, in plaats van artikel 2.17a.

Artikel 22.70 Geluid: buiten beschouwing laten van geluidbronnen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, eerste tot en met vierde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Eerste lid, onderdeel a

Net als in artikel 5.73, eerste lid, onder a, van het Bkl is bepaald dat de geluidwaarden die in het omgevingsplan zijn opgenomen geen betrekking hebben op het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen. Dat geldt voor het gemiddelde geluidniveau en voor het maximale geluidniveau. Deze uitzondering geldt alleen voor de spoedeisende inzet en dus niet voor het geluid als gevolg van niet-spoedeisende inzet van hulpvoertuigen of bijvoorbeeld het onderhouden en testen van die voertuigen.

Anders dan in artikel 2.22 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, gaat deze omgevingsplanregel ook over geluid van traumahelikopters en over het Langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT.

De mogelijkheid om met maatwerkvoorschriften gebruiksregels op te nemen geldt niet voor de inzet van motorvoertuigen of helikopters voor spoedeisende medische hulpverlening, ongevallenbestrijding, brandbestrijding, gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Zie de toelichting bij de artikelen 5.71 en 5.72 van het Bkl voor een verduidelijking.

Op grond van artikel 2.22, tweede lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het mogelijk om maatwerkvoorschriften te stellen over te treffen technische en organisatorische maatregelen bij het uitrukken van motorvoertuigen voor ongevallenbestrijding, spoedeisende medische hulpverlening, brandbestrijding of gladheidbestrijding en het vrijmaken van de weg na een ongeval. Dit is dus veranderd in de instructieregels van het Bkl en deze omgevingsplanregels van rijkswege.

Bij het toedelen van functies aan locaties betrekt de gemeenteraad wel al het geluid vanwege de toegelaten activiteiten bij de vraag of het geluidniveau op een bepaalde locatie aanvaardbaar is. Het feit dat er in het omgevingsplan, maatwerkvoorschrift of omgevingsvergunning geen waarden of maatregelen mogen worden opgenomen voor het geluid van de spoedeisende inzet van hulpvoertuigen, betekent dus niet dat die geluidbronnen bij de toepassing van artikel 5.59, eerste lid, van het Bkl buiten beschouwing mogen blijven.

Eerste lid, onderdelen b tot en met e

Voor onversterkt stemgeluid geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat het stemgeluid afkomstig van bijvoorbeeld onverwarmde of onoverdekte terrassen, schoolpleinen en sportvelden, buiten beschouwing wordt gelaten bij het beoordelen van de geluidwaarden veroorzaakt door een activiteit.

Op grond van de instructieregel in artikel 5.73 van het Bkl, moet onversterkt stemgeluid vaker buiten beschouwing worden gelaten dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en in deze omgevingsplanregels van rijkswege. Op grond van de instructieregel wordt onversterkt menselijk stemgeluid buiten beschouwing gelaten, tenzij het muziekgeluid is of daarmee vermengd is.

Eerste lid, onderdeel f

Voor geluid voor het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

In de Grondwet is bepaald dat iedereen het recht heeft zijn godsdienst of levensovertuiging individueel of in gemeenschap met anderen vrij te belijden. Wel kunnen volgens de Grondwet regels worden gesteld ter bescherming van de gezondheid, in het belang van het verkeer en ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden.

Eerste lid, onderdelen g en h

Bij het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang bij militaire inrichtingen en het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekkorpsen in de buitenlucht kan soms niet worden voldaan aan de waarden uit de artikelen in deze paragraaf. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid in de buitenlucht is het doorgaans niet mogelijk om maatregelen te treffen ter beperking van de geluidsemissie. Omdat het onwenselijk is deze activiteiten onmogelijk te maken, worden ze bij het bepalen van de geluidsniveaus buiten beschouwing gelaten.

Eerste lid, onderdelen i en j

Voor onversterkte muziek en traditioneel schieten geldt dat de omgevingsplanregels van rijkswege geen verandering teweegbrengen ten opzichte van de situatie onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit betekent dat onversterkte muziek en traditioneel schieten buiten beschouwing wordt gelaten, tenzij anders is bepaald in een Algemene Plaatselijke Verordening.

In de instructieregels van het Bkl wordt geen onderscheid meer gemaakt tussen versterkte en onversterkte muziek, wat betekent dat onder het Bkl, anders dan onder het oude recht, onversterkte muziek wél onder de standaardwaarden voor geluid valt. Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om bijvoorbeeld alsnog een splitsing aan te brengen tussen versterkte en onversterkte muziek. Deze flexibiliteit geldt ook voor traditioneel schieten.

Artikel 22.71 Geluid: waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.17, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De aanvullende eis van 50 dB(A) op 50 m geldt altijd, ongeacht of er een geluidgevoelig gebouw (buiten het gezoneerd industrieterrein) op minder dan 50 m vanaf de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, is gelegen.

Artikel 22.72 Geluid: maatregelen of voorzieningen bij stomen van grond

Dit artikel is een voortzetting van artikel 2.18, zesde tot en met achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het geluid dat wordt veroorzaakt door het stomen van grond met een installatie van derden wordt buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau. In bedrijven waar het systeem van substraatteelt niet wordt toegepast, maar waar in de grond wordt geteeld, moet op gezette tijden ontsmetting van de grond plaatsvinden. Dit geschiedt door de grond te stomen. Grondstomen vindt niet vaker dan enkele keren per jaar plaats. De frequentie hangt af van het te telen gewas. Gelet op de frequentie van het grondstomen en het feit dat het een activiteit is die door derden wordt uitgevoerd, kan deze activiteit niet worden beschouwd als een representatieve bedrijfssituatie zoals bedoeld in de «Handleiding meten en rekenen industrielawaai». Daarom blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, bedoeld in Artikel 22.63, het door deze activiteit veroorzaakte geluid buiten beschouwing. Het grondstomen wordt in de regel uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. Deze bedrijven plaatsen tijdelijk een mobiele installatie bij het tuinbouwbedrijf. Als het grondstomen met een eigen ketelinstallatie plaatsvindt, wordt het wel meegeteld bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus omdat die installatie een vast onderdeel is van de activiteit, vaker kan worden gebruikt en door degene die de activiteit verricht zodanig kan worden aangepast dat het geluid gereduceerd wordt.

Omdat het grondstomen dat plaatsvindt met een installatie van derden buiten beschouwing blijft bij het bepalen van de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus, moeten maatregelen of voorzieningen getroffen worden om de geluidhinder zo veel mogelijk te reduceren. De maatregelen of voorzieningen zijn in het tweede lid omschreven. Op grond van Artikel 22.45 kan het bevoegd gezag maatwerkvoorschriften stellen, waarmee de maatregelen of voorzieningen meer specifiek kunnen worden ingevuld.

Artikel 22.73 Geluid: festiviteiten

In artikel 2.21, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook een bevoegdheid voor gemeenten om bij of krachtens een gemeentelijke verordening voorwaarden te verbinden aan festiviteiten om geluidhinder te beperken of te voorkomen. Deze regels in een gemeentelijke verordening blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet gelden op grond van artikel 8.2.2 van het Invoeringsbesluit Omgevingswet. Ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet mag de gemeente voorwaarden verbinden aan festiviteiten in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening.

Artikel 22.74 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

§ 22.3.4.3 Geluid door windturbines

Artikel 22.75 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is een voorzetting van de regeling voor geluid veroorzaakt door windturbines uit paragraaf 3.2.3 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Deze paragraaf is niet van toepassing op nieuwe windparken met 3 of meer windturbines.

Artikel 22.76 Geluid: waarden windturbines

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stonden hele concrete maatwerkmogelijkheden voor geluid van windturbines. Die mogelijkheden zijn er nu op grond van de maatwerkmogelijkheid van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan. Die mogelijkheden worden begrensd door onder andere de instructieregels van het Bkl.

Artikel 22.77 Registratie gegevens windturbines

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.14e van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.

Die ministeriële regeling bevatte in de artikelen 3.14a tot en met 3.14d ook veel gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid door windturbines. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling. Een geluidonderzoek voor windturbines wordt wel in dit omgevingsplan voorgeschreven in Artikel 22.60.

Artikel 22.78 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai, verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid opgenomen in paragraaf 6.2.1.

§ 22.3.4.4 Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen

Artikel 22.79 Toepassingsbereik

De regeling voor buitenschietbanen in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is overgenomen in de omgevingsplanregels van rijkswege. Hierdoor ontstaat bij de invoering van de Omgevingswet geen rechtsvacuüm voor buitenschietbanen. Hoewel het toepassingsbereik in dit artikel iets anders wordt verwoord dan onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is geen beleidswijziging beoogd. Hieronder vallen dus nog steeds de civiele en militaire schietbanen, en het kleiduivenschieten, dat ook een civiele buitenschietbaan is waar met vuurwapens wordt geschoten. Daarnaast is het toepassingsbereik uitgebreid met militaire springterreinen. Geluid door militaire springterreinen werd onder het oude recht geregeld in de omgevingsvergunning voor milieu. In de Beleidsregel schietlawaai defensieterreinen staat een beoordelingswijze die overeenkomt met de beoordelingswijze voor buitenschietbanen.

Artikel 22.80 Geluid: waarden buitenschietbanen

In bijlage I bij het Bkl wordt het geluid Bs,dan gedefinieerd als: geluid op een plaats over alle dag-, avond- en nachtperioden van een jaar, berekend in overeenstemming met de bij ministeriële regeling aangewezen berekeningsmethode voor schietgeluid.

Artikel 22.81 Registratie gegevens buitenschietbanen

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.118a van de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer.

Die ministeriële regeling bevatte in artikel 3.118 ook gedetailleerde regels over de wijze van meten en rekenen van het geluid bij buitenschietbanen. Deze regels staan niet in dit omgevingsplan maar zijn opgenomen in de Omgevingsregeling.

In dit artikel is een registratieverplichting opgenomen. Aangezien het door de vele overdrachtsgegevens die deel uitmaken van de rekenmethodiek nauwelijks mogelijk is controlemetingen uit te voeren, wordt door de handhavende instanties gebruik gemaakt van het geregistreerde aantal schoten, het kaliber van de verschoten munitie en de dagdelen waarin deze verschoten is. Deze parameters komen overeen met die van het geluidonderzoek dat is voorgeschreven op grond van Artikel 22.60 van dit omgevingsplan. Op deze wijze is bestuursrechtelijk toezicht mogelijk van de akoestische belasting op de omgeving.

In de Omgevingsregeling zijn deze meet- en rekenbepalingen voor geluid voor buitenschietbanen opgenomen in artikel 6.9.

Artikel 22.82 Geluid: meet- en rekenbepalingen

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van meten van – en rekenen met industrielawaai verwezen naar de Handreiking meten en rekenen industrielawaai. Deze Handreiking meten en rekenen industrielawaai is nu verwerkt in de Omgevingsregeling. Deze meet- en rekenvoorschriften voor geluid blijven landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor geluid in paragraaf 6.2.1.

§ 22.3.5 Trillingen

Artikel 22.83 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf is van toepassing op de trillingen door een activiteit, in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Dit artikel geldt alleen voor activiteiten die ook onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling voor milieubelastende activiteiten, bedoeld in Artikel 22.41 vallen. Dat algemene toepassingsbereik probeert het oude begrip Wet milieubeheer-inrichting grotendeels te dekken. Zie daarover meer in de toelichting bij artikel 22.41. De trillingvoorschriften van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer waren alleen van toepassing op deze Wet milieubeheer-inrichtingen. Deze paragraaf is alleen van toepassing op activiteiten die trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz veroorzaken. Dat bleek onder het Activiteitenbesluit milieubeheer impliciet door de verwijzing naar normwaarden in de Meet- en beoordelingsrichtlijn B «Hinder voor personen» van de Stichting Bouwresearch.

De trillingparagraaf uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was niet van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen. Deze paragraaf van dit omgevingsplan is wel van toepassing op vergunningplichtige milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten werden voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, soms trillingnormen of andere voorschriften ter beperking van trillinghinder opgenomen in de omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten. Deze bestaande vergunningvoorschriften blijven op grond van artikel 4.13 van de Invoeringswet Omgevingswet gelden en hebben op grond van Artikel 22.1 lid 2 van dit omgevingsplan voorrang op de regels voor trillingen in deze paragraaf van dit omgevingsplan.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd bij de bescherming tegen trillinghinder verwezen naar de begrippen «geluidgevoelige ruimten» en «verblijfsruimten», bedoeld in de voormalige Wet geluidhinder. Het Bkl bevat eigen begrippen «trillinggevoelige gebouwen» en «trillinggevoelige ruimten». Deze gelden op grond van Artikel 1.1, lid 1, van dit omgevingsplan.

Overigens is het begrip trillinggevoelige ruimte in het Bkl wel anders gedefinieerd dan een geluidgevoelige ruimte in de voormalige Wet geluidhinder en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Zo heeft de oude regelgeving het over een keuken van ten minste 11 m2. Die ondergrens van 11 m2 vervalt. Een trillinggevoelige ruimte wordt gedefinieerd als een verblijfsruimte of verblijfsgebied van een aangewezen gebruiksfunctie. In de praktijk kunnen dus kleine verschillen optreden. Als dit bij toepassing van de omgevingsplanregels van rijkswege in een concreet geval een probleem oplevert, dan kan dit opgelost worden met maatwerkvoorschriften.

Tweede lid, onderdeel b

Met dit artikel wordt bepaald dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat tijdelijk is toegelaten.

Artikel 22.84 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

In Artikel 22.83 lid 2, onder b is de uitzondering opgenomen dat deze paragraaf niet geldt voor trillingen in een trillinggevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar.

Op grond van dit artikel, geldt die uitzondering alleen voor een trillinggevoelig gebouw dat na de inwerkingtreding van de Omgevingswet is toegelaten voor een duur van niet meer dan 10 jaar, waarbij getoetst is aan de kwalitatieve norm «aanvaardbaar» uit artikel 5.83, tweede lid, van het Bkl.

Artikel 22.85 Trillingen: meerdere activiteiten beschouwen als een activiteit

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer golden de trillingnormen voor de gehele inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. Dus voor het samenstel van activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Deze bepaling beoogt hetzelfde. Wanneer op een locatie meerdere, onderling samenhangende activiteiten worden verricht, gelden de waarden voor trillingen voor dit samenstel van activiteiten. Dit is bijvoorbeeld aan de orde als de activiteiten behoren tot een bedrijf. Dit artikel geeft aan welke clustering van activiteiten als één activiteit beschouwd moet worden. Dit kunnen twee milieubelastende activiteiten zijn die elkaar functioneel ondersteunen. Uit de systematiek van het Bal volgt al dat een milieubelastende activiteit die is aangewezen in de paragrafen 3.3 tot en met 3.11, bestaat uit de kernactiviteit, inclusief functioneel ondersteunende activiteiten. Dit is ook zo als die functioneel ondersteunende activiteiten zelf ook als milieubelastende activiteit in hoofdstuk 3 aangewezen zijn. Ook twee of meer milieubelastende activiteiten op één locatie die rechtstreeks met elkaar samenhangen en met elkaar in technisch verband staan worden op grond van dit artikel beschouwd als één activiteit.

De inhoud van dit artikel wijkt af van artikel 5.82 in het Bkl. Dit is gedaan om de omgevingsplanregels van rijkswege beter aan te laten sluiten bij de situatie zoals die was onder het oude recht.

Deze bepaling beoogt niet het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41, uit te breiden. Deze bepaling trekt een activiteit, zoals bijvoorbeeld landbouwvoertuigen op de weg, niet alsnog «binnen» de activiteit.

Artikel 22.86 Trillingen: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen niet van toepassing zijn op trillingen door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat functioneel verbonden is met de activiteit.

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.84 van het Bkl.

Artikel 22.87 Trillingen: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor trillingen in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor trillingen door die agrarische activiteit in dat trillinggevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen trillingen, veroorzaakt door andere omliggende activiteiten.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dit voor zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dit voor trillingen door een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b wordt in het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander trillinggevoelig gebouw), bepaald dat deze woning geen bescherming geniet via waarden tegen trillinghinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de waarden voor trillingen uit dit omgevingsplan, die gelden voor de agrarische activiteit, ook daadwerkelijk niet gaan gelden in de trillinggevoelige ruimten van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.85 van het Bkl.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.85 van het Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.88 Trillingen: waarden voor continue trillingen

Over de verhouding tussen de standaardwaarde A1 enerzijds en standaardwaarden A2 en A3 anderzijds wordt het volgende opgemerkt. Bij de continue trillingen moet in eerste instantie worden voldaan aan waarde A1 wat betreft het maximaal optredende trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vmax). Als daar niet aan kan worden voldaan, mag het maximaal optredende trillingniveau weliswaar hoger zijn dan waarde A1, namelijk A2, maar dan moet het gemiddelde trillingniveau (uitgedrukt als trillingssterkte Vper) wel onder een bepaalde waarde (A3) blijven. Met andere woorden: er wordt voldaan aan de waarden als:

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A1, of als

  • de waarde van de maximale trillingssterkte in een ruimte (Vmax) kleiner is dan A2 waarbij de trillingssterkte over de beoordelingsperiode voor deze ruimte (Vper) kleiner is dan A3.

Deze systematiek is een voortzetting van die onder het voorheen geldende recht. In artikel 2.23 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd verwezen naar tabel 2 van de Meet- en beoordelingsrichtlijn voor trillingen, deel B. Dat is de richtlijn Meet- en beoordelingsrichtlijnen voor trillingen, deel B «Hinder voor personen in gebouwen» van de Stichting Bouwresearch Rotterdam. De waarden voor continue trillingen zijn ontleend aan tabel 2 van deze richtlijn.

Degene die de activiteit verricht waardoor continue trillingen worden veroorzaakt, heeft dus de keuze tussen voldoen aan de waarden onder A1, of aan de waarden onder A2 én A3 zoals opgenomen in dit omgevingsplan.

Artikel 22.89 Trillingen: meet- en rekenbepalingen

Deze meet- en rekenvoorschriften voor trillingen worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan zijn dus in principe geen verwijzingen nodig naar deze meet- en rekenvoorschriften. Dit is in dit geval wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. In artikel 6.11 van de Omgevingsregeling staan deze meet- en rekenbepalingen voor trillingen.

§ 22.3.6 Geur

In paragraaf 22.3.6 wordt qua vorm zoveel mogelijk aangesloten bij die van de instructieregels in paragraaf 5.1.4.6 van het Bkl. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

§ 22.3.6.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.90 Toepassingsbereik

Eerste lid

Activiteiten

Deze paragraaf is van toepassing op geur door alle milieubelastende activiteiten die onder het algemeen toepassingsbereik, bedoeld in Artikel 22.41, van dit omgevingsplan vallen.

Geurgevoelige objecten

Deze paragraaf is van toepassing op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object.

Uit de begripsomschrijving in bijlage I bij dit omgevingsplan volgt dat een geurgevoelig object is:

  • 1.

    een geurgevoelig object zoals bedoeld in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij; en

  • 2.

    een geurgevoelig gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van dit omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteiten mag worden gebouwd.

Het begrip geurgevoelig gebouw is omschreven in artikel 5.91 van het Bkl.

Het begrip geurgevoelig object is anders dan het begrip geurgevoelig gebouw in het Bkl. Meer uitleg over het verschil tussen de twee begrippen staat in de toelichting op het begrip geurgevoelig object zoals opgenomen in bijlage I bij dit omgevingsplan.

Het Bkl biedt wel de flexibiliteit om het begrip geurgevoelig gebouw uit te breiden naar gebouwen die nu ook vallen onder het begrip geurgevoelig object. Het gaat hierbij om gebouwen waar hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Tweede lid

Dit artikel sluit aan bij artikel 5.90 van het Bkl. Daarin zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit.

Artikel 22.91 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.90 van het Bkl zijn geurgevoelige gebouwen die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over geur in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze gebouwen dezelfde bescherming tegen geurhinder als alle andere geurgevoelige objecten.

Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke geurgevoelige objecten die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming in de vorm van geurwaarden en afstandseisen blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van dit omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder geldende waarde of afstanden voor geur op het tijdelijke geurgevoelige gebouw aanvaardbaar is.

Tweede lid

Onderdeel b van het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde geurgevoelige gebouwen die op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor geur. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming voor geur aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of waarden of afstanden voor geur gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde geluidgevoelige gebouwen of tijdelijke geurgevoelig gebouwen of objecten

Geurgevoelig gebouw of object

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig object dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn wel van toepassing

geurgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar.

de waarden en afstanden voor geur zijn niet van toepassing

Artikel 22.92 Geur: waar waarden en tot waar afstanden gelden

Dit artikel regelt waar de waarden of afstanden gelden die voor geur door een activiteit op een geurgevoelig object gelden. Als het geurgevoelige gebouw al gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de gevel van het geurgevoelige gebouw (onderdeel a). Als het geurgevoelige gebouw nog niet gerealiseerd is, gelden de waarden of afstanden op of tot de plaats waar de gevel van het geurgevoelige gebouw mag worden gerealiseerd (onderdeel b).

Voor woonwagens en woonschepen geldt dat, anders dan bij andere geurgevoelige objecten, de waarden gelden op een begrenzing van de locatie. De woonwagen en het woonschip wordt dus niet zelf beschermd, maar de locatie waarop de woonwagen of het woonschip geplaatst kan worden. Dit heeft te maken met de verplaatsbaarheid van de woonwagen en het woonschip binnen de locatie en de lagere eisen aan de gevels van zulke gebouwen.

Dit artikel sluit aan bij de artikelen 5.93 en 5.94 van het Bkl.

Artikel 22.93 Geur: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de waarden voor geur niet van toepassing zijn op de geur door een activiteit op een geurgevoelig object dat een functionele binding heeft met die activiteit. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.95 van het Bkl.

Artikel 22.94 Geur: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat voor een geurgevoelig object dat voorheen onderdeel was van de Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, de afstanden en waarden voor geur door die agrarische activiteit niet gelden. Het gebouw blijft wel beschermd tegen geur, veroorzaakt door andere omliggende bedrijven.

Onderdeel a

Onderdeel a regelt dat de afstanden en waarden voor geur door een activiteit niet gelden voor de zogenaamde «plattelandswoningen» die in het tijdelijke deel van het omgevingsplan als zodanig zijn aangewezen. Dit was onder het oude recht bepaald in de bepalingen van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij (artikel 2, derde lid) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b regelt dat de afstanden en waarden voor geur voor een agrarische activiteit niet gelden voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Dit betekent dat in dit omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander geurgevoelig gebouw), wordt bepaald dat deze woning geen bescherming krijgt tegen geurhinder door de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, via waarden of afstanden.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet er vervolgens in dat de waarden en afstanden voor geur uit dit omgevingsplan die gelden voor de agrarische activiteit, niet gaan gelden op de gevel van de naastgelegen woning die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.96 Bkl.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.96 Bkl en paragraaf 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en paragraaf 8.1.3 onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.95 Geur: cumulatie

De bepalingen in deze paragraaf van het tijdelijke deel van het omgevingsplan stellen waarden of minimumafstanden voor geur voor een individuele activiteit. In de paragrafen voor het houden van landbouwhuisdieren gaat het om een waarde of minimumafstanden voor een individuele veehouderij en alleen vanwege dierenverblijven. Hierbij is geen rekening gehouden met cumulatie van geur, veroorzaakt door meerdere veehouderijen in een gebied of cumulatie door meerdere bronnen binnen de veehouderij. Cumulatie kan een reden zijn om strengere eisen te stellen dan de waarden of afstanden die afgeleid zij van een individuele activiteit. Op grond van het Bal is het houden van landbouwhuisdieren in veel gevallen vergunningplichtig. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit moet bij het beoordelen van de significante milieuverontreiniging, bedoeld in artikel 8.9 van het Bkl, rekening worden gehouden met cumulatie van geur. Dat kan leiden tot strengere vergunningvoorschriften dan de regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bij niet-vergunningplichtige veehouderijen kunnen strengere eisen zo nodig in een maatwerkvoorschrift worden vastgelegd.

Bij het opnemen van omgevingsplanregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan moet op grond van artikel 5.92, eerste lid, van het Bkl, cumulatie betrokken worden. Dat kan leiden tot strengere regels in het nieuwe deel dan de regels van het tijdlijke deel. Als in het nieuwe deel van het omgevingsplan waarden worden opgenomen waarbij cumulatie al is meegewogen, zal bij het verlenen van de omgevingsvergunningen in beginsel geen noodzaak bestaan om in de vergunning strengere eisen op te nemen. Een andere mogelijkheid is dat in situaties waarin er een vergunningplicht voor een veehouderijen op grond van het Bal geldt, ook het nieuwe deel van het omgevingsplan expliciet uit zal gaan van geurhinder als gevolg van de geurbelasting door de individuele activiteit, en de beoordeling van cumulatieve geurbelasting overlaat aan het traject van vergunningverlening. In dat geval zullen omgevingsvergunningen in cumulatieve situaties strengere eisen kunnen bevatten.

§ 22.3.6.2 Geur houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf.

Indeling paragraaf

Bij de indeling van de paragraaf is in hoofdlijnen de structuur van paragraaf 5.1.4.6.3 «Geur door het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf» van het Bkl gevolgd. Materieel zijn de artikelen uit deze paragraaf gelijkwaardig aan die van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De paragraaf stelt regels voor:

  • landbouwhuisdieren met geuremissiefactor; en

  • landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden.

Verhouding Activiteitenbesluit milieubeheer en Wet geurhinder en veehouderij in dit omgevingsplan.

Deze paragraaf is de voortzetting van de artikelen 3.115 tot en met 3.121 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de regels van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij.

Tussen bovenstaande regels van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij, bestonden enkele kleine inhoudelijke verschillen. Zo is de zogenaamde 50%-regeling in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer vereenvoudigd ten opzichte van die in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Voor deze paragraaf van het omgevingsplan is aangesloten bij de inhoud van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook is artikel 3.116, derde lid, uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer in deze omgevingsplanregels van rijkswege overgenomen. Zo’n bepaling kende de voormalige Wet geurhinder en veehouderij niet.

Vergunningplichtige activiteiten

De regels van deze paragraaf gelden voor alle activiteiten die vallen onder Artikel 22.41 van dit omgevingsplan, waaronder milieubelastende activiteiten die vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal.

Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijven bestaande omgevingsvergunningen voor milieu op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het houden van landbouwhuisdieren of paarden die gehouden worden voor het berijden in dierenverblijven hun gelding houden. Dat geldt ook voor de zogenoemde verleende omgevingsvergunningen beperkte milieutoets. De waarden en afstanden in deze paragraaf gelden alleen voor het beginnen met of wijzigen of uitbreiden van een dierenbedrijf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang het bedrijf niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Voorrang voor geurverordening

Ook is voor deze paragraaf de voorrangsbepaling in Artikel 22.1 lid 1, van dit omgevingsplan van belang. Op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij hebben veel gemeenten in een zogenoemde geurverordening, concentratiegebieden aangewezen of andere waarden of afstanden opgenomen voor het houden van landbouwhuisdieren dan de waarden of afstanden in deze paragraaf van het omgevingsplan. Deze geurverordening maakt op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e, van de Invoeringswet Omgevingswet, deel uit van het tijdelijke omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet. Op grond van Artikel 22.1 lid 1, van dit omgevingsplan, gelden die andere waarden of afstanden uit de geurverordening in plaats van de waarden of afstanden in deze paragraaf.

Artikel 22.96 Toepassingsbereik

Eerste lid

Deze paragraaf gaat over beginnen, wijzigen of uitbreiden van het houden in een dierenverblijf van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden zijn specifiek benoemd omdat deze niet vallen onder het begrip landbouwhuisdieren in het Bal. Het begrip landbouwhuisdieren in het Bal is op grond van Artikel 1.1 van dit omgevingsplan van toepassing op dit omgevingsplan.

Het gaat in deze paragraaf dus om:

landbouwhuisdieren zoals bedoeld in Bijlage I bij het Bal, zijnde:

  • a.

    zoogdieren of vogels voor de productie van vlees, eieren, melk, wol, pels of veren of paarden of pony’s voor het fokken; en

  • b.

    paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden.

Bovenstaande komt overeen met het begrip landbouwhuisdier uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor bijvoorbeeld kinderboerderijen, dierentuinen, hondenkennels en volières gelden deze voorschriften niet. Het gaat bij deze bedrijven namelijk niet om het houden van landbouwhuisdieren, omdat deze dieren niet voor de productie worden gehouden. Deze activiteiten vallen wel onder Paragraaf 22.3.25. Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren of andere vogels of zoogdieren.

Tweede lid

Als ondergrens voor het van toepassing zijn van deze paragraaf is aangesloten bij de ondergrenzen zoals die ook golden in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, namelijk: minder dan 10 schapen, 5 paarden en pony’s, 10 geiten, 25 stuks pluimvee, 25 konijnen en 10 overige landbouwhuisdieren.

Artikel 22.97 Geur vanaf waar afstanden gelden

De afstanden zoals opgenomen in deze paragraaf worden gemeten tussen het emissiepunt van het dierenverblijf en het dichtstbijzijnde geurgevoelige object.

Het gaat om het emissiepunt als bedoeld in artikel 4.806, tweede lid, van het Bal. Op grond van dat artikel wordt onder emissiepunt verstaan:

  • a.

    het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het dierenverblijf treedt of wordt gebracht; of

  • b.

    bij een gedeeltelijk overdekt dierenverblijf: het punt waarop een relevante hoeveelheid emissie buiten het overdekte gedeelte van het dierenverblijf treedt of wordt gebracht.

In Artikel 22.103 wordt hier een uitzondering op gemaakt voor de zogenaamde gevel-gevelafstanden.

Artikel 22.98 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

Eerste lid

Dit lid is een voorzetting van artikel 3.115, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld.

De waarden gelden alleen voor beginnen, wijzigen of uitbreiden. Dit staat in het toepassingsbereik van deze paragraaf. Of de situatie overbelast is, maakt niet uit zolang niet wordt uitgebreid of gewijzigd.

Op grond van bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën:

  • a.

    varkens, kippen, schapen of geiten; of

  • b.

    als deze worden gehouden voor de vleesproductie:

    • 1.

      rundvee tot 24 maanden;

    • 2.

      kalkoenen;

    • 3.

      eenden; of

    • 4.

      parelhoenders.

Er wordt net zoals in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip «bebouwde kom» was en is niet gedefinieerd. De grens van de bebouwde kom wordt niet alleen bepaald door de wegenverkeerswetgeving, maar ook door de aard van de omgeving. Binnen een bebouwde kom is de op korte afstand van elkaar gelegen bebouwing geconcentreerd tot een samenhangende structuur. In het Bkl wordt de bebouwde kom vervangen door de bebouwingscontour die in het omgevingsplan moet worden opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. Gemeenten wijzen dan bebouwingscontouren aan in het omgevingsplan.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere waarde is vastgesteld dan de waarde in dit lid, die andere waarde voorrang heeft op de waarde zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 lid 1, van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf, bijvoorbeeld voor het berekenen van de geur in het tweede lid of de eerbiedigende werking in Artikel 22.99.

Tweede lid

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.14.

Artikel 22.99 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking bij waarden

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de immissiewaarden die gelden op grond van Artikel 22.97. De standaardwaarden uit Artikel 22.98 gelden niet voor het op een locatie wijzigen of uitbreiden van het aantal of soort landbouwhuisdieren met geuremissiefactor in dierenverblijven, als sprake is van een rechtmatig voor geur overbelaste situatie op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Er hoeft in dat geval dus niet aan de standaardwaarden te worden voldaan, maar uitbreiden en wijzigen is alleen mogelijk in de volgende gevallen:

  • 1.

    Zolang de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig object niet toeneemt en het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toeneemt. Dit is de voortzetting van de artikelen 3, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.115, tweede lid, onder c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

  • 2.

    Als aan de 50%-regeling wordt voldaan.

In rechtmatig toegestane overschrijdingssituaties mag het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet toenemen, tenzij er een geurbelastingreducerende maatregel getroffen is en de toegestane overschrijding van de geur gehalveerd wordt. Bij het toepassen van de 50%-regeling moet gerekend worden met de waarden zoals opgenomen in het omgevingsplan of in de geurverordening.

Voor wat betreft de geur die rechtmatig veroorzaakt mocht worden, gaat het om de geur die onmiddellijk voorafgaand aan het toepassen van de maatregel rechtmatig mocht worden veroorzaakt.

Daarmee is voorzien in de eerbiedigende regeling voor het houden van landbouwhuisdieren in bestaande dierenverblijven waarbij sprake is van een toegestane overschrijdingssituatie.

Dit lid vormt de voortzetting van artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.115, tweede lid, onder b en c, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Voor de 50%-regeling is aangesloten bij de formulering zoals die in artikel 3.115, tweede lid, onder b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen in plaats van de formulering in artikel 3, vierde lid, van de voormalige Wet geurhinder veehouderij. Hierdoor hoeft niet berekend te worden wat de reductie als gevolg van de geurbelastingreducerende maatregelen zou zijn, gelet op de bestaande (oude) situatie. Dit is eenvoudiger voor de praktijk.

Artikel 22.100 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: afstand tot bijzondere geurgevoelige objecten

In dit artikel staan de minimumafstanden tussen een dierenverblijf met landbouwhuisdieren waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld en een geurgevoelig object dat hoort of heeft gehoord bij een andere veehouderij of een ruimte-voor-ruimtewoning. Het gaat hier om woningen bij omliggende veehouderijen, woningen bij omliggende veehouderijen die na 19 maart 2000 zijn gestopt of woningen die zijn gebouwd na 19 maart 2000 tegelijk met het (deels) beëindigen van een omliggende veehouderij. De genoemde geurgevoelige objecten krijgen minder bescherming dan andere geurgevoelige objecten, maar er moet wel sprake zijn van een minimaal beschermingsniveau. Dit minimale beschermingsniveau wordt bereikt door een afstand aan te houden van 100 meter tot een object binnen de bebouwde kom en 50 meter tot een object buiten de bebouwde kom. Als niet voldaan wordt aan de minimumafstand, dan moet wel aan Artikel 22.98 en Artikel 22.99 voldaan worden.

Artikel 22.101 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: afstand

Voor landbouwhuisdieren waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld gelden geen waarden, maar is het uitgangspunt dat afstanden worden aangehouden. Deze afstanden zijn in dit artikel opgenomen. Het gaat hierbij om vaste afstanden: de afstand is niet gekoppeld aan het aantal landbouwdieren.

In dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen emissiefactor voor geur is vastgesteld met uitzondering van pelsdieren. Deze begripsbepaling staat opgenomen in Bijlage I bij dit omgevingsplan.

Dit artikel is een voortzetting van artikel 4, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.117, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Voor dit artikel geldt dat als in een geurverordening op grond van artikel 6 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij een andere afstand is vastgesteld dan de afstand in dit artikel, die andere afstand uit de geurverordening voorrang heeft op de afstand zoals opgenomen in dit artikel. Dit is geregeld in Artikel 22.1 van dit omgevingsplan. Deze voorrang werkt ook door in de volgende artikelen van deze paragraaf over de eerbiedigende werking.

Artikel 22.102 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand

In dit artikel is een regeling opgenomen voor situaties waar op de dag van inwerkingtreding van de Omgevingswet niet voldaan wordt aan de vereiste afstanden die gelden op grond van Artikel 22.101.

In dat geval is uitbreiden toegestaan als het aantal landbouwhuisdieren per diercategorie zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, niet toeneemt en de afstand tot een geurgevoelig object niet kleiner wordt.

Dit lid vormt de voortzetting van de artikelen 4, derde lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en 3.117, tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.103 Geur landbouwhuisdieren en paarden of pony’s voor het berijden: afstand vanaf de gevel dierenverblijf

Dit artikel bevat afstanden gemeten vanaf (de buitenzijde van) de gevel van het dierenverblijf tot de gevel van een geurgevoelig object, de zogenaamde gevel tot gevelafstanden.

De afstanden, bedoeld in dit artikel, gelden naast de waarden die op grond van Artikel 22.98 gelden en naast de afstanden die op grond van de Artikel 22.100 en Artikel 22.101 gelden.

Dit artikel geldt voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en voor het houden van paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Door dit artikel wordt geborgd dat er altijd een zekere afstand is tussen een geurgevoelig object en een dierenverblijf. Dit onderdeel is een voortzetting van artikel 5, eerste lid, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.104 Geur landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor het wijzigen of uitbreiden van het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, voor locaties waar de afstand tussen de gevel van een dierenverblijf voor het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor en een geurgevoelig object rechtmatig kleiner is dan de afstand, bedoeld in Artikel 22.103. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen, het aantal landbouwhuisdieren met geuremissiefactor per diercategorie niet mag toenemen én de geur op een geurgevoelig gebouw door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor niet mag toenemen. De eisen zoals gesteld onder a, b en c zijn cumulatief.

Dit artikel is de voortzetting van artikel 5, tweede lid, onder a, van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en artikel 3.119, tweede lid, onder a en b, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.105 Geur landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s voor het berijden: eerbiedigende werking voor afstand vanaf gevel dierenverblijf

In dit artikel is een regeling opgenomen voor een soortgelijke situatie als in Artikel 22.104, maar dan voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden. Dat houdt in dat bij wijzigen of uitbreiden op die locatie, de gevel tot gevelafstand niet mag afnemen en het aantal het aantal landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor of het aantal paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden niet mag toenemen. De eisen gesteld onder a en b zijn cumulatief.

§ 22.3.6.3

[Vervallen]

Artikel 22.106

[Vervallen]

Artikel 22.107

[Vervallen]

Artikel 22.108

[Vervallen]

Artikel 22.109

[Vervallen]

Artikel 22.110

[Vervallen]

Artikel 22.111

[Vervallen]

Artikel 22.112

[Vervallen]

Artikel 22.113

[Vervallen]

§ 22.3.6.4 Geur door andere agrarische activiteiten

Artikel 22.114 Geur opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op een deel ervan. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in SubParagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41, waaronder opslag van vaste mest op een weiland of akker.

Eerste lid, onderdeel a

Dit artikel geldt niet voor de opslag van vaste mest afkomstig van andere dieren dan landbouwhuisdieren of paarden en pony’s die gehouden worden in verband met het berijden, zoals honden, dieren op de kinderboerderij of dieren in dierentuinen. Voor de geurhinder, veroorzaakt door die mestopslagen geldt Artikel 22.240.

Tweede lid, onderdeel a

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest, champost of dikke fractie gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Als vaste mest, champost of dikke fractie korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is dit artikel niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel c

Een opslag van meer dan 600 m3 vaste mest valt niet onder het toepassingsbereik van dit artikel. In Artikel 22.262 is aanvullend op deze bovengrens een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Derde lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

De maatwerkmogelijkheid in artikel 3.46, achtste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer is niet specifiek overgenomen. Dit valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan.

Artikel 22.115 Geur opslaan van gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong: afstand

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op substraatmateriaal van plantaardige oorsprong. De regels voor de andere agrarische bedrijfsstoffen zijn elders in SubParagraaf 22.3.6.4 geregeld.

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 gebruikt substraatmateriaal van plantaardige oorsprong gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht.

Tweede lid

De afstanden in dit lid komen overeen met de afstanden in artikel 3.46, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.116 Geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand

Dit artikel regelt het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen. Kuilvoer is veevoer dat door inkuilen als wintervoorraad opgeslagen wordt. Kuilgras en snijmaïs kunnen onder meer als kuilvoer gebruikt worden. In bijlage I bij het Bal worden vaste bijvoedermiddelen omschreven als plantaardige restproducten uit de landbouw en tuinbouw. Ook de plantaardige restproducten afkomstig van voedselbereiding en voedselverwerking vallen onder vaste bijvoedermiddelen. Dat geldt niet voor voedselresten afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens.

Dit artikel vormt een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45, eerste lid, en 3.46, eerste, vijfde en negende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Die artikelen van dat besluit zagen op het opslaan van agrarische bedrijfsstoffen. Dit artikel ziet niet op alle agrarische bedrijfsstoffen, maar enkel op kuilvoer en vaste bijvoedermiddelen. De afstandseisen voor het opslaan van vaste bijvoedermiddelen en kuilvoer gelden niet als er sprake is van een totaal volume van minder dan 3 m3. Dit is in lijn met de regels uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. In de instructieregels van het Bkl en in het Bal is deze grens van 3 m3 vervallen.

Dit artikel geldt voor alle milieubelastende activiteiten die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41. Zo gelden deze regels voor het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen bij bijvoorbeeld een veehouderij, een manege of dierentuin.

Artikel 22.117 Geur opslaan drijfmest, digestaat en dunne fractie: afstand

Eerste lid

Met dit artikellid en de begripsomschrijvingen in het Bal zijn de artikelen 3.50, derde lid, en 3.51, elfde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer omgezet.

Het mestbassin is bovengronds gelegen en kan ook uit een mestzak of foliebassin bestaan. Voor de berekening van de gezamenlijke oppervlakte en de gezamenlijke inhoud worden de oppervlakte en inhoud van mestkelders en ondergrondse mestbassins die zijn voorzien van een afdekking die als vloer fungeert niet meegerekend. Is sprake van meerdere bassins, dan worden deze voor de oppervlakte- of inhoudsbepaling dus bij elkaar opgeteld. Een uitgebreide toelichting over het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie is te lezen in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.855 van het Bal.

In het Bal staat geen vergunningplicht voor het opslaan van dierlijke meststoffen die verpompbaar zijn in een of meer mestbassins met een gezamenlijke oppervlakte groter dan 750 m2 of een gezamenlijke inhoud groter dan 2.500 m3. Deze vergunningplicht komt wel terug in Artikel 22.262 van dit omgevingsplan.

Tweede lid

De afstand die ten minste in acht moet worden genomen, is kleiner voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte kleiner dan 350 m2 dan voor bassins met een (gezamenlijke) oppervlakte van 350 m2 of meer. Verder geldt een kleinere afstand van het bassin tot een geurgevoelig object of een geprojecteerd geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met een veehouderij in de directe omgeving dan een te beschermen object zonder die functionele binding met een veehouderij.

Ondanks dat de afstanden in acht worden genomen, kan toch geuroverlast optreden. Het bevoegd gezag heeft dan de mogelijkheid om aanvullende eisen te stellen met maatwerkvoorschriften. Dit kan bijvoorbeeld voor de situering van het mestbassin, het afdekken ervan en de frequentie en tijdstip van de aan- en afvoer. Dit geldt ook voor mestkelders. Met name het leegpompen van mestkelders kan leiden tot geuroverlast.

Artikel 22.118 Geur voorziening biologisch behandelen dierlijke meststoffen voor of na vergisten: afstand

Eerste lid

Dit artikel is van toepassing op een voorziening voor het biologisch behandelen van dierlijke meststoffen voor of na het vergisten van dierlijke meststoffen.

Dit artikel geldt bij alle milieubelastende activiteiten, die vallen onder het algemene toepassingsbereik van deze afdeling, bedoeld in Artikel 22.41. Zo is dit artikel niet alleen van toepassing bij een bedrijf voor mestbehandeling, als bedoeld in artikel 3.225 van het Bal, maar op alle mestvergistingsinstallaties die voldoen aan de omschrijving in het eerste lid.

Tweede lid

Dit artikel is niet van toepassing op een milieubelastende activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen in het Bal.

Een vergunningplicht kan onder meer gelden bij mestverwerking van meer dan 25.000 m3 mest van derden (grootschalige mestverwerking, artikel 3.91 Bal) of als de vergistingsinstallatie onderdeel is van een IPPC-installatie.

Derde lid

Dit lid is een voortzetting van de artikelen 3.129c en 3.129g, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bepaalde in artikel 3.129g, derde lid, van dat besluit, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift kon worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels, ofwel maatwerkvoorschriften, aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl, dat vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Hierbij kan gedacht worden aan maatwerkvoorschriften over:

  • de situering van de voorziening;

  • het gesloten uitvoeren van de voorziening;

  • de ligging en afvoerhoogte van het emissiepunt, wanneer emissies worden afgezogen;

  • de toepassing van een doelmatige ontgeuringsinstallatie.

Artikel 22.119 Geur composteren of opslaan van groenafval: afstand

Dit artikel is een voortzetting van de artikelen 1.1, eerste lid, 3.45 en 3.46, eerste lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om het opslaan van groenafval inclusief afgedragen gewas (restmateriaal afkomstig van de teelt van gewassen), en de artikelen 3.106 en 3.108, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, voor zover het gaat om composteren van groenafval.

Eerste lid en tweede lid

Dit artikel ziet op de geur door het composteren of opslaan van groenafval, bedoeld in artikel 4.879 van het Bal.

Derde lid

Het bepaalde in de artikelen 3.46, achtste lid, en 3.108, derde lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, dat regelde dat bepaalde gebruikseisen bij maatwerkvoorschrift konden worden vastgelegd, valt nu onder de generieke maatwerkbevoegdheid van deze afdeling van dit omgevingsplan. Het stellen van gebruiksregels aanvullend op de afstandseis kan nodig zijn om te voldoen aan artikel 5.92 van het Bkl. Dat artikel vereist dat de geur door een activiteit op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is.

Artikel 22.120 Geur overige agrarische activiteiten: eerbiedigende werking

In beginsel geldt bij geur die veroorzaakt wordt door de activiteiten, bedoeld in de Artikel 22.114, de afstanden die in die artikelen zijn genoemd. Deze afstandseisen gelden niet bij «overbelaste situaties». Dit artikel bevat een regeling met «eerbiedigende werking» voor zulke bestaande situaties. Zie voor een nadere toelichting hierover de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.126 van het Bkl.

Als dit artikel van toepassing is, heeft degene die de activiteit verricht op grond van de specifieke zorgplichtbepaling de plicht om maatregelen of voorzieningen te treffen die geurhinder voorkomen of tot een aanvaardbaar niveau beperken. Hierbij kan gedacht worden aan maatregelen over:

  • de situering van de plaats van de opgeslagen bedrijfsstoffen;

  • het afdekken van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen; of

  • de frequentie van de afvoer van de opgeslagen agrarische bedrijfsstoffen.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer stond ook dat degene die de inrichting drijft op verzoek van het bevoegd gezag aangeeft welke maatregelen of voorzieningen hij daarvoor heeft getroffen of zal treffen. Deze gegevens kan het bevoegd gezag ook vragen op grond van de toezichtsbevoegdheden van de Algemene wet bestuursrecht. Deze plicht komt dus niet expliciet terug in de omgevingsplanregels van rijkswege.

§ 22.3.6.5 Geur door het exploiteren van zuiveringtechnische werken

Artikel 22.121 Toepassingsbereik

Kortheidshalve wordt voor een uitleg over het exploiteren van een zuiveringstechnisch werk verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.173 van het Bal.

De verwijzing naar artikel 3.173 van het Bal brengt met zich mee dat het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk ook andere milieubelastende activiteiten omvat die worden verricht op dezelfde locatie die de activiteit functioneel ondersteunen. De activiteiten worden gezien als één activiteit. Er is dan dus geen sprake van cumulatie van geur door verschillende activiteiten.

Dit artikel betreft een voortzetting van artikel 3.5a van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. De regels van SubParagraaf 22.3.6.5 kent als gevolg van aansluiting bij het Bal een breder toepassingsbereik ten opzichte van artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Artikel 3.5a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalde namelijk dat de regels alleen van toepassing waren op zuiveringtechnische werken voor zover het de waterlijn betrof met inbegrip van slibindikking en mechanische slibontwatering.

Deze paragraaf stelt alleen regels voor het voorkomen of het tot een aanvaardbaar niveau beperken van geurhinder. De regels die zien op andere belangen zijn opgenomen in paragraaf 4.49 van het Bal.

Artikel 22.122 Geur zuiveringtechnisch werk: waarde

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, eerste en tweede lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Het tweede lid bevat hogere waarden voor het exploiteren van een zuiveringtechnisch werk dat is opgericht voor 1 februari 1996, en waarvoor op 1 februari 1996 een vergunning op grond van artikel 8.1 van de Wet milieubeheer was verleend en onherroepelijk was.

De geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten wordt bepaald met behulp van een rekenmethode. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in artikel 6.13.

In de Omgevingsregeling is bepaald dat als voor een procesonderdeel in bijlage XXIX bij die Omgevingsregeling geen geuremissiefactor is vastgesteld, de emissie van geur door dat onderdeel wordt bepaald met een geuronderzoek volgens NTA 9065 «Luchtkwaliteit – Geurmetingen – Meten en rekenen geur». Op grond van de algemene maatwerkmogelijkheid in deze afdeling van dit omgevingsplan kan het bevoegd gezag ook een geuronderzoek vragen voor het begin van de activiteit. Het bevoegd gezag kan op grond van deze informatie beoordelen of extra maatregelen moeten worden getroffen om geurhinder zoveel mogelijk te voorkomen.

Artikel 22.123 Geur zuiveringtechnisch werk: geen waarde bij specifieke geurgevoelige objecten

De waarden die in dit omgevingsplan zijn opgenomen, gelden niet voor de geur door een zuiveringtechnisch werk op bepaalde geurgevoelige objecten als voor het zuiveringtechnisch werk tot 1 januari 2011 een omgevingsvergunning voor een inrichting op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was verleend en onherroepelijk was. Het gaat daarbij in de eerste plaats om geurgevoelige objecten die op het moment van verlening van de omgevingsvergunning milieu niet aanwezig waren en voor de inwerkingtreding van dit besluit zijn gebouwd (onderdeel a). In de tweede plaats gaat het om geurgevoelige objecten die in de omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht niet als geurgevoelig object werden beschouwd (onderdeel b).

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.5b, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Artikel 22.124 Geur zuiveringtechnisch werk: eerbiedigende werking

Bij wijziging van een zuiveringtechnisch werk mag de geur niet toenemen als voor dat zuiveringtechnisch werk rechtmatig een hogere waarde geldt, dan de waarde, bedoeld in Artikel 22.120 lid 1. De geur mag wel toenemen als die binnen de waarden bedoeld in artikel 22.120, eerste lid blijft.

§ 22.3.7 Bodembeheer

§ 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikelen 22.125 Toepassingsbereik en artikel 22.126 Nazorg na afloop van saneren van de bodem

Deze artikelen regelen dat de eigenaar, erfpachter of gebruiker van een locatie, waarvoor op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift een deklaag of isolatielaag is aangebracht alle maatregelen moet nemen om deze deklaag of isolatielaag in stand te houden, te onderhouden of te vervangen. Dit is een voortzetting van artikel 39e Wet bodembescherming.

Door een bedoelde of onbedoelde handeling kan het resultaat van deze bodemsanering ongedaan gemaakt worden, waardoor bij het dagelijkse gebruik van de locatie blootstelling en contactmogelijkheden met de verontreinigde bodem kunnen ontstaan. De maatregelen kunnen bestaan uit het herstellen van de afdeklaag als deze bijvoorbeeld door werkzaamheden op de locatie beschadigd is geraakt of een te geringe dikte heeft gekregen. Daarom geldt Artikel 22.126 zowel voor eigenaar, erfpachter als gebruiker (zoals een huurder).

Ook onder de Omgevingswet is het gewenst dat leeflagen in stand worden gehouden of dat gebruiksbeperkingen in acht worden genomen.

Als een bodemsanering is uitgevoerd door het aanbrengen van een afdeklaag (een leeflaag van schone grond of een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag) om blootstelling te voorkomen, dan is het voor de bescherming van de gezondheid van belang dat die afdeklaag in stand blijft. Het gaat in dit artikel om een afdeklaag, die is aangebracht als onderdeel van een sanering zoals bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een omgevingsplan, een omgevingsvergunning of op basis van een maatwerkvoorschrift.

De regels voor saneren komen in verschillende instrumenten en besluiten terug. Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt de milieubelastende activiteit saneren van de bodem waarbij saneren met een leeflaag/isolatielaag is toegestaan. Ook is het mogelijk dat gemeenten in hun omgevingsplan maatwerkregels stellen of een omgevingsvergunning verplicht stellen voor het saneren van de bodem.

Tweede lid

Tijdelijke beschermingsmaatregelen die zijn genomen als gevolg van een toevalsvondst moeten eveneens in stand worden gehouden. Het zijn maatregelen die de bron van verontreiniging niet wegnemen, maar de blootstellingsroute (blijven) blokkeren. Hiervoor geldt hetzelfde als bij het eerste lid. Deze regel is gelijkwaardig aan de tijdelijke beveiligingsmaatregelen bij zeer ernstige verontreiniging (artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming).

§ 22.3.7.2 Kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit

Deze paragraaf heeft betrekking op graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. Het idee is dat de gemeente de algemene verwijzing naar locaties in het tijdelijke deel van het omgevingsplan via Artikel 22.127 op een gegeven moment vervangt door de regels via coördinaten aan specifieke locaties te koppelen in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Daarbij kunnen gemeenten uiteraard de regels voor minder locaties laten gelden (de locaties die niet meer ernstig-geen spoed zijn eraf halen) of juist voor meer locaties laten gelden (wel ernstig en geen spoed, maar eerder geen beschikking afgegeven). En uiteraard kunnen gemeenten daarbij de regel die voor die locaties geldt aanpassen, voor alle locaties, of alleen voor sommige, of elke locatie een eigen op die locatie toegesneden regel.

In het Besluit activiteiten leefomgeving is voorzien in algemene regels voor de milieubelastende activiteiten graven in de bodem met een kwaliteit beneden de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.119) en graven in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit (paragraaf 4.120). In het toepassingsbereik van beide milieubelastende activiteiten is aangegeven dat deze alleen van toepassing zijn als het bodemvolume waarin wordt gegraven meer is dan 25 m3. De achtergrond hiervan is dat het Rijk geen regels wil stellen over kleinschalig grondverzet.

Onder de Wet bodembescherming voorzag artikel 28 van de Wet bodembescherming in een meldingsplicht als sprake was van voorgenomen handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Een geval van ernstige bodemverontreiniging was onder de Wet bodembescherming gedefinieerd als geval van verontreiniging waarbij de bodem zodanig is of dreigt te worden verontreinigd, dat de functionele eigenschappen die de bodem voor mens, plant of dier heeft, ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. In de Circulaire bodemsanering is deze definitie verder uitgewerkt en aangegeven dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie van minimaal 25 m3 bodemvolume in het geval van bodemverontreiniging, of 100 m3 poriënverzadigde bodemvolume in het geval van een grondwaterverontreiniging, hoger is dan de interventiewaarde. De Wet bodembescherming kende – in tegenstelling tot de milieubelastende activiteiten voor graven in een kwaliteit boven de interventiewaarde bodemkwaliteit – geen ondergrens voor de omvang van het grondverzet.

Deze paragraaf stelt een beperkt aantal bepalingen voor kleinschalig grondverzet (omvang bodemvolume kleiner dan 25 m3) die plaatsvindt op locaties die onder de Wet bodembescherming werden beschouwd als handelingen in een geval van ernstige bodemverontreiniging. Deze bepalingen komen dus in de plaats van de bepalingen die volgen uit artikel 28 van de Wet bodembescherming.

Deze bepalingen zien op een informatieplicht, enkele inhoudelijke regels aan tijdelijke opslag en afvoer van de grond en verplichte milieukundige begeleiding als een in het kader van een eerder uitgevoerde bodemsanering aangebrachte afdeklaag wordt doorgraven. Deze bepalingen zijn over het algemeen eenvoudig na te leven en leiden met uitzondering van de milieukundige begeleiding bij het doorgraven van een afdeklaag niet of nauwelijks tot extra kosten. Besloten is om geen onderzoeksverplichtingen op te leggen zoals opgenomen in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Artikel 22.127 Toepassingsbereik

In dit artikel staat het toepassingsbereik van deze paragraaf.

Eerste lid

Deze paragraaf heeft in de eerste plaats betrekking op het graven in de bodem in een omvang die kleiner is dan of gelijk is aan 25 m3 en wordt ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet en richt zich op locaties waarbij al via besluitvorming onder de Wet bodembescherming of via het Besluit bodemkwaliteit is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is met één of meerdere stoffen tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit in een omvang groter dan 25 m3. In het eerste lid is ook aangegeven op welke locaties de paragraaf daarnaast van toepassing is.

  • a.

    In onderdeel a staat vermeld dat het gaat om locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging zonder dat sprake is van actuele risico’s voor mens, plant of dier of verspreiding van het grondwater (zogenaamde beschikking ernst en geen spoed). Hiervoor is gekozen omdat voor deze locaties via eerder onderzoek is vastgesteld dat de bodem verontreinigd is tot boven de interventiewaarde en hierover besluitvorming heeft plaatsgevonden. Locaties die op grond van de artikelen 29 en 37 van de Wet bodembescherming zijn beschikt als ernstig waarbij de sanering spoedeisend is (ernst en spoed) vallen niet onder het toepassingsbereik omdat deze locaties onder het overgangsrecht voor de Wet bodembescherming blijven vallen.

  • b.

    In onderdeel b staat vermeld dat het gaat om locaties of gebieden waar de bodem op grond van een bodemkwaliteitskaart, vastgesteld op grond van artikel 25d, derde lid, van het Besluit bodemkwaliteit (voorheen artikel 57 van het oude Besluit bodemkwaliteit), diffuus is verontreinigd tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn delen van de binnenstad van (grote) steden waarbij de bodem verontreinigd is met enkele metalen (bijvoorbeeld lood, koper of zink). Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet, worden bestaande bodemkwaliteitskaarten op grond van artikel 22.1, onder b, van de Omgevingswet, onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Gemeenten moeten deze bodemkwaliteitskaarten omzetten naar regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

Tweede lid

De aangewezen activiteit omvat ook het zeven van de uitkomende grond op dezelfde locatie, of het tijdelijk opslaan en het terugplaatsen na afloop van het tijdelijk uitnemen bij het tijdelijk uitnemen en terugplaatsen. Met zeven wordt veelal puin uit de grond gehaald waardoor de verdichtbaarheid en de civieltechnische toepassingsmogelijkheden worden verbeterd voordat de grond wordt teruggeplaatst of elders wordt toegepast. Dit zeven is niet gericht op kwaliteitsverbetering en wordt bij deze activiteit niet beschouwd als bewerking. Andere bewerkingen van grond vallen onder de milieubelastende activiteit grondbank of grondreinigingsbedrijf, aangewezen in artikel 3.178, eerste lid, onder b.

Met het tijdelijk opslaan van de grond wordt bedoeld het opslaan van de bij het graven vrijkomende grond tijdens de activiteit, voorafgaand aan het terugplaatsen of afvoeren van de grond. Bemalen dat nodig is voor het graven valt niet onder de milieubelastende activiteit, maar is een wateractiviteit.

Derde lid

In het derde lid is aangegeven dat de milieubelastende activiteit zich niet uitstrekt tot graven in de waterbodem. Hiermee komt tot uiting dat deze activiteit zich beperkt tot de landbodem. Onder waterbodem wordt verstaan de bodem van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust. Het graven in de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam waarvan het beheer van de waterkwaliteit bij het Rijk of het waterschap berust, valt niet onder de reikwijdte van de activiteit graven in de waterbodem. Dit betekent dat de regels voor de milieubelastende activiteit graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde wel gelden voor voormalige droge oevergebieden, die als term/aanduiding niet meer terugkomen onder de Omgevingswet.

Artikel 22.128 Gegevens en bescheiden: voor het begin van de activiteit

Dit artikel bevat een informatieplicht. Voordat met het graven wordt begonnen, moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de activiteit. De informatieplicht uit dit artikel in het omgevingsplan zorgt ervoor dat het bevoegd gezag over kleinschalige grondverzet geïnformeerd wordt. Deze bepaling komt in de plaats van het voormalige artikel 28 uit de Wet bodembescherming dat stelde dat alle handelingen (dus ook kleinschalig grondverzet) die plaatsvinden in een geval van ernstige verontreiniging moeten worden gemeld. Voor grondverzet in een omvang groter dan 25 m3 geldt via de algemene regels uit paragraaf 4.120 (graven in de bodem met kwaliteit boven de interventiewaarde) een meldingsplicht. Voor grondverzet in een omvang kleiner dan of gelijk aan 25 m3 (ook wel aangeduid als kleinschalig grondverzet) geldt op grond van de algemene regels uit deze paragraaf van het Besluit activiteiten leefomgeving geen informatie of meldingsplicht.

Eerste lid

De gegevens en bescheiden worden ten minste een week voor het begin van de activiteit graven aangeleverd. Met deze informatie wordt het bevoegd gezag in kennis gesteld van een aantal praktische gegevens, zodat het voor het bevoegd gezag mogelijk is om toezicht te houden. Uit de verstrekte gegevens en bescheiden moet blijken wat de begrenzing is van de locatie waar de activiteit plaats vindt, de verwachte datum van het begin van de activiteit en de duur van de activiteit.

Tweede lid

Als de verstrekte informatie over begrenzing of de verwachte datum van het begin van de activiteit wijzigt, geeft de initiatiefnemer de wijziging onverwijld door. Dit betekent dat ook als er een wijziging in die gegevens optreedt tijdens de uitvoering van de activiteit, de initiatiefnemer het bevoegd gezag opnieuw moet informeren.

Derde lid

De informatieplicht van dit artikel geldt niet als de activiteit alleen bestaat uit het tijdelijk uitnemen en weer terugplaatsen van de grond.

Vierde lid

De informatieplicht is niet van toepassing als het graven in bodem plaatsvindt in verband met een spoedreparatie van vitale ondergrondse infrastructuur. Hierbij moet gedacht worden aan het herstellen van gasleidingen en (drink)waterleidingen in geval van lekkages of het herstellen van een kabelbreuk (elektriciteit, glasvezels et cetera). Bij een dergelijke spoedreparatie is het niet redelijk en ook niet mogelijk om vooraf een bodemonderzoek uit te voeren en te voldoen aan de termijn van de informatieplicht (een week). Daarom komt in die situatie een beperkte informatieplicht achteraf in plaats van een meldingsplicht en onderzoek vooraf. De hoeveelheid te ontgraven grond moet proportioneel zijn voor het uitvoeren van een spoedreparatie. Op het uitvoeren van spoedreparaties is uiteraard wel de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving van toepassing. Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat hij zich inspant om zelf te beoordelen of zijn handelen nadelige gevolgen heeft en hoe hij de gevolgen redelijkerwijs kan voorkomen of beperken. Als bijvoorbeeld bekend is – of visueel eenvoudig is vast te stellen – dat er verschil is in de kwaliteit van de grond, worden de verschillende lagen voorzichtigheidshalve gescheiden gehouden.

Artikel 22.129 Bodem en afval: tijdelijke opslag van vrijkomende grond

Dit artikel staat de tijdelijke opslag van vrijkomende grond toe gedurende de looptijd van de werkzaamheden en gedurende maximaal acht weken na het beëindigen van de werkzaamheden, mits de partijen van verschillende kwaliteitsklassen gescheiden worden opgeslagen.

Tijdens of na afloop van graven kan het noodzakelijk zijn om de grond tijdelijk op te slaan, bijvoorbeeld omdat de grond tijdelijk uitgenomen wordt en na afloop van de werkzaamheden weer wordt teruggebracht in het oorspronkelijk ontgravingsprofiel of omdat de grond naar elders moet worden afgevoerd. De periode van acht weken is bedoeld om een afvoerbestemming te vinden voor de partij grond. Het is niet toegestaan om de grond langer dan acht weken na het dichten van de ontgravingsput of cunet op te slaan. Als het voornemen bestaat om de grond langer dan de toegestane periode op te slaan of de vrijgekomen grond op een andere locatie dan de ontgravingslocatie op te slaan, gelden de regels voor het opslaan van grond en baggerspecie van paragraaf 3.2.24 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Dit artikel bevat geen regels die verplichten tot maatregelen om te voorkomen dat de bodem ter plaatse van de tijdelijke opslag verontreinigd raakt, of dat emissies zich verspreiden naar de omgeving. De achtergrond hiervan is dat de opslag doorgaans een kortdurend karakter kent en plaatsvindt op de locatie van ontgraving, waardoor meestal de uitkomende grond een vergelijkbare kwaliteit heeft als de onderliggende bodem. Het nemen van bodembeschermende maatregelen als het aanbrengen van een folie is in principe niet nodig. Dit kan anders zijn als de uitgegraven grond een slechtere kwaliteit heeft, bijvoorbeeld bij de ontgraving van een spot met minerale olie verontreinigde grond. In dat geval kan van de initiatiefnemer op basis van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving verwacht worden dat maatregelen worden genomen ter bescherming van de onderliggende bodem, zoals het aanbrengen van een folie. Een ander voorbeeld is dat als sprake is van droge condities het noodzakelijk is dat voorkomen moet worden dat verwaaiing of verstuiving van het opgeslagen materiaal kan plaatsvinden. Dit kan gerealiseerd worden door het vochtig houden van de grond, het afdekken van het depot of door het opslaan van grond in dichte containers.

Artikel 22.130 Bodem en afval: milieukundige begeleiding bij kleinschalig graven

Dit artikel regelt in welke situaties de activiteit onder milieukundige begeleiding moet plaatsvinden. Milieukundige begeleiding is noodzakelijk als de graafwerkzaamheden dieper reiken dan een eerder in het kader van een bodemsanering aangebrachte afdeklaag zoals bijvoorbeeld een leeflaag of andere duurzame afdeklaag. De milieukundige begeleiding moet uitgevoerd worden volgens de BRL SIKB 6000. Tijdens de milieukundige begeleiding houdt de milieukundige begeleider een logboek bij. Na afloop van de activiteit rapporteert de milieukundige begeleider in het evaluatieverslag milieukundige processturing volgens de BRL SIKB 6000.

Volgens de BRL SIKB 6000 is een continue aanwezigheid van de milieukundige doorgaans niet noodzakelijk. De milieukundige moet aanwezig zijn bij kritische werkzaamheden, dus bij die werkzaamheden die van invloed kunnen zijn op de kwaliteit van de leefomgeving. In dit geval is het moment van doorgraven en weer herstellen van de afdeklaag het kritische moment.

§ 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico

Artikel 22.131 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op locaties waarvoor voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet een beschikking als bedoeld in artikel 29 van de Wet bodembescherming is verleend, waarin is vastgesteld dat het huidige dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of de mogelijke verspreiding van de verontreiniging niet leidt tot zodanige risico's voor mens, plant of dier dat spoedige sanering noodzakelijk is.

Artikel 22.132 Bodem: mitigerende maatregelen

Degene die op de locatie, bedoeld in Artikel 22.131, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming (artikelen 3.1 en 3.2 Aanvullingswet bodem).

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen en de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Artikel 22.132 heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte locaties, die niet onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde «klik op de kaart». Het inzien van de (voormalige) registratie van de niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of mitigerende maatregelen te treffen. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

§ 22.3.7.4 Saneren van de bodem in het gebied De Kempen

[Gereserveerd]

§ 22.3.8 Afvalwaterbeheer

§ 22.3.8.1 Lozen van grondwater bij sanering of ontwatering

Artikel 22.137 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van grondwater afkomstig van een bodemsanering of grondwatersanering of een onderzoek voorafgaand aan een grondwatersanering, en op het lozen van grondwater afkomstig van ontwatering. Bij dat laatste kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een bouwputbemaling.

Lozingen afkomstig van onderzoeken voorafgaand aan bodemsaneringen zijn geregeld in het Bal. In paragraaf 6.2 van de nota van toelichting bij het (voorgenomen) Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet is ingegaan op de keuze om voor grondwatersaneringen geen algemene rijksregels meer te stellen.

Artikel 22.138 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

De plicht om het bevoegd gezag te informeren geldt niet voor lozingen bij ontwatering (bijvoorbeeld bronbemalingen) van minder dan 48 uur, of bij lozingen vanuit huishoudens. Voor lozingen bij ontwatering met een duur tussen 48 uur en 8 weken geldt een afwijkende termijn voor het verstrekken van gegevens en bescheiden: 5 werkdagen in plaats van 4 weken.

Artikel 22.139 Lozen van grondwater bij saneringen

Afvalwater afkomstig van het saneren van de bodem of het grondwater (of een aan een grondwatersanering voorafgaand onderzoek) is qua biologische afbreekbaarheid niet vergelijkbaar met huishoudelijk afvalwater. In lijn met de voorkeursvolgorde voor het omgaan met afvalwater, opgenomen in artikel 10.29a van de Wet milieubeheer, heeft het de voorkeur om dit afvalwater na zuivering lokaal terug te brengen in het milieu en niet af te voeren naar de RWZI (rioolwaterzuiveringsinstallatie) via het openbare vuilwaterriool. Daarom is in dit artikel het lozen op of in de bodem of in een schoonwaterriool (ieder riool dat geen vuilwaterriool is) toegestaan. Deze paragraaf geldt ook voor lozingen afkomstig van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. In dat geval zijn de regels van deze paragraaf maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit.

Bij het saneren kunnen, naast het positieve milieueffect dat de sanering heeft, ook nadelige gevolgen optreden. Om de nadelige gevolgen voor de bodem of de oppervlaktewaterkwaliteit van bij het saneren vrijkomend afvalwater te beperken, zijn in dit artikel emissiegrenswaarden opgenomen voor het lozen daarvan. Vaak wordt dit water ter plaatse gezuiverd. Het afvalwater wordt vervolgens in de bodem of een schoonwaterriool geloosd.

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen was ook bepaald dat het afvalwater doelmatig moest kunnen worden bemonsterd. Die regel is nu opgenomen in de specifieke zorgplicht in deze afdeling.

Artikel 22.140 Lozen van grondwater bij ontwatering

Grondwater bij ontwatering is de algemene term voor grondwater dat vrijkomt bij bijvoorbeeld bronneringen en water uit drainagebuizen. Dit kunnen kleinschalige activiteiten betreffen die na een paar uur zijn afgerond, maar ook grootschalige projecten (vooral in de bouw) die jaren duren en waar zeer grote hoeveelheden grondwater worden weggepompt.

De regeling voor het lozen van grondwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan het grondwater dat lokaal bij ontwatering vrijkomt zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. Maar het is niet uitgesloten dat afhankelijk van de locatie waar het vrijkomt grondwater in enige mate verontreinigd kan zijn of van nature stoffen bevat, waarvan de lozing bezwaarlijk kan zijn. Veelal is dit lokaal bekend uit gegevens bij het bedrijf zelf of bij de overheid. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van degene die loost om de gemeente te informeren over de bekende gegevens over de samenstelling en eventuele verontreiniging van het grondwater. Dit is met name van belang daar waar de samenstelling van het grondwater afwijkt van de in het gebied voorkomende grondwaterkwaliteit. Bij twijfel over de vraag of hiervan sprake zou kunnen zijn, is het raadzaam om contact op te nemen met de gemeente om na te gaan of er in dit gebied nog stoffen in de bodem aanwezig zijn, waarvan lozing tot problemen zou kunnen leiden.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen van grondwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.141 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

§ 22.3.8.2 Lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een bodembeschermende voorziening

Artikel 22.142 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft betrekking op het lozen van afvloeiend hemelwater dat niet afkomstig is van een verplichte bodembeschermende voorziening. Het gaat met name om afvloeiend hemelwater van daken en van verhardingen, waar geen bodembedreigende activiteiten plaatsvinden. Dit artikel is wel van toepassing op afvloeiend hemelwater afkomstig van bodembeschermende voorzieningen die vrijwillig zijn aangebracht. Onder afvloeiend hemelwater wordt niet verstaan het hemelwater van een kas als bedoeld in paragraaf 4.78 van het Bal of drainagewater als bedoeld in paragraaf 4.77 van dat besluit.

Artikel 22.143 Gegevens en bescheiden

Lozingen van afstromend hemelwater vormen in het algemeen geen risico voor de bodem of de riolering. Het is daarom niet nodig om voorafgaand aan de start of wijziging van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Alleen wanneer er een rijksweg of provinciale weg wordt aangelegd of gewijzigd, moet het bevoegd gezag tijdig op de hoogte worden gesteld. Het bevoegd gezag kan dan samen met de wegbeheerder bekijken wat de gewenste wijze van verwerking van het afstromende regenwater is.

Artikel 22.144 Lozen van afvloeiend hemelwater

De regeling voor het lozen van hemelwater heeft de voorkeursvolgorde voor het beheer van afwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) als uitgangspunt. Over het algemeen kan afvloeiend hemelwater zonder problemen lokaal in het milieu teruggebracht worden. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen, is verantwoordelijk voor het nemen van deze preventieve maatregelen en kan vervolgens op grond van de specifieke zorgplicht worden aangesproken op het nemen daarvan. De maatregelen kunnen bijvoorbeeld inhouden: het schoonhouden van het terrein, het dusdanig omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen, het bij de keuze van materialen die aan hemelwater zijn blootgesteld rekening houden met het feit dat bij contact van hemelwater met deze materialen verontreinigende stoffen in het hemelwater kunnen geraken (uitloging), of een zodanige wijze van onkruidbestrijding dat onnodige verontreiniging van het hemelwater wordt voorkomen. In dit omgevingsplan is ervoor gekozen deze preventieve maatregelen niet in concrete voorschriften te vertalen.

In het tweede lid is het lozen van afvloeiend hemelwater vanaf rijkswegen en provinciale wegen buiten de bebouwde kom geregeld. Tot die wegen behoren eveneens de daarbij behorende bruggen, viaducten en andere kunstwerken, en overig openbaar gebied. In het verleden is veel onderzoek verricht naar verontreinigingen in afvloeiend hemelwater van wegen en overige openbare ruimte. Afhankelijk van de intensiteit van het verkeer kan het in meer of mindere mate verontreinigd zijn met straatvuil, waarin PAK’s, zware metalen of minerale olie voorkomen. Buiten de bebouwde kom is het lozen van afstromend wegwater in een gemeentelijk rioolstelsel veelal niet mogelijk, omdat daar geen rioolstelsels zijn aangelegd, of alleen rioolstelsels, die niet bestemd zijn voor afvoer van regenwater. Het wegwater vloeit buiten de bebouwde kom meestal af naar de bodem of een eventueel aanwezig oppervlaktewaterlichaam. Hemelwater afkomstig van rijkswegen en provinciale wegen wordt buiten de bebouwde kom bij voorkeur geloosd op de bodem. Als lozen in de bodem niet (of niet volledig) mogelijk is, kan lozing (deels) plaatsvinden in een oppervlaktewaterlichaam. De regels hierover staan in de waterschapsverordening.

De voorkeursvolgorde in het tweede lid is niet van toepassing op lozingen van hemelwater bij de activiteit wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens geen inhoudelijke regels over deze lozingen kende. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

§ 22.3.8.3 Lozen van huishoudelijk afvalwater

Artikel 22.145 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van huishoudelijk afvalwater. Voor zover deze lozing plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, bevat deze paragraaf maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

De eisen aan lozingen van huishoudelijk afvalwater gelden niet voor spoorvoertuigen en voor militaire oefeningen op militaire terreinen. De voorzieningen voor de opvang van huishoudelijk afvalwater bij spoorvoertuigen kunnen via de spoorwegwetgeving worden geregeld. Bij militaire oefeningen is de plaatsing van IBA’s redelijkerwijs niet mogelijk.

Artikel 22.146 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.138 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.147 Geen voedselvermaling

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organische afvalstoffen in het afvalwater.

Artikel 22.148 Lozen van huishoudelijk afvalwater

In de praktijk vinden de meeste lozingen van huishoudelijk afvalwater plaats in het vuilwaterriool. Voor een beperkt aantal situaties waar geen aansluiting op het vuilwaterriool of een zuiveringtechnisch werk mogelijk is, is lozen op of in de bodem toegestaan. Dit is toegestaan buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom van waaruit stedelijk afvalwater wordt geloosd met een vervuilingswaarde van minder dan 2000 inwonerequivalenten.

Binnen de in het eerste lid aangegeven afstanden tot de riolering in combinatie met het aantal inwonerequivalenten dat geloosd wordt, is het verboden direct op of in de bodem te lozen. Er moet dan worden geloosd op het vuilwaterriool. Buiten deze afstandsgrenzen moet het huishoudelijk afvalwater gezuiverd worden voordat het geloosd mag worden op of in de bodem.

De afstanden in dit artikel zijn de afstanden van het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk tot de kadastrale grens van het perceel waar het huishoudelijk afvalwater vrijkomt. Voor een aantal lozingen van huishoudelijk afvalwater die al voor 1 maart 1997 plaatsvonden werd op grond van de toen geldende wetgeving de afstand bepaald tot het gedeelte van het gebouw dat het dichtst bij het vuilwaterriool of zuiveringtechnisch werk was gelegen. Voor deze lozingen geldt overgangsrecht. Dit overgangsrecht is ongewijzigd overgenomen uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen en de daaraan voorafgaande besluiten: het voormalige Lozingenbesluit bodembescherming en het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

In sommige gevallen is hemelsbreed de afstand tot het dichtstbijzijnde vuilwaterriool minder dan genoemd in het eerste lid, maar is het in de praktijk niet mogelijk daar een afvoerleiding aan te leggen. Bijvoorbeeld omdat dan een watergang gekruist of een dijk doorboord moet worden. Daarvoor is in het tweede lid, onderdeel b, opgenomen dat de afstand berekend moet worden langs de lijn waar in de praktijk een afvoerleiding aangelegd kan worden.

Artikel 22.149 Zuiveringsvoorziening huishoudelijk afvalwater

In de situaties dat niet wordt aangesloten op de riolering maar direct wordt geloosd op of in de bodem worden met dit artikel lozingseisen in de vorm van emissiegrenswaarden gesteld. Aan de hier gestelde lozingseisen ligt het CIW-rapport «Individuele Behandeling van Afvalwater, IBA-systemen» van januari 1999 ten grondslag.

De voorwaarden die aan de beperkte directe lozingen in de bodem van huishoudelijk afvalwater worden gesteld, komen in grote lijnen overeen met de hieraan voorafgaande voorwaarden op grond van het voormalige Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater.

Voor beperkte lozingen van huishoudelijk afvalwater kan de lozer er, in afwijking van de emissiegrenswaarden, voor kiezen te lozen via een septic tank. Deze voorziening is geschikt voor lozingen tot en met 5 inwonerequivalenten. Vandaar dat in het derde lid van dit artikel is aangegeven dat lozingen van huishoudelijk afvalwater van minder dan 6 inwonerequivalenten via die voorziening geloosd mogen worden.

Deze voorwaarden komen overeen met de voorwaarden die voorafgaand aan de inwerkingtreding van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en het voormalige Besluit lozen afvalwater huishoudens golden op grond van de Regeling Wvo septic tank en de Uitvoeringsregeling lozingenbesluit bodembescherming. Oudere voorzieningen die nog steeds zijn afgestemd op de hoeveelheid te lozen afvalwater, mogen ook worden gebruikt. De voor 2009 geplaatste voorzieningen kunnen namelijk niet worden getoetst aan de norm voor het hydraulisch rendement, omdat de in de NEN-EN 12566-1 beschreven beproevingsprocedure niet in het veld toepasbaar is.

Artikel 22.150 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd. Er zijn normen opgenomen voor het bemonsteren, conserveren en ontsluiten. Ook zijn de analysemethoden die moeten worden gebruikt voor de stoffen waaraan in deze paragraaf emissiegrenswaarden worden gesteld voorgeschreven. De versies van de NEN-EN-normen zijn opgenomen in de begripsbepalingen van Bijlage I.

Als er wordt bemonsterd, moeten de monsters volgens NEN 6600-1 worden geconserveerd om te voorkomen dat in de monsters verandering optreedt voor de te analyseren parameter tussen het moment van bemonstering en het moment van analyse. Omdat de emissiegrenswaarden die zijn gesteld betrekking hebben op het totaal van opgeloste en niet opgeloste stoffen in het afvalwater, is het van belang dat het monster niet gefilterd wordt en dat de stoffen die zich onopgelost in het afvalwater bevinden meegenomen worden in de analyse.

§ 22.3.8.4 Lozen van koelwater

Artikel 22.151 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van koelwater, dat niet afkomstig is van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal

Voor het lozen van koelwater dat afkomstig is van een milieubelastende activiteit, zoals aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal, staan de regels in dat besluit.

Artikel 22.152 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.153 Koelwater

Voor veel bedrijfstakken waarbij koelwater wordt geloosd, gelden de regels in het Bal. Maar het lozen van koelwater kan ook plaatsvinden bij bedrijven die niet onder het toepassingsbereik van het Bal vallen. Daarom is in dit artikel het lozen van koelwater in de riolering geregeld. Koelwater kan ook worden geloosd in een oppervlaktewaterlichaam. De regels daarover staan in de waterschapsverordening.

Het lozen van koelwater in een schoonwaterriool is toegestaan. Lozen in een vuilwaterriool is alleen toegestaan als het lozen in een schoonwaterriool of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Koelwater is relatief schoon water, zodat het lozen daarvan in het vuilwaterriool bij voorkeur vermeden moet worden.

Er mogen aan het koelwater geen chemicaliën (zoals aangroeiwerende middelen of antikalkmiddelen) worden toegevoegd.

De maximale warmtevracht is 1.000 kiloJoule per seconde. De warmtevracht van een koelwaterlozing wordt berekend als het product van het lozingsdebiet en het verschil tussen de lozingstemperatuur en de temperatuur van het ontvangende oppervlaktewaterlichaam (waarop het schoonwaterriool uitkomt). De warmtecapaciteit van het koelwater is gelijk aan 4.190 Kilojoule per m3 per graad temperatuursverhoging. Anders geformuleerd:

De warmtevracht = L x ∆T x W, waarbij

L = lozingsdebiet (m3/s).

∆T = verschil temperatuur koelwater en temperatuur ontvangend oppervlaktewater in graden Celsius.

W = warmtecapaciteit van het koelwater = 4.190 kJ/m3 per graad temperatuurstijging.

Voor het lozen van koelwater met een hogere warmtevracht, of voor het toedienen van chemicaliën, is een maatwerkvoorschrift vereist.

§ 22.3.8.5 Lozen bij onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken

Artikel 22.154 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van reinigingswerkzaamheden, conserveringswerkzaamheden of andere onderhoudswerkzaamheden aan bouwwerken. Dit betreft zowel weinig milieubelastende activiteiten, zoals activiteiten als ramenlappen, als activiteiten die een hogere milieubelasting kunnen veroorzaken, zoals verwijderen van hardnekkige aanslag bij gevelreiniging.

Artikel 22.155 Periodiek reinigen

Bij het periodiek reinigen van bouwwerken, waarbij slechts vuilafzetting wordt verwijderd, komt afvalwater vrij. Deze werkzaamheden zijn wat verontreiniging van het afvalwater betreft vergelijkbaar met ramenlappen. Naast ramen worden op deze wijze bijvoorbeeld ook gladde gevels periodiek gereinigd. Dit afvalwater kan zonder problemen in de bodem of de riolering worden geloosd. Het is niet nodig om het bevoegd gezag hierover te informeren.

Bij andere reinigingsactiviteiten dan periodiek reinigen is het uitgangspunt dat geen afvalwater wordt geloosd. Dit geldt voor bijvoorbeeld werkzaamheden, waarbij na verloop van een lange periode (vaak meer dan enkele jaren) hardnekkige aanslag wordt verwijderd (gevelreiniging). Ook vallen hieronder werkzaamheden, waarbij bijvoorbeeld graffiti of andere verflagen worden verwijderd.

§ 22.3.8.6 Lozen bij opslaan en overslaan van goederen

Artikel 22.156 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater, afkomstig van het opslaan en overslaan van goederen. Deze activiteit is ook geregeld in paragraaf 4.104 van het Bal. Deze paragraaf bevat daarom maatwerkregels op grond van artikel 2.12 van dat besluit. Die paragraaf bevat de regels over het opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen. In deze paragraaf zijn, in aanvulling daarop, regels gesteld over het lozen van inerte goederen.

Artikel 22.157 Inerte goederen

Dit artikel geeft aan welke goederen in ieder geval inerte goederen zijn. De opsomming is dus niet uitputtend. Voor alle genoemde goederen geldt wel dat deze niet verontreinigd mogen zijn, bijvoorbeeld met stoffen die het oppervlaktewater kunnen verontreinigen.

Artikel 22.158 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.159 Lozen bij overslaan van inerte goederen

In lijn met de voorkeursvolgorde voor de verwijdering van afvalwater (artikel 10.29a van de Wet milieubeheer) wordt het afvalwater bij voorkeur hergebruikt en eventueel overtollig afvalwater wordt geloosd onder de voorwaarden die in dit artikel worden gesteld. In het algemeen zal dit (verzameld) afstromend hemelwater, schrob- en spoelwater of water van een nevelgordijn zijn. Op grond van het vierde lid moet dit afvalwater bij voorkeur (her)gebruikt te worden voor bevochtiging van de goederen, ter voorkoming van stofverspreiding.

Afvalwater dat slechts met inerte goederen in aanraking is geweest moet bij voorkeur direct geloosd worden (op oppervlaktewater, bodem of schoonwaterriool), waarbij de hoeveelheid onopgeloste bestanddelen beperkt moet worden tot minder dan 300 milligram per liter. Dit kan bijvoorbeeld gerealiseerd worden met preventieve maatregelen en eventueel een slibvangput voorafgaande aan de lozing. Als een directe lozing redelijkerwijs niet mogelijk is, bijvoorbeeld door afwezigheid in de nabijheid van oppervlaktewater of een schoonwaterriool en een bodem die ongeschikt is voor lozingen, kan het afvalwater geloosd worden op het vuilwaterriool, waarbij ook gezorgd moet worden dat het niet meer dan 300 milligram per liter onopgeloste bestanddelen bevat. Dit ter voorkoming van dichtslibben van het vuilwaterriool.

De eis voor onopgeloste stoffen geldt voor enig steekmonster. Dat wil zeggen dat alleen in extreme situaties deze concentratie mag worden aangetroffen, bijvoorbeeld bij extreme regenval. Concentraties van ongeveer 100-150 mg/l zijn normaal en daaronder bestaat in principe geen probleem. Als concentraties worden aangetroffen tussen de 100-150 en 300 kan de handhaver vragen gaan stellen. Overschrijding van de norm van 300 betekent optreden.

Artikel 22.160 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

Artikel 22.161 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute bij opslaan van lekkende, uitlogende en vermestende goederen

In artikel 4.1058 van het Bal is voor afvalwater afkomstig van het opslaan van uitlogende goederen een verplichte lozingsroute opgenomen naar het vuilwaterriool. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer maakte het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen op oppervlaktewater. Deze alternatieve lozingsroute is als maatwerkregel opgenomen in de waterschapsverordening. Maar het waterschap is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool «uit te zetten». Vandaar dat dit artikel de verplichte lozingsroute naar het vuilwaterriool omzet in een facultatieve lozingsroute, voor zover de lozingsroute naar het oppervlaktewater in de waterschapsverordening is toegestaan.

§ 22.3.8.7 Lozen vanuit gemeentelijke voorzieningen voor inzameling en transport van afvalwater

Artikel 22.162 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is uit een openbaar ontwateringsstelsel of een openbaar hemelwaterstelsel en uit de zogeheten overheids-IBA’s. Dat zijn voorzieningen voor de verwerking van huishoudelijk afvalwater, anders dan een openbaar vuilwaterriool.

Artikel 22.163 Lozen vanuit openbaar hemelwaterstelsel en openbaar ontwateringsstelsel

In dit artikel wordt het lozen van afvalwater vanuit openbare ontwateringsstelsels en openbare hemelwaterstelsels op of in de bodem toegestaan. Voorwaarde daarbij is dat deze stelsels voorkomen op het overzicht van voorzieningen en maatregelen dat is opgenomen in het gemeentelijke rioleringsplan (GRP) als bedoeld in het voormalige artikel 4.22 van de Wet milieubeheer. Volgens het overgangsrecht van artikel 4.93 van de Invoeringswet Omgevingswet blijven GRP’s van kracht tot het tijdstip waarop de periode verstrijkt waarvoor het plan is vastgesteld, of tot het tijdstip waarop het gemeentebestuur besluit dat het plan vervalt.

De Omgevingswet biedt in artikel 3.14 de mogelijkheid dat het college van burgemeester en wethouders een (facultatief) gemeentelijk rioleringsprogramma vaststelt. Als het college een rioleringsprogramma heeft vastgesteld, is het lozen vanuit de in dat programma opgenomen voorzieningen eveneens toegestaan. De naam «rioleringsprogramma» is overigens niet limitatief, de gemeente kan dit programma bijvoorbeeld ook een waterprogramma noemen.

Artikel 22.164 Lozen van huishoudelijk afvalwater vanuit andere systemen

Voor lozingen vanuit «overheids-IBA’s» geldt dezelfde regeling als voor de lozingen vanuit gemeentelijke rioolstelsels. Kortheidshalve wordt verwezen naar de Artikel 22.163.

§ 22.3.8.8 Lozen bij schoonmaken drinkwaterleidingen

Artikel 22.165 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van water dat wordt gebruikt bij het spoelen van distributieleidingen voor drinkwater, tapwater en huishoudwater, om die leidingen voor het eerst in gebruik te nemen of bij het onderhoud aan die leidingen.

Artikel 22.166 Schoonmaken drinkwaterleidingen

Bij het schoonmaken van leidingen kan onderscheid gemaakt worden tussen afvalwater afkomstig van leidingen uit het transportnet en afvalwater afkomstig van leidingen uit het distributienet. Vanuit de productiestations wordt het drinkwater via transportleidingen naar het distributienet gepompt. Het transportnet kenmerkt zich door een grotere leidingdiameter en het geringe aantal vertakkingen en aansluitingen. Het distributienet verdeelt de hoofdstroom naar de vele eindgebruikers en kenmerkt zich door de vele vertakkingen en het verloop van grotere naar kleinere diameters. In grote lijnen zal het schoonmaken van leidingen uit het transportnet lozingen opleveren van 100 m3 of meer, terwijl lozingen van afvalwater afkomstig van distributieleidingen daaronder blijven. Ook op het schoonmaken van de aanvoerleiding heeft dit artikel betrekking.

Tegen lozingen van dit afvalwater bestaat, voor zover het geen desinfecteermiddelen of andere chemicaliën bevat, geen bezwaar, anders dan dat het geen overlast mag veroorzaken. In dit geval heeft het direct terugvoeren van dit water in het milieu de voorkeur. Het lozen op of in de bodem of in schoonwaterstelsels wordt daarom zonder beperkingen toegestaan (eerste lid). Bij het schoonmaken van leidingen van het distributienet kan het water veelal direct ter plaatse in de bodem worden geloosd zonder overlast te veroorzaken. Bij het schoonmaken van leidingen van het transportnet zal gezocht moeten worden naar een geschikte locatie. Het lozen van dit afvalwater in het oppervlaktewater is ook toegestaan. Dat is geregeld in de waterschapsverordening.

Het lozen op het vuilwaterriool is minder gewenst vanwege de verminderde werking van de zuivering bij de toevoeging van een relatief grote hoeveelheid schoon water. Dit is alleen een optie als anders lozen niet in redelijkheid mogelijk is (tweede lid).

Als er desinfecteermiddelen zijn gebruikt is overleg met het bevoegd gezag noodzakelijk om de meest geschikte oplossing voor het lozen te vinden. Het bevoegd gezag kan het lozen met een maatwerkvoorschrift toestaan, als het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet.

§ 22.3.8.9 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Artikel 22.167 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater dat afkomstig is van een calamiteitenoefening, met uitzondering van de permanente voorzieningen voor het oefenen van brandbestrijdingstechnieken, bedoeld in artikel 3.259 van het Bal.

Artikel 22.168 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.169 Lozen bij calamiteitenoefeningen

Bij calamiteitoefeningen kan soms afvalwater vrijkomen. Zo zal een oefening om een brand te bestrijden gepaard kunnen gaan met het gebruik van grote hoeveelheden bluswater, dat tijdens de oefening in de bodem of een rioolstelsel stroomt. Wanneer daarbij zorgvuldig wordt gehandeld zodat het water niet onnodig verontreinigd raakt, kan het zonder problemen worden geloosd.

§ 22.3.9 Lozen bij telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen

Artikel 22.170 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het telen, kweken, spoelen of sorteren van gewassen, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal.

Artikel 22.171 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.172 Recirculatie bij grondgebonden teelt in een kas

Artikel 4.791l van het Bal schrijft voor dat bij grondgebonden teelt in een kas een recirculatiesysteem voor drainagewater aanwezig is en in gebruik is. Op grond van artikel 3.71, zevende lid, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer hoefde geen recirculatiesysteem aanwezig te zijn, als hergebruik van het drainagewater niet doelmatig is. Voor lozingen van drainagewater die al voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet bestonden, wordt deze uitzondering in dit artikel voortgezet.

Artikel 22.173 Lozen bij spoelen van biologisch geteelde gewassen

In artikel 7.761 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het spoelen van biologisch geteelde gewassen gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.174 Lozen bij sorteren van biologisch geteeld fruit

In artikel 7.773 van het Bal is voorgeschreven dat afvalwater afkomstig van het sorteren van biologisch geteeld fruit gelijkmatig moet worden verspreid over landbouwgronden. Op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was het ook mogelijk om dit afvalwater te lozen in het vuilwaterriool of in het oppervlaktewater. In dit artikel worden die alternatieve lozingsroutes voortgezet.

De mogelijkheid om dit afvalwater te lozen in het oppervlaktewater is opgenomen in de waterschapsverordening. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat, als de waterschapsverordening die lozingsroute mogelijk maakt, het verplichte verspreiden over landbouwgronden niet geldt. Het waterschap is immers niet bevoegd om die plicht via een maatwerkregel aan te passen.

Artikel 22.175 Uitzondering voorgeschreven lozingsroute afvalwater uit een gebouw

Op grond van artikel 4.795 van het Bal geldt voor het lozen van afvalwater bij het telen van gewassen de plicht om te lozen in het vuilwaterriool, of het afvalwater gelijkmatig te verspreiden over landbouwgronden. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer was geregeld dat dat afvalwater ook in oppervlaktewater mag worden geloosd. In de waterschapsverordening is geregeld dat die lozingsroute mogelijk blijft. Het waterschap is echter niet bevoegd om de verplichte lozingsroute van artikel 4.795 «uit te zetten». Daarom is in dit artikel bepaald dat, als de waterschapsverordening het lozen op oppervlaktewater mogelijk maakt, de verplichte lozingsroute een facultatieve lozingsroute wordt.

Artikel 22.176 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.10 Lozen bij maken van betonmortel

Artikel 22.177 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het lozen van afvalwater afkomstig van het reinigen van installaties en voorzieningen voor het maken van betonmortel en het inwendig reinigen van voertuigen waarin betonmortel is vervoerd, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.178 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.179 Water

Volgens artikel 4.140, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het maken van betonmortel worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.180 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.11 Uitwassen van beton

Artikel 22.181 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwassen van beton, voor zover dit plaatsvindt bij een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal. Deze paragraaf bevat maatwerkregels als bedoeld in artikel 2.12 van dat besluit.

Artikel 22.182 Gegevens en bescheiden

Dit artikel verplicht om vier weken voor de start van de lozing het bevoegd gezag te informeren. Daarbij worden de aard en omvang van de lozing aangegeven, zoals de te lozen hoeveelheid afvalwater en de concentraties van stoffen die in het afvalwater worden verwacht. Het bevoegd gezag moet eveneens worden geïnformeerd als er wijzigingen optreden in de lozing, bijvoorbeeld omdat de te lozen hoeveelheid water wordt aangepast.

Artikel 22.183 Water

Volgens artikel 4.158, eerste lid, van het Bal moet afvalwater afkomstig van het uitwassen van beton worden geloosd op een oppervlaktewaterlichaam. In sommige gevallen is dat niet mogelijk, bijvoorbeeld omdat er geen geschikt oppervlaktewaterlichaam in de directe omgeving van de betoncentrale (of ander bedrijf) ligt. Voor die gevallen is in dit artikel geregeld dat het afvalwater onder voorwaarden ook in de riolering kan worden geloosd. De gemeente is niet bevoegd om de verplichte lozingsroute naar oppervlaktewater, die in het Bal is opgenomen, op te heffen. Daarom is in de waterschapsverordening bepaald dat die verplichte lozingsroute niet geldt als er een andere lozingsroute in het omgevingsplan is toegestaan. De initiatiefnemer heeft in dat geval de keuze tussen lozen in oppervlaktewater of lozen in de riolering.

Artikel 22.184 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.12 Recreatieve visvijvers

Artikel 22.185 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het exploiteren van een recreatieve visvijver. Recreatieve visvijvers vallen onder de recreatieve sector. Anders dan in kwekerijen van vis voor menselijke consumptie of voor siervissen worden in recreatieve visvijvers geen vissen gekweekt. Het kweken van vissen wordt als een agrarische activiteit beschouwd.

Het vissen vindt plaats in aparte vijvers. Deze vijvers maken in het algemeen geen deel uit van een oppervlaktewaterlichaam. Gemiddeld eens per twee weken wordt een aantal consumptievissen aangevoerd van een kwekerij. Deze vissen worden tijdelijk in voorraadbakken bewaard. Vervolgens worden ze – afhankelijk van de vraag – uit de voorraadbakken gehaald en uitgezet in één of meerdere grotere vijvers om te worden gevangen door recreatieve vissers.

De vissen worden in de tijd dat ze in de bakken en visvijvers aanwezig zijn in principe niet (bij)gevoerd. Een forel kan gemakkelijk een half jaar zonder voedsel. Ook worden geen antibiotica toegepast. Dat is sowieso bij vissen, die voor consumptiedoeleinden worden gebruikt, niet toegestaan.

Artikel 22.186 Gegevens en bescheiden

De te verstrekken gegevens en bescheiden dienen om een beeld te verschaffen van:

  • de activiteit zelf en wat daarbij hoort;

  • de precieze plek en indeling van de activiteit; en

  • wanneer deze begint of wordt gewijzigd.

Er hoeft geen inschatting van de door te activiteit veroorzaakte milieubelasting te worden verstrekt. Wel kan het college van B&W op grond van Artikel 22.48 verzoeken om gegevens en bescheiden die nodig zijn om te bezien of de algemene regels uit dit omgevingsplan en maatwerkvoorschriften voor de activiteit toereikend zijn gezien ontwikkelingen van de technische mogelijkheden tot het beschermen van het milieu en de ontwikkelingen van de kwaliteit van het milieu.

Wanneer gegevens en bescheiden moeten worden verstrekt, zijn ook altijd Artikel 22.46 (algemene gegevens bij het verstrekken van gegevens en bescheiden) en Artikel 22.47 (gegevens bij wijzigen naam, adres of normadressaat) van toepassing.

Artikel 22.187 Water: lozingsroute

Het water in de visvijvers wordt in beweging gehouden om vorming van onder andere blauwalgen te voorkomen. Daarvoor wordt een aantal m3 grondwater per dag opgepompt en toegevoegd aan de voorraadbakken, die weer in open verbinding staan met de visvijvers. Uiteindelijk wordt het spuiwater geloosd. Het spuiwater bestaat uit schoon (grond)water zonder toevoegingen. Het lozen van dit afvalwater in de bodem of in een schoonwaterriool is zonder nadere voorschriften toegestaan. Lozen in het vuilwaterriool is niet toegestaan.

Meestal wordt het afvalwater overigens in het oppervlaktewater geloosd. De regels daarvoor staan in de waterschapsverordening.

§ 22.3.13 Ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal

Artikel 22.188 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het ontwikkelen of afdrukken van fotografisch materiaal. Dit is de «ouderwetse», chemische manier van ontwikkelen en afdrukken van lichtgevoelige film.

Digitaal afdrukken, het met onder andere inkjet- en laserprinters afdrukken van digitale foto’s, is specifiek uitgezonderd.

Artikel 22.189 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.190 Water

In dit artikel is het in het vergelijkbare artikel van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomende voorschrift dat het te lozen afvalwater op een doelmatige wijze kan worden bemonsterd geschrapt. Dit volgt namelijk al uit de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.191 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.14 Wassen van motorvoertuigen

Artikel 22.192 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het uitwendig wassen van motorvoertuigen, met uitzondering van het wassen van motorvoertuigen dat onderdeel uitmaakt van een milieubelastende activiteit die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Bal en bij de activiteit wonen. In het Bal zijn, waar nodig, al regels gesteld over het reinigen van voertuigen. De reden dat deze paragraaf ook niet van toepassing is bij wonen, is dat er in het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens ook geen regels aan deze lozingen waren gesteld, anders dan de zorgplicht.

Artikel 22.193 Bodem

Het wassen van motorvoertuigen moet in principe plaatsvinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening. Vanwege de aard van de activiteit, waarbij continue bodembedreigende vloeistoffen over de voorziening stromen, zijn niet-vloeistofdichte voorzieningen niet toereikend.

Op de plicht om het wassen van motorvoertuigen plaats te laten vinden boven een vloeistofdichte bodemvoorziening is een uitzondering gemaakt voor het wassen van motorvoertuigen op een mobiele wasinstallatie. Dit soort installaties worden tegenwoordig steeds meer toegepast bij initiatiefnemers die zelf niet beschikken over de vereiste voorzieningen. Mobiele installaties moeten wel voldoende bodembeschermende werking hebben. Daarom is bepaald dat er geen vloeistoffen in de bodem terecht mogen komen.

Ook geldt, in navolging van de artikelen 3.23b, tweede lid, aanhef en onder a, en 3.24, aanhef en onder a, van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, een uitzondering voor het per week uitwendig wassen van ten hoogste één motorvoertuig waarmee geen gewasbeschermingsmiddelen zijn toegepast. Artikel 22.194 lid 2, van dit omgevingsplan regelt in samenhang hiermee dat het water bij het wassen in de bodem mag komen. Dit zal in beperkte mate het geval zijn, als de verharding waarop wordt gewassen niet vloeistofdicht is.

Artikel 22.194 Water

Uitgangspunt bij het lozen van oliehoudend afvalwater is een norm van 20 milligram olie per liter in enig steekmonster. Aan deze norm kan worden voldaan door ofwel het toepassen van zuiveringstechnieken volgens BBT, ofwel het zodanig inrichten van de werkwijze, dat het gehalte van 20 milligram per liter ook zonder behandeling in zuiveringsvoorzieningen niet wordt overschreden.

Op de norm van 20 milligram per liter wordt een uitzondering gemaakt als het afvalwater geleid wordt door een olie-afscheider en slibvangput die voldoen aan NEN-EN 858-1 en 2. Vanzelfsprekend moeten de olie-afscheider en slibvangput adequaat functioneren. Dit kan worden beoordeeld aan de hand van het oliegehalte van het geloosde water. Daarbij is het wel van belang, dat de werkwijze (waaronder de keuze van het reinigingsmiddel en de wijze van toepassing van een eventuele hogedrukreiniger) zodanig is dat een goede werking van de afscheider niet onmogelijk wordt gemaakt door vorming van emulsies. Ook moeten de slibvangput en olieafscheider goed worden onderhouden. Dit omvat het tijdig ledigen en reinigen en het zo spoedig mogelijk verhelpen van geconstateerde gebreken. Wanneer het verwijderen van afgescheiden olie en slib exact aan de orde is afhankelijk van het type afscheider en kan verschillen. Over het algemeen moet de slibvangput of slibvangruimte worden geleegd wanneer deze voor meer dan 50% gevuld is met slib/zand. Dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Om de goede werking van een slibvangput en olieafscheider te waarborgen moet bij alle afscheiders, naast het zo nodig verwijderen van olie en slib, de afscheider met enige regelmaat volledig geleegd en gereinigd worden en onderzocht worden op aantasting en andere gebreken. Gebleken gebreken moeten zo spoedig mogelijk verholpen worden. Ook dit valt onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.195 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen gehanteerd worden bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.15 Niet-industriële voedselbereiding

Artikel 22.196 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op (kleinschalige) voedselbereiding. Het betreft bijvoorbeeld bedrijfskantines of de horeca.

Deze paragraaf is niet van toepassing op de voedingsmiddelenindustrie als bedoeld in artikel 3.128 van het Bal, met uitzondering van de kantine van die bedrijven.

Het toepassingsbereik van artikel 3.128 van het Bal verschilt enigszins van het toepassingsbereik van paragraaf 3.6.3 (industrieel vervaardigen of bewerken van voedingsmiddelen of dranken) uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Daardoor ontstaan mogelijk wat verschuivingen in het werkingsgebied van de voorschriften ten opzichte van de oude situatie. Zo is de ondergrens voor het nominaal vermogen van een bakkerijoven van 400 kW uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer veranderd in een aansluitwaarde van meer dan 100 kW omdat die ondergrens in artikel 3.128 van het Bal wordt gehanteerd. In gevallen waarin dit een probleem oplevert kan dit worden opgelost met maatwerk.

Grootkeukenapparatuur is apparatuur die wordt gebruikt voor professionele keukens in de horeca en bij andere bedrijven. De apparatuur die in professionele keukens wordt gebruikt, is een slag groter dan huishoudelijke apparatuur en wordt gekocht bij gespecialiseerde leveranciers.

Grootkeukenapparatuur komt zowel in elektrische als gasgestookte varianten voor. Het maximale vermogen van grootkeukenapparatuur is ongeveer 80 kW. Zware grootkeukenapparaten zijn bijvoorbeeld pastakokers voor een mensa of instelling of de bakwand van een snackbar.

Artikel 22.197 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.198 Water

Vethoudend afvalwater wordt in beginsel altijd op het vuilwaterriool geloosd.

Het is niet toegestaan om afvalwater via een voedselrestvermaler te lozen op het vuilwaterriool.

Een voedselrestvermaler vermaalt verteerbare etensresten met toevoeging van water tot een vloeibare afvalstof. Deze vloeibare afvalstof wordt vervolgens met het afvalwater geloosd. De vermalen stoffen kunnen leiden tot verstopping, maar zorgen ook voor een ongewenste toename van organisch afval in het afvalwater.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2. Op grond van het vijfde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en NEN-EN 1825-2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider.

Een slibvangput en vetafscheider die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan is volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water».

Artikel 22.199 Geur

Eerste lid

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in Artikel 22.45 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de installatie voldoende vaak worden gereinigd.

Tweede lid

Grootkeukens die grillen, frituren of bakken in olie of vet, moeten de hierbij vrijkomende dampen afzuigen. Bovendien moeten de afgezogen dampen via een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter worden afgevoerd naar de buitenlucht. Dit geldt niet voor het grillen met houtskool.

Derde lid, onderdeel a

Net als in de voormalige Activiteitenregeling milieubeheer, gelden de regels voor het voorkomen van geurhinder niet voor het koken met keukenapparatuur. De specifieke zorgplicht is voldoende.

Vierde lid

Het vierde lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

§ 22.3.16 Voedingsmiddelenindustrie

Artikel 22.200 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op milieubelastende activiteiten zoals die voorkomen bij de voedingsmiddelenindustrie. De activiteiten zijn benoemd in artikel 3.128 van het Bal, Het gaat onder meer om het op grote schaal bewerken of verwerken van dierlijke of plantaardige grondstoffen voor het maken van levensmiddelen, slachten van dieren of maken van veevoer. Het aspect geurimmissie is voor deze activiteiten niet specifiek geregeld in het Bal. Wel valt dit aspect onder de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal. Deze paragraaf is een maatwerkregel op grond van die specifieke zorgplicht.

Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten als bedoeld in de artikelen 3.129, eerste lid, 3.130 of 3.131 van het Bal wordt het toestaan van (meer) geur door het beginnen met of uitbreiden in capaciteit van de activiteit, geregeld via een vergunningaanvraag voor een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. Bij de vergunningaanvraag kan een geuronderzoek geëist worden.

Artikel 22.201 Geur: beginnen of uitbreiden activiteit

Dit artikel is een voortzetting van artikel 3.140, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Het bevoegd gezag kan in afwijking van dit artikel bij maatwerkvoorschrift op grond van Artikel 22.45 van dit omgevingsplan een bepaalde mate van nieuwe geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen toestaan.

Ook kan het bevoegd gezag bij maatwerkvoorschrift bepalen dat een bepaalde geurbelasting ter plaatse van geurgevoelige objecten niet wordt overschreden, of dat technische voorzieningen worden aangebracht of gedragsregels in acht worden genomen om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

Bij het industrieel vervaardigen of bewerken van levensmiddelen of voeder is de kans op geurhinder reëel. Daarom kan het bevoegd gezag via een maatwerkvoorschrift om een geuronderzoek vragen. In dat geuronderzoek wordt onder meer aangegeven welke maatregelen worden getroffen ter voorkoming of beperking van geurhinder ter plaatse van geurgevoelige gebouwen.

§ 22.3.17 Slachten van dieren en bewerken van dierlijke bijproducten of uitsnijden van vlees, vis of organen

Artikel 22.202 Toepassingsbereik

Op het slachten van meer dan 10.000 kilogram levend gewicht aan dieren per week is paragraaf 3.4.8 (Voedingsmiddelenindustrie) van het Bal van toepassing. Bij de andere drie activiteiten genoemd in Artikel 22.202 lid 1, onderdelen c tot en met d, staat geen ondergrens. Paragraaf 3.4.8 van het Bal is van toepassing op alle IPPC-installaties in de voedingsmiddelenindustrie. Wanneer dus de andere drie activiteiten onderdeel zijn van een IPPC-installatie, dan is deze paragraaf niet van toepassing.

Artikel 22.203 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.204 Water: lozingsroute en zuivering

Door het inpandig uitvoeren van het slachten van dieren en het broeien, koken of pekelen van daarbij vrijkomende dierlijke bijproducten wordt voorkomen dat afvalwater onbedoeld in de bodem of het oppervlaktewater terecht komt.

Bij het lozen van vethoudend afvalwater is het toepassen van een vetafscheider en slibvangput verplicht. Deze moeten voldoen aan en worden gebruikt conform NEN-EN 1825-1 en -2. Op grond van het vierde lid kan in afwijking van NEN-EN 1825-1 en -2, met een lagere frequentie van het legen en reinigen dan daar vermeld worden volstaan als dit geen nadelige gevolgen heeft voor het doelmatig functioneren van de afscheider. In plaats van een vetafscheider kan ook een flocculatie-afscheider als alternatieve maatregel worden toegepast.

Een slibvangput en vetafscheider, die vóór 14 september 2004 zijn geplaatst, hoeven niet te voldoen aan de NEN-EN-normen. In plaats daarvan kan worden volstaan met de voorwaarde «afgestemd op de hoeveelheid water». Hetzelfde geldt voor een flocculatie-afscheider geplaatst voor 1 januari 2013.

Voor meer uitleg over de zuivering bij het lozen van vethoudend afvalwater in een vuilwaterriool wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 4.407 van het Bal.

Artikel 22.205 Geur: voorkomen of beperken geurhinder

Een ontgeuringsinstallatie zoals voorgeschreven in het eerste lid, onder b, van dit artikel moet uiteraard doelmatig zijn. Op grond van de specifieke zorgplichten in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal moet bijvoorbeeld de capaciteit van de ontgeuringsinstallatie groot genoeg zijn en moet de ontgeuringsinstallatie voldoende vaak worden gereinigd.

Het tweede lid bevat oud overgangsrecht van het Activiteitenbesluit milieubeheer dat is overgenomen. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

Artikel 22.206 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.207 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die een activiteit als bedoeld in Artikel 22.202 lid 1 verricht houdt in een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.208 Bodem: eindonderzoek bodem

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van het pekelen van dierlijke bijproducten of organen is verontreinigd of aangetast.

Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voorgeschreven, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die het pekelen van dierlijke bijproducten of organen beëindigd kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan het beëindigen van de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek moet voldoen aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een instelling met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.209 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het eindonderzoek bodem moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen, van welke bronnen deze stoffen afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het rapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden, anders moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.210 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal. De resultaten van het eindonderzoek bodem moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.211 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • De waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd.

  • De bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart.

  • De achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of artikel 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een persoon of onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.212 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

Artikel 22.213 Water: opruimen gemorste en gelekte stoffen

Bij het pekelen van dierlijke bijproducten en organen kunnen bepaalde stoffen lekken en worden gemorst, die bij voorkeur niet in het afvalwater terecht mogen komen. Daarom is in dit artikel voorgeschreven dat ze zoveel mogelijk, zonder verder toevoegen van water worden opgeruimd en afgevoerd als afvalstof en dat zoveel mogelijk wordt voorkomen dat deze stoffen in het afvalwater terecht kunnen komen.

§ 22.3.18 Opwekken van elektriciteit met een windturbine

Artikel 22.214 Toepassingsbereik

Deze paragraaf ziet op windturbines die lichtschitteringveroorzaken of slagschaduw in verblijfsruimten van slagschaduwgevoelige gebouwen.

Onder deze paragraaf vallen alleen windturbines met een rotordiameter van meer dan 2 m.

Een windturbine die deel uitmaakt van een windpark in de Noordzee valt niet onder deze paragraaf.

Een windturbine die deel uitmaakt van een nieuw windpark met 3 of meer windturbines valt niet onder deze paragraaf.

Artikel 22.215 Toepassingsbereik: eerbiedigende werking

Eerste lid

In artikel 5.89a van het Bkl zijn slagschaduwgevoelige gebouwen, die zijn toegelaten voor de duur van niet meer dan tien jaar, uitgesloten van het toepassingsbereik van de bepalingen over slagschaduw in dat besluit. In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer kregen deze tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen wel bescherming. Dit artikellid zorgt ervoor dat de tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouwen, die toegelaten zijn op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet, wel bescherming tegen slagschaduw blijven houden. Dit tot het moment dat bij:

  • het vaststellen van het nieuwe deel van het omgevingsplan; of

  • het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit;

beoordeeld is dat de situatie ook zonder deze regel voor slagschaduw op het tijdelijke slagschaduwgevoelige gebouw, aanvaardbaar is.

Tweede lid

Het tweede lid gaat over geprojecteerde en in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen, die op grond van het recht zoals dat gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet toegelaten zijn. Deze gebouwen krijgen op grond van dit onderdeel geen bescherming voor slagschaduw. Het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer bood namelijk geen bescherming tegen slagschaduw aan geplande, maar nog te bouwen gebouwen.

Schema: of regels voor slagschaduw gelden bij geprojecteerde of in aanbouw zijnde slagschaduwgevoelige gebouwen of tijdelijk toegelaten slagschaduwgevoelige gebouwen

Slagschaduwgevoelig gebouw

Activiteit

op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan), toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

in het nieuwe deel van het omgevingsplan, toegelaten maar nog niet gebouwd

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat op grond van het oude recht (in het tijdelijke deel van het omgevingsplan) is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is wel van toepassing

slagschaduwgevoelig gebouw dat in het nieuwe deel van het omgevingsplan is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar

de regel voor slagschaduw is niet van toepassing

Artikel 22.216 Slagschaduw: stilstandvoorziening

De passerende schaduw van draaiende wieken van een windturbine kan op bepaalde plaatsen en onder bepaalde omstandigheden een hinderlijk schaduweffect, dat wil zeggen wisseling van lichtsterkte, veroorzaken. Dit kan vooral hinderlijk zijn als de schaduw over ramen valt en zich bijvoorbeeld over een werkplek beweegt waar gestudeerd of gelezen wordt. De mate van hinder wordt onder meer bepaald door de frequentie van het passeren (rotortoerental), door de blootstellingsduur en door de intensiteit van de wisselingen in lichtsterkte. Passeerfrequenties tussen 2,5 en 14 Hz (aantal passeringen per seconde) veroorzaken hinder. Bij grotere turbines is het toerental lager zodat de passeerfrequenties doorgaans beneden 2,5 Hz liggen. Naast de passeerfrequentie is een aantal andere factoren ook bepalend voor eventuele hinder in de omgeving. Deze factoren zijn dermate locatie specifiek dat het ondoenlijk is een eenduidige alomvattende norm te stellen. Doorgaans is het noodzakelijk deze factoren in samenhang te analyseren en te projecteren op de specifieke situatie. Zo nodig kan hiervoor een maatwerkvoorschrift worden gesteld. Een hinderduur van maximaal 64 (en gemiddeld 17) dagen per jaar met een maximum van 20 minuten per dag is op grond van artikel 5.89f van het Bkl als aanvaardbaar te beschouwen. Bovendien zijn in veel gevallen eenvoudige voorzieningen aan te brengen aan een turbine. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een stilstandregeling. De eis uit dit artikel geldt in slagschaduwgevoelige ruimten. Een blinde gevel of tuinen bij woningen worden niet beschermd tegen slagschaduw. Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door slagschaduw als de maatregel in Artikel 22.216 in een specifiek geval niet toereikend is.

Artikel 22.217 Slagschaduw: functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regel voor het beperken van slagschaduw niet van toepassing is op de slagschaduw door een windturbine in een slagschaduwgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met de windturbine. Dit artikel sluit aan bij artikel 5.89d van het Bkl.

Artikel 22.218 Slagschaduw: voormalige functionele binding

Dit artikel bepaalt dat de regels voor slagschaduw in een verblijfsruimte van een slagschaduwgevoelig gebouw, dat voorheen onderdeel was van een Wet milieubeheer-inrichting of functioneel verbonden was met een agrarische activiteit, niet gelden voor slagschaduw door een windturbine, behorende bij die agrarische activiteit in dat slagschaduwgevoelige gebouw.

Het gebouw blijft wel beschermd tegen slagschaduw, veroorzaakt door andere omliggende windturbines.

Onderdeel a

Onderdeel a is een regeling voor zogenaamde «plattelandswoningen» die als plattelandswoning zijn aangewezen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit was onder het oude recht bepaald in de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (artikel 1.1a) en het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 1.3c).

Onderdeel b

Onderdeel b is een regeling voor slagschaduw door een windturbine bij een agrarische activiteit, voor een gebouw met een voormalige functionele binding in het nieuwe deel van het omgevingsplan.

In een situatie als bedoeld onder b, wordt in het nieuwe deel van het omgevingsplan of in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit, voor de woning waar het om gaat (of ander slagschaduwgevoelig gebouw) bepaald dat deze woning geen bescherming geniet tegen slagschaduw door een windturbine bij de agrarische activiteit waarmee de woning voorheen was verbonden, door regels in het omgevingsplan.

Onderdeel b van deze bepaling voorziet erin dat de regel voor slagschaduw uit dit omgevingsplan ook daadwerkelijk niet gaat gelden voor de naastgelegen woning, die nu geen functionele binding meer heeft.

Dit artikel past binnen de mogelijkheden van artikel 5.89e van het Bkl.

Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar de toelichting bij dat artikel en paragrafen 2.3.8, onder «Voormalige bedrijfswoningen», en 8.1.3, onder «Functioneel verbonden en functioneel ondersteunende gebouwen en locaties», van het algemeen deel van de nota van toelichting bij het Bkl.

Artikel 22.219 Lichtschittering: beperken van reflectie en artikel 22.220 Lichtschittering: meten reflectiewaarden

Lichthinder door lichtschittering kan voorkomen worden door het gebruik van niet-reflecterende materialen of door coating op de rotorbladen aan te brengen. Daarnaast blijkt dat door weersinvloeden de rotorbladen mat kunnen worden (glansgraad maximaal 30%) waardoor reflectiewaarden in de tijd afnemen. De methode van meten van reflectiewaarden is opgenomen in NEN-EN-ISO 2813, «Verven en vernissen – Metingen van de glans (spiegelende reflectie) van niet-metallieke verflagen onder 20°, 60° en 85°». Hoewel de voorkeur uitgaat naar de meetmethode uit dit voorschrift, kan ook van een gelijkwaardige meetmethode gebruik worden gemaakt. Gelijkwaardige meetmethoden zijn bijvoorbeeld opgenomen in DIN (Deutsche Industrie Norm) 67530 en NEN 3632.

Het bevoegd gezag kan aanvullend maatwerkvoorschriften stellen voor het voorkomen of beperken van hinder door lichtschittering als Artikel 22.219 of Artikel 22.220 in een specifiek geval niet toereikend is.

§ 22.3.19 In werking hebben van een acculader

Artikel 22.221 Toepassingsbereik

Deze paragraaf heeft enkel betrekking op het opladen van «natte» accu’s. Deze accu’s bevatten (zwavel)zuur en zijn niet volledig gesloten waardoor er lekkage kan optreden.

Deze activiteit was onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer niet meldingsplichtig. Vandaar dat er geen plicht om gegevens en bescheiden aan te leveren is opgenomen in deze paragraaf.

Artikel 22.222 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uit een natte accu kan zuur lekken, dat de bodem kan verontreinigen. Daarom moet een aaneengesloten bodemvoorziening aanwezig zijn. Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.223 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

§ 22.3.20 Bieden van parkeergelegenheid in een parkeergarage

Artikel 22.224 Toepassingsbereik

Deze paragraaf geldt voor parkeergarages met mechanische ventilatie. Er vindt dan ook emissie uit een puntbron van uitlaatgassen van auto’s plaats. Hierdoor kan er lokaal geurhinder of een te hoge concentratie van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid ontstaan.

Artikel 22.225 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Deze paragraaf treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 20 parkeerplaatsen. De plicht gegevens en bescheiden te verstrekken treedt in werking bij een parkeergarage met meer dan 30 parkeerplaatsen. Dit verschil is afkomstig uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, waarbij een parkeergarage pas vanaf 30 parkeerplaatsen meldingsplichtig was.

Artikel 22.226 Lucht en geur: afvoeren emissies

Eerste lid

De voorschriften in het eerste lid dienen om te voorkomen dat er op een bepaald punt geurhinder of een te hoge concentratie ontstaat van stoffen die gevaarlijk zijn voor de gezondheid.

Tweede lid

Het tweede lid betreft overgangsrecht dat overgenomen is uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij het stellen van regels in het nieuwe deel van het omgevingsplan kan worden beoordeeld of dit overgangsrecht voor een specifieke locatie nog noodzakelijk of gewenst is.

§ 22.3.21 Traditioneel schieten

Artikel 22.227 Toepassingsbereik

Traditioneel schieten is het schieten door schutterijen of schuttersgilden met buksen of geweren vanaf een vaste standplaats op een stilstaand doel in de buitenlucht.

Het traditioneel schieten vindt voornamelijk plaats bij schutterijen en schuttersgilden in de provincies Gelderland, Noord-Brabant en Limburg. Afhankelijk van de streek worden andere schietdisciplines beoefend. De meest gebruikelijke disciplines van het traditioneel schieten zijn:

Oud-Limburgs schieten: het harkschieten en het vogelschieten.

Brabants schieten: het schieten op de wip en het gaai- of vogelschieten.

Gelders schieten: het lepel- of fladderschieten, het vogelschieten en het schieten op de schijf.

Artikel 22.228 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Met de plaats waar bodembedreigende stoffen worden gebruikt, wordt bedoeld het hele gebied, van de plaats waar wordt geschoten tot de plaats waar de munitie terecht kan komen.

Artikel 22.229 Bodem en externe veiligheid

Bij het traditioneel schieten moet een kogelvanger worden toegepast. Een kogelvanger is een voorziening, waarmee alle afgeschoten kogels worden opgevangen. Het schieten moet zodanig plaatsvinden dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen. Voor bepaalde schietdisciplines kan dat betekenen dat het schieten met een oplegsteun of affuit nodig is. Om ervoor zorg te dragen dat alle afgeschoten kogels in de kogelvanger terecht komen, mogen ongeoefende schutters alleen met toepassing van een affuit schieten. De baancommandant beoordeelt of sprake is van een geoefende of een ongeoefende schutter.

Het toepassen van een kogelvanger is noodzakelijk in het kader van externe veiligheid en voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem.

Door het toepassen van een kogelvanger worden de externe veiligheidsrisico’s van het traditioneel schieten zoveel mogelijk beperkt, doordat geen kogels achter het doel – waarop geschoten wordt – terecht komen. Het gebruik van de kogelvanger beperkt derhalve de «onveilige zone».

Daarnaast is het toepassen van een kogelvanger noodzakelijk voor het voorkomen, of als dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de belasting van de bodem. Bij het traditioneel schieten wordt onder meer gebruik gemaakt van kogels die uit lood bestaan. Lood is schadelijk voor het milieu en derhalve een zwarte lijst-stof. Door het toepassen van een kogelvanger wordt voorkomen dat kogels in de bodem terecht kunnen komen. Afgeschoten kogels worden opgevangen in een verzamelbak (of wattenbak). Deze verzamelbak maakt onderdeel uit van de kogelvanger.

In de paragraaf van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer over traditioneel schieten stonden ook bepalingen over het zich bij de kogelvanger bevinden van personen of veediersoorten. Dit gedragsvoorschrift valt nu onder de specifieke zorgplicht.

Artikel 22.230 Bodem: bodembeschermende voorziening

Eerste lid

Er moet worden voorkomen dat de hulzen van verschoten munitie in of op de bodem terecht komen. Om deze reden wordt in het eerste lid van dit artikel voorgeschreven dat het schieten plaats moet vinden boven een bodembeschermende voorziening. Dit betekent dat de zone rond de standplaats van de schutter dusdanig geconditioneerd moet zijn, dat het verzamelen van de hulzen makkelijk uitvoerbaar is.

Tweede lid

De kogelvanger, bedoeld in Artikel 22.229, moet opgesteld worden boven een bodembeschermende voorziening. Dit om te voorkomen dat de kogels die opgevangen worden door de kogelvanger, maar onverhoopt niet in de verzamelbak terecht komen, op of in de bodem terecht kunnen komen. De exploitant van de schietbaan kan een keuze maken voor de toe te passen bodembeschermende voorzieningen (en daarbij horende maatregelen).

Doorgaans gaat het om een verharding, kleed of voldoende dik plasticfolie met voldoende oppervlakte onder de kogelvanger. De kogels die niet worden opgevangen in de verzamelbak komen op deze voorziening terecht. Deze kogels, maar ook de kogels die worden opgevangen in de verzamelbak, moeten na afloop van een schietdag worden verwijderd om uitloging naar de bodem te voorkomen.

Een andere optie is het treffen van voorzieningen waardoor verzekerd wordt dat alle kogels die worden opgevangen door de kogelvanger terecht komen in de verzamelbak. Dit kan gerealiseerd worden door de kogels, die worden opgevangen door de kogelvanger, met een gesloten buis af te voeren naar een afgesloten verzamelbak.

Artikel 22.231 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.232 Bodem: eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.3 van het Bal.

Eerste lid

Een eindonderzoek bodem heeft tot doel te bepalen of de bodem na het beëindigen van de activiteit is verontreinigd of aangetast.

Een bodemonderzoek voorafgaand aan de activiteit, zoals in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het geval was, is niet langer verplicht voor deze activiteit.

Degene die een activiteit verricht kan er nog altijd wel zelf voor kiezen op eigen initiatief een bodemonderzoek te verrichten voorafgaand aan de activiteit. Als voorafgaand aan de activiteit geen nulsituatie wordt vastgesteld, kan het wel zo zijn dat de initiatiefnemer meer moet herstellen dan alleen door zijn activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De initiatiefnemer heeft dus een keuze.

Tweede lid

Dit lid schrijft voor dat het bodemonderzoek alleen is gericht:

  • op de bodembedreigende stoffen die als gevolg van de activiteit in de bodem kunnen geraken of daarin terecht kunnen zijn gekomen; en

  • op de plaatsen waar de bodembedreigende activiteit is verricht.

Met het gedeelte van de locatie waar het traditioneel schieten heeft plaatsgevonden, wordt het gehele gebied bedoeld, van de standplaats van de schutters tot de plek waar munitie terecht kan komen.

Derde lid

Het derde lid bepaalt dat het bodemonderzoek voldoet aan NEN 5725 en NEN 5740 en dat het veldwerk moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 2000 of een certificatie- of inspectie-instantie met een erkenning bodemkwaliteit voor AS SIKB 2000. Het veldwerk bestaat onder andere uit het nemen van grond(water)monsters en het plaatsen van handboringen en peilbuizen. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.233 Bodem: rapport van het eindonderzoek bodem

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.4 van het Bal. In het rapport van het bodemonderzoek moeten een aantal gegevens worden opgenomen. Bij de naam van degene die het onderzoek heeft uitgevoerd zal het in de regel gaan om de bedrijfsnaam. De wijze waarop het onderzoek is verricht zal over het algemeen een weergave bevatten van de normdocumenten die zijn gevolgd en de gegevens die op grond daarvan moeten worden vastgelegd. Het rapport moet informatie bevatten over de soort en concentratie van de aangetroffen verontreinigende stoffen en van welke bronnen deze afkomstig zijn en informatie over de geschiedenis van het terrein. Als er bestaande informatie is over bodem- en grondwatermonsters van de verontreinigende stoffen die bij de activiteit gebruikt zijn, geproduceerd zijn of zijn vrijgekomen ten tijde van het opstellen van het bodemrapport kunnen deze gegevens in de rapportage verwerkt worden. Als er geen bestaande informatie over bestaat, moeten nieuwe monsters worden genomen. Wanneer is gebleken dat de bodem is verontreinigd of aangetast, zal in het rapport ook moeten worden vastgelegd op welke wijze de bodemkwaliteit wordt hersteld en de mate waarin dat plaatsvindt.

Artikel 22.234 Gegevens en bescheiden: beëindigen activiteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.5 van het Bal.

De resultaten van het bodemonderzoek moeten uiterlijk binnen zes maanden na beëindiging van de activiteit zijn gerapporteerd aan het bevoegd gezag.

Artikel 22.235 Bodem: herstel van de bodemkwaliteit

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.6 van het Bal.

Eerste lid

Als uit het rapport van het eindonderzoek bodem, blijkt dat de bodem is verontreinigd dan moet op grond van het eerste lid uiterlijk binnen zes maanden na het toezenden van het rapport de bodemkwaliteit zijn hersteld.

Voor het herstellen van de bodemkwaliteit kan uit drie opties worden gekozen. Deze keuze wordt gemaakt door degene die de activiteit verricht. De bodemkwaliteit wordt hersteld tot:

  • de waarden van een bodemrapport volgens NEN 5740 waarin de bodem- en grondwaterkwaliteit voor aanvang van de activiteit zijn vastgelegd;

  • de bodemkwaliteit van de zone waarin de activiteit is verricht zoals vastgelegd op een geldende bodemkwaliteitskaart; of

  • de achtergrondwaarden, vastgesteld op grond van het Besluit bodemkwaliteit.

Wanneer de bodemkwaliteit voor aanvang van de activiteit niet is vastgelegd of wanneer er geen geldende bodemkwaliteitskaart voor dat gebied voor handen is, dan moet herstel plaatsvinden tot de achtergrondwaarden als vastgesteld op grond van artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit.

Dit artikel regelt dat de bodemkwaliteit hersteld moet worden na beëindiging van de activiteit. Dit doet er niks aan af dat eventuele morsingen of lekkages op een bodembeschermende voorziening direct opgeruimd moeten worden. Het opruimen van gelekte of gemorste (vloei)stoffen is onderdeel van de specifieke zorgplicht in Artikel 22.44 van dit omgevingsplan of 2.11 van het Bal. Deze verplichtingen bestaan naast elkaar.

Tweede lid

Het tweede lid bepaalt dat het herstel van de bodemkwaliteit moet worden verricht door een onderneming met een erkenning bodemkwaliteit voor BRL SIKB 7000. Een «erkenning bodemkwaliteit» is in bijlage I bij het Bal omschreven als een erkenning als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Het Besluit bodemkwaliteit omschrijft een erkenning als beschikking van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat waarbij wordt vastgesteld dat een persoon of een instelling voor een werkzaamheid voldoet aan de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit geldende voorwaarden.

Artikel 22.236 Informeren: herstelwerkzaamheden

Dit formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.7 van het Bal. Zowel ten minste vijf dagen voor de aanvang van de herstelwerkzaamheden als ten hoogste vijf dagen na de afronding van de herstelwerkzaamheden wordt het bevoegd gezag door degene die de activiteit heeft verricht geïnformeerd over deze herstelwerkzaamheden, zodat het bevoegd gezag daarop haar toezichtsactiviteiten kan afstemmen.

§ 22.3.22 Bieden van gelegenheid voor het beoefenen van sport in de buitenlucht

Artikel 22.237 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op buiten sporten met terreinverlichting. Wanneer een sportveld terreinverlichting heeft, kan dit lichthinder veroorzaken voor omwonenden.

Artikel 22.238 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.239 Licht

Dit artikel beperkt het gebruik van de terreinverlichting tot specifiek aangewezen gevallen. Op grond van het tweede lid wordt een uitzondering gemaakt voor bepaalde festiviteiten en speciaal aangewezen andere activiteiten. Deze festiviteiten en activiteiten zijn op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt aangewezen in de Algemeen Plaatselijke Verordening van de gemeente.

§ 22.3.23 Opslaan van vaste mest

Artikel 22.240 Toepassingsbereik

Eerste lid

Bij het opslaan van minder dan 3 m3 vaste mest gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. Een opslag van meer dan 600 m3 valt niet onder het toepassingsbereik van deze paragraaf. In Artikel 22.267 is een vergunningplicht opgenomen voor de opslag van meer dan 600 m3 vaste mest.

Tweede lid, onderdeel a

Als mest korter dan twee weken op één plek opgeslagen ligt, dan is deze paragraaf niet van toepassing. Wel geldt de specifieke zorgplicht.

Tweede lid, onderdeel b

Het opslaan van vaste mest maakt vaak deel uit van bijvoorbeeld een veehouderij, een akkerbouwbedrijf of een agrarisch loonwerkbedrijf die aangewezen zijn als milieubelastende activiteit in het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van vaste mest uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in artikel 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Artikel 22.241 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.242 Bodem: opslag

Een aaneengesloten bodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert en waarvan eventuele onderbrekingen of naden zijn gedicht.

Artikel 22.243 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.244 Water: lozingsroute

Het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen afkomstig van het opslaan van vaste mest is voorgeschreven omdat het lozen van deze vloeistoffen in het riool of in oppervlaktewater niet de voorkeur heeft.

Artikel 22.245 Geur

Dit artikel is niet van toepassing op het opslaan van vaste mest, afkomstig van landbouwhuisdieren of van paarden die gehouden worden in verband met het berijden. Hiervoor geldt Artikel 22.114 en verder.

§ 22.3.24 Opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen

Artikel 22.246 Toepassingsbereik

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt Artikel 22.116 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

Artikel 22.247 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.248 Bodem: bodembeschermende voorziening

Een elementenbodemvoorziening is een vloer, verharding of constructie die stoffen tijdelijk keert, waarvan eventuele onderbrekingen of naden niet zijn gedicht.

Artikel 22.249 Bodem: logboek bodembeschermende voorziening

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal. Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.250 Water: lozingsroute vrijkomende vloeistoffen

Door het gelijkmatig verspreiden over onverharde bodem van vrijkomende vloeistoffen wordt grotendeels voorkomen dat deze in het oppervlaktewater terecht komen.

Artikel 22.251 Water: lozingsroutes afvalwater bodembeschermende voorziening

Onder de genoemde voorwaarden is het lozen op of in de bodem niet bezwaarlijk en is daarom mogelijk gemaakt. Als aan de voorwaarden niet kan worden voldaan moet afvalwater van de bodembeschermende voorziening samen met de vrijkomende vloeistoffen worden opgevangen en kan dit over onverharde bodem worden verspreid in lijn met Artikel 22.250.

§ 22.3.25 Het fokken, houden of trainen van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels

Artikel 22.252 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat voorschriften voor het houden van landbouwhuisdieren, andere zoogdieren of vogels. Hieronder vallen dus bijvoorbeeld het op kleine schaal houden van landbouwhuisdieren, kinderboerderijen, dierentuinen, maneges, hondenkennels of dierenasiels. Het grootschalig houden van landbouwhuisdieren wordt geregeld door het Bal.

Het houden van landbouwhuisdieren of paarden of pony’s kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor gelden de artikelen uit SubParagraaf 22.3.6.2 (Geur door het in een dierenverblijf houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden).

Deze paragraaf bevat geen aanvullende geurvoorschriften voor het houden van andere zoogdieren of vogels. Wanneer er toch maatregelen tegen geuroverlast noodzakelijk zijn, kan het bevoegd gezag deze bij maatwerkvoorschrift stellen. Te denken valt aan maatwerkvoorschriften waarbij wordt voorgeschreven dat uitwerpselen met een bepaalde frequentie worden verwijderd of maatwerkvoorschriften die gaan over de uitvoering en ligging van een dierenverblijf.

Het voorschrift uit het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer «Het te lozen afvalwater als gevolg van het reinigen en ontsmetten van dierenverblijven kan op een doelmatige wijze worden bemonsterd» is niet meer expliciet uitgeschreven, omdat dit onder de specifieke zorgplicht valt.

Artikel 22.253 Gegevens en bescheiden

Zie de Artikel 22.186 voor een uitleg van de plicht om deze gegevens en bescheiden te verschaffen.

Artikel 22.254 Bodem: bodembeschermende voorziening

Uitwerpselen van dieren kunnen de bodem verontreinigen. Een aaneengesloten bodemvoorziening is in principe voldoende om het bodemrisico tot verwaarloosbaar te beperken. Bij een dierenverblijf in de open lucht zoals een dierenweide ontbreekt de vloer. Over het algemeen zal dit geen problemen geven, mits de uitwerpselen en andere bederfelijke waren regelmatig worden verwijderd. Hiervoor is geen frequentie vastgesteld. Het bevoegd gezag kan de frequentie nader invullen met een maatwerkvoorschrift als dat nodig is om geurhinder te beperken of de bodem te beschermen.

Artikel 22.255 Bodem: logboek

De formulering van dit artikel is gelijk aan de formulering van artikel 5.20 van het Bal.

Degene die de activiteit verricht houdt een logboek bij waarin voor bodembeschermende voorzieningen gegevens worden vastgelegd over controles, beoordelingen, onderhoud en reparaties. Dat een logboek beschikbaar moet zijn voor het bevoegd gezag, volgt uit de Algemene wet bestuursrecht. Dit mag ook in digitale vorm zijn.

Op grond van Artikel 22.50, onder d, moet aan het bevoegd gezag informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen of worden overwogen om nadelige gevolgen van een ongewoon voorval te voorkomen.

Artikel 22.256 Water: lozingsroute en emissiegrenswaarde

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden.

Het gaat dan om aantallen landbouwhuisdieren die niet vallen onder de milieubelastende activiteit, bedoeld in artikel 3.200 van het Bal. Dieren bij kinderboerderijen of dierentuinen zijn geen landbouwhuisdieren. Daarvoor gelden de eisen uit dit artikel ook niet.

Artikel 22.257 Meet- en rekenbepalingen

Dit artikel geeft aan welke normen worden gehanteerd bij bemonstering van afvalwater. Artikelen met normbladen voor het bemonsteren van afvalwater schrijven niet voor dat het afvalwater moet worden bemonsterd, maar wel wat er moet gebeuren áls er wordt bemonsterd.

§ 22.3.26 Vergunningplichten, aanvraagvereisten en beoordelingsregels aanvraag omgevingsvergunning voor milieubelastende activiteiten

Artikel 22.258 Toepassingsbereik

In dit artikel zijn de milieubelastende activiteiten die al vergunningplichtig zijn op grond van hoofdstuk 3 van het Bal uitgezonderd van de vergunningplicht op grond van deze paragraaf.

Het gaat dan bijvoorbeeld om de vergunningplichten voor complexe bedrijven en vergunningplichtige gevallen alleen vanwege mer-beoordeling.

Artikel 22.259 Omgevingsvergunning verwerken polyesterhars

Eerste en derde lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor handelingen met polyesterhars en de bijbehorende toetsingsgrond voor geurhinder. Bij het verwerken van polyesterhars worden producten van polyesterhars gemaakt in een mal of op een ondergrond die deel uitmaakt van het product. Een mal wordt elke keer weer opnieuw gebruikt. Voor het «loslaten» uit de mal wordt vaak een was gebruikt. Voor het ontvetten van de mal een organisch oplosmiddel, zoals aceton of dichloormethaan.

Op grond van Artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.135 van het Bal geldt voor deze activiteit een vergunningplicht als de activiteit onderdeel is van een ippc-installatie.

Tweede lid

De te verstrekken gegevens en bescheiden moeten ook op grond van paragraaf 4.110 van het Bal worden aangeleverd. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.260 Omgevingsvergunning installeren gesloten bodemenergiesysteem

Eerste lid

Deze vergunningplicht betreft de voortzetting van de omgevingsvergunning beperkte milieutoets voor gesloten bodemenergiesystemen.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die aan het bevoegd gezag moeten worden verstrekt op grond van artikel 4.1137 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.261 Omgevingsvergunning kweken maden van vliegende insecten

Bij het kweken van maden van vliegende insecten moeten in ieder geval maatregelen ter voorkoming van geurhinder worden getroffen.

Artikel 22.262 Omgevingsvergunning opslaan propaan of propeen

Eerste lid

Opslagtanks voor gassen die in elkaars onmiddellijke nabijheid staan, kunnen elkaar beïnvloeden bij incidenten. Het risico op een incident van twee opslagtanks in elkaars nabijheid is meer dan twee keer zo groot als het risico van de twee opslagtanks apart. De PGS-richtlijnen schrijven om die reden voor dat opslagtanks onderling bepaalde afstanden aan moeten houden, en ook een bepaalde afstand tot de erfgrens aan moeten houden. Bij het toelaten van een opslag van gassen op een locatie in meer dan twee opslagtanks moet de veiligheid beoordeeld worden. Dit vergt maatwerk.

Op grond van Artikel 22.258 geldt deze vergunningplicht niet voor milieubelastende activiteiten die in hoofdstuk 3 van het Bal aangewezen zijn als vergunningplichtig. Op grond van artikel 3.22 van het Bal geldt er een vergunningplicht voor opslagtanks met een inhoud van meer dan 13 m3.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met een deel van de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.897 van het Bal.

Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat geen gegevens en bescheiden hoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.263 Omgevingsvergunning tanken met LPG

Eerste lid

De belangrijkste reden voor het opnemen van een vergunningplicht voor deze activiteit is de ruimtelijke inpassing van de activiteit op een locatie vanuit het oogpunt van de veiligheid.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.472a van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.264 Omgevingsvergunning antihagelkanonnen

De belangrijkste beoordelingsgrond voor deze activiteit is geluidhinder.

Artikel 22.265 Omgevingsvergunning biologisch agens

Eerste lid

Een vergunningplicht geldt voor laboratoria die werken met biologische agentia vanaf categorie 3 volgens de indeling van risicogroepen van de richtlijn 2000/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende de bescherming van de werknemers tegen de risico’s van blootstelling aan biologische agentia op het werk (zevende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 83/391/EEG) (PbEG 2000, L 262).

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.648 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.266 Omgevingsvergunning genetisch gemodificeerde organismen

Eerste en tweede lid

Deze vergunningplicht is niet van toepassing als het gaat om ingeperkt gebruik als bedoeld in het Besluit genetisch gemodificeerde organismen milieubeheer 2013 waarop inperkingsniveau IV van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht op grond van artikel 3.247 van het Bal.

Derde lid

Deze gegevens en bescheiden komen overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.630 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.267 Omgevingsvergunning opslaan dierlijke meststoffen

Eerste lid

De vergunningplicht voor het opslaan van drijfmest, digestaat of dunne fractie gelden voor mestbassins met een gezamenlijk oppervlak van meer dan 750 m2 of meer dan 2.500 m3. Deze activiteiten waren onder het oude recht als vergunningplichtig aangewezen in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder i en j, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. Ook voor het opslaan van meer dan 600 m3 vaste mest moeten een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit worden aangevraagd. De vergunningplicht stond onder het oude recht in Bijlage I, onderdeel C, onderdeel 7.5, onder d, bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Tweede lid

Deze gegevens en bescheiden komen deels overeen met de gegevens en bescheiden die verstrekt moeten worden bij de melding op grond van artikel 4.836 van het Bal. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet bepaalt dat de gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Artikel 22.268 Vangnetvergunning lozen in de bodem

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de bodem toegestaan. Voor alle andere lozingen is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de bodemkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

De vergunningplicht geldt niet voor lozingen die afkomstig zijn van milieubelastende activiteiten als bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal. Dat besluit bevat immers al de regels die ter bescherming van de bodem nodig zijn.

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de bodemkwaliteit te beoordelen.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.269 Vangnetvergunning lozen in schoonwaterriool

In de voorgaande paragrafen van deze afdeling zijn verschillende lozingen in de schoonwaterriolering toegestaan. Voor alle lozingen die niet door deze afdeling worden toegestaan is een voorafgaande toestemming vereist, vanwege de nadelige gevolgen die deze lozingen kunnen hebben voor de doelmatige werking van die riolering en voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De voorafgaande toestemming heeft de vorm van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Voorheen was hiervoor een maatwerkvoorschrift op grond van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, het voormalige Besluit lozen buiten inrichtingen of het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens vereist. Maar een omgevingsvergunning ligt meer voor de hand, omdat de activiteit zonder toestemming geheel verboden is.

Bij de aanvraag van de vergunning moet het maximale debiet van de lozing en het soort afvalwater worden vermeld. Dit gebruikt de gemeente om het risico op wateroverlast en de effecten van de lozing op de riolering en de oppervlaktewaterkwaliteit te beoordelen.

Dit artikel is niet van toepassing op lozingen bij wonen, omdat het voormalige Besluit lozing afvalwater huishoudens alle lozingen bij wonen toestond. Voor wonen wordt daarom volstaan met de specifieke zorgplicht van deze afdeling.

Artikel 22.270 Beoordelingsregels omgevingsvergunning milieubelastende activiteiten

Voor de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op grond van dit omgevingsplan, zijn de beoordelingsregels van het Bkl van overeenkomstige toepassing. Dat sluit aan op de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

AFDELING 22.4 AANLEGGEN OF WIJZIGEN VAN WEGEN OF SPOORWEGEN ZONDER GELUIDPRODUCTIEPLAFONDS

Artikel 22.271 Toepassingsbereik

Deze afdeling gaat over aanleg of reconstructie van een weg of spoorweg die weliswaar niet in strijd is met dit omgevingsplan, maar waarover geen afweging heeft plaatsgevonden bij de totstandkoming van de constituerende onderdelen van dit plan, zoals bestemmingsplannen. De afdeling ziet niet op rijkswegen en provinciale wegen omdat daarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn of worden vastgesteld. Die geluidproductieplafonds beschermen de omliggende geluidgevoelige gebouwen tegen een eventuele toename van het geluid en dus hoeft een omgevingsplan daar niet in te voorzien. De bepaling is een omzetting van artikel 73, onder a (toepassingsbereik), artikel 79 (aanleg) en artikel 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder. Het tijdelijk deel van dit omgevingsplan heeft geen betrekking op provinciale wegen waarvoor nog geen geluidproductieplafonds zijn vastgesteld, omdat daarvoor nog de Wet geluidhinder van toepassing is (zoals bepaald in artikel 3.5 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet).

Artikel 22.272 Binnenplanse vergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Eerste lid

Onder de Wet geluidhinder was voor aanleg of wijziging een besluit op aanvraag van het college van burgemeester en wethouders vereist. In dit omgevingsplan is dit besluit omgezet in een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Ook dit lid vormt een omzetting van de artikelen 79 (aanleg) en 99 (reconstructie) van de Wet geluidhinder en artikel 4.4 van het Besluit geluidhinder.

In de praktijk zal het bij toepassing van deze artikelen vrijwel altijd gaan om situaties waar nog onder de Wet geluidhinder over is besloten, bijvoorbeeld bij het vaststellen van een bestemmingsplan. In de formulering is echter de terminologie van het stelsel van de Omgevingswet gebruikt, omdat bestemmingsplannen en inpassingsplannen op grond van de Invoeringswet Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, en omgevingsvergunningen voor het afwijken van het bestemmingsplan en tracébesluiten gelden als omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Tweede lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op wegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit de Wet geluidhinder: de begripsbepaling «reconstructie van een weg» in artikel 1, artikel 1b, vijfde lid, en artikel 74. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. De instructieregels voor het geluid door gemeentewegen, die zijn opgenomen in paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, kennen bijvoorbeeld niet de uitzondering voor 30-km-wegen en de uitzondering vanwege het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit.

Derde lid

Hier zijn uitzonderingen op het eerste lid uit de oude regelgeving opgenomen, voor zover ze zien op spoorwegen. Deze uitzonderingen zijn afkomstig uit artikel 1.1 van het Besluit geluidhinder: de begripsbepaling «wijziging van een spoorweg» in het eerste lid van dat artikel en de uitzonderingen daarop in het tweede lid. Opgemerkt wordt dat deze uitzonderingen niet allemaal gehandhaafd kunnen worden bij de ombouw van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan.

Artikel 22.273 Aandachtsgebied

Eerste lid

Dit bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor wegen en spoorwegen die zijn verweven of gebundeld met wegen. De aanwijzing is gelijk aan de geluidzone zoals die gedefinieerd werd in de artikelen 74, eerste lid, en 75, eerste lid, van de Wet geluidhinder, waarbij de begripsbepalingen «bebouwde kom», «buitenstedelijk gebied» en «stedelijk gebied» uit artikel 1 van die wet zijn uitgeschreven in de artikeltekst. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Tweede lid

Dit lid bepaalt de ligging van het aandachtsgebied voor vrijliggende spoorwegen. De aanwijzing is afgeleid uit de Regeling zonekaart spoorwegen geluidhinder. Daar was een tabel van lokale spoorwegen opgenomen met voor alle spoorwegen een geluidzone van 100 meter aan weerszijden van het spoor, met uitzondering van drie in tunnels gelegen metro’s waar de geluidzone 25 meter bedroeg. Hier is de afstand niet in een tabel opgenomen, maar in tekst uitgewerkt, omdat het tijdelijke deel van dit omgevingsplan immers, anders dan een ministeriële regeling, niet kan worden aangepast als er nieuwe spoorwegen worden aangelegd. Deze bepaling kan bij de omzetting van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan worden geschrapt omdat in de Omgevingsregeling zal worden voorzien in regels over de bepaling van het geluidaandachtsgebied.

Derde en vierde lid

Deze leden vormen een omzetting van artikel 75, tweede en derde lid, van de Wet geluidhinder en artikel 1.4a, tweede en derde lid, van het Besluit geluidhinder.

Artikel 22.274 Aanvraagvereiste binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

Net als onder de Wet geluidhinder moet de initiatiefnemer een akoestisch onderzoek overleggen. Dit artikel is een omzetting van bepalingen in artikel 80 van de Wet geluidhinder in samenhang met de artikelen 77 en 99, tweede lid, van die wet en artikel 4.5 in samenhang met artikel 4.10 van het Besluit geluidhinder. Opgemerkt wordt dat de gehanteerde standaardwaarde en de binnenwaarde waarnaar verwezen wordt niet zijn ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. Dat was nodig omdat opnemen van oude normwaarden zou hebben betekend dat de bij die normwaarden behorende meet- en rekenvoorschriften hier opgenomen hadden moeten worden. Dat had de regeling te zeer gecompliceerd. De nieuwe normwaarden zijn, zoals beschreven in het algemeen deel van de toelichting bij het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet, gelijkwaardig aan de oude.

Artikel 22.275 Beoordelingsregel aanvraag binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg en artikel 22.276 Voorschriften binnenplanse omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit geluid weg of spoorweg

De Wet geluidhinder bepaalde dat het college van burgemeester en wethouders in zijn besluit bepaalde welke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat de geluidbelasting binnen de zone de hoogst toelaatbare waarden te boven zou gaan. Dat is te lezen als een regel over voorschriften. Omdat een binnenplans vergunningstelsel altijd een beoordelingsregel vereist, is deze regel hier uitgesplitst in een beoordelingsregel, inhoudende dat het bevoegd gezag de omgevingsvergunning alleen verleent als binnenplanse omgevingsvergunning als de grenswaarde niet wordt overschreden, en in een regel over voorschriften, die inhoudt dat het bevoegd gezag de maatregelen voorschrijft die nodig zijn om te voorkomen dat niet aan de standaardwaarden wordt voldaan of dat het geluid op geluidgevoelige gebouwen toeneemt ten opzichte van het geluid direct voorafgaand aan de wijziging. Als de omgevingsvergunning niet kan worden verleend als binnenplanse omgevingsplanactiviteit, kan de aanvraag worden beoordeeld als een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Op die beoordeling zijn de regels van paragraaf 5.1.4.2a.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving van overeenkomstige toepassing.

De gehanteerde grenswaarde is niet ontleend aan de normwaarden van de Wet geluidhinder en het Besluit geluidhinder, maar aan het Besluit kwaliteit leefomgeving zoals dat is gewijzigd door het Aanvullingsbesluit geluid Omgevingswet. In de Artikel 22.274 is ingegaan op de achtergrond hiervan.

AFDELING 22.5 OVERIGE ACTIVITEITEN

§ 22.5.1 Vergunningplichten en beoordelingsregels voor activiteiten in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1 eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.277 Toepassingsbereik

Deze paragraaf bevat een aantal bepalingen die verband houden met vergunningplichten en daarop betrekking hebbende beoordelingsregels voor activiteiten die onderdeel kunnen zijn van op grond van de voormalige Wet ruimtelijke ordening geldende planologische regelingen. Deze regelingen behoren onder het stelsel van de Omgevingswet tot het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Het betreft de vergunningenstelsels voor het slopen van bouwwerken (sloopactiviteiten) en het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden (aanlegwerkzaamheden). Ook bevat deze paragraaf bepalingen met betrekking tot in het tijdelijke deel opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van bepaalde regels af te wijken.

De bepalingen in deze paragraaf gelden als aanvullend op wat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, al voor die activiteiten kan zijn geregeld en zijn nodig om een goede overgang van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet ruimtelijke ordening naar de Omgevingswet te bewerkstelligen.

Artikel 22.278 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel omgevingsvergunning uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid, bij voorbereidingsbesluit of aanwijzing als beschermd stads- of dorpsgezicht

Wat in Artikel 22.33 van dit omgevingsplan is geregeld voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, is in artikel 22.278 op vergelijkbare wijze geregeld voor de omgevingsplanactiviteit bestaande uit het uitvoeren van een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheid (ook wel de aanlegvergunning of aanlegactiviteit genoemd). Net als voor bouwactiviteiten regelde de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in artikel 3.3 een voorbeschermingsregime in de vorm van een aanhoudingsplicht voor de beslissing op aanvragen om een omgevingsvergunning voor de hier bedoelde aanlegactiviteiten. Voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit dergelijke aanlegactiviteiten komt artikel 22.278 voor de regeling uit artikel 3.3 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in de plaats. Voor zijn verdere werking is Artikel 22.278 identiek aan de werking van artikel 22.33. Voor de toelichting op die werking wordt dan ook verwezen naar de toelichting op artikel 22.33.

Artikel 22.279 Omgevingsplanactiviteit: beoordelingsregel omgevingsvergunning slopen van een bouwwerk

In Artikel 22.279 is een beoordelingsregel opgenomen voor in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen verbodsbepalingen om zonder omgevingsvergunning een sloopactiviteit te verrichten. Onder «sloopactiviteit» moet op grond van de bijlage bij de Omgevingswet «het slopen van een bouwwerk» worden verstaan. Deze begripsbepaling is op grond van Artikel 1.1 van dit omgevingsplan ook van toepassing op Hoofdstuk 22 van dit plan. De vergunningenstelsels voor de hier bedoelde sloopactiviteiten konden op grond van artikel 3.3, aanhef en onder b, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening in onder meer bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen zijn opgenomen. In het nieuwe stelsel zijn deze regelingen onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De beoordelingsregel voor deze in ruimtelijke regelingen opgenomen sloopvergunningenstelsels was opgenomen in artikel 2.16 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Ter vervanging van deze bepaling is in Artikel 22.279 in een gelijkluidende beoordelingsregel voorzien. In de nieuwe redactie is er echter rekening mee gehouden dat naast deze (vanuit artikel 2.16 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht overgehevelde) beoordelingsregel ook nog andere specifieke beoordelingsregels kunnen zijn gesteld in de vergunningenstelsels voor sloopactiviteiten in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de jurisprudentie is de mogelijkheid om in bijvoorbeeld een bestemmingsplan ook nog specifieke beoordelingsregels voor het slopen te stellen bevestigd (verwezen wordt naar ABRvS 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:898, TBR 2014/61). Als dergelijke beoordelingsregels zijn gesteld, blijven deze onverminderd van toepassing en werkt de beoordelingsregel in Artikel 22.279 hierop aanvullend.

Artikel 22.280 Omgevingsplanactiviteit: omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.280 heeft betrekking op regels uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan waarin is bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van daarbij aangegeven regels. Dergelijke afwijkingsmogelijkheden konden op grond van artikel 3.6, eerste lid, aanhef en onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening worden gesteld in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en andere ruimtelijke regelingen. Voor de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht hadden deze bepalingen de vorm van een bevoegdheid om een (binnenplanse) ontheffing te verlenen. Onder de (oude) Wet op de Ruimtelijke Ordening werd nog gesproken van een (binnenplanse) vrijstelling. In de redactie van de ruimtelijke regelingen die onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening en de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn vastgesteld, hebben de bepalingen, zoals al vermeld, een vorm waarin wordt bepaald dat bij omgevingsvergunning van een gestelde regel kan worden afgeweken. Uit de letterlijke redactie van dergelijke bepalingen vloeit niet een zelfstandig verbod voort om een activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning. Onder de werking van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werden al deze bepalingen dan ook in juridische vorm «gevangen» onder de werking van het verbod behoudens omgevingsvergunning uit artikel 2.1, eerste lid, onder c. Deze wet is echter bij de inwerkintreding van de Omgevingswet ingetrokken, zodat de explicitering van de vergunningplicht voor deze afwijkingsmogelijkheden niet langer is geregeld. In plaats daarvan wordt deze explicitering van de vergunningplicht nu in Artikel 22.280 van dit omgevingsplan geregeld. Met Artikel 22.280 wordt daarmee buiten twijfel gesteld dat de bepalingen uit het tijdelijke deel waarin de mogelijkheid wordt geboden om bij omgevingsvergunning van regels af te wijken, gelden als binnenplans verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten. Ook de nog voorkomende redacties in oude ruimtelijke regelingen die deel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, met termen als ontheffing en vrijstelling, worden door dit binnenplanse verbod om de betrokken activiteit zonder omgevingsvergunning te verrichten aangestuurd.

Artikel 22.281 Omgevingsplanactiviteit: nadere invulling beoordelingsregels omgevingsvergunning afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet algemeen

Artikel 22.281 moet worden gelezen in samenhang met Artikel 22.280 en heeft ook betrekking op de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan opgenomen mogelijkheden om bij omgevingsvergunning van gestelde regels te kunnen afwijken. Zoals al Artikel 22.280 vielen dergelijke afwijkingsmogelijkheden onder de juridische werking van de vergunningplicht van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 1°, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, konden deze omgevingsvergunningen worden verleend. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft er in haar advies over het ontwerp Invoeringsbesluit Omgevingswet terecht op gewezen dat uit de werking van de beoordelingsregel in artikel 8.0a, eerste lid, van het Bkl een imperatieve werking voortvloeit, die ertoe leidt dat een omgevingsvergunning voor activiteiten als hier bedoeld moet worden verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels die in het omgevingsplan zijn gesteld over het verlenen van de omgevingsvergunning. Hierdoor zou de mogelijkheid uit artikel 2.12 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht om de vergunning, ook als werd voldaan aan de in de betrokken planologische regeling gestelde regels over afwijking, toch te kunnen weigeren, komen te vervallen. Voor zover de regels voor het kunnen verlenen van een omgevingsvergunning voor deze afwijkingsmogelijkheden geen zelfstandige beslissingsruimte bieden (maar een imperatieve redactie kennen die kan dwingen tot vergunningverlening), zou dit onder de werking van het nieuwe stelsel tot het probleem kunnen leiden dat het bevoegd gezag wordt gedwongen een vergunning te verlenen terwijl onder oud recht artikel 2.12 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nog de afwegingsruimte bood de vergunning in die omstandigheid toch te kunnen weigeren. Om een neutrale overgang naar het nieuwe stelsel te borgen, wordt met Artikel 22.281 beslissingsruimte toegevoegd aan de imperatief geformuleerde regels voor het verlenen van deze vergunningen. Daarmee blijft het net als onder de werking van het oude stelsel mogelijk een afweging te maken en de vergunning voor een geboden afwijkingsmogelijkheid in voorkomende omstandigheden toch te weigeren, in het geval de regels voor het verlenen van de afwijking zouden dwingen om de vergunning te verlenen. Het zal overigens in de praktijk geregeld voorkomen dat een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een dergelijke afwijking van een regel gezamenlijk wordt verleend met een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Artikel 22.282 Omgevingsplanactiviteit: specifieke beoordelingsregel afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, bij regels over een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht

Artikel 22.282 biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in Artikel 22.280 een aanvullende mogelijkheid de omgevingsvergunning te verlenen als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft in strijd is met de in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan gestelde regels over afwijking, waardoor vergunningverlening op grond van die regels niet mogelijk is, maar niet in strijd is met regels voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid of uitwerkingsplicht in dat tijdelijke deel. Hiermee wordt een vergelijkbare mogelijkheid geboden zoals Artikel 22.32 van dit omgevingsplan biedt voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor omgevingsplanactiviteiten bestaande uit bouwactiviteiten en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk. Omdat de werking identiek is wordt voor de toepassing van deze bepaling verder verwezen naar de Artikel 22.32.

§ 22.5.2 Aanvraagvereisten

§ 22.5.2.1 Algemene bepalingen

Artikel 22.283 Toepassingsbereik

Onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren de indieningsvereisten voor omgevingsvergunningen op rijksniveau geregeld, ook als de vergunningplicht was ingesteld in een bestemmingsplan of gemeentelijke verordening. Deze indieningsvereisten waren opgenomen in de voormalige Regeling omgevingsrecht en komen, voor zover het gaat om die laatste vergunningen, niet meer terug op rijksniveau. Daarom worden deze opgenomen in deze paragraaf. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in een bestemmingsplan, maken die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel uit van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van die wet. Voor zover het gaat om vergunningplichten die onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren ingesteld in gemeentelijke verordeningen (artikel 2.2 van die wet) houden de aanvraagvereisten verband met artikel 22.8 van de Omgevingswet. Artikel 22.8 van de Omgevingswet brengt met zich dat zolang deze vergunningenstelsels nog niet zijn overgeheveld naar het omgevingsplan, de regeling van artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht feitelijk wordt gecontinueerd. Een in een autonome verordening opgenomen vergunningplicht, die krachtens artikel 2.2 van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht werd aangemerkt als een Wabo-omgevingsvergunningplicht, wordt na inwerkingtreding van de Omgevingswet aangemerkt als een omgevingsvergunningplicht op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet.

In deze afdeling zijn daarnaast nog de aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning voor twee andere activiteiten opgenomen. In de eerste plaats de activiteit die strekt tot het afwijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, waarvoor in dat tijdelijke deel is bepaald dat daarvan bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken. De hiermee samenhangende vergunningplicht die onder de gelding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht volgde uit artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van die wet, is opgenomen in Artikel 22.280 van dit omgevingsplan. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar de hiervoor gegeven toelichting op dat artikel.

De tweede activiteit waarvoor deze afdeling nog aanvraagvereisten voor een omgevingsvergunning bevat, is het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Ook dat artikel is een overgangsrechtelijke bepaling.

In artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was een vergunningplicht opgenomen voor het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht. Onder de Omgevingswet is dit geen afzonderlijke, in artikel 5.1 van die wet geregelde vergunningplicht meer, maar wordt het sloopvergunningenregime voor rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten onderdeel van het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet is in het algemeen nog niet in een adequaat sloopvergunningenregime in het omgevingsplan voorzien, omdat bestemmingsplannen nog uitgingen van het bestaan van de wettelijke vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om te voorkomen dat door het wegvallen van die rechtstreeks uit de wet voortvloeiende vergunningplicht een hiaat in de bescherming van een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht ontstaat, is in artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet bepaald dat totdat het omgevingsplan voorziet in een adequaat beschermingsregime dat voldoet aan de in dat artikellid gestelde eisen, voor het slopen in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Artikel 4.35, tweede lid, van die wet verklaart op deze vergunningplicht de op de vergunningplicht uit artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betrekking hebbende weigeringsgrond uit artikel 2.16 van die wet van overeenkomstige toepassing. Vanwege dit beschermingsregime zijn ook de indieningsvereisten voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zoals die waren opgenomen in artikel 6.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht naar deze afdeling overgeheveld.

De vier categorieën activiteiten waarop de aanvraagvereisten in deze afdeling betrekking hebben, komen terug in de nadere onderverdeling van Paragraaf 22.5.2 van deze afdeling in een viertal subparagrafen.

De indieningsvereisten uit de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht komen niet allemaal in identieke bewoordingen als aanvraagvereisten terug. Dat kan alleen al niet vanwege de begrippen uit het oude recht die in die regels voorkomen. In de artikelen 22.2 en 22.14 van de Omgevingswet is bepaald dat de bruidsschat bestaat uit rijksregels of daaraan gelijkwaardige regels. Door aan te sluiten op de terminologie van het nieuwe stelsel wordt invulling gegeven aan het opstellen van gelijkwaardige regels. Dat betekent bijvoorbeeld dat het begrip locatie wordt gehanteerd en niet het begrip grond. Wat betreft de aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een gemeentelijk monument is aangesloten bij de formulering van de aanvraagvereisten voor een rijksmonumentenactiviteit die in de Omgevingsregeling zijn opgenomen.

De Artikel 22.287 voorzien in specifieke aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument. Bij een gemeentelijk monument gaat het op grond van bijlage I bij het Bbl om een monument of archeologisch monument als bedoeld in de Erfgoedwet waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven. Op grond van Artikel 22.295 zijn deze aanvraagvereisten van overeenkomstige toepassing op eventuele voorbeschermde gemeentelijke monumenten in dit omgevingsplan. Bijlage I bij het Bbl definieert een voorbeschermd gemeentelijk monument voor zover in het kader van het omgevingsplan van belang als een monument of archeologisch monument waarvoor het omgevingsplan een voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om aan dat monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie-aanduiding van gemeentelijk monument te geven. De Artikel 22.287 zijn ook van toepassing op monumenten en archeologische momenten die een (voor)beschermde status hebben op grond van een gemeentelijke verordening en nog niet via een voorbeschermingsregel of functie-aanduiding in het omgevingsplan zijn overgezet. Dit volgt uit Artikel 22.2 van dit omgevingsplan.

Voor de leesbaarheid wordt hierna alleen van gemeentelijk monument gesproken, maar kan steeds ook voorbeschermd gemeentelijk monument worden gelezen.

Omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument komen overeen met de activiteiten die op grond van de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet onder de «rijksmonumentenactiviteit» vallen: het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een monument of een archeologisch monument of het herstellen of gebruiken daarvan waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Waar in deze begripsomschrijving gesproken wordt van «monument» wordt alleen op gebouwde en aangelegde (groene) monumenten gedoeld. Waar gesproken wordt van «archeologisch monument» wordt gedoeld op een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen (zie de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet en artikel 1.1 van de Erfgoedwet).

Voor deze aanvraagvereisten hebben, zoals hierboven al aangegeven, de indieningsvereisten in de voormalige Regeling omgevingsrecht onder de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht als basis gediend, aangevuld met indieningsvereisten voor archeologische rijksmonumenten op grond van de Monumentenwet 1988. De redactie is daarbij wel aangepast aan voortschrijdend inzicht en aan de stelselkeuzes van de Omgevingswet.

In Artikel 22.276 zijn de algemene aanvraagvereisten voor omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument opgenomen, die bij iedere aanvraag van toepassing zijn. Voor het overige zijn de aanvraagvereisten in verschillende artikelen gespecificeerd voor de volgende activiteiten:

  • activiteiten die betrekking hebben op archeologische monumenten;

  • het slopen (= geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen) van monumenten;

  • het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van monumenten;

  • het wijzigen van een monument (restauratie, verbouw, reconstructie of op een andere manier wijzigen) of het door herstel ontsieren of in gevaar brengen van een monument;

  • het gebruiken van een monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Ook zijn er twee artikelen opgenomen met eisen aan tekeningen, een voor monumenten en een voor archeologische monumenten.

Met deze uitsplitsing in activiteiten wordt voorkomen dat initiatiefnemers (vergunningaanvragers) worden geconfronteerd met aanvraagvereisten die niet relevant voor hen zijn. Deze insteek bestond al in de voormalige Regeling omgevingsrecht, maar is nu verder vereenvoudigd. Bij een aantal artikelen is ook een splitsing aangebracht in aanvraagvereisten die in beginsel altijd noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de voorgenomen activiteit in relatie tot het monument of archeologisch monument en zijn monumentale waarde (eerste lid), en aanvraagvereisten die niet in alle gevallen nodig zijn of die alleen voor bepaalde soorten gemeentelijke monumenten van toepassing zijn (tweede lid).

De aard en de omvang van de activiteit en het soort gemeentelijk monument bepalen welke aanvraagvereisten in een concreet geval van toepassing zijn. Zo zijn voor de beoordeling van een vergunningaanvraag voor uitvoering van een restauratie- of (ver)bouwplan meer gegevens en bescheiden noodzakelijk dan voor het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het aanbrengen van gevelreclame. Voorafgaand aan ingrijpende restauraties is het uitvoeren van een bouwhistorisch onderzoek vaak wenselijk, terwijl dit voor kleinere herstelwerkzaamheden meestal niet aan de orde zal zijn. Ook de locatie van de activiteiten is voor de aanvraagvereisten van belang. Als er werkzaamheden in het interieur worden uitgevoerd, zijn interieurfoto’s nodig, maar deze zijn doorgaans niet relevant als de ingrepen alleen de buitenkant van het monument betreffen.

Door de grote verscheidenheid aan activiteiten die van invloed kunnen zijn op de monumentale waarde van een monument of archeologisch monument is geen volledig dekkend beeld te geven van alle mogelijke aanvraagvereisten. Het bevoegd gezag kan in specifieke gevallen, naast de genoemde aanvraagvereisten, op grond van artikel 4:2, tweede lid, in samenhang met artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht ook nog andere aanvraagvereisten formuleren. De gevraagde informatie moet uiteraard wel noodzakelijk zijn voor, en in directe relatie te staan tot, de beoordeling van de aanvraag. Het is dan ook in het algemeen bij voorgenomen omgevingsplanactiviteiten die betrekking hebben op een gemeentelijk monument raadzaam voor een aanvrager om eerst in vooroverleg te treden met het bevoegd gezag en daarna pas over te gaan tot het maken van definitieve plannen. Zo krijgt hij vroegtijdig inzicht in welke aanvullende aanvraagvereisten in het concrete geval nodig worden geacht en kan rekening worden gehouden met eventuele toepasselijke kwaliteitsnormen of uitvoeringsrichtlijnen voor de instandhouding van monumenten.

Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag zal het belang van de (archeologische) monumentenzorg bij het behoud van het monument of archeologisch monument in redelijkheid moeten worden afgewogen tegen de belangen van de aanvrager (eigenaar/gebruiker) en die van derde belanghebbenden. Bij die belangenafweging staat het voorkomen van nadelige gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor het monument of archeologisch monument en de monumentale waarden ervan voorop. Ook zal er bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning rekening moeten worden gehouden met de volgende beginselen uit het verdrag van Granada (de op 3 oktober 1985 te Granada tot stand gekomen Overeenkomst inzake het behoud van het architectonische erfgoed van Europa; Trb. 1985, 163) en het verdrag van Valletta (het op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen herziene Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed; Trb. 1992, 32):

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging of sloop van monumenten en archeologische monumenten,

  • b.

    het voorkomen van verplaatsing van monumenten of een deel daarvan, tenzij dit dringend vereist is voor het behoud van die monumenten,

  • c.

    het bevorderen van het gebruik van monumenten, zo nodig door wijziging van die monumenten, rekening houdend met de monumentale waarden, en

  • d.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur in situ.

Een aanvraag moet dus voldoende inzicht geven in de reden, aard en omvang van de activiteit, de impact op het monument of archeologisch monument en de monumentale waarde ervan, en het (voorgenomen) gebruik van het monument of archeologisch monument.

§ 22.5.2.2 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet

Artikel 22.284 Omgevingsplanactiviteit: uitvoeren van een werk, niet zijnde bouwwerk, of werkzaamheid

Dit artikel bevat een aantal specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Met het vereiste om aan te geven welke obstakels aanwezig zijn, bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt bijvoorbeeld bedoeld een boom, lantaarnpaal of nutsvoorziening die in de weg staat aan het realiseren van het werk of het uitvoeren van de werkzaamheid.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikel 22.285 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk

Dit artikel bevat een aanvraagvereiste voor een sloopactiviteit. In verband met de beoordelingsregel uit Artikel 22.279 moeten gegevens worden overgelegd waarmee aannemelijk moet worden gemaakt dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit voor het bouwen van het vervangende bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dat laatste geldt ook als voor het bouwen van een vervangend bouwwerk op de locatie geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Als het naar het oordeel van het bevoegd gezag onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat er sprake zal zijn van vervangende nieuwbouw, biedt Artikel 22.279 de mogelijkheid om de vergunning te weigeren. Het is mogelijk dat naast Artikel 22.279 nog andere specifieke beoordelingsregels zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan bij de daar opgenomen vergunningplicht om een bouwwerk te slopen zonder omgevingsvergunning. Op grondslag van artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan het bevoegd gezag zo nodig nog aanvullende gegevens en bescheiden opvragen die gelet op die beoordelingsregels nodig zijn voor de beslissing op de aanvraag.

§ 22.5.2.3 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 22.280 van dit omgevingsplan

Artikel 22.286 Omgevingsplanactiviteit: afwijking van regels van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een aanvraag om een omgevingsvergunning om af te wijken van regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan als bedoeld in Artikel 22.280. Voor een nadere toelichting op deze vergunningplicht wordt verwezen naar de toelichting op dat artikel. De aanvraagvereisten in Artikel 22.286 zijn ontleend aan artikel 3.2 van de voormalige Regeling omgevingsrecht.

Het tweede lid betreft een rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

§ 22.5.2.4 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van een andere gemeentelijke regeling dan dit omgevingsplan in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet

Artikel 22.287 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: algemeen

Dit artikel bevat aanvraagvereisten die gelden voor iedere activiteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument.

Deze aanvraagvereisten gelden naast de algemene aanvraagvereisten in artikel 4:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (ondertekening, naam en adres van de aanvrager, dagtekening en aanduiding van de gevraagde beschikking) en de aanvraagvereisten in artikel 7.2 van de Omgevingsregeling (aanduiding van de activiteit, elektronisch adres en telefoonnummer van de aanvrager, aanduiding en begrenzing van de locatie van de activiteit en eventuele gegevens van een gemachtigde).

Onderdeel a

Onderdeel a van dit artikel betreft de identificatie van het gemeentelijk monument waarop de aanvraag betrekking heeft.

Onderdeel b

Onderdeel b betreft informatie over het huidige en het beoogde gebruik na verlening van de omgevingsvergunning. Deze gegevens zijn nodig om nut en noodzaak van de activiteit en de gevolgen daarvan voor het gemeentelijk monument te kunnen beoordelen.

Onderdeel c

Onderdeel c is nieuw ten opzichte van de voormalige Regeling omgevingsrecht. Dit aanvraagvereiste werd in de praktijk gemist, en dient enerzijds om inzicht te krijgen in de belangen van de aanvrager en de keuzes die ten grondslag liggen aan de aanvraag en anderzijds in de gevolgen voor (de monumentale waarde van) het gemeentelijk monument. Het aanvraagvereiste sluit ook aan op de algemene zorgplicht in de artikelen 1.6 en 1.7 van de Omgevingswet. Die brengt met zich dat een initiatiefnemer voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevraagd nadelige gevolgen voor het gemeentelijk monument zoveel mogelijk moet voorkomen of beperken, of, als dit niet mogelijk is, de activiteit (in die vorm) achterwege laat. Overigens hoeft niet elk verlies van monumentale waarden tot weigering van de omgevingsvergunning te leiden. Bij de belangenafweging worden ook de belangen van de aanvrager betrokken. Dit volgt onder meer uit artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Vooroverleg met het bevoegd gezag is nuttig om te komen tot een haalbaar plan. De aanvrager kan in het kader van het aanvraagvereiste in dit onderdeel refereren aan dit overleg.

Artikel 22.288 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument voor zover het gaat om een archeologisch monument

In dit artikel staan de specifieke aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument die een archeologisch monument betreft. Een archeologisch monument is in de Erfgoedwet gedefinieerd als een terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen. Dit artikel is van toepassing als de aanvraag een gemeentelijk monument betreft dat een archeologisch monument is, en kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn als deze een archeologisch monument betreft dat geen zelfstandig gemeentelijk monument is, maar zich ter plaatse van een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument bevindt. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de resten van een voorganger van een als gemeentelijk monument beschermde kerk die zich daar nog onder bevinden, of aan het bodemarchief onder een slotgracht of kasteeltuin. Als voor die locatie nog geen afweging over de archeologische monumentenzorg heeft plaatsgevonden in het kader van besluitvorming over het toedelen van functies aan locaties, kunnen de archeologische belangen worden meegewogen bij de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor een (bodemverstorende) activiteit die een gebouwd of aangelegd gemeentelijk monument betreft. Er kunnen in dat geval aan de omgevingsvergunning in het belang van de archeologische monumentenzorg ook vergunningvoorschriften worden verbonden voor het in situ- of ex situ-behoud van het zich daaronder bevindende archeologisch monument (zie verder de Artikel 22.303).

In de meeste gevallen zal het bij een omgevingsplanactiviteit als bedoeld in dit artikel gaan om het op een of meer plaatsen verstoren van de bodem, maar het kan bij zichtbare archeologische monumenten, zoals terpen/wierden, kasteelterreinen, hunebedden, grafheuvels en scheepswrakken, bijvoorbeeld ook gaan om ontsiering of beschadiging van het zichtbare deel van het archeologisch monument.

Veel voorkomende activiteiten die betrekking hebben op een archeologisch monument, zijn:

  • bouw-, sloop-, inrichtings- en graafwerkzaamheden,

  • de aanleg of het onderhoud van infrastructurele werken zoals (spoor)wegen, rioleringen, kabels en leidingen.

Ook kan het gaan om:

  • het aanbrengen van verhardingen in de openbare ruimte,

  • het aanleggen of dempen van waterlopen en het aanleggen van vaargeulen,

  • het aanplanten en verwijderen van (diepwortelende) bomen en struiken,

  • het ophogen, verlagen of egaliseren van het maaiveld,

  • het wijzigen van het grondwaterpeil,

  • het winnen van grondstoffen,

  • agrarische grondwerkzaamheden, en

  • activiteiten die tot doel hebben de fysieke staat van het archeologisch monument te consolideren of te restaureren.

Eerste lid

In het eerste lid is geregeld welke gegevens en bescheiden nodig zijn om de exacte locatie(s) te bepalen waar en tot welke diepte het archeologisch monument door de voorgenomen activiteit zal worden verstoord, en op welke wijze.

Eerste lid, onderdeel a en c

In onderdeel a moet de aard van de activiteit worden omschreven.

Als het maaiveldniveau, bedoeld in de onderdelen a en c en elders in dit artikel, niet of lastig is vast te stellen, zoals het geval is binnen een bouwwerk, kan hiervoor het niveau van de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer worden aangehouden.

Eerste lid, onderdeel b

Voor de topografische kaart, bedoeld in onderdeel b, kan gebruik worden gemaakt van de Basisregistratie Grootschalige Topografie (BGT) en voor locaties op zee van de officiële zeekaarten van de Dienst der Hydrografie. De BGT-kaart is een digitale topografische kaart met een schaal variërend van 1:500 – 1:5000 en bevat topografische objecten, zoals gebouwen, wegen, spoorwegen, waterlopen, parken en bossen. Via de Landelijke Voorziening BGT-informatie kan eenieder vrij de beschikbare BGT-informatie opvragen en downloaden.

Met de coördinatenparen in dit onderdeel wordt gedoeld op het coördinatensysteem van de Rijksdriehoeksmeting en, voor locaties op zee, het Europees Terrestrisch Referentiesysteem 1989 (ETRS89). Er zijn minimaal twee coördinatenparen nodig, zodat daaruit de schaal van de tekening kan worden herleid.

Eerste lid, onderdeel d

Met een programma van eisen als bedoeld in onderdeel d kan het bevoegd gezag specifieke eisen aan een archeologische opgraving stellen, gericht op een professionele uitvoering van de archeologische opgraving als bedoeld in de Erfgoedwet. In een programma van eisen worden de onderzoeksvragen en onderzoeksmethoden beschreven en beargumenteerd. Die zijn gebaseerd op de archeologische verwachting uit het aan het veldonderzoek voorafgaande (bureau)onderzoek.

Eerste lid, onderdeel e

Bij booronderzoek als bedoeld in onderdeel e kan in plaats van met een programma van eisen worden volstaan met een (minder uitvoerig) plan van aanpak. Zie verder de toelichting bij onderdeel d.

Eerste lid, onderdeel f

In onderdeel f is geregeld dat als sprake is van een zichtbaar archeologisch monument zoals een terp/wierde of een grafheuvel, de aanvrager gevraagd kan worden aan de hand van foto’s inzichtelijk te maken wat de huidige situatie is en tekeningen te overleggen waaruit blijkt hoe het archeologisch monument eruit zal zien na realisatie van het voorgenomen plan. Behalve het bouwen van bouwwerken kan het ook andere ingrepen betreffen, zoals terreinverhardingen, het graven of dempen van sloten of het planten van bomen. Het gaat er bij dit aanvraagvereiste om de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor de zichtbaarheid en de belevingswaarde van het archeologisch monument inzichtelijk te maken.

Eerste lid, onderdeel g

Het aanvraagvereiste in onderdeel g – funderingstekeningen – betreft dat deel van de bouwwerkzaamheden dat in de bodem plaatsvindt. Het bovengrondse deel van het bouwplan is voor de impact op archeologie in de bodem niet relevant.

Tweede lid

Het tweede lid bevat aanvraagvereisten die niet altijd nodig zijn voor de beoordeling van de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het archeologisch monument. Tijdens het vooroverleg kan het bevoegd gezag aangeven welke aanvraagvereisten in het concrete geval van toepassing zijn. Ook kan het bevoegd gezag die gegevens opvragen naar aanleiding van een ingediende aanvraag, voor de beoordeling waarvan deze gegevens en bescheiden ook nodig blijken.

Tweede lid, onderdeel a

Onderdeel a betreft een volgens de normen van de archeologische beroepsgroep opgesteld rapport van een archeologisch vooronderzoek, waarin de archeologische waarde van het archeologisch monument op de locatie(s) van de voorgenomen activiteit nader is vastgesteld. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Tweede lid, onderdeel b

Het rapport in onderdeel b verschilt in die zin van een rapport als bedoeld in onderdeel a, dat uit dit rapport moet blijken wat de gevolgen van de activiteit zullen zijn voor het archeologisch monument, bijvoorbeeld een zettingsrapport (over het samendrukken van de grond door belasting). Een rapport als hier bedoeld is niet altijd nodig, maar vooral als het om specifieke informatie gaat die niet al blijkt uit de overige gegevens en bescheiden en het bevoegd gezag deze informatie zelf niet al heeft.

Tweede lid, onder d

Met aanlegwerkzaamheden als bedoeld in onderdeel d worden alle werkzaamheden bedoeld die geen bouwactiviteit, sloopactiviteit of ontgrondingsactiviteit zijn en waarbij de bodem wordt geroerd, een werk wordt aangelegd of het terrein anders wordt ingericht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het aanbrengen van terreinverhardingen, aan het graven of dempen van sloten, aan het planten van bomen, struiken of andere diepwortelende planten, of aan het (deels) ophogen van een terrein. Als deze aanvraagvereisten moeten worden aangeleverd in het kader van een aanvraag voor een omgevingsplanactiviteit of een ontgrondingsactiviteit, kunnen dezelfde bescheiden ook in dit kader worden ingediend. Deze aanvraagvereisten zijn niet nodig in geval van kleinschalige werkzaamheden die door de grondgebruiker of eigenaar zelf worden uitgevoerd. Het gaat bij deze aanvraagvereisten vooral om omvangrijkere werkzaamheden die door een aannemer worden uitgevoerd, zoals het verbreden of verdiepen van sloten, het uitbaggeren van grachten, het beschoeien van vaarwegen, sloten of grachten, het (gedeeltelijk) ophogen van het maaiveld, het graven van sleuven voor kabels, leidingen of riolering, of de aanleg van wegen, opritten of verhardingen (bestrating, parkeerplaatsen).

Tweede lid, onderdeel e

In onderdeel e is geregeld dat als de activiteit (ook) bestaat uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk het bevoegd gezag bestaande funderingstekeningen kan verlangen. Dit kan uiteraard niet als deze tekeningen verloren zijn gegaan of redelijkerwijs niet meer te achterhalen zijn.

Tweede lid, onderdeel f

Bij de sonaropnamen, bedoeld in onderdeel f, gaat het doorgaans om zogenoemde «multibeamopnamen». Deze hebben als doel om de topografische hoogte, de bathymetrie, van de zeebodem ter plekke te bepalen en dienen als nulmeting om de situatie voorafgaand aan de ingreep te kunnen vergelijken met die daarna.

Artikel 22.289 Eisen aan tekeningen als bedoeld in artikel 22.288

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in Artikel 22.288.

Artikel 22.290 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het slopen van een monument. Onder slopen wordt verstaan het geheel of gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen, zie de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat hierbij dus niet alleen om het slopen van een monument of complete bouwdelen, maar ook over het slopen van kleinere onderdelen zoals muren, houtwerkconstructies, deuren en vensters, of interieurelementen.

Eerste lid, onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument of het te slopen onderdeel, zodat de noodzaak van de voorgenomen sloop voldoende wordt geïllustreerd. Het gaat er hierbij niet om dat het originele (digitale) foto’s moeten zijn, maar het mogen geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Situatietekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 1, zijn nodig in geval van het gedeeltelijk afbreken van het monument waarbij de omvang van het monument wijzigt. Als de voorgenomen activiteit alleen bestaat uit inpandig slopen of als het monument geheel wordt gesloopt, geldt dit aanvraagvereiste dus niet.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Afhankelijk van de aard, omvang en plaats van de voorgenomen sloop kan het gaan om plattegronden, doorsneden, gevelaanzichten en een dakaanzicht. Als alleen inpandige sloopwerkzaamheden plaatsvinden zullen die laatste twee soorten tekeningen niet nodig zijn.

Uit slooptekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, moet blijken welke materialen of onderdelen verwijderd worden. Dit moet de omvang en de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken. De opnametekeningen kunnen hiervoor als basis worden gebruikt.

Eerste lid, onderdeel c

Een omschrijving van de aard van en de bestemming voor het door de sloop vrijkomende materiaal als bedoeld in onderdeel c is van belang omdat aan de omgevingsvergunning het voorschrift kan worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan historische dakpannen, een monumentale topgevel, gevelsteen of een monumentale schouw.

Tweede lid, onderdeel a

De rapporten, bedoeld in onderdeel a, kunnen nodig zijn om de monumentale waarde van het monument of de te slopen onderdelen (nader) te bepalen. Lang niet altijd zullen de actuele monumentale waarden al in voldoende mate in beeld zijn om de gevolgen van de voorgenomen sloopwerkzaamheden voor de aanwezige monumentale waarden te kunnen beoordelen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de Artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c is bijvoorbeeld nodig in geval van een voorgenomen sloop op grond van de technische staat van een monument of een onderdeel daarvan. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d).

Artikel 22.291 Omgevingsplanactiviteit: verplaatsen van een gemeentelijk monument voor zover het gaat om een monument

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gedeeltelijk of volledig verplaatsen van een monument. Denk hierbij bijvoorbeeld aan een kerkorgel of een molen. Het bevoegd gezag zal rekening moeten houden met het beginsel uit het verdrag van Granada dat verplaatsing van monumenten of een onderdeel daarvan moet worden voorkomen, tenzij dit dringend vereist is voor het voortbestaan ervan. Gaat het bevoegd gezag in een concreet geval toch over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het verplaatsen van het monument, dan zal het gelet op artikel 5 van het verdrag van Granada3 voorschriften aan de vergunning verbinden over het treffen van voorzorgsmaatregelen voor het demonteren, het overbrengen en de herbouw van het monument op de nieuwe locatie. Gelet hierop moeten de gegevens en bescheiden voldoende inzicht geven in de reden en de noodzaak van de voorgenomen verplaatsing, in de huidige en de toekomstige ruimtelijke context van het monument, en in de beoogde wijze van demonteren, verplaatsen en herbouwen. De herbouw op een nieuwe, geschikte locatie mag dus niet onzeker zijn.

Eerste lid

De foto’s in onderdeel b moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat van het monument (toestand) of het te verplaatsen onderdeel en van de ruimtelijke context van het monument (situatie) of het onderdeel in de huidige en in de nieuwe situatie en mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument (zoals een kerkorgel) zullen minder tekeningen nodig zijn dan bij verplaatsing van het gehele monument.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel c, onder 3, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na de voorgenomen verplaatsing) is weergeven. Bij verplaatsing van een gedeelte van een monument zijn dit ook tekeningen van de nieuwe toestand van het monument waar het verplaatste gedeelte dan deel van uitmaakt. Zo zijn bij verplaatsing van een orgel van de ene kerk naar de andere kerk ook plantekeningen nodig van de toestand van die andere kerk nadat het orgel daarin is aangebracht.

Als het te verplaatsen monument een molen is, moet op grond van onderdeel e, ook inzicht worden gegeven in de molenbiotoop, zowel op de huidige als de nieuwe locatie. Met de molenbiotoop wordt hier de omgeving van de molen bedoeld, voor zover die van belang is voor de werking van de molen. Het gaat daarbij met name om de windvang (bij een windmolen) of de watertoe- en afvoer (bij een watermolen).

Tweede lid

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument of voor de nieuwe locatie (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de Artikel 22.288.

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel d kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument op de nieuwe plek, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een rijksmonumentenactiviteit kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel e moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Artikel 22.292 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: wijzigen van een monument of monument door herstel ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel omvat de meest voorkomende activiteiten. Onder het wijzigen van een monument vallen bijvoorbeeld het restaureren, reconstrueren, renoveren, verbouwen, uitbouwen, aanbouwen, of het bijvoorbeeld op een andere manier wijzigen van een gebouwd monument of een aangelegd (groen) monument. Denk hierbij ook aan het in een afwijkende kleur schilderen van een gevel of het hanteren van een ander verfsysteem.

Voorbeelden van het herstellen van een monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, zijn het met golfplaten repareren van een rieten dak, of het reinigen of herstellen van een interieurschildering, of gevel, waarbij een onvoldoende deskundige uitvoering in potentie grote gevolgen kan hebben voor de technische staat en de monumentale waarde van het onderdeel (bij een gevel ook het patina).

Eerste lid, onderdeel a

De foto’s in onderdeel a moeten een duidelijke indruk geven van de technische staat en de ruimtelijke context van het monument, zodat de noodzaak van de voorgenomen activiteit voldoende wordt geïllustreerd. Het mogen daarom geen onduidelijke kopieën zijn.

Eerste lid, onderdeel b

Opnametekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 2, zijn tekeningen waarop de toestand van het monument voorafgaand aan de activiteit is weergeven. Welke soort tekeningen in een concreet geval nodig zijn, hangt af van de aard van de activiteit. In de regel zullen plattegronden en doorsnedetekeningen nodig zijn. Als de activiteit ook impact heeft op het exterieur of het aangezicht van het monument, zullen ook geveltekeningen en in voorkomend geval een dakaanzicht nodig zijn.

Gebrekentekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 3, zijn nodig als er gebreken worden hersteld. Het betreft feitelijk opnametekeningen waarop de te verhelpen gebreken adequaat zijn weergegeven.

Plantekeningen als bedoeld in onderdeel b, onder 4, zijn tekeningen waarop de nieuwe toestand van het monument (na afloop van de voorgenomen activiteit) is weergeven.

Als er in het kader van de activiteit ook materiaal wordt verwijderd, moeten er in een dergelijk geval ook enkele gegevens en bescheiden als bedoeld in Artikel 22.290 (slopen) worden overgelegd. Zoals blijkt uit de begripsbepaling van slopen in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet wordt onder slopen ook verstaan het gedeeltelijk afbreken of uit elkaar nemen. In de praktijk van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bleek dat een aanvrager die zijn monument wil restaureren of verbouwen zich niet altijd realiseert dat het wegnemen van materialen ook onder slopen valt en noodzakelijke gegevens en bescheiden daardoor geregeld ontbraken. Daarom zijn de aanvraagvereisten uit Artikel 22.290 expliciet (en niet met een verwijzing) in dit artikel opgenomen. Op grond van onderdeel b, onder 5, moet de aanvrager in een dergelijk geval ook slooptekeningen overleggen, waaruit blijkt welke materialen of onderdelen verwijderd worden. De slooptekeningen moeten de exacte impact van de voorgenomen sloopwerkzaamheden op het monument inzichtelijk maken.

Eerste lid, onderdeel c

Op grond van onderdeel c moet in het bestek of in de werkomschrijving de sloopmethode en de aard van en bestemming voor het vrijkomend materiaal worden omschreven. Aan de omgevingsvergunning kan namelijk het voorschrift worden verbonden deze onderdelen te hergebruiken of voor hergebruik te bewaren, of ze in het belang van de monumentenzorg voor hergebruik elders beschikbaar te stellen.

Tweede lid, onderdeel b

Een rapport als bedoeld in onderdeel b kan nodig zijn als dit omgevingsplan voor de locatie van het gebouwde of aangelegde monument (nog) niet voorziet in een adequaat archeologisch regime en de activiteit leidt tot verstoring van de bodem. Zie verder de Artikel 22.288.

Tweede lid, onderdeel c en d

Een beschrijving van de technische staat als bedoeld in onderdeel c kan bijvoorbeeld nodig zijn in geval van het herstellen van technische gebreken. Als deze beschrijving en de foto’s niet voor zich spreken, kan een nadere onderbouwing van de beschrijving in de vorm van een of meerdere technische rapporten nodig zijn (onderdeel d). Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen bij een (complexe) restauratie.

Tweede lid, onderdeel e

Aanvullende tekeningen als bedoeld in onderdeel e kunnen bijvoorbeeld nodig zijn als er sprake is van bijzondere detaillering (detailtekeningen) of om een beeld te krijgen van het (functioneren van het) monument na verrichting van de activiteit, bijvoorbeeld met impressietekeningen of 3D-visualisaties.

Tweede lid, onderdeel f

Het bevoegd gezag kan bij de beoordeling van vergunningaanvragen voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument kwaliteitseisen hanteren, bijvoorbeeld door te verwijzen naar de uitvoeringsrichtlijnen die in de beroepsgroep(en) gelden. Bij de beoordeling van een aanvraag is het voor het bevoegd gezag van belang om te weten of de aanvrager het plan dat ten grondslag ligt aan de aanvraag hierop al heeft afgestemd of niet. Op grond van onderdeel f moet hij hier opgave van doen. Het gaat hier overigens niet om algemene uitvoeringsvoorschriften als bedoeld in het Bbl.

Tweede lid, onderdeel g

Een beheervisie als bedoeld in onderdeel g is een visie op het beheer van een groenaanleg, gebaseerd op een analyse en een waardering op grond van (cultuur)historisch onderzoek en inventarisaties van natuurwaarden, recreatieve en belevingswaarden, waterhuishouding en bodem, en wensen van belanghebbenden (eigenaar en gebruikers). De beheervisie maakt duidelijk welke keuzes zijn gemaakt voor het beheer en is richtinggevend voor een langere periode, bijvoorbeeld 12 tot 18 jaar, of langer. De visie kan ook worden weergegeven in streefbeelden.

Artikel 22.293 Omgevingsplanactiviteit gemeentelijk monument: monument door gebruik ontsieren of in gevaar brengen

Dit artikel bevat de aanvraagvereisten voor zover een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een gemeentelijk monument bestaat uit het gebruiken van een monument waardoor het kan worden ontsierd of in gevaar gebracht. Bij het eerste kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het (tijdelijk) aanbrengen van reclames of op een andere manier aan het zicht onttrekken van een gevel of het dak. Bij het laatste bijvoorbeeld aan het gebruiken van een monument als vuurwerkopslag of op een wijze die slecht verenigbaar is met een kwetsbaar interieur, zoals een disco in een zaal met een historische wandbespanning en parketvloer.

Ook als het voorgenomen gebruik niet gepaard gaat met een fysieke wijziging van het monument moet de aanvrager aangeven welke maatregelen hij treft om ontsiering van het monument of de nadelige gevolgen van het in gevaar brengen van het monument te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

Artikel 22.294 Eisen aan tekeningen als bedoeld in de artikelen 22.290 tot en met 22.292

Dit artikel bevat de eisen aan tekeningen als bedoeld in de Artikel 22.290, Artikel 22.291 en Artikel 22.292. Daar waar er meerdere schalen genoemd zijn, moet een schaal worden gekozen die het onderdeel van het monument adequaat weergeeft. Bij detailtekeningen van stucwerk of ornamenteel stuc kan bijvoorbeeld een schaal van 1:1 gevraagd worden ter verificatie van het profiel. Maar deze schaal zal lang niet altijd nodig zijn om details voldoende duidelijk weer te geven. Het is aan de aanvrager om zijn aanvraag voldoende duidelijk te maken en aan het bevoegd gezag om te beoordelen of de ingediende bescheiden volstaan voor de beoordeling.

Artikel 22.295 Overeenkomstige toepassing voorbeschermd gemeentelijk monument

In dit artikel is bepaald dat de aanvraagvereisten die op grond van de Artikel 22.287 voor gemeentelijke monumenten gelden, ook gelden voor voorbeschermde gemeentelijke monumenten (als bedoeld in bijlage I bij het Bbl). Omwille van de leesbaarheid is voor een apart artikel gekozen in plaats van het opnemen in voornoemde artikelen zelf.

Artikelen 22.296 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht

Eerste lid

Dit artikel bevat aanvraagvereisten voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op het slopen van een bouwwerk in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht. Op grond van het eerste lid moet aannemelijk worden gemaakt dat op de locatie van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. Met «kan» worden gebouwd wordt gedoeld op de situatie waarin het bouwen van een vervangend bouwwerk juridisch mogelijk is. Om dit aannemelijk te maken is in beginsel een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit die op grond van dit omgevingsplan is vereist voor het bouwen van dat bouwwerk voldoende. Om aannemelijk te maken dat er, als de hiervoor bedoelde omgevingsvergunning (nog) niet is verleend, «zal» worden gebouwd, moet de intentie om het vervangende bouwwerk te bouwen op andere wijze worden onderbouwd, bijvoorbeeld door inzicht te geven in vergevorderde bouwplannen. Dit aanvraagvereiste is opgenomen ter voorkoming van braakliggende terreinen in de beschermde historische structuur. Hiermee wordt het daadwerkelijk indienen van plannen voor de vervangende bebouwing, waarin voldoende rekening wordt gehouden met het karakter van het beschermde stads- of dorpsgezicht, bevorderd. Dergelijke plannen kunnen dan worden getoetst aan het omgevingsplan en de beleidsregels voor de beoordeling of een bouwwerk voldoet aan de regels over het uiterlijk van bouwwerken in het omgevingsplan. Direct bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet, als een dergelijke beleidsregel. Dit volgt uit artikel 4.114 van de Invoeringswet Omgevingswet. De welstandsnota bevat criteria om te beoordelen of een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand. Als bij het vaststellen van het omgevingsplan de regels over het uiterlijk van bouwwerken wijzigen ten opzichte van de daarover in Hoofdstuk 22 van dit omgevingsplan gestelde regels, kunnen gemeenten uiteraard ook de daarop betrekking hebbende beleidsregels wijzigen.

Tweede lid

Het tweede lid bevat een omzetting van de landelijke regels die nog gebaseerd zijn op het (nog steeds geldende) beoordelingskader ter voorkoming van gaten in de bebouwingsstructuur. Op basis van de archeologische verwachting kan het bevoegd gezag bij een vergunningaanvraag een archeologisch rapport als aanvraagvereiste nodig achten, om de archeologische waarde van het te verstoren terrein nader vast te stellen. Het bevoegd gezag moet op basis hiervan voldoende inzicht krijgen in de exacte impact van de activiteit op de archeologische waarde van het archeologisch monument. Dat was al zo (via het bestemmingsplan) en is terug te voeren op de gemaakte keuzes bij de implementatie van het verdrag van Valletta (via de Wet op de archeologische monumentenzorg). In die gevallen dat de archeologische waarde eerder al voldoende is vastgesteld, zal dit aanvraagvereiste niet nodig zijn.

Artikelen 22.297 tot en met 22.301 Omgevingsplanactiviteit: uitweg, alarminstallatie, vellen van houtopstand, handelsreclame en opslaan roerende zaken

Deze artikelen bevatten aanvraagvereisten voor aanvragen om een omgevingsvergunning voor activiteiten die op grond van een gemeentelijke verordening in samenhang met artikel 22.8 van de Omgevingswet als vergunningplichtig zijn aangemerkt. Deze artikelen zijn gebaseerd op de artikelen 7.3 tot en met 7.7 van de voormalige Regeling omgevingsrecht, waarbij de indieningsvereisten destijds zijn overgenomen van bestaande formulieren bij gemeenten.

§ 22.5.2.5 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen vereist op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet

Artikel 22.302 Omgevingsplanactiviteit: slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht

Zoals hiervoor al Artikel 22.283 gaat het hier om het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht waarvoor op grond van artikel 4.35, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist. Hiervoor gelden dezelfde aanvraagvereisten als voor de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in een gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in Artikel 22.296. Volstaan wordt daarom met een verwijzing naar de toelichting op dat artikel. Ook onder de voormalige Regeling omgevingsrecht golden voor deze activiteiten dezelfde indieningsvereisten.

§ 22.5.3 Voorschriften

Artikel 22.303 Voorschriften over archeologische monumentenzorg

Dit artikel is een voortzetting van de regeling in artikel 2.22, tweede lid, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en artikel 5.2 van het voormalige Besluit omgevingsrecht.

Eerste lid

In het eerste lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een werk, dat geen bouwwerk is, of het uitvoeren van een werkzaamheid -ook wel een aanlegactiviteit genoemd – die van invloed is op een archeologisch monument, in het belang van de archeologische monumentenzorg in ieder geval de onder a tot en met d bedoelde voorschriften kunnen worden verbonden.

Eerste lid, onderdeel a

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften die een plicht inhouden tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische monumenten in situ kunnen worden behouden. Voorbeelden zijn voorschriften die verplichten tot het treffen van technische maatregelen, zoals het aanbrengen van een ophogingslaag, het aanpassen van de funderingswijze of het beperken van het aantal heipalen.

Eerste lid, onderdeel b

Dit onderdeel heeft betrekking op voorschriften over het verrichten van opgravingen als bedoeld in artikel 1.1 in samenhang met artikel 5.1, eerste lid, van de Erfgoedwet. Dit betreft dus voorschriften over handelingen bij het opsporen, onderzoeken of verwerven van cultureel erfgoed of onderdelen daarvan, waardoor verstoring van de bodem, of verstoring of gehele of gedeeltelijke verplaatsing of verwijdering van een archeologisch monument of cultureel erfgoed onder water optreedt, tenzij het een op grond van artikel 5.1, tweede lid, van de Erfgoedwet uitgezonderd geval betreft.

Eerste lid, onderdeel c

Onderdeel c heeft betrekking op voorschriften over de begeleiding door een archeologisch deskundige van uitvoeringswerkzaamheden. Deze deskundige is bij de werkzaamheden aanwezig en documenteert eventuele overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden die hierbij aan het licht komen.

Het instrument van archeologische begeleiding is bedoeld voor situaties waarin adequaat vooronderzoek niet mogelijk is door fysieke belemmeringen, zoals een te slopen bouwwerk, waardoor niet tot een betrouwbare waardenstelling kan worden gekomen. Ook kan de begeleiding worden ingezet voor situaties waarin civieltechnische werkzaamheden archeologisch onderzoek niet mogelijk maken of op grond van de beschikbare archeologische informatie is geconcludeerd dat het doen van een opgraving niet (meer) nodig is, maar men toch graag het zekere voor het onzekere wil nemen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij de aanleg van een pijpleiding voor aardgas, omdat de gegraven sleuf te smal is om een goede documentatie mogelijk te maken. Daarnaast kan er bij uitvoeringstrajecten sprake zijn van bijzondere onderzoeksvragen, die juist door archeologische begeleiding kunnen worden beantwoord. Het gaat daarbij om gebieden of complextypen waar wel een archeologische verwachting is, maar waaraan door inventariserend veldonderzoek geen specifieke locatie kan worden gekoppeld. Archeologische begeleiding is nadrukkelijk niet bedoeld als een vervanging voor een inventariserend veldonderzoek of een opgraving. Aan dit onderdeel kan niet worden voldaan met een verwijzing naar een gecertificeerde opgravingsdeskundige, omdat niet alle handelingen waaruit een archeologische begeleiding kan bestaan, handelingen zijn waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het uitzeven van grond afkomstig uit een bouwput of een baggerlocatie om archeologische overblijfselen of voorwerpen te verzamelen. Voor die gevallen kan het bevoegd gezag op basis van dit onderdeel specifieke eisen stellen aan de deskundigheid van de bij de archeologische begeleiding betrokken personen. Denk bijvoorbeeld aan de voorwaarde dat de deskundige kennis moet hebben van de archeologie van het rivierengebied of van de Romeinse tijd. Veelal zullen deze eisen via het programma van eisen worden afgedwongen (zie onderdeel d). Maar het bevoegd gezag kan ook eisen stellen aan de kwalificaties van de deskundige zonder dat het een specifiek programma van eisen als voorschrift opneemt. Dit laat onverlet dat de uitvoerder van de archeologische begeleiding voor zover het handelingen betreft waarvoor een certificaat als bedoeld in artikel 5.1 van de Erfgoedwet vereist is, in ieder geval moet voldoen aan het bepaalde in artikel 5.4, eerste en tweede lid, van die wet.

Eerste lid, onderdeel d

Met het voorschrift dat de opgraving of begeleiding op een bepaalde wijze, die in overeenstemming is met artikel 5.4, eerste en tweede lid, van de Erfgoedwet, moet worden verricht, wordt beoogd aan te sluiten bij de Erfgoedwet en vooral bij het in die wet opgenomen certificatiesysteem, waarbij de nadruk meer is komen te liggen op de professionele standaarden uit het veld zoals tot nu toe neergelegd in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. Met deze voorschriften worden die voorschriften bedoeld die ook wel als een programma van eisen of een plan van aanpak worden aangeduid en voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet en de Omgevingswet werden gebaseerd op artikel 38, eerste lid, onder a, van de Monumentenwet 1988. In het programma van eisen en plan van aanpak kunnen randvoorwaarden aan het archeologisch onderzoek worden meegegeven, in het bijzonder de doel- en vraagstelling van het onderzoek, en kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van uitvoering. Er wordt bijvoorbeeld aangegeven welke onderzoeksmethodiek moet worden ingezet en over welke specifieke kennis en ervaring de actoren moeten beschikken om het onderzoek te kunnen uitvoeren.

Voorkomen moet worden dat de inhoud van de voorschriften in strijd is met de professionele kwaliteitsnorm voor archeologisch onderzoek binnen het in de Erfgoedwet opgenomen certificatiesysteem. Dit betekent dat de voorschriften wel aanvullende eisen mogen bevatten, maar geen eisen die onder het niveau van deze normen van de beroepsgroep liggen. De voorschriften kunnen tenslotte ook betrekking hebben op non-destructief archeologisch onderzoek, zoals een veldkartering of een sonaropname van de zeebodem.

Tweede lid

In het tweede lid is bepaald dat aan een omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit op of in een archeologisch monument in een beschermd stads- of dorpsgezicht voorschriften kunnen worden verbonden over de wijze van slopen. Deze bepaling vloeit voort uit artikel 5.2, derde lid, van het voormalige Besluit omgevingsrecht. Het doel van een dergelijk voorschrift is de sloopmethode zo te kiezen dat de nadelige gevolgen voor de archeologische waarden ter plaatse zoveel mogelijk beperkt blijven. Ook kan zo de inzet van het instrument van archeologische begeleiding als bedoeld in het eerste lid, onder c, mogelijk worden gemaakt.

BIJLAGE I BIJ ARTIKEL 1.1, TWEEDE LID, VAN DIT OMGEVINGSPLAN, BEGRIPSBEPALINGEN

In Bijlage I bij artikel 1.1 van dit omgevingsplan zijn in aanvulling op de begrippen van de Omgevingswet, de AMvB’s en de Omgevingsregeling de overige begripsbepalingen opgenomen die nog nodig zijn. Deze begrippen worden hieronder toegelicht.

Activiteitenbesluit-bedrijventerrein

Het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein is opgenomen omdat in Artikel 22.63 lid 2, voor gevoelige objecten die op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein zijn gelegen, hogere geluidswaarden zijn vastgesteld. In de definitie van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein wordt aangesloten bij geldende omgevingsplannen. Het komt vaak voor dat een omgevingsplan dat (in het tijdelijke deel) een bedrijventerrein aanduidt, meer bestemmingen omvat dan alleen bedrijfsbestemmingen. Zo kan een natuurgebied of landelijk gebied deel uitmaken van een gebied dat in een omgevingsplan is begrensd door een grens die een bedrijventerrein aanduidt. Het is niet de bedoeling dat de hogere waarden ook in die gebieden gelden. Anderzijds kan het voorkomen dat er één of enkele percelen zijn met een andere bestemming dan een bedrijfsbestemming, die omsloten zijn door percelen met bedrijfsbestemmingen. Voor die percelen, bijvoorbeeld een burgerwoning op het bedrijventerrein, zijn de hogere waarden wel van toepassing. Om die reden wordt het begrip beperkt tot een cluster percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen. Opgemerkt wordt dat in het nieuwe stelsel de term «bedrijventerrein» zonder definitie wordt gehanteerd.

Deze regel moet worden overgezet van het tijdelijke deel van dit omgevingsplan naar het nieuwe deel van dit omgevingsplan. In het nieuwe deel wordt concreet aangeduid voor welke locaties de hogere waarde geldt. Er kan dan geen gebruik meer gemaakt worden van het begrip Activiteitenbesluit-bedrijventerrein.

concentratiegebied geurhinder en veehouderij

Het begrip «concentratiegebied geurhinder en veehouderij» voor in de paragraaf over geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s die gehouden worden voor het berijden, in dierenverblijven.

Als een gemeente in een geurverordening een concentratiegebied heeft aangewezen, dan wordt deze verordening na inwerkingtreding van de Omgevingswet op grond van artikel 4.6, eerste lid, onder e van de Invoeringswet Omgevingswet van rechtswege onderdeel van het tijdelijk deel van dit omgevingsplan. Na de inwerkingtreding van de Omgevingswet hebben gemeenten op grond van artikel 5.108 van het Bkl de bevoegdheid om in het omgevingsplan één of meerdere concentratiegebieden aan te wijzen. Bestaande concentratiegebieden geurhinder en veehouderij moeten in de transitieperiode overgezet worden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan.

distributienet voor warmte

Dit begrip is gedefinieerd als «collectief circulatiesysteem voor het transport van warmte door een circulerend medium voor verwarming of warmtapwater». Onder dit distributienet valt dus zowel een stadsverwarmingssysteem als een «klein» wijk- of buurtverwarmingssysteem. Voor de definitie is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de begripsomschrijving zoals deze is opgenomen in NVN 7125 van april 2011.

geurgevoelig object

Om geen te groot gat te laten vallen op moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, wordt er voor geur in de omgevingsplanregels van rijkswege uitgegaan van de begrippen uit de ingetrokken regelgeving.

Onder het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en de voormalige Wet geurhinder en veehouderij was de groep objecten die beschermd werden tegen geurhinder, anders dan de groep geurgevoelige gebouwen die beschermd worden op grond van en gedefinieerd zijn in het Bkl.

Aan de ene kant is het begrip geurgevoelig object breder dan het begrip geurgevoelig gebouw: onder het begrip geurgevoelig object vallen alle locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen. Onder geurgevoelig gebouw op grond van artikel 5.91 van het Bkl vallen kort gezegd alleen gebouwen met een woon-, onderwijs-, of gezondheidzorg- of kinderopvangfunctie.

Onder het begrip geurgevoelig object, valt dus ook het begrip geurgevoelig gebouw.

Overigens biedt het vierde lid van artikel 5.91 van het Bkl wel de mogelijkheid om in dit omgevingsplan ook andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aan te wijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen.

Aan de andere kant is het begrip geurgevoelig object smaller dan het begrip geurgevoelig gebouw. Onder het begrip geurgevoelig gebouw, wordt ook verstaan: een gebouw dat nog niet aanwezig is maar op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit mag worden gerealiseerd.

Soms is er voor bestaande of nieuwe situaties wel al bewust verwezen naar een geurgevoelig gebouw, zoals bedoeld in het Bkl.

gezoneerd industrieterrein

Onder de voormalige Wet geluidhinder gold een geluidzone rondom bepaalde industrieterreinen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt deze systematiek van zones. In plaats daarvan worden bij omgevingsplan geluidproductieplafonds – als omgevingswaarde – vastgesteld rondom bepaalde industrieterreinen. Het begrip gezoneerd industrieterrein komt dus niet meer voor in de Omgevingswet.

Voor de omgevingsplanregels van rijkswege is het van belang dat er geen wijziging optreedt in de rechtspositie van bedrijven op het gezoneerde industrieterrein en in de bescherming ten opzichte van van de geluidgevoelige objecten daaromheen zoals woningen. Daarom is het begrip gezoneerd industrieterrein nog wel relevant.

De begripsbepaling verwijst naar de betekenis die onder de voormalige Wet geluidhinder aan een gezoneerd industrieterrein werd gegeven. Hiermee wordt duidelijk gemaakt dat het begrip gezoneerd industrieterrein enkel in het omgevingsplan is opgenomen om de bestaande rechtsposities ongewijzigd te handhaven, en dat niet is bedoeld om een inhoudelijke wijziging van het begrip door te voeren.

straatpeil

Het begrip straatpeil was voorheen opgenomen in het Bouwbesluit 2012. Deze definitie is destijds ontleend aan de definitie van dat begrip zoals opgenomen in de Modelbouwverordening van de VNG.

warmteplan

Het begrip «warmteplan» is gedefinieerd als besluit van de gemeenteraad, inzake de aanleg van een distributienet voor warmte in een bepaald gebied, waarin voor die periode de mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte bij aansluiting op dat distributienet is opgenomen. Waarbij moet worden uitgegaan van het voor die periode geplande aantal aansluitingen op dat distributienet. Het warmteplan wordt door de gemeenteraad vastgesteld voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

Daarna moet in ieder geval een nieuw warmteplan worden vastgesteld. Als de ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan de gemeenteraad het plan wijzigen (tussentijds een nieuw plan vaststellen of het plan aanpassen). Dit zou het geval kunnen zijn wanneer over de energiezuinigheids- en/of milieuprestatie van het warmtenet actuele gegevens beschikbaar zijn gekomen, die substantieel afwijken van de aan het vastgestelde warmteplan ten grondslag liggende gegevens, of wanneer de bouwopgave in het warmteplangebied in de loop der tijd dusdanig wijzigt dat dit gevolgen heeft voor het geplande aantal aansluitingen op het warmtenet. Uit de samenhang met Artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» volgt dat een warmteplan kan worden vastgesteld door gemeenten die tot aanleg van een nieuw distributienet willen overgaan. Wanneer een gemeente in verschillende gebieden tot aanleg van warmtenetten wil overgaan, moet het warmteplan per distributienet worden vastgesteld. Het gebied moet in het warmteplan zo nauwkeurig mogelijk worden afgebakend, bijvoorbeeld door een van het warmteplan deel uitmakende plankaart. In het warmteplan moet het geplande aantal aansluitingen op het distributienet worden aangegeven. Dat is van belang omdat de aansluitplicht op grond van Artikel 22.10 lid 1, onder a, niet meer van toepassing is op in het warmteplangebied te bouwen bouwwerken wanneer het in het warmteplan geplande aantal aansluitingen daadwerkelijk is bereikt. Dit wordt beoordeeld op het moment van het indienen van de aanvraag om een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen van een bouwwerk. Als aan het geplande aantal aansluitingen is voldaan, is vrijwillige aansluiting niet uitgesloten. In de fase dat het geplande aantal aansluitingen nog niet is bereikt, geldt de aansluitplicht overigens ook wanneer het definitieve distributienet nog niet gereed is en bouwwerken tijdelijk collectief van warmte worden voorzien door transport van in hulpketels opgewekte warmte totdat de definitieve infrastructuur gereed is.

In het warmteplan moet de te bereiken mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu van de aansluiting op het distributienet voor warmte, gebaseerd op de energiezuinigheid van dat distributienet en het opwekkingsrendement van de over dat distributienet getransporteerde warmte, worden aangegeven. Het gaat daarbij om de mate die bereikt wordt wanneer het in het warmteplan aangegeven aantal aansluitingen op dat distributienet is bereikt. Deze mate van energiezuinigheid en bescherming van het milieu moet duidelijk zijn aangegeven, bijvoorbeeld aan de hand van getallen voor CO2, en NOx, zodat eenvoudig kan worden getoetst of sprake is van een aan aansluiting op het warmtenet gelijkwaardige oplossing.

De gemeenteraad is bevoegd het warmteplan vast te stellen. Hiermee is zeker gesteld dat de te maken gemeentelijke keuzen over de aanleg van warmtenetten in een gebied via een voor belanghebbenden transparant en democratisch gelegitimeerd proces tot stand komen. Voor het warmteplan gelden – als onderdeel van het omgevingsplan – geen specifieke inhoudelijke vereisten.

Als een gemeente geen warmteplan heeft vastgesteld of niet tijdig (binnen de afgesproken periode) opnieuw heeft vastgesteld, dan kan in die gemeente artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte» niet worden toegepast. In die gemeente kan op basis van vrijwilligheid worden aangesloten op het warmtenet. Zie ook de toelichting op het begrip distributienet voor warmte en de toelichting bij artikel 22.10 «Aansluiting op distributienet voor warmte».

Bijlage B Bijlagen bij motivering

Aanvulling MER

/join/id/pubdata/gm0160/2026/aac67f82840441ff86959856e7932378/nld@2026‑03‑06;2

Akoestisch onderzoek uitbreiding Rollepaal Oost

/join/id/pubdata/gm0160/2026/6d257ba3516d4822ab85e974e25a1a78/nld@2026‑03‑06;3

Bezonningsstudie Rollepaal Oost en omringende bebouwing

/join/id/pubdata/gm0160/2026/56e43c20ba86421c9e5cc91be832a4eb/nld@2026‑03‑06;2

Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost

/join/id/pubdata/gm0160/2026/c3e47e89108c45498d3cb2ab41b0e944/nld@2026‑03‑06;2

MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost

/join/id/pubdata/gm0160/2026/b48de3356133400aac324e10dc79b81c/nld@2026‑03‑06;2

MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1 van 2

/join/id/pubdata/gm0160/2026/b4667919cf4b4a22b80fabfb6c0ea2b1/nld@2026‑03‑06;4

MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2 van 2

/join/id/pubdata/gm0160/2026/5af8d7442e03400eb8efeb77e6f2f1b9/nld@2026‑03‑06;4

Motie voorzieningen Rollepaal, d.d. 07‑12‑2021

/join/id/pubdata/gm0160/2026/f1de82320e1946b88215b15b3e80d0aa/nld@2026‑03‑06;2

Notitie over de reacties op het voorontwerp

/join/id/pubdata/gm0160/2026/954200894c4e4e6c891e55a74fc2692c/nld@2026‑03‑06;5

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)

/join/id/pubdata/gm0160/2026/c84a3e3d6f734c9ca49876e1bdfa4e3a/nld@2026‑03‑06;2

Passende beoordeling Stikstof

/join/id/pubdata/gm0160/2026/899d406b9e994982b90698fb76c07d5d/nld@2026‑03‑06;2

Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost

/join/id/pubdata/gm0160/2026/800a5fb2da5f43ecbe68765d08b777ca/nld@2026‑03‑06;2

Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost_bijlagen

/join/id/pubdata/gm0160/2026/ba7d08866e75497fba3a25631584fad2/nld@2026‑03‑06;2

Toetsingsadvies Commissie voor de Mer

/join/id/pubdata/gm0160/2026/b79196c6959c410a99ca39bb587a3e1e/nld@2026‑03‑06;2

Verslagen ketenpartners

/join/id/pubdata/gm0160/2026/d9c775e9d49242e38fba44715d87c66b/nld@2026‑03‑06;2

Motivering

1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Hardenberg heeft het voornemen om het bestaande bedrijventerrein De Rollepaal te Dedemsvaart met circa 21 hectare netto (29 hectare bruto) uit te breiden ten behoeve van de huisvesting van (zwaardere) bedrijven vergelijkbaar met voormalige milieucategorieën tot en met 4.2.

Voor een groot deel van de beoogde uitbreiding (11 - 13 hectare) is al behoefte bekend bij een aantal bestaande lokale bedrijven. Het is voor de gemeente belangrijk om deze partijen voor Hardenberg, en Dedemsvaart in het bijzonder, te behouden. Het resterende deel van de gronden wordt gereserveerd voor andere gegadigden. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein is een stedenbouwkundig plan en beeldkwaliteitplan opgesteld die als basis dient voor de ruimtelijke procedure.

De gronden ten behoeve van de beoogde ontwikkeling zijn oorspronkelijk vastgelegd in het geldende bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (vastgesteld op 2 december 2014). Sinds 1 januari 2024 maakt dit bestemmingsplan van rechtswege integraal deel uit van het tijdelijk deel van het 'Omgevingsplan gemeente Hardenberg'. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein past niet binnen de geldende bestemmingen. Dit betekent dat voor de beoogde uitbreiding een wijziging van het omgevingsplan dient te worden opgesteld. Daarbij wordt aangesloten op de hoofdstructuur en systematiek van het in voorbereiding zijnde omgevingsplan gemeente Hardenberg.

Tegelijkertijd met de uitbreiding van het bedrijventerrein met Rollepaal Oost is ook een uitbreiding van de geluidzone - industrie (productieplafond industrielawaai) aan de orde. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet verandert onder andere het beoordelingskader ten aanzien van industrielawaai. Dit betekent dat niet alleen de uitbreiding van de geluidzone maar ook de bestaande geluidzone moet worden vastgelegd. Dit gebeurt op basis van de nieuwe systematiek zoals opgenomen in de Omgevingswet, namelijk op basis van zogeheten geluidproductieplafonds (gpp industrieterrein: zie verder paragraaf 5.2).

Om dit mogelijk te maken dient het gezoneerde bedrijventerrein Rollepaal in zijn geheel (dus ook het bestaande deel) te worden vastgelegd in de wijzing van het omgevingsplan en wordt de geluidzone vervangen door het nieuwe systeem van gpp's. In paragraaf 5.2 wordt hier nader op ingegaan.

Voor de benodigde planologische procedure geldt, op basis van bijlage V van het Omgevingsbesluit, een mer-plicht bij de uitbreiding van industrieterreinen waarop mer-beoordelingsplichtige bedrijven mogelijk worden gemaakt. Er is dan ook een Milieueffectrapport (MER) opgesteld voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal.

1.2 Ligging van het plangebied

Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is gelegen aan de oostzijde van Dedemsvaart. In de volgende figuur is de ligging en begrenzing van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan aangegeven.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0001.jpg
figuur 1.1 - ligging en globale begrenzing Rollepaal Oost (excl. geluidzone-industrie)
i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0002.jpg
figuur 1.2 - globale begrenzing Rollepaal Oost met bijbehorende kadastrale percelen, (excl. geluidzone-industrie)

Het beoogde uitbreidingsgebied Rollepaal Oost ligt direct ten oosten van het bestaande industrieterrein Rollepaal. Het gebied wordt aan de westzijde begrensd door het industrieterrein Rollepaal, aan de noordzijde door de bebouwing en erven langs het Rheezerend, aan de oostzijde door een aantal weilanden en de beplanting en bebouwing aan de Spekopswijk en aan de zuidzijde door de Woudbloemweg.

In voorgaande figuur worden de begrenzing van Rollepaal Oost en de bijbehorende kadastrale percelen weergegeven.

Het plangebied van deze wijziging van het omgevingsplan heeft niet alleen betrekking op de oostelijke uitbreiding maar, voor zover het de nieuwe regeling van de bestaande geluidszone van Rollepaal betreft, ook op het bestaande bedrijventerrein Rollepaal.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0003.jpg
 figuur 1.3 - ligging en begrenzing bestaande bedrijventerrein Rollepaal en Rollepaal Oost

 De locaties waar de geluidreferentiepunten die behoren bij de geluidproductieplafonds industrieterrein, het gebied waarvoor het nieuwe geluidsaandachtsgebied wordt vastgesteld alsmede het beperkingengebied van het leidingnetwerk van 50 meter aan weerszijden langs het op Rollepaal Oost gelegen kabelbed van TenneT/Enexis, maken deel uit van het nieuwe plangebied.

1.3 Relevante regels omgevingsplan

1.3.1 Relevante regels

Het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg bevat de regels voor het plangebied. Op dit moment staan de regels nog op verschillende plaatsen, te weten in:

  • a.

    de besluiten genoemd in artikel 4.6, eerste lid van de Invoeringswet Omgevingswet, waaronder:

    • 1.

      een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening;

    • 2.

      een regel als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals die wet luidde voor de inwerkingtreding van de Erfgoedwet;

    • 3.

      een verordening als bedoeld in artikel 6 van de Wet geurhinder en veehouderij;

    • 4.

      een verordening als bedoeld in artikel 10.32a van de Wet milieubeheer en een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van die verordening;

  • b.

    de kaarten, bedoeld in artikel 3.5, tweede lid, van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet, en de besluiten, bedoeld in artikel 3.5, derde lid, van die wet;

  • c.

    de bruidsschat (zie artikel 22.1 van de Omgevingswet);

  • d.

    voorbeschermingsregels (als onderdeel van het beoordelingskader).

1.3.2 Geldende bestemmingsplannen
Algemeen

In het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn ter hoogte van het voorliggende plangebied de bestemmingen van de volgende bestemmingsplannen van toepassing. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0004.jpg
figuur 1.4- overzicht geldende bestemmingen Rollepaal en omgevingruimtelijkeplannen.nl bewerkt in RHO-basisviewer
-

type plan

plannaam

datum vaststelling

bestemmingsplan

Buitengebied Hardenberg

02‑12‑2014

bestemmingsplan

Buitengebied Hardenberg, herziening regels

26‑09‑2016

bestemmingsplan

Dedemsvaart

18‑12‑2014

bestemmingsplan

Dedemsvaart (herziening)

17‑03‑2015

bestemmingsplan

Van Haeringstraat 1998

18‑03‑1999

bestemmingsplan

De Rollepaal

18‑03‑1999

bestemmingsplan

Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart

24‑03‑2009

bestemmingsplan

Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema)

06‑06‑2012

bestemmingsplan

Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte

02‑07‑2013

bestemmingsplan

Rollepaal Oost, omgeving Schuttewijk Dedemsvaart

15‑09‑2015

bestemmingsplan

Rollepaal, Langewijk 135 Dedemsvaart

23‑03‑2021

bestemmingsplan

Facet herziening parkeren Hardenberg

17‑07‑2018

bestemmingsplan

Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven

21‑06‑2022

Als gevolg van de uitbreiding van het bedrijventerrein in oostelijke richting komt een deel van de geldende bestemmingsplannen te vervallen voor zover het betreft het gebied Rollepaal Oost:

  • a.

    'Buitengebied Hardenberg';

  • b.

    'Buitengebied Hardenberg, herziening regels';

  • c.

    'Facet herziening parkeren Hardenberg';

  • d.

    'Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven'.

Voor wat betreft het parkeren op Rollepaal Oost zullen de geldende regels uit het facetbestemmingsplan worden overgenomen in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

De andere bestemmingsplannen ter plaatse van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal worden, in verband met de nieuwe regeling van de bestaande geluidzone in het omgevingsplan, aangevuld met regels (met bijbehorende werkingsgebieden). Deze plannen blijven dus eerst nog in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

1.3.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg / Buitengebied Hardenberg, herziening regels

Ter plaatse van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein gelden de bestemmingen en bijbehorende regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg', zoals op 2 december 2014 is vastgesteld.

Tegen het bestemmingsplan is beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak va de Raad van State (de Afdeling). Op 13 mei 2015 heeft de Afdeling uitspraak gedaan in deze beroepszaken. Als gevolg van deze uitspraak was een aanpassing van de planregels noodzakelijk. Daarnaast bleek in een aantal gevallen een correctie in de planregels nodig te zijn. Deze aanpassingen zijn verwerkt in het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, herziening regels, zoals vastgesteld op 26 september 2016. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0005.jpg
figuur 1.5 - uitsnede bestemmingsplan Buitengebied HardenbergOmgevingsloket: Regels op de kaart

De betreffende gronden hebben de bestemming 'Agrarisch met Waarden - Open veenontginningslandschap'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor het uitvoeren van een agrarisch bedrijf (uitgezonderd glastuinbouw) en voor de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap. Deze gebiedskenmerken staan beschreven in de Landschap Identiteit Kaarten (LIK's).

Daarnaast zijn in de planregels nog diverse ondergeschikte (neven) functies mogelijk gemaakt. Langs de zuidzijde van Rheezerend zijn op de verbeelding twee bouwvlakken aangegeven. Ter plaatse zijn bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen behorende bij de agrarische bedrijven toegestaan.

Rondom het geluidgezoneerde industrieterrein Rollepaal is op de verbeelding de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' aangegeven. Dit houdt in dat op het industrieterrein bedrijven zijn toegestaan die mogelijk veel (industrie)lawaai kunnen maken. Alle bedrijven op het geluidgezoneerde bedrijventerrein mogen samen niet meer geluid maken dan de vastgestelde geluidsnorm van 50 dB(A). In de planregels is vastgelegd dat binnen deze geluidzone geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd mogen worden.

Een deel van de gronden heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Ter plaatse zijn deze gronden mede bestemd voor het behoud en bescherming van de verwachte archeologische waarden. Binnen deze bestemming is het bouwen van een of meerdere bouwwerken waarbij grond geroerd wordt met een (gezamenlijk) geroerde oppervlakte groter dan 2.500 m2 en een diepte van 50 cm of meer, mogelijk als de archeologische waarden van de gronden die zullen worden verstoord, in voldoende mate zijn vastgesteld in een archeologisch rapport. Een dergelijke rapportage is niet noodzakelijk als aangetoond kan worden dat de betreffende gronden geroerd zijn en de trefkans op archeologische waarden gering is.

1.3.2.2 Bestemmingsplan Dedemsvaart / Bestemmingsplan Dedemsvaart (herziening)

Een groot deel van het bestaande bedrijventerrein is geregeld in het bestemmingsplan Dedemsvaart zoals dat is vastgesteld op 18 februari 2014. Er heeft nadien een correctieve herziening plaatsgevonden van de planregels. Dit bestemmingsplan 'Dedemsvaart (herziening)' is op 17 maart 2015 vastgesteld.

De gronden ter plaatse van de waterzuiveringsinstallatie ten zuiden van de Woudbloemweg vallen buiten het voorliggende plangebied. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0006.jpg
figuur 1.6 - uitsnede bestemmingsplan Dedemsvaart Omgevingsloket: Regels op de kaart

Op grond van het voorliggende bestemmingsplan hebben de betreffende gronden op het bedrijventerrein Rollepaal de bestemming 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd. Deze varieert van maximaal categorie 2 tot en met 4.2.

Met uitzondering van de bestaande bedrijven genoemd zijn risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen niet toegestaan.

De woningen aan de Moerheimstraat zijn bestemd als 'Woongebied'.

1.3.2.3 Bestemmingsplan Van Haeringstraat 1998

Aan de noordwestzijde van het bedrijventerrein, ter hoogte van het gemeentepark, zijn de gronden op basis van het geldende bestemmingsplan 'Van Haeringstraat 1998' (vastgesteld 18 maart 1999) bestemd als 'Rioolwaterzuiveringsinstallatie'. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0007.jpg
figuur 1.7 - uitsnede bestemmingsplan Van Haeringstraat 1999Omgevingsloket: Regels op de kaart

De gronden worden niet meer als zodanig gebruikt. Op grond van een (tijdelijke) omgevingsvergunning wordt voor de aanwezige panden afgeweken van het toegestane gebruik ten behoeve van sport en recreatie.

1.3.2.4 Bestemmingsplan De Rollepaal

Een deel van de gronden achter de bestaande bedrijfsbebouwing aan de Rollepaal is nog opgenomen in het bestemmingsplan 'De Rollepaal'. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 18 maart 1999. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0008.jpg
figuur 1.8 - uitsnede bestemmingsplan De RollepaalOmgevingsloket: Regels op de kaart

Op grond van dit bestemmingsplan hebben de betreffende gronden de bestemming 'Agrarische doeleinden'. Ter plaatse zijn de gronden bestemd voor de uitvoering van een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende bedrijfsgebouwen. Aan de zijde van Rheezerend is op de plankaart een bouwvlak opgenomen met de aanduiding 'beperking intensieve veehouderij'. Daar is op grond van de planregels intensieve veehouderij toegestaan tot een bebouwd oppervlakte van maximaal 250 m2.

1.3.2.5 Bestemmingsplan Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart

Ter hoogte van de Einsteinstraat en de Celsiusstraat zijn de gronden bestemd op basis van het geldende bestemmingsplan 'Uitbreiding Hakvoort Dedemsvaart', zoals dat is vastgesteld op 24 maart 2009. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0009.jpg
figuur 1.9 - uitsnede bestemmingsplan Uitbreiding Hakvoort DedemsvaartOmgevingsloket: Regels op de kaart

De betreffende gronden hebben de bestemming 'Bedrijventerrein'. Op basis van de planregels zijn de gronden voornamelijk bestemd voor lichte industrie, groothandel-, reparatie-, verhuur-, bouwnijverheid-, en installatiebedrijven en dienstverlenende bedrijven die wat betreft geur, stof, geluid en gevaar toelaatbaar zijn op een afstand van 30 m van aangrenzende woongebieden. Dit komt overeen met bedrijven uit de milieucategorie 1 en 2, danwel daarmee vergelijkbare bedrijven. Risicovolle inrichtingen en geluidszoneringsplichtige bedrijven zijn niet toegestaan.

1.3.2.6 Bestemmingsplan Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema)

Vooruitlopend op een eerder uitbreiding van Rollepaal in oostelijk richting is voor de realisatie van uitbreidingsplannen van het transportbedrijf Oegema het bestemmingsplan 'Dedemsvaart, Rollepaal (uitbreiding Oegema)' op 6 juni 2012 vastgesteld. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0010.jpg
 figuur 1.10 - uitsnede bestemmingsplan Dedemsvaart, RollepaalOmgevingsloket: Regels op de kaart

De gronden zijn in aansluiting op het naastgelegen bedrijventerrein bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 3.2 tot en met 4.2. Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk en zelfstandige kantoren.

1.3.2.7 Bestemmingsplan Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte

Ten behoeve van de daaropvolgende uitbreiding van Rollepaal is het bestemmingsplan Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte' op 2 juli 2013 vastgesteld.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0011.jpg
figuur 1.11 - uitsnede bestemmingsplan Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelteOmgevingsloket: Regels op de kaart

Met de wijze van bestemmen is aangesloten op het aansluitende bestemmingsplan Dedemsvaart. De gronden zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 2 tot en met 3.2.

Bedrijven die vallen onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van meer dan 10.000 kg consumentenvuurwerk en zelfstandige kantoren.

Als gevolg van het voorliggende bestemmingsplan is de geluidzone - industrielawaai in oostelijke richting uitgebreid. De uitbreiding van de geluidzone is onder andere vastgelegd in het bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (zie paragraaf 1.3.2.1).

1.3.2.8 Bestemmingsplan Rollepaal Oost, omgeving Schuttewijk

De gronden ter hoogte van de Schutwijk zijn bestemd in het bestemmingsplan 'Rollepaal Oost, omgeving Schutwijk', zoals dat is vastgesteld op 15 september 2015. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0012.jpg
figuur 1.12 - uitsnede bestemmingsplan Rollepaal, omgeving SchutwijkOmgevingsloket: Regels op de kaart
1.3.2.9 Bestemmingsplan Rollepaal, Langewijk 135 Dedemsvaart

Aan de noordzijde van het bedrijventerrein, ter hoogte van Langewijk 135 zijn de gronden bestemd in het bestemmingsplan 'Rollepaal, Langewijk 135 Dedemsvaart', zoals dat is vastgesteld op 23 maart 2021. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0013.jpg
figuur 1.13 - uitsnede bestemmingsplan Rollepaal, Langewijk 135 DedemsvaartOmgevingsloket: Regels op de kaart

Het bestemmingsplan zag toe op de uitbreiding van de aanwezige pluimveeslachterij. De betreffende gronden zijn bestemd als 'Bedrijventerrein'. Door middel van functie-aanduidingen worden op de verbeelding de maximaal toegestane milieucategorieën van de bedrijven vastgelegd, variërend van maximaal 3.1 tot en met 3.2. De gronden zijn op de verbeelding aangeduid als 'specifieke vorm van bedrijventerrein - pluimveeslachterij'. In de planregels is vastgelegd dat de gronden tevens bestemd zijn voor een pluimveeslachterij, inclusief het verwerken en verpakken van vlees, met een productiecapaciteit van maximaal 190.944 ton vlees per jaar.

Risicovolle inrichtingen, geluidzoneringsplichtige inrichtingen en m.e.r.-plichtige en m.e.r.-beoordelingsplichtige inrichtingen zijn niet toegestaan. Evenmin zijn bedrijven toegestaan die gericht zijn op het vervaardigen en/of de opslag van consumentenvuurwerk.

1.3.2.10 Overige plannen

Bestemmingsplan Facet herziening parkeren Hardenberg

Voor alle geldende bestemmingsplannen binnen het grondgebied van de gemeente Hardenberg is op 17 juli 2018 het bestemmingsplan 'Facetherziening parkeren Hardenberg' vastgesteld. Met het bestemmingsplan zijn de regels op het gebied van parkeren gewijzigd voor alle bestemmingsplannen in de gemeente.

In de planregels is een parkeerregeling opgenomen waardoor de gemeente de mogelijkheid heeft binnen een bestemming te toetsen op parkeergelegenheid en laad- en losmogelijkheden. Op deze wijze kunnen problemen in de openbare ruimte worden voorkomen. De regeling biedt ook een afwijkingsmogelijkheid waarmee maatwerk kan worden geleverd.

Bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische bedrijven

Ten behoeve van de agrarische bedrijven in het buitengebied is het bestemmingsplan 'Buitengebied Hardenberg, Kleine windturbines bij Agrarische Bedrijven' op 21 juni 2022 vastgesteld. Het bestemmingsplan beoogd de bestaande mogelijkheid van kleine windturbines bij agrarische bouwpercelen in het buitengebied te verruimen.

Omgevingsvergunning Tijdelijke uitbreiding Oegema Transport, Dedemsvaart

Vooruitlopend op de voorbereiding van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is voor een van de bestaande bedrijven op het bedrijventerrein Rollepaal Oost tijdelijk vergunning verleend voor het gebruik van aansluiten gronden voor de opslag van kabelhaspels, het plaatsen van lichtmasten en het aanbrengen van een grondwal. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0014.jpg
figuur 1.14 - situering projectgebied Omgevingsvergunning Tijdelijke uitbreiding Oegema Transport, DedemsvaartOmgevingsloket: Regels op de kaart

De betreffende initiatiefnemer heeft plannen voor uitbreiding van de bestaande vestiging in Dedemsvaart. De voorliggende plannen voor de tijdelijke opslag van kabelhaspels lopen op deze structurele uitbreiding van het bedrijf en Rollepaal Oost vooruit. Het kan zijn dat onderhavige plannen niet één op één in het toekomstige plan voor Rollepaal Oost past. Met de initiatiefnemer is overeengekomen dat de situatie op dat moment met het definitieve plan en de bijbehorende ruimtelijke kwaliteitskaders in overeenstemming zal worden gebracht. Dit is opgenomen in de voorwaarden.

1.3.3 Verordeningen

Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan behoren ook de gemeentelijke archeologieverordening, de geurverordening en de verordening afvoer regen- en grondwater (of een Verordening fysieke leefomgeving, voor zover deze regels over voorgaande onderwerpen bevat), in het geval de gemeente een dergelijke verordening heeft vastgesteld.

Binnen de gemeente Hardenberg zijn een aantal verordeningen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan opgenomen. Het gaat daarbij om de

  • a.

    Aansluitverordening riolering;

  • b.

    Verordening geur - en veehouderij;

  • c.

    Erfgoedverordening.

Daarbij wordt opgemerkt dat zodra de gemeentebrede wijziging van het omgevingsplan in procedure gaat en is vastgesteld deze verordeningen, samen met andere verordeningen zoals de APV, deel uitmaken van het omgevingsplan.

1.3.4 Bodemfunctiekaart

De bodemkwaliteitskaart, bestaande uit een bodemfunctieklassenkaart, ontgravingskaart en toepassingskaart, is een door de gemeente vastgestelde kaart met daarop de bodemkwaliteit per gebied.

De gemeente Hardenberg heeft de bodemkwaliteitskaart en de bodemfunctieklassekaart opgenomen in de Nota bodembeheer Regio IJsselland 2023. Het plangebied Rollepaal Oost valt op de bodemkwaliteitskaart (ontgravingskaart en toepassingskaart) binnen de categorie 'Landbouw/Natuur (AW 2000). Op de bodemfunctieklassekaart liggen zowel het bestaande bedrijventerrein Rollepaal als het nieuwe bedrijventerrein Rollepaal Oost binnen het gebied met de functieklasse 'industrie'.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0015.jpg
figuur 1.15 - uitsnede bodemkwaliteitskaart of bodemfunctiekaartbron: https://nedglobe.cadac.com/web?tma=781

Dat betekent dat de beoogde kwaliteit van de grond in overeenstemming is met de beoogde functie.

1.3.5 De bruidsschat

In de bruidsschat zijn verschillende regels opgenomen die relevant kunnen zijn voor een nieuwe ontwikkeling. De bruidsschat bevat voorrangsbepalingen en overgangsrecht, regels over bouwwerken, open erven en terreinen, regels over milieubelastende activiteiten, regels over aanleggen of wijzigen van wegen of spoorwegen zonder geluidproductieplafond en regels over gemeentelijke omgevingsvergunningen.

 De regels van de bruidschat zijn met de inwerkingtreding van de Omgevingswet automatisch terecht gekomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, voornamelijk in hoofdstuk 22. Specifiek is de bruidsschat geregeld met de beoordelingsregel in artikel 22.29, eerste lid.

In het kader van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt nagegaan of en in hoeverre de regels uit de bruidsschat aangevuld moeten worden ten behoeve van de voorliggende ontwikkeling

1.4 Het omgevingsplan

Het voorliggende plan betreft een wijziging van het omgevingsplan gemeente Hardenberg. Deze wijziging van het omgevingsplan vervangt onder andere de geldende bestemmingsplannen binnen het gebied rondom Rollepaal, die vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3).

In het omgevingsplan worden de keuzes die de gemeente heeft gemaakt in de omgevingsvisie uitgewerkt in regels voor de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan ziet op het gehele gemeentelijk grondgebied en wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Het omgevingsplan bevat alle gemeentelijke regels op het terrein van de fysieke leefomgeving.

Er is geen afgebakende definitie van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet is aangegeven dat de fysieke leefomgeving in ieder geval bestaat uit bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Ook de gevolgen voor de fysieke leefomgeving en voor de mens kunnen deel uitmaken van een omgevingsplan. Daarbij kan worden gedacht aan emissies en hinder of risico, maar ook aan gezondheid en duurzaamheid.

In een omgevingsplan moet sprake zijn van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit wordt bereikt door regels aan activiteiten te stellen voor (een gedeelte van) het grondgebied en door functie-aanduidingen met de toegelaten activiteiten (met regels) te koppelen aan locaties. Bij de evenwichtige toedeling dient de gemeente rekening te houden met alle betrokken belangen.

De Omgevingswet gaat voor wat betreft het omgevingsplan in het algemeen uit van een andere filosofie dan het bestemmingsplan. In het kort: minder regels, meer loslaten en deregulering: vertrouwen als uitgangspunt, integratie van aspecten rondom de fysieke leefomgeving in één plan, meer ruimte voor afwegingen op gemeentelijk niveau, meer ruimte en flexibiliteit voor wenselijke ontwikkelingen en het waarborgen van omgevingskwaliteit.

Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die veelal nopen tot het vooraf toetsen van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. De gemeenteraad zal hier met de vaststelling van een omgevingsplan rekening mee moeten houden.

De gemeenteraad heeft hierbij, met inachtneming van de hierna te benoemen algemene rijksregels en regels van de provincie, een zekere beleidsruimte.

De regels van het omgevingsplan zijn voor een ieder juridisch bindend. Wanneer iemand een activiteit wil verrichten die invloed heeft of kan hebben op de fysieke leefomgeving, wordt de aanvraag voor die activiteit getoetst aan de regels van het omgevingsplan.

Het omgevingsplan heeft een ruime reikwijdte. Het beslaat alle aspecten van de fysieke leefomgeving. Het omgevingsplan borgt het beleid ten aanzien van de fysieke leefomgeving in juridische regels, dat in de omgevingsvisie, een programma of in een ander document is vastgesteld.

Activiteiten die getoetst worden aan het omgevingsplan bestaan bijvoorbeeld uit bouwen, slopen, kappen, aanleggen, houden van evenementen, maken van in-/uitritten, het voeren van een bedrijf of de gemeentelijke monumentenactiviteit.

Burgemeester en wethouders houden op basis van de regels van het omgevingsplan toezicht en kunnen handhavend optreden. In het omgevingsplan wordt bepaald of een omgevingsvergunning nodig is voor bepaalde activiteiten. Gemeenten kunnen voor die activiteiten ook een melding verlangen of informatie vragen over de activiteit. Activiteiten kunnen ook worden verboden.

1.5 Mer-plicht

1.5.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet is een plan mer-plichtig wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarbij een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het  planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende redelijke alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

1.5.2 Kaderstellend

Uit bijlage V van het Omgevingsbesluit blijkt dat bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen (categorie J10) een mer-beoordelingsplicht geldt bij het vaststellen van een Omgevingsplan als besluit.

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost biedt kaders voor de te vestigen 'zwaardere' bedrijven en geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Dergelijke bedrijven kunnen mer-(beoordelings)plichtig zijn bij de aanvraag voor omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op basis van de categorieën onder C t/m H van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is daarom sprake van een kaderstellend plan voor een mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Om deze reden ontstaat er een plan-mer-plicht.

1.5.3 Passende beoordeling

Ook kan een plan-mer-plicht ontstaan indien een Passende Beoordeling in het kader van de Omgevingswet nodig is. Dit is noodzakelijk wanneer significante negatieve effecten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Daarvoor is in een eerste planstadium, bij de NRD een voortoets (met stikstofberekeningen) opgesteld om te beoordelen of een Passende Beoordeling nodig is. Op basis van de eerste globale stikstofberekeningen bleek al dat het project passend beoordeeld moet worden.

1.6 De bij het besluit horende stukken

  • a.

    motivering met diverse (onderzoeks)bijlagen, BKP en planMER;

  • b.

    planregels met bijbehorende geografische werkingsgebieden (geografische informatie-objecten: GIO's);

  • c.

    artikelsgewijze toelichting.

1.7 Leeswijzer

De opbouw van de voorliggende motivering is als volgt:

  • a.

    In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. De huidige situatie wordt beschreven aan de hand van het bestaande gebruik en aanwezige bebouwing in het projectgebied. De toekomstige situatie beschrijft de beoogde uitbreidingplannen voor Rollepaal Oost.

  • b.

    In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader geschetst en worden de instructieregels benoemd die relevant zijn voor Rollepaal Oost.

  • c.

    In de hoofdstukken 4, 5, 6, 7, 8 en 9 worden de voorliggende plannen getoetst aan de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving.

  • d.

    Hoofdstuk 10 bevat een beknopte samenvatting van het MER dat tegelijkertijd met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan in procedure wordt gebracht.

  • e.

    In hoofdstuk 11 wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van de beoogde ontwikkeling.

  • f.

    Tot slot wordt in hoofdstuk 12 beoordeeld of sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)'.

2 Wijziging van de fysieke leefomgeving

2.1 Huidige situatie

2.1.1 Rollepaal en omgeving

Dedemsvaart ligt in het westen van de gemeente Hardenberg. Dedemsvaart is vernoemd naar de Baron van Dedem die begin 1800 een kanaal liet graven voor het vervoer van turf: Dedemsvaart. Ter hoogte van de scherpe knik in het verloop van het kanaal is de kern Dedemsvaart ontstaan. In de loop van de twintigste eeuw heeft de kern Dedemsvaart zich langs de Hoofdvaart (voorheen Dedemsvaart) en de parallel gelegen Langewijk ontwikkeld. Over een tweetal zandruggen liepen de routers tussen de Hoofdvaart en de Langewijk, waarlangs de bebouwing ontstond. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0016.jpg
figuur 2.1 - ligging van het bedrijventerrein Rollepaal ten opzichte van DedemsvaartRho basisviewer

Ten zuiden van Dedemsvaart ligt het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijventerrein ontleent zijn naam aan de rol- of draaipaal die sinds een lange tijd ter hoogte van Schutwijk staat. Voor trekschuiten vormde bochten in een kanaal, vaart of sloot een probleem voor de scheepsjager. Een rollepaal zorgde ervoor dat de trekschuit de draai kon maken zonder dat de treklijn het overige verkeer op de wal hinderde of dat de trekschuit in de oever werd getrokken.

Ten zuidoosten van de kern Dedemsvaart is het bedrijventerrein Rollepaal tot ontwikkeling gekomen. Samen met Moerwijk is Rollepaal een van de belangrijke bedrijventerreinen van Dedemsvaart. Het bedrijventerrein Rollepaal heeft zich in de loop van de jaren in zuidelijke richting ontwikkeld. Het oudste gedeelte van het bedrijventerrein Rollepaal ligt tussen de Moerheimstraat en de Langewijk (Rollepaal Noord). Later is Rollepaal Zuid (ten zuiden van de vaart) tot stand gekomen en is ook Rollepaal West ontwikkeld. De afgelopen decennia is Rollepaal in oostelijke richting ontwikkeld.

Op het bedrijventerrein Rollepaal bevinden zich met name lokale bedrijven uit Hardenberg. Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal kan worden gekenmerkt als een gemengd bedrijventerrein met een mix van grootschalige en kleinschalige bedrijven. De aanwezige bedrijven zijn met name productiebedrijven, transport en logistiek en groothandel. Op het bedrijventerrein Rollepaal zijn circa 12 woningen aanwezig binnen de daarvoor bestemde woongebieden. Langs de Moerheimstraat bevinden zich naast reguliere burgerwoningen ook enkele woon-/werkkavels.

Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is medio 1993 aangemerkt als een geluidgezoneerd industrieterrein. Op grond van het bestemmingsplan 'Rollepaal Oost, zuidelijke gedeelte' (zie paragraaf 1.3.2.7) is de geluidzone in oostelijke richting uitgebreid (zie verder paragraaf 5.2).

 Nabij het plangebied bevindt zich de N377 die bereikbaar is vanaf het bedrijventerrein. Via de N377 en de N48 zijn de A28 en de A37 snel bereikbaar.

2.1.2 Rollepaal Oost

Het gebied ten oosten van het bestaande bedrijventerrein bevindt zich in het buitengebied. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en wordt het gebruikt als agrarisch landbouwgrond. Op de betreffende percelen wordt afwisselend aardappelen, bieten, winterpeen en haver verbouwd (bron: www.boerenbunder.nl). Zoals uit navolgende figuur blijkt is het een open gebied, gelegen in een open veenontginningslandschap, met een kenmerkende smalle noord-zuidverkaveling (noordwest-zuidoost om precies te zijn).

Inmiddels is aansluitend aan het bedrijfsperceel van het transportbedrijf een deel van de gronden (tijdelijk) in gebruik voor de opslag van kabels.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0017.jpg
figuur 2.2 - bestaande situatie anno 2023Cyclomedia

Ten noorden bevinden zich woningen en lichtere bedrijven aan de Rheezerend. Aan de oost- en zuidkant van het plangebied zijn agrarische gronden met woningen gelegen. Aan de Woudbloemweg 8 ten zuidoosten van het plangebied is een (online) groothandel in agrarische materialen inclusief (bedrijfs)woning gesitueerd.

2.2 Gewenste situatie

Algemeen

De nieuwe uitbreiding Rollepaal Oost beslaat drie deelgebieden (zie navolgende figuur):

  • a.

    deelgebied 1a: circa 9 hectare;

  • b.

    deelgebied 1b: circa 10 hectare;

  • c.

    deelgebied 2: circa 10 hectare.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0018.jpg
 figuur 2.3 - uitbreiding Rollepaal Oost met deelgebieden

 De totale omvang van Rollepaal Oost is daarmee circa 29 hectare bruto, de netto uitgeefbare oppervlakte bedraagt ongeveer 21 hectare. De gronden zijn inmiddels verworven en in eigendom van de gemeente Hardenberg.

2.2.1 Oostelijke uitbreiding
2.2.1.1 Het gebruik

Het planvoornemen gaat uit van uitbreiding van het bedrijventerrein met 21 hectare netto en 29 hectare bruto. De uitbreiding is bedoeld voor (zware) bedrijvigheid (vergelijkbaar met milieucategorie 2 tot en met 4.2), waarbij maatregelen worden getroffen om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Lichtere en qua omvang kleinere bedrijven worden in het noordoostelijke deel van Rollepaal Oost geplaatst. Zwaardere en grotere bedrijven in het zuidoostelijke deel verder van de bestaande woningen vandaan.

Naast de normale bedrijvigheid, worden onder andere de uitbreiding van het verdeelstation TenneT/Enexis, een waterstof-tankstation en ondersteunende voorzieningen mogelijk gemaakt. Detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen worden op Rollepaal Oost niet toegestaan.

Daarnaast is het van belang dat het terrein zo wordt ingericht dat werknemers en bewoners van Dedemsvaart er goed kunnen verblijven. Aan de noord- en oostzijde wordt een grondwal gerealiseerd.

De bestaande geluidzone industrielawaai rondom Rollepaal wordt verruimd, omdat de huidige zonecontour binnen de uitbreidingslocatie ligt. Vanuit de gemeenteraad is in 2021 bij de aankoop van de gronden een motie aangenomen (zie bijlage 1) waarin het college wordt aangegeven dat het uitgangspunt is 'dat overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk voorkomen moet worden'. Daarbij moeten voorzieningen getroffen worden, zoals bijvoorbeeld een geluidswal met beplanting, die de toekomstige uitbreiding aan het zicht zullen onttrekken, veel geluid- en lichthinder kunnen wegnemen maar wel landschappelijk inpasbaar zijn. Per nieuwe bedrijfskavel wordt de ruimte voor geluid en geur vastgesteld; hoe groter de afstand tot gevoelige gebouwen/locaties, hoe meer gebruiksruimte de kavel heeft.

Het perceel Schutwijk 2 is door de gemeente aangekocht. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt, naast de bedrijfswoonactiviteit, het in werking hebben van een bedrijf en het gebruik als kantoor op deze locatie toegestaan.

2.2.1.2 Locatiekeuze

De ontwikkeling van een bedrijventerrein voor zwaardere bedrijvigheid is niet mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie aangezien de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt. Uit de behoefteraming van bedrijventerreinen en de laddertoets (zie paragraaf 7.2) blijkt dat er voldoende vraag is naar de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal. Daarnaast is de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal goedgekeurd in de programmeringsafspraken tussen provincie en gemeenten. Er is derhalve geen ander locatiealternatief voor een nieuw bedrijventerrein onderzocht binnen Dedemsvaart. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht.

 De uitbreiding van het bedrijventerrein kan in oostelijke of zuidelijke richting plaatsvinden. Uitbreiding in noordelijke en westelijke richting is niet mogelijk vanwege de aanwezige woonwijk daar en de kleinere afstand tot de kern.

Het is qua landschappelijke structuren en huidig gebruik logisch om het bedrijventerrein Rollepaal richting het oosten uit te breiden, de uitbreidingen de afgelopen jaren hebben ook reeds in oostelijke richting plaatsgevonden. Dit is in lijn met de Structuurvisie Dedemsvaart uit 2006, waar de uitbreiding van Rollepaal in oostelijke richting reeds is voorzien. Deze lijn is bestendigd in de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg in 2021. Nadat de raad op 7 december 2021 heeft besloten om de benodigde gronden aan de oostzijde van Rollepaal aan te kopen is er sprake van grondpositie aan de oostzijde.

 Een andere reden om het bedrijventerrein richting het oosten uit te breiden is de aanwezigheid en gewenste uitbreiding het verdeelstation van TenneT. De aanwezigheid van een verdeelstation op korte afstand biedt een gunstige positie ten aanzien van het (terug)leveren van (zonne)energie.

Een essentiële randvoorwaarde voor de realisatie van een nieuw hoogspanningsstation is dat dit binnen een straal van 500 meter van het bestaande station wordt gesitueerd. Indien deze afstand wordt overschreden, zou dit de bouw van twee afzonderlijke stations vereisen, wat leidt tot een grotere ruimtelijke claim, hogere kosten en een toename van milieueffecten. Binnen deze 500-meterzone zijn potentiële locaties onderzocht door TenneT, Enexis en de gemeente Hardenberg. De beoordeling van deze locaties is uitgevoerd op basis van drie criteria: de effecten op de omgeving, de technische haalbaarheid en de planologische inpasbaarheid. De mogelijke milieueffecten van een hoogspanningsstation omvatten onder andere magneetveldzones, geluidshinder en lichthinder. In totaal zijn vier locaties in de afweging betrokken, waarvan drie op Rollepaal Oost.

De voor- en nadelen van de verschillende locaties zijn beschreven in de Aanvulling MER, opgenomen als bijlage 7 bij deze motivering. Uit deze afweging blijkt dat de voorliggende locatie op Rollepaal Oost de beste combinatie biedt van technische uitvoerbaarheid, ruimtelijke inpassing en beperkte milieueffecten.

 Uitbreiding richting het zuiden (overstap over de Woudbloemweg) is ook globaal verkend. De uitbreiding in zuidelijke richting zorgt voor een grotere afstand tot gehinderden (woningen), waardoor sprake kan zijn van een lagere geur-, licht- en geluidsbelasting. Wel kent de uitbreiding in zuidelijke richting andere belemmeringen.

Een van de belemmeringen is de aanwezigheid van vijf hogedruk gasleidingen, dat bemoeilijkt de uitgifte van (grote) kavels zowel ruimtelijk als financieel. De realisatie van een bedrijventerrein op korte afstand van deze gasleidingen leidt tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de veiligheidscontouren en veiligheidsvoorschriften, zoals vluchtroutes van de bron af, die de ontwikkelingsmogelijkheden beperken en ook leiden tot de eis dat aan de zuidzijde van het industrieterrein een extra ontsluiting wordt gerealiseerd.

Ook landschappelijk gezien zijn er nadelen aan deze zuidelijke locatie; de Woudbloemweg vormt nu een heldere en harde grens tussen de bebouwing en het landschap ten zuidoosten van Dedemsvaart. Door het benutten van de gronden ten zuiden van de Woudbloemweg is er geen sprake meer van een duidelijke begrenzing. Daarnaast wordt het landschap ten zuidoosten van de Woudbloemweg gekenmerkt door enorme openheid en zullen zichtlijnen verdwijnen of verkort worden. De uitbreiding aan zuidzijde vormt een soort uitstulping waardoor er minder sprake is van compact bouwen.

Bij een zuidelijke uitbreiding is verlegging en opwaardering van de Woudbloemweg als agrarische ontsluitingsweg noodzakelijk.

De gemeente heeft bovendien geen grondposities in zuidelijke richting waardoor de (financiële) haalbaarheid van de ontwikkeling in het geding komt en de uitbreiding in zuidelijke richting geen realistisch uitvoerbaar alternatief is.

 Op grond van bovenstaande heeft uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie).

 De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost heeft de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied. De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal met Rollepaal Oost wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk gemaakt en geborgd.

2.2.1.3 Uitgangspunten ontwikkeling

Zoals in de m.e.r.-rapportage is opgenomen gelden vanuit de gemeente Hardenberg en provincie Overijssel uitgangspunten/randvoorwaarden voor de uitbreiding. Uit de programmeringsafspraken met de provincie (zie paragraaf 3.5.3) volgt dat aan de goedkeuring van de uitbreiding van het bedrijventerrein voorwaarden zijn gekoppeld waaronder het realiseren van een toekomstbestendig bedrijventerrein, waarbij de aspecten water en bodem sturend zijn. Bovendien heeft de provincie kwalitatieve ambities benoemd voor een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van bedrijventerreinen.

Vanuit de gemeenteraad is in 2021 bij de aankoop van de gronden een motie aangenomen (zie paragraaf 3.6.9) waarin het college wordt gevraagd om na aankoop te onderzoeken welke landschappelijk inpasbare voorzieningen getroffen dienen te worden, waardoor de gehele uitbreiding fase 1 en 2 aan het zicht wordt onttrokken. De uitbreiding van het bedrijventerrein mag voor de omwonenden niet leiden tot nieuwe geluidsoverlast.

Inrichting en ontsluiting

  • a.

    Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer in westelijke richting ontsloten via een aansluiting nabij het kruispunt Rollepaal, Schutwijk en Moerheimstraat. Het verkeer wordt voornamelijk in noordelijke richting afgewikkeld op de N377 Coevorderweg.

  • b.

    Het is van belang dat een veilig en aantrekkelijk netwerk voor langzaam verkeer wordt gerealiseerd dat aansluit bij het bestaande netwerk langs Rollepaal.

  • c.

    De infrastructuur wordt klimaatbestendig ingericht waarbij gebruik wordt gemaakt van wadi's en groenstructuren. Door het realiseren van vrijliggende fiets- en/of voetpaden met een klimaatbestendige inrichting wordt het gebied aantrekkelijk gemaakt voor (recreatief) wandelen tijdens de lunch.

  • d.

    De verkaveling van het terrein maakt gebruik van bestaande structuren zoals sloten en beplanting die de landschappelijke structuur benadrukt.

  • e.

    Het is vanuit de motie van de gemeenteraad (zie paragraaf 3.6.9) de wens om het terrein dusdanig in te passen dat Rollepaal Oost vanaf de zichtlijnen noord, oost en zuidoost niet zichtbaar is voor de omgeving.

  • f.

    In het gebied wordt rekening gehouden met een benodigd percentage oppervlaktewater van 10% ten opzichte van het totale gebied. Hierbij wordt rekening gehouden met de benodigde taluds van minimaal 2:3 voor sloten en 1:3 voor waterpartijen. Deze regenwateropvang en retentie sluit aan bij de bestaande waterstructuur van Rollepaal Oost.

Duurzaamheid

  • a.

    Op Rollepaal Oost moet het mogelijk zijn om in de toekomst een waterstof-tankstation te realiseren. De haalbaarheid en de locatie is in dit stadium nog niet exact bekend. Het is in het MER onderzocht, maar nog niet opgenomen in het omgevingsplan.

  • b.

    Het bedrijventerrein moet passen binnen de huidige wettelijke en beleidskaders. Dit betekent ook dat het belangrijk is om zoveel mogelijk energieneutraal te ontwerpen.

  • c.

    Hiervoor wordt in het omgevingsplan uitgegaan van het zoveel mogelijk toepassen van zonnepanelen voor duurzame opwek van energie, maar ook de mogelijkheid voor individuele windmolens en warmtekoude-opslag per bedrijfskavel worden in het planvoornemen verkend.

  • d.

    De gemeente werkt in overleg met ondernemers en omwonenden aan een duurzaamheidsvisie.

 Grondwal

  • a.

    Aan de noord- en oostzijde wordt een grondwal gerealiseerd van minimaal 3 meter hoog, voorzien van opgaand groen. De wal zal deels worden gerealiseerd met gebiedseigen grond, waarbij eerst de grond wordt ingezet die vrijkomt bij de aanleg van het openbaar gebied en vervolgens gronden die vrijkomen bij de bouw van bedrijfspanden.

  • b.

    Er wordt voor de realisatie van het totale terrein zoveel mogelijk gestreefd naar een gesloten grondbalans.

  • c.

    Het doel van de grondwal is het zicht vanuit woningen op het bedrijventerrein te minimaliseren en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing.

 Gebruik

  • a.

    Het planvoornemen gaat uit van uitbreiding van het bedrijventerrein met 21 hectare netto en 29 hectare bruto:

    • 1.

      De uitbreiding is bedoeld voor bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 2 tot en met 4.2.

    • 2.

      Naast deze bedrijvigheid wordt ruimte geboden voor een mogelijk (waterstof)tankstation en de uitbreiding van verdeelstation Enexis/TenneT met 3,4 hectare.

    • 3.

      Horeca, detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen zijn niet toegestaan.

  • b.

    Het uitgangspunt voor uitbreiding blijft net als bij eerdere procedures dat alle nieuwe bedrijven moeten passen binnen de vastgestelde geluidzone (groene contour in navolgende figuur): de gezamenlijke geluidbelasting van alle bedrijven mag hier niet hoger zijn van 50 dB(A) etmaalwaarde op 5 meter hoogte. Uit navolgende figuur blijkt echter dat dit op voorhand niet mogelijk is: de uitbreiding is gedeeltelijk gelegen buiten de zone. Om deze reden zal de geluidzone zodanig aangepast moeten worden dat de gewenste uitbreiding binnen de contour valt.

    Daarom wordt dit uitgangspunt genuanceerd naar: de geluidzone mag ter plaatse van de woongebieden aan de noord- en westzijde in principe niet uitbreiden.

    i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0019.jpg
    figuur 2.4 - ligging geluidzone (groene contour), ligging Rollepaal Oost (rode contour)
  • c.

    De bestaande geluidzone rondom Rollepaal wordt zodanig verruimd dat de hele uitbreiding binnen de zone past, er geluidruimte beschikbaar is voor nieuwe bedrijven maar de geluidzone nergens over nieuwe woningen valt. Hierbij zijn twee aandachtspunten van belang als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

    • 1.

      Onder de Omgevingswet wordt de systematiek van geluidzones vervangen door een systeem met geluidproductieplafonds (hierna gpp's): in plaats van een contour worden geluidniveaus op vaste referentiepunten vastgelegd en gehandhaafd. Bij eerste omzetting is dit een beleidsneutrale omzetting, dat betekent dat er geen wijziging is van de toegelaten hoeveelheid geluid. Gemeenten krijgen tot 31 december 2031 de tijd voor deze omzetting. Omdat de huidige zone moet worden aangepast en voor de nieuwe situatie onder de Omgevingswet gebruikgemaakt moet worden van de nieuwe systematiek met gpp's, is ervoor gekozen de huidige zone nu reeds beleidsneutraal om te zetten in gpp's.

    • 2.

      De VNG adviseert om onder de Omgevingswet geen gebruik meer te maken van de milieucategorieën die met de publicatie Bedrijven en Milieuzonering zijn geïntroduceerd. In plaats daarvan stimuleert de VNG om gebruik te maken van planregels waarmee een flexibele manier van toelaten van gebruiksactiviteiten op grond van milieugebruiksruimte wordt gebruikt. Deze systematiek sluit goed aan op de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Bkl, op grond waarvan met planregels moet worden geborgd dat aan de gpp's wordt voldaan. Met deze methode kan de totale geluidruimte voor het industrieterrein die met de gpp's wordt begrensd, onder alle bestaande en toekomstige bedrijven op het industrieterrein verdeeld. In de wijziging van het omgevingsplan wordt hierbij de systematiek van de VNG publicatie Activiteiten en Milieuzonering gevolgd en wordt - naast de geluidruimte - ook de geurgebruiksruimte van de bedrijven op het industrieterrein met planregels begrensd.

2.2.1.4 Stedenbouwkundig plan

Ten behoeve van de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn een stedenbouwkundig plan, een inrichtingsplan openbare ruimte (IOR) en een beeldkwaliteitplan (BKP) voor Rollepaal Oost opgesteld. Het stedenbouwkundig ontwerp dient als vertrekpunt voor het beeldkwaliteitplan, het inrichtingsplan voor de openbare ruimte en voor de ruimtelijke procedure. De notitie 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' is, samen met het bijbehorende ‘bijlageboek’, opgenomen in de voorliggende motivering. 

Ruimtelijke analyse

Op basis van een analyse van het plangebied en de ruimtelijk relevante context, zijn in het stedenbouwkundig plan de landschappelijke en stedenbouwkundige kaders voor de ontwikkeling in beeld gebracht.

In de analyse worden de volgende onderdelen inzichtelijk gemaakt:

  • a.

    de positionering van het plangebied aan de hand van de historische ontwikkeling. Daarbij zijn de cultuurhistorische elementen in beeld gebracht en is gekeken op welke wijze de planlocatie binnen de landschappelijke en stedenbouwkundige structuur is gepositioneerd;

  • b.

    een landschappelijke analyse van het plangebied in de directe context. Rollepaal Oost ligt binnen het open veenontginningslandschap dat gekenmerkt wordt door een open, grootschalig en rationeel landschap met gestrekte verkaveling. Structuurdragers zijn veelal watergangen als grotendeels gedempte kanalen, vaarten en wijken;

  • c.

    een stedenbouwkundige analyse van het plangebied in de directe context. In dit verband is gekeken naar de opbouw van de bodem, het aanwezige oppervlakte- en grondwater en het hoogteprofiel. 

Kernkwaliteiten en ontwerpuitgangspunten Rollepaal Oost

Op basis van de analyse zijn in het stedenbouwkundig plan de karakteristieken van Rollepaal Oost binnen het open veenontginningslandschap en de kenmerken van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal geformuleerd.

Op basis hiervan zijn de ontwerpuitgangspunten voor Rollepaal Oost geformuleerd, die het vertrekpunt vormen voor het stedenbouwkundig plan. Hierbij is gekeken naar:

  • a.

    de landschapsstructuur; welke structuurelementen uit het landschap zijn bepalend voor de stedenbouwkundige opzet van Rollepaal Oost;

  • b.

    het (vermijden van) zicht van en naar Rollepaal Oost. Daarbij is het toepassen van een grondwal aan de oost- en noordzijde van belang;

  • c.

    wat wordt de beleving van Rollepaal Oost voor de gebruikers en omwonenden;

  • d.

    op welke manier wordt bestaande en nieuw geplande groen ingepast;

  • e.

    de structurerende rol van water(berging) in het stedenbouwkundig ontwerp;

  • f.

    de interne en externe ontsluiting en bereikbaarheid voor het auto/vrachtverkeer en fietsers en wandelaars;

  • g.

    een goede verlichting, waarbij extra aandacht is voor het voorkomen van lichthinder.

 De belangrijkste ontwerpuitgangspunten worden in navolgende figuur samenvattend in beeld gebracht. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0020.jpg
figuur 2.5 - overzicht ontwerpuitgangspunten Rollepaal OostStedenbouwkundig plan

De stedenbouwkundige opzet is gebaseerd op de analyse, de kernkwaliteiten en ontwerpuitgangspunten zoals benoemd in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' en het bijbehorende ‘bijlagenboek’.

De hoofdstructuur, zoals schematisch weergegeven in het overzicht van de ontwerpuitgangspunten (zie figuur 2.5), is in het stedenbouwkundig plan nader uitgewerkt. Deze hoofdstructuur, met de noord(west)-zuid(oost) watergangen, de ontsluitingsweg (i.c. de zwarte doorgetrokken lijn), de fietspaden, de wandelpaden, de groenstructuren en de grondwal, worden in ieder geval uitgevoerd. Voor het overige is het ontwerp flexibel.

Stedenbouwkundig plan

In het stedenbouwkundig plan wordt inzichtelijk gemaakt op welke manier bedrijvigheid in het plangebied gerealiseerd kan worden. Het stedenbouwkundig plan dient als vertrekpunt voor het inrichtingsplan voor de openbare ruimte (zie paragraaf 2.2.1.5), het beeldkwaliteitsplan (zie paragraaf 7.4 en de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0021.jpg
figuur 2.6 - Stedenbouwkundig plan Rollepaal OostStedenbouwkundig plan

Flexibiliteit en verkaveling

Voor de invulling van de bedrijfskavels is voldoende flexibiliteit nodig. Er moeten kavels van verschillende maat kunnen worden uitgegeven zonder dat dit de uitgeefbaarheid in een volgende stap bemoeilijkt. De gekozen ontsluitingsstructuur biedt de mogelijkheden voor verschillende indelingen.

Voor de noordelijke kavel wordt rekening gehouden met de vestiging van een nieuw verdeelstation van Enexis/TenneT. Aan de westzijde wordt rekening gehouden met grotere kavels tot 5 hectare. Afhankelijk van de vraag van ondernemers kunnen aan de oostzijde van het plan kleinere (0,5 hectare) dan wel grotere kavels (5 hectare) worden uitgegeven.

Voor het gehele bedrijventerrein wordt uitgegaan van een bebouwingspercentage van 70%. Voor de bouwhoogte wordt in eerste instantie aangesloten op de bestaande maatvoering van het aansluitende deel van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0022.jpg
figuur 2.7 - Uitsnede stedenbouwkundig plan - deelgebieden A, B en CStedenbouwkundig plan

In de het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt daartoe uitgegaan van drie deelgebieden:

  • a.

    Voor deelgebied A geldt voor bedrijfsgebouwen een maximale bouwhoogte van 10 meter. Op deze wijze stoort deze bebouwing niet in het aanzicht vanuit het landschap.

  • b.

    Voor deelgebied B geldt, in aansluiting op de bestaande maatvoering, een bouwhoogte van 20 meter. Deze hoogte is voor logistieke bedrijven gangbaar. Waarbij geldt dat aan de zuidrand de bebouwing richting de Woudbloemweg wordt afgebouwd; over een breedte van ten minste 50 meter bedraagt de bouwhoogte maximaal 15 meter.

  • c.

    Voor deelgebied C wordt uitgegaan van een maximale bouwhoogte van 10 meter. De bescheiden bouwhoogte zorgt voor minder zicht vanuit het landschap op de bedrijfsbebouwing.

Groen en water

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0023.jpg
figuur 2.8 - uitsnede stedenbouwkundig plan - Groen en WaterStedenbouwkundig plan

In de openbare ruimte wordt in het stedenbouwkundig plan ruimte gereserveerd voor een aantrekkelijk gebied waardoor mogelijkheden ontstaan voor biodiversiteit/ ecologie. Zoals uit voorgaande figuur blijkt is voor het groen en water de hoofdstructuur in noord(west) - zuid(oost) richting georiënteerd. De nevenstructuur is in (zuid)oost - (noord)west richting. Aan de noord- en oostzijde bevindt zich een grondwal met opgaande beplanting. Aan de zuidzijde (ter hoogte van de Woudbloemweg) komt een brede, afschermende groensingel.

De grasbermen zijn minimaal 2 meter breed. In noord(west) - zuid(oost) richting wordt de hoofdroute begeleid door een bomenrij aan elke zijde van de weg. In (zuid)oost- (noord)west richting door een enkele bomenrij.

De watergangen zijn respectievelijk 10,5 en 6 meter breed, en hebben aan minimaal één zijde een flauw talud. Een uitzondering wordt gevormd door de watergangen rondom het noord(west)elijke perceel, waar de sloten smaller zijn vanwege ruimtegebrek.

Ter hoogte van de locatie voor het nieuwe verdeelstation van Enexis/TenneT wordt vanwege de veiligheid de watergang om de kavel heen gelegd. De bestaande watergang ter hoogte van de Woudbloemweg blijft behouden tussen de Woudbloemweg en de afschermende groensingel.

De uitgaande kabels worden, net als de andere benodigde leidingen, parallel aan de hoofdstructuur op ten minste 2,5 meter afstand van de boomstammen aangelegd onder elementenverharding (of in de teen van de grondwal).

In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' zijn diverse profielen opgenomen waaruit blijkt hoe de openbare ruimte zich verhoudt tot de hoogte van de bebouwing.

Infrastructuur

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0024.jpg
figuur 2.9 - uitsnede stedenbouwkundig plan - InfrastructuurStedenbouwkundig plan

Rollepaal Oost wordt ontsloten via één centrale hoofdweg die aan de noordwestzijde aansluit op Rollepaal ter hoogte van Schutwijk. Aan de zijde van de Woudbloemweg is sprake van een calamiteitenontsluiting. Deze calamiteitenontsluiting wordt formeel als een dubbele fietsverbinding uitgevoerd. Aan de oostzijde wordt voorzien in een ontsluitingsweg als extra lus.

De hoofdroute voor auto's en vrachtverkeer is 7 meter breed. Parallel aan deze auto-ontsluiting wordt in het stedenbouwkundig plan voorzien in een vrijliggende langzaamverkeersroute (tweerichtingsverkeer) voor zowel fietsers als wandelaars.

Over de grondwal komt een fiets- en een wandelroute. Aan de noordzijde is tussen de woningen aan het Rheezerend te weinig ruimte aanwezig voor een fietsverbinding. Daarbij sluit deze route niet goed aan op de fietsverbindingen op hoger schaalniveau: het is dan ook wenselijker om een noord-zuid fietsverbinding over het bestaande bedrijventerrein Rollepaal te laten lopen.

De fiets- en wandelroute over de grondwal zal deels aan de buitenzijde (landschapszijde) en deels aan de binnenzijde (zijde van het bedrijventerrein) van de wal worden gesitueerd. Het is daardoor mogelijk om een ommetje over het bedrijventerrein Rollepaal Oost te maken. In de verdere uitwerking van Rollepaal Oost zal deze route nader worden uitgewerkt.

De verwachting is dat de doorstroming en verkeersafwikkeling op het bedrijventerrein goed zal zijn. Door toepassing van gescheiden verkeersstromen is de verkeersveiligheid voldoende.

Representatieve zijde

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0025.jpg
figuur 2.10 - uitsnede stedenbouwkundig plan - representatieve zijdeStedenbouwkundig plan

Rollepaal Oost wordt een representatief bedrijventerrein, met veel groen en aandacht voor ruimtelijke kwaliteit. Dit betekent dat, naast de aandacht voor de openbare ruimte, er ook veel aandacht is voor de kavels. Het gaat dan met name om de zijden die aan de hoofdroute grenzen; de representatieve zijden.

De voorgevelrooilijn van de bedrijfsbebouwing bevindt zich op minimaal 5 meter afstand van de (voor)erfgrens. Buitenopslag bevindt zich achter de voorgevelrooilijn, bij voorkeur achter het pand.

Parkeren, ook voor bezoekers, bevindt zich op eigen terrein. Indien dit aan de voorzijde plaatsvindt, wordt deze 'ingepakt' in het groen (haag).

Om verstening te voorkomen is er per kavel in principe één inrit die zo smal mogelijk is (maximaal 10 meter breed). Voor grotere kavel (groter dan 3 hectare) zijn meer inritten toegestaan. De afstand tussen de inritten bedraagt ten minste 100 meter.

Om 'wandvorming' te voorkomen wordt er voldoende afstand aangehouden tussen de bebouwing van de verschillende kavels. Bij grote kavels wordt gewaakt voor te lange wandvorming aan de hoofdroute. Dit wordt verder uitgewerkt in de beeldkwaliteitseisen en de bijbehorende kavelpaspoorten (zie bijlage 2).

Zicht vanuit het landschap  

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0026.jpg
 figuur 2.11 - uitsnede stedenbouwkundig plan - zicht vanuit het landschapStedenbouwkundig plan

Ten zuiden en ten oosten van het plangebied ligt het buitengebied wat voor het grootste deel bestaat uit een open polderlandschap met een aantal woonerven. Om het uitzicht van deze woningen zo min mogelijk te verstoren wordt in het stedenbouwkundig plan ter afscherming voorzien in een grondwal. Lichthinder vanuit het bedrijventerrein dient vermeden te worden.

In het stedenbouwkundig plan wordt uitgegaan van een grondwal van 3 meter hoog. In combinatie met dichte, deels in de winter groenblijvende, bosschages is dit voldoende om lichtoverlast voldoende te beperken voor omwonenden. De wal wordt niet voorzien van een scherm, omdat dit voor een barrièrewerking zorgt voor fietsers, wandelaars en dieren.

2.2.1.5 Inrichting openbare ruimte (IOR)

De openbare ruimte op Rollepaal Oost wordt bepaald door de aanwezigheid van veel water en groen, door de strakke structuren en de brede groene rand van het bedrijventerrein. De bestaande waterstructuren in het gebied worden behouden.

In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' de vormgeving en materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht. Hier zal bij de verdere uitwerking rekening mee moeten worden gehouden.

2.2.1.6 Toegankelijkheid openbare ruimte

In het omgevingsplan is de toegankelijkheid van de openbare ruimte geregeld als onderdeel van de bredere fysieke leefomgeving. De openbare ruimten moeten toegankelijk zijn voor mensen met een beperking, zoals rolstoelgebruikers en slechtzienden. Dat betekent dat er gekeken dient te worden naar aspecten als minimale breedte van trottoirs, geleidelijnen voor blinden en slechtzienden, hoogteverschillen en drempels, inrichting van bushaltes en oversteekplaatsen, toegankelijke banken, verlichting en openbare toiletten.

Voor Rollepaal Oost geldt dat de fiets- en voetpaden vrijliggend en gelijkvloers worden uitgevoerd. De kruisingen met de wegen worden helder gemarkeerd. De fietspaden zijn door het materiaal- en kleurgebruik herkenbaar. De fiets- en wandelpaden over de grondwal worden uitgevoerd met een halfverharding, beiden met een eigen materialisering en kleur. De overgangen naar de paden op de grondwal zijn geleidelijk; er wordt niet voorzien in trappen.

In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' wordt in het onderdeel 'Inrichting Openbare Ruimte' verder ingegaan op de vormgeving en wordt de materiaalkeuze van deze openbare ruimte verder toegelicht.

2.2.1.7 Duurzaamheidsaspecten

Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn enkele duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal zijn, mede aan de hand van de provinciale kwalitatieve ambities en de gemeentelijke duurzaamheidsvisie, duurzaamheidsdoelstellingen opgesteld.

Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.

In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht.

Duurzame inrichting en klimaatadaptief ontwerp

Bij de inrichting van het bedrijventerrein wordt veel aandacht besteed aan een duurzame en groene omgeving. In het midden en aan de randen van het gebied wordt een groenstructuur gewaarborgd. Deze groenzone krijgt niet alleen een esthetische functie, maar dient ook als ruimte voor een langzaam verkeersroute. Aan de west- en zuidzijde worden twee entrees aangelegd die speciaal bedoeld zijn voor voetgangers en fietsers.

Om de impact van klimaatverandering op het terrein te beperken, wordt een sterke groen-blauwe structuur gerealiseerd door zoveel mogelijk groen toe te voegen en wadi’s aan te leggen. Dit draagt bij aan een klimaatadaptief ontwerp, wat noodzakelijk is in een tijd waarin we te maken hebben met extremere weersomstandigheden. Hevige stormen, intensievere regenval en periodes van droogte vragen om een doordachte inrichting van de leefomgeving.

Naast het opvangen van klimaatveranderingen heeft groen nog tal van andere voordelen. Door de aanplant van bomen, struiken, gevelgroen, bloemen en kruiden wordt niet alleen verkoeling gecreëerd in de stedelijke omgeving, maar wordt ook het energieverbruik teruggedrongen. Bovendien helpt groen bij de opname van CO2 en de productie van zuurstof. De vertraging van regenwaterafvoer draagt bij aan het voorkomen van wateroverlast, terwijl de biodiversiteit wordt bevorderd.

Tot slot heeft een groene omgeving een positief effect op de gezondheid en het welzijn van mensen. Het nodigt uit tot bewegen, vermindert stress en draagt bij aan een prettige werkomgeving. Door deze duurzame en natuurvriendelijke inrichting wordt het bedrijventerrein niet alleen toekomstbestendig, maar ook een aangename plek voor zowel mens als natuur.

Duurzaam beheren

In het BKP wordt parkmanagement als samenwerkingsverband voorgesteld om het beheer op het bedrijvenpark duurzaam te regelen. Hierbij wordt gedacht aan afvalstromen en hergebruik op het terrein, gebruik van grijs water en gezamenlijke inkoop van duurzame grondstoffen en producten.

Water na een hevige regenbui

Door klimaatverandering nemen hevige regenbuien en wateroverlast toe. Bij nieuwbouw ontstaat meer verhard oppervlak, waardoor water moeilijker weg kan. Om overlast te minimaliseren, kan waterberging worden geïntegreerd in openbaar groen en op kavels. Dit biedt tevens de kans om opgeslagen water te hergebruiken tijdens droogte. Zowel maatregelen in de openbare ruimte als op particuliere percelen spelen hierin een rol. De inrichting van terreinen, afwatering en het type dak (zoals grasdaken) beïnvloeden hoe water wordt opgevangen en afgevoerd.

Temperatuur op zomerse dagen

Door de aanleg van verharde wegen en meer bebouwing zal de temperatuur op zomerse dagen stijgen. Door de juiste keuzes te maken in het ontwerp kan dit effect geminimaliseerd worden, zoals het inpassen van groenstroken, bomen en water. Het is daarom belangrijk dat er genoeg groen en voldoende ruimte is voor water(berging). Ook het toepassen van halfverharding in plaats van volledig gesloten bestrating kan een bijdrage leveren.

Ophogen terrein

Het ophogen van een geheel bedrijventerrein is niet wenselijk. Hoewel water hier op zandgrond goed infiltreert, lijkt het voor de waterberging toch noodzakelijk het terrein in zijn geheel enigszins op te hogen. Uitgangspunt is dat er zo min mogelijk opgehoogd wordt.

Bedrijfskavels en duurzaam bouwen

In het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' worden de volgende uitgangspunten ter inspiratie benoemd:

  • a.

    voeg zoveel mogelijk beplanting toe op de kavel;

  • b.

    zet in op (zichtbare) duurzaamheidsmaatregelen, zoals groene gevels;

  • c.

    het toepassen van groene daken levert een bijdrage aan zowel biodiversiteit als aan wateropvang en -afvoer. Het kan ingezet worden voor watercompensatie;

  • d.

    door zoveel mogelijk toepassen van een open verharding op de ondergrond wordt het regenwater snel geabsorbeerd in de ondergrond;

  • e.

    het toepassen van zonnepanelen en andere duurzaamheidsmaatregelen, zoals bijvoorbeeld windwokkels, dragen bij aan een duurzame inrichting.

In de beeldkwaliteitseisen ten aanzien van gebouwen worden suggesties gedaan waar rekening mee gehouden kan worden. In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' is een en ander verder uitgewerkt en toegelicht.

2.2.2 Borgen geluidproductieplafond rondom Rollepaal

Het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is een industrieterrein in de zin van de Omgevingswet. Het in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bestemmingsplan Dedemsvaart (zie paragraaf 1.3.2) laat activiteiten toe die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Het is de bedoeling dat ook op de uitbreiding van dit industrieterrein met het gebiedsdeel Rollepaal Oost zulke activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken mogen plaatsvinden. Daarmee zal dus met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost ook de begrenzing van het industrieterrein veranderen.

Rond het bestaande industrieterrein geldt ook na het in werking treden van de Omgevingswet op 1 januari 2024 de geluidzone die op grond van de voormalige Wet geluidhinder is vastgesteld. Op grond van het overgangsrecht van de Omgevingswet blijft deze zone in stand totdat deze met een wijziging van het omgevingsplan wordt opgeheven en vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Dit systeem van geluidproductieplafonds komt met het in werking treden van de Omgevingswet in de plaats van het systeem van de geluidzone op grond van de voormalige Wet geluidhinder. De 'ouderwetse' geluidzone blijft op grond van het overgangsrecht in stand zolang er sprake is van een 'bestaand' industrieterrein.

De uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost maakt dat er geen sprake meer is van een 'bestaand industrieterrein'. Dit brengt met zich mee dat met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt, ook de 'ouderwetse' geluidzone moet worden vervangen door het systeem van geluidproductieplafonds. Ook deze omzetting wordt met deze wijziging van het omgevingsplan geregeld. In paragraaf 5.2 van deze motivering wordt dit nog verder toegelicht.

3 Beleidskader en instructieregels

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
3.1.1.1 Beleidskader

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 door de minister vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten:

  • a.

    ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie;

  • b.

    duurzaam economisch groeipotentieel;

  • c.

    sterke en gezonde steden en regio's;

  • d.

    toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • a.

    Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie

    Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, zoals zeespiegelstijging, hogere rivierafvoeren, wateroverlast en langere perioden van droogte. Nederland is in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt maatregelen in de leefomgeving, bijvoorbeeld voldoende groen en ruimte voor wateropslag in onze steden. Voordeel is dat daarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd wordt en het kansen biedt voor natuur.

    In 2050 heeft Nederland een duurzame energievoorziening. Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Wind op zee heeft de voorkeur, maar ook op land zijn windmolens nodig. Door deze zoveel mogelijk te clusteren, voorkomen we versnippering over het landschap en benutten we de ruimte zo efficiënt mogelijk. Voorwaarde is steeds dat bewoners echt goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en waar dat kan, meeprofiteren in de opbrengsten.

    De aanleg van zonneparken in het landschap moeten zoveel mogelijk worden beperkt. Het Rijk plaatst bij voorkeur eerst zoveel mogelijk zonnepanelen op daken en gevels. Het Rijk zet zich in voor het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • b.

    Duurzaam economisch groeipotentieel

    Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Dit vraagt goede verbindingen via weg, spoor, lucht, water en digitale netwerken en een nauwe samenwerking met onze internationale partners, zowel met onze directe buren als met andere landen in Europa en over de wereld, ook op defensieterrein. Ingezet wordt op een sterk en innovatief vestigingsklimaat met een goede quality of life: een leefomgeving die de inwoners volop voorzieningen biedt op het gebied van wonen, bewegen, recreëren, ontmoeten en ontspannen.

    Belangrijk is wel dat de economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. Daarbij wordt ingezet op het gebruik van duurzame energiebronnen en op verandering van productieprocessen, zodat we niet langer afhankelijk zijn van eindige, fossiele bronnen.

  • c.

    Sterke en gezonde steden en regio's

    Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Tegelijk willen we de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen verbeteren. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen. Daarbij hoort een uitstekende bereikbaarheid en toegankelijkheid, ook voor mensen met een handicap.

    Er wordt naar gestreefd dat de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid verder toeneemt. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • d.

    Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

    Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Dit levert ook een noodzakelijke positieve bijdrage aan het verbeteren van de biodiversiteit.

    Bodemdaling moet worden aangepakt. Verhoging van het waterpeil is in bepaalde veenweidegebieden op termijn noodzakelijk. Met de betrokken regio's en gebruikers wordt afgesproken waar en hoe dit zorgvuldig zal gebeuren. In alle gevallen wordt ingezet op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

3.1.1.2 Toetsing aan beleid

De voorgenomen ontwikkeling speelt in ieder geval in op het thema 'Duurzaam economisch groeipotentieel'. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen en (groot)winkelbedrijven moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven, en zo de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. In de volgende hoofdstukken van de voorliggende motivering en in het MER wordt hier nader op ingegaan.

3.1.1.2 Nationale Omgevingsvisie Extra (NOVEX)
3.1.2.1 Beleidskader

De NOVEX is een uitvoeringsprogramma van het Rijk dat gericht is op het versnellen en integreren van ruimtelijke opgaven in 17 aangewezen NOVEX-gebieden. Hoewel Hardenberg geen NOVEX-gebied is, zijn de uitgangspunten van NOVEX ook relevant voor andere regio?s, zeker bij majeure ruimtelijke ingrepen zoals de uitbreiding van bedrijventerreinen.

NOVEX benadrukt voor bedrijventerreinen de volgende uitgangspunten:

  • a.

    ruimtelijke integratie van economische functies met andere maatschappelijke opgaven (zoals energie, klimaat, mobiliteit);

  • b.

    versnelling van planvorming door betere samenwerking tussen overheden;

  • c.

    gebruik van gebiedsgerichte aanpak en programmatische sturing;

  • d.

    ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid als randvoorwaarde voor uitbreiding.

Hoewel Dedemsvaart buiten de NOVEX-gebieden valt, kunnen de volgende NOVEX-principes beleidsmatig onderbouwend zijn:

  • a.

    gebiedsgericht werken: de uitbreiding moet passen binnen de regionale ontwikkelstrategie van Overijssel en de gemeentelijke omgevingsvisie van Hardenberg;

  • b.

    versnelling en afstemming: samenwerking met provincie, waterschap en netbeheerders is cruciaal voor tijdige realisatie;

  • c.

    ruimtelijke kwaliteit: de uitbreiding moet bijdragen aan een toekomstbestendig bedrijventerrein, met aandacht voor klimaatadaptatie, energie-infrastructuur en landschappelijke inpassing.

3.1.2.2 Toetsing aan beleid

Hoewel Dedemsvaart niet is aangewezen als een NOVEX-gebied is de uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart in lijn met NOVEX:

3.1.3 Nota Ruimte (ontwerp)
3.1.3.1 Beleidskader

De ontwerp-Nota Ruimte is de nieuwe Nationale Omgevingsvisie en vervangt de NOVI. Het document biedt richtinggevende kaders voor ruimtelijke ontwikkeling tot 2050 en is bindend voor het Rijk, richtinggevend voor andere overheden. De Nota hanteert een integrale benadering van maatschappelijke opgaven zoals economie, energie, klimaat, water, bodem en leefomgevingskwaliteit.

Relevantie voor bedrijventerreinen

Bedrijventerreinen worden in de Nota Ruimte erkend als essentieel voor:

  • a.

    werkgelegenheid en innovatie;

  • b.

    circulaire economie en energietransitie;

  • c.

    ruimtelijk-economisch vestigingsklimaat. 

Het Rijk zet in op de bescherming van bestaande terreinen, intensiever gebruik en op strategische uitbreiding, mits ruimtelijk zorgvuldig ingepast en afgestemd op regionale behoefte.

Regionale strategie: VISTA - Versterken

Dedemsvaart ligt in een regio met de VISTA-strategie ‘Versterken’. Dit betekent dat uitbreiding beleidsmatig verdedigbaar is indien:

  • a.

    er regionale economische vraag is en een tekort aan uitgeefbare kavels;

  • b.

    de uitbreiding bijdraagt aan circulaire bedrijvigheid, energie-infrastructuur en duurzame inrichting;

  • c.

    de locatie goed ontsloten is via bestaande infrastructuur (weg, spoor, energie);

  • d.

    er rekening wordt gehouden met het water- en bodemsysteem, klimaatadaptatie en milieuzonering.

Ruimtelijke principes

De Nota Ruimte hanteert drie leidende principes:

  • a.

    meervoudig ruimtegebruik: combineren van functies waar mogelijk;

  • b.

    gebiedskenmerken centraal: afstemmen op landschappelijke, ecologische en culturele waarden;

  • c.

    voorkomen van afwenteling: geen negatieve effecten op andere functies of toekomstige generaties.

3.1.3.2 Toetsing aan beleid

De uitbreiding van het bedrijventerrein in Dedemsvaart is in lijn met de ontwerp-Nota Ruimte:

3.1.4 Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie
3.1.4.1 Beleidskader

In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie staan alle projecten en maatregelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is ingevuld voor de komende zes jaar en voor de zes jaar daarna op hoofdlijnen. Het biedt ook een doorkijk tot 2050.

Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is onderdeel van het jaarlijkse Deltaprogramma. Hierin staat hoe gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk het proces van ruimtelijke adaptatie willen versnellen en intensiveren. Daarvoor zijn zeven ambities in dit deltaplan opgenomen. Het deltaplan geeft aan welke doelen de partijen nastreven, hoe ze daaraan gaan werken en hoe ze de resultaten in beeld brengen. Bij het deltaplan hoort een actieplan met concrete acties en maatregelen. De overheden werken met elkaar samen in 42 werkregio's.

3.1.4.2 Toetsing aan beleid

Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.

3.1.5 Algehele conclusie rijksbeleid

Het plan is niet in strijd met het Rijksbeleid.

3.2 Regels en instructieregels Rijk

3.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
3.2.1.1 Regels en instructieregels

In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en de decentrale overheden, waaronder de gemeente in het omgevingsplan. In het Bkl worden in hoofdstuk 5 instructieregels gegeven aan de gemeente voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

3.2.1.2 Toetsing aan regels

Algemeen

Ten behoeve van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de beoogde ontwikkeling getoetst aan de relevante instructie,- en beoordelingsregels uit het Bkl. Navolgend wordt een aantal van de relevante instructie- en beoordelingsregels beknopt weergegeven.

3.2.1.2.1 Dienstenrichtlijn

Een omgevingsplan dient te voldoen aan de Dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl). De Dienstenrichtlijn (Richtlijn 2006/123/EG) heeft tot doel het vrije verkeer van diensten op de interne markt te vergemakkelijken en stelt daartoe eisen aan de lidstaten. De Dienstenrichtlijn is van toepassing op diensten, hieronder valt bijvoorbeeld de vestiging van detailhandel, dienstverlening, horeca en kantoren.

De Dienstenrichtlijn stelt dat er niet zomaar nadere eisen kunnen worden gesteld aan diensten die zich mogen vestigen. Uit de ontwikkelde jurisprudentie is gebleken dat het stellen van eisen mogelijk is, maar dat deze eisen wel moeten worden onderbouwd volgens de systematiek van de Dienstenrichtlijn.

Dit is neergelegd in artikel 15 lid 3 van de Dienstenrichtlijn. Die bepaling luidt als volgt: 'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:

  • a.

    discriminatieverbod:

    de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;

  • b.

    noodzakelijkheid:

    de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;

  • c.

    evenredigheid:

    de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.

Toetsing aan de instructieregels

In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan zijn ten aanzien van diensten op Rollepaal Oost de volgende vestigingsbeperkingen opgenomen:

  • a.

    zakelijke dienstverlening wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt;

  • b.

    binnen de toegestane bedrijfsactiviteiten worden uitsluitend (ondergeschikte) kantoren toegestaan ten behoeve van de bedrijfsactiviteit;

  • c.

    zelfstandige horeca wordt op Rollepaal Oost niet mogelijk gemaakt;

  • d.

    ondergeschikte horeca ten dienste van een bedrijfsactiviteit wordt uitsluitend toegestaan gericht op het verstrekken van (eenvoudige) etenswaren en dranken aan de reguliere gebruikers van het bedrijf, zoals een kantine;

  • e.

    (grootschalige) detailhandel is op het bedrijventerrein niet mogelijk.

  • f.

    ondergeschikte detailhandel ten dienste van een bedrijfsactiviteit is wel mogelijk.

 Ad a. discriminatieverbod

Voor deze vestigingsbeperkingen is het discriminatieverbod niet aan de orde; de maatregel discrimineert niet naar nationaliteit of statutaire vestigingsplaats.

 Ad b. noodzakelijkheid

Vanuit het noodzakelijkheidscriterium volgt de eis dat een maatregel noodzakelijk moet zijn vanwege een dwingende reden van algemeen belang om de vestigingsbeperking op te leggen (het doel). Dit volgt doorgaans uit het vastgestelde beleid.

In Hardenberg is in dat opzicht de 'Omgevingsvisie Landstad Hardenberg' richtinggevend:

  • a.

    Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot in de regio. De sterk ontwikkelde agribusiness en industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie

  • b.

    Hardenberg streeft ernaar om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen om zo uit te kunnen groeien tot een van de werkgelegenheidsmotoren in Oost Nederland. Daarnaast wil Hardenberg ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio. In paragraaf 3.6 en 7.2 komt dit aan de orde.

  • c.

    Om ondernemers aan te trekken moet Hardenberg voortdurend aandacht hebben voor het aanbieden van een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Daarbij wordt uitgegaan van de eigen onderscheidende waarden, zoals beschikbare ruimte, speerpuntsectoren, kwalitatief goede maatschappelijke, culturele, commerciële en onderwijsvoorzieningen, een goede bereikbaarheid, aantrekkelijke omgeving en een doenersmentaliteit.

  • d.

    een vitaal centrumgebied in Hardenberg en Dedemsvaart

De omgevingsvisie is verder uitgewerkt in andere documenten, zoals opgenomen in paragraaf 3.6.

De omgevingsvisie en het beleid dat in andere documenten is opgenomen, wordt als volgt naar Rollepaal Oost vertaald:

Het is van belang dat de bestaande voorraad in Hardenberg blijft voldoen aan de eisen van de tijd. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Voor Rollepaal is het van belang om gronden primair beschikbaar te hebben voor bedrijvigheid. De uitbreiding Rollepaal Oost draagt bij als de bedrijvigheid wordt gecombineerd met dienstverlening, horeca en kantoren als ondersteuning hiervan en dus in beperkte omvang.

 Uit de Omgevingsvisie en vastgestelde bestemmingsplannen voor de centrumgebieden, de woonwijken en bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, blijkt dat Hardenberg de vitaliteit van de locaties van groot belang acht en daarin heldere keuzes maakt waar welke functies zijn toegestaan. Het gaat dan om enerzijds de binnenstad bedoeld voor dienstverlening en horeca en anderzijds bijvoorbeeld bedrijventerreinen en percelen langs hoofdroutes voor zelfstandige kantoren. Door deze zorgvuldige toedeling van functies aan gebieden en locaties behoudt Hardenberg een vitale en herkenbare stedelijke structuur. Dit wordt vertaald in het in beperkte mate en als ondergeschikt toestaan van dienstverlening, horeca en kantoren op Rollepaal Oost.

 Uit het voorgaande volgt dat het opnemen van de voorgestelde vestigingsbeperkingen in de regeling van het omgevingsplan noodzakelijk is.

 Ad c. evenredigheid

Uit het evenredigheidscriterium volgt dat een vestigingsbeperking als maatregel aan het volgende moet voldoen:

1. de maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken;

2. de maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast;

3. de maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken;

4. het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt.

 Ad 1. De maatregel is aantoonbaar geschikt en effectief om het doel te bereiken

  • a.

    Het opnemen van de vestigingsbeperkingen zoals die deel gaan uitmaken van de regeling in het omgevingsplan, is uitermate geschikt en effectief om het doel van om het concept van het businesspark te bereiken. Primair gaat het om vestiging van grootschalige bedrijvigheid. Dan is het logisch om de vestigingsmogelijkheden voor andere functies te beperken.

  • b.

    De paragrafen 3.6 en 7.2, bevatten hiervoor de onderbouwing met specifieke gegevens, zoals door de jurisprudentie vereist.

 Ad 2. De maatregel wordt coherent en systematisch nagestreefd/toegepast

  • a.

    In Hardenberg is het gebruikelijk dat bedrijventerreinen hoofdzakelijk voor bedrijvigheid worden bestemd. Tegelijkertijd wordt dit gecombineerd met het aanwijzen van bijvoorbeeld specifieke dienstverlenings- en kantoorlocaties binnen de bedrijventerreinen met als ruimtelijk motief de inpasbaarheid in de omgeving. Op de aangewezen locaties passen deze functies bij uitstek in de stedelijke structuur. Ook voor dienstverlenings- en kantoorlocaties elders in de stad, zoals in de binnenstad en op Haardijk, zorgt de gemeente voor een heldere stedelijke structuur. Horeca is toegestaan in het centrum van Hardenberg en Dedemsvaart en op enkele specifieke locaties.

  • b.

    In de bestemmingsregelingen voor bedrijventerreinen die deel uitmaken van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan is het binnen de gemeente gebruikelijk dat voor afwijkende functies een specifieke regeling is opgenomen. In het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Bruchterweg - Nieuwe Haven' bijvoorbeeld in artikel 3 Bedrijf, lid 1 voor zelfstandige kantoor- en detailhandelfuncties en maatschappelijke voorzieningen een aparte aanduiding met bijbehorende regeling opgenomen.

    Vergelijkbare bepalingen met een aanduiding zijn opgenomen in de bestemming Bedrijventerrein (artikel 7.1) van het bestemmingsplan Dedemsvaart. Zelfstandige kantoren zijn op het bestaande deel van het bedrijventerrein Rollepaal ook niet toegestaan.

Het opnemen van vestigingsbeperkingen voor dienstverlening, kantoren en horeca wordt in het omgevingsplan voor bedrijventerreinen in Hardenberg coherent en systematisch toegepast.

 Ad 3. De maatregel gaat niet verder dan nodig om het doel te bereiken

De vestigingsbeperkingen voorkomt dat een belangrijk deel van Rollepaal Oost voor vestiging van andere functies dan bedrijvigheid wordt benut, terwijl juist reservering voor die bedrijvigheid nodig is. Tevens waarborgen de vestigingsbeperkingen dat die andere functies op de daarvoor bestemde locaties elders in Hardenberg of Dedemsvaart worden gesitueerd. De maatregel gaat dan ook niet verder dan nodig is.

 Ad 4. Het doel kan niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt

Er zijn geen flankerende maatregelen denkbaar in de sfeer van het aantrekkelijker maken van het centrumgebied of een kantorenpark als tegelijkertijd de deur wordt opengezet voor zelfstandige horeca- of kantorenvestiging op Rollepaal Oost.

In jurisprudentie is het beginsel aanvaard dat flankerende maatregelen ontoereikend zijn om te voorkomen dat functies zich elders vestigen buiten de aangewezen locaties als die mogelijkheid wordt geboden. Het doel kan dan ook niet met andere, minder vergaande maatregelen met betrekking tot het beperken van de mogelijkheden binnen het omgevingsplan, worden bereikt.

Conclusie

De reservering voor grootschalige bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren is evenredig. De reservering voor bedrijvigheid in combinatie met beperkte toelaatbaarheid van dienstverlening, horeca en kantoren voldoen aan het discriminatieverbod, het noodzakelijksheidscriterium en evenredigheidscriterium in artikel 15, derde lid onder a, b en c van de Dienstenrichtlijn.

3.2.1.2.2 Waarborgen van veiligheid

Op grond van het Bkl moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises, zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's. Bovendien dient er rekening te worden gehouden met brandvoorschriftengebied en explosievoorschriftengebied, aangezien deze aspecten voorkomen in het plangebied. 

Toetsing aan de instructieregels

In hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' wordt beschreven op welke wijze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan rekening wordt gehouden met de diverse risico's zoals bepaald in de Wet veiligheidsregio's.

Waar nodig wordt in de regels van het omgevingsplan grenswaarden opgenomen voor het plaatsgebonden risico van toegestane activiteiten op het bedrijventerrein. Tevens wordt rekening gehouden met een brandaandachtsgebied vanwege de mogelijke vestiging van een waterstoftankstation op het nieuwe bedrijventerrein.

Een en ander wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4 'Waarborgen van de veiligheid' van deze motivering.

3.2.1.2.3 Waarborgen geluid

Geluidsproductieplafonds

Op grond van het Bkl wordt de begrenzing van een geluidgezoneerd industrieterrein, waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld, vastgelegd in het omgevingsplan. Daarnaast bevat het omgevingsplan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds die als omgevingswaarden zijn vastgesteld voor een geluidgezoneerd industrieterrein. 

Toetsing aan de instructieregels

In de regels behorende bij dit omgevingsplan worden de geluidproductieplafonds als omgevingswaarde vastgesteld. Bovendien bevat het plan regels over activiteiten gericht op het voldoen aan de geluidproductieplafonds. In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt hier verder op ingegaan.

Verhoging van de verkeersintensiteit

Als de wijziging van een omgevingsplan een verhoging van de verkeersintensiteit op een weg of spoorweg veroorzaakt dan dient op grond van het Bkl ervoor gezorgd te worden dat de geluidstoename op geluidgevoelige gebouwen niet meer bedraagt dan 1,5 dB.

 Toetsing aan de instructieregels

In paragraaf 5.2 'Geluid' wordt ingegaan op de toename van het geluid op omliggende woningen en andere geluidgevoelige bebouwing.

3.2.1.2.4 Waarborgen bodemkwaliteit

Op grond van het Bkl worden normen vastgesteld voor de aanvaardbare bodemkwaliteit bij de bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Het omgevingsplan kan verschillende normen bevatten voor de toelaatbare bodemkwaliteit op bodemgevoelige locaties, afhankelijk van het gebied of de gebruiksfunctie.

Toetsing aan de instructieregels

In de regels behorende bij de wijziging van dit omgevingsplan wordt de bodemkwaliteit als omgevingswaarde vastgesteld. In paragraaf 5.4 'Bodemkwaliteit' wordt hier verder op ingegaan.

3.2.1.2.5 Waarborgen cultureel erfgoed

Op grond van het Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het behoud van cultureel erfgoed, inclusief archeologische monumenten. Bovendien bevat het omgevingsplan regels ter bescherming van relevant cultureel erfgoed.

Toetsing aan de instructieregels

In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' en paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt beschreven hoe rekening wordt gehouden met cultuurhistorie en archeologie. In de planregels worden de waarden waar nodig geborgd.

3.2.1.2.6 Waarborgen behoud ruimte voor toekomstige functies

In het Besluit kwaliteit leefomgeving worden diverse waarborgen benoemd die voor de voorliggende wijziging van het omgevingsplan niet relevant zijn.

Toetsing aan de instructieregels

In paragraaf 9.1 wordt hier nader op ingegaan.

3.2.2 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)
3.2.2.1 Regels en instructieregels

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) stelt het Rijk algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving. Daarbij staat ook of voor die activiteiten een melding of omgevingsvergunning nodig is en wie het bevoegde gezag is. Het Bal geldt voor alle partijen die actief zijn in de fysieke leefomgeving.

Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Het is eerder andersom; indien het Bal een onderwerp uitputtend/volledig regelt, mag daarover in het omgevingsplan niets worden opgenomen. Op grond van het Bal bestaat de mogelijkheid om maatwerkregels te stellen. Het Bal geeft de randvoorwaarden waarbinnen maatwerkregels mogen worden gesteld. Maatwerk is niet mogelijk voor het aanwijzen van de milieubelastende activiteit, dus een milieubelastende activiteit blijft een milieubelastende activiteit op grond van het Bal. Ook mag een vergunningplicht niet worden gewijzigd in een meldplicht of vergunningvrij gemaakt worden (aanvullende vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten mogen wel).

3.2.2.2 Toetsing aan regels

Ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein is in het kader van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan een toetsing uitgevoerd aan de regels uit het Bal.

Milieubelastende activiteiten

In het Bal is een lijst opgenomen met de beoogde milieubelastende activiteiten waaronder een aantal die op Rollepaal Oost worden voorzien en waarvoor in het Bal inhoudelijke regels zijn opgenomen.

Toetsing aan de instructieregels

Geconcludeerd wordt dat het Bal in eerste instantie geen regels bevat die opgenomen moeten worden in een omgevingsplan. Indien het Bal een onderwerp volledig regelt, mag een omgevingsplan daarover niets regelen. Op dit moment is nog geen keuze gemaakt om maatwerk mogelijk te maken.

Beperkingengebiedactiviteiten

In het Bal zijn regels opgenomen ten aanzien van 'beperkingengebiedactiviteiten' met betrekking tot rijkswegen en hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en bijzondere spoorwegen.

Toetsing aan de instructieregels

Uit de beschrijving van het plangebied blijkt dat deze specifieke vormen van infrastructuur niet in of rond het plangebied aanwezig zijn.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Actualisatie Omgevingsvisie 2023
3.3.1.1 Beleidskader

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt richt zich op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

 De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • a.

    Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.

  • b.

    Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.

  • c.

    Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.

3.3.1.2 Toetsing aan beleid

In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.

3.3.2 Concept Nieuwe Omgevingsvisie
3.3.2.1 Beleidskader

In de nieuwe Omgevingsvisie Overijssel wordt beschreven waar Overijssel, in nauwe samenwerking met medeoverheden, partners, ondernemers en inwoners, naartoe wil op de middellange en lange termijn (2035-2050). Deze Omgevingsvisie biedt doelen, kaders en houvast voor invulling van de uitdagingen waar de provincie voor staat. En voor de wijze waarop de uitvoering in gebiedsprocessen en met beleids- en/of uitvoeringsprogramma’s gaat plaatsvinden. Alle opgaven naast elkaar in de ruimte plaatsen gaat niet passen. De oplossing zit in zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, samenhangende oplossingen en verweving van opgaven.

Omdat niet alles overal (meer) kan, is het nodig om keuzes te maken. Deze Omgevingsvisie biedt houvast bij het maken van keuzes. Daarom wordt gekozen voor de volgende Leidende Principes:

  • a.

    duurzaam omgaan met de beschikbare ruimte en voorraden;

  • b.

    water en bodem sturend maken in de ruimtelijke inrichting; 

  • c.

    inzetten op krachtige DUS-regio’s (Daily Urban System);

  • d.

    voortbouwen op bestaande sterke netwerken.

Met de concept Omgevingsvisie als kader worden in nauw overleg met gebiedspartners in de uitvoering oplossingen gezocht in gebiedsprocessen en in beleids- en/of uitvoeringsprogramma?s

3.3.2.2 Toetsing aan beleid

In voorliggende motivering wordt in de volgende hoofdstukken aangetoond op welke wijze invulling wordt gegeven aan de ambities uit de provinciale Omgevingsvisie.

3.3.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
3.3.3.1 Beleidskader

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

 Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • a.

    Of - generieke beleidskeuzes;

  • b.

    Waar - ontwikkelingsperspectieven;

  • c.

    Hoe - gebiedskenmerken.

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van de Europese Unie, het Rijk of de provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater of droge voeten te kunnen garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.

Ook wordt in deze fase de zogenaamde 'Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking' gehanteerd. Deze Overijsselse Ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze aan de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse Ladder voor duurzame verstedelijking.

Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te waarborgen zien op reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

Waar- Ontwikkelingsperspectieven

Indien in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toetsing aan de ontwikkelingsperspectieven plaats. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat op welke plek ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, worden ze consistent vertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is, of hier behoefte aan is, waar deze past in de ontwikkelingsvisie en hoe deze uitgevoerd kan worden. figuur 3.1 geeft dit schematisch weer.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0027.jpg
figuur 3.1 - uitvoeringsmodel Omgevingsvisie OverijsselProvincie Overijssel
3.3.3.2 Toetsing aan beleid

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel, ontstaat globaal het volgende beeld.

Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend.

In paragraaf 3.1 en 3.3 wordt het plan getoetst aan het rijks,- en provinciaal beleid. In deze hoofdstukken is geconcludeerd dat het plan sluit aan bij de generieke beleidskeuzes.

 Ontwikkelperspectieven

Het plangebied ligt in een gebied aangewezen als 'Bedrijventerreinen in steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken en streekcentra'. Ontwikkelingen op of rond bedrijventerreinen dragen bij aan het versterken van het vitale karakter en de kwaliteit van de terreinen, aan het verbinden van het terrein met de omgeving, en aan het versterken van de profilering met respect voor het verstedelijkingspatroon.

In paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt aangegeven op welke wijze de uitbreiding van het bedrijventerrein bijdraagt aan de versterking van het vitale karakter en de kwaliteit van het terrein met respect voor het verstedelijkingspatroon.

Gebiedskenmerken

De aanwezige gebiedskenmerken in zowel de Groene als de Stedelijke Omgeving zijn onderscheiden in vier lagen;

  • a.

    Natuurlijke laag (in en op de bodem);

  • b.

    Laag van het agrarisch cultuurlandschap (grootschalig gebruik en inrichting van de bodem);

  • c.

    Stedelijke laag (bebouwing en infrastructuur);

  • d.

    Laag van de beleving (beleving, toerisme, cultuurhistorie en landgoederen).

Natuurlijke laag - Hoogveengebied

Vanuit linten werd het omringende hoogveengebied grotendeels ontgonnen voor landbouwdoeleinden. Initieel werden kleine verkavelingen gebruikt zonder diepe afwateringskanalen, wat later resulteerde in grootschalige ontginning en integratie in het veenkoloniale landschap. 

Voor de overgebleven hoogveenontginningslandschappen is het doel om ze als herkenbare eenheden te behouden. Bij ruimtelijke ontwikkelingen bieden de linten met kavelbeplantingen kansen voor een gevarieerde woon- en werkomgeving. Dubbele lintstructuren kunnen de woon- en recreatieve kwaliteiten verder verbeteren. 

Ontwikkelingen nabij resterende hoogveengebieden dragen bij aan een betere hydrologie om uitdroging te voorkomen en kunnen de natuurkwaliteit en het levende hoogveengebied vergroten. Deze principes leiden (her)inrichtingsplannen. 

Laag van agrarische cultuurgrond - Veenkoloniaal landschap

Hoogveen ontstaat natuurlijk door abiotische processen zoals ijs-, wind- en waterstromen, erosie en sedimentatie, evenals biotische processen zoals de vestiging van plant- en diersoorten op de bodem en geologie. Het ontstaat met name op natte delen waar water moeilijk kan wegstromen. Oorspronkelijk waren dit uitgestrekte natte gebieden met veengroei, beïnvloed door regenwater. In de buurt van het plangebied is het hoogveen ontgonnen, waarbij enkele veenpakketten nog steeds in de bodem zijn achtergebleven.

De bestaande bebouwing en wegenstructuren blijven ongewijzigd.

Stedelijke laag - Bedrijventerreinen

Deze gebieden zijn door de provincie aangewezen voor bedrijventerreinen. De ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt mogelijk gemaakt binnen de stedelijke laag 'bedrijventerreinen'.

Laag van beleving - donkerte

De donkere gebieden zijn plekken waar het 's avonds nog echt donker is en waar je de sterren goed kunt waarnemen. Het behouden van deze duisternis wordt als een waardevolle eigenschap beschouwd. De ambitie is om de huidige 'donkere' gebieden minimaal zo donker te houden, met alleen het noodzakelijke gebruik van kunstlicht.

Een deel van het plangebied - met name het uitbreidingsterrein - is gelegen in de laag donkerte. Met de ontwikkeling wordt rekening gehouden door zo min mogelijk kunstlicht toe te passen, hier wordt in paragraaf 5.6 nader op ingegaan.

3.3.4 Provinciaal Programma Energiestrategie 2024
3.3.4.1 Beleidskader

Het Provinciaal Programma Energiestrategie (PPE) is een instrument van Gedeputeerde Staten om de provinciale ambities uit de Regionale Energiestrategie (RES) te realiseren. Het programma is een uitwerking van de kaders die door Provinciale Staten zijn/worden vastgesteld in de Omgevingsvisie en -verordening.

 Instructieregels verplichten gemeenten om bij het aanpassen van hun omgevingsplan rekening te houden met wat de provincie belangrijk vindt. In de verordening zijn de voorkeursgebieden voor wind in de provincie opgenomen.

3.3.4.2 Toetsing aan beleid

Het plangebied is gelegen in 'Gebieden met ruimte voor windenergie onder voorwaarden'. Het plan maakt geen nieuwe windmolens mogelijk en is daarom niet in strijd met het Provinciaal Programma Energiestrategie 2024.

3.3.5 Regionaal Waterprogramma 2022-2027
3.3.5.1 Beleidskader

Het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2020 is bedoeld als een concrete uitwerking van het regionaal waterbeleid binnen de provincie Overijssel. Het Regionaal Waterprogramma is een verplicht programma in het kader van de Omgevingswet.

Het strategische waterbeleid (de beleidshoofdlijnen) is opgenomen in de Omgevingsvisie (actualisatie Omgevingsvisie Overijssel 2019/2020). Het Regionaal Waterprogramma is uitvoeringsgericht en bevat concrete maatregelen. Het provinciale waterbeleid in Omgevingsvisie en Regionaal Waterprogramma vormt tezamen het beleidsmatig kader voor alle regionale oppervlaktewateren en het regionaal grondwater, en daarmee het regionaal waterbeheer.

De inhoud van dit Regionaal Waterprogramma kent de volgende verplichte onderdelen:

  • a.

    de uitvoering van Europese waterrichtlijnen;

  • b.

    de maatschappelijke functie drinkwateronttrekking.

Europese waterrichtlijn

De uitvoering van de Europese waterrichtlijn wordt nader toegelicht in het hoofdstuk 6 ‘Bescherming van de waterbelangen’. Het gebied is niet gelegen in een aangewezen KRW-oppervlaktelichaam.

Maatschappelijke functie drinkwateronttrekking

De provincie heeft een wettelijke verantwoordelijkheid voor het beleid voor het beheer van de grondwatervoorraad, waarbij de waterschappen optreden als beheerder. De inzet is om de voorraad grondwater zo groot mogelijk te houden en zo verantwoord mogelijk te gebruiken. Er mag niet meer grondwater worden onttrokken dan wordt aangevuld om een structurele daling van de grondwaterstand te voorkomen.

Naast het beheer van de grondwatervoorraad is ook de kwaliteit van belang en wil de provincie de kwaliteit van grondwater beschermden dat gebruikt wordt voor menselijke consumptie. De meest doelmatige bescherming is, in lijn met de milieubeginselen zoals vastgelegd in de Omgevingswet, preventie via de verbodsbepalingen in de verordening en is gericht op ruimtelijke functies die risico hebben voor grondwaterverontreiniging.

3.3.5.2 Toetsing aan beleid

Het plan maakt geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied.

3.3.6 Regionaal Waterprogramma 2026-2030 (ontwerp)
3.3.6.1 Beleidskader

In het ontwerp van het Regionaal Waterprogramma Overijssel 2026-2030 wordt ingezet op een klimaatrobuust water- en bodemsysteem, waarbij water en bodem sturend zijn voor ruimtelijke ontwikkelingen. De grenzen van de maakbaarheid zijn bereikt: niet alles kan overal, en het natuurlijke systeem bepaalt waar functies zoals wonen, werken en bedrijventerreinen mogelijk zijn.

Het provinciaal beleid richt zich op het voorkomen van wateroverlast, het waarborgen van voldoende en schoon (zoet)water voor landbouw, natuur, industrie en drinkwater, en het versterken van gezonde bodems. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, zoals uitbreiding van bedrijventerreinen, is het essentieel om vroegtijdig de waterschappen te betrekken en te toetsen op waterveiligheid, waterbeschikbaarheid en klimaatrobuustheid.

 Het programma onderstreept het belang van integrale samenwerking tussen provincie, gemeenten, waterschappen en andere stakeholders. Klimaatadaptatie en het principe ?functie volgt peil? zijn leidend: functies moeten zich aanpassen aan de natuurlijke grondwaterstanden en niet andersom. Voor bedrijventerreinen betekent dit dat locatiekeuze, inrichting en bouwwijze moeten bijdragen aan het vasthouden van water, het voorkomen van hittestress en het minimaliseren van negatieve effecten op water- en bodemsysteem. Het RWP biedt een beleidskader dat aansluit bij Europese richtlijnen (KRW, Grondwaterrichtlijn, Drinkwaterrichtlijn) en de Omgevingswet, en stimuleert duurzame, toekomstbestendige keuzes. Alleen op locaties waar het water- en bodemsysteem dit toelaat en waar klimaatrobuuste maatregelen zijn geborgd, kan verantwoorde groei plaatsvinden. 

3.3.6.2 Toetsing aan beleid

Water en bodem zijn mede sturend geweest bij de locatiekeuze en inrichting van het plangebied. Zoals eerder aangegeven maakt het plan geen nieuwe activiteiten nodig die grondwater zullen onttrekken. Bovendien is het plangebied niet gelegen in een drinkwaterbescherming of waterwinningsgebied. Er worden maatregelen getroffen tegen hittestress, zoals vergroening van het terrein (bomen, struiken, groene daken), het beperken van verharding en het creëren van schaduwrijke plekken.

Waar nodig worden in de regels van het omgevingsplan eisen opgenomen voor waterberging, infiltratie, beperking van verharding en vergroening.

3.3.7 Handreiking duurzame bedrijventerreinen
3.3.7.1 Beleidskader

Aantrekkelijke, toekomstbestendige bedrijventerreinen zijn belangrijk voor ondernemers. Investeren in duurzame terreinen is waardevol. Niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor ondernemers en werknemers. Veel ondernemers zien verduurzaming van hun bedrijf of bedrijventerrein daarom als een mooi perspectief.

 De provincie Overijssel heeft kwalitatieve ambities voor ontwikkeling van duurzame en toekomstbestendige bedrijventerreinen en is samen met MKB Nederland Midden en VNO-NCW Midden betrokken bij een brede aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen in Overijssel. Als onderdeel daarvan zijn twee handreikingen opgesteld voor het verder verduurzamen van bedrijventerreinen: één voor bestaande gebouwen en terreinen en één voor nieuwe gebouwen en terreinen.

3.3.7.2 Toetsing aan beleid

Ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan wordt de uitbreiding voor Rollepaal Oost getoetst aan de 'Handreiking duurzame bedrijventerreinen, nieuwe gebouwen en terreinen'.

In de handreiking wordt een overzicht gegeven van goed toepasbare, fysieke maatregelen op het gebied van duurzame energie, biodiversiteit en klimaatadaptatie. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen maatregelen bedoeld voor de binnenkant van gebouwen, maatregelen voor de buitenkant van gebouwen en maatregelen bedoeld voor de buitenruimte:

  • a.

    Binnenkant gebouw

    De maatregelen hebben vooral betrekking op energieverbruik van de nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost. Daarbij wordt gedacht aan verlichting, isolatie, het gebruik van warmtepompen, lage temperatuurverwarming, warmte- en koudeopslag (WKO), het gebruik van restwarmte en (her)gebruik van regenwater.

  • b.

    Buitenkant gebouw

    De maatregelen in de handreiking gaan vooral over het dak en de gevel van het bedrijfsgebouw. Ze leveren vaak een bijdrage aan zowel de bedrijfsvoering als aan de omgeving. Daarbij wordt gedacht aan zonnepanelen, mini-windturbines op het dak, het gebruik van witte daken, het gebruik van groene daken, groene gevels en ventilatie.

  • c.

    Buitenruimte van gebouwen

    In de handreiking wordt gedacht aan het vergroenen van de bedrijfskavel of erfafscheiding of het toevoegen van water en beplanting. De maatregelen in de buitenruimte zijn onderdeel van de totale inrichting van het terrein en bepalen hoe het bedrijventerrein aansluit op de omgeving.

Met de maatregelen wordt ook een bijdrage geleverd aan de Sustainable Development Goals (SDG's) die in het kader van de 'agenda voor duurzame ontwikkeling' in 2015 door de Verenigde Naties zijn vastgesteld. Verder komen in de handreiking de thema's 'circulaire economie' en 'duurzame mobiliteit' aan bod. De provincie geeft algemene principes waar bedrijven rekening mee kunnen houden.

 In het ‘Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost’ en het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt ingegaan op de maatregelen ten behoeve van de betreffende thema's.

3.3.8 Algehele conclusie provinciaal beleid

Het plan voldoet aan de uitgangspunten van het provinciaal beleid.

3.4 Regels en instructieregels provincie Overijssel

3.4.1 Omgevingsverordening Overijssel 2024
3.4.1.1 Regels en instructieregels

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Daarbij gaat het om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

 Een van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken, is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor onderwerpen waarvoor de provincie er waarde aan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

3.4.1.2 Toetsing aan regels

Voor de beoogde ontwikkeling zijn diverse instructieregels van toepassing. Navolgend zijn de relevante instructieregels opgenomen. Door middel van verwijzingen wordt per instructieregel aangegeven in welk gedeelte de motivering de toetsing te vinden is.

Artikel 4.4 lid 1 (principe van concentratie)

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voorzien in de lokale behoefte.

Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn. Bovendien dient het plan geen negatieve effecten te hebben op de gezondheid en het milieu van mensen.

In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt toegelicht dat het bedrijventerrein rekening houdt met de behoefte van de toekomstige generaties en voorziet in economische welvaart. In hoofdstuk 5 'Bescherming van gezondheid en milieu' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat het plan geen negatieve effecten heeft op het welzijn van mensen.

 Artikel 4.8 (ontwikkelen met ruimtelijk beleid)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

In het hoofdstuk 7 'Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed' wordt aangetoond op welke wijze het voorliggende plan een bijdrage levert aan het versterken van de landschappelijke kwaliteiten.

Artikel 4.9 lid 1 (onderbouwing ruimtelijke kwaliteit)

Omgevingsplannen moeten een onderbouwing bevatten waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin het provinciale uitvoeringsmodel wordt toegepast. Bovendien is een motivatie nodig waarom de ontwikkeling past binnen het provinciale ontwikkelingsperspectief.

In de paragraaf 3.3.3 'Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel' en paragraaf 7.4 'Ruimtelijke kwaliteit en welstand' wordt de ontwikkeling getoetst aan het uitvoeringsmodel. Aangetoond wordt dat het plan voldoet aan de uitgangspunten.

Artikel 4.10 lid 1 (normerende en richtinggevende uitspraken)

In het omgevingsplan worden de normerende en de richtinggevende uitspraken in acht genomen die de catalogus Gebiedskenmerken doet over het plangebied.

In paragraaf 7.3 'Landschappelijke waarden' wordt nader toegelicht hoe met de voorliggende ontwikkeling rekening wordt gehouden met de richtinggevende en normerende uitspraken over het 'open veenontginningslandschap'.

Artikel 4.11 lid 1 (kwaliteitsimpuls Groene Omgeving)

Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:

  • a.

    daarvoor sociaal-economische of maatschappelijke redenen voor zijn;

  • b.

    het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving; en

  • c.

    in het geval de nieuwvestiging of een grootschalige uitbreiding plaatsvindt op gronden binnen het ontwikkelingsperspectief 'Ondernemen met Natuur en Water' de compensatie bedoeld in onderdeel b gericht is op de versterking van de kwaliteit van natuur, water en landschap.

De beoogde ontwikkeling vindt plaats binnen de 'Groene omgeving'. Zowel in de laddertoets in paragraaf 7.2, in hoofdstuk 8'Natuurbescherming' als in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangetoond dat er sociaal-economische of maatschappelijke reden zijn voor de beoogde ontwikkeling. Ook wordt aangegeven op welke wijze het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden wordt gecompenseerd.

Artikel 4.12 lid 1 en 2 (cultureel erfgoed)

In omgevingsplannen moet rekening worden gehouden met de cultuurhistorische en archeologische waarden die in het gebied aanwezig zijn.

In paragraaf 7.1 'Cultureel erfgoed' wordt beschreven op welke wijze rekening wordt gehouden met de aanwezige waarden.

 Artikel 4.13 lid 1 en 2 (klimaatrobuust water- en bodemsysteem)

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

Met ontwikkelingen in het landelijk gebied moet beschreven worden hoe de ontwikkeling bijdraagt aan het regionaal waterperspectief.

Het klimaatrobuust water,- en bodemsysteem wordt onderbouwd in hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen'. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt voldoende rekening gehouden met de uitgangspunten van klimaatrobuuste inrichting.

Artikelen 4.23 lid 1 en 4.24 lid 1 (afspraken bedrijventerrein, aanleg bedrijventerrein in afwijking van afspraken)

Een nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als het past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen die zijn gemaakt op regionaal of gemeentelijk niveau. Als het niet past, dan moet de behoefte worden aangetoond met een actueel onderzoek dat voorzien wordt in maximaal 80% van de behoefte.

In de laddertoets (zie paragraaf 7.2) wordt aangetoond dat de beoogde uitbreiding past binnen de gemeentelijke en regionale afspraken.

Artikelen 4.43 lid 1 en 4.44 lid 1 (verbod glastuinbouw, instructieregel geitenhouderij)

Het omgevingsplan voorziet niet in het mogelijk maken van glastuinbouw en/of geitenhouderijen. 

Artikel 4.93 (instructieregel mobiliteit)

Een omgevingsplan voorziet alleen in nieuwe grootschalige ontwikkelingen die bovenlokale verkeersbewegingen met zich meebrengen of effecten hebben op de verkeersafwikkeling op de hoofdinfrastructuur, als rekening is gehouden met het uitgangspunt dat ontwikkelingen die mobiliteit oproepen, geprojecteerd worden nabij aansluitingen op de hoofdinfrastructuur bedoeld in artikel 4.93, lid 2.

In hoofdstuk 9 'Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt gemotiveerd dat de ontwikkeling voldoet aan artikel 4.93, lid 2.

Artikel 4.102 lid 1 (instructieregel provinciaal netwerk transport gevaarlijke stoffen)

Gebieden die geheel of gedeeltelijk zijn gelegen binnen het 'effectgebied incidenten met brand' of het 'effectgebied incidenten met explosie van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen', houden rekening met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

In hoofdstuk 4 Waarborgen van de veiligheid en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt nader aangegeven op welke wijze rekening wordt gehouden met de provinciale samenhang en continuïteit van het routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

 Artikel 4.109 (verbod op installaties onconventioneel gas)

Omgevingsplannen mogen niet voorzien in het oprichten en gebruik van installaties voor proefboringen naar en winning van fossiele gassen die opgesloten zitten in de hardere bodemlagen in de diepe ondergrond.

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt de winning naar fossiele brandstoffen niet mogelijk.

Artikelen 4.110 en 4.111 (verbod opslag radioactief afval in de ondergrond en bovengrondse opslag hoogradioactief afval)

Het omgevingsplan voorziet niet een nieuwe ondergrondse of bovengrondse opslagmogelijkheid voor radioactief afval.

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt geen ondergrondse en bovengrondse radioactief afval mogelijk.

3.5 Regionaal beleid

3.5.1 Waterbeheerprogramma 2022-2027
3.5.1.1 Beleidskader

Het waterbeheerprogramma 2022-2027 is op 15 december 2021 vastgesteld door het algemeen bestuur van Vechtstromen. Het gaat in op alle aspecten van het watersysteembeheer (met uitzondering van het rioleringsbeheer en de drinkwaterzorg).

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

Het Waterbeheerprogramma bindt alleen het waterschap zelf bij de uitoefening van bevoegdheden. In de Watervisie 2050 benoemt het waterschap de drie grote wateropgaven voor de komende decennia, te weten;

  • a.

    Droogte en overlast als gevolg van klimaatverandering;

  • b.

    Waterkwaliteit onder druk;

  • c.

    Duurzame ontwikkeling.

3.5.1.2 Toetsing aan beleid

Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 volgt inhoudelijk de Watervisie 2050. De doorvertaling van de visie op plan/projectniveau vindt plaats via de Waterschapsverordening, die in de volgende paragraaf wordt behandeld.

3.5.2 Waterschapsverordening
3.5.2.1 Beleidskader

Op grond van de Omgevingswet moet het waterschap een Waterschapsverordening vaststellen. De Waterschapsverordening heeft de Keur van het waterschap en landelijke regels over het lozen van stoffen vervangen. De waterschapsverordening is gebaseerd op zowel de Waterschapswet als de Omgevingswet en de daarop gebaseerde regelgeving.

De Waterschapsverordening - Waterschap Vechtstromen (in werking vanaf 01‑11‑2024) bevat regels over de fysieke leefomgeving in het beheergebied van het waterschap. Deze regels gaan over de watergangen, waterkeringen, grondwater en het lozen van stoffen op het water of een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi). Deze regels gelden voor iedereen. De regels bepalen welke activiteiten waar in het beheergebied mogen plaatsvinden, en onder welke voorwaarden.

De regels in de Waterschapsverordening zijn inhoudelijk niet gewijzigd ten opzichte van de Keur van het waterschap Vechtstromen of de landelijke regels over het lozen van stoffen.

De regels over de onderhoudsplichten komen in een aparte verordening: de Onderhoudskeur. Deze mogen niet in de Waterschapsverordening worden opgenomen.

3.5.2.2 Toetsing aan beleid

In de waterschapsverordening is het 'oppervlaktewaterlichaam' langs de Woudbloemweg aangemerkt als 'waterstaatswerk'. De overige watergangen binnen Rollepaal Oost zijn aangewezen als 'niet-aangewezen oppervlaktewaterlichamen'.

In hoofdstuk 6'Bescherming van de waterbelangen' en in de Milieueffectrapportage (hoofdstuk 10) wordt aangegeven welke belangen in het voorliggende plangebied aanwezig zijn en op welke wijze deze worden geborgd in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

3.5.3 Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel
3.5.3.1 Beleidskader

In de programmeringsafspraken worden de afspraken tussen de gemeenten in West Overijssel en de provincie vastgelegd over de programmering van de gemeentelijke plannen die voorzien in de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen. Ook worden afspraken vastgelegd over de kwaliteitsambities die de gemeenten in West Overijssel nastreven bij de ontwikkeling en uitgifte van de bedrijventerreinen.

De programmeringsafspraken richten zich niet alleen op de hoeveelheid te ontwikkelen nieuwe bedrijventerrein maar ook op de kwalitatieve aspecten van het aanbod.

Afspraken over adaptieve programmering

De programmering is opgebouwd uit plannen die de behoefte aan bedrijventerreinen in de regio en de gemeenten op een goede manier invullen. Ofwel, dat het gaat om ontwikkelingen die toekomstbestendig zijn en die bijdragen aan het realiseren van de regionale economische ambities.

De programmering wordt ieder half jaar geactualiseerd en vastgesteld in het regionale bestuurlijke overleg. Op die manier ontstaat een doorlopend en actueel overzicht van plannen die in de pijplijn zitten. De gemeenten zijn hierbij gezamenlijk verantwoordelijk voor het op groen, geel en oranje zetten van nieuwe plannen. Het is aan het regionaal bestuurlijk overleg om daar, aan de hand van deze afspraken, een gedeeld oordeel over te vormen.

In de programmeringsafspraken wordt ingezet op het zoveel mogelijk faseren van ontwikkelingen, zodat er ruimte blijft in de programmering en er flexibel ingespeeld kan worden op veranderende marktomstandigheden, acute principeverzoeken en nieuwe initiatieven. Op die manier wordt zorgvuldig omgegaan met de kostbare ruimte in de regio en wordt voorkomen dat Ladder voor duurzame verstedelijking een obstakel gaat vormen. Als richtlijn voor fasering wordt uitgegaan van een maximale omvang van 10 hectare netto per ontwikkelfase, maar hier kan per plan gemotiveerd van worden afgeweken.

Afspraken over kwaliteitsambities

Er wordt gestreefd naar toekomstbestendige bedrijventerreinen, met een kwaliteitsniveau dat aansluit bij de landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid en daaruit volgende wet- en regelgeving. Daarmee wordt bijgedragen aan een goed vestigingsklimaat voor de bedrijven in onze regio. In de programmeringsafspraak is een overzicht opgenomen van ambities voor nieuwe bedrijventerreinenontwikkeling. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0028.jpg
Tabel 3.1 - kwaliteitsambities voor alle nieuwe plannen Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel

Voor plannen met een totale netto omvang groter of gelijk aan 3 hectare waar meer dan één bedrijf wordt gehuisvest, is een aanvullende kwaliteitsambitie geformuleerd. 

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0029.jpg
Tabel 3.2 - aanvullende kwaliteitsambities voor alle plannen met een totale netto omvang groter of gelijk aan 3 hectare waar meer dan een bedrijf wordt gehuisvest Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel

 Voor plannen die deels of geheel moeten voorzien in de ruimtevraag van grootschalige bedrijven - hier gedefinieerd als bedrijven met een individuele kavelomvang van gelijk af meer dan 3 hectare netto - zijn nog twee aanvullende kwaliteitsambities geformuleerd.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0030.jpg
Tabel 3.3 - aanvullende kwaliteitsambities voor alle plannen deels of geheel moet voorzien in de ruimtevraag van grootschalige bedrijven Programmeringsafspraken Bedrijventerreinen Regio West-Overijssel

Een plan dat in het regionaal bestuurlijk overleg wordt voorgelegd om op 'groen' gezet te worden, wordt voorzien van een toelichting op hoofdlijnen over hoe op deze ambities zal worden gestuurd. Wanneer een ambitie om welke reden dan ook niet geheel haalbaar is voor het betreffende plan, motiveert de betreffende gemeente waarom dat het geval is.

Het bodem- en watersysteem is sturend voor de locatie en ruimtelijke invulling van plannen. Hierbij staan in de programmeringsafspraken vijf principes centraal. De toepassing van deze principes vraagt om maatwerk per plan en de afweging hiervoor wordt op zijn minst gemaakt op het schaalniveau van de gemeente die het plan opstelt:

  • a.

    problemen omtrent het bodem- en watersysteem worden bij ontwikkelingen niet afgewenteld in ruimte, tijd en geld, maar opgelost in de gebiedsontwikkeling zelf;

  • b.

    functies volgen het bodem- en watersysteem, zodat wordt voorkomen dat situaties op lange termijn niet houdbaar of aanpasbaar zijn;

  • c.

    er wordt gekozen voor een aanpasbare inrichting, waarin rekening wordt gehouden met de lange termijn (klimaat)omstandigheden in het gebied;

  • d.

    kansen voor herstel van de natuurlijke situatie worden benut, zodat bodemdaling, uitputting van ecosystemen en kwaliteitsverslechtering van de natuur wordt tegengegaan;

  • e.

    verstoor de bodem zo min mogelijk en verwerk grond zoveel mogelijk lokaal en hoogwaardig.

In het verlengde van voorgaande afspraak, vermijden we voor nieuwe plannen zoveel als mogelijk locaties die buitendijks, in het laagste punt van een polder en in de beekdalen liggen.

Afspraken over uitgifte

Er wordt uitgegeven op basis van marktconforme prijzen. Met de ondernemers met een nieuwbouwvraag wordt nagegaan actief in hoeverre de beoogde plannen ook gerealiseerd kunnen worden door middel van het toekomstbestendig maken en/of beter benutten van de bestaande kavel van het betreffende bedrijf, en faciliteren hen hier zoveel als mogelijk in. Daarmee wordt de kwaliteit van de bestaande bedrijventerreinen op peil gehouden.

Op grond van het Didam-arrest voor de verkoop van nieuwe kavels wordt een transparant proces ingericht waarbij in het geval er meerdere geïnteresseerden zijn voor dezelfde kavel, aan de voorkant op basis van heldere toetsingscriteria duidelijk wordt gemaakt hoe gekozen wordt welke potentiële koper de eerste optie tot koop (of huur of erfpacht) krijgt.

Afspraken over kwantiteit

Plannen moeten voorzien van een goede van de Ladder voor duurzame verstedelijking, met inachtneming van de nadere invulling die aan de Ladder wordt gegeven in de provinciale Omgevingsverordening. Daarbij is vastgelegd dat de cijfers uit de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen in beginsel de kaders vormen voor de onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Regionale afstemming

De programmeringsafspraken bevatten de afspraken over de regionale programmering bedrijventerrein als bedoeld in de provinciale Omgevingsverordening Overijssel. Op grond van de Omgevingsverordening wordt de behoefte aan nieuw bedrijventerrein geacht te zijn aangetoond als de ontwikkeling daarvan past binnen de programmeringsafspraken. In dat geval wordt ook voldaan aan de verplichting op grond van de Omgevingsverordening om regionaal af te stemmen. Voor de overige relevante instructieregels van de Omgevingsverordening zal nog wel onderbouwd moeten worden hoe daarmee rekening wordt gehouden.

3.5.3.2 Toetsing aan beleid

In de programmeringsafspraken van 1 april 2023 wordt Rollepaal Oost als een nieuw plan aangemerkt. Dat betekent dat het plan 'in de pijplijn' zit:

  • a.

    Rollepaal Oost I, met een oppervlakte van 10 hectare, wordt met een groene status aangemerkt. Dit betekent dat het plan kwantitatief en kwalitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken.

  • b.

    Rollepaal Oost II, met een oppervlakte van 11 hectare, wordt met een gele status aangemerkt. Hiervoor geldt dat het plan kwantitatief bestuurlijke instemming heeft verkregen conform de programmeringsafspraken. De invulling van de kwalitatieve afspraken moet echter nog bestuurlijk regionaal afgestemd worden.

Zodra voor Rollepaal Oost sprake is van een vastgesteld bestemmingsplan (of sinds 1 januari 2024 van een vastgestelde wijziging van een omgevingsplan) is sprake van harde plancapaciteit.

In de navolgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe voor in het stedenbouwkundig plan en in het omgevingsplan voor Rollepaal Oost invulling is gegeven aan de kwaliteitseisen en -ambities uit de programmeringsafspraken.

In paragraaf 7.2 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt aangetoond dat sprake is van voldoende behoefte voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost met een omvang van 25 hectare. Aangegeven wordt dat het vanuit een goede ruimtelijke ordening (of sinds 1 januari 2024 een evenwichtige toedeling van functies aan locaties) van belang dat deze ontwikkeling ook een plek krijgt in de actualisatie van de regionale programmering en dat, mede op die manier, de afstemming met buurgemeenten plaatsvindt.

3.5.4 Regionale Energiestrategie
3.5.4.1 Beleidskader

De Regionale Energiestrategie (RES) 1.0 van West-Overijssel is tot stand gekomen na een intensief samenwerkingsproces waarbij gemeenten, provincie en waterschappen de bijdrage aan de energietransitie hebben vastgesteld. Hierbij hebben zij zich intensief laten adviseren door de netbedrijven Enexis, Coteq/Cogas en RENDO.

De RES 1.0 heeft een karakter van een beleidsdocument dat richtinggevend is voor de verdere ontwikkeling van de energiestrategie. In de kern bestaat de RES 1.0 uit zes doelstellingen:

  • a.

    Het bod van de RES West-Overijssel voor duurzame opwek van elektriciteit in 2030 bedraagt 1,826TWh waarbij gestreefd wordt naar een verhouding van 60% opwek door windenergie en 40% door zon.

  • b.

    Zoekgebieden en/of uitsluitingsgebieden hebben zijn vastgelegd of worden uiterlijk bestuurlijk vastgelegd bij de RES 2.0 zodat een goede verdeling naar HSMS-stations gecreëerd kan worden.

  • c.

    Op lokaal en subregionaal niveau wordt de ruimtelijke potentie in de regio verder uitgewerkt op basis van de ontwerpprincipes uit de concept-RES. Bij de RES 2.0 wordt de balans opgemaakt.

  • d.

    De maatschappelijke kosten van het netwerk gaan beperkt worden door de ‘knoppen’ te hanteren voor meer wind, grotere clusters en redelijke afstanden tot aansluitpunten.

  • e.

    Voor de realisatie van windmolens en grootschalige zonneparken wordt gestreefd naar een gebiedsgerichte en grensontkennende aanpak.

  • f.

    Er wordt ten doel gesteld om minimaal 50% lokaal eigendom in de opwek door wind en grootschalig zon-op-veld te realiseren.

Om deze doelen te bereiken zijn in het kader van het RES een zestal afspraken gemaakt:

  • a.

    de subregionale samenwerking van gemeenten in de regio wordt verstrekt;

  • b.

    de regionale participatie met maatschappelijke organisaties naar de RES 2.0 wordt gecontinueerd;

  • c.

    de partijen gaan aan de slag met groen gas, geothermie, lokale waterstof, aquathermie en de duurzaamheidsladder in de Regionale Structuur Warmte (RSW). Hierbij monitoren de gemeenten de stappen die zij zetten op energiebesparing;

  • d.

    er wordt een gezamenlijke onderzoeksagenda geformuleerd die op de schaal van de regio inzicht biedt in (cumulatieve) milieu- en gezondheidsaspecten. Op basis van de resultaten wordt een besluit genomen over een MER (er is al een NRD);

  • e.

    de samenwerking wordt verder vormgeven op basis van het ?opgavegericht werken?;

  • f.

    er wordt gezamenlijk ingezet voor een lobby op betaalbaarheid en governance op basis van het organisatiemodel opgavegericht werken.

De RES 1.0 is in de zomer van 2021 vastgesteld door de elf gemeenteraden, Provinciale Staten en algemeen besturen van de waterschappen. Om de energie met windmolens en zonneparken op te kunnen wekken in 2030 moeten uiterlijk begin 2025 de vergunningen hiervoor zijn afgegeven. Dat betekent dat duidelijk moet zijn waar de wind- en zonneparken gerealiseerd kunnen worden en hoe de energie-infrastructuur daarop afgestemd moet worden

In de RES 2.0 wordt vooral gewerkt aan de uitvoering van de RES 1.0. Er wordt gekeken naar wat in 2030 gerealiseerd moet zijn en op basis hiervan wordt bepaald wat gereed moet zijn op 1 juli 2023. Dit is het moment dat de RES 2.0 wordt ingediend bij de NPRES. De RES 2.0 dient op hoofdlijnen twee doelen: monitoring van de voortgang van de ambities enerzijds, anderzijds het verder uitwerken van vraagstukken en opgaven.

3.5.4.2 Toetsing aan beleid

De gemeente Hardenberg heeft al wel zoekgebieden tot 2030 voor wind vastgesteld. Binnen het plangebied zijn in de RES geen zoekgebieden voor wind en zonne-energie aangewezen.

Uit de RES (regionale energiestrategie) ontstaat de noodzaak om bestaande transformatorstations uit te breiden zodat het elektrisch netwerk geschikt kan worden gemaakt voor de op te wekken wind- en zonne-energie in de regio. In de voorliggende plannen wordt rekening gehouden met de uitbreiding van het bestaande transformatiestation van TenneT/Enexis.

Op het bedrijventerrein is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. Zij hebben aangegeven dat zij circa 3,4 hectare terrein nodig hebben voor de uitbreiding van het verdeelstation en de bijbehorende kabels. In de toekomst is nog meer ruimte nodig om aanpassingen aan het hoogspanningsnetwerk te kunnen doorvoeren, om leveringszekerheid van stroom te garanderen.

3.6 Gemeentelijk beleid

3.6.1 Omgevingsvisie Landstad Hardenberg
3.6.1.1 Beleidskader

Sinds 2021 beschikt de gemeente Hardenberg over een eigen Omgevingsvisie, waarin zij haar visie voor de komende twintig jaren heeft uitgewerkt. Deze Omgevingsvisie is samengesteld in samenwerking met vele stakeholders uit diverse sectoren en heet 'Landstad Hardenberg'. In de visie wordt de functie van de hele regio verder uitgebouwd.

  • a.

    De gemeente en samenleving zijn verbonden. De Hardenbergers hebben de blik naar buiten en zien voortdurend kansen. Door een goede samenwerking tussen inwoners, overheid en bedrijfsleven benutten we de kansen die zich voordoen. De gemeente speelt in op toekomstige veranderingen, veert mee, verbindt en investeert waar nodig.

  • b.

    De kernen zijn onderling sterk verbonden. Platteland en stad raken steeds meer verweven. De gemeente combineert de kracht van het platteland met een compleet stedelijk voorzieningenniveau. Voor een grensgemeente is dat een unieke prestatie.

  • c.

    De gemeente zoekt de regionale verbinding. Hardenberg is onderdeel van de regio Zwolle. Daarnaast zijn er sterke verbindingen met Twente en Drenthe.

Ambitie

De gemeente Hardenberg staat voor grote uitdagingen. Een groeiende bevolking en economie zijn voor een grensregio niet vanzelfsprekend. Integendeel, dit vraagt om blijvende inspanningen en investeringen. De gemeente kan niet doorbouwen zoals het groot is geworden. Het gebruik van het platteland verandert. Dit vraagt om ontwikkeling van bebouwing die samengaat met ruimtelijke kwaliteit, landschap en natuur. Stad en land vullen elkaar steeds meer aan en houden elkaar in balans. Samen vertellen zij het verhaal van de functieverandering van het Hardenbergse platteland. 'Of-of-denken' maakt plaats voor 'en-en-denken'.

De gemeente wil de kwaliteiten van het buitengebied versterken door stedelijke elementen aan te brengen. Tegelijkertijd blijft de gemeente werken aan het binnenstedelijk woon- en leefklimaat met vitale en bruisende centra in Hardenberg en Dedemsvaart.

De gemeente Hardenberg staat niet op zichzelf. Sociale, maatschappelijke en economische relaties zijn steeds (boven)regionaler. Hardenberg wordt steeds afhankelijker van de omliggende regio's, omgekeerd geldt hetzelfde. De gemeente speelt hier op in. Per opgave kiest de gemeente het juiste schaalniveau voor de aanpak en samenwerking. De gemeente gaat 'spelen met schalen'. De gemeente staat voor een nieuwe schaalsprong. Om deze schaalsprong te kunnen maken, zijn in de Omgevingsvisie vier uitgangspunten benoemd:

  • a.

    groei vasthouden en doortrekken;

  • b.

    toevoegen van kwaliteiten wordt belangrijker;

  • c.

    ruimte als troefkaart;

  • d.

    bereikbaarheid en samenwerking als randvoorwaarden.

Deze visie is vertaald in vier thema's voor ontwikkeling:

  • a.

    Hardenberg in balans: over de verscheidenheid van het landelijk gebied;

  • b.

    Hardenberg voor elkaar: over stedelijke ontwikkeling, een vitale samenleving en leefbare kernen;

  • c.

    Hardenberg knooppunt: over een vitale economie en goede bereikbaarheid;

  • d.

    Hardenberg duurzaam: over de energietransitie, klimaatadaptatie en een circulaire economie.

Binnen elk thema heeft de gemeente ambities en staat de gemeente voor opgaven. Samen vormen ze de agenda voor toekomstige samenwerkingen. In dit geval zijn met name het thema 'Hardenberg knooppunt' en 'Hardenberg Duurzaam' relevant.

Hardenberg Knooppunt

Om in de toekomst een vitale gemeente te blijven en de inwoners een brede welvaart te kunnen bieden is een concurrerende economie en een goede bereikbaarheid noodzakelijk. In de Omgevingsvisie is aangegeven dat in de bedrijfssectoren agro-food, innovatieve maakindustrie en toerisme en recreatie de gemeente Hardenberg (boven)regionaal het verschil maakt. Dat wordt onder andere bereikt door ruimte vrij te maken voor nieuwe bedrijven. De gemeente beschikt over ruimte zodat bedrijven met een grote ruimtevraag binnen de gemeente terecht kunnen. Daarbij wordt aangegeven dat het niet alleen maar gaat om hectares; een goed vestigingsklimaat is minstens zo belangrijk. Ook een goede bereikbaarheid is een belangrijke voorwaarde.

Het thema 'Hardenberg knooppunt' is in de Omgevingsvisie verder uitgewerkt in vier verschillende paragrafen:

  • a.

    een vitale economie, nu en in de toekomst;

  • b.

    onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal;

  • c.

    naar een nieuwe economie;

  • d.

    mobiliteit.

Een vitale economie

Door de strategische ligging is Hardenberg een logistieke hotspot; een scharnier- en zwaartepunt voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De gemeente participeert in de Euroterminal Emmen-Coevorden-Hardenberg, een schakel in het vervoer van containers uit Duitsland per spoor naar Rotterdam.

De sterk ontwikkelde agribusiness en de industriesector vormen de kern van de gemeentelijke economie. Mede door het grote aantal familiebedrijven heeft de gemeente een vrij stabiele economie. Deze zijn vooral gericht op de langere termijn en sterk geworteld in de regio.

De bedrijvendynamiek is naar verhouding beperkt. Zowel het aantal faillissementen als het aantal startende ondernemers is lager dan gemiddeld. Het huidige midden- en kleinbedrijf is belangrijk voor een vitale economie, zowel nu als voor de toekomst. Ook het aantrekken van nieuwe ondernemingen is van belang. Hardenberg is vooral een gemeente van agrarische productieruimte en bedrijventerreinen, minder van kantoorlocaties. Groeiende bedrijven hebben daardoor vaak een grote ruimtebehoefte.

De afgelopen jaren zijn er veel hectares aan bedrijventerrein bij gekomen. In de afgelopen twintig jaar gaf de gemeente jaarlijks gemiddeld zes hectare bedrijventerrein uit; in een paar piekjaren was dit veel meer. Gelet op de economische structuur, de bedrijvendynamiek en de gemeentelijke ambitie zal dit de komende jaren zo blijven.

De Nederlandse economie verandert. Trends als de circulaire economie en smart-industry zorgen voor een toenemende ruimtevraag. Externe investeerders overwegen een vestiging in Hardenberg. Hun ruimtevraag is vaak aanzienlijk. Daarom moet ook in de toekomst voldoende uitgeefbaar bedrijventerrein en voldoende zachte plancapaciteit zijn. De gemeente wil daarom tijdig inspelen op de actuele, kwalitatieve vraag vanuit de markt.

De gemeente wil een krachtige en concurrerende economie stimuleren. Deze wordt beïnvloed door allerlei factoren zoals aantrekkelijke woonomgevingen, sterke recreatie, investeringen in cultuur, versnelling van energietransitie en investeringen in verkeer en vervoer.

De gemeente heeft de ambitie om bovenregionale bedrijven met een grote ruimtevraag (vooral in de maakindustrie) te kunnen bedienen. Zo kan de gemeente uitgroeien tot een van de werkgelegenheidsmotoren binnen Oost-Nederland. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte maken voor de uitbreiding van lokale bedrijven en logistieke bedrijven in de regio.

De gemeente wil ondernemers aantrekken, vasthouden en ruimte geven om te groeien. Dit vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat.

Een van opgaven zoals opgenomen in de omgevingsvisie luidt als volgt:

'We moeten voortdurend blijven beschikken over voldoende goede werklocaties'.

De bestaande voorraad moet aan de eisen van de tijd blijven voldoen. Voor nieuwe vraag is nieuwe ruimte nodig. Daarbij wordt ook gekeken naar uitbreiding van bedrijventerrein in Dedemsvaart

Onze arbeidsmarkt: toekomstgericht en regionaal

Om economische groei een bijdrage te laten leveren aan een brede welvaart wordt in de Omgevingsvisie aangegeven dat de werkgelegenheid moet groeien. Dat vraagt zowel om kwantitatieve groei (omvang van de activiteiten) als kwalitatieve groei (aard van de activiteiten).

Naar een nieuwe economie

Vanuit economisch oogpunt is klimaatadaptatie en energietransitie zowel een opgave als een kans voor het bedrijfsleven. De gemeente streeft ernaar om samen met de bedrijven invulling te geven aan de opgaven rondom vermindering van de CO2-uitstoot. Een andere belangrijke voorwaarde voor een toekomstbestendige, krachtige en concurrerende economie is om deze zo snel mogelijk circulair te maken.

Een van de opgaven is dan ook om op werklocaties ruimte te bieden voor circulaire activiteiten.

Mobiliteit

Vanwege de ligging van de gemeente aan de grens wordt de rol in het goederenvervoer per spoor van (noord-)Duitsland naar Rotterdam steeds groter. De gemeente participeert in de Euroterminal Emmen-Coevorden-Hardenberg. De gemeente heeft een scharnierfunctie voor vervoersstromen in het noordoosten van het land. De afstand tot het landelijk netwerk van autosnelwegen is groot, maar de gemeente is via N-wegen met de omliggende regio's verbonden.

Voor een goed vestigingsklimaat is een vlotte en veilige bereikbaarheid voor alle soorten vervoer een belangrijke voorwaarde. Er zal ruimte gecreëerd moeten worden op de bestaande infrastructuur door in te zetten op verbetering van het openbaar vervoer, de fiets en verbetering van de ketenmobiliteit.

Hardenberg Duurzaam

Binnen de Omgevingsvisie is duurzaamheid en dan met name energietransitie en klimaatadaptatie een groot thema waar de gemeente Hardenberg het aankomende jaar op inzet.

Energietransitie

In de omgevingsvisie staan meerdere ambities en opgaven beschreven. Hiermee wil gemeente Hardenberg in 2030 voldoen aan de landelijke opgave om de CO2-uitstoot met 49% terug te brengen. Het Klimaatakkoord gaat voor 2050 uit van een afname van de CO2-uitstoot van 95%. Dit betekent dat Hardenberg in 2050 een duurzame en fossielvrije energievoorziening heeft.

Klimaatadaptatie

Bij maatregelen om effecten van klimaatverandering tegen te gaan heeft elke partij zijn eigen rol. Dit verschilt per soort maatregel:

  • a.

    Droogte heeft vooral veel invloed op landbouw en natuur. Het waterschap is hierbij aan zet. Indien de benodigde maatregelen om extra ruimtebeslag vragen, speelt de gemeente een rol bij de afwegingen hierover;

  • b.

    Hittestress wordt vooral op lokaal niveau aangepakt. De gemeente betrekt inwoners bij keuzes rondom de inrichting van de buitenruimte. Inwoners worden aangemoedigd zelf actie te ondernemen, bijvoorbeeld door het vergroenen van de tuin (operatie Steenbreek);

    NB: In het geval van Rollepaal Oost zal hierbij gekeken worden naar de betreffende bedrijven op het bedrijventerrein.

  • c.

    Bij het tegengaan van wateroverlast binnen de bebouwde kom onderneemt de gemeente zelf actie, zo nodig samen met het waterschap. In het landelijk gebied neemt het waterschap initiatief;

  • d.

    Bij hoge waterstanden in de Vecht nemen overstromingsrisico's toe. De dijken langs de Vecht zijn nu zo hoog en sterk dat het minder dan eens per 200 jaar tot een overstroming zou mogen leiden. Vanuit het Deltaprogramma (hoogwaterbeschermingsprogramma) houdt het waterschap de sterkte en hoogte van de dijken in de gaten. Elke 12 jaar worden de dijken getoetst en als het nodig is verbeterd. Zo 'groeien' de dijken mee met de klimaatontwikkeling.

3.6.1.2 Toetsing aan beleid

Onderhavige ontwikkeling past bij de ambitie om tijdig in te spelen op de actuele, kwalitatieve vraag van de markt naar meer bedrijventerreinen. In het kader van duurzaamheid is besloten het nieuwe bedrijventerrein niet aan te sluiten op gas. Tevens wordt binnen de planregels ruimte geboden voor duurzame energieopwekking en voor de opslag hiervan.

Geconcludeerd wordt dat het initiatief hiermee naadloos aansluit op de ambities zoals verwoord in de gemeentelijke omgevingsvisie 'Landstad Hardenberg'.

3.6.2 Economische koers gemeente Hardenberg, Agenda 2023 - 2026
3.6.2.1 Beleidskader

In de economische koers wordt onderstreept dat bedrijventerreinen in belangrijke mate bij aan de brede welvaart van Hardenberg. Voor de uitbreidingswensen van de bestaande bedrijven en de nieuwvestiging van bedrijven die waarde toevoegen aan het gemeentelijk economisch ecosysteem moet er voldoende planvoorraad beschikbaar worden gemaakt, met name voor bedrijven in de sterke sectoren.

Om voldoende plancapaciteit te houden wordt gestuurd op de programmeringsafspraken met provincie en regio (zie paragraaf 3.5.3).

Voor wat betreft werklocaties worden de volgende doelstellingen geformuleerd:

  • a.

    voldoende, kwalitatief, aanbod van bedrijventerreinen;

  • b.

    een hogere mate van duurzaamheid en toekomstbestendigdheid in overeenkomst met landelijke en lokale doelstellingen;

  • c.

    door innovatie en samenwerking met water- en energiebedrijven wordt het gebruik van beide geoptimaliseerd.

3.6.2.2 Toetsing aan beleid

Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en programmeringsafspraken West Overijssel ten aanzien van werklocaties voldaan (zie ook paragraaf 3.5.3).

3.6.3 Strategiebrief bedrijventerreinen 2023
3.6.3.1 Beleid

Met de Strategiebrief 'Bedrijventerreinen in ontwikkeling' beoogt het college invulling te geven aan een adaptief bedrijventerreinenbeleid . De basis hiervoor is gelegd in Omgevingsvisie Landstad Hardenberg en de Nieuwe economische koers.

Aangegeven wordt dat bedrijventerreinen van groot belang zijn voor de Hardenbergse economie. Een aanzienlijk deel (circa 35%) van de gemeentelijke werkgelegenheid is er te vinden. Voldoende toekomstbestendige bedrijfslocaties in de gemeente Hardenberg zijn ook belangrijk voor de economische (streek-)functie in Noordoost-Overijssel en de omliggende regio. De ligging van Hardenberg op het knooppunt van de economische centra Zwolle, Drenthe-Groningen en Twente biedt steeds meer kansen voor de regio overstijgende ontwikkeling van kennis en innovatie. Met name in de hoogwaardige maakindustrie.

Voor de gemeentelijke bedrijvenstrategie zijn in de strategiebrief een aantal uitgangspunten geformuleerd:

  • a.

    bedrijventerreinen zijn essentieel voor de brede welvaart van Hardenberg;

  • b.

    verschillende, veelal onvoorspelbare ontwikkelingen in het ruimtelijk en economisch domein vereisen een effectieve en wendbare aanpak van ontwikkeling en beheer van bedrijventerreinen;

  • c.

    de huidige uitgeefbare planvoorraad is onvoldoende om op langere termijn aan de grote vraag naar bedrijfskavels in het bijzonder bij de eigen ondernemers, te kunnen voldoen;

  • d.

    om de economische doelen ook op middellange en lange termijn te kunnen verwezenlijken moet ook aandacht worden besteed aan de toekomstbestendigheid van de bestaande terreinen.

Aan de hand van deze uitgangspunten zijn vier hoofdopgaven geformuleerd:

  • a.

    evenwicht brengen in vraag en aanbod (kwantitatief en kwalitatief) van werklocaties op bedrijventerreinen;

  • b.

    versterken van de toekomstbestendigheid en efficiënt ruimtegebruik van bestaande bedrijventerreinen;

  • c.

    ontwikkelen van een selectief uitgiftebeleid (en transparant verkoopproces;

  • d.

    stimuleren en faciliteren van de energietransitie op bedrijventerreinen.

3.6.3.2 Toetsing aan beleid

Met de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt aan de geformuleerde doelstellingen en opgaven voldaan. Voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost zijn met name opgaven 1 en 4 relevant.

In de strategienota wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van in totaal 21 hectare netto bedrijventerrein verdeeld over twee fasen. Daarbij wordt gericht op bedrijven in de zwaardere categorie en met grote kavels (meer dan 3 hectare). Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het streven om de grotere bedrijventerreinen binnen de gemeente te concentreren in de kernen Hardenberg en Dedemsvaart. De definitieve programmering van de 2e fase vindt in het kader van de actualisatie van de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) plaats.

Bij ontwikkeling van nieuwe bedrijventerrein worden de kwalitatieve ambities uit de regionale programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3)

Ten aanzien van het stimuleren en faciliteren van de energietransitie wordt voor Rollepaal Oost uitgegaan van een gasloos bedrijventerrein.

Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal wordt samen met de aanwezige ondernemers volop gekeken naar de energiehuishouding van de aanwezige bedrijven en naar de mogelijkheden om deze toekomstbestendiger te maken.

3.6.4 Waterplan Hardenberg
3.6.4.1 Beleidskader

Het water in Hardenberg staat niet op zichzelf. Het water (zowel aan het oppervlak als in de grond) is onderdeel van grotere watersystemen, beginnend in Duitsland en eindigend in het Zwarte Water. Het is daarom van belang te weten welke knelpunten en kansen op dit stroomgebiedniveau spelen en welke consequenties dit voor het watersysteem in Hardenberg heeft. De belangrijkste uitgangspunten van het beleid bij deze uitvoering zijn het niet afwentelen op benedenstroomse gebieden (bijvoorbeeld dat het overtollige water in buurgemeenten niet tot extra problemen mag leiden) en het principe van water 'vasthouden - bergen - afvoeren'.

Bij water gaat het niet alleen om de hoeveelheid water, maar ook om schoon water. Ook hiervoor geldt dat gemeente Hardenberg niet alleen in staat is om het water (weer) schoon te krijgen. Veel van de vervuiling in het water komt vanuit Duitsland en vanuit Drenthe naar Hardenberg toe. Dit vraagt om internationale oplossingen. De gemeente Hardenberg draagt ook bij aan de watervervuiling en zal moeten bijdragen aan het verminderen ervan.

3.6.4.2 Toetsing aan beleid

In hoofdstuk 6 'Bescherming van de waterbelangen' wordt inzichtelijk gemaakt op welke wijze omgegaan wordt met de waterbelangen in en rond het plangebied.

3.6.5 Beleidsplan archeologie
3.6.5.1 Beleidskader

Met de per 1 september 2007 van kracht geworden Wet op de archeologische monumentenzorg wordt een eigen verantwoordelijkheid van gemeenten ten aanzien van archeologie verwacht. De gemeente Hardenberg wil de besluitvorming zoveel mogelijk zelf ter hand nemen, om zo min mogelijk afhankelijk te zijn van mogelijke interventies van het Rijk of de provincie.

Het gaat de gemeente Hardenberg om een zeer zorgvuldige omgang met het bodemarchief. Die omvang vindt echter niet meer plaats in een isolement van besluitvorming door alleen archeologen, maar in een arena waarbij ook gekeken wordt naar de realisatie van de planvorming, het voorkomen van mogelijke vertraging, de kosten van een opgraving, benuttingsmogelijkheden en andere aspecten. Kortom: besluitvorming over de omgang met het Hardenbergse bodemarchief in maatschappelijke context met een duidelijke bestuurlijke, en dus ook politieke verantwoordelijkheid.

Vanaf 30 juni 2009 geldt het 'Beleidsplan Archeologie' van de gemeente Hardenberg samen met de bijbehorende 'Archeologische Beleidskaart'. Hierin is aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan bijvoorbeeld worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst.

3.6.5.2 Toetsing aan beleid

In paragraaf 7.1 wordt nader ingegaan op deze archeologische waarden met betrekking tot het plangebied en de bescherming daarvan. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in lijn met het gemeentelijk archeologiebeleid.

3.6.6 Welstandsnota
3.6.6.1 Beleidskader

In een welstandsnota staan beleidsregels die de gemeente toepast bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken voldoen aan de redelijke eisen van welstand. Ook kunnen bepaalde gebieden worden aangewezen die welstandsvrij zijn.

Binnen de gemeente is het welstandsbeleid vastgelegd in een tweetal welstandsnota's, te weten voor stads-en dorpskernen binnen de gemeente en voor het buitengebied.

3.6.6.2 Toetsing aan beleid

Stads- en dorpskernen

Voor de stads- en dorpskernen geldt de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'. Deze nota is vastgesteld op 29 november 2011. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor de stads- en dorpskernen opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0031.jpg
figuur 3.2 - uitsnede ligging welstandniveaus Dedemsvaartwelstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit'

Uit de kaart blijkt dat voor grote delen van het bestaande bedrijventerrein Rollepaal een welstandniveau 0 (geel = laag) geldt. Het is het beleid gericht op het handhaven van de aanwezige basiskwaliteit. De gebieden zijn welstandsvrij. Er vindt geen welstandsbegeleiding of beoordeling plaats.

Voor het gebied aan weerszijden van Rollepaal geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten.

Ter hoogte van de Moerheimstraat is sprake van welstandsniveau 2 (rood = hoog). Het betreft een gebied dat van grote betekenis is voor de totaalbeeld van Dedemsvaart. Het gebied heeft een bijzondere cultuurhistorische betekenis vanwege de route langs de hoofdvaart. Nieuwe ingrepen zullen daarom met extra aandacht en zorg worden beoordeeld. Het beleid is erop gericht om dit beeld te handhaven en te versterken.

Voor de genummerde deelgebieden (11, 12 en 13) is destijds een beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld.

Buitengebied

Voor het buitengebied van Hardenberg geldt de 'Welstandsnota Buitengebied'. Deze nota is vastgesteld op 3 december 2013. In navolgende figuur is een uitsnede van de welstandskaart voor het Buitengebied opgenomen ter hoogte van het voorliggende plangebied.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0032.jpg
figuur 3.3 - uitsnede ligging welstandniveaus BuitengebiedWelstandsnota Buitengebied

Ter plaatse van de uitbreiding van het bedrijventerrein vallen de gronden binnen de open Veenontginning. Voor buitengebied geldt een welstandsniveau 1 (oranje = midden). Hier is een zorgvuldige beoordeling van bouwkundige ingrepen nodig. De nadruk ligt hierbij op het handhaven en respecteren van kenmerkende gebiedskwaliteiten.

In de Welstandsnota Buitengebied wordt voor het welstandsniveau uitgegaan van agrarisch gebruik van de gronden.

Op grond van de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal geen nieuwe grootschalige ontwikkelingen verwacht. Voor het bestaande bedrijventerrein wordt in de welstandsnota 'Visie op beeldkwaliteit' in voldoende mate toegezien op welstand langs de Rollepaal en Moerheimstraat.

Conclusie

De uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt in beide welstandsnota's niet voorzien. Voor de gewenste ontwikkeling is een nieuw specifiek welstandskader wenselijk. Voor het gebied is in aanvulling op het stedenbouwkundig plan een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is als bijlage 2 in de motivering opgenomen en wordt in paragraaf 7.4 verder toegelicht.

De relevante welstandsregels voor het uiterlijk van bouwwerken worden in de planregels van de wijziging van het omgevingsplan verwerkt.

3.6.7 Programma Duurzaamheid / Strategiebrief Energietransitie
3.6.7.1 Beleidskader

Hardenberg is al jaren hard aan de slag met het verduurzamen van de gemeente. Een omvangrijke opgave die voortvarend is en wordt opgepakt. Dit geldt zowel voor de eigen gemeentelijke gebouwen en activiteiten als de inrichting van de leef- en werkomgeving. Elke vier jaar staat in een meerjarenplan (MJP) aan hoe de gemeente deze duurzaamheidsopgave wil aanpakken. In totaal zijn er drie relevante kernopgaven:

  • a.

    energietransitie:

    terugbrengen van het energieverbruik (energie besparen) en het realiseren van een duurzame energievoorziening voor stroom en warmte. Dit vanuit de ambitie om vier jaar lang minimaal 2% per jaar te besparen op het energieverbruik en daarna 1,5% per jaar tot 2030 en 30% van de energiebehoefte van de gemeente Hardenberg in 2030 duurzaam op te wekken binnen de gemeentegrens;

  • b.

    klimaatadaptatie:

    omgaan met effecten van hittestress, droogte en wateroverlast in combinatie met waterveiligheid, gericht op het voorkomen en tegengaan van deze effecten. Dat doet de gemeente samen met diverse partners en doelgroepen;

  • c.

    circulariteit:

    faciliteren van een circulaire economie en kringlooplandbouw waarin grondstoffen, onderdelen en producten hun waarde behouden (hergebruik) en afval niet (of nauwelijks) meer ontstaat. Dit betreft een relatief nieuwe opgave voor de gemeente.

3.6.7.2 Toetsing aan beleid

In paragraaf 7.5 'Duurzaamheid en klimaatadaptatie' en in het MER (hoofdstuk 10) wordt uitgewerkt op welke wijze op Rollepaal Oost hier invulling aan wordt gegeven.

3.6.8 Groene en Gezonde Maatlat
3.6.8.1 Beleidskader

De Groene en Gezonde Maatlat (GGM) is een beleidsinstrument dat is ontwikkeld door de gemeenteraad van Hardenberg om ruimtelijke ontwikkelingen te sturen richting een groenere, gezondere en klimaatbestendige leefomgeving.

De maatlat als beleid is formeel vastgesteld door de gemeenteraad op 2 december 2024. Het is geen zelfstandig beleidsdocument, maar vormt een inhoudelijke aanvulling op bestaande kaders zoals de omgevingsvisie "Landstad Hardenberg". De maatlat wordt in de toekomst juridisch verankerd via actualisaties van de omgevingsvisie en mogelijk het omgevingsplan.

Voor bedrijventerreinen zoals Rollepaal zijn, in navolging van de Programmeringsafspraken West Overijssel (zie paragraaf 3.5.3) in de maatlat specifieke ambities opgenomen:

  • a.

    Water- en bodemsysteem als sturend principe: functies moeten zich aanpassen aan het natuurlijke systeem.

  • b.

    Natuurinclusief en klimaatadaptief bouwen: maatregelen zoals waterberging, vergroening, en hittestressreductie zijn gewenst.

  • c.

    Gezonde en aantrekkelijke werkomgeving: aandacht voor biodiversiteit, schaduw, en verblijfsplekken.

Voor bedrijventerreinen >3 ha geldt dat de maatlat toegepast gaat worden in alle fasen van het planproces, van locatiekeuze tot ontwerp en realisatie.

3.6.8.2 Toetsing aan beleid

Hoewel de Groene en Gezonde Maatlat (GGM) nog in ontwikkeling was tijdens de eerste fase van de planvorming voor Rollepaal Oost, sluit de uitbreiding van het bedrijventerrein goed aan bij de beleidsdoelen van dit gemeentelijke kader.

Bij het opstellen van het plan is rekening gehouden met het bodem- en watersysteem als leidend uitgangspunt. Daarnaast wordt ingezet op klimaatadaptieve maatregelen, zoals het aanleggen van waterberging en het toevoegen van groen. Ook is er aandacht voor het creëren van een gezonde werkomgeving, waarbij biodiversiteit wordt versterkt en hittestress zoveel mogelijk wordt beperkt, zie paragraaf 7.5.

3.6.9 Motie gemeenteraad: voorzieningen Rollepaal

Op 7 december 2021 heeft de gemeenteraad ingestemd met de aankoop van gronden ten behoeve van de uitbreiding van Rollepaal Oost. Daarbij is in een motie aangenomen dat de uitbreiding van Rollepaal wenselijk wordt bevonden, maar dat overlast voor omwonenden zoveel als mogelijk moet worden voorkomen (zie bijlage 1). Daarbij wordt gedacht aan voorzieningen zoals een 'geluidwal met beplanting', met als doel de bedrijven aan het zicht te onttrekken en zoveel mogelijk geluid- en lichthinder te voorkomen. Het zicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving dient te worden voorkomen door landschappelijke inpassing.

Het college wordt opgedragen te onderzoeken welke landschappelijk inpasbare voorzieningen getroffen kunnen worden, waardoor de gehele uitbreiding aan het zicht onttrokken kan worden, en de raad over dit onderzoek te informeren.

In de voorliggende plannen wordt voorzien in de realisatie van een grondwal met opgaande beplanting (zie paragraaf 2.2.1).

4 Waarborgen van de veiligheid

4.1 Toetsingskader

Het waarborgen van de veiligheid is één van de thema's die op grond van artikel 2.1 (lid 3) van de Omgevingswet deel uitmaken van de fysieke leefomgeving. Met het omgevingsplan gemeente Hardenberg moet worden bijgedragen aan de doelen van de Omgevingswet en moet het omgevingsplan dus ook voldoende waarborgen voor de veiligheid bieden.

In paragraaf 5.1.2 van het Bkl zijn instructieregels opgenomen met de minimale vereisten voor de uitwerking van dit thema in de motivering van de wijziging en regels van het omgevingsplan. In de artikelen 5.3 tot en met 5.35 van de instructieregels wordt vervolgens ingegaan op de uitwerking die voor het subthema externe veiligheid rond risicobronnen als het basisnet, hogedruk aardgasleidingen, vuurwerkopslagen, ontplofbare stoffen en Seveso-activiteiten in het omgevingsplan moet worden opgenomen. Hiervoor geldt dat op grond van de instructieregel de norm voor het plaatsgebonden risico in acht moet worden genomen en geldt daarnaast een motiveringsplicht voor het mogelijk maken van beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen (en locaties) binnen het aandachtsgebieden rond dergelijke bronnen. Aandachtsgebieden zijn gebieden waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevaren die in de omgeving kunnen optreden. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Aandachtsgebieden maken inzichtelijk in welk gebied zich, bij een ongeval bij een activiteit met gevaarlijke stoffen, nog levensbedreigende gevolgen voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Binnen de aandachtsgebieden is extra aandacht nodig om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

De aandachtsgebieden zijn onder te verdelen in:

  • a.

    Brandaandachtsgebieden (BAG)

    Het BAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een plasbrand of een fakkelbrand, de warmtestraling ten hoogste 10 kW/m2 bedraagt.

  • b.

    Explosie-aandachtsgebied (EAG)

    Een EAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een kokende vloeistof-gasexpansie-explosie (een BLEVE: Boiling Liquid Expanding Vapor Explosion), de warmtestraling ten hoogste 35 kW/m2 is, en een explosie, anders dan onder a, waarvan de overdruk ten hoogste 10 kPa is.

  • c.

    Gifwolkaandachtsgebied (GAG)

    In een GAG is de locatie begrensd door de afstand, waar als gevolg van een ongewoon voorval dat leidt tot een gifwolk, personen in een gebouw overlijden door blootstelling aan ten hoogste de bij ministeriële regeling bepaalde vastgestelde concentratie van een gevaarlijke stof. Als het GAG groter is dan 1,5 km wordt het GAG tot deze afstand begrensd in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De volledige GAG is verder wel relevant voor bijvoorbeeld crisiscommunicatie en kan dus niet beschouwd worden als niet relevant.

Voorschriftengebieden

Aandachtsgebieden kunnen leiden tot voorschriftengebieden indien er sprake is van nieuwbouw, voor bestaande gebouwen gelden voorschriftengebieden niet. Indien men zeer kwetsbare gebouwen wil toestaan in een aandachtsgebied wordt dat aandachtsgebied of het gedeelte met nieuwbouw automatisch een voorschriftengebied. Aanvullende bouweisen gelden voor de nieuwbouw zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Om te beginnen moet in de motivering van het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan worden betoogd waarom het beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouw of de beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie binnen het aandachtsgebied moet worden geprojecteerd. Het projecteren van kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen binnen het gebied waar het plaatsgebonden risico groter is dan 10-6 per jaar is niet toegestaan.

Bij het toestaan van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen kan de gemeente afzien van een voorschriftengebied, mits goed gemotiveerd. Het bepalen van voorschriftengebieden, de motivatie voor de te nemen maatregelen en dergelijke is een verantwoordelijkheid van de gemeente.

Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen

In paragraaf 5.1.2.3 van het Bkl is bepaald dat het omgevingsplan geen kwetsbare gebouwen en zeer kwetsbare gebouwen mogen worden toegelaten binnen het belemmeringen gebied rond buisleidingen. Daarnaast moet de veiligheid van de buisleiding niet worden geschaad door de activiteiten die met het omgevingsplan worden toegelaten.

Overige veiligheidsthema's

Behalve door het werken met, opslaan van of vervoeren van gevaarlijke stoffen, kunnen ook andere activiteiten binnen of buiten het deelgebied in kwestie aanleiding geven tot branden, rampen of crises. In de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan van Brandweer Nederland zijn hiervoor de volgende thema's aangewezen:

  • a.

    bluswater en bereikbaarheid;

  • b.

    externe veiligheid;

  • c.

    natuurbranden;

  • d.

    windturbines;

  • e.

    overstroming en klimaatadaptatie;

  • f.

    evenementen;

  • g.

    het gebruik van gebouwen;

  • h.

    rookoverlast.

Bij het opstellen van de wijziging van het omgevingsplan wordt aangesloten bij de uitwerking volgens de Handreiking Bouwstenen Fysieke Veiligheid in het Omgevingsplan.

4.2 Toetsing

In het kader van het MER is aandacht besteed aan omgevingsveiligheid. Uit de Atlas van de leefomgeving blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen sprake is van vervoer van gevaarlijke stoffen over het water of het spoor met een externe werking, zie figuur 4.1. Wel is sprake van risicovolle inrichtingen, diverse buisleidingen en vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377, zie figuur 4.2.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0034.jpg
figuur 4.1 - route transport gevaarlijke stoffen incl. aandachtgebieden Omgevingsverordening Overijssel

Vervoer gevaarlijke stoffen N377

De N377 maakt deel uit van het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen. Het industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding daarvan met Rollepaal Oost ligt niet binnen de invloedssfeer van dit vervoer van gevaarlijke stoffen over deze provinciale weg. Bovendien zijn er in de provinciale omgevingsverordening hierover geen instructieregels opgenomen die in deze wijziging van het omgevingsplan moeten worden uitgewerkt. Daarom is het vervoer van gevaarlijke stoffen over de N377 bij deze wijziging van het omgevingsplan buiten beschouwing gelaten.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0035.jpg
figuur 4.2 - externe Veiligheid in Atlas Leefomgeving (plangebied geel omkaderd)Atlas Leefomgeving

Risicovolle inrichtingen

  • a.

    Aan de Rheezerend 54 bevindt zich een risicovolle inrichting, namelijk een tankstation waarbij er sprake is van de verkoop van LPG. Ter plaatse van een LPG-tankstation zijn drie bronnen relevant voor de risicobeoordeling: het vulpunt, de LPG-afleverinstallatie en het LPG-reservoir. Voor deze bronnen gelden drie verschillende contouren ten aanzien het plaatsgebonden risico. De plaatsgebonden risicocontouren liggen niet over het plangebied heen. Het brandaandachtsgebied van het tankstation is 60 meter, het explosieaandachtsgebied is 150 meter. Het plangebied bevindt zich net buiten het explosieaandachtsgebied.

  • b.

    De Pluimveeslachterij Plukon b.v. is gelegen aan de Langewijk 135, ten noordwesten van het plangebied op het bedrijventerrein Rollepaal. Het bedrijf bevindt zich op een afstand van circa 500 meter van het plangebied. Hier bevindt zich een ammoniak-koelinstallatie van 5.000 liter. De 10-6 plaatsgebonden risicocontour van deze inrichting ligt buiten de begrenzing van het plangebied.

Aardgasleidingen

Ten zuiden en oosten van het plangebied is een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen gelegen. Een overzicht hiervan is in tabel 4.1 gegeven. De PR-contouren liggen op de leidingen zelf en reiken niet tot het plangebied. Het plangebied bevindt zich op circa 253 meter van de buisleidingenstrook.

De brandaandachtsgebieden zijn berekend door de Gasunie en weergegeven op de kaart Atlas Leefomgeving. Hieruit blijkt dat het zuidelijk deel van het industrieterrein Rollepaal en deelgebied Rollepaal Oost in de brandaandachtsgebieden van de buisleidingen is gelegen, zie figuur 4.2.

Er is geen sprake van explosie- of gifwolkaandachtsgebieden bij een buisleiding die aardgas transporteert.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0036.jpg
tabel 4.1: overzicht hoge druk aardgasleidingen

Gevolgen voor de wijziging van het omgevingsplan

Bluswater en bereikbaarheid

Voor hulpdiensten is het belangrijk om zo snel mogelijk ter plaatse te kunnen zijn om hulp te kunnen bieden bij incidenten, rampen en crises. Adequate bluswatervoorziening en goede bereikbaarheid van zowel de bluswatervoorziening als de incidentlocatie zijn randvoorwaarden voor een effectieve en efficiënte incidentbestrijding door de brandweer.

Op grond van artikel 22.13 van de in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg opgenomen bruidsschat, bedraagt de afstand tussen een bluswatervoorziening en brandweeringangen in de panden op Noord IV niet meer dan 40 meter. Het beeldkwaliteitsplan dat aan deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg ten grondslag ligt, borgt de aanleg van verschillende watergangen binnen het deelgebied Rollepaal Oost.

Voor alle kavels op Rollepaal Oost geldt dat de bedrijfsbebouwing binnen 40 meter van een watergang kan worden gerealiseerd, zoals weergegeven in figuur 4.3.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0037.jpg
figuur 4.3 - veiligheid: bluswater

De gemeente Hardenberg draagt zorg voor de aanleg van de wegenstructuur binnen Rollepaal Oost. Zij zal er daarbij voor zorgen dat wordt voldaan aan artikel 22.14 van het tijdelijke deel van het omgevingsplan over de bereikbaarheid van de kavels voor hulpdiensten.

Externe veiligheid

Het zuidelijke deel van het industrieterrein Rollepaal en Rollepaal Oost ligt binnen het brandaandachtsgebied rond de ten zuiden daarvan gelegen hogedruk aardgasleidingen. Binnen dit brandaandachtsgebied liggen op het industrieterrein Rollepaal verschillende kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen. Met de wijziging van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, wordt het bouwen van beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen binnen het brandaandachtsgebied mogelijk gemaakt.

Op grond van artikel 5.14 van het Bkl kan de gemeente in dat geval (voor zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding) een brandvoorschriftengebied aanwijzen. Door het aanwijzen van dit brandvoorschriftengebied, moet bij de bouw van nieuwe beperkt kwetsbare gebouwen op grond van de artikelen 4.91 tot en met 4.95 van het Besluit bouwwerken leefomgeving worden voldaan aan specifieke eisen voor de brandwerendheid van gevels, kozijnen en daken. Daarnaast mogen er zich aan de zuidzijde van deze beperkt kwetsbare gebouwen geen vluchtdeuren bevinden.

Door het vaststellen van een brandvoorschriftengebied en daarmee borgen dat deze beschermende maatregelen worden genomen bij de bouw van deze (beperkt) kwetsbare gebouwen, wordt invulling gegeven aan artikel 5.15, lid 2, onder b sub 1 van het Bkl. Daarnaast zullen er gelet op het weinig personeelsintensieve gebruik van deze gronden relatief weinig personen tegelijkertijd binnen het brandaandachtsgebied aanwezig zijn. De gemeente heeft daarom afgezien van het uitvoeren van een onderzoek naar het groepsrisico dat met de wijziging van het omgevingsplan samenhangt.

Natuurbranden

In de omgeving van industrieterrein Rollepaal zijn geen natuurgebieden die in verband met het brandgevaar daarvan aanleiding kunnen geven tot een risico voor de veiligheid van de gebruikers van het industrieterrein.

Windturbines

Er zijn geen windturbines op of rond het industrieterrein Rollepaal.

Overstroming en klimaatadaptatie

Het industrieterrein ligt relatief hoog, zodat - ondanks de nabijheid van de Dedemsvaart – er een verwaarloosbaar klein risico op overstroming van het industrieterrein bestaat.

Evenementen

Het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg staat geen evenementen op het industrieterrein toe.

Rookoverlast

In het omgevingsplan worden regels opgenomen om ontwrichtende rookoverlast door brand van opslagen in de buitenlucht te voorkomen.

4.3 Conclusie

In het stedenbouwkundige ontwerp zijn de bluswatervoorziening binnen Rollepaal Oost vastgelegd. Het brandaandachtsgebied dat over het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost ligt wordt aangewezen als brandvoorschriftengebied zoals bedoeld in artikel 5.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Bovendien worden er regels over het voorkomen van ontwrichtende rookoverlast bij brand van opslagen op het buitenterrein aan het omgevingsplan verbonden.

Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden.

5 Bescherming van gezondheid en milieu

5.1 Luchtkwaliteit

De gemeente Hardenberg is niet aangewezen als een agglomeratie zoals bedoeld in het Bkl. Met de wijziging van het omgevingsplan voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost wordt evenmin een tunnel voor het wegverkeer mogelijk gemaakt. Daarom is deze instructieregel niet op deze wijziging van het omgevingsplan van toepassing. Op de milieubelastende activiteiten die op Rollepaal Oost mogelijk worden gemaakt en die emissies naar de lucht zullen veroorzaken, is paragraaf 5.4.4 van het Bal van toepassing. Daarmee wordt de kwaliteit van de buitenlucht voldoende beschermd. Daarom worden in aanvulling hierop het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg geen maatwerkregels op het gebied van luchtkwaliteit opgenomen.

5.2 Geluid

5.2.1 Toetsingskader

Geluidhinder is één van de thema's die onder de onderdelen gezondheid en het milieu van de fysieke leefomgeving te vatten zijn. Dit betekent dat de gemeente Hardenberg bij het uitoefenen van haar taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg moet dragen voor het voorkomen en beperken van geluidhinder.

In paragraaf 3.2.1.1 van deze motivering is al aangegeven dat in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) rijksregels zijn opgenomen over het voorkomen en beperken van geluidhinder. Het Bkl kent met betrekking tot geluid instructieregels in hoofdstuk 3 en 5.

De instructieregels in hoofdstuk 3 (afdeling 3.5) zijn bedoeld voor het beheersen van de geluidemissie door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (gericht op de bronbeheerder, vaststellen geluidproductieplafonds).

De instructieregels in hoofdstuk 5 zijn specifiek bedoeld voor de evenwichtige toedeling van functies aan locaties bij het toestaan van milieubelastende activiteiten, de aanleg of wijziging van het gebruik van gemeentewegen, waterschapswegen of lokale spoorwegen (zonder geluidproductieplafonds) en het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen binnen een geluidaandachtsgebied, waarbij rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Daarnaast regelt hoofdstuk 5 het geluid van activiteiten.

Geluidproductieplafonds wegen en spoorwegen

Voor de beheersing van het geluid van rijkswegen, hoofdspoorwegen, provinciale wegen, en sommige lokale spoorwegen wordt het systeem van geluidproductieplafonds (gpp) gehanteerd. Rond geluidbronnen met gpp's ligt een geluidaandachtsgebied; een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg of spoorweg waarbinnen het geluid op een geluidgevoelig gebouw hoger kan zijn dan de van toepassing zijnde standaardwaarde in de dosismaat Lden.

Industrielawaai en gpp's

Onder de Omgevingswet wordt de geluidbelasting door industrieterreinen met geluidproductieplafonds (gpp's) beheerst. Deze gpp's bestaan uit grenswaarden voor het equivalente geluidimmisieniveau op referentiepunten rond het industrieterrein. Voor bestaande industrieterreinen mag op grond van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet tot 1 januari 2032 gebruik worden gemaakt van het stelsel van de voormalige Wet geluidhinder. Voor nieuwe industrieterreinen en bij wijziging van de begrenzing van een bestaand industrieterrein moet met de wijziging van het omgevingsplan waarmee deze mogelijk worden gemaakt, gebruik worden gemaakt van de systematiek van gpp's. Daarnaast moeten de regels in het omgevingsplan borgen dat de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein niet hoger wordt dan de gpp's. De gpp's worden vastgelegd in de dosismaten Lden en Lnight. Dit zijn jaargemiddelde waarden, in tegenstelling tot de huidige beoordeling op basis van langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus in de representatieve bedrijfssituatie.

Cumulatie

Naast het bestaande begrip cumulatie wordt onder de Omgevingswet het begrip 'gezamenlijk geluid' geïntroduceerd:

  • a.

    Bij cumulatie van geluid wordt rekening gehouden met de verschillen in hinderlijkheid tussen geluidbronsoorten (wegverkeer, industrielawaai, railverkeerslawaai).

  • b.

    Bij het nieuwe begrip 'gezamenlijk geluid' worden de geluidniveaus van verschillende geluidbronsoorten bij elkaar opgeteld zonder correcties. Het gezamenlijke geluid wordt gebruikt bij het bepalen van de geluidwering van nieuwe woningen.

Het gecumuleerde niveau wordt berekend om de aanvaardbaarheid van het totale geluidaanbod te kunnen beoordelen. Deze aanvaardbaarheid kan worden beoordeeld aan de hand van een zogenoemde milieu-kwaliteits-maat waarmee de akoestische kwaliteit van de leefomgeving tot uitdrukking wordt gebracht, zie de navolgende tabel.

Tabel 5.1 - kwaliteitsindicatie cumulatieve geluidbelasting

geluidbelasting Lcum [dB]

geluidkwaliteit

<45

zeer goed

46-50

goed

51-55

redelijk

56-60

matig

61-65

tamelijk slecht

66-70

slecht

= 71

zeer slecht

Overig wegverkeerslawaai

Voor wegen van gemeenten en waterschappen en de meeste lokale spoorwegen wordt het systeem van de basisgeluidemissie gehanteerd. Het geluid wordt gemonitord door het volgen van de verkeersontwikkeling. Deze monitoring wordt gefaseerd ingevoerd: eerst voor wegen met meer dan 4.500 motorvoertuigen per etmaal en uiterlijk vijf jaar later voor wegen tussen 1.000 en 4.500 motorvoertuigen per etmaal. Voor rustige wegen tot 1.000 motorvoertuigen per etmaal is monitoring niet vereist.

Het monitoringsresultaat wordt vergeleken met de basisgeluidemissie: als het geluid met 1,5 dB is gegroeid ten opzichte van de basisgeluidemissie, moet de wegbeheerder afwegen of er maatregelen getroffen worden om het geluid te beperken. Als die maatregelen niet of onvoldoende helpen en het geluid binnen geluidgevoelige gebouwen boven de grenswaarde komt, moeten maatregelen getroffen worden die het binnengeluid verminderen.

Maximaal geluidniveau

Voor de beoordeling van hinderlijkheid van geluid zijn ook piekgeluiden van belang. In het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg zijn grenswaarden opgenomen voor het maximale geluidniveau dat door milieubelastende activiteiten op mag treden.

5.2.2 Toetsing

De regeling voor Rollepaal Oost en Rollepaal (industrielawaai)

Op het bestaande industrieterrein Rollepaal is het toegestaan om activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken uit te oefenen. Op grond van de bestemmingsplannen 'Dedemsvaart', 'Uitbreiding Hakvoort', 'Dedemsvaart, bedrijventerrein Rollepaal Oost, zuidelijk gedeelte' en 'Buitengebied Hardenberg' geldt rond het industrieterrein een zone zoals bedoeld in hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder. De hiervoor genoemde bestemmingsplannen maken deel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg.

Op de uitbreiding van het bestaande industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost, zullen ook activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken worden toegelaten. Dit houdt in dat de begrenzing van het industrieterrein met de wijziging van het omgevingsplan zal moeten worden aangepast, zodat deze begrenzing ook de uitbreiding met Rollepaal Oost omvat. Hierdoor ontstaat een nieuw industrieterrein.

Dit betekent dat het overgangsrecht op grond van artikel 3.6, lid 1 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet niet meer op dit uitgebreide industrieterrein van toepassing is. Door deze uitbreiding moet dus de bestaande zone worden omgezet in de systematiek van gpp's en zal bovendien de geluidruimte die nodig is voor de activiteiten die op Rollepaal Oost zullen worden uitgeoefend, in deze gpp's moeten worden verwerkt.

Op de omzetting van de zone die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder naar de systematiek van gpp's, moet op grond van artikel 12.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden uitgegaan van de geluidproductie op het industrieterrein die is toegestaan bij maximale benutting van de grenswaarden die daarop op grond van de voormalige Wet geluidhinder van toepassing zijn. Dit betekent dat met het besluit tot wijzigen van het omgevingsplan waarmee de uitbreiding Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt:

  • a.

    eerst de bestaande zone moet worden omgezet in gpp's, waarbij wordt uitgegaan van de maximaal mogelijke invulling die de wettelijke grenswaarden die op grond van hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder gelden

  • b.

    vervolgens op basis van deze maximale invulling de geluidbelasting op referentiepunten rond het bestaande industrieterrein de geluidbelasting uitgedrukt in de dosismaten Lden en Lnight niet worden berekend, die als gpp's moeten worden vastgesteld.

  • c.

    hierop een nieuwe berekening moet worden uitgevoerd, waarbij daarnaast rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het industrieterrein met het deelgebied Rollepaal Oost en daarmee op nieuwe referentiepunten opnieuw de geluidbelasting uitgedrukt in Lden en Lnight moeten worden berekend die uiteindelijk als definitieve gpp's in het omgevingsplan moeten worden vastgesteld

  • d.

    tot slot moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die ervoor zullen zorgen dat de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein gezamenlijk geen grotere geluidbelasting veroorzaken dan de grenswaarden die op grond van de gpp's gelden.

De berekeningen die hiervoor nodig waren zijn beschreven in het akoestisch onderzoek ‘Akoestisch onderzoek uitbreiding Rollepaal Oost‘ van DGMR dat als bijlage bij deze motivering is gevoegd. Naast de uitwerking in de regels van het omgevingsplan, zijn deze gegevens ook opgenomen in de zogenoemde Centrale Voorziening GeluidGegevens (CVGG) van het Rijk.

In het akoestisch onderzoek zijn de gpp's rond het industrieterrein berekend op basis van:

  • a.

    de voormalige zone op grond van hoofdstuk 5 van de (voormalige) Wet geluidhinder en de vastgestelde hogere grenswaarden, met daarbij opgesteld

  • b.

    de geluidruimte die nodig is voor de bedrijven die zich op Rollepaal Oost zullen vestigen.

Bij het inschatten van de geluidruimte die nodig is voor de toekomstige bedrijven op Rollepaal Oost is uitgegaan van de aard van de bedrijven die de gemeente daar wil laten vestigen. Één van deze nieuwe bedrijven heeft zich al aangemeld: het transformatorstation van Enexis dat op het meest noordelijke kavel van Rollepaal Oost zal worden gerealiseerd. In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met de geluidruimte die voor dit transformatorstation nodig is. Dit alles heeft uiteindelijk geleid tot het vastleggen van 39 referentiepunten in het omgevingsplan met bijbehorende gpp's.

Zeventien van deze 39 referentiepunten liggen op 470 meter van de grens van het industrieterrein, met een onderlinge afstand van eveneens 470 meter. Binnen deze afstand liggen verschillende woningen rondom het industrieterrein.

Daarnaast liggen er langs de Moerheimstraat (dat geen deel uitmaakt van het industrieterrein) ook verschillende woningen als een enclave omgeven door het industrieterrein. Deze woningen genieten door de op grotere afstand van de grens van het industrieterrein gelegen referentiepunten onvoldoende bescherming tegen geluidhinder. Daarom is ervoor gekozen om ter hoogte van deze woningen eveneens referentiepunten vast te stellen en ook op deze punten gpp's vast te stellen met de wijziging van het omgevingsplan. Het op deze manier ontstane stelsel van gpp's is geïllustreerd in de onderstaande figuur.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0038.jpg
figuur 5.1 - de in het omgevingsplan vastgelegde gpp's rond industrieterrein Rollepaal

De ligging van de hierboven weergegeven 39 referentiepunten én de daarbij behorende gpp's voor de dosismaten Lden en Lnight zijn opgenomen in een planregel die aan het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is toegevoegd.

Op grond van artikel 5.78f moeten er daarnaast regels aan het omgevingsplan worden toegevoegd die ervoor zorgen dat vanwege de geluidbelasting door de milieubelastende activiteiten die op het industrieterrein worden uitgevoerd. Om dit te borgen is aan elk kavel op het industrieterrein een quotum aan geluidbelasting per individueel referentiepunt toegekend. De som van alle quota op elk referentiepunt is gelijk aan de op dat referentiepunt vastgestelde gpp's voor het Lden en Lnight. In de planregel is bepaald dat de geluidbelasting die door de bedrijven op het industrieterrein op de referentiepunten optreedt niet hoger mag zijn dan dit quotum toelaat.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0039.jpg
figuur 5.2 - kavels op het industrieterrein waarvoor quota zijn vastgesteld om aan artikel 5.78f Bkl te voldoen

Deze systematiek sluit aan bij de systematiek van de VNG-publicatie 'Activiteiten en milieuzonering'. Om ervoor te zorgen dat er geen strijdigheid ontstaat met de planregels waarmee de gebruiksactiviteiten voor het bestaande industrieterrein in het tijdelijke deel van het omgevingsplan zijn vastgelegd, is deze regel als voorrangsbepaling in het omgevingsplan opgenomen. Bovendien is artikel 22.63 niet van toepassing verklaard voor de milieubelastende activiteiten op het industrieterrein Rollepaal en het deelgebied Rollepaal Oost. Om ervoor te zorgen dat niettemin ook grenswaarden voor het maximale geluidniveau LAmax ter hoogte van omliggende woningen, is hiervoor een aanvullende planregel aan het omgevingsplan verbonden.

Voor wat betreft de geluidbelasting ter hoogte van de rond het industrieterrein gelegen woningen die binnen het daaromheen liggende geluidaandachtsgebied liggen, blijkt uit het akoestisch onderzoek dat de uitbreiding met het deelgebied Rollepaal Oost niet leidt tot een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde voor industrielawaai en/of dan al was toegestaan voor uitbreiding. Hiermee is de uitbreiding voor het aspect geluid in de omgeving aanvaardbaar.

Uitzondering hierop vormt de woning aan de Schutwijk 2. Op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is hier de gebruiksactiviteit wonen toegestaan. Deze woning ligt in de toekomstige situatie ingeklemd tussen het bestaande industrieterrein Rollepaal en de uitbreiding van dit industrieterrein met Rollepaal Oost. Dit wordt geïllustreerd met de onderstaande figuur.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0040.jpg
figuur 5.3 – ligging van de woning aan de Schutwijk 2

In overleg met de eigenaar van deze woning is besloten om naast de woonactiviteit, op deze locatie ook het gebruik als kantoorruimte toe te staan. De woonactiviteit blijft daarbij onverminderd toegestaan op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat door de bijzondere ligging van deze woning ten opzichte van zowel het bestaande industrieterrein als de uitbreiding van het industrieterrein, de geluidbelasting ter hoogte van deze woning wel toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie.

In de bestaande situatie bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 55 dB voor het Lden en 45 dB voor het Lnight. Na uitbreiding van het industrieterrein met Rollepaal Oost bedraagt de geluidbelasting ter hoogte van deze woning 58 dB voor het Lden en 48 dB voor het Lnight. Dit is weliswaar meer dan de standaardwaarden van 50 en respectievelijk 40 dB voor het Lden en Lnight, maar minder dan de grenswaarden van 60 en respectievelijk 50 dB voor het Lden en Lnight op grond van artikel 3.34 van het Bkl.

In overeenstemming met dit artikel 3.34 is bij het tot stand komen van deze wijziging de geluidbelasting door het uitbreiden van het industrieterrein zoveel als mogelijk beperkt. Ter hoogte van de overige omliggende woningen is immers geen sprake van een toename van de geluidbelasting. Omdat de geluidbronnen op het industrieterrein op relatief grote afstand liggen, kan de geluidbelasting ter hoogte van de woning aan de Schutwijk bovendien niet redelijkerwijs tot op of onder de standaardwaarde worden beperkt. Uit de resultaten van het akoestisch onderzoek volgt dat het gecumuleerde geluidniveau ter hoogte van deze woning in de bestaande situatie 58 dB bedraagt en in de toekomstige situatie 61 dB zal bedragen. Daarmee neemt de MilieuKwaliteitMaat ter hoogte van deze woning af van tamelijk slecht tot slecht.

Omdat de grenswaarde voor de geluidbelasting door het industrielawaai niet wordt overschreden en het handhaven van de woonfunctie de uitdrukkelijke wens van de eigenaar is, is de gemeente van mening dat sprake is van een aanvaardbare akoestische situatie ter hoogte van deze woning. Met de regels van het gewijzigde omgevingsplan wordt ter hoogte van deze woning de waarde van het gezamenlijke geluid vastgesteld op 59 dB.

Wegverkeerslawaai

Het plan maakt daarnaast een nieuwe weg mogelijk en heeft een verkeersaantrekkende werking die leidt tot een toename van het verkeer op de omliggende wegen. In het kader van de indirecte akoestische effecten hebben we daarom het geluid vanwege het wegverkeer bepaald en vergeleken met de referentiesituatie. Hieruit volgt dat deze bij alle woningen niet meer toeneemt dan 1,5 dB. Hiermee zijn de indirecte effecten aanvaardbaar.

5.2.3 Conclusie

Met de voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal met het deelgebied Rollepaal Oost mogelijk gemaakt. Hiervoor is de rond het industrieterrein op grond van het tijdelijke deel geldende zone volgens hoofdstuk 5 van de voormalige Wet geluidhinder omgezet naar de systematiek van geluidproductieplafond op grond van de Omgevingswet.

Deze omzetting leidt er niet toe dat ter hoogte van de omliggende woningen ofwel de standaardwaarden voor het Lden en Lnight worden overschreden óf sprake is van een hogere geluidbelasting dan voor de uitbreiding. Daarnaast neemt door de uitbreiding de geluidbelasting door het wegverkeer in de omgeving van het industrieterrein niet toe met meer dan 1,5 dB. Met beide onderdelen is aangetoond dat er met de uitbreiding van het industrieterrein sprake is van een evenredige toedeling van functies aan locaties voor het milieuaspect geluid.

5.3 Trillingen

5.3.1 Toetsingskader

Op grond van artikel 5.83 van het Bkl moet bij het wijzigen van het omgevingsplan rekening worden gehouden met trillingen door activiteiten in trillingsgevoelige ruimten van trillingsgevoelige gebouwen; het plan moet erin voorzien dat deze trillingen aanvaardbaar zijn. Het toepassingsbereik van deze instructieregel omvat alle activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, met uitzondering van de activiteit wonen, activiteiten in de openbare buitenruimte, evenementen buiten een evenementenlocatie en verkeer op wegen, spoorwegen en waterwegen. In artikel 5.86 van het Bkl is aangegeven dat aan de instructieregel wordt voldaan als aan het omgevingsplan standaardwaarden voor continue trillingen en herhaald voorkomende trillingen worden verbonden.

5.3.2 Toetsing

In artikel 22.88 van het omgevingsplan gemeente Hardenberg zijn de bedoelde standaardwaarden voor continue trillingen opgenomen. Met de wijziging van het omgevingsplan zijn daarom aanvullend hierop standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen, in overeenstemming met artikel 5.78a van het Bkl aan het omgevingsplan verbonden.

5.3.3 Conclusie

De regels in het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg bieden voldoende waarborgen voor de bescherming tegen trillingshinder door de milieubelastende activiteiten op de uitbreiding met industrieterrein Rollepaal Oost.

5.4 Bodemkwaliteit

5.4.1 Toetsingskader

Op grond van de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl moeten er in het omgevingsplan regels worden opgenomen die eisen stellen aan de kwaliteit van de bodem waaraan moet worden voldaan, om bouwactiviteiten op een bodemgevoelige locatie toe te kunnen staan. Een omgevingsplan kan deze bouwactiviteit toestaan als op een locatie deze grenswaarden worden overschreden, als daarbij wordt voorgeschreven dat sanerende of andere beschermende maatregelen getroffen worden. Daarnaast moet in het omgevingsplan op zijn minst een meldingsplicht worden ingesteld voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Ook moeten er regels in het omgevingsplan worden opgenomen die het in stand houden van de sanerings- en andere beschermende maatregelen borgen.

Naast regels over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw, moeten er op grond van de instructieregels regels aan het plan worden verbonden over het op of in de grond brengen van grond en baggerspecie. Zo kan er in het omgevingsplan een zogenoemd bodembeheergebied worden aangewezen en moet in het omgevingsplan de landbodem worden ingedeeld in bodemfunctieklassen.

In 2023 heeft de gemeenteraad van de gemeente Hardenberg de Nota Bodembeheer Regio IJsselland 2023 en de bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. Deze Nota Bodembeheer heeft een geldigheidsduur van 10 jaar. Op grond van het overgangsrecht zijn de bodemfunctiekaart en het gebiedsspecifieke beleid dat in deze Nota Bodembeheer zijn opgenomen, gelijkgesteld aan het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg, tot dit beleid haar geldigheid verliest.

Op 6 mei 2025 heeft de raad van de gemeente Hardenberg een wijziging van haar omgevingsplan vastgesteld waarmee het gebiedsspecifieke beleid uit de Nota bodembeheer wordt overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. In de wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg waarmee de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal met Rollepaal Oost mogelijk wordt gemaakt, worden daarom géén regels over het nuttig toepassen van grond of baggerspecie in het nieuwe deel van het omgevingsplan opgenomen. Wel zijn er regels opgenomen waarmee de bouw van bodemgevoelige gebouwen vergunningplichtig is.

5.4.2 Toetsing

Op grond van de artikelen 22.26 en 22.27 van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw vergunningplichtig gemaakt. Daarmee wordt voldaan aan de instructieregels van het Bkl.

Op grond van de bodemfunctieklassekaart die deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, rust op Rollepaal Oost de bodemfunctieklasse 'Industrie'; wat past bij de gebruiksactiviteiten die daar met de wijziging van het omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

5.4.3 Conclusie

Met het vergunningplichtig maken van het bouwen van bodemgevoelige gebouwen, de bodemfunctieklasse die op grond van de thematische wijziging van het omgevingsplan op gebied van bodembescherming in het plan is opgenomen, wordt voldoende waarborg geboden voor de kwaliteit van de bodem.

5.5 Geur

5.5.1 Toetsingskader

De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door de geuruitstoot die samenhangt met activiteiten die in of om het plangebied zijn toegestaan. In het omgevingsplan moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het deelgebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelgebied optreedt. In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, is een instructieregel opgenomen, op grond waarvan in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat het geurhinderniveau binnen het plangebied aanvaardbaar is. In deze instructieregel zijn voor dat doel aanwijzingen opgenomen waaraan de regels voor waterzuiveringsinstallaties en het houden van landbouwhuisdieren moeten voldoen. Voor het overige is het aan de gemeente gelaten of en welke aanvullende regels nodig zijn om de geurbelasting door overige activiteiten in het plangebied aanvaardbaar te laten zijn.

De provincie Overijssel heeft de Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen) 2024 vastgesteld. Hierin zijn aanvaardbaar geurhinderniveau van bestaande en nieuwe mba's opgenomen Verder zijn er streef-, richt- en grenswaarden voor geur opgenomen voor verschillende gebiedstypen en geurtypen, waaraan bij vergunningverlening voor mba's wordt getoetst.

Voor de uitbreiding Rollepaal Oost wordt in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan aangesloten bij het provinciale beleid voor nieuwe situaties (artikel 5 en 8 van de beleidsregel), dit betekent dat wordt uitgegaan van de streefwaarde, beoordeeld voor categorie A voor geurgevoelige gebouwen (gebiedscategorie wonen of buitengebied). In de beleidsregel zijn voor nieuwe activiteiten de onderstaande streefwaarden opgenomen en voor bestaande activiteiten de onderstaande grenswaarden. De getalswaarden zijn opgenomen als ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel.

Aard van de geurlast

Streefwaarde

Richtwaarde

Zeer hinderlijk

0,05

0,15

Hinderlijk

0,15

0,5

Minder hinderlijk

0,5

1,5

Minst hinderlijk

1,5

5

5.5.2 Toetsing

Voor het bestaande industrieterrein zijn de gebruiksactiviteiten op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan toegestaan door gebruik te maken van de systematiek van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering. Daarbij zijn de afstanden die in deze publicatie voor de verschillende categorieën van bedrijfsmatige activiteiten worden gehanteerd, afgestemd op de afstand waarop de bedrijven in kwestie aan een geurnorm van 0,5 ouE/m3 als 98 onderschrijdingspercentiel kunnen voldoen. De provinciale beleidsregel is bedoeld als beoordelingskader aan de hand waarvan de provincie aanvragen voor omgevingsvergunningen zal toetsen. Daarom is er bij het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg voor de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal voor gekozen om de regels voor de toegelaten geurbelasting door nieuwe bedrijven op Rollepaal Oost te baseren op deze provinciale beleidsregel.

5.5.3 Conclusie

In het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg wordt voor de milieubelastende activiteiten op Rollepaal Oost een regel opgenomen waarin is aangesloten bij de provinciale Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten 2024.

5.6 Licht

5.6.1 Toetsingskader

Locaties met kunstmatige verlichting kunnen verschillende soorten negatieve effecten veroorzaken. Lichthinder is een thema dat decentrale overheden moeten afwegen. Rijksregels zijn er alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Er is ook een leidraad voor overheden. Kunstmatige verlichting kan vier soorten negatieve effecten veroorzaken:

  • a.

    hinder voor de mens;

  • b.

    hinder langs wegen;

  • c.

    verstoring van de natuur;

  • d.

    horizonvervuiling.

Effectafstanden

De lichthinder die kunstmatige verlichting veroorzaakt hangt af van de aard, intensiteit, duur en plaats van de verlichting. Over effectafstanden van kunstmatige verlichting is nog weinig bekend. Deze afstanden zijn afhankelijk van verschillende aspecten:

  • a.

    de kenmerken van de verlichting (zoals verlichtingsintensiteit, de golflengtes ofwel spectrale samenstelling van het licht, de vorm van de armatuur, et cetera);

  • b.

    de situatie waarin de verlichting plaatsvindt (de transparantie van het landschap).

In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Het omgevingsplan kan bijvoorbeeld ambities bevatten over lichthinder in de openbare ruimte, eventueel in de vorm van omgevingswaarden, maar ook een zorgplicht met betrekking tot lichthinder, beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen en bevoegdheden tot het stellen van maatwerkvoorschriften over lichthinder.

5.6.2 Toetsing

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat de referentiesituatie lichthinder door omwonenden werd ervaren vanaf het bestaande bedrijventerrein Rollepaal. De lichtreclame zorgde voor een oranje gloed in de avond- en nachtperiode. Ook is de terreinverlichting goed zichtbaar vanaf de bestaande woningen, ondanks een afschermende grondwal. De straatverlichting is over het algemeen 6 meter hoog langs wegen waar vrachtwagens rijden. Door deze gericht en afgeschermd te plaatsen kan lichthinder zoveel mogelijk worden voorkomen. Mogelijke hinder door koplampen wordt voorkomen door de grondwal.

Als gevolg van het toevoegen van bedrijvigheid op Rollepaal Oost kan sprake zijn van lichthinder. Aan de noord- en oostkant van de uitbreiding wordt een grondwal gerealiseerd. Het bedrijventerrein biedt ruimte aan meerdere type bedrijven waaronder het nieuwe station van TenneT. Dit station zal niet structureel worden verlicht.

Bij onderdelen op het terrein zal in de avond- en nachtperiode verlichting aanwezig zijn dat vergelijkbaar is met een buitenlamp aan een woning. Bij calamiteiten en werkzaamheden in de avond- en of nachtperiode is goede verlichting noodzakelijk voor de veiligheid. Dit zal incidenteel plaatsvinden waardoor extreme lichthinder wordt uitgesloten. Met maatregelen zoals armaturen die naar beneden/op de betreffende objecten zijn gericht zal het uitstralingseffect nihil zijn.

De overige kavels worden naar verwachting ingericht met distributiecentra, recyclingbedrijven en overige bedrijvigheid. Het is in dit stadium nog onduidelijk of de geplande activiteiten buiten of inpandig plaats zullen vinden. Naar verwachting wordt het terrein van bedrijven met een transportfunctie verlicht met lichtmasten.

In het stedenbouwkundige plan dat voor het realiseren van het omgevingsplan is opgesteld (zie paragraaf 2.2.1), is ingegaan op de mogelijkheden om lichthinder in de omgeving van Rollepaal Oost te beperken. In uitwerking op het stedenbouwkundig plan over licht is een aantal regels aan het plan verbonden. In de regels is bepaald dat:

  • a.

    verlichting die binnen Rollepaal Oost wordt gebruikt en richting de grondwal is gericht, maximaal 4 meter hoog mag zijn.

  • b.

    verlichte reclame-uitingen niet hoger mogen zijn dan 4 meter boven maaiveld

  • c.

    reclameuitingen voorzien van verlichting tussen 23:00 en 07:00 moeten zijn uitgeschakeld en dat terreinverlichting moet zijn voorzien van armaturen die ervoor zorgen dat er geen licht buiten het bedrijfsterrein wordt geworpen.

De beperking van de hoogte van verlichte reclame-uitingen tot 4 meter en het uitschakelen daarvan tussen 23:00 en 07:00 zorgt er in combinatie met de grondwal van 3 meter voor dat deze in de dag- en avondperiode vanaf de oost- en noordzijde gezien niet zichtbaar zal zijn in de dag- en avondperiode door afscherming en in de nachtperiode door de uitschakeling. In de dag- en avondperiode wordt de lichtreclame aan de westzijde niet afgeschermd richting de overige bedrijven. Aan de zuidzijde zorgt de groensingel tijdens het bladdragende deel van het jaar voor afscherming in de dag- en avondperiode. Daarnaast is in het omgevingsplan bepaald dat lichtreclame niet mag knipperen, bewegen of op een andere manier dynamisch mag zijn.

5.6.3 Conclusie

In het omgevingsplan zijn regels opgenomen over het uitschakelen van verlichte reclameuitingen tussen 23:00 en 07:00 uur en het voorkomen van lichthinder door het gebruik van terreinverlichting.

Daarnaast zijn er in het omgevingsplan regels opgenomen over hoe hoog de lichtmasten mogen zijn, hoe hoog verlichte reclame-uitingen mogen worden opgehangen en dergelijke. Daardoor wordt met de planregels voldoende waarborg tegen het optreden van lichthinder geboden.

5.7 Bezonning

5.7.1 Toetsingskader

Binnen Nederland zijn er geen formele eisen gesteld aan de bezonning van woningen, bouwwerken of percelen. Er is geen wet die het recht op bezonning regelt. De gemeente Hardenberg heeft nog geen beleid vastgesteld voor wat betreft bezonning en nadelige schaduwwerking op omliggende woningen.

In het geval een gemeente niet over dergelijk beleid beschikt, dan kunnen de algemeen gehanteerde TNO-richtlijnen worden toegepast voor het beoordelen van de effecten van beschaduwing. TNO kent een licht en een strenge norm:

  • a.

    de lichte TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam;

  • b.

    de strenge TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

Deze normen zijn alleen van toepassing op gevels die zon kunnen ontvangen; noordgevels ontvangen nooit direct zonlicht.

5.7.2 Toetsing

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is aangegeven dat het planvoornemen uitgaat van een bedrijventerrein met een maximale bouwhoogte van 15 meter aan de oostzijde. Door de afstand van de bebouwing tot de plangrens (vanwege de tussenliggende grondwal, water, groenstroken, fiets- en wandelpaden en interne wegen, zie ) is schaduwwerking vanwege de gebouwen op de omliggende woningen uitgesloten.

Ten ondersteuning is aanvullend een bezonningsstudie bijgevoegd waarin voor de vier seizoenen op maatgevende dagen en tijdstippen het verloop van schaduwwerking in beeld is gebracht over het verloop van de dag. Het gaat daarbij om:

  • a.

    lente: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur;

  • b.

    zomer: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00, 18:00 en 20:00 uur;

  • c.

    herfst: 21 maart om 9.00, 12:00, 15:00 en 17:30 uur;

  • d.

    winter: 21 maart om 9.30, 12:00 en 15:00 uur.

De bezonningsstudie is als bijlage 11 in de motivering van het voorliggende omgevingsplan opgenomen. Uit de bezonningsstudie wordt bevestigd dat er geen sprake is van schaduwwerking vanwege de bedrijfsgebouwen op de omliggende woningen, met uitzondering van de bestaande woning aan de Rheezerend 17 tijdens het vallen van de schemering in de winterperiode op 21 december. Daarbij geldt als kanttekening dat op het terrein van TenneT/Enexis in de praktijk minder veel minder bebouwing mag worden gerealiseerd dan waar nu rekening mee is gehouden in de bezonningsstudie. Bovendien komt deze verder van de grondwal af. Dit zal gevolgen hebben voor de schaduwwerking ter plaatse.

Rondom het bedrijventerrein wordt een grondwal gerealiseerd van 3 meter hoogte met beplanting. Aan de oostzijde van het bedrijventerrein zijn agrarische gronden aanwezig. Uit de inspraak op het NRD (zie paragraaf 10.1.3) bleek dat de gebruikers van deze gronden zich zorgen maakt over mogelijke schaduwwerking als gevolg van hoge objecten en de grondwal, waardoor de groei van gewassen beperkt kan worden.

Om een beeld te geven van de effecten is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ gekeken naar de zonstand (38 graden in maart ten opzichte van de horizon) en de schaduwlengte van nieuwe gebouwen en de grondwal aan de oostzijde. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconcludeerd dat wanneer de begroeiing een hoogte heeft van 10 meter, er geen sprake is van schaduw ter plaatse van de agrarische gronden. Wanneer de begroeiing uitgroeit tot circa 20 meter is er sprake van een schaduwlengte van circa 10 meter ter plaatse van de agrarische gronden.

In tegenstelling tot schaduw van bebouwing is er geen sprake van harde schaduw. Daarnaast krijgen niet alle bomen op de grondwal een hoogte van 20 meter en dient de zone langs de watergang te worden vrijgehouden als bufferzone (3 meter), waardoor de voor gewassen geschikte zone 3 meter naast de watergang ligt.

De effectzone bedraagt hierdoor 0 tot 7 meter in de vroege lenteperiode. Naarmate het seizoen vordert is er geen sprake meer van schaduwwerking. In vergelijking met de referentiesituatie is geen sprake van een noemenswaardige verslechtering van de bezonning.

5.7.3 Conclusie

In de regels en op de kaart zijn regels opgenomen met betrekking tot de situering van bedrijfsgebouwen en de maximale bouwhoogte. Hiermee wordt voldoende waarborg geboden voor de bezonning.

5.8 Gezondheid

5.8.1 Toetsingskader

Een van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid: het doel van de wet is onder meer het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Een deel van de hiervoor beschreven milieu- en omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meeste gevallen gaat om gezondheidsbescherming.

Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheid bevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor en uitnodiging tot beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. De gezondheidsbevordering en de gezondheidsbescherming kunnen echter niet tegen elkaar worden afgewogen.

Omgevingsvisie provincie Overijssel

In de omgevingsvisie van de provincie Overijssel zijn kwaliteitsambities opgenomen voor het aspect gezondheid:

  • a.

    Het realiseren van een langer leven in goede gezondheid en verminderde gezondheidsverschillen van de inwoners van Overijssel.

  • b.

    Gezonde leefomgeving, met een goede milieukwaliteit, een groene en klimaatadaptieve leefomgeving en veilig, gezond en schoon kunnen wonen, werken, recreëren en reizen.

  • c.

    Actief in de wereld, waarin de provincie met het mobiliteitsbeleid inzet op actief bewegen (fietsen, rennen, wandelen), in het beleid voor de woon- en werkomgeving meer plek maken voor beweging en ontmoeting en initiatieven faciliteren die inzetten op meer beweging.

Dit wordt gerealiseerd door de leefomgeving zo in te richten dat deze bijdraagt aan de vitaliteit en gezondheid van Overijsselaars. Ook wordt water en natuur meer binnen de bebouwde omgeving gebracht, onder andere door groenblauwe dooradering, om zo te zorgen voor wateropvang, om hittestress tegen te gaan en om de biodiversiteit te vergroten. Dit betekent onder andere dat er ook meer bomen geplant worden in het bebouwde gebied. Bomen zorgen voor meer schaduw en dus koelte in bebouwde gebieden en leveren een bijdrage aan de klimaatopgave. Als het gaat om de werklocaties in Overijssel, moeten die locaties ruimtelijk beter worden gebruikt en toekomstbestendig worden ingericht.

5.8.2 Toetsing

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is gezondheid als integraal onderdeel meegenomen: de gecumuleerde effecten van milieuaspecten zoals geluid, luchtkwaliteit, geur en veiligheid als ook sociale aspecten, kwaliteit van de openbare ruimte, aanwezigheid van groen en recreatiemogelijkheden. Deze effecten zijn zowel binnen het plangebied beschreven als de invloed van de planontwikkeling op de gezondheidsaspecten van omwonenden.

Gezondheid wordt in dit ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ betrokken op meetbare aspecten zoals geluid en luchtkwaliteit (gezondheidsbescherming) maar ook op de meer subjectieve aspecten als de aanwezigheid van groen en uitnodiging tot bewegen (gezondheidsbevordering).

Geconcludeerd wordt dat vanwege de toename van zowel industrie- als wegverkeerslawaai, plaatselijke effecten op uitzicht en de mogelijke lichthinder een negatief effect heeft op de gezondheid vanwege de gezondheidsbescherming. Door het aanleggen van de grondwal met beplanting en het vastleggen van een geluidzone met een geluidverkavelingsplan, wordt verwacht dat de effecten te minimaliseren zijn.

In het plan is evenwel veel ruimte gereserveerd voor de aanleg van groen- en waterstructuren. Daarnaast wordt voorzien in ontmoetingsplaatsen en wandel- en fietsroutes. Dit heeft een lokaal positief effect op de gezondheid van de gebruikers van het bedrijventerrein vanwege gezondheidsbevordering.

5.8.3 Conclusie

Met de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt geborgd dat de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal past binnen de geluidruimte die hiervoor met de voormalige zone op grond van de Wet geluidhinder was gereserveerd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van de omliggende woningen geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting door industrielawaai of wegverkeerslawaai.

Om verstoring van het uitzicht te voorkomen, wordt Rollepaal Oost afgeschermd van haar omgeving door een grondwal en groenstroken. Bovendien zijn er regels aan het plan verbonden die lichthinder voorkomen.

Daarmee is geborgd dat het wijzigen van het omgevingsplan geen nadelige invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden.

6 Bescherming van de waterbelangen

6.1 Toetsingskader

De belangrijkste consequentie van de Omgevingswet voor het (stedelijk) waterbeheer is dat de beleidsvrijheid van gemeenten en waterschappen verder toeneemt. Als gevolg van deregulering zal een deel van de nationale regelgeving via de zogenaamde Bruidsschat Omgevingswet naar gemeenten en waterschappen gaan. Het gaat daarbij onder andere om de regels voor lozingen in de riolering, op of in de bodem en op het oppervlaktewater en het aansluiten op de riolering. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze regels van rechtswege onderdeel van het gemeentelijk omgevingsplan (lozingen bodem en riolering en aansluiten riolering) en de Waterschapsverordening (lozingen oppervlaktewater).

De Waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Samen met het omgevingsplan bevat de Waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Er staan regels in voor verschillende soorten activiteiten. De Waterschapsverordening is te raadplegen via het DSO. Het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft vanaf inwerkingtreding van de Omgevingswet twee verordeningen: de Waterschapsverordening (combinatie van de huidige Keur en Algemene regels, maar zonder bepalingen over onderhoudsplichten) en de Onderhoudsverordening (ontleend aan de Keur).

In de Waterschapsverordening zijn regels opgenomen over beperkingengebied activiteiten, wateronttrekkingsactiviteiten, lozingsactiviteiten op een oppervlaktewaterlichaam of een zuivering technisch werk. De provincie en het waterschap hebben deze uitgangspunten verder doorvertaald in regionaal beleid en verordeningen.

6.2 Toetsing

In de POV, de Waterschapsverordening, het Bal en de bruidsschat zijn regels opgenomen om de waterkwaliteit en kwantiteit te borgen. In het omgevingsplan kunnen daarnaast nog regels worden opgenomen om wateroverlast door de gevolgen van de klimaatverandering tegen te gaan.

In het kader van het MER en het omgevingsplan is een watertoets uitgevoerd. Deze is opgenomen in het bijlagenboek 2 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2 van 2‘).

Waterkwantiteit

Uit de watertoets blijkt dat als gevolg van het voornemen circa 17 hectare verhard wordt. De benodigde waterberging bedraagt 15.540 m3. Voor de berekening van de bergingsopgave is rekening gehouden met een statistische bui van eens in de 100 jaar en een toekomstig klimaatscenario van 10%. Uit de watertoets blijkt dat de bergingsopgave gerealiseerd kan worden binnen de plangrenzen. De totale berging in de voorziene watergangen bedraagt 14.670 m3. De overige 870 m3 wordt geborgen in het groen in de vorm van wadi's. Uitgangspunt is dat waterberging gedeeltelijk op het eigen perceel wordt opgelost, waarna het geleidelijk afgevoerd kan worden op het oppervlaktewater.

Uit het onderzoek blijkt dat infiltratie in de bodem kansrijk is en het plan voldoende ruimte biedt voor de benodigde waterberging. Door de realisatie van een slotenstelsel kan het peil fluctueren en kan water worden vastgehouden en infiltreren in de bodem.

Waterkwaliteit

Uitgangspunt is dat het water wordt gescheiden bij de bron, waarbij vuilwater separaat wordt afgevoerd. Regenwater wordt via een retentiesysteem opgevangen met als doel dit vast te houden binnen het plangebied. De buitenterreinen van bedrijven bestaan over het algemeen uit open ruimte voor aanvoer en overslag van goederen en parkeerplaatsen. Regenwater dat over een bedrijventerrein stroomt kan verontreinigd raken door stoffen/materialen die zich op het terrein bevinden of activiteiten die zijn uitgevoerd. Als gevolg van afstromend hemelwater van verhard oppervlak kan sprake zijn van vervuiling van het hemelwater (PAKS, zware metalen).

Voor afvloeiend hemelwater geldt een zorgplicht. De beheerder van het terrein of oppervlak waar het hemelwater is neergekomen is verantwoordelijk voor het voorkomen dat het hemelwater wordt verontreinigd door onder andere schoonhouden van het terrein en het zo omgaan met milieugevaarlijke stoffen dat er geen verontreiniging met hemelwater kan ontstaan (artikel 2.4 van het Bal). Verontreiniging van het hemelwater is hierdoor als verwaarloosbaar te beschouwen.

In het plangebied wordt ingezet op de realisatie van natuurvriendelijke oevers. De aanleg van natuurvriendelijke oevers wordt gezien als effectieve maatregel om het ecologisch functioneren van wateren te verbeteren waaronder ook de waterkwaliteit. Een goede waterkwaliteit is afhankelijk van de aanwezigheid van verschillende planten en dieren. Door de afname van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en bemesting in de referentiesituatie en de realisatie van natuurinclusieve oevers is sprake van een licht positief effect.

6.3 Conclusie

In de bouwregels van het omgevingsplan zijn eisen opgenomen over de waterberging bij het bouwen van nieuwe gebouwen op het industrieterrein Rollepaal Oost.

7 Bescherming van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed

7.1 Cultureel erfgoed

7.1.1 Toetsingskader

Cultureel erfgoed (en werelderfgoed) is onderdeel van de fysieke leefomgeving. Voor het behoud van cultureel erfgoed zijn er internationaalrechtelijke verplichtingen die nopen tot toetsing vooraf van activiteiten die cultureel erfgoed kunnen aantasten. Onder cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving wordt verstaan: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet".

Dat andere cultureel erfgoed is roerend cultureel erfgoed (in de Erfgoedwet gedefinieerd als 'cultuurgoederen'), zoals historische schepen in een historische haven, of immaterieel cultureel erfgoed dat aan een specifieke plek gebonden is, zoals het molenaarsambacht.

In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.5 instructieregels opgenomen ten behoeve van het 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Hieronder valt ook archeologische monumentenzorg. In artikel 5.130 Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Hierbij wordt rekening gehouden met bepaalde aspecten van cultureel erfgoed die zien op:

  • a.

    het voorkomen van ontsiering, beschadiging, sloop of verplaatsing van op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten en het bevorderen van het gebruik hiervan. Dat zijn gemeentelijke monumenten en beeldbepalende of karakteristieke panden;

  • b.

    het voorkomen van aantasting van:

    • 1.

      de omgeving van rijksmonumenten en op grond van het omgevingsplan beschermde monumenten;

    • 2.

      het karakter van in het omgevingsplan beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen door de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen of andere belangrijke veranderingen;

  • c.

    het conserveren en in stand houden van archeologische monumenten, bij voorkeur op de oorspronkelijke plaats (in situ).

Provincie

In de (geconsolideerde) provinciale Omgevingsvisie staan de beleidsambities en doelstellingen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Hierin zijn ook ambities opgenomen voor landschap(structuren) en het behouden en versterken van cultureel erfgoed.

De provincie zet in op behoud van deze verzorgde, aantrekkelijke en afwisselende vrijetijdslandschappen, waarin drie elementen samenkomen: protectie (behoud van de kwaliteiten), productie (bedrijvigheid) en plezier (beleving, vermaak).

De kwaliteit van het landschap dient behouden te blijven en waar mogelijk verbeterd. Bij nieuwe plannen wordt getoetst hoe deze in het landschap passen.

In de provinciale verordening (artikel 4.12) wordt aangegeven dat in omgevingsplannen rekening dient te worden gehouden met de cultuurhistorische waarden die in het gebied aanwezig zijn, waaronder in ieder geval worden verstaan:

  • a.

    historische landschappen;

  • b.

    historisch geografische elementen en structuren;

  • c.

    cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en bouwwerken; en

  • d.

    archeologische vindplaatsen.

Het omgevingsplan dient een onderbouwing te bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met aanwezige cultuurhistorische waarden.

Gemeente Hardenberg

In de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg (2021) is beschreven dat de gemeente koerst op een vitaal landelijk gebied met:

  • a.

    een goede wisselwerking en samenhang tussen economische activiteiten zoals de landbouw en de vrijetijdseconomie (de gebruikswaarde);

  • b.

    de waardering van het gebied door inwoners en gasten (de belevingswaarde);

  • c.

    de kwaliteit van natuur, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie (de toekomstwaarde).

In de gemeentelijke erfgoedverordening (Erfgoedverordening Hardenberg 2018) wordt de bescherming van het gemeentelijke beschermd cultuurgoed geregeld. Op grond van de verordening is het verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen, of onderhoud daaraan te onthouden dat voor de instandhouding daarvan noodzakelijk is. De regels uit de erfgoedverordening die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving worden opgenomen in het omgevingsplan. Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan in voorbereiding.

In het gemeentelijke Beleidsplan Archeologie 'Met het verleden stevig verankerd op de toekomst af' (2009) is het archeologiebeleid vastgelegd (zie ook paragraaf 3.6.5). In het beleidsplan zijn alle maatschappelijke en archeologische aspecten opgenomen en tegen elkaar afgewogen. De gemeente Hardenberg heeft duidelijke uitgangspunten voor de omgang met haar bodemarchief vastgesteld.

De gemeente stelt met het beleidsplan onder andere de 'archeologische waarden- en verwachtingenkaart' en een 'archeologische beleidskaart' vast. Op de archeologische beleidskaart staan aangegeven:

  • a.

    de rijksmonumenten: hierop is het Bal van toepassing.

  • b.

    waardering van het gemeentelijk grondgebied op basis van de verwachtingswaarde archeologie: bij een 'Waarde - Archeologie 1 t/m 5' dient de bescherming van de archeologische waarden te worden geborgd in regels in het omgevingsplan (destijds bestemmingsplan).

Op deze wijze wordt aangegeven hoe bij ruimtelijke ingrepen met het bodemarchief moet worden omgegaan. Op basis van deze kaart kan op grond van de archeologische verwachtingswaarde worden vastgesteld of belangrijke waarden binnen een bepaald gebied aanwezig (kunnen) zijn en/of archeologisch onderzoek is gewenst. De bescherming op basis van de archeologische waardenkaart is waar nodig geborgd in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2) en zijn opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

7.1.2 Toetsing
Algemeen

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is een beoordeling uitgevoerd.

7.1.2.1 Cultuurhistorie

In de huidige situatie is voor Rollepaal Oost sprake van een agrarisch gebied dat uit landbouwgronden bestaat. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan (zie paragraaf 1.3.2.1) geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open veenontginningslandschap'. Dit is bedoeld om de instandhouding van de sterke gebiedskenmerken van het open veenontginningslandschap te versterken.

De gebouwen aan de Schutwijk 2 en 4 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. In het agrarisch gebied zijn geen bouwwerken met cultuurhistorische waarden aanwezig.

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geoordeeld dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt tot een verdichting ten opzichte van het huidige open beeld. Door in het stedenbouwkundige plan de bestaande landschapsstructuur met wijken als basis te gebruiken leidt het planvoornemen tot licht negatieve effecten op het landschap en de beleving van het landschap (zie voor de landschappelijke inpassing verder paragraaf 7.3).

Ten aanzien van beide gemeentelijke monumentale woningen Schutwijk 2 en 4 geldt dat hiervoor nu vooralsnog de Erfgoedverordening van toepassing is. Op termijn wordt voor alle gemeentelijke monumenten een integrale thematische wijziging vastgesteld, daarin zijn alle verordeningsregels opgenomen. Hiermee zal de bescherming van de panden en de bijbehorende omgeving in het omgevingsplan wordt geborgd. Zo wordt voorkomen dat de betreffende monumenten worden ontsierd, beschadigd of gesloopt. Aanvullend dient ook de aantasting van de omgeving te worden voorkomen, als die monumenten door die aantasting worden ontsierd of beschadigd.

Voor Schutwijk 2 wordt uitgegaan van een functieverandering waarbij het pand behouden blijft, maar dat het naast een woonfunctie, ook gebruikt zal worden als bijvoorbeeld kantoor, bedrijfs- of vergaderlocatie, waarbij de bestaande waarden van het pand en de omgeving in acht worden genomen.

7.1.2.2 Archeologie

Volgens de Archeologische waardenkaart van de gemeente Hardenberg geldt er een lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde voor een gedeelte van het plangebied. Van een groot gedeelte van het plangebied is de waarde onbekend.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0041.jpg
figuur - 7.1 - uitsnede indicatieve kaart archeologische waarden en beleid gemeente Hardenbergindicatieve kaart archeologische waarden en beleid gemeente Hardenberg

De waarden uit de archeologische beleidskaart zijn vertaald in de ter plaatse geldende bestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.2). Op grond van het geldende bestemmingsplan Buitengebied Hardenberg (zie paragraaf 1.3.2.1) hebben delen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk wanneer de werkzaamheden een oppervlakte groter dan 2.500 m2 beslaan en dieper reiken dan 50 cm.

Bij de realisatie van het bedrijventerrein zijn bodemingrepen voorzien. De locaties, dieptes en kenmerken van deze bodemingrepen zijn in dit stadium nog niet bekend. Voor de beoordeling van de effecten op archeologie is in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ er vooralsnog vanuit gegaan dat er bodemingrepen plaatsvinden in het gehele plangebied.

Hoewel er over het algemeen een lage tot middelmatige indicatieve verwachting aanwezig is, kunnen bodemingrepen een licht negatief effect hebben op mogelijk aanwezige archeologische waarden. Wanneer grondwerkzaamheden binnen de gebieden vallen met middelmatige indicatieve waarde en/of een archeologische dubbelbestemming, dan zal voor die gebieden een archeologisch onderzoek worden verricht. Mocht uit het onderzoek blijken dat maatregelen noodzakelijk zijn, dan zullen deze worden genomen. De effecten worden in het MER als licht negatief beoordeeld.

In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden de locaties met de lage tot middelmatige indicatieve (verwachtings)waarde opnieuw vastgelegd als 'gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde Rollepaal Oost'. Op de kaart worden de daarbij behorende oppervlakte en diepte van de bodemverstoring aangegeven.

In het geval er tijdens de werkzaamheden ter plaatse van locaties die niet zijn aangemerkt als 'gebieden met archeologische (verwachtings)waarde' toch archeologische vondsten worden aangetroffen, geldt er een meldingsplicht bij de archeologische dienst van de gemeente of van de provincie.

7.1.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling heeft geen onevenredige impact op het aanwezige cultureel erfgoed. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de instructieregels.

7.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

7.2.1 Toetsingskader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. In het Bkl wordt in artikel 5.129g geregeld dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Het Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. Echter, in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. De geldende planologische mogelijkheden zijn vertrekpunt bij de beoordeling. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.

Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied

Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.

De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.

Vestiging van een dienst

Als wordt voorzien in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling heeft betrekking op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft de beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.2.2 Toetsing
Algemeen

In het voorliggende geval is op grond van de geldende jurisprudentie sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarbij is de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied. Op grond hiervan dient een laddertoets te worden uitgevoerd.

Ten behoeve van de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost is een gemeentebrede laddertoets opgesteld. De ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.

7.2.2.1 Nut en noodzaak

Behoefteraming bedrijventerreinen Overijssel

De provincie Overijssel laat periodiek een raming opstellen van de toekomstige vraag naar bedrijventerreinen. Deze raming vormt de basis voor programmeringsafspraken voor de regio's Twente en West-Overijssel, waarin afspraken worden gemaakt over ontwikkeling en herontwikkeling van bedrijventerreinen in de komende jaren.

Het totale aanbod van bedrijfspanden op bedrijventerreinen in West-Overijssel bedraagt circa 247.560 m2 bvo (peildatum januari 2022). Hiermee komt het percentage aangeboden bedrijfspanden in de regio op circa 2,3%. De leegstand bevindt zich onder het frictieniveau.

De provincie Overijssel heeft Stec groep de opdracht gegeven om de ruimte voor economische groei in Overijssel te onderzoeken. Het onderzoek dat in 2023 is opgesteld, richt zich voornamelijk op de prognose voor bedrijventerreinen in de provincie Overijssel. Het onderzoek geeft inzicht in de uitbreidingsvraag voor drie regio's. Uit onderstaande tabel blijkt dat er tussen 2023 en 2040 een uitbreidingsvraag in West-Overijssel wordt verwacht van 286-511 ha netto areaal bedrijventerreinen. In de periode 2023-2030 ligt de vraag tussen 164 en 292 hectare. Dat betekent in die periode een jaarlijkse vraag van circa 20 à 36 hectare.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0042.jpg
Overzicht uitbreidingsvraag West-OverijsselStec Groep

Binnen de prognose zijn de aandelen van een tiental sectoren in beeld gebracht. De prognose van de uitbreidingsvraag in West-Overijssel is het grootst naar grootschalige distributie, grootschalige productie en het reguliere segment. De ruimtebehoefte uit de overige sectoren is zeer beperkt. Voor de doelgroep grootschalige distributie is de schaarste het grootst, in het hoge scenario is sprake van een behoefte van 32 hectare.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0043.jpg

In de programmeringsafspraken 2023-2026 bedrijventerreinen Regio West-Overijssel (provincie Overijssel, 2023) is een goedkeuring gegeven voor de uitbreiding van Rollepaal Oost met 21 hectare netto uitgeefbaar bedrijventerrein. Hierbij zijn afspraken gemaakt over de kwaliteitsambities, de provincie streeft naar toekomstbestendige bedrijventerreinen waarbij landelijke en Europese ambities ten aanzien van duurzaamheid centraal staan en water en bodem sturend zijn voor de gebiedsontwikkeling.

Rollepaal Oost

De uitbreiding van Rollepaal Oost vindt plaats buiten bestaand stedelijk gebied en moet ruimte bieden aan een breed scala bedrijven uit Dedemsvaart. Concreet hebben meerdere geïnteresseerde bedrijven uit Dedemsvaart, met een gezamenlijke omvang van meer dan 21 hectare netto, de intentie uitgesproken zich op Rollepaal Oost te vestigen. Er wordt verwacht dat Rollepaal Oost een subregionale marktregio gaat bedienen voor gemeenten Hardenberg, Dalfsen, Ommen, Twenterand, De Wolden, Hoogeveen, Coevorden en Emmen, zie navolgende figuur.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0044.jpg
Subregionale marktregio Rollepaal OostStec Groep (2023)

De vraag naar bedrijventerreinen kan niet worden opgelost binnen bestaand stedelijk gebied. Aangegeven wordt dat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor het invullen van (een deel van) de ruimtevraag, aangezien het aanbodpercentage op bedrijventerreinen (graadmeter voor leegstandspercentage) op 2,3% ligt en daarmee ruim onder het gezonde frictieniveau van 5% ligt. Er wordt geconstateerd dat er voldoende behoefte is voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost en dat Rollepaal Oost de meeste waarde kan toevoegen voor voornamelijk bedrijven uit het grootschalige segment (kavels groter dan 3 ha).

Uit de Regionale Energiestrategie (RES), waarin regionale afspraken zijn gemaakt over de bijdrage per gemeente aan de energietransitie, ontstaat onder andere de noodzaak om bestaande transformatorstations uit te breiden zodat het elektrisch netwerk geschikt kan worden gemaakt voor de op te wekken wind- en zonne-energie in de regio.

Op het bestaande bedrijventerrein Rollepaal is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. Zij hebben aangegeven dat zij circa 3,4 hectare extra terrein nodig hebben voor de uitbreiding van het verdeelstation en de bijbehorende kabels om nu en in de toekomst leveringszekerheid van stroom te garanderen. De netverzwaring is onderdeel van het project Drents Overijsselse netversterking Oost (DON Oost). Door de ontwikkeling van Rollepaal Oost kan in deze benodigde uitbreidingsruimte worden voorzien.

De uitbreidingsbehoefte van de gevestigde lokale bedrijven wordt bevestigd door de prognose economische groei uit de ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘. De uitbreidingsbehoefte vanuit de doelen van de RES komt daar nog bij.

De uitbreiding Rollepaal Oost met 29 hectare bruto (21 hectare netto) kan voorzien in (een gedeelte van) deze uitbreidingbehoefte.

7.2.2.2 Locatieonderbouwing

De ontwikkeling van een bedrijventerrein voor zwaardere bedrijvigheid is niet mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie aangezien de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt. Uit de behoefteraming van bedrijventerreinen en de ‘Laddertoets Broeklanden Zuid 3, Heemserpoort en Rollepaal Oost‘ blijkt dat er voldoende vraag is naar de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal. Daarnaast is de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal goedgekeurd in de programmeringsafspraken tussen provincie en gemeenten. Er is derhalve geen ander locatiealternatief voor een nieuw bedrijventerrein onderzocht binnen Dedemsvaart. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht.

De uitbreiding van het bedrijventerrein kan in oostelijke of zuidelijke richting plaatsvinden. Uitbreiding in noordelijk en westelijke richting is niet mogelijk vanwege de aanwezige woonwijk daar en de kleinere afstand tot de kern. Het is qua landschappelijke structuren en huidig gebruik logisch om het bedrijventerrein Rollepaal richting het oosten uit te breiden, de uitbreidingen de afgelopen jaren hebben ook reeds in oostelijke richting plaatsgevonden. Dit is in lijn met de Structuurvisie Dedemsvaart uit 2006, waar de uitbreiding van Rollepaal in oostelijke richting reeds is voorzien. Nadat de raad op 7 december 2021 heeft besloten om de benodigde gronden aan de oostzijde van Rollepaal aan te kopen, zijn de gronden door de gemeente Hardenberg verworven en is er sprake van grondpositie aan de oostzijde. Een andere reden om het bedrijventerrein richting het oosten uit te breiden is de aanwezigheid en gewenste uitbreiding het verdeelstation van TenneT. De aanwezigheid van een verdeelstation op korte afstand biedt een gunstige positie ten aanzien van het (terug)leveren van (zonne)energie.

Uitbreiding richting het zuiden (overstap over de Woudbloemweg) is ook globaal verkend. De uitbreiding in zuidelijke richting zorgt voor een grotere afstand tot gehinderden (woningen), waardoor sprake kan zijn van een lagere geur-, licht- en geluidsbelasting. Wel kent de uitbreiding in zuidelijke richting andere belemmeringen. Een van de belemmeringen is de aanwezigheid van vijf hogedruk gasleidingen, dat bemoeilijkt de uitgifte van (grote) kavels zowel ruimtelijk als financieel. De realisatie van een bedrijventerrein op korte afstand van deze gasleidingen leidt tot een toename van het groepsrisico. Daarnaast dient rekening te worden gehouden met de veiligheidscontouren en veiligheidsvoorschriften, zoals vluchtroutes van de bron af, die de ontwikkelingsmogelijkheden beperken en ook leiden tot de eis dat aan de zuidzijde van het industrieterrein een extra ontsluiting wordt gerealiseerd. Ook landschappelijk gezien zijn er nadelen aan deze zuidelijke locatie; de Woudbloemweg vormt nu een heldere en harde grens tussen de bebouwing en het landschap ten zuidoosten van Dedemsvaart. Door het benutten van de gronden ten zuiden van de Woudbloemweg is er geen sprake meer van een duidelijke begrenzing. Daarnaast wordt het landschap ten zuidoosten van de Woudbloemweg gekenmerkt door enorme openheid en zullen zichtlijnen verdwijnen of verkort worden. De uitbreiding aan zuidzijde vormt een soort uitstulping waardoor er minder sprake is van compact bouwen. Bij een zuidelijke uitbreiding is verlegging en opwaardering van de Woudbloemweg als agrarische ontsluitingsweg noodzakelijk. De gemeente heeft daarnaast geen grondposities in zuidelijke richting waardoor de (financiële) haalbaarheid van de ontwikkeling in het geding komt en de uitbreiding in zuidelijke richting geen realistisch uitvoerbaar alternatief is.

Op grond van bovenstaande heeft uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie).

7.2.3 Conclusie

Ten aanzien van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost wordt geconcludeerd dat de vraag naar vergelijkbare bedrijventerreinen in het verzorgingsgebied groter is dan het aanbod. De beoogde ontwikkeling van Rollepaal Oost voorziet naar verwachting in een behoefte. Verder blijkt dat geen alternatieve locaties geschikt of beschikbaar zijn binnen het bestaand stedelijk gebied. Rollepaal Oost vormt de afronding van het succesvol uitgegeven bedrijventerrein Rollepaal.

7.3 Landschappelijke waarden

7.3.1 Toetsingskader

De instructieregels die in paragraaf 5.1.5 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed' van het Bkl zijn opgenomen zien niet specifiek toe op de bescherming van de landschappelijke in Rollepaal Oost.

Voor landschap is geen wettelijk kader van toepassing, maar zijn wel beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke plannen en visies.

Provincie

In de (geconsolideerde) provinciale Omgevingsvisie zijn de beleidsambities en doelstellingen opgenomen die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Hierin zijn ook ambities opgenomen voor landschap(structuren).

De provincie zet in op behoud van deze verzorgde, aantrekkelijke en afwisselende vrijetijdslandschappen, waarin drie elementen samenkomen: protectie (behoud van de kwaliteiten), productie (bedrijvigheid) en plezier (beleving, vermaak). De kwaliteit van het landschap dient behouden te blijven en waar mogelijk verbeterd. Bij nieuwe plannen wordt getoetst hoe deze in het landschap passen.

Gemeente Hardenberg

In de Omgevingsvisie Landstad Hardenberg (2021) is beschreven dat de gemeente koerst op een vitaal landelijk gebied met:

  • a.

    een goede wisselwerking en samenhang tussen economische activiteiten zoals de landbouw en de vrijetijdseconomie (de gebruikswaarde);

  • b.

    de waardering van het gebied door inwoners en gasten (de belevingswaarde);

  • c.

    de kwaliteit van natuur, biodiversiteit, landschap en cultuurhistorie (de toekomstwaarde).

Ook heeft de gemeente een Landschap Identiteit Kaart (LIK), 2013, waarin vier landschapstypen worden onderscheiden:

  • a.

    beekdal;

  • b.

    essen- en hoevenlandschap;

  • c.

    heideontginningslandschap;

  • d.

    veenontginningslandschap.

7.3.2 Toetsing

In het kader van het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ is een beoordeling uitgevoerd van de landschappelijke inpassing. Uit de Landschap Identiteit Kaart (LIK) blijkt dat Rollepaal Oost in het open veenontginningslandschap ligt: een open, grootschalig en rationeel landschap met gestrekte verkaveling. Structuurdragers zijn veelal watergangen zoals grotendeels gedempte kanalen, vaarten en wijken.

Om het veen af te wateren en de turf af te voeren werden kanalen gegraven. Dwars op de kanalen werden hoofdwijken gegraven en daar weer dwars daarop ter ontwatering van het veen werden wijken gegraven. Langs de ontginningsassen ontstonden de (verdichte) lintbebouwingen en langs het kanaal de kanaaldorpen als Dedemsvaart en de Krim. Vanuit de ontginningsassen werden loodrecht op deze assen de gronden ontgonnen; er ontstaat een strakke, smalle noordwest- zuidoost verkavelingsstructuur.

Door de openheid van het landschap zijn er veel vergezichten. De beplanting is schaars. Deze is vooral aanwezig op en nabij de bebouwingslinten, als wegbeplanting, op erven, en soms als bomenrij of -singel op perceelsranden (elzen/ eiken). In een aantal gebieden zijn meer verspreid liggende bosjes te vinden zodat deze een meer besloten karakter kennen (besloten veenontginningslandschap). Het Colenbranderbos, ten oosten van het plangebied, is een langgerekt bos. Het wegenpatroon in het veenontginningsgebied is gebaseerd op de rechtlijnige ontginningsstructuur. Daardoor is er sprake van een strak en rechthoekig patroon van wegen.

Als de kernkwaliteiten van een open veenontginningslandschap wordt in het MER de volgende kwaliteiten benoemd:

  • a.

    grootschalig;

  • b.

    open landschap met dichte bebouwingslinten (als ontginningsas) ('wegdorpen');

  • c.

    vergezichten;

  • d.

    kanalen/vaarten, hoofdwijken en wijken;

  • e.

    strak, rechthoekig;

  • f.

    smalle NO-ZW slagenverkaveling;

  • g.

    beplanting: schaars. wegbeplanting, bomenrij/ singel, op erven. Nabij de linten bosstroken en perceels-beplanting (eiken/ elzen).

Invulling met bedrijventerrein

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconstateerd dat de landschappelijke waarden van het gebied door invulling met bedrijventerrein worden aangetast. De ontwikkeling van het bedrijventerrein leidt tot een verdichting ten opzichte van het huidige open beeld. Hoewel in het (concept) stedenbouwkundig plan de landschapsstructuur met wijken als basis is gebruikt leidt de realisatie van Rollepaal Oost tot licht negatieve effecten op het landschap en de beleving van het landschap. In die zin is ruimte voor een goede landschappelijke overgang en een goede inpassing van de waardevolle structuren landschappelijk gezien zeer gewenst.

Grondwal

De realisatie van een 3 meter hoge grondwal, die grotendeels de landschapsstructuren volgt, zorgt voor een onderbreking van de slagenverkaveling. Wat betreft landschapsbeleving vanuit de omgeving zorgt de grondwal met gebiedseigen en deels wintergroene beplanting (bomen en struiken) voor een afscherming van het bedrijventerrein. Dit leidt tot een verbetering ten aanzien van het zicht en aanzicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving. Door deels wintergroene beplanting aan te planten wordt voorkomen dat tijdens de winterperiode (na bladval) alsnog zicht op de bovenste lagen van bedrijfsgebouwen ontstaat.

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt aangegeven dat bij een grondwal van 3 meter met een (geluids)scherm van 3 meter een groter deel van de bedrijfspanden wordt afgeschermd. Zonder verzachtende maatregelen scoort een geluidsscherm landschappelijk gezien negatief. Het is belangrijk dat het scherm een natuurlijke afscheiding wordt en opgaat in het groen.

Een belangrijk nadeel van een geluidsscherm is de barrièrewerking voor het medegebruik door soorten (ecologie) en mensen. Het wordt dan moeilijker om de grondwal te gebruiken als wandel- of fietsroute.

Windturbines

In het MER wordt ingegaan op de (negatieve) landschappelijke effecten van windturbines. De gemeente heeft op grond daarvan de afweging gemaakt om de plaatsing van windturbines in het plangebied niet mee te nemen in de wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost.

Dit betekent echter niet dat windturbines ook in de toekomst worden uitgesloten. De provincie is bevoegd gezag voor het toelaten van windturbines vanaf 5 MW.

7.3.3 Conclusie

Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ blijkt dat het aspect landschap licht negatief is beoordeeld door aantasting van de landschapsstructuren en beleving en de bodemingrepen. De grondwal is in het open landschap weliswaar een gebiedsvreemd object en onderbreekt de landschapsstructuren. Echter, wanneer er geen grondwal wordt aangelegd is er vanuit de omgeving en woningen direct zicht op het bedrijventerrein. Ook wanneer de zone wordt voorzien van beplanting is er sprake van zicht in de winterperiode (na bladval). Geconcludeerd wordt dat een optie zonder grondwal een groter negatief effect zou hebben op de landschapsbeleving vanuit de omgeving.

In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan is de realisatie van een 3 meter hoge grondwal met beplanting geborgd.

7.4 Ruimtelijke kwaliteit en welstand

7.4.1 Toetsingskader

Bestaande en nieuwe bouwwerken moeten voldoen aan redelijke eisen van welstand. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan blijven de huidige welstandsregels van toepassing. De regels voor een welstandstoets zijn vanuit de bruidschat opgenomen in artikel 22.7 en 22.29 van het omgevingsplan. Met de welstandstoets beoordeelt de gemeente of het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand.

Onder de Omgevingswet loopt het welstandstoezicht via het omgevingsplan. In het omgevingsplan kan de gemeente regels opnemen over het uiterlijk en de plaatsing van bouwwerken. Als de regels over het uiterlijk van de bouwwerken uitleg nodig hebben, moet de gemeenteraad beleidsregels vaststellen voor de beoordeling of een bouwwerk aan de regels voldoet. Dit volgt uit artikel 4.19 van de Omgevingswet.

De gemeente Hardenberg heeft haar welstandsbeleid vastgelegd in een tweetal welstandsnota's (zie paragraaf 3.6.6). De ontwikkeling van het plangebied naar een bedrijventerrein is hierin niet voorzien. Voor de gewenste ontwikkeling is een nieuw specifiek welstandskader wenselijk. Ten behoeve van de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan is het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' opgesteld. Het ‘Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost‘ is, samen met het bijbehorende bijlagenboek, opgenomen in deze motivering.

7.4.2 Toetsing

In het onderdeel 'beeldkwaliteit' wordt niet alleen aandacht besteed aan de bebouwde omgeving, maar ook aan de beeldkwaliteit van de openbare ruimte en de kavels. In de notitie wordt ingegaan op de openbare ruimte, de kavels, de aarden grondwal en op de bebouwing. Vervolgens worden de aanvullende criteria voor de deelgebieden benoemd. Tot slot worden als voorbeeld een tweetal kavelpaspoorten uitgewerkt, één voor een kavel tot en met 5.000 m2 en één voor een kavel groter dan 5.000 m2.

De aspecten uit het beeldkwaliteitplan worden als regels in het omgevingsplan opgenomen, de bouwplannen moeten hieraan voldoen. Hiermee wordt afgeweken van de werkwijze onder de Woningwet waarin een beeldkwaliteitplan als aanvulling op de welstandsnota werd vastgesteld. Onder de Omgevingswet is beeldkwaliteit c.q. welstand onderdeel van de fysieke leefomgeving en kunnen dergelijke regels in het omgevingsplan worden opgenomen. Er kan ook voor worden gekozen om een beleidsregel zoals bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet vast te stellen. Dat is dus niet de werkwijze van de gemeente Hardenberg.

In aanvulling op de welstandsnota is voor de onderdelen uit het beeldkwaliteitsplan een onderscheid gemaakt of sprake is van een harde eis of dat er sprake is van een ambitie of suggestie. In het geval dat sprake is van een harde eis dient dit geregeld te worden in de regels voor Rollepaal Oost. Dat is voor bijna alle onderdelen het geval. Indien sprake is van een ambitie of suggestie staat dit in het beeldkwaliteitsplan en is een richtlijn voor de uitvoering.

7.4.3 Conclusie

Door het borgen van de beeldkwaliteitseisen in de planregels bij de voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt ervoor zorggedragen dat:

  • a.

    er voldoende waterberging bij nieuwbouw wordt gerealiseerd;

  • b.

    de stedenbouwkundige uitgangspunten als bebouwingshoogte, afstand tussen bebouwing en perceelgrenzen, dakhellingen, oriëntatie, materialisatie, kleurgebruik en representativiteit van gebouwen is geborgd;

  • c.

    eisen aan verlichting en reclame-uitingen worden gesteld;

  • d.

    de hoogte van vlaggenmasten is beperkt.

7.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

7.5.1 Toetsingskader

Er is geen wettelijk kader voor ruimtelijke plannen op het gebied van energie, klimaatadaptatie en circulariteit, maar er zijn wel nationale, regionale en lokale doelstellingen waar rekening mee gehouden kan worden. De gemeente Hardenberg heeft de aanpak op deze thema's vastgelegd in het 'Meerjarenprogramma Duurzaam Hardenberg'.

In het meerjarenprogramma staan drie kernopgaven centraal:

  • a.

    de energietransitie: minder energie gebruiken en meer energie duurzaam opwekken;

  • b.

    aan de slag met klimaatadaptatie;

  • c.

    werken aan circulariteit.

Klimaatadaptatie

Klimaatverandering kan leiden tot schade en slachtoffers, met als uiteindelijk gevolg verslechtering van de economische concurrentiepositie. Voorbeelden hiervan zijn overstromingen en wateroverlast door extreme buien, hittestress, droogte en andere weersomstandigheden (bijvoorbeeld harde wind, toename blikseminslag). Het is daarom van belang dat de effecten die door klimaatverandering kunnen optreden bij een ruimtelijke ontwikkeling in het proces worden meegewogen, zodat in een vroeg stadium maatregelen kunnen worden getroffen om veiligheid te borgen en eventuele schade te beperken.

Het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA: 2018) is een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk om Nederland voor 2050 klimaatbestendig en waterrobuust in te richten. Het Deltaplan versnelt en intensiveert de aanpak van wateroverlast, hittestress, droogte en de gevolgen van overstromingen. Een van de onderdelen is het benutten van meekoppelkansen bij andere grote ruimtelijke opgaven, zoals nieuwbouw, de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie. De inzet van dit Deltaplan is om bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kansen voor een klimaatbestendige inrichting te gebruiken.

Op basis van de methodiek van het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie is in 2018 en 2019 in het Samenwerkingsverband Noordelijk Vechtstromen een stresstest uitgevoerd waarmee kwetsbaarheden als gevolg van wateroverlast, overstroming, hitte en droogte in kaart zijn gebracht. Hieruit blijkt dat droogte een bovenregionaal probleem is binnen de gemeente Hardenberg, waarvoor bovenregionale maatregelen moeten worden genomen. Hitte speelt vooral in de grotere kernen en op bedrijventerreinen met weinig beplanting. Ook kale akkers en kort gemaaid gras worden erg warm.

De gemeente heeft hier invloed op door meer groen, meer schaduw, minder verharding en lichtere kleuren in de openbare ruimte toe te passen om de gevolgen van de hitte beperken. Ondernemers kunnen hieraan bijdragen door de inrichting van hun erf of tuin.

Ook het gemeentelijke beleidsdocument 'Programma Klimaat, Water en Biodiversiteit' is bepalend voor het toetsingskader. In het programma zijn verschillende doelen gesteld voor het thema leefbaarheid en bewustwording. In onderstaande tabel zijn de doelen weergegeven.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0045.jpg
tabel 7.1 - uitsnede Programma Klimaat, water en biodiversiteitgemeente Hardenberg

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt in het kader van onderzoek naar de gevolgen van klimaatverandering in ingegaan op de beschikbaarheid en het gebruik van drinkwater.

Energietransitie

De energietransitie, waarbij wordt overgegaan van gebruik van fossiele energie op het gebruik van duurzame energiebronnen, vraagt om ruimte. Het is daarom belangrijk om te onderzoeken wat de (toekomstige) energiebehoefte van het plangebied is, welke mogelijkheden voor energiebesparing er zijn, welke energiebronnen kunnen worden ingezet, wat daarvan de mogelijke ruimtelijke effecten zijn.

De plannen voor de gemeente Hardenberg staan in het meerjarenprogramma Duurzaam Hardenberg voor de periode 2020 tot en met 2024. Dit meerjarenprogramma vormt het kader voor de inbreng van de gemeente Hardenberg in de Regionale Energiestrategie (RES) voor West-Overijssel.

In het meerjarenprogramma van de gemeente Hardenberg staat voor het opwekken van duurzame energie het volgende doel: de gemeente wil in 2030 minimaal 30% van alle energie die in Hardenberg gebruikt wordt binnen de gemeentegrenzen duurzaam opwekken. In 2050 wil de gemeente alle energie duurzaam en fossielvrij opwekken om zo de CO2-uitstoot terug te brengen.

Om dit doel te halen is ook in Hardenberg het grootschalig opwekken van windenergie, zonne-energie en energie uit biomassa noodzakelijk. De gemeente Hardenberg heeft geen specifieke doelstellingen voor nieuwe ontwikkelingen.

Groene en gezonde maatlat

De "Groene en Gezonde maatlat Hardenberg" is een methode die de gemeente Hardenberg gaat gebruiken om biodiversiteit, klimaat en gezondheid te meten en te verbeteren in nieuwe en bestaande woonwijken en bedrijventerreinen. Het doel is om een positieve impact op de omgeving en de volksgezondheid te bereiken.

De maatlat streeft naar meer natuurlijke grasvelden, meer soorten bomen en struiken en meer bloeiende planten om meer voedsel en schuilplaatsen voor dieren te bieden. De maatlat richt zich op maatregelen die de gemeente klimaatbestendig maken, zoals het vergroenen van de omgeving. De maatlat streeft naar een gezondere omgeving die uitnodigt tot bewegen en ontspannen, wat een positieve invloed heeft op de lichamelijke en geestelijke gezondheid.

De maatlat wordt ontwikkeld aan de hand van praktijkervaringen en concrete projecten in Hardenberg.

Provinciale Handreiking duurzame bedrijventerreinen

Aantrekkelijke, toekomstbestendige bedrijventerreinen zijn belangrijk voor ondernemers. Investeren in duurzame terreinen is waardevol. Niet alleen voor de maatschappij, maar ook voor ondernemers en werknemers. Veel ondernemers zien verduurzaming van hun bedrijf of bedrijventerrein daarom als een mooi perspectief.

De provincie Overijssel heeft kwalitatieve ambities voor ontwikkeling van duurzame en toekomstbestendige bedrijventerreinen en is samen met MKB Nederland Midden en VNO-NCW Midden betrokken bij een brede aanpak voor toekomstbestendige bedrijventerreinen in Overijssel. Als onderdeel daarvan zijn twee handreikingen opgesteld voor het verder verduurzamen van bedrijventerreinen: één voor bestaande gebouwen en terreinen en één voor nieuwe gebouwen en terreinen.

Nationaal programma circulaire economie 2023-2030

Nederland circulair in 2050 is het eerste Rijksbrede Programma Circulaire Economie, waarin de ambitie is uitgesproken om in 2050 in Nederland een volledig circulaire economie te hebben en als tussendoel in 2030 het gebruik van primaire abiotische grondstoffen te hebben gehalveerd.

In een circulaire economie zijn vrijwel alleen herbruikbare primaire, secundaire en duurzame biogrondstoffen in omloop. Producten worden binnen gesloten kringlopen geproduceerd, gedistribueerd en geconsumeerd. Zodoende wordt de waarde van grondstoffen, materialen en producten zo lang mogelijk behouden, waardoor er bijna geen afval meer is.

Voor een circulaire samenleving moet worden omgeschakeld naar een benadering waarin grondstoffen en producten zo lang mogelijk meegaan en steeds worden hergebruikt, zowel ten behoeve van leveringszekerheid als om het milieu zoveel mogelijk te sparen. Op het schaalniveau van een bedrijventerrein heeft dit vooral betrekking op het optimaal (her)gebruiken en behouden van reeds beschikbare materialen en producten, zowel in aanleg- als in gebruiksfase, verminderen van grondstoffenverbruik en het voorkomen van afval.

7.5.2 Toetsing

In het kader van het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ zijn de aspecten die van belang zijn met betrekking tot klimaat, energie en circulariteit beoordeeld voor het planvoornemen en de bijbehorende varianten en alternatieven.

Klimaat

Uit de beoordeling blijkt dat op het bedrijventerrein Rollepaal Oost voldoende ruimte is gereserveerd voor het opvangen van water en het voorkomen van hitte en droogte. De robuuste groenstructuur en ruime opzet kunnen hittestress voorkomen.

Aanbevolen wordt om ook op gebouwniveau voorwaarden te stellen om oververhitting van gebouwen te voorkomen en hergebruik van overtollig hemelwater te stimuleren.

Om het hergebruik van hemelwater te stimuleren wordt in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ voorgesteld (mitigerende maatregel) om voorwaarden te stellen voor het hergebruik van hemelwater. Door zuinig om te gaan met waterverbruik is tijdens drogere perioden voldoende water beschikbaar. Zo kan overtollig regenwater worden opgevangen en hergebruikt voor bewatering van beplanting (groen dak, groene gevel) en/of voor verminderen drinkwaterverbruik door het regenwater te gebruiken voor het doorspoelen van toilet/bedrijfsprocessen.

Om oververhitting van gebouwen tegen te gaan wordt in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ de mogelijkheid van zomernachtventilatie (passieve energiearme vorm van koeling) aanbevolen. Door 's nachts te ventileren kan een gebouw worden gekoeld met koude buitenlucht. Bij invulling van de bedrijfskavels is het van belang dat ingezet wordt op groene gevels/daken en buitenruimten zodat er geen hitte-eilanden ontstaan. De groene gevels en daken kunnen ervoor zorgen dat ook de binnentemperatuur in gebouwen daalt. Pas halfverharding/open verharding toe waar mogelijk.

Energie

Uit de analyse ten aanzien van energie blijkt dat er voldoende mogelijkheden zijn voor het opwekken van zonne-energie op dak maar dat dit mogelijk niet voldoende is om jaarrond te voorzien in voldoende energie. De mogelijkheden voor windenergie zijn beperkt door onder andere de aanwezige woningen in de omgeving. Een locatie voor windturbines is gebonden aan veiligheidscontouren en afstanden ten aanzien van geluid- en slagschaduw.

Er zijn mogelijkheden voor het inkopen van duurzame elektriciteit wanneer het verdeelstation van TenneT gereed is. De mogelijkheden voor energiepotentie zijn op dit moment onzeker en scoort hierdoor licht negatief.

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ worden mogelijkheden benoemd om aan de energievraag te kunnen voldoen (mitigerende maatregelen). Zo wordt voorgesteld om de mogelijkheden voor alternatieve energiebronnen en de realisatie van een energiehub te onderzoeken. Op basis van gebruikscijfers kan worden nagegaan wat nodig is om een passend energiesysteem te ontwikkelen. Onderzocht kan worden wat de mogelijkheden zijn om het bedrijventerrein aan te sluiten op windpark Veenwieken, zonneparken in de omgeving en de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte van de RWZI. Een andere optie is om na te gaan of windturbines op grotere afstand van het plangebied kunnen worden geplaatst die het bedrijventerrein voorzien van energie. Met de vestigende partijen kunnen de mogelijkheden voor een energiehub worden bekeken waar lokaal opgewekte duurzame energie in de vorm van elektriciteit, warmte en waterstof weer lokaal afgezet kan worden.

Circulariteit

Op het gebied van circulariteit biedt het planvoornemen voldoende flexibiliteit en (milieu)ruimte voor circulaire bedrijvigheid. Op kavelniveau kan de bijdrage aan de circulariteitsopgave worden vergroot.

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt aanbevolen om voorwaarden te stellen aan de circulariteit van bedrijfspanden. Vraag een materialenpaspoort per ontwikkeling gekoppeld aan BIM-modellen zodat bij toekomstig slopen bekend is welke materialen vrijkomen. Dit bevordert het hergebruik. Daarmee kan de toepassing van cradle-to-cradle gecertificeerde materialen worden gestimuleerd. Aanbevolen wordt om voor te sorteren op aanscherping van de milieuprestatie-eis (MPG) voor kantoren van maximaal 0,85. Ook wordt aanbevolen voorwaarden te stellen voor de losmaakbaarheid van materialen/onderdelen (minimaal 25%) en het materiaalgebruik minimaal 25% biobased (lokaal geteeld) of hergebruikte materialen toegepast in kg gewicht.

7.5.3 Conclusie

Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen.

Voor het bestaande bedrijventerrein Rollepaal zijn, mede aan de hand van de provinciale kwalitatieve ambities en de gemeentelijke duurzaamheidsvisie, duurzaamheidsdoelstellingen opgesteld. Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.

8 Natuurbescherming

8.1 Toetsingskader

8.1.1 Wet- en regelgeving

De natuurbescherming is geregeld in de Omgevingswet (hierna: Ow), waarin ook de Europese regelgeving is vertaald naar de Nederlandse praktijk. De natuurbescherming heeft zowel betrekking op de bescherming van gebieden (zoals Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland) als op de soortenbescherming.

8.1.2 Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden

Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen.

De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlakte van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Passende beoordeling

Een passende beoordeling is verplicht als een plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, significante gevolgen kan hebben voor de betrokken Natura 2000-gebieden. Voor de inschatting van de effecten die een plan kan hebben, moet de significantie worden beoordeeld in het licht van de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die voor kwalificerende soorten en habitats zijn geformuleerd.

Als niet op grond van objectieve gegevens op voorhand significante gevolgen op een Natura 2000-gebied zijn uitgesloten, moet een passende beoordeling worden gemaakt. In de passende beoordeling worden de effecten op Natura 2000-gebieden nader onderzocht. Vervolgens kan een omgevingsplan slechts worden vastgesteld indien is verzekerd dat ook bij een maximale invulling van het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast.

Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Deze gebieden zijn opgenomen in de provinciale verordeningen. Onder de Omgevingswet staan ook de bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen in de omgevingsverordening. Initiatiefnemers van ingrepen binnen (of in de directe nabijheid van) het Natuurnetwerk Nederland dienen de effecten van de ingreep op kernkwaliteiten en omgevingscondities te onderzoeken. De omgevingscondities zullen ten opzichte van de oorspronkelijke situatie mogelijk veranderen. Dit zal middels nader onderzoek/toetsing inzichtelijk gemaakt moeten worden.

8.1.3 Soortenbescherming

Voor de soortenbescherming wordt onderscheid gemaakt tussen:

  • a.

    soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;

  • b.

    soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;

  • c.

    overige soorten.

De Omgevingswet bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen, zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Omgevingswet en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

8.1.4 Provinciale regels: Omgevingsverordening Overijssel (13 december 2023)

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Op plekken waar gaten in het netwerk zitten, legt de provincie nieuwe natuur aan. Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN) is in de eerste plaats belangrijk als netwerk van leefgebieden voor veel planten en dieren. Robuuste leefgebieden voor planten en dieren zijn nodig om soorten van uitsterven te behoeden. Maar het netwerk is er ook voor mensen die willen genieten van de schoonheid van de natuur, om te recreëren en tot rust komen. Omgevingsplannen moeten voldoen aan de regels die hiervoor in de Provinciale Omgevingsverordening zijn opgenomen.

Stiltegebieden

In de Omgevingsvisie zijn geen stiltegebieden aangewezen. Voor (potentiële) stiltegebieden gaat de provincie ervan uit dat deze voldoende bescherming krijgen door de ligging binnen het Natuurnetwerk Nederland.

8.2 Gebiedsbescherming

8.2.1 Natura 2000

In onderstaande figuur staan de omliggende Natura 2000-gebieden aangegeven. Het Natura 2000-gebied Vecht en Beneden-Reggegebied ligt op een afstand van circa 6,7 kilometer van het plangebied. Dit is tevens het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied.

Ten zuidoosten ligt op een afstand van circa 16 kilometer Engbertsdijkvenen. Op grotere afstand liggen de stikstofgevoelige gebieden Olde Maten & Veerslootslanden, Uiterwaarden Zwarte Water en Vecht, De Wieden, Holtingerveld, Dwingelderveld en Mantingerzand.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0046.jpg
figuur 8.1 - Ligging Natura 2000 gebieden ten opzichte van Rollepaal OostMER

Gezien de afstand tot de Natura 2000-gebieden en de groene inpassing van het bedrijventerrein inclusief grondwal worden overige effecten als verstoring door licht en geluid uitgesloten.

8.2.2 NatuurNetwerk Nederland (NNN)

Zoals uit navolgende figuur blijkt, ligt het plangebied op circa 700 meter van Natuurnetwerkgebied. Het betreft productiebos beheertype N16.03 droog bos met productie en N16.04 Vochtig bos met productie. Langs de Spekopswijk ligt een bossingel (buiten NNN).

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0047.jpg
figuur 8.2 - ligging Rollepaal Oost ten opzichte van NNN geo.overijssel.nl

Gezien de afstand tot het natuurnetwerk en de groene inpassing van het bedrijventerrein inclusief grondwal worden overige effecten als verstoring door licht en geluid uitgesloten.

8.2.3 Stikstofdepositie

Als gevolg van het toevoegen van een bedrijventerrein is sprake van een toename van stikstofemissies. In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ zijn de effecten van stikstofdepositie in beeld gebracht. Het oorspronkelijke onderzoek naar stikstofdepositie en de berekeningen zijn opgenomen in de bijlagenboeken bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘ en ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2’).

Als gevolg van een nieuwe versie van de AERIUS-rekenmethode (versie 2025) zijn ten behoeve van het voorliggende omgevingsplan de berekeningen geactualiseerd. Daarbij is rekening gehouden met een hogere afroming vanwege intern salderen, namelijk 35 procent in plaats van 30 procent. Hoewel op dit moment nog geen beleid is opgesteld voor intern salderen in Overijssel is uit voorzorg rekening gehouden met de afromingspercentage die nu geldt in provincie Gelderland. De nieuwe berekening is als bijlage opgenomen in de passende beoordeling. De ‘Passende beoordeling Stikstof‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.

Om de emissies te kunnen bepalen is gekeken naar een realistische invulling van het bedrijventerrein. Aangezien het toekomstige bedrijventerrein niet wordt aangesloten op het gas en de invulling van het bedrijventerrein gedeeltelijk bekend is, is afgeweken van de kengetallen per milieucategorie. Een andere reden om afwijken van deze kengetallen is de hoge ambitie ten aanzien van verduurzaming van bedrijventerreinen vanuit het Rijk en provincie. Het nieuwe bedrijventerrein is een toekomstbestendig duurzaam bedrijventerrein. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruikgemaakt van het verkeersmodel van Goudappel Coffeng.

Uit de berekening voor de beoogde situatie en de bouwfase volgt een toename van maximaal 0,01 mol N/ha/jr. op het Natura 2000-gebied Vecht- en Beneden-Reggegebied. Uit de verschilberekening voor referentie - gebruiksfase blijkt dat er geen sprake meer is van depositietoenamen op Natura 2000.  Omdat de mitigerende maatregel 'intern salderen' wordt meegenomen in de beoordeling van effecten op Natura 2000 is een passende beoordeling opgesteld in het kader van het MER. Door de actualisatie van AERIUS is een nieuwe versie van de passende beoordeling opgenomen als bijlage 8 in de motivering.

Uit de passende beoordeling blijkt dat het planvoornemen niet leidt tot aantasting van natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden. De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen.

Voor de voorgestelde wijziging van het omgevingsplan geldt geen directe vergunningplicht, omdat voor een plan zelf geen vergunning kan worden aangevraagd. Op projectniveau moeten de afzonderlijke bedrijven nagaan of er sprake is van een vergunningplicht.

8.3 Soortenbescherming

Quickscan Ecologie

Het plangebied bestaat uit percelen met agrarische bestemming. Langs de percelen zijn watergangen/greppels aanwezig. Ter plaatse van de nieuwe ontsluiting is een bosschage aanwezig. Aan de zuidzijde wordt het gebied begrensd door de Woudbloemweg met twee bomenrijen. De potenties voor zowel beschermde als Rode lijstsoorten zijn beoordeeld aan de hand van een ecologische quickscan. De quickscan is opgenomen in het bijlagenboek 1 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘).

Uit de quickscan blijkt het volgende:

  • a.

    Algemene broedvogels

    Binnen of vlak buiten kunnen vogelsoorten tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten. Een deel van deze soorten betreft soorten die in de provincie zijn aangewezen als zogenaamde 'categorie 5' soorten, waaronder de grutto. Geadviseerd wordt om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Daarbij wordt opgemerkt dat afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden kunnen komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd.

  • b.

    Algemene broedvogels (rode lijst-soorten)

    Naast bovengenoemde algemenere broedvogelsoorten kunnen binnen het plangebied ook diverse rode lijst-soorten tot broeden komen, zoals graspieper, grauwe klauwier, grote lijster, kneu, patrijs, watersnip en mogelijk ook grote karekiet. Net zoals de hiervoor benoemde vogelsoorten zijn de nesten van deze soorten alleen beschermd tijdens het broedproces. Het kan echter niet op voorhand worden uitgesloten dat bepaalde rode lijst-soorten ook buiten deze periode tot broeden komen.

    In geval van twijfel over de aanwezigheid van broedgevallen binnen het plangebied kan vlak voor de uitvoering van de werkzaamheden een broedvogelcheck worden uitgevoerd door een ecologisch deskundige. Indien broedgevallen worden aangetroffen kan hiermee rekening worden gehouden door deze specifieke plekken te ontzien totdat de betreffende soort is uitgebroed, waarna de werkzaamheden kunnen worden hervat.

  • c.

    Jaarrond beschermde nesten (boomnesten)

    In het kader van de quickscan werd in het plangebied een enkel boomnest aangetroffen waarvan niet op voorhand kan worden uitgesloten dat dit een jaarrond beschermd nest van soorten als ransuil of boomvalk betreft. Geadviseerd wordt om nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van een jaarrond beschermd boomnest vast te stellen, dan wel uit te sluiten.

    Het plangebied en omgeving is verder in gebruik als foerageergebied door een kolonie roeken. In de bomen direct rond het plangebied werden geen roekennesten aangetroffen. Deze werden wel waargenomen in een bosschage op circa 250 meter afstand van het plangebied, buiten de invloedsfeer van het plangebied. Hoewel het plangebied onderdeel is van het foerageergebied van deze soort, biedt de omgeving van het plangebied dusdanig veel alternatief foerageergebied in de vorm van vergelijkbaar agrarisch landschap dat het verdwijnen hiervan volgens het onderzoek niet gepaard zal gaan met significant negatieve effecten op deze kolonie.

  • d.

    Vleermuizen

    In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen aangetroffen voor vleermuizen, noch in bomen noch in bebouwing. De Woudbloemweg ten zuiden van het plangebied is mogelijk wel in gebruik als vliegroute. De bomenrijen bieden de benodigde beschutting en geleiding. Daarnaast staat de weg in verbinding met de bebouwde omgeving van Dedemsvaart en een bosgebied ten oosten van het plangebied.

  • e.

    Bunzing, wezel en egel

    In de quickscan wordt aangegeven dat de bosschage rond de nieuwe ontsluiting op Rollepaal biedt potentie voor de zoogdiersoorten egel en kleine marterachtigen. Van deze soorten zijn recente (<5 jaar) waarnemingen bekend uit de ruime omgeving van Dedemsvaart. De aanwezigheid van functioneel leefgebied van de soorten bunzing, wezel en egel binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten.

  • f.

    Haas en konijn (rode lijst-soorten)

    De aanwezigheid van de rode lijst-soorten haas en konijn binnen het plangebied kan eveneens niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soorten zijn in de provincie Overijssel weliswaar vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, toch geldt voor ruimtelijke ingrepen de specifieke zorgplicht. Met deze soorten kan rekening worden gehouden door de werkzaamheden buiten de meest kwetsbare voortplantingsperiode uit te voeren. Daarnaast dienen de dieren tijdens de uitvoering de kans te krijgen om te vluchten. Bij twijfel kan voorafgaand aan de werkzaamheden een check worden uitgevoerd voor het in kaart brengen van eventuele konijnengangen.

  • g.

    Grote modderkruiper

    De aanwezigheid van (leefgebied van) grote modderkruiper in de sloten binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren de aanwezigheid hiervan vast te stellen, dan wel uit te sluiten aan de hand van gericht nader onderzoek.

  • h.

    Ongewervelden (rode lijst-soorten)

    Tijdens de uitvoering kunnen binnen het plangebied soorten ongewervelden aanwezig zijn die zijn opgenomen op de rode lijst, zoals de grote vos. Met deze soorten kan rekening worden gehouden door de werkzaamheden, met name degene die effect hebben op houtige vegetaties waarop dergelijke soorten vaak rusten langzaam uit te voeren, zodat eventueel aanwezige soorten de kans krijgen te vluchten.

Tot slot wordt in de quickscan aangegeven dat er in het plangebied soorten kunnen voorkomen waarvoor een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze en andere soorten geldt op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving (art. 11.27 Bal) een specifieke zorgplicht die bijvoorbeeld voorschrijft dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zoveel mogelijk te voorkomen.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd. Dit nader onderzoek is opgenomen in het bijlagenboek 2 bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2‘). Uit dit nader onderzoek blijkt dat er binnen de invloedssfeer van Rollepaal Oost geen jaarrond beschermde nesten zijn aangetoond. Uit het nader onderzoek blijkt verder dat Rollepaal Oost ook geen deel uitmaakt van het leefgebied van bunzingen of wezels. Tot slot is aangetoond dat de grote modderkruiper niet binnen het plangebied aanwezig is. Voor wat betreft deze soorten zijn derhalve geen vervolgstappen nodig voor de voortgang van het project.

Wel zijn er in het kader van het nader onderzoek beelden verzameld van de egel. Deze soort is in de provincie Overijssel niet vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Conform de verbodsbepaling onder artikel 11.54 Bal in de Omgevingswet is het verboden vaste voortplantingsplaatsen en rustplaatsen van deze soort te beschadigen of te vernielen. Het plangebied biedt zowel geschikte voortplantingsplaatsen als rustplaatsen voor deze soort. Voor wat betreft de egel wordt geadviseerd om vergunning aan te vragen bij het bevoegd gezag (in dit geval de provincie Overijssel). Deze vergunning wordt aangevraagd aan de hand van een activiteitenplan met daarin een ecologische functiekaart, waarin de functies van het plangebied voor deze soort nader worden omschreven.

MER-beoordeling

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ wordt geconcludeerd dat het plangebied leefgebied biedt voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. Hoewel de ontwikkeling op den duur een positieve bijdrage kan leveren door ontwikkeling van een robuuste groen- en waterstructuur, leidt de ontwikkeling bij aanvang tot licht negatieve effecten op de aanwezige soorten.

De effecten moeten worden gemitigeerd. Het gaat daarbij om:

  • a.

    het opstellen van een inrichtingsplan en ecologisch werkprotocol voor de beschermde soorten (kleine marterachtigen en egel). Aanleg en beheer van compensatielocaties voor de soorten. Aanvraag van benodigde vergunningen flora-fauna activiteit;

  • b.

    het aanbrengen van extra beschutting zoals takkenrillen, steenhopen in het bosschage op de grondwal;

  • c.

    aanplanten van inheemse biodiverse en droogte bestendige beplanting op de grondwal met circa 10 procent groenblijvende soorten als hulst, wilde liguster, grove den, laurierwilg;

  • d.

    realisatie van natuurvriendelijke oevers in de brede watergangen met ondiepe zones geschikt voor grote modderkruiper.

Daarnaast wordt aanbevolen om in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen. Hiermee kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn onder andere zwarte roodstaart, scholekster en gewone dwergvleermuis.

8.4 Houtopstanden

Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1.000 m2) of een (deel van een) bomenrij van meer dan 20 bomen buiten de bebouwingscontour houtkap kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht.

Binnen het plangebied worden mogelijk bomen aangetast. Deze bomen bevinden zich echter voor zover bekend binnen de bebouwde kom van Dedemsvaart en derhalve de bebouwingscontour houtkap. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.

9 Behouden van de staat en werking van infrastructuur en voorzieningen

9.1 Beperkingengebieden

9.1.1 Toetsingskader

De beperkingengebieden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn gebieden waar vanuit bepaalde functies of activiteiten beperkingen gelden voor het gebruik of de inrichting van de fysieke leefomgeving. Deze gebieden zijn bedoeld om veiligheid, gezondheid, milieukwaliteit of andere belangen te waarborgen.

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn verschillende beperkingengebieden opgenomen die verband houden met infrastructuur en voorzieningen. Beperkingengebieden zijn zones rond bepaalde functies of objecten waarin regels gelden ter bescherming van veiligheid, gezondheid, milieu of andere belangen.

Het gaat daarbij vooral om:

  • a.

    rijkswegen, rijkswaterwegen en spoorwegen;

  • b.

    luchtvaartterreinen;

  • c.

    hoofdwaterkeringen;

  • d.

    hoogspanningsverbindingen;

  • e.

    buisleidingen voor transport gevaarlijke stoffen;

  • f.

    defensieterreinen en radarinstallaties.

9.1.2 Toetsing

Er liggen geen beperkingengebieden van nabijgelegen grote rivieren, hoofdspoorwegen, rijkswegen danwel lokale spoorwegen binnen het plangebied. Het plangebied bevindt zich niet in de nabijheid van een luchtvaartterrein, een grote rivier, een hoofdwaterkering of bovengrondse hoogspanningsverbinding. Er bevindt zich ook geen militairoefenterrein of radarinstallaties in de nabijheid met een beperkingengebied die reikt tot in het plangebied.

Zoals in paragraaf 4.2 is aangegeven bevindt zich ten zuiden en oosten van het plangebied op een afstand van circa 253 meter een buisleidingenstrook met hogedrukaardgasleidingen. Het zuidelijk deel van het bedrijventerrein Rollepaal en Rollepaal Oost liggen binnen het brandaandachtsgebied van de buisleidingen.

In paragraaf 4.2 is aangegeven dat de betreffende gronden worden aangewezen als een brandvoorschriftengebied. Daarmee wordt in het omgevingsplan geborgd dat beschermende maatregelen moeten worden genomen bij de bouw van (beperkt) kwetsbare gebouwen.

9.1.3 Conclusie

Voor zover er een beperkingengebied over het plangebied is gelegen is deze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan vastgelegd. Het gaat daarbij om het brandvoorschriftengebied vanwege de bestaande buisleidingstrook ten oosten en zuiden van het plangebied. Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden.

9.2 Kabels en leidingen

Op het bestaande bedrijventerrein is een transformatorstation aanwezig van TenneT/Enexis. In het omgevingsplan wordt ruimte gereserveerd voor de uitbreiding van het verdeelstation en de benodigde ruimte voor ondergrondse kabels en leidingen voor het hoogspanningsnetwerk om nu en in de toekomst leveringszekerheid van stroom te garanderen. De netverzwaring is onderdeel van het project Drents Overijsselse netversterking Oost (DON Oost).

Tussen het bestaande hoogspanningsstation Dedemsvaart Rollepaal en de bestaande lijnen 'combilijn Zwolle - Meeden' en '110 kV leiding Dedemsvaart - Hardenberg' worden nieuwe ondergrondse 110 kV verbindingen gerealiseerd. In beide gevallen wordt deze ondergrondse 110 kV verbinding ter hoogte van mast 54 verbonden met de bestaande verbindingen die de stroom verder transporteert. Het betreft een tracé van circa 3 km lang en de verbindingen komen circa 2 tot 2,5 meter beneden maaiveld te liggen. Deze verbindingen zorgen ervoor dat het station Dedemsvaart Rollepaal wordt aangesloten op het bovenliggende hoogspanningsnet.

Het tracé van de ondergrondse hoogspanningslijn 110kV loopt grotendeels buiten het plangebied ten oosten van de grondwal. Naar verwachting vinden deze werkzaamheden gelijktijdig of kort na de aanleg van de grondwal plaats. Na het realiseren van de infrastructuur (waaronder ook de hoogspanningslijnen) worden de kavels bouwrijp gemaakt en kunnen de kavels worden uitgegeven.

De aanleg van de ondergrondse hoogspanningslijn 110kV tussen het nieuwe station Dedemsvaart Rollepaal - Hardenberg is onderdeel van de werkzaamheden binnen het plangebied, maar wordt niet uitgevoerd in opdracht van de gemeente. Het tracé van het kabelbed ten behoeve van de ondergrondse hoogspanningsleiding is niet opgenomen in het omgevingsplan, maar wordt later met een projectbesluit opgenomen in het plan. Hiervoor wordt door Gedeputeerde Staten van de provincie Drenthe een projectbesluit vastgesteld.

Het tracé van de nieuwe ondergrondse laagspanningsleidingen die aangelegd zullen moeten worden ligt grotendeels ook buiten het plangebied. Een deel van de leidingen zal worden aangesloten op de bestaande leidingen langs Rollepaal. Daarvoor wordt ruimte gereserveerd in de nieuwe groenstrook ten noorden van de nieuwe verkeersaansluiting van Rollepaal Oost op Rollepaal.

Een groot deel van de nieuwe laagspanningsleidingen zal buiten het plangebied om worden in een kabelbed worden aangelegd, eveneens ten zuiden en oosten van de grondwal. De werkzaamheden zullen gelijktijdig of kort na de aanleg van de grondwal plaatsvinden.

10 Milieueffectrapportage

10.1 Wettelijk kader

Algemeen

Onder de Omgevingswet is een wijziging van het omgevingsplan een planmer-plichtig besluit, wanneer dit besluit het kader schept voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarbij een passende beoordeling is vereist. Hiervan kan ontheffing worden verkregen wanneer het een klein plangebied of een kleine wijziging betreft. In dat geval is een planmer-beoordeling nodig.

Een wijziging van een omgevingsplan kan projectmer-plichtig zijn als de voorgenomen planontwikkeling is genoemd in kolom 1, 2 en 4 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Indien de planontwikkeling voldoet wordt genoemd in kolom 1, 3 en 4 is er sprake van een projectmer-beoordelingsplicht.

Wanneer uit een plan- of projectmer-beoordeling blijkt dat er sprake is van belangrijke milieugevolgen, geldt er alsnog een mer-plicht.

10.1.1 Beoordeling

De aanleg van Rollepaal Oost wordt genoemd in kolom 1 en 3 van de bijlage V van het Omgevingsbesluit (de aanleg, wijziging of uitbreiding van industrieterreinen (categorie J10)), hierdoor is de wijziging van het omgevingsplan projectmer-beoordelingsplichtig. Op voorhand wordt verwacht dat er sprake zal zijn van belangrijke milieugevolgen vanwege deze uitbreiding, waardoor op voorhand al meteen een projectMER zal worden opgesteld.

De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost biedt daarnaast kaders voor de te vestigen 'zwaardere' bedrijven en geluidzoneringsplichtige inrichtingen. Dergelijke bedrijven kunnen mer-(beoordelings)plichtig zijn bij de aanvraag voor omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit op basis van de categorieën onder C t/m H van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Er is daarom sprake van een kaderstellend plan voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten. Om deze reden ontstaat er een planmer-plicht.

In een eerste planstadium, bij de NRD, is een voortoets (met stikstofberekeningen) opgesteld om te beoordelen of een Passende Beoordeling nodig is. Op basis van de eerste globale stikstofberekeningen blijkt dat het project passend beoordeeld moet worden. Dit leidt tevens tot een planmer-plicht.

10.1.2 Gecombineerde plan- en projectMER

Op grond van bovenstaande is de wijziging van het omgevingsplan voor Rollepaal Oost zowel projectmer- als planmer-plichtig. Hiervoor wordt een gecombineerde plan- en projectMER opgesteld.

Het plan- en projectMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende redelijke alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het plan- en projectMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.

10.1.3 Procedure

Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)

Een eerste stap in de mer-procedure is het opstellen van een notitie reikwijdte en detailniveau (NRD), waarin het doel, de scope en de aanpak voor het MER worden beschreven. De reikwijdte staat voor de onderwerpen die in het MER staan, zoals welke alternatieven onderzocht worden en welke milieuaspecten relevant zijn. Bij het detailniveau draait het om hoe uitgebreid en hoe gedetailleerd en hoe de verschillende milieuaspecten in het MER worden onderzocht.

De ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)’ is als bijlage opgenomen in deze motivering.

Het bevoegd gezag moet de wettelijk adviseurs om advies vragen over de reikwijdte en detailniveau. Eventueel kan het bevoegd gezag ook de Commissie voor de milieueffectrapportage om advies vragen op de NRD, dit is niet verplicht.

Participatie is bij de NRD ook niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen omdat het bevoegd gezag aan moet geven hoe belanghebbenden betrokken zijn. Dit kan o.a. met een zienswijzeprocedure.

In dit geval is ervoor gekozen de Commissie m.e.r. in dit stadium niet te betrekken en wel een zienswijzeprocedure te volgen. De NRD is opgesteld en in procedure gebracht. De binnengekomen adviezen en inspraak zijn beschreven in het MER en direct verwerkt in het MER.

Het MER is vervolgens opgesteld en wordt gelijktijdig met het ontwerp Omgevingsplan ter inzage gelegd. Het MER vormt vervolgens een bijlage bij de vast te stellen wijziging van het Omgevingsplan. Er wordt gemotiveerd op welke wijze in het Omgevingsplan is omgegaan met de resultaten en conclusies uit het MER. Het MER wordt voor toetsing aangeboden aan de Commissie voor de m.e.r. bij de eerste ter inzageperiode van dit Omgevingsplan.

Publicatie NRD

De NRD heeft vanaf 15 februari 2023 voor zes weken ter inzage gelegen, gedurende deze termijn kon worden gereageerd. Hiervan is gebruikgemaakt door acht personen/organisaties, ook is van drie partijen een overlegreactie ontvangen. Op 23 februari 2023 is een inloopbijeenkomst gehouden. De inspraakreacties en adviezen zijn in de Reactienota, bijgevoegd als bijlage 1 in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘, samengevat en beantwoord.

10.1.4 Actualisatie onderzoeksaanpak

Sinds het opstellen van de ‘Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD)‘ (2022) heeft zich een aantal ontwikkelingen voorgedaan, die hebben geleid tot een iets andere aanpak voor het MER:

  • a.

    De Omgevingswet is van kracht geworden en de gemeente heeft daardoor gekozen voor een andere aanpak voor de milieuzonering, waarbij de milieucategorisering wordt losgelaten. Het beschermingsniveau voor woningen wijzigt daardoor niet.

  • b.

    De programmeringsafspraken met de provincie zijn gewijzigd en een uitbreiding tot netto 21 hectare is goedgekeurd onder voorwaarden (in plaats van de eerder begrote 10 ha). De voornaamste reden dat het alternatief 10 hectare in de NRD was opgenomen was dat er nog geen formele toestemming vanuit de provincie was voor de gewenste 21 hectare.

  • c.

    Door de gewijzigde programmeringsafspraken en de grote behoefteraming is het alternatief 10 ha geen realistisch uitvoerbaar alternatief gebleken. Daarnaast blijkt uit de grondexploitatie dat de uitbreiding met 10 hectare financieel niet haalbaar (negatief saldo). Dit alternatief is komen te vervallen.

Op basis van deze actualiteiten zijn de in de NRD beschouwde alternatieven opnieuw tegen het licht gehouden en is gekozen voor het onderzoeken van één alternatief waarbij de invulling van het bedrijventerrein met lichtere bedrijvigheid wordt onderzocht.

10.1.5 Toetsingsadvies Commissie voor de milieueffectrapportage

Het MER is door de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r.) getoetst en van advies voorzien. Het ‘Toetsingsadvies Commissie voor de Mer‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.

In het ‘Toetsingsadvies Commissie voor de Mer‘ wordt aangegeven dat het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost‘ omvangrijk is en uitgebreid ingaat op alle milieuaspecten die belangrijk zijn voor de besluitvorming. De onderzoeken in de bijlagenboeken bij het MER (zie ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_1‘ en ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost Bijlagenboek_2’) bevatten verdiepende informatie over deze aspecten. Zo is veel aandacht besteed aan de geluidsituatie en het beperken van hinder, de verkeersafwikkeling en de effecten op natuur (beschermde soorten, stikstof).

Het MER gaat ook in op onderdelen die gedurende het planproces zijn gewijzigd of vervallen, zoals de omvang van het plangebied, de realisatie van windturbines en een nieuwe verbinding met de N36. Tijdens het gehele proces is er meer duidelijkheid gekomen over de invulling van het bedrijventerrein, inclusief de uitbreiding van een hoogspanningsstation en van een transportbedrijf. Echter wordt opgemerkt dat de wijze waarop dit in het MER is verwerkt het lastig maakt om de belangrijkste conclusies ervan terug te vinden.

De commissie signaleert bij de toetsing van het MER dat nog belangrijke informatie ontbreekt. Het aanvullen van die informatie is essentieel om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij het besluit over het omgevingsplan. Het gaat om de volgende punten:

  • a.

    De commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voordat wordt besloten over het omgevingsplan, een beschouwing op te nemen van varianten voor de locatie en/of de capaciteit van het hoogspanningsstation en ligging en fasering van de kabels en leidingen. Besteed daarbij aandacht aan laagfrequent geluid en tonaal geluid, in de dag-, avond- en nachtperiode en geef inzicht in de aanwezigheid van gevoelige bestemmingen binnen de magneetveldzone.

  • b.

    De samenvatting van het MER is erg beknopt. De lezer krijgt met deze samenvatting geen goed beeld van het plan, de effecten daarvan en gemaakte keuzes, zoals hiervoor ook aangegeven. Zo ontbreekt hier een overzicht van de referentiesituatie en de effecten van het planvoornemen, de alternatieven en varianten en het voorkeursalternatief.

    De commissie adviseert om in een aanvulling op het MER, voordat wordt besloten over het omgevingsplan een actuele en volledige samenvatting van het MER op te nemen, zodat besluitvormers en belanghebbenden een goed beeld krijgen van het voornemen, alternatieven en varianten, de effecten daarvan en het vervolgtraject. Besteed daarbij ook aandacht aan de gemaakte keuzes in verschillende stadia van planvorming.

    Tevens wordt voor de navolgbaarheid van de conclusies geadviseerd een leeswijzer op te stellen, die helder maakt waar in het MER en de bijlagen welke informatie terug te vinden is.

Tot slot wordt door de Commissie m.e.r. nog een aantal aanbevelingen gedaan ten aanzien van de verdere besluitvorming van het bedrijventerrein:

  • a.

    Strategie bedrijventerrein

    Ontwikkel een langetermijnstrategie voor het bedrijventerrein Rollepaal, gericht op kwaliteitsverbetering en optimaal ruimtegebruik.

  • b.

    Bufferzone / grondwal

    Werk een variant uit waarbij de grondwal dichter bij de bedrijven ligt, voor betere effectiviteit tegen hinder en een betere landschappelijke inpassing.

  • c.

    Energievoorziening

    Start tijdig met onderzoek naar alternatieve energiebronnen en de realisatie van een energiehub.

  • d.

    Gezondheid

    Geef in de vergunningfase nadere invulling aan de beoordeling van cumulatief geluid en aanvaardbaarheid voor nabijgelegen woningen.

  • e.

    Monitoring geluid

    Werk een nalevingsstrategie voor geluidproductieplafonds uit en neem deze op in het omgevingsplan.

  • f.

    Verkeer

    Actualiseer verkeersprognoses op basis van de bekende invulling van het terrein en beoordeel of aanvullende maatregelen nodig zijn.

Naar aanleiding van het toetsingsadvies is, in aanvulling op het MER, een ‘Aanvulling MER’ opgesteld (zie paragraaf 10.2.3). Deze notitie vormt de aanvulling van de tekortkomingen op het gebied van de locatie-onderbouwing en effecten van het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis en de navolgbaarheid van het proces en genomen keuzes en de volledigheid van de samenvatting met leeswijzer. Aanvullend wordt ingegaan op hoe wordt omgegaan met de aanbevelingen van de Commissie m.e.r.

10.2 Toetsing

10.2.1 Beschrijving planvoornemen met varianten alternatief en scenario

Planvoornemen

In het planvoornemen moet Rollepaal Oost een plek bieden voor zwaardere bedrijvigheid vergelijkbaar met milieucategorie 4.2, waarbij maatregelen worden getroffen om overlast voor de omgeving te voorkomen of te beperken. Naast de normale bedrijvigheid, worden onder andere een waterstoftankstation, ondersteunende voorzieningen en de uitbreiding van het verdeelstation TenneT/Enexis mogelijk gemaakt. Detailhandel, zelfstandige kantoren en bedrijfswoningen worden niet toegestaan. Aan de noord- en oostzijde zal een grondwal worden gerealiseerd.

De bestaande geluidzone rondom Rollepaal wordt zodanig verruimd dat de hele uitbreiding binnen de zone past, er geluidruimte beschikbaar is voor nieuwe bedrijven maar de geluidzone nergens over nieuwe woningen valt. Het plangebied wordt voor gemotoriseerd verkeer in westelijke richting ontsloten via een aansluiting nabij het kruispunt Rollepaal, Schutwijk en Moerheimstraat. De infrastructuur wordt klimaatbestendig ingericht waarbij gebruik wordt gemaakt van wadi's en groenstructuren.

Aan de noord- en oostzijde zal een grondwal worden gerealiseerd van minimaal 3 meter hoog, voorzien van opgaand groen. Het doel van de grondwal is het zicht vanuit woningen op het bedrijventerrein te minimaliseren en het realiseren van een goede landschappelijke inpassing. Door het realiseren van vrijliggende fiets- en/of voetpaden met een klimaatbestendige inrichting wordt het gebied aantrekkelijk gemaakt voor (recreatief) wandelen tijdens de lunch. De verkaveling van het terrein maakt gebruik van bestaande structuren zoals sloten en beplanting die de landschappelijke structuur benadrukt. Verder wordt ingezet op zoveel mogelijk energieneutraal ontwerpen en een toekomstbestendig bedrijventerrein.

Varianten binnen het planvoornemen

Binnen het planvoornemen zijn twee varianten uitgewerkt:

  • a.

    Variant grondwal

    In het MER wordt onderzoek uitgevoerd naar andere mogelijke afscherming, de minimaal benodigde afmetingen om te zorgen voor voldoende afscherming voor de huidige woningen en de keuzes voor de (landschappelijk goed ingepaste) afscherming in relatie tot de ligging van de aangepaste geluidzone. Hiertoe zal zowel worden gekeken naar de effecten van een lagere grondwal (1,5 meter) als een hogere afscherming tot maximaal 6 meter, door het toepassen van een (geluid)scherm op de grondwal.

  • b.

    Variant bedrijfswoning

    De woning aan de Schutwijk 2 is door de gemeente aangekocht. In deze variant wordt rekening gehouden met de omzetting van Schutwijk 2 naar een bedrijfswoning of naar een bedrijfsbestemming waarmee mogelijk meer milieuruimte voor het bedrijventerrein ontstaat.

Alternatief lichtere bedrijvigheid

In dit alternatief wordt de invulling van het bedrijventerrein met lichtere bedrijvigheid (vergelijkbaar met max. milieucategorie 3.2) voorgesteld. Verder is het alternatief gelijkwaardig aan het planvoornemen. Onderzocht wordt of dit alternatief leidt tot minder grote milieubelasting op de omgeving.

Scenario verkeersontsluiting op de N36

De toekomstige gewenste zuidelijke ontsluiting richting de provinciale weg de N36 is opgenomen als scenario. Er is gekozen voor een scenario omdat de ontsluiting nog onzeker is en niet op korte termijn wordt gerealiseerd, maar wel invloed kan hebben op de milieueffecten van de ontwikkeling. Het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ geeft een algemeen beeld van hoe de situatie eruit zou zien als deze aansluiting er komt.

10.2.2 Beoordeling milieuaspecten
Algemeen

In de diverse hoofdstukken in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ zijn voor de milieuaspecten het planvoornemen en varianten en de alternatieven beschouwd en beoordeeld ten opzichte van de referentiesituatie. In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van deze beoordelingen.

i_NL.IMRO.0160.OP20220661-ON01_0048.jpg
tabel 10.1 - overzicht beoordeling aspecten voor het planvoornemen, varianten, alternatief en scenarioMER

*Aangepaste kavelemissies zijn noodzakelijk. Zonder deze aanpassing scoort het planvoornemen een “- “omdat de grenswaarden worden overschreden, met de aanpassing scoort het planvoornemen neutraal “0”. De effecten van de grondwal zijn vergeleken met de situatie met aangepaste kavelemissies.

10.2.2.1 Planvoornemen

Het planvoornemen scoort ten opzichte van de referentiesituatie negatief op de aspecten geluid, licht en gezondheidsbescherming. Uit de beoordelingen voor geluid volgt dat het planvoornemen mogelijk is, onder voorwaarde dat er een aangepaste kavelemissie voor de bedrijfskavels wordt toegepast. Hiermee kan nog steeds worden voldaan aan de doelstellingen voor het vestigen van TenneT en zwaardere bedrijven. Mogelijk moeten bedrijven wel meer aandacht aan geluidaspecten besteden bij ontwerp van kavel (afscherming) en keuze materialen en bronnen (geluidsarm ontwerpen). Bij deze uitgangspunten zal bij alle woningen het geluidniveau lager zijn dan de standaardwaarden van of de ter plaatse vastgestelde MTG. Naast geluid is ook lichthinder ter plaatse van de omwonenden een belangrijk aspect: er moeten voldoende maatregelen worden getroffen om lichthinder vanwege de infrastructuur, terreinverlichting en reclame-uitingen te voorkomen.

De aspecten waar het planvoornemen licht negatief scoort ten opzichte van de referentiesituatie hebben betrekking op de aspecten verkeer, landschap/archeologie, bodem, beschermde soorten en veiligheid. De effecten zijn gedeeltelijk een logisch gevolg van de keuze van het realiseren van de uitbreiding van het bedrijventerrein. Een deel van deze effecten kan worden gemitigeerd door het treffen van maatregelen of het stellen van randvoorwaarden (zie paragraaf 10.3.1).

Verder blijkt dat de energiepotentie van het bedrijventerrein onzeker is. Het toepassen van windturbines is vanuit de milieuaspecten geluid, slagschaduw en veiligheid lastig. Om voldoende windenergie op te wekken voor alle bedrijven is het plaatse van één grote windturbine aan de zuidzijde van het plangebied de meest kansrijke optie. Overwogen moet worden of windmolens vanuit landschap en beleving mogelijk zijn. Door in te zetten op een goede inpassing en een ruime kavel voor TenneT, is het wellicht eenvoudiger om groene stroom via TenneT in te kopen.

10.2.2.2 Variant bedrijfswoning

De variant bedrijfswoning scoort alleen op het aspect industrielawaai positiever dan het planvoornemen, vooral doordat met het vervallen van de woonfunctie de geluidruimte voor het bedrijventerrein aan deze zijde groter wordt. Voor de overige aspecten scoort deze variant gelijk aan het planvoornemen. Mocht de woning aanwezig blijven, is dit wel een locatie die invloed heeft op de direct omliggende kavels ten aanzien van geur, risico's en geluid (piekgeluiden).

10.2.2.3 Variant grondwal

De variant grondwal is onderverdeeld in twee subvarianten:

  • a.

    een lagere grondwal van 1,5 meter hoog (of zelfs het weglaten van de grondwal) of

  • b.

    het toepassen van een goed ingepast (begroeid) topscherm van 3 meter op de wal, waarmee de totale afscherming hoogte 6 meter wordt.

Indien de grondwal lager wordt uitgevoerd hoeft er minder grond te worden aangevoerd en is sprake van een betere aansluiting op de landschapskenmerken, er is echter meer kans op lichthinder en zicht op het bedrijventerrein maar niet in zodanige mate dat dit in de tabel tot heel andere scores leidt.

Wanneer de grondwal hoger wordt (6 meter) kan de grondwal een bijdrage leveren aan het verminderen van geluidsbelasting op de woningen, dit effect is op de begane grond hoger dan op de bovenste verdieping van woningen in de nachtperiode. Ook wordt lichthinder beter gereduceerd met deze hogere wal, met name de overlast van directe lichthinder. Voor de gezondheidsbescherming is dit daarmee de beste variant.

Een hogere grondwal betekent echter dat er extra grond moet worden aangevoerd. De variant scoort derhalve licht negatiever op het gebied van circulariteit. Nadelige gevolgen van een geluidsscherm zijn de barrière bewerking voor het medegebruik door soorten (ecologie) en mensen.

10.2.2.4 Alternatief lichtere bedrijvigheid

Het alternatief lichtere bedrijvigheid scoort op de aspecten industrielawaai en de energievraag positiever dan het planvoornemen. De lichtere bedrijvigheid heeft minder geluidsruimte (industrie) nodig waardoor de geluidsbelasting bij woningen lager zal zijn. Ook de energievraag van dit type bedrijvigheid is lager en scoort hierdoor positiever.

Ten aanzien van circulariteit is dit alternatief iets minder positief omdat geen ruimte wordt geboden voor ruimte-intensieve recyclingbedrijven. Voor de overige aspecten is dit alternatief vergelijkbaar met het planvoornemen.

10.2.2.5 Scenario verkeersontsluiting

Uit de globale analyse van het scenario verkeersontsluiting volgt dat de verkeersontsluiting een positief effect kan hebben op de circulaire opgave van het bedrijventerrein doordat dat de bereikbaarheid verbetert. Ook op het gebied van geluid als gevolg van verkeersweglawaai en verkeersveiligheid kan sprake zijn van positieve effecten doordat het sluipverkeer over de Stegerensallee zal afnemen. Onbekend is echter wat de effecten zijn van de nieuwe ontsluiting voor het overige verkeer (niet gerelateerd aan Rollepaal): naar verwachting ontstaan verschuivingen in de verkeersverdeling en kan de nieuwe ontsluiting extra verkeer aantrekken vanwege de nieuwe verbinding tussen de N36 en de N377. Hierdoor kan mogelijk een toename van verkeer op de weg Rollepaal ontstaan waardoor ook de geluidsbelasting bij woningen kan toenemen. Ook de verkeersveiligheid is een aandachtspunt aangezien de capaciteit van de N36 in de huidige situatie een knelpunt is.

10.2.3 Aanvulling MER

Naar aanleiding van het toetsingsadvies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie m.e.r., zie paragraaf 10.1.5) is een ‘Aanvulling MER’ opgesteld. Het document betreft een aanvulling op het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost in Dedemsvaart, gemeente Hardenberg. De ‘Aanvulling MER‘ is als bijlage opgenomen in de voorliggende motivering.

De ‘Aanvulling MER ‘geeft inzicht in de milieueffecten van de uitbreiding, met bijzondere aandacht voor het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis, de navolgbaarheid van het proces en een uitgebreide publieksvriendelijke samenvatting. Tevens worden aanbevelingen van de Commissie m.e.r. besproken en verwerkt.

Ten aanzien van de 'locatieonderbouwing' en de 'navolgbaarheid van het planproces' wordt het volgende opgemerkt:

  • a.

    Locatieonderbouwing TenneT/Enexis

    Het document betreft een aanvulling op het milieueffectrapport (MER) voor de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost in Dedemsvaart, waarin de noodzaak, locatiekeuze en milieueffecten van onder andere het hoogspanningsstation van TenneT/Enexis worden toegelicht, inclusief een uitgebreide beoordeling van varianten, effecten op geluid, natuur, verkeer, energievoorziening en landschap, met aanbevelingen voor mitigatie en duurzame inrichting, waarbij locatie 1 als voorkeurslocatie is gekozen en het plan voorziet in een duurzame, toekomstbestendige uitbreiding met aandacht voor gezondheid, milieukwaliteit en monitoring.

  • b.

    Navolgbaarheid proces en keuzes

    In de ‘Aanvulling MER’ is ten behoeve van het vergroten van de navolgbaarheid ingegaan op proces en de gemaakte keuzes. Aangegeven is dat planvoornemen tijdens het proces is gewijzigd en uitgebreid van ongeveer 10 naar 21 hectare, onder meer vanwege de benodigde ruimte voor het hoogspanningsstation en regionale bedrijvigheid. Vanwege de Omgevingswet is een nieuwe aanpak voor milieuzonering toegepast, met geluidproductieplafonds en kavelemissies. Om de geluidruimte optimaal te benutten, is daarbij een alternatief met geoptimaliseerde kavelemissies ontwikkeld. Daarnaast is onderzocht of windturbines mogelijk zijn; vanwege landschappelijke en veiligheidsaspecten zijn deze niet opgenomen in het voorkeursalternatief. Ook een zuidelijke ontsluiting via de N36 is onderzocht, maar maakt geen deel uit van het planvoornemen.

    Deze toelichting op de gemaakte keuzes vergroot de transparantie van het planproces.

Voor de publieksvriendelijke samenvatting en de beantwoording van de aanbevelingen wordt verwezen naar de ‘Aanvulling MER’.

10.3 Conclusie en doorvertaling naar het omgevingsplan

10.3.1 Voorkeursalternatief

Op basis van de bevindingen in het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ zijn het planvoornemen en alternatief lichtere bedrijvigheid vrijwel gelijkwaardig. Alleen op aspecten gezondheidsbescherming scoort het alternatief lichtere bedrijvigheid iets positiever. Het alternatief lichtere bedrijvigheid is onderzocht om na te gaan of dit alternatief de belasting op de omgeving kan beperken. Uit de bevindingen van het MER blijkt dat de invulling met lichtere bedrijvigheid een gering effect heeft op de geluidbelasting op de omgeving (industrielawaai). Dit geringe effect is te verklaren doordat de geluidruimte per kavel is bepaald en hierdoor rekening wordt gehouden met de aanwezige woningen. Op grotere afstand van woningen is meer geluidruimte waardoor invulling met zwaardere of lichtere bedrijvigheid op deze afstand geen invloed heeft op de geluidsbelasting van de woningen. Aangezien het verschil in milieueffecten beperkt is en de vraag naar kavels met geluidruimte hoog is, is gekozen voor het planvoornemen met 'zwaardere bedrijvigheid' als voorkeursalternatief.

Er wordt in het voorkeursalternatief geen geluidreservering aangehouden voor het bestaande gedeelte van Rollepaal van 0,5 DB. De keuze hiervoor is afhankelijk van meerdere factoren waaronder het feit dat het huidige terrein van Rollepaal op dit moment fysiek grotendeels is opgevuld. De bestaande bedrijven dienen te opereren binnen de nu aanwezige geluidruimte dat op grond van Bbt (Best beschikbare technieken) niet onmogelijk is en geen beperking hoeft te zijn. Daarnaast zorgt de nieuwe systematiek met gpp's ervoor dat uit mag worden gegaan van de jaargemiddelde bedrijfssituatie, hierdoor blijft enige geluidruimte bestaan voor de huidige bedrijvigheid. Een andere factor die meespeelt is dat het bedrijventerrein ruimte moet bieden aan het hoogspanningsstation van Enexis/TenneT, wanneer de geluidsreservering wordt toegekend aan het huidige bedrijventerrein is de geluidruimte per kavel mogelijk te krap voor de beoogde bedrijvigheid. De keuze leidt daarnaast niet tot een toename van het aantal woningen waarbij de geluidsbelasting hoger is dan de standaardwaarde van 50 dB(A).

Op basis van de bevindingen van de vergelijkingen tussen de varianten 'een lagere <1,5 meter grondwal' en 'een hogere 3 meter grondwal' blijkt dat een grondwal van 1,5 of 3 meter de voorkeur heeft. Er is gekozen voor een grondwal van 3 meter omdat een lagere grondwal geen akoestisch effect heeft. Een grondwal van 3 meter (planvoornemen) kan de geluidbelasting als gevolg van laag gesitueerde bronnen in geringe mate beperken, met name op de begane grond.

Op het gebied van energiepotentie is onzeker of het bedrijventerrein zelfvoorzienend kan zijn in energie en warmte. Uit het MER blijkt dat zonne-energie niet voldoende energiezekerheid biedt jaarrond. Door een combinatie van wind- en zonne-energie kan aan de energievraag worden voldaan. Uit het MER blijkt dat de mogelijkheden voor plaatsing van windturbines gering zijn door de aanwezigheid van woningen, bedrijvigheid en buisleidingen/hoogspanningslijnen. Hoewel uit het onderzoek van DGMR blijkt dat de plaatsing van een windturbine op het bedrijventerrein mogelijk is door onder andere een stand-still voorziening bij schaduwwerking te realiseren, zijn landschappelijke effecten niet te voorkomen. De gemeente heeft derhalve de afweging gemaakt om in het VKA de plaatsing van windturbines in het plangebied niet mee te nemen in het omgevingsplan. Dit betekent echter niet dat windturbines ook in de toekomst worden uitgesloten. De provincie is sinds bevoegd gezag voor het toelaten van windturbines vanaf 5 MW met een projectbesluit. Windturbines maken hierdoor geen deel uit van het VKA.

Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt verder dat de ontwikkeling mogelijk leidt tot licht negatieve effecten op beschermde soorten. Belangrijke aandachtspunten zijn verder het sluipverkeer over de Stegerensallee, lichthinder op de omgeving en de ligging in het brandaandachtsgebied van de buisleidingen. In de volgende alinea's worden de te nemen mitigerende maatregelen en aanbevelingen om de effecten te beperken. Ook worden aanbevelingen gedaan om het bedrijventerrein toekomstbestendig en natuurvriendelijk in te richten.

10.3.2 Mitigerende maatregelen VKA

Uit de beoordeling van de milieueffecten van het planvoornemen blijken verder negatieve effecten, zoals effecten op beschermde soorten, sluipverkeer over de Stegerensallee, lichthinder en risico's door de ligging in een brandaandachtsgebied van buisleidingen. Er zijn mitigerende maatregelen nodig om deze effecten te beperken.

Verminderen van sluipverkeer over de Stegerensallee

Uit de bevindingen van de verkeersanalyse blijkt dat een deel van het verkeer zich in de huidige situatie via de Stegerensallee verdeelt. Om te voorkomen dat in de beoogde situatie vrachtverkeer via de Stegerensallee gaat rijden dienen maatregelen te worden genomen. Hierbij kan worden gedacht aan bewegwijzering en door te sturen op de noordelijke ontsluitingsroute binnen de inrichting van de aansluiting van het plangebied op de Rollepaal.

Beperk geluidhinder bij omwonenden als gevolg van piekgeluiden

Voor de piekgeluiden wordt verwacht dat deze mogelijk tot hinder leiden bij de woningen rondom de uitbreiding, ondanks dat kan worden voldaan aan de geluidwaarden uit het Bkl. Overwogen kan worden om hier aanvullende eisen te stellen om een aanvaardbaar piekgeluidniveau bij de woningen te realiseren.

Beperken externe veiligheidsrisico's

Het plangebied ligt in het brandaandachtsgebied van diverse leidingen. Binnen het aandachtsgebied van de hogedruk aardgasleidingen wordt aanbevolen aanvullende maatregelen te nemen zodat aanwezige personen veilig kunnen schuilen of vluchten ingeval van brand. Het is van belang dat bij invulling van de bedrijfskavels de bedrijfsgebouwen met hoge personendichtheid zoals kantoren, zo ver mogelijk aan de noordzijde worden geplaatst en de bedrijfsactiviteiten met lage personendichtheid aan de zuidzijde (zoals opslag). Van belang is dat er een vluchtroute aan de noordzijde wordt gerealiseerd (van de bron af). De toekomstige inrichtingen moeten worden voorzien van mechanisch afsluitbare ventilatie. Verder dient bij de indeling van het gebied rekening te worden gehouden met de maatvoering van de waterwagens van de brandweer, de aanwezigheid van een grootschalige bluswatervoorziening en dient het bedrijventerrein aan twee zijden te worden ontsloten. Om de kwetsbare infrastructuur te beschermen, moet de afstand tussen de locatie(s) van TenneT en de hoogspanningsverbindingen en een potentieel waterstoftankstation (of ander bedrijf met gevaarlijke stoffen) voldoende groot zijn. Hiertoe zal bij vestiging van een risicovol bedrijf vooraf een nader onderzoek gedaan moeten worden om de haalbaarheid van een locatie en/of mogelijke maatregelen te bepalen.

Realiseer compensatielocaties voor egel en kleine marterachtigen

In het gebied zijn potenties voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. In 12.3 zijn de eisen van deze soorten aan de leefgebieden opgenomen. Er dient rekening te worden gehouden met deze inrichtingseisen voor de groengebieden (grondwal) en waterpartijen.

Beperk (stikstof)emissies

Het plangebied wordt niet aangesloten op het gasnetwerk. Het voornemen biedt kansen voor zonne-energieopwekking op daken. Uitgangspunt in het planvoornemen is dat de daken constructief geschikt zijn voor zonnepanelen. Maatregelen om de emissies te beperken zijn inzet van elektrische mobiele werktuigen.

Onderzoek de mogelijkheden voor inzet alternatieve energiebronnen en realisatie van een energiehub

De inzet op zonne-energie op daken is niet voldoende om te voorzien in een stabiele energieopbrengst jaarrond. Een combinatie met een andere energiebron is hierdoor noodzakelijk om zelfvoorzienend te zijn. Andere mogelijke energiedragers zijn windenergie en WKO-installaties. Uit het MER blijkt dat de mogelijkheden voor windturbines op het bedrijventerrein gering zijn door de aan te houden afstanden tot woningen in verband met geluid en slagschaduw en vanwege aan te houden veiligheidsafstanden tot hoogspanningsleidingen, buisleidingen, kantoren e.d. Ga op basis van gebruikscijfers na wat nodig is om een passend energiesysteem te ontwikkelen. Onderzoek de mogelijkheden om het bedrijventerrein aan te sluiten op windpark Veenwieken, zonneparken in de omgeving en de mogelijkheden voor gebruik van restwarmte van de RWZI. Ga na of op grotere afstand van het plangebied windturbines kunnen worden geplaatst die het bedrijventerrein kunnen voorzien van energie. Bekijk samen met de vestigende partijen de mogelijkheden voor een energiehub waar lokaal opgewerkte duurzame energie in de vorm van elektriciteit, warmte en waterstof weer lokaal afgezet kan worden.

Beperken van lichthinder

Uit informatie van omwonenden (zienswijzen) blijkt dat er zorgen zijn met betrekking tot lichthinder vanuit het bedrijventerrein. Voor het voorkomen van lichthinder moeten de volgende maatregelen worden getroffen:

  • a.

    straatverlichting maximaal 6 meter hoog, afgeschermd en gericht;

  • b.

    geen verlichte reclame-uitingen boven 4 meter;

  • c.

    grondwal ten minste 3 meter hoog, in ieder geval daar waar de grondwal in de zichtlijn van de interne weg en woningen ligt.

10.3.3 Aanbevelingen

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt een aantal aanbevelingen gedaan:

  • a.

    Beperk de effecten op de bodem

    Beperk verdichting van de bodem door gebruik te maken van vaste bouwwegen en/of rijplaten. Hanteer extensief beheer, een ruigere begroeiing zorgt voor een diepere beworteling en droogtebestendigere vegetatie, ook is extensief beheer minder belastend voor de bodem.

  • b.

    Vergroot de circulariteit van beoogde bedrijvigheid

    De circulariteit van de beoogde bedrijvigheid is onzeker wanneer er geen voorwaarden worden gesteld. Deze kunnen privaatrechtelijk worden geregeld via een koopovereenkomst. Mogelijke maatregelen zijn het opstellen van een materialenpaspoort, gebruik van cradle-to-cradle gecertificeerde materialen en in te zetten op losmaakbaarheid.

  • c.

    Beperken drinkwaterverbruik

    Zet in op hergebruik van overtollig hemelwater. Hergebruik van overtollig hemelwater kan het drinkwaterverbruik verminderen. Het overtollige regenwater kan worden opgevangen en gebruikt worden voor bewatering van groene gevels/groene daken en/of het doorspoelen van toilet en dergelijke.

  • d.

    Beperken van oververhitting gebouwen

    In het planvoornemen wordt veel aandacht besteed aan openbaar groen en water. Ook op de kavels zelf is een zone opgenomen voor groen. Naast hitte-eilanden buiten kan sprake zijn van oververhitting van gebouwen. Oververhitting van gebouwen kan worden beperkt door in te zetten op groene gevels/groene daken en half verharding/open verharding toe te passen waar mogelijk. Ook zomer-nachtventilatie kan oververhitting van gebouwen mogelijk tegengaan.

  • e.

    Stimuleren duurzaam vervoer

    De verkeersgeneratie van het bedrijventerrein kan worden beperkt door in te zetten op langzaam en openbaar vervoer (lopen, fiets en OV). Bijvoorbeeld door het bedrijventerrein aan te sluiten op het hoofdfietsnetwerk van Hardenberg.

    Bij de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling zijn meerdere mogelijkheden voor het integreren van vormen van duurzame mobiliteit. Zo kunnen afspraken worden gemaakt met de te vestigen bedrijven voor het inzetten van deelmobiliteit, zijnde deelauto's of deelfietsen.

  • f.

    Natuurinclusief bouwen

    Door in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn o.a. zwarte roodstaart, scholekster, gewone dwergvleermuis.

  • g.

    Draag zorg voor goede landschappelijke inrichting

    Een goede landschappelijke inpassing van het bedrijventerrein is noodzakelijk ter verbetering van het zicht en aanzicht op het bedrijventerrein vanuit de omgeving en goede inpassing van waardevolle landschappelijke structuren. Maak visualisaties van het bedrijventerrein zodat voor de omwonenden duidelijk is hoe het bedrijventerrein eruit komt te zien. Door duidelijke beeldkwaliteitscriteria op te nemen kan worden gestuurd op de vormgeving van de bebouwing zodat het ontstaan van 'grijze dozen' kan worden voorkomen.

  • h.

    Verhoog de levensduur van de aan te planten bomen

    Bomen in stedelijke/verharde omgeving hebben over het algemeen een lage overlevingskans en bereiken over het algemeen een leeftijd van 30 jaar. Draag zorg voor voldoende groeiruimte en verbeter de kwaliteit van de bodem. Kies locaties op ruime afstand van kabels en leidingen. Zorg voor circa 100 m3 ondergrondse ruimte (1 m3 per groei-jaar).

    Plant soorten die klimaatbestendig zijn en tegen langdurige droogte bestand zijn. Bij voorkeur streekeigen soorten.

10.3.4 Toetsing doelbereik VKA
Algemeen

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt het voorkeursalternatief getoetst aan het doelbereik. Vanuit de gemeente en provincie geldt een aantal uitgangspunten en randvoorwaarden voor de uitbreiding:

  • a.

    Uit de programmeringsafspraken met de provincie volgt dat aan de goedkeuring van de uitbreiding van het bedrijventerrein voorwaarden zijn gekoppeld waaronder het realiseren van een toekomstbestendig bedrijventerrein, waarbij water en bodem sturend zijn.

  • b.

    De gemeenteraad heeft als voorwaarde meegegeven dat voorzieningen moeten worden getroffen die de toekomstige uitbreiding aan het zicht zullen onttrekken, geluid/lichthinder kan wegnemen maar wel landschappelijk inpasbaar zijn.

  • c.

    Het bedrijventerrein moet zoveel mogelijk energieneutraal worden ontworpen en moet de mogelijkheid bieden om in de toekomst een waterstof-tankstation te realiseren.

  • d.

    Naast bedrijvigheid moet ruimte worden geboden aan de uitbreiding van verdeelstation Enexis/TenneT met 3,4 hectare.

Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat met het voorkeursalternatief, met aanvullende mitigerende maatregelen, het doelbereik wordt gehaald.

10.3.4.1 Kwaliteitseisen provincie toekomstbestendig bedrijventerrein

De kwaliteitsambities van de provincie zijn opgenomen in de Programmeringsafspraken Bedrijventerrein Regio West-Overijssel' (zie ook paragraaf 3.5.3). De ambities hebben betrekking op het beperken van gebruik van drinkwater, het stimuleren van circulair bouwen (MPG), duurzaam gebruik van grondstoffen, het realiseren van een gezonde en groene leefomgeving, inzet op groene energie en zorgvuldig ruimtegebruik.

  • a.

    Bodem en water

    Er is geen doelstelling opgenomen om het drinkwaterverbruik te verminderen. Bij aanbevelingen worden de mogelijke maatregelen benoemd.

  • b.

    Circulariteit

    Er zijn geen gemeentelijke doelstellingen ten aanzien van circulariteit gespecificeerd voor bedrijventerreinen. Bij aanbevelingen is een voorzet gedaan om een positieve bijdrage te leveren aan circulariteit.

  • c.

    Gezonde en groene leefomgeving

    In het planvoornemen wordt in het openbare gebied ingezet op de realisatie van een groene en gezonde leefomgeving voor mens en dier. Door ook natuurinclusief te bouwen (zie aanbevelingen) kan ook op gebouwniveau een bijdrage worden geleverd.

  • d.

    Inzet groene energie

    Het nieuwe bedrijventerrein wordt niet aangesloten op het aardgasnetwerk en de daken van bedrijfsgebouwen dienen geschikt te zijn voor zonnepanelen, daarnaast is groene energie het uitgangspunt. Er wordt voldaan aan de gestelde ambitie van de gemeente.

  • e.

    Zorgvuldig ruimtegebruik

    Er wordt voldaan aan de eis dat de gronden worden verkocht aan eindgebruikers en een minimaal bebouwingspercentage van 50%.

10.3.4.2 Beperken zichtbaarheid bedrijventerrein en geluid/lichthinder op omgeving (gemeenteraad)

Het bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast met een grondwal en opgaande beplanting bestaande uit bomen en struiken. Hiermee wordt het zicht op het bedrijventerrein vanuit omwonenden zoveel als mogelijk beperkt. Aangezien de bouwhoogte van de bedrijven hoger is dan de beplanting (zeker in de eerste periode) en in de winterperiode het bosschage na bladval geen zicht beperkt, blijft altijd sprake van enig zicht op het bedrijventerrein.

10.3.4.3 Inzet op zoveel mogelijk energieneutraal

Het bedrijventerrein wordt niet aangesloten op het gasnetwerk en de daken dienen geschikt te zijn voor zonnepanelen. Uit het MER blijkt dat de kansen voor windturbines op het bedrijventerrein gering zijn. De gemeente heeft besloten om wind geen deel uit te laten maken van het VKA. Er dient te worden gezocht naar mogelijkheden voor andere energiebronnen en de realisatie van een smart energy hub.

10.3.4.4 Ruimte voor Enexis/TenneT

Op het bedrijventerrein wordt ruimte voorzien voor het nieuwe verdeelstation van Enexis/TenneT.

10.3.5 Doorvertaling omgevingsplan-voorkeursvariant

Het voorkeursalternatief wordt doorvertaald in het omgevingsplan. In het omgevingsplan worden milieuregels opgenomen met betrekking tot geur, geluid, licht, stikstof en natuurinclusief bouwen:

  • a.

    Geur

    Er wordt aangesloten bij het geurbeleid van de provincie Overijssel (Beleidsregel geur door milieubelastende activiteiten (niet-veehouderijen, 2024) voor gebouwen uit categorie A.

  • b.

    Geluid kavelemissies

    In het omgevingsplan worden aangepaste kavelemissies opgenomen, namelijk 58 dB(A)/m2 in het noordelijk deel en 62 dB(A)/m2 in het zuidelijk deel.

  • c.

    Lichthinder

    In het omgevingsplan wordt lichthinder op omgeving beperkt door het opnemen van voorschriften.

  • d.

    Stikstof

    In de berekeningen ten behoeve van het MER is uitgegaan van een aardgasvrij bedrijventerrein. In de berekeningen is rekening gehouden met emissies als gevolg van een toename van het verkeer. Er is geen rekening gehouden met overige bedrijfsemissies. In het omgevingsplan wordt het gebruik van brandstof aangedreven materieel en machinerieën (met uitzondering van vrachtwagens, bestelwagens en personenvoertuigen) in de gebruiksfase verboden.

  • e.

    Natuurinclusief bouwen

    Er worden regels opgenomen die het natuurinclusief bouwen van gebouwen zal bevorderen.

10.3.6 Monitoring

In het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ wordt een aanzet gedaan voor het monitoringsprogramma. Het programma heeft als doel om de voorspelde milieueffecten en de effectiviteit van de voorgestelde mitigerende maatregelen te monitoren. Daarnaast draagt monitoring bij aan het kunnen sturen wanneer blijkt dat effecten negatiever uitvallen dan beoordeeld in het MER.

Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat voor de volgende aspecten monitoring noodzakelijk is:

  • a.

    Verkeer: de effecten van verkeer zijn gebaseerd op kencijfers en het verkeersmodel. Het is van belang om de intensiteiten en afwikkeling op de hoofdwegen en kruispunten te monitoren. Ook de mitigerende maatregelen om sluipverkeer over de Stegerensallee te beperken dienen te worden gemonitord.

  • b.

    Geluid: ook de effecten van geluid zijn gebaseerd op modelberekeningen. De meldingen bij de omgevingsdienst/gemeente met betrekking tot geluidhinder worden gemonitord.

  • c.

    Energie: de energiepotentie en vraag is gebaseerd op kencijfers. Bij nadere uitwerking worden de mogelijkheden voor windturbines (en overige energiedragers) en een energiehub onderzocht. Van belang is dat de energievraag en -aanbod wordt gemonitord zodat hierop in kan worden gespeeld.

  • d.

    Lichthinder; uit de referentiesituatie blijkt dat sprake is van lichthinder. In het MER zijn mitigerende maatregelen opgesteld om lichthinder te beperken. De effecten van lichthinder zijn afhankelijk van de daadwerkelijke invulling van het bedrijventerrein, het is hierdoor van belang dat de effecten worden gemonitord zodat eventueel extra mitigerende maatregelen kunnen worden genomen. De meldingen bij de omgevingsdienst/gemeente met betrekking tot lichthinder worden gemonitord.

  • e.

    Door monitoring kunnen de effecten beter inzichtelijk worden gemaakt en gebruik worden gemaakt van nieuwe gegevens die mogelijk in toekomst beschikbaar komen. Mogelijk kan als gevolg van monitoring het treffen van aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn.

11 Uitvoerbaarheid

11.1 Economische uitvoerbaarheid

11.1.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling economisch niet evident onuitvoerbaar is. Als de ruimtelijke ontwikkeling kostenverhaalplichtige activiteiten omvat, moet het kostenverhaal verzekerd zijn.

11.1.2 Financiële uitvoerbaarheid

In het geval van de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost is de gemeente eigenaar van de gronden die nodig zijn voor de uitbreiding. Daarmee is de gemeente initiatiefnemer en realiseert de uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost voor eigen rekening en risico. De gemeente heeft daarvoor vanuit de begroting middelen gereserveerd om de uitbreiding van het bedrijventerrein te realiseren.

Daarmee is aangetoond dat de ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is

11.1.3 Kostenverhaal

Bij wijzigingen van het omgevingsplan waarbij kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt is de gemeente verplicht de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen voor het aanleggen van openbare voorzieningen naar evenredigheid te verhalen op initiatiefnemers van kostenverhaalplichtige activiteiten die profijt hebben hiervan.

In artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit is een overzicht opgenomen van de kostenverhaalplichtige activiteiten. Aangewezen bouwactiviteiten zijn bijvoorbeeld het bouwen van woningen, bedrijfspanden, kantoren en winkels. Er zijn nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

Zolang de kostenverhaalbijdrage niet is betaald, is het verboden om de bouwwerkzaamheden uit te voeren. Het kostenverhaal kan via een van onderstaande opties verzekerd worden:

  • a.

    via regels kostenverhaal in het omgevingsplan;

  • b.

    via een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer van de kostenverhaalplichtige activiteit;

  • c.

    via de gronduitgifte-overeenkomst tussen gemeente en een toekomstige eigenaar/eigenaren, indien de gemeente het volledige kostenverhaalsgebied in eigendom heeft.

Rollepaal Oost

In het geval van de beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal Oost is sprake van een kostenverhaalplichtige activiteit. In het voorliggende geval is de gemeente Hardenberg eigenaar van de gronden waarop deze kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden gemaakt. De gemaakte kosten worden bij grondverkoop via de grondprijs verhaald.

Hieruit volgt dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar is.

11.1.4 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico dat iemand onevenredig zwaar treft. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving.

De gemeente kan de kosten van nadeelcompensatie geheel of gedeeltelijk verhalen op de initiatiefnemer. De gemeente kan een overeenkomst sluiten met een initiatiefnemer over kostenverhaal waarin de kosten voor nadeelcompensatie worden meegenomen. Bij publiekrechtelijk kostenverhaal worden ook de geraamde kosten van nadeelcompensatie op de aanvrager verhaald. De kosten voor nadeelcompensatie staan op de kostensoortenlijst (bijlage IV Omgevingsbesluit). Het is verboden kostenverhaalsplichtige activiteiten uit te voeren als de kosten nog niet zijn betaald. Dit regelt artikel 13.12 van de Omgevingswet.

Rollepaal Oost

In het voorliggend geval is de gemeente eigenaar van de gronden en zelf initiatiefnemer. Dit betekent dat eventuele kosten voor nadeelcompensatie ten laste van de gemeente komen.

11.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

11.2.1 Algemeen

Een initiatiefnemer moet in alle gevallen bij de aanvraag aangeven of participatie heeft plaatsgevonden (artikel 7.4, lid 2 Omgevingswet). Goede participatie maakt een plan of initiatief beter. Deze samenwerking tussen belanghebbenden, gemeente en initiatiefnemers kan het plan inhoudelijk verbeteren en verrijken, bijvoorbeeld door lokale kennis te benutten. Daarbij draagt het bij aan de besluitvorming, door alle belangen in beeld te brengen en hierdoor beter rekening kan worden gehouden met deze belangen. Dit kan bijdragen aan het draagvlak van het plan.

11.2.2 Afstemming overlegpartners

Naast het formele instrumentarium, is onder de Omgevingswet ook informeel vooroverleg over plannen mogelijk. Het vooroverleg is vormvrij. Door bij ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeg stadium met elkaar op te trekken kunnen knelpunten in een vroeg stadium worden gesignaleerd. De gemeente Hardenberg heeft tijdens het ontwikkel traject meerdere keren met provincie, het Waterschap en de Veiligheidsregio (afstemmings)overleg gehad over de ontwikkeling.

In het kader van vooroverleg heeft de gemeente Hardenberg de overlegpartners :

  • a.

    GGD IJsselland;

  • b.

    Veiligheidsregio IJsselland;

  • c.

    Omgevingsdienst IJsselland;

  • d.

    Provincie Overijssel;

op de hoogte gebracht dat het voorontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg voor 'Rollepaal Oost' en het MER vanaf maandag 28 augustus 2025 ter inzage heeft gelegen. De gemeente heeft de overlegpartners verzocht aan te geven of er specifieke aandachtspunten aan de orde zijn waarmee rekening dient te worden gehouden bij de planontwikkeling.

De reacties van de overlegpartners zijn in de 'Notitie over de reacties op het voorontwerp van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg en het MER voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal in Dedemsvaart: Rollepaal Oost' samengevat en van antwoord voorzien. De ‘Notitie over de reacties op het voorontwerp‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.

11.2.3 Participatie

Gedurende het voorbereidingstraject van het nieuwe bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn omwonenden op verschillende momenten geïnformeerd over de ontwikkelingen. Deze communicatie verliep voornamelijk via informatiebrieven en diverse bijeenkomsten gericht op participatie en transparantie.

Er hebben regelmatig informele gesprekken plaatsgevonden met de bewonerscommissie. Tijdens deze bijeenkomsten werden de commissieleden geïnformeerd over de voortgang en kregen zij de gelegenheid om vragen te stellen.

Overzicht van informatiebrieven

Omwonenden zijn via de volgende informatiebrieven op de hoogte gesteld van de voortgang en plannen rondom Rollepaal Oost:

  • a.

    9 december 2021;

  • b.

    20 april 2022;

  • c.

    29 juni 2022;

  • d.

    21 december 2022;

  • e.

    26 april 2023;

  • f.

    23 juli 2024.

Bijeenkomsten en spreekuren

  • a.

    Inloopbijeenkomst aankoop landbouwgrond – 15 november 2021

    Voorafgaand aan het besluit van de gemeenteraad om ten oosten van Rollepaal grond aan te kopen voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein, zijn omwonenden geïnformeerd. Dit gebeurde via een inloopbijeenkomst, waarin het voorstel werd toegelicht en men vragen kon stellen.

  • b.

    Spreekuur in De Baron – 13 juli 2022

    In de informatiebrief van 20 april is ingegaan op de proefverkaveling en de stappen richting het omgevingsplan. Omwonenden kregen de mogelijkheid zich in te schrijven voor een gesprek over de stand van zaken en om vragen te stellen.

  • c.

    Inloopbijeenkomst over Notitie Reikwijdte en Detailniveau – 23 februari 2023

    Het bedrijventerrein Rollepaal wordt uitgebreid richting het oosten. Om dit mogelijk te maken, start een ruimtelijke procedure waarbij de gevolgen voor het milieu onderzocht worden. De onderwerpen die onderzocht worden, zijn vastgelegd in de 'Notitie reikwijdte en detailniveau'. Tijdens de bijeenkomst konden omwonenden deze notitie inzien en hun reactie geven.

  • d.

    Duurzaamheidssessie – 19 april 2023

    In deze interactieve duurzaamheidssessie is samen met ondernemers gesproken over duurzame ambities en kansen voor Rollepaal Oost. Het doel en programma van de sessie werden vooraf uitgelegd.

  • e.

    Duurzaamheidssessie – 7 juni 2023

    In deze interactieve duurzaamheidssessie is samen met omwonenden gesproken over duurzame ambities en kansen voor Rollepaal Oost. Het doel en programma van de sessie werden vooraf uitgelegd.

  • f.

    Spreekuur in De Baron – 6 december 2023

    Omwonenden konden opnieuw in gesprek met de gemeente over de stand van zaken. Hierbij werden de bewoners bijgepraat over de duurzaamheidsvisie en het stedenbouwkundig plan voor Rollepaal Oost. Ook werden de lopende milieuonderzoeken toegelicht.

  • g.

    Inloopbijeenkomst over onderzoeken – 8 juli 2024

    Tijdens de bijeenkomst op 8 juli 2024 zijn omwonenden geïnformeerd over de uitkomsten van diverse onderzoeken en de actuele stand van zaken rondom de ontwikkeling van bedrijventerrein Rollepaal Oost.

  • h.

    Informatieavond over Stedenbouwkundig plan en kwaliteit van de grond in de grondwal – 19 maart 2025

    Tijdens deze bijeenkomt is het concept van het stedenbouwkundig plan gepresenteerd. Ook zijn omwonenden bijgepraat over de voortgang van het project, waaronder de uitbreiding van het bedrijventerrein, de wijziging van het omgevingsplan en de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken.

  • i.

    Informatiebijeenkomst stedenbouwkundig plan, MER en omgevingsplan - 4 juni 2025.

    Tijdens deze bijeenkomst is ingegaan op de stand van zaken met betrekking tot het stedenbouwkundig plan. Daarnaast is nader ingegaan op de omgevingsaspecten 'zicht', 'geluid' en 'licht'.

  • j.

    Informatiebijeenkomst Voorontwerp wijziging Omgevingsplan - 3 september 2025.

    Gelijktijdig met de terinzagelegging van het voorontwerp voor de wijziging van het Omgevingsplan en het milieueffectrapport (MER) (zie paragraaf 11.2.5), is op 3 september 2025 een informatiebijeenkomst georganiseerd. Tijdens deze avond zijn de plannen toegelicht en waren er meerdere experts aanwezig vanuit de gemeente, het betrokken adviesbureau en TenneT/Enexis om vragen van bezoekers te beantwoorden.

    Naast mondelinge vragen zijn er ook diverse schriftelijke vragen ingediend. Deze zijn zorgvuldig beantwoord. De ingebrachte vragen hebben echter niet geleid tot aanpassingen in het stedenbouwkundig plan, noch in de vertaling daarvan naar de wijziging van het Omgevingsplan.

Op 19 februari 2024 en 8 april 2024 hebben overleggen plaatsgevonden tussen de Provincie, de gemeente en het betrokken adviesbureau. Deze gesprekken waren gericht op het afstemmen van de duurzaamheidsambities van zowel de Provincie als de gemeente.

11.2.4 Ketenpartners

Om inzicht te krijgen in de belangen die spelen bij de gebiedsontwikkeling zijn in 2024 in voorbereiding van het project op het gebied van een aantal thema's gesprekken gevoerd met diverse ketenpartners. Het ging daarbij met name over de thema's gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. Van de betreffende besprekingen zijn ‘Verslagen ketenpartners‘ gemaakt die als bijlage bij de motivering van het voorliggende omgevingsplan zijn gevoegd.

11.2.5 Voorontwerp wijziging Omgevingsplan

Het voorontwerp van de wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg voor 'Rollepaal Oost' heeft vanaf maandag 28 augustus 2025 samen met het MER gedurende zes weken ter inzage gelegen. Dit is gepubliceerd in het huis-aan-huis-blad De Toren en in het Gemeenteblad. Het voorontwerp van het omgevingsplan is in digitale vorm via de website van de gemeente Hardenberg ontsloten.

Naar aanleiding van de publicatie zijn drie schriftelijke inspraakreacties ontvangen. De reacties zijn in de 'Notitie over de reacties op het voorontwerp van het besluit tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Hardenberg en het MER voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal in Dedemsvaart: Rollepaal Oost' samengevat en van antwoord voorzien. De ‘Notitie over de reacties op het voorontwerp‘ is als bijlage opgenomen in deze motivering.

11.2.6 Zienswijzen

[…]

12 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

12.1 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL)

Op grond van de artikelen 4.1 en 4.2 van de Omgevingswet moet de gemeente bij het wijzigen van het omgevingsplan díe regels aan het plan verbinden die nodig zijn om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen. Uit paragraaf 4.4.3 van de memorie van toelichting op de Omgevingswet blijkt dat de evenwichtige toedeling van functies aan locaties een ruimer afwegingskader heeft dan het begrip 'een goede ruimtelijke ordening' onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening. Dit hangt samen met de verruimde reikwijdte van de Omgevingswet ten opzichte van de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast vraagt de evenwichtige toedeling van functies aan locaties om een integrale afweging tussen de verschillende thema's die gezamenlijk de kwaliteit van de fysieke leefomgeving bepalen. Dit vraagt om een afweging op het gebied van veiligheid, gezondheid, het milieu, water, landschappelijke waarden, stedenbouwkundige waarden, cultureel erfgoed, werelderfgoed, natuurbescherming, klimaatverandering, kwaliteit van bouwwerken, infrastructuur, ecosystemen, natuurlijke hulpbronnen en de toegankelijkheid van de openbare ruimte.

In het navolgende wordt op deze thema's ingegaan.

Veiligheid

In hoofdstuk 4 van deze motivering is ingegaan op het thema veiligheid. Hierin is aangegeven dat met deze wijziging van het omgevingsplan binnen het deelgebied Rollepaal Oost een zogenoemd brandvoorschriftengebied wordt aangewezen, dat het beeldkwaliteitsplan de aanwezigheid van bluswater borgt en dat er regels zijn opgenomen die het ontstaan van ontwrichtende rook bij brand van opslag op buitenterreinen tegengaat. Daarmee biedt het plan voldoende waarborgen voor de veiligheid.

Gezondheid

In het MER is geconstateerd dat de gezondheid van omwonenden negatief kan worden beïnvloed door toename van het industrielawaai, wegverkeerslawaai, verstoring van het uitzicht en lichthinder.

Met de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan zijn opgenomen, wordt geborgd dat de uitbreiding van het industrieterrein Rollepaal past binnen de geluidruimte die hiervoor met de voormalige zone op grond van de Wet geluidhinder was gereserveerd. Uit het akoestisch onderzoek volgt dat er ter hoogte van de omliggende woningen geen sprake zal zijn van een toename van de geluidbelasting door industrielawaai of wegverkeerslawaai. Om verstoring van het uitzicht te voorkomen, wordt Rollepaal Oost afgeschermd van haar omgeving door een aarden wal en groenstroken. Bovendien zijn er regels aan het plan verbonden die lichthinder voorkomen. Daarmee is geborgd dat het wijzigen van het omgevingsplan geen nadelige invloed zal hebben op de gezondheid van omwonenden.

Het milieu

In hoofdstuk 5 van deze motivering wordt ingegaan op de gevolgen voor het milieu die samenhangen met deze wijziging van het omgevingsplan. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's luchtkwaliteit, geluid, trillingen, bodemkwaliteit, geur, licht, bezonning en gezondheid. Uit gegevens van de atlas van de leefomgeving kan worden opgemaakt dat de luchtkwaliteit op en rond industrieterrein Rollepaal bijzonder goed is. Gelet op de beperkte omvang van de ontwikkeling zal deze nauwelijks van invloed zijn op de lokale luchtkwaliteit.

Met het omgevingsplan wordt geborgd dat geen sprake is van een toename van de geluidbelasting ten opzichte van de geluidruimte die het industrieterrein Rollepaal in de bestaande situatie was toegekend. Evenmin zal de geluidbelasting door het wegverkeer toenemen. De bedrijfsmatige activiteiten die op Rollepaal Oost worden toegestaan, zullen geen aanleiding geven tot merkbare trillingen in de omgeving van het bedrijventerrein. De bodemkwaliteit op de uitbreidinglocatie is ruimschoots voldoende voor het gebruik als bedrijventerrein.

Door de bedrijfsactiviteiten die op Rollepaal Oost worden toegelaten, zal mede door de planregels geen sprake zijn van geurhinder. Daarnaast worden er regels aan het omgevingsplan verbonden die hinder in de omgeving door terreinverlichting en reclame-uitingen zullen voorkomen.

De bouwregels die aan het omgevingsplan voor Rollepaal Oost worden verbonden, zullen tegengaan dat sprake zal zijn van hinderlijke schaduw door nieuwe gebouwen op het industrieterrein. Tot slot bieden de planregels voldoende waarborgen voor de bescherming van de gezondheid van omwonenden en gebruikers van het deelgebied Rollepaal Oost.

Water

Voor het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ is een watertoets uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de waterbergingsopgave binnen het deelgebied Rollepaal Oost kan worden gerealiseerd. De in het Bal opgenomen regels bieden voldoende waarborgen voor de waterkwaliteit. De waterpartijen die op Rollepaal Oost worden aangelegd, zullen worden voorzien van natuurvriendelijke oevers. Daarmee vormen de Rijksregels en de regels die met deze wijziging van het omgevingsplan daaraan worden verbonden, voldoende waarborgen voor de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.

Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

Uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ blijkt dat het aspect landschap licht negatief beoordeeld door aantasting van de landschapsstructuren en beleving en de bodemingrepen. De grondwal is in het open landschap weliswaar een gebiedsvreemd object en onderbreekt de landschapsstructuren. Echter, wanneer er geen grondwal wordt aangelegd is er vanuit de omgeving en woningen direct zicht op het bedrijventerrein. Ook wanneer de zone wordt voorzien van beplanting is er sprake van zicht in de winterperiode (na bladval). Daarom wordt om het landschappelijke karakter van het buitengebied te bewaren, het oprichten van een 3 meter hoge grondwal in de planregels als verplichting opgenomen. Om de stedenbouwkundige inpassing van het bedrijventerrein te borgen, is een stedenbouwkundig plan opgesteld. Dit stedenbouwkundige plan is op grond van het omgevingsplan opgelegd aan de ontwikkelaars binnen het deelgebied om de stedenbouwkundige kwaliteit te borgen.

Cultureel erfgoed

De gronden waarop de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal is beoogd, zijn aangemerkt als 'open veenontginningslandschap'. De gebouwen aan de Schutwijk 2 en 4 zijn aangewezen als gemeentelijk monument. De gronden waarop Rollepaal Oost gerealiseerd zal worden, hebben een lage tot middelmatige archeologische verwachtingswaarde. De ontwikkeling van Rollepaal Oost zal afbreuk doen aan het open veenontginningslandschap dat dit deelgebied kent.

De beide gemeentelijke monumenten aan de Schutwijk 2 en 4 blijven behouden en de lage tot middelmatige archeologische verwachtingswaarde staat de ontwikkeling van Rollepaal Oost niet in de weg. Ondanks de beperkte aantasting van het open veenontginningsgebied is geen sprake van onaanvaardbare aantasting van cultuurhistorische waarden.

Natuurbescherming en ecosystemen

In de directe omgeving van de uitbreidingslocatie Rollepaal Oost liggen geen Natura 2000 gebieden of Natuurnetwerkgebieden. Uit de ‘Passende beoordeling Stikstof‘ blijkt dat de realisatie van de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal niet leidt tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de omliggende Natura 2000 gebieden. Uit een uitgevoerd onderzoek naar binnen het gebied aanwezige soorten blijk dat Rollepaal Oost een leefgebied biedt voor beschermde soorten egel en kleine marterachtigen. Hoewel de ontwikkeling op den duur een positieve bijdrage kan leveren door ontwikkeling van een robuuste groen- en waterstructuur, leidt de ontwikkeling bij aanvang tot licht negatieve effecten op de aanwezige soorten.

De effecten moeten worden gemitigeerd. Het gaat daarbij om:

  • a.

    het opstellen van een inrichtingsplan en ecologisch werkprotocol voor de beschermde soorten (kleine marterachtigen en egel). Aanleg en beheer van compensatielocaties voor de soorten. Aanvraag van benodigde vergunningen flora-fauna activiteit;

  • b.

    het aanbrengen van extra beschutting zoals takkenrillen, steenhopen in het bosschage op de grondwal;

  • c.

    aanplanten van inheemse biodiverse en droogte bestendige beplanting op de grondwal met circa 10 procent groenblijvende soorten als hulst, wilde liguster, grove den, laurierwilg;

  • d.

    realisatie van natuurvriendelijke oevers in de brede watergangen met ondiepe zones geschikt voor grote modderkruiper.

Daarnaast wordt aanbevolen om in het omgevingsplan een voorschrift natuurinclusief bouwen op te nemen. Hiermee kan het plan een extra bijdrage leveren aan soorten die zijn gebonden aan gebouwen (gevels, daken en tuinen). Soorten die aangetrokken kunnen worden zijn onder ander zwarte roodstaart, scholekster en gewone dwergvleermuis. Onder deze voorwaarden leidt de ontwikkeling van Rollepaal Oost niet tot een onaanvaardbare aantasting van natuurwaarden.

Klimaatverandering

Het voor de ontwikkeling van Rollepaal Oost beoogde gebied is niet overstromingsgevoelig. Bij de ontwikkeling kan ruimschoots worden voorzien in de voor het gebruik als industrieterrein benodigde waterbergingscapaciteit.

Infrastructuur

Voor zover er een beperkingengebied over het plangebied is gelegen is deze in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan vastgelegd. Het gaat daarbij om het brandvoorschriftengebied vanwege de bestaande buisleidingstrook ten oosten en zuiden van het plangebied. Daarmee wordt voldoende waarborg voor de veiligheid van de nieuwe gebruikers van het plangebied geboden. In het stedenbouwkundige plan is beschreven hoe de infrastructuur binnen Rollepaal Oost moet worden vormgegeven uit het oogpunt van zowel de verkeersveiligheid als de landschappelijke- en stedenbouwkundige kwaliteit.

Natuurlijke hulpbronnen

Voor het duurzaam inrichten van het bedrijventerrein Rollepaal Oost zijn duurzaamheidsprincipes van toepassing. Deze principes hebben te maken met duurzaam bouwen, maar ook met duurzaam ruimtegebruik, terreinbeheer en duurzaam omgaan met energie en fysieke stromen. Voor Rollepaal Oost wordt in het 'Stedenbouwkundig plan, inrichting openbare ruimte en beeldkwaliteit Rollepaal Oost' hierop aangesloten.

Toegankelijkheid openbare ruimte

De openbare ruimte van het industrieterrein Rollepaal Oost krijgt een functionele inrichting, gericht op de bedrijvigheid die op het industrieterrein zal gaan plaatsvinden. Niettemin is in het stedenbouwkundige plan opgenomen dat deze openbare ruimte wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van veel water en grond, strakke structuren en een brede, groene omlijsting. De openbare ruimte krijgt ook een verblijfsfunctie.

De grondwal zal ook grotendeels als openbare ruimte worden ingericht met een fietspad en een voetpad. De helling van deze paden zal zodanig zijn dat veilig het talud op en afgereden en gelopen kan worden. Deze uitgangspunten zijn neergelegd in het stedenbouwkundige plan annex inrichtingsplan voor de openbare ruimte, dat aan de wijziging van het omgevingsplan ten grondslag heeft gelegen.

Onderlinge samenhang thema's fysieke leefomgeving

Uit de laddertoets (zie paragraaf 7.2) blijkt dat de prognose van de uitbreidingsvraag in West-Overijssel het grootst is naar grootschalige distributie, grootschalige productie en het reguliere segment. Met de beoogde uitbreiding van Rollepaal Oost kan aan deze behoefte tegemoet worden gekomen. Concreet hebben meerdere geïnteresseerde bedrijven uit Dedemsvaart de intentie uitgesproken zich op Rollepaal Oost te willen vestigen.

De vraag naar bedrijventerreinen voor zwaardere bedrijvigheid kan niet worden opgelost binnen bestaand stedelijk gebied. In de laddertoets wordt aangegeven dat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor het invullen van (een deel van) de ruimtevraag. Het voorzien van ruimte op het huidige bedrijventerrein Rollepaal middels herstructurering is geen optie, omdat de bestaande voorraad geen directe oplossing biedt voor de vraag. Het beleid van provincie en gemeente ziet toe op clustering van bedrijventerreinen, waardoor een uitbreiding van het bedrijventerrein Rollepaal voor de hand ligt.

Er is geen alternatieve locatie voor een nieuw bedrijventerrein binnen Dedemsvaart onderzocht. Wel is de locatie van de uitbreiding nader onderzocht. Uitbreiding naar de zuidzijde is geen realistisch uitvoerbaar alternatief vanwege de beperkingen door de hogedrukleidingen, de openheid van het landschap en de financiële beperkingen (geen grondpositie). Uit de laddertoets blijkt dat uitbreiding aan de oostzijde de sterke ruimtelijke voorkeur heeft vanwege de duidelijke functiescheiding tussen bedrijventerrein en landelijk gebied en de benodigde uitbreiding van TenneT/Enexis.

Bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn de hiervoor genoemde thema's met betrekking tot de fysieke leefomgeving in onderlinge samenhang beschouwd. Bij de ontwikkeling van het stedenbouwkundige plan is bijvoorbeeld zowel aandacht besteed aan de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maar daarnaast ook aan de verkeersveiligheid en de functionaliteit van het gebied voor de daarbinnen mogelijk te maken gebruiksactiviteiten. De waterberging die binnen het plangebied moet worden gerealiseerd is zo vormgegeven dat deze de belevingswaarde van het industrieterrein bevordert maar ook aansluit bij de historische verkaveling van het gebied. Door de afweging van deze verschillende thema's in onderlinge samenhang wordt geborgd dat met het wijzigen van het omgevingsplan van de gemeente Hardenberg voor de uitbreiding van industrieterrein Rollepaal, met het plan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is geborgd.

12.2 Borging in het omgevingsplan

In de voorliggende wijziging van het omgevingsplan worden regels gesteld aan de activiteiten op locaties. De wijze waarop de regels onderling worden afgewogen vloeit voort uit de instructieregels die zijn gesteld met het oog op een evenredige toedeling van functies aan locaties . Op welke wijze dat is vormgegeven op de kaart en in de regels volgt uit het ‘MER Uitbreiding Bedrijventerrein Rollepaal Oost’ en de voorliggende motivering.

  • 1

    Stb. 2018, nr. 292, p. 384 e.v. Terug naar link van noot.

  • 2

    Stb. 2018, 293, p. 526–527. Terug naar link van noot.

  • 3

    Artikel 5: «Iedere Partij verplicht zich ertoe de verplaatsing van een beschermd monument of van een deel daarvan te verbieden, behalve indien zulks dringend is vereist voor het behoud van dit monument. In dat geval neemt de bevoegde autoriteit de nodige voorzorgsmaatregelen betreffende het demonteren, het overbrengen en het herbouwen van het monument op een geschikte plaats.» Voor rijksmonumenten is dit geregeld in artikel 8:82 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Terug naar link van noot.

Naar boven