Gemeenteblad van Amsterdam
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2026, 106532 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Amsterdam | Gemeenteblad 2026, 106532 | beleidsregel |
Geluidbeleid evenementen Amsterdam
Evenementen horen bij de stad. Ze dragen bij in het aanbod van activiteiten voor zowel bezoekers als bewoners van Amsterdam. Tegelijkertijd veroorzaken ze overlast voor omwonenden. Dit is tot op zekere hoogte onvermijdelijk. In de nota Uitgangspunten voor een nieuw Evenementenbeleid (mei 2016) wordt deze spanning door het college van B&W onderkend. Bij de hernieuwde invulling van het geluidbeleid voor muziekevenementen wil het college een betere balans vinden tussen het beperken van de geluidoverlast voor omwonenden en goed georganiseerde en voor bezoekers aantrekkelijke evenementen.
In de beleidsregel ‘Geluidbeleid bij evenementen in Amsterdam’ (de beleidsregel) zijn de nieuwe kaders en regels vastgelegd voor evenementen met versterkte muziek in Amsterdam. Daarmee treedt het in plaats van het beleid (handboek milieu (2015) en beleid van stadsdelen) dat gold voor de inwerkingtreding van deze beleidsregel.
De vernieuwing van het geluidbeleid voor evenementen vindt haar aanleiding in het volgende:
De complexiteit van het fenomeen geluidoverlast als zodanig; niet alleen objectief vast te stellen zaken spelen een rol, zoals geluidniveaus en bijvoorbeeld effectiviteit van de afscherming, maar ook factoren die door mensen verschillend worden beleefd, zoals de duur van de blootstelling, het soort muziek, het aantal keer per jaar, de eindtijd et cetera.
De constatering dat het oude beleid, vastgelegd in het handboek milieu (2015) en in veel gevallen nog lokaal vertaald, voldoende aanknopingspunten biedt voor verbetering: meer eenduidige regels, onderbouwing op basis van nieuwe inzichten, meer stimulansen voor het terugdringen van overlast en het gebruik van nieuwe technologieën.
Voor het houden van een evenement is een vergunning van de burgemeester vereist (artikel 2.40 van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008, hierna: de APV). De wettelijk grondslag voor dit artikel is te vinden in artikel 174 van de Gemeentewet, dat bepaalt dat de burgemeester is belast met het toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven. Het derde lid van dit artikel bepaalt dat de burgemeester is belast met de uitvoering van verordeningen voor zover deze betrekking hebben op het in het eerste lid bedoelde toezicht.
De burgemeester kan de evenementenvergunning weigeren als naar zijn oordeel een van de weigeringsgronden van artikel 2.43 APV zich voordoet. Voor dit geluidbeleid zijn de volgende gronden het meeste van belang:
Evenementen met geluid kunnen bijvoorbeeld een onevenredige belasting van het woon- en leefklimaat opleveren of zich niet verdragen met het karakter van de plaats waar het wordt gehouden. Indien een van de weigeringsgronden zich voordoet, kan de burgemeester voorschriften verbinden aan de evenementenvergunning (artikel 2.44 APV) en de vergunning alsnog verlenen. Omdat de burgemeester bevoegd is een aanvraag voor een evenementenvergunning te verlenen of te weigeren, heeft de burgemeester ook de bevoegdheid om over deze afweging beleidsregels op te stellen (op basis van artikel 4:81 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht). Binnen de door de APV gestelde regels over de evenementen, heeft de burgemeester een grote mate van beleidsvrijheid. Door beleidsregels op te stellen, is het voor iedereen duidelijk waarom voor het ene evenement wel en voor het andere evenement geen vergunning wordt verleend of waarom bepaalde voorschriften worden verbonden aan de vergunning. Met het onderhavige beleid wordt op deze wijze specifiek duidelijkheid gegeven over de regulering van geluidbelasting bij evenementen.
Het doel van het geluidbeleid voor evenementen is:
In de beleidsregel wordt een onderscheid gemaakt tussen evenementen waar het spelen en/of ten gehore brengen van muziek een primaire activiteit is (lees: muziekevenementen, bijvoorbeeld concerten of dancefestivals) en evenementen waarbij muziek een secundaire en ondersteunende functie heeft (bijvoorbeeld sportevenementen).
Dit geluidbeleid voor evenementen is tot stand gekomen op basis van onderzoek naar de werking van het oude beleid in Amsterdam en elders (Het GeluidBur0, 2016, Geluid bij evenementen). Daarnaast is de vernieuwing van het beleid uitgebreid besproken met zowel vertegenwoordigers van omwonenden als met vertegenwoordigers vanuit de evenementenbranche.
Ten behoeve van de uitwerking van een aantal technisch inhoudelijke onderdelen (bijlage I: Meet- en rekenprotocol en bijlage II: BBT lijst 2018) is een Expertgroep Geluid ingesteld met daarin deskundigen van verschillende geluidadviesbureaus en met inbreng vanuit de TU Eindhoven. Voor evenementenlocaties waarin de afgelopen jaren meer dan 3 muziekevenementen hebben plaatsgevonden, zijn, rekening houdend met specifieke locatiekenmerken en met gebruikmaking van een rekenmodel, geluidlocatieprofielen opgesteld (Het GeluidBuro 2017, Locatieonderzoek evenementenlocaties Amsterdam). Deze profielen zijn input geweest voor het bepalen van het maximaal aantal dagen met een bepaalde geluidbelasting.
Voorts is 2017 is benut als overgangsjaar. Dat wil zeggen dat een aantal nieuwe elementen in het beleid zijn uitgeprobeerd bij evenementen die in 2017 plaatsvonden. De resultaten daarvan zijn onderzocht (ODNZKG, Evaluatie evenementen Amsterdam 20-17, Meetwaardenonderzoek) ). In dit onderzoek is gekeken naar welke meetwaarden feitelijk zijn opgetreden bij een 15-tal. Daarnaast is onderzoek gedaan naar belevingswaarden onder omwonenden (Soundappraisal, rust en reuring, onderzoek naar geluidbeleving 2017). Beide evaluaties van het evenementseizoen 2017 zijn input geweest bij de definitieve invulling van het beleid. Tenslotte zijn de Beleidsregel Geluid bij evenementen in Amsterdam en de nieuwe locatieprofielen voor evenementen ter inspraak gelegd. Ook de inspraakreacties zijn betrokken bij de definitieve invulling van het beleid.
Het geluidbeleid voor evenementen in de stad is een bouwwerk van akoestisch en niet akoestisch gerelateerde normen en afspraken. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen generieke regels die gelden voor de hele stad en locatiegebonden maatwerk voor een aantal als zodanig aangewezen evenementenlocaties.
Het uitgangspunt bij elk evenement is dat de geluidbelasting op omliggende woningen en andere geluidgevoelige gebouwen zo laag mogelijk is. Om dat te bereiken zal de organisator van het evenement:
Het begrip ‘Beste Beschikbare Technieken’ (BBT) - voorheen bekend als ‘As Low As Reasonably Achievable’ (ALARA) - is afkomstig uit de milieuwetgeving. Op grond van artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient bij de verlening van een vergunning in acht genomen te worden dat tenminste voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Voor de inhoud van het beginsel van BBT kan worden aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wabo. Door het treffen van BBT-maatregelen wordt onnodige geluidsemissie zoveel mogelijk voorkomen.
Voor evenementen zijn geen specifieke BBT-referentiedocumenten (BREFs) van toepassing waarin specifieke eisen zijn opgenomen. Om vast te stellen welke maatregelen en voorzieningen als BBT gezien mogen worden, is een Expertgroep Geluid opgericht. In de Expertgroep nemen deel: onafhankelijke akoestische adviseurs, een akoestisch adviseur namens de brancheorganisaties, technische producenten/leveranciers, de Omgevingsdienst en het Stedelijk Evenementenbureau. De Expertgroep Geluid zal de ‘BBT-lijst’ jaarlijks updaten die de gemeente vervolgens zal verspreiden. In bijlage II is de BBT-lijst 2018 opgenomen.
Voor de geluidniveaus die tijdens evenementen maximaal worden toegestaan op de gevels van omliggende woningen of andere geluidgevoelige gebouwen, zijn 3 categorieën geformuleerd. Tijdens muziekevenementen mag het C-gewogen equivalente geluidniveau (LCeq), gemeten over 3 minuten op de gevels van woningen (of andere geluidgevoelige gebouwen), maximaal 85 dB(C) bedragen.
Onder muziekevenementen verstaan wij evenementen waarbij het ten gehore brengen van muziek de primaire doelstelling is. Voor al deze evenementen geldt de doelstelling om de geluidoverlast voor de omgeving te beperken. De 85 dB(C) op de gevels van de dichtstbijzijnde woningen of andere geluidgevoelige objecten is daarbij het gestelde maximum. De keuze voor een grenswaarde van 85 dB(C) op de gevel is gebaseerd op akoestisch onderzoek naar geluidniveaus op de gevel en naar waarden in huis. Vanuit het oogpunt van het voorkomen van spraak- en slaapverstoring is het uitgangspunt een binnenwaarde van maximaal 50 dB(A), bij een gemiddelde geluidwering van 20 dB(A).
Uit akoestisch onderzoek (Het GeluidBuro (2016), Geluid bij evenementen en ODNZKG, Evaluatie evenementen Amsterdam 2017, Meetwaardenonderzoek) blijkt dat met een gevelwaarde maximaal 85 dB(C) beneden het 50 dB(A) niveau wordt gebleven in woningen. In vergelijking met het oude beleid, waarin een maximale waarde van 70 dB(A) aan de gevel dikwijls als maximale waarde werd vergund, is de norm van maximaal 85 dB(C) strenger en beter gericht op het beperken van overlast door lage tonen. Onder het oude beleid kon de geluidbelasting in dB(C) oplopen tot 90 à 95 db(C).
Om de geluidoverlast van evenementen voor de omgeving terug te dringen wordt de norm voor evenementen waarbij muziek niet de primaire activiteit is, gesteld op maximaal 75 dB(C). Voorbeelden zijn evenementen waarbij een sportactiviteit centraal staat.
Voor evenementen “met een hoog maatschappelijk belang” geldt net als bij andere evenementen de doelstelling om de overlast voor de omgeving te beperken. Voorbeelden van evenementen met een hoog maatschappelijk belang (vanwege het nationale karakter, het belang van de boodschap die wordt uitgedragen en/of de samenhang met de rol van Amsterdam als hoofdstad) zijn de viering van Koningsdag en de Pride Amsterdam. De situering van deze evenementen in de binnenstad van
Amsterdam - met veel relatief smalle locaties waar muziek ten gehore wordt gebracht - maakt dat een geluidniveau van maximaal 85 dB(C) te veel ten koste zou gaan van de belevingswaarde voor bezoekers van het evenement. Om die reden wordt voor deze categorie een uitzondering mogelijk gemaakt en de gevelwaarde op maximaal 95 dB(C) gesteld. Het jaarlijkse eenmalige karakter van deze evenementen maakt dat een uitzondering op de basisnorm tot maximaal 95 dB(C) aanvaardbaar wordt geacht.
Voor Koningsnacht gelden bijzondere regels als het gaat om de vergunning voor buitenpodia. Die worden toegestaan van 19:00 uur op Koningsnacht tot 01:00 uur op Koningsdag. Voor Koningsdag geldt de geluidsnorm voor Evenementen met een Hoog Maatschappelijk Belang van maximaal 95 dB(C) op de gevel. Deze verhoogde geluidsnorm geldt niet voor de nachtelijke uren van Koningsdag. Van 19:00 – 00:00 uur is een geluidsbelasting van maximaal 85 dB(C) toegestaan. Tussen 00:00 – 01:00 uur wordt de maximale toegestane geluidsbelasting teruggebracht naar 85 dB(C).
Specifiek voor straatfeesten met muziek wordt een aparte categorie toegevoegd aan het geluidbeleid van de gemeente Amsterdam. Het gaat om evenementen die voldoen aan de volgende criteria:
Voor deze categorie evenementen geldt een specifieke geluidsnorm per podium of area van maximaal 105 dB(C) in het publieksgebied op 15 meter van het podium. Is de afstand tussen een zijde van een podium en dichtstbijzijnde gevel kleiner dan 25 meter[1], dan geldt deze normering op 15 meter. Ligt de gevel op een afstand van 15 meter of minder dan blijft de maximale waarde van 105 dB(C) - ongeacht waar de gevel begint - op 15 meter/ einde publieksgebied gelden.
Deze geluidsnorm sluit aan bij de normering in het vigerende geluidbeleid voor (kleinschalige) muziekevenementen (van categorie II en III). Daarin is vastgelegd dat het geluidniveau in het publieksgebied is genormeerd op maximaal 95 dB(A) en 105 dB(C) op 25 meter van het podium. Dit correspondeert met de richtlijn samengestelde bronvermogens voor Klein FoH-systeem in tabel 4.1 van het Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in Amsterdam en is opgenomen in het aanvullende BBT-maatregel voor deze 2 categorieën.
Voor de locaties waar deze straatfeesten jaarlijks terugkerend plaatsvinden, dient een locatieprofiel te worden opgesteld. Daarbij hoort dat er goed wordt gekeken naar de optimale geluidproductie vanuit het oogpunt van overlast voor de omgeving en de mogelijkheden om effectief BBT in te zetten. De uitkomsten van dit akoestisch onderzoek worden vastgelegd in het locatieprofiel en zijn daarbij ook richtinggevend voor de vergunningverlening en de vertaling daarvan in geluidvoorschriften. Op deze wijze blijft geborgd dat, waar zinvol mogelijk, onnodige geluidsoverlast wordt tegengegaan.
Voor het overige (dus voor locaties waar deze evenementen niet jaarlijks terugkeren) geldt dat bij de vergunningaanvraag een zogenoemd “eenvoudig geluidplan volstaat (dus zonder akoestisch onderzoek).
Voor deze categorie evenementen (straatfeesten met muziek) geldt, gelet op de forse geluidbelasting voor de omgeving, een “restrictieve” lijn waar het gaat om duur en frequentie. Concreet wordt de ruimte voor deze evenementen begrensd door de volgende voorwaarden:
Bij straatfeesten met muziek is continue geluidsmonitoring op de norm in het publieksgebied verplicht. Dit draagt in belangrijke mate bij aan de geluidbeheersing voor diegene die het maakt, en ook voor toezicht en handhaving door de gemeente, niet alleen tijdens, maar ook achteraf.
Ten aanzien van de meettijd adviseert de expertgroep een voortschrijdend gemiddelde over 5 minuten te hanteren. Dit is anders dan de 3 minuten die wordt gehanteerd bij de grootschalige muziekevenementen voor de naleving van omgevingsnorm, en óók anders dan 15 minuten die wordt gehanteerd als meettijd voor de naleving van de norm van 100 dB(A ) in het publieksgebied - deze laatste blijft overigens vanuit het oogpunt van gehoorbescherming gelden.
Doorslaggevend in de keuze voor 5 minuten is dat deze meettijd duidelijk hanteerbaarder wordt gelet op het muzikale karakter van de straatfeesten. Analyse leert dat als gevolg daarvan het geluid maximaal 1-1,5 dB hoger is dan met een meettijd van 3 minuten. In opinie van de expertgroep gaat dit verschil voor gehinderden niet leiden tot een andere beleving van de geluidoverlast en weegt het ook niet op tegen het argument van hanteerbaarheid in de uitvoering.
Om de “trajectcontrole” (permanente monitoring) optimaal te kunnen inzetten voor gemeente T&H zou het gebruik daarvan beter moeten worden geborgd in het meetprotocol. In de bijlage is de aanpassing in het meetprotocol bijgevoegd.
De geluidsregels voor Straatfeesten met Muziek zijn alleen toepasbaar op evenementen met een groot maatschappelijk belang. Dit is een categorie evenementen die als dusdanig is aangewezen door de burgemeester. Voor andere evenementen gelden de standaard geluidsnormen.
Verwijzing: [1] Bij afstanden tussen podia en huizen van groter dan 25 meter blijft het reguliere evenementenbeleid van toepassing.
Voor (indoor) evenementen die plaatsvinden in de nachtelijke uren (na 23:00 óf 00:00 uur) zal in deze beleidsregel eveneens een grenswaarde worden gesteld. Uit zowel de literatuur als de huidige praktijk in Amsterdam blijkt dat het moeilijk is voor deze categorie op dit moment tot eenduidige grenswaarden te komen. Om die reden wordt voor het evenementenseizoen (2018) nog uitgegaan van het oude beleid (Handboek evenementen, bijlage milieuzorg). In 2018 zal op basis van meer onderzoek en een gedegen belangenafweging een normenstelsel geformuleerd worden waarbij naast een generieke grenswaarde ook ruimte is voor maatwerk per locatie, afhankelijk van de isolatiewaarde van de inrichting en de omliggende bebouwing.
In het oude beleid waren geen generieke grenswaarden gesteld voor evenementen die in de nachtperiode (na 23:00 of 00:00 uur) plaatsvinden. De grenswaarden voor evenementen die in gebouwen plaatsvinden werden per locatie bepaald, afhankelijk van de ‘akoestische staat van het pand, de ligging van het pand t.o.v. geluidsgevoelige bestemmingen, de periode waarin het evenement plaatsvindt’. Voor een aantal locaties worden reeds meerdere jaren vergunningen worden afgegeven met maatwerk grenswaarden. Voor deze en nieuwe locaties geldt in 2018 dat zoveel mogelijk normneutraal zal worden vergund, waarbij te allen tijde geldt dat organisatoren zich inspannen voor een zo laag mogelijke belasting van de omgeving. Het Meet- en rekenprotocol en de BBT-Lijst is ook voor deze categorie vanaf inwerking treden van dit beleid van kracht.
Er kunnen zich situaties voordoen waarbij uit het akoestisch onderzoek vooraf blijkt dat sprake is van een normoverschrijding bij een beperkt aantal geluidgevoelige objecten. In die situaties kan een organisator van een evenement trachten een overeenkomst te sluiten met individuele bewoners van deze objecten door hen te compenseren voor die tijdelijke hogere mate van geluidoverlast. Het bestuur wil deze mogelijkheid niet op voorhand uitsluiten en zal overeenkomsten met die strekking toetsen op dat:
Een organisator van een muziekevenement wordt geacht zich te conformeren aan het Convenant Preventie Gehoorschade Muzieksector (ministerie van VWS, V.V.E.M, vereniging van Nederlandse poppodia en festivals, 2014). Aanvullend op dit convenant en ongeacht de hierboven beschreven geluidnormen op de gevels van omliggende woningen, mag het equivalente A-gewogen geluidniveau (LAeq) gemeten over 15 minuten, ter plaatse van de mengtafel niet meer bedragen dan 100 dB(A). In het Meet- en rekenprotocol wordt het exacte meetpunt nader omschrijven.
Ten opzichte van hetgeen afgesproken in het Convenant is het beleid hier 3 dB(A) strenger. Hiermee wordt beoogd het risico op gehoorschade bij bezoekers (afhankelijk van onder andere de hoogte van het geluidniveau, de duur van de blootstelling en de periode rust na blootstelling) te verkleinen.
Voor kortdurende evenementen (maximaal 3 uur), waarbij live-band(s) optreden, kan een uitzondering worden gemaakt tot 103 dB(A). Bij de aanvraag dient dit gemotiveerd te worden.
Deze norm van 100 dB(A) is strenger dan hetgeen landelijk afgesproken (maximaal 103 dB(A) FoH) in het Convenant. Maar in de praktijk blijkt dit haalbaar voor veruit de meeste evenementen en hoeft het niet ten koste te gaan van de muziekbeleving. Voor optredens van live-band(s), waarbij meer midden en hoge tonen worden geproduceerd en de dB(A)-waarde daarom hoger is, kan deze norm echter te beperkend werken.
De FoH-norm geldt ook voor (APV) vergunningsplichtige evenementen in binnenlocaties. Voor situaties waar een inrichting een ontheffing nodig heeft (wat binnen Amsterdam 2 keer jaar mogelijk is) bestaat de wens dit op termijn in lijn te brengen met het evenementenbeleid door aanpassing van de APV. De haalbaarheid daarvan wordt in 2018 onderzocht.
De organisator van een groot muziekevenement (meer dan 1500 bezoekers op het hoogtepunt) of een evenement met een hoog maatschappelijk belang, dient bij de vergunningsaanvraag een akoestisch onderzoek te overleggen. Dit onderzoek moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in BIJLAGE I: Meet- en rekenprotocol – Evenementengeluid in Amsterdam;
Uit het onderzoek moet blijken dat alle organisatorische en technische maatregelen zijn getroffen om de geluidbelasting op de omliggende woningen (en andere geluidgevoelige gebouwen) te beperken. Het onderzoek wordt inhoudelijk getoetst aan de vereisten en aan de meest recente BBT-Lijst. De organisator van een evenement kleiner dan 1500 bezoekers of waarbij het muziekgeluid een additionele rol speelt, dient bij de vergunningsaanvraag in een geluidplan te specificeren op welke wijze en met welke middelen het geluid wordt geproduceerd en beheerst. Deze specificatie moet voldoen aan de eisen zoals omschreven in BIJLAGE I: Meet- en rekenprotocol – Evenementengeluid in Amsterdam.
Naast het geluidniveau is het aantal evenementdagen een belangrijke factor in overlast die door omwonenden kan worden ervaren. In beginsel kan op elke plek in Amsterdam een evenementvergunning worden aangevraagd. In hoeverre en onder welke voorwaarden deze wordt vergund zal van geval tot geval worden getoetst op grond van artikel 2.43 APV (zie eerder onder 1.3). In de praktijk zijn er grote verschillen in hoe vaak er op verschillende locaties evenementen plaatsvinden.
Voor 20 locaties gold dat er in de afgelopen jaren meer dan 3 dagen muziekevenementen hebben plaatsgevonden. Voor deze evenementenlocaties is locatieonderzoek gedaan naar de relatieve geschiktheid van de betreffende locatie voor muziekevenementen (GeluidBuro, 2017, Locatieonderzoek evenementenlocaties Amsterdam). Mede op basis van het inzicht in de relatieve geschiktheid per locatie is het maximaal aantal dagen bepaald dat vergund kan worden. Deze zijn vastgelegd in de betreffende locatieprofielen.
Naast deze locaties zijn er in 2017 nog 47 locatieprofielen (opnieuw) gemaakt en vastgesteld (zie Locatieprofielen voor evenementen, 2017). In deze locatieprofielen is het maximaal aantal toegestane evenementendagen en dagen met een muziekbelasting tot aan 85 dB(C) vastgelegd (maximaal 3 dagen). De locatieprofielen moeten beschouwd worden als een nadere invulling van regels die gelden voor evenementen op die betreffende locatie en zullen onderdeel gaan uitmaken van de omgevingsplannen (in het kader van de nieuwe Omgevingswet). In de locatieprofielen is rekening gehouden met nieuwbouwplannen rondom betreffende locaties op midden lange termijn (koers 2025). De profielen worden 1 keer per 5 jaar geactualiseerd, tenzij daar als gevolg van evaluaties van evenementen of andere ontwikkelingen eerder aanleiding toe is.
Voor evenementen op andere locaties is het begrip ‘per locatie’ opgenomen om te voorkomen dat bewoners belast worden met meer dan het toegestane aantal evenementen(dagen) doordat de geluidcontouren van verschillende evenementen elkaar ‘overlappen’, maar slechts voor 1 dag tellen. In hoeverre sprake is van eventuele overlap wordt bepaald door een 75 dB(C) contour te trekken rondom evenementenlocaties die in elkaars buurt liggen. Als in de overlap van de contouren geluidgevoelige objecten zijn gesitueerd, dan zullen de evenementen op beide locaties meetellen. In hoeverre hier sprake van is zal van geval tot geval door de vergunningverlener worden beoordeeld, mede op basis van advies vanuit de omgevingsdienst.
Muziekgeluid tijdens evenementen is toegestaan vanaf 11:00 uur tot uiterlijk 23:00 uur. Op dagen dat een weekenddag of een nationaal vastgestelde vrije dag volgt, kan de eindtijd tot maximaal 00:00 uur verlengd worden. Bij meerdaagse evenementen op dezelfde locatie moet er tussen de eindtijd van de ene dag en de begintijd een volgende minimaal 12 uren zitten. Voor muziekevenementen met een hogere geluidsbelasting (85 dB(C) op de gevel) geldt dat als er een gewone werkdag volgt op het evenement, het geluidsniveau na 22:00 uur moet worden teruggebracht naar maximaal 75 dB(C) op de gevel. Voor evenementen die onderdeel zijn van een evenement van Hoog Maatschappelijk Belang geldt een uitzondering op deze regel. Daarnaast kan ook in individuele locatieprofielen een uitzondering op deze regel worden vastgelegd.
Een verzoek voor een eindtijd tot 00:00 uur wordt van geval tot geval beoordeeld, waarbij het belang van het woon- en leefmilieu zwaar wordt meegewogen. Daarin spelen de duur en de aard van de belasting een grote rol. Evenementen met een dance-achtig muziekprofiel worden op voorhand uitgesloten van\ de ruimere eindtijd vanwege de continue aard en de mate van de belasting.
In de locatieprofielen kan worden vastgelegd dat een “ geluidsdag ” van maximaal 12 uur, kan worden opgeknipt in 3 of 4 dagen met kortdurend, aaneengesloten geluid (zijnde maximaal 3 tot 4 uur per dag, in totaal niet meer dan 12 uur). Organisatoren kunnen deze mogelijkheid gebruiken om korte concertreeksen te organiseren van maximaal 4 dagen aaneengesloten. Buiten de uren met geluidsruimte, mogen deze evenementen geen geluid produceren harder dan 75 dB(C). De duur van een evenement in deze vorm is maximaal 6 uur per dag.
Evenementen met geluid worden in de nachtelijke uren in beginsel niet toegestaan, met uitzondering van de evenementen op Koningsdag, Oud en Nieuw en de evenementen op Ruigoord. Voor deze evenementen geldt dat een (muziek) evenementendag die eindigt op een andere datum dan hij begonnen is, dat dit telt als 1 (muziek) evenementendag , en niet als 2 dagen.
Soundchecks moeten bij voorkeur plaatsvinden op de dag van het evenement zelf en duren niet langer dan 30 minuten per podium/area. Indien het organisatorisch onvermijdbaar is kunnen soundchecks de dag voorafgaand aan het evenement plaatsvinden. Soundchecks worden niet voor 10:00 uur en niet na 22:00 uur gehouden. Voor soundchecks geldt hetzelfde maximale geluidniveau als in de vergunning is opgenomen.
Om overlast voor bewoners voor en na een evenement te beperken dient de op- en afbouwperiode zo kort mogelijk te zijn. Aangezien niet elk evenement en elke locatie dezelfde aanpak vergt, gelden onderstaande richtlijnen:
De op- en afbouw van evenementen tot 1.500 bezoekers mag niet langer dan 3 dagen duren;
De burgemeester is het bevoegd gezag voor de vergunningverlening. Een overschrijding van het maximale aantal van totaal 10 dagen op en afbouw vergt altijd een schriftelijk akkoord van de burgemeester. Het op- en afbouwplan wordt een specifiek onderdeel van de vergunning waarvoor de burgemeester akkoord moet geven. Toetsing vindt plaats door VTH. Het op- en afbouwplan maakt een vast onderdeel uit van de evaluatie van het evenement, zodat eventuele verbeterpunten bij een volgende editie kunnen worden doorgevoerd.
De organisator van een muziekevenement of een evenement met een hoog maatschappelijk belang, dient de geluidbelasting op de omliggende woningen of andere geluidgevoelige gebouwen tijdens het evenement continue te monitoren, conform de eisen zoals opgenomen in BIJLAGE I: Meet- en rekenprotocol – Evenementengeluid in Amsterdam.
Op de evenementenlocaties waar reeds een meetsysteem aanwezig is, kan de organisator gebruik maken van dit systeem.
De organisator dient een meetverslag te (laten) maken, conform de eisen zoals opgenomen in BIJLAGE I: Meet- en rekenprotocol – Evenementengeluid in Amsterdam. Dit verslag moet binnen 4 weken na het evenement worden ingediend bij de vergunningverlener.
De organisator van een evenement waarbij muziekgeluid een additionele rol speelt, dient de geluidbelasting op de omliggende woningen of andere geluidgevoelige gebouwen te meten, conform de eisen zoals opgenomen in BIJLAGE I: Meet- en rekenprotocol – Evenementengeluid in Amsterdam.
Ten aanzien van het informeren van omwonenden en de meldingen van overlast geldt het volgende:
Bij een constatering van een overschrijding van de geluidnorm is de handhaving gericht op onverwijld terugbrengen van het geluidsniveau tot de toegestane waarde(n).
Bij constatering van een overschrijding van de geluidsnormen wordt organisator geïnformeerd. De organisator wordt verzocht er direct voor te zorgen dat het geluidniveau tot het toegestane niveau wordt teruggebracht.
Stap 2: Hercontrole en voortbestaan overtreding en last onder dwangsom:
Indien een tweede overschrijding van de geluidsnormen wordt geconstateerd wordt een maatregel opgelegd. Dit zal doorgaans een last onder dwangsom zijn. Dit besluit is gericht aan de
vergunninghouder. De verbeuring geldt per overtreding (dit wordt telkens vastgesteld doormiddel van een controle). Voorafgaand aan het besluit wordt het voornemen tot het opleggen van een last onder dwangsom aan de vergunninghouder uitgereikt. De mogelijkheid tot horen bestaat direct ter plaatse of telefonisch.
Stap 3: Invorderingsbeschikking:
Bij een derde constatering, na de begunstigingstermijn, wordt een invorderingsbeschikking uitgereikt.
Stap 4: Tijdelijk dan wel definitief intrekken evenementenvergunning:
Indien de opgelegde last niet het gewenste sorteert, kan besloten worden tot tijdelijke dan wel definitief intrekken van de evenementvergunning.
Verdere gevolgen overtredingen
Naast de bovenstaande stappen die tijdens het evenement worden ondernomen, kunnen ernstige
overtredingen consequenties hebben voor volgende edities van het evenement of andere evenementen van dezelfde organisator. Dit zal per geval worden beoordeeld.
Voor evenementen met minder dan 1500 bezoekers waarbij stap 3 en/of 4 genomen moest worden,
zullen voor volgende evenementen de onderzoeks- en meetverplichtingen worden opgelegd die gelden voor evenementen met meer dan 1500 bezoekers.
De exacte handelingen en tijdspaden die gevolgd worden bij het hierboven omschreven stappenplan, zullen nader uitgewerkt worden in werkprotocollen voor Toezicht en Handhaving.
Aldus vastgesteld in de vergadering van 16 december 2025.
De burgemeester
Femke Halsema
De gemeentesecretaris (wnd.)
Thea de Vries
Bijlage I Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in Amsterdam
Dit meet- en rekenprotocol (het protocol) is van toepassing op alle geluidversterkte evenementen die binnen de gemeente Amsterdam gehouden worden. Het protocol is opgesteld om een eenduidige en heldere manier te bieden hoe gemeten en gerekend wordt met evenementengeluid, met de nadruk op muziekgeluid. Dit protocol is een onlosmakelijk onderdeel van de beleidsregel ‘Geluidbeleid voor evenementen in Amsterdam’ van de gemeente Amsterdam. Het protocol zal periodiek worden bijgewerkt op basis van ervaringen en voortschrijdende inzichten.
Voor bepaalde onderdelen in het protocol wordt, net als in de Beleidsregel, een onderscheid gemaakt in de omvang van evenementen, waarbij drie categorieën zijn geformuleerd:
De basis voor het meten en rekenen voor geluid op en rondom evenementen is de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 (HMRI). Het toepassen van de HMRI (en de voorloper de IL-HR-13-01) wordt in Nederland wettelijk voorgeschreven voor alle akoestische onderzoeken en metingen voor onder andere industrielawaai en horecageluid. Ook bij evenementengeluid wordt de HMRI doorgaans gebruikt, ook al is dit niet wettelijk geregeld. De HMRI is echter niet onverkort geschikt voor het rekenen met en meten aan evenementengeluid. Zodoende is een meet- en rekenprotocol opgesteld. De bepalingen in dit protocol zijn leidend. Indien het protocol ergens niet in voorziet dan geldt de HMRI.
Op het moment dat er een opvolger van de HMRI wordt uitgebracht en/of nieuwe (Nederlandse of Europese) wet- en regelgeving hier aanleiding toe geeft, zal dit protocol waar nodig worden bijgewerkt.
Note: De gemeente Amsterdam draagt graag bij aan de ontwikkeling van evenementbeleid in andere steden en stelt dit Meet- en rekenprotocol dan ook beschikbaar als leidraad of voorbeeld. Bedenk daarbij wel dat elke stad en locatie anders is en wellicht een eigen aanpak verlangt.
De beoordeling vindt plaats op alle verdiepingen van een gebouw waarop zich geluidgevoelige ruimten bevinden. In het akoestisch onderzoek dienen daarvoor rekenpunten opgenomen te worden op alle relevante verdiepingen. Geluidmetingen kunnen zich beperken tot een aantal maatgevende beoordelingspunten die blijken uit het akoestisch onderzoek.
De grenswaarden voor evenementengeluid worden in Amsterdam gesteld in LCeq (het equivalente C-gewogen invallende geluidniveau). Bij het vaststellen van de beoordelingsgrootheid gelden de volgende correcties, die verderop in het protocol nader worden toegelicht:
De beoordelingsgrootheid LCeq wordt bepaald door het over 3 minuten gemeten geluidniveau, indien nodig, te corrigeren met de correctie voor stoorgeluid, gevelreflectie en meteocorrectie.
LCeq,3min - Cstoor - Cg - Cm = beoordelingsniveau LCeq
De rekenkundige tussenresultaten worden gepresenteerd tot één cijfer achter de komma. De beoordelingsgrootheden worden opgegeven in hele dB's. Deze getallen worden afgerond conform NEN 1047. Hierbij geldt dat indien het af te ronden getal op een 5 eindigt deze wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde gehele even getal. Dit betekent bijvoorbeeld dat 40,5 dB(C) wordt afgerond naar 40 dB(C) en 45,5 dB(C) naar 46 dB(C).
Voor het verrichten van metingen dient de organisator, akoestisch adviseur en/of vergunninghouder en handhaver minimaal te beschikken over de volgende apparatuur:
Ook mogen digitale analyse- of monitoringssystemen worden gebruikt die door snelle bemonstering van tijdsignalen geluidsdrukken kunnen meten. De microfoons, voorversterkers en functionaliteit van de software dienen overeenkomstig de eisen van de genoemde IEC-publicatie te zijn. Zie hiervoor ook hoofdstuk 7 ‘Eisen monitoren en/of meten geluidniveaus.
Voor en na iedere serie metingen dient het gehele meetsysteem, inclusief microfoons en kabels, op de voor de apparatuur voorgeschreven wijze te worden gekalibreerd met een akoestische ijkbron, die binnen een marge van 0,5 dB een constant signaal geeft. Indien na afloop van de meetserie bij het kalibreren blijkt dat het meetsysteem niet betrouwbaar is (de afwijking ten opzichte van het constante signaal is groter dan 0,5 dB), dienen de desbetreffende metingen, indien mogelijk opnieuw uitgevoerd te worden.
Geluidmetingen tijdens evenementen worden uitgevoerd volgens Methode II.1 van de HMRI, met toevoegingen en/of uitzonderingen zoals in dit protocol beschreven. Dit zijn immissiemetingen die direct nabij de woningen (of andere geluidgevoelige gebouwen) worden verricht. Op sommige locaties zal op een dichterbij gelegen referentiepunt worden gemeten, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot de meest nabijgelegen woningen. In die gevallen is dit referentiepunt tevens het beoordelingspunt en geldt aldaar de geluidnorm. De geluidoverdracht naar de woningen is dan al in een akoestisch onderzoek bepaald.
Van personen die geluidmetingen verrichten namens de gemeente of namens een organisator van een evenement binnen categorie I en II, wordt verwacht dat zij aantoonbaar gedegen kennis en ervaring hebben om deze metingen deugdelijk, betrouwbaar en conform dit meet- en rekenprotocol uit te voeren. Deze kennis en ervaring kan bijvoorbeeld blijken uit een gevolgde relevante opleiding in combinatie met adequate werkervaring (PHB Milieugeluid / Akoestiek, Specifieke gemeentelijke cursussen meten evenementengeluid, werkzame jaren bij een Omgevingsdienst of akoestisch adviesbureau).
Stoorgeluiden kunnen de geluidmetingen sterk beïnvloeden. Tijdens het uitvoeren van geluidmetingen dient hier dan ook aandacht aan besteed te worden. Het beoordelen van stoorgeluid kan door gebruik te maken van stille(re)momenten tijdens het evenementen en/of door tegelijkertijd onder identieke omstandigheden het stoorgeluid te meten op een punt, dat verder van de bron verwijderd is (bijvoorbeeld verder langs de storende verkeersweg).
Een deel van het geluid dat op een gevel terechtkomt reflecteert. Hierdoor kan er een verhoging van het geluidniveau optreden voor de gevel. De mate van reflectie is onder andere afhankelijk van de hoek van inval, de materialisatie van de gevel en het spectrum van het geluid. De geluidnormen zijn gerelateerd aan het invallende geluidniveau op de gevel. Dit betekent dat als er in de praktijk gemeten wordt inclusief reflectie van de gevel, er gecorrigeerd moet worden voor deze reflectie. Ondanks dat de mate van reflectie kan variëren is gekozen voor één correctiewaarde van 3 dB.
Door meteorologische omstandigheden kan de geluidoverdracht sterk variëren, met name over grotere afstanden (> 50 meter). Gezien het kortdurende karakter van evenementen kan met deze weersomstandigheden slechts zeer beperkt rekening worden gehouden.
De weersomstandigheden kunnen een betrouwbare werking van de apparatuur belemmeren. Metingen die verricht worden bij (zware) regenval, sneeuw, ijs of onder hoge temperaturen dienen extra goed beoordeeld te worden op de nauwkeurigheid. De handleiding en specificaties van de betreffende apparatuur dient hiervoor geraadpleegd te worden.
Windgeruis moet ten minste 5 dB onder het signaal liggen. Bij gebruik van het C-filter is de geluidmeting extra gevoelig voor windgeruis op de microfoon. Zodoende moet te allen tijde een windbol gebruikt worden. Tabel 3.2 geeft de geluidniveaus die minimaal gemeten moeten worden in relatie tot de windsnelheid om nog betrouwbaar geacht te worden.
Tabel 3.2 Maximaal toegestane windsnelheid op microfoonhoogte
1 Conform tabel A. 6.1 uit de HMRI
2 Op basis van praktijkmetingen (nu nog ongefundeerde inschatting)
Onvoorziene en zeldzame weersomstandigheden die de geluidoverdracht in extreme mate beïnvloeden, zoals inversie in bepaalde luchtlagen kunnen de geluidbelasting significant meer verhogen dan de hierboven genoemde 3 dB meteocorrectie. Inversie kan in de zomer in de avond of nacht optreden op heldere dagen. De overdracht is dan naar alle beoordelingspunten in de omgeving hoger. De geluidbelasting wordt hoger bij een gelijkblijvend bronniveau.
De organisatie zal in deze omstandigheden het geluidniveau op het terrein zo ver als verantwoord is reduceren om toch aan de geluidnorm te kunnen voldoen. Het handhavingsprotocol van de gemeente bevat een bepaling hoe omgegaan wordt met een normoverschrijding in deze zeldzame situatie.
Ter informatie is onderstaande tabel opgenomen met een overzicht van windkracht, windsnelheid en de benaming.
Tabel 3.3 Windkracht en windsnelheid
|
opwaaiend stof hinderlijk voor de ogen, gekuifde golven op meren en kanalen en vuilcontainers waaien om |
||||
|
schoorsteenkappen en dakpannen waaien weg, kinderen waaien om |
||||
Bron: Weergaloos Nederland. Uitgeverij Kosmos/Z&K, Utrecht, 1997/2004
Voor metingen in het kader van preventie gehoorschade gelden de volgende regels:
Met ‘ter plaatse van de mengtafel’ wordt hier bedoeld een punt in het FoH-gebied, recht tegenover het podium, op maximaal 25 meter uit het podium (of het FoH-systeem), ongeacht waar de mengtafel zich feitelijk bevindt. Als een FoH-gebied kleiner is dan 25 meter, bijvoorbeeld bij kleinere festivals of in tenten, dan wordt het einde van het FoH-gebied aangehouden als meetpunt.
In het meetverslag dat wordt opgesteld moeten in ieder geval de volgende onderdelen worden opgenomen:
Dit gedeelte van het protocol geeft een handleiding op welke wijze de geluidbelasting in de omgeving geprognotiseerd kan worden in een akoestisch onderzoek (categorie I evenementen). De meest recente BBTLijst van de gemeente Amsterdam dient daar eveneens bij betrokken te worden.
Het doel van de berekeningen is het inzichtelijk maken of het evenement passend is bij de betreffende locatie en of de best beschikbare technieken worden toegepast.
Erkend wordt dat evenementengeluid niet op de 1 dB nauwkeurig is te prognosticeren. Het modelleren van evenementengeluid is zeer complex en geeft slechts een grove benadering van de werkelijkheid. Geen van de gangbare rekensoftware wordt als uitermate geschikt geacht. Innovaties op dit gebied zijn dan ook welkom.
Het uitgangspunt van het akoestisch onderzoek moet zijn dat het geluidniveau ter plaatse van het publiek niet harder gaat dan nodig (en nooit harder dan 100 dB(A) op 25 meter FoH) maar ook niet dusdanig zacht waardoor de geluidbeleving ernstig aangetast wordt.
De onderstaande uitwerking moet gezien worden als een voorbeeld hoe met een van de gangbare rekenpakketten (GeoMileu, module IL) een zo goed mogelijke inschatting gemaakt kan worden van de geluidbelasting tijdens een evenement.
Voor de prognose van de geluidbelasting die tijdens een gepland evenement zal optreden wordt een akoestisch rekenmodel opgesteld. Dit model berekent de geluidoverdracht van een bron naar de ontvanger. De berekeningen dienen uitgevoerd te worden overeenkomstig methode II.8 van de HMRI, met inachtneming van de toevoegingen en uitzonderingen van dit protocol.
Van personen die berekeningen uitvoeren namens een organisator van een evenement binnen categorie I en II, wordt verwacht dat zij aantoonbaar gedegen kennis en ervaring hebben om deze berekeningen deugdelijk, betrouwbaar en conform dit meet- en rekenprotocol uit te voeren. Deze kennis en ervaring kan bijvoorbeeld blijken uit een gevolgde relevante opleiding in combinatie met adequate werkervaring (PHB Milieugeluid / Akoestiek en werkzame jaren bij een akoestisch adviesbureau).
Er zijn verschillende softwarepakketten die gebruikt worden voor het rekenen met geluid. Hierbij is er vrijwel altijd een onderscheid tussen software voor het berekenen van elektro-akoestische parameters en voor het berekenen van de geluidoverdracht. Eenvoudig gezegd is het ene pakket bedoelt voor hoe het FoH-systeem kan worden geconfigureerd voor het beste geluid en het andere voor het prognosticeren van de geluidbelasting in de omgeving. Helaas zijn de functionaliteiten van de diverse beschikbare pakketten nog niet optimaal voor het rekenen aan evenementengeluid.
Ten tijde van het opstellen van het Meet- en rekenprotocol wordt het rekenprogramma GeoMilieu, module IL van DGMR als het meest toegepaste programma gezien voor het berekenen van de geluidoverdracht van evenementengeluid. Om praktische overwegingen wordt het rekenprogramma GeoMilieu aangehouden als de ‘standaard’ om prognoseberekeningen mee uit te voeren.
Indien een ander rekenprogramma gebruikt wordt, dan dient aangetoond te worden dat dit programma minimaal gelijkwaardig is aan GeoMilieu, c.q. dat de berekeningen zijn uitgevoerd overeenkomstig het protocol. Projecten die berekend worden met alternatieve pakketten worden beoordeeld door de Stedelijke Expertgroep Geluid. Na goedkeuring kan het pakket eventueel met toelichting toegepast worden.
Het gebied voor het podium, voor de speakers, wordt Front of House (FoH) genoemd. De mengtafel staat meestal recht voor het podium. De afstand tussen het podium en de mengtafel kan variëren, afhankelijk van de grootte van het FoH-gebied of de area. Vaak wordt 25 meter FoH aangehouden als afstand waarop de mengtafel staat, of als referentiepunt voor metingen.
De grootte van het FoH-gebied is weer afhankelijk van de hoeveelheid bezoekers die voorzien moeten worden van muziekgeluid met een bepaald volume (luidheid). Het FoH-gebied kan opgedeeld worden in zones, zoals weergegeven in onderstaande figuur.
Figuur 4.1 Uitgangspunten FOH-gebied
Voor de bezoekers in de eerste zone wordt gemiddeld het hoogste geluidniveau geproduceerd, passend bij het evenement. In Amsterdam is dit maximaal 100 dB(A). Het geluid wordt zo goed mogelijk verdeeld, maar verloopt in de zone doordat de afstand tot de speakers overal anders is. De hoeveelheid bezoekers is per vierkante meter in de eerste zone het hoogst, met gemiddeld circa 2,5 bezoeker per vierkante meter. In de tweede zone is het geluidniveau circa 5 dB afgenomen. Hier bevinden zich gemiddeld 1,5 bezoekers p/m2. De derde zone ligt buiten het FoH-gebied. Hier is het geluidniveau weer circa 5 dB afgenomen. Uiteraard bevinden zich in deze zone en op de rest van het evenemententerrein ook bezoekers.
Hoe groter het FoH-gebied(en) of de area(s), hoe meer bezoekers en dus ook hoe meer bronvermogen nodig is om deze bezoekers te voorzien van de juiste hoeveelheid geluid.
De speakers van het FOH-systeem kunnen worden beschouwd als een verzameling puntbronnen met een maximale geluiduitstraling richting het publiek. De bronsterkte LW wordt per frequentie bepaald op basis van de volgende formule voor een puntbron in het vrije veld:
Hierbij stelt LI de geluidintensiteit op een bepaalde afstand ‘R’ tot de bron voor. De afstand tussen het centrum van de speakers van het midden van de voorste zone van het FOH-systeem (zone 1) wordt aangehouden.
Voor de 63 Hz octaafband wordt ervan uitgegaan dat het geluidniveau op het FOH-gebied 3 dB hoger uitvalt als gevolg van bodemreflecties. Voor de hogere octaven (125 Hz t/m 4000 Hz) wordt geen rekening gehouden met toe- / afname vanwege reflecties (of andere overdrachtseffecten).
Uitgaande van een gewenst geluidniveau met een specifiek muziekspectrum in het midden van het FOH-gebied kan het benodigde bronvermogen met de volgende formules worden teruggerekend:
LW = LP + 20*log(R) + 8 (63 Hz octaafband)
LW = LP + 20*log(R) + 11 (125 Hz t/m 4000 Hz octaafbanden)
Bij het berekende bronvermogen is dan nog geen rekening gehouden met een lagere geluiduitstraling in alle overige richtingen (anders dan het publiek / het FOH-gebied). Voor de geluiduitstraling naar de omgeving zal de immisierelevante bronsterktes LWr moeten worden verlaagd met de reductie van het FoH-systeem in die specifieke richting. Zie paragraaf BBT.
De bronvermogens die ingevoerd worden dienen passend te zijn voor het betreffende evenement en de omvang van het FoH-gebied. Het vermogen wordt bepaald op basis van het gewenst/benodigd aantal dB’s op een bepaald oppervlak van het FoH-gebied.
Hierbij dient tevens rekening gehouden te worden met het maximaal toegestane geluidniveau van 100 dB(A) ter plaatse van de mengtafel (beleidsregel 2.3 Preventie gehoorschade). Met ‘ter plaatse van de mengtafel’ wordt hier bedoeld een punt in het FoH-gebied, recht tegenover het podium, op maximaal 25 meter uit het podium (of het FoH-systeem), ongeacht waar de mengtafel zich feitelijk bevindt. Als een FoH-gebied kleiner is dan 25 meter, bijvoorbeeld bij kleinere festivals of in tenten, dan wordt het einde van het FoH-gebied aangehouden als meetpunt.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van bronvermogens die toegepast kunnen worden, waarbij een marge mogelijk is van plus of min 3 dB, afhankelijk van de situatie. Op deze bronvermogens worden in de berekening vervolgens reducties ingevoerd die overeenkomen met de uitstralingskarakteristieken van de betreffende speakers.
Tabel 4.1 Richtlijn samengestelde bronvermogens
1 Omvang FoH-systeem gerelateerd aan categorieën
2 Omvang FoH-gebied of area direct voor het podium. Bij evenementen met meerdere area’s kunnen de oppervlaktes en vermogens worden verdeeld.
3 Totale bronsterkte gebaseerd op de geluidafstraling richting het publiek (exclusief reducties zij- en achterkant), waarbij de verdeling van de energie over de verschillende frequenties verschilt, per type evenement.
Er zijn evenementen die niet eenduidig in deze verdeling passen zoals bijvoorbeeld de Parade, de Pride Amsterdam, Koningsdag of de Uitmarkt. In die situaties kan onderbouwd worden afgeweken.
De verdeling van het geluid over de verschillende octaafband middenfrequenties dient dusdanig te zijn dat ter plaatse van het publieksveld (25 meter Front of House) een bij het evenement passend spectrum optreedt. Hierbij dient een keuze gemaakt te worden uit het spectrum Pop, Dance, House of Ultra bass uit de NSG Richtlijn muziekspectra in horecabedrijven.
Figuur 4.2 Relevante spectra uit de NSG Richtlijn muziekspectra in horecabedrijven
Niet alle rekenpakketten (zoals GeoMilieu) zijn in staat de geluidbelasting in dB(C) te berekenen. Om niet alle rekenresultaten spectraal te hoeven omrekenen van dB(A) naar dB(C), is het mogelijk hiermee bij het invoeren van de bronvermogens reeds rekening te houden. Onderstaande correctiewaarden kunnen hiervoor gebruikt worden.
Tabel 4.2 Correctiewaarden van een A- naar een C-gewogen spectrum
De geluidbronnen dienen dusdanig opgedeeld te worden dat deze representatief zijn voor de toegepaste speakers. Zo dienen subwoofers en sub-arrays separaat gemodelleerd te worden van topkasten of line-array speakers. Dit geldt voor zowel voor de hoogte, als voor links en rechts en delay-speakers.
Meerdere bronnen (speakers) met gelijkwaardige specificaties kunnen geclusterd worden, zolang dit geen effect heeft op de geluidbelasting.
De richtingswerking van het FoH-systeem wordt benaderd door reducties in te voeren zodat beoogde effecten inzichtelijk zijn. Zie ook de meest recente BBT-Lijst.
Er wordt gerekend onder gunstige overdrachtsomstandigheden, zonder meteo-invloed. In het rekenprogramma GeoMilieu, module IL dient hiervoor de Li waarde aangehouden te worden. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de berekende overdracht gelijk is aan de overdracht in de praktijk bij een zwakke tot matige meewind van circa 3 m/s.
Zoals in paragraaf 2.2 en 3.6 benoemd wordt er geen meteocorrectie toegepast, tenzij uitdrukkelijk anders is omschreven in het locatieprofiel van een evenementenlocatie. In dat laatste geval is in het locatieprofiel tevens omschreven welke correctie maximaal mag worden toegepast.
Het is dus mogelijk dat bij hogere windsnelheden tijdens een evenement hogere geluidniveaus worden geproduceerd in de omgeving dan berekend. De organisator zal het (de) geluidniveau(s) op het evenemententerrein moeten reduceren ten einde aan de grenswaarde te kunnen voldoen.
Bij prognoseberekeningen in een akoestisch onderzoek moeten voorzieningen worden betrokken om de geluidoverdracht naar de omgeving zo veel mogelijk te beperken. Hiervoor moet gebruik gemaakt worden van de Best Beschikbare Technieken, zoals vastgelegd in de meest recente BBT-Lijst van de gemeente Amsterdam. Deze BBT-Lijst wordt jaarlijks samengesteld door de Stedelijke Expertgroep Geluid.
Voor evenementen binnen categorie I dient voorafgaand een akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden, dat bij de vergunningsaanvraag wordt ingediend. Het onderzoek dient te voldoen aan het Meet- en rekenprotocol van de gemeente Amsterdam en de HMRI voor de onderdelen waar naar de HMRI verwezen wordt of waarin het protocol niet in voorziet. Het onderzoeksrapport dient helder en doelmatig opgesteld te zijn, waarbij de volgende indeling wordt gevolgd:
Voor evenementen binnen categorie II en III dient voorafgaand een eenvoudig geluidplan opgesteld te worden, dat bij de melding/aanvraag van het evenement wordt ingediend. Het geluidplan dient helder en doelmatig opgesteld te zijn, waarbij de volgende indeling wordt gevolgd:
Eisen monitoren en/of meten geluidniveaus
Tijdens evenementen binnen categorie I wordt het geluidniveau op de gevels van omliggende woningen continu gemeten, waarbij de volgende aanwijzingen gelden:
Een constatering van een overschrijding kan worden vastgesteld met behulp van meetstations in de omgeving, die toebehoren aan de gemeente. Indien de meetstations in de omgeving toebehoren aan de organisator, dient een constatering te worden vastgesteld door een daartoe bevoegde ambtenaar met een eigen geluidmeter.
Tijdens evenementen binnen categorie II en III wordt het geluidniveau op de gevels van omliggende woningen minimaal twee keer per uur handmatig gemeten, waarbij de volgende aanwijzingen gelden:
Bijlage II – Best beschikbare technieken 2018
Evenementengeluid in Amsterdam
Overzicht Best Beschikbare Technieken
voor het evenementenseizoen 2018
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Stedelijk Evenementenbureau Amsterdam
De ‘Beleidsregel Evenementengeluid in de Stad’ (de Beleidsregel) omvat kaders en regels voor het verlenen van vergunningen voor het organiseren van evenementen met geluid. De Beleidsregel is een uitwerking van het proces te komen tot een betere balans tussen een stad waar goed georganiseerde evenementen kunnen plaatsvinden en het inperken van geluidoverlast voor bewoners.
Een van de belangrijkste uitgangspunten van het evenementenbeleid zoals verwoord in de Beleidsregel is dat de geluidbelasting vanwege evenementen in de omgeving te allen tijde zo laag mogelijk moet zijn. Om dit te bereiken wordt van organisatoren verlangd dat zij de ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT) inzetten. In deze notitie is opgenomen wat verstaan wordt onder BBT en welke BBT-maatregelen verwacht worden van evenementenorganisatoren. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt in drie categorieën evenementen:
De expertgroep beseft zich dat een aantal van de omschreven maatregelen ten koste kan gaan van de geluidkwaliteit. Voor de bescherming van bewoners in een stedelijk gebied zijn deze maatregelen echter nodig.
Note: De gemeente Amsterdam draagt graag bij aan de ontwikkeling van evenementbeleid in andere steden en stelt de BBT-Lijst dan ook beschikbaar als leidraad of voorbeeld. Bedenk daarbij wel dat elke stad en locatie anders is en wellicht een eigen aanpak verlangt.
Het begrip ‘Best Beschikbare Technieken’ (BBT) - voorheen bekend als ‘As Low As Reasonably Achievable’ (ALARA) - is afkomstig uit de milieuwetgeving. Op grond van artikel 2.14 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) dient bij de verlening van een vergunning in acht genomen te worden dat tenminste voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Voor de inhoud van het beginsel van BBT kan worden aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wabo.
In artikel 1.1, eerste lid, van de Wabo wordt het begrip BBT als volgt omschreven: ‘de voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die -kosten en baten in aanmerking genomen - economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld’
Onnodige geluidsemissie moet zoveel mogelijk worden voorkomen door het treffen van BBT-maatregelen. Voor evenementen zijn geen specifieke BBT-referentiedocumenten (BREFs) van toepassing waarin specifieke eisen aan de geluidsemissie worden gesteld. Zodoende is besloten deze BBT-Lijst op te stellen.
Het doel van deze BBT-Lijst is:
Het vastleggen van de beste organisatorische en fysieke maatregelen die getroffen kunnen worden om de geluidbelasting vanwege muziekgeluid bij evenementen zoveel mogelijk te beperken. Daarbij wordt gekeken naar de stand der techniek en de praktische toepasbaarheid, met inachtneming van een zeker financieel en uitvoeringstechnisch realisme;
Het vaststellen van de nieuwe BBT-Lijst geschiedt jaarlijks, voorafgaand aan het nieuwe evenementenseizoen.
Locatie: In beginsel mag op vrijwel elke plek in de stad een bepaald aantal keer per jaar een evenement georganiseerd worden. De ene locatie is echter geschikter dan het andere. Uiteraard ook afhankelijk van het type evenement. In Amsterdam zijn circa 21 specifieke evenementenlocaties. Van deze locaties zijn profielen gemaakt waarin staat voor welk type evenement de locaties geschikt zijn. Bij de wens om een evenement op een bepaalde locatie te organiseren, dient heel goed beoordeeld te worden of die locatie ook geschikt is.
Speelrichting: FoH-systemen (speakers) stralen naar de voorzijde meer geluid uit dan naar de zijkanten en achterzijde. Tevens geldt: hoe hoger de speakers worden geplaatst, hoe verder het geluid de omgeving in gaat. Op elke locatie dient zodoende gezocht te worden naar de meest ideale speelrichting, waarbij de geluidbelasting op de omliggende woningen (of andere geluidgevoelige gebouwen) zo laag mogelijk is. De speelrichting van het FoH-systemen (tevens richting van het podium) is een van de basale voorzieningen,
waar in de praktijk niet altijd afdoende oog voor is. Bij de opstelling dient ook rekening gehouden te worden met zuid-westen wind als overwegende windrichting.
Geluidniveaus: Hoe meer geluid er op het evenemententerrein gemaakt wordt, hoe meer geluid er in de omgeving over blijft. Het beperken van het geluidniveau beperkt dus ook mogelijke hinder. Elk type evenement heeft een bepaald minimaal geluidniveau nodig om tot zijn recht te komen en om de bezoekers te laten ervaren waar ze voor komen. Een belangrijke regel in het Amsterdamse evenementenbeleid is dat het geluidniveau op het terrein niet luider is dan strikt noodzakelijk.
Anderzijds is het ook niet de bedoeling dat het geluidniveau lager is dan passend bij het evenement, waardoor bezoekers ontevreden zijn over de geluidbeleving. Dit kan leiden tot het harder zetten van het geluid met meer geluid in de omgeving en een overschrijding van de geluidnormen, of tot orde- en veiligheidsproblemen door ontevreden festivalbezoekers.
Het bronvermogen (van het FoH-systeem) dat nodig is om een bepaald geluidniveau te kunnen genereren is afhankelijk van de omvang van de area met publiek, of het FoH-gebied. In het ‘Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in de stad’ wordt hier nader op ingegaan. Onderstaande tabel geeft een overzicht van bronvermogens die realistisch worden geacht, waarbij een marge mogelijk is van plus of min 3 dB, afhankelijk van de situatie. Op deze bronvermogens worden in de berekening vervolgens reducties ingevoerd die overeenkomen met de uitstralingskarakteristieken van de betreffende speakers.
Tabel 2.1 Richtlijn samengestelde bronvermogens
1 Omvang FoH-systeem gerelateerd aan categorieën evenementen
2 Omvang FoH-gebied of area direct voor het podium. Bij evenementen met meerdere area’s kunnen de oppervlaktes en vermogens worden verdeeld.
3 Totale bronsterkte gebaseerd op de geluidafstraling richting het publiek (exclusief reducties zij- en achterkant), waarbij de verdeling van de energie over de verschillende frequenties verschilt, per type evenement.
Spectra: Een eengetalswaarde dB(A) of dB(C) geeft slechts zeer beperkte informatie over het geluidniveau. 100 dB(A) klassieke muziek is iets totaal anders dan 100 dB(A) housemuziek. Dit heeft te maken met de verdeling van de energie in de verschillende frequenties, het spectrum. Voor muziekgeluid wordt in Nederland over het algemeen gewerkt met een aantal standaardspectra zoals vastgelegd in de ‘NSG Richtlijn muziekspectra in horecabedrijven’, zie ook het Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in de Stad. Het belangrijkste verschil in dit kader tussen de verschillende spectra is de hoeveelheid energie in de lage tonen.
Voorbeelden spectra verschillende muziek bij 100 dB(A)
Om geluidhinder vanwege lage tonen zo veel mogelijk te beperken, worden in het evenementenbeleid van Amsterdam geluidnormen gegeven in dB(C). De dB(C) ‘weegt’ in tegenstelling tot de dB(A) de lage tonen goed mee. Hoe meer lage tonen geproduceerd worden, hoe sneller de maximale grenswaarde in dB(A) bereikt wordt. Het is dus van belang de hoeveelheid lage tonen zo veel als mogelijk te beperken, zonder dat de geluidbeleving té ernstig wordt aangetast. Het toepassen van het juiste spectrum in het akoestisch onderzoek kan daar behulpzaam bij zijn.
Een goede inrichting van een festival- of evenemententerrein in open air situaties begint bij een goed ontwerp van het FoH-systeem) in combinatie met de posities en oriëntatie van de podia, zoals eerder genoemd. Met een goed ontworpen FoH-systeem kan het geluid zeer gericht op het publiek worden geprojecteerd, waarbij in andere richtingen zo min mogelijk geluid wordt geprojecteerd. De richtwerking is sterk afhankelijk van de eigenschappen en opstelling van het FoH-systeem en de instellingen daarvan.
Line-arrays: De uitstralingskarakteristiek van individuele speakers en geclusterde speakers zoals line-arrays kan worden voorspeld op basis van meetgegevens die worden aangeleverd door de leverancier. In de basis kan worden gesteld dat opstellingen met kortere of langere line-arrays (zie afbeelding hiernaast) respectievelijk in mindere of meerdere mate gericht worden in verticale richting. Daarnaast kan door de toepassing van speakers met een cardioïde uitstralingskarakter, de uitstraling naar achteren en/of de zijkanten sterk worden verminderd.
Het toepassen van line-arrays is niet in alle situaties de beste techniek. De bundeling van geluid aan de voorzijde van het systeem, bedoeld om het publiek zo gelijkmatig te bedienen, vindt eveneens aan de achterzijde plaats in tegenovergestelde richting. Daarbij hangen speakers per definitie hoog. Hierdoor kan het geluid in potentie ook verder de omgeving in gestuurd worden, zeker op locaties met een open karakter en in combinatie met hogere windsnelheden.
Point sources: Speakers die gezamenlijk geen specifieke sturing meekrijgen (puntbronnen), stralen desalniettemin aan de achter- en zijkanten minder geluid uit dan aan de voorzijde. In tegenstelling tot linearrays worden deze speakers gestapeld (stacks). Het nadeel van deze systemen is dat ze minder goed een gelijkmatig geluidniveau kunnen genereren waardoor grote verschillen ontstaan in het niveau vlak bij de speakers en achterin een area.
Het voordeel van deze meer conventionele speakers is dat ze doorgaans lager bij de grond opgesteld worden en minder ver naar de omgeving uitstralen. Zowel bij gestapelde point source speakers als bij line-arrays wordt gebruik gemaakt van delays-speakers als de area te groot wordt om alleen met het hoofdspeakersysteem te bedienen.
Cardioïde subswoofers en sub-arrays: Voor het produceren van de laagste frequenties in de muziek wordt gebruik gemaakt van subwoofers. Doorsnee subwoofers hebben een vrijwel omnidirectionaal uitstralingskarakter waardoor de bassen, waar juist de meeste hinder van wordt ervaren, alle kanten op gestuurd worden. De ontwikkelingen in de techniek om ook de lage frequenties enigszins te sturen worden steeds beter, maar de effecten zijn beperkt.
Onder het toverwoord ‘cardioïde’ subwoofers vallen verschillende technieken met elk hun eigen technische specificaties, resultaten en beperkingen. De overeenkomst tussen de technieken is dat gestreefd wordt naar minder geluid aan de achterkant (en zijkanten) van de speaker zelf, en/of aan de zijkanten van het publieksveld. Uitdoving van het geluid aan de achterzijde wordt verkregen door in tegenfase energie te sturen naar juist die achterzijde.
Onderstaand is een overzicht gegeven van diverse sub-opstellingen met een impressie van de richtwerking in de 50Hz-frequentie. De weergaven stellen een veld voor met een subwoofer opstelling in het midden en rechts het publieksveld.
Voorbeeld richtwerking diverse sub opstellingen (50 Hz)
Een probleem dat zich in de praktijk voordoet is dat bepaalde technieken wel effect behalen op korte afstand van de speakers, maar dat dit effect op grotere afstanden (deels) verloren gaat. Dit geldt bij zogenaamde ‘end fire’ opstellingen en configuraties waarbij te weinig speakers in tegenfase worden geplaatst.
Daar komt bij dat de technische uitvoering van deze technieken moeilijk is. Een gerichte uitstraling in de lage frequenties met niet-cardioïde subwoofers vereist een specifieke opstelling en juiste configuratie van de instellingen. In de praktijk blijkt dat de intentie er wel is, maar de feitelijke werking uitblijft.
Ook wordt opgemerkt dat het frequentiebereik van uitdoving bij bepaalde technieken beperkt is. De Stedelijke Expertgroep Geluid is van mening dat alleen gewerkt moet worden met ‘echte’ cardioïde opstellingen in een verhouding van maximaal 1:2. Dit betekent dat er voor elke twee subwoofers ten minste een subwoofer gebruikt wordt in tegengestelde richting. Opstellingen als ‘end fire’ en andere alternatieven moeten geweerd worden, tenzij een gelijkwaardige werking is bewezen.
Analoog aan de ontwikkeling van bepaalde muziekstromingen en de wens nog meer bassen te ervaren, wordt op festivals geregeld gebruik gemaakt van zeer zware subwoofers, waarmee frequenties van 20 tot 80 Hz op hoge volumes geproduceerd kunnen worden. Dit type subwoofers zou in stedelijk gebied niet toegepast moeten worden. Subwoofers met een grotere diameter dan 21” zijn niet nodig.
Cardioïde opstellingen moeten in ieder geval toegepast worden als er zich woningen bevinden binnen 25 meter aan de achterzijde van de speakers en als de toepassing een reductie heeft van minimaal 5 dB op enige woningen in de omgeving. En vanzelfsprekend als dit nodig is om aan de maximale grenswaarde te kunnen voldoen.
Cross-over / kantelpunt: De overgang in frequenties tussen de subwoofers en de topkasten (line-array) wordt de cross-over of het kantelpunt genoemd. Dit is geen harde scheidslijn, maar er zijn overlappende frequenties die overvloeien. Het kantelpunt ligt doorgaans tussen de 63 en 125 Hz. Om overlast van lage tonen zo veel mogelijk te beperken, is het van belang zo min mogelijk lage tonen uit de topkasten / line-array te sturen.
Een zichtbare (of beter, hoorbare) trend in de elektronische dancemuziek is dat steeds meer lagere tonen worden toegevoegd aan de muziek. Deze ontwikkeling vanuit artiesten, de muziekindustrie en festivalbezoekers staat helaas in schril contrast met de navenante toename van overlast vanwege deze nog lagere-tonen.
Een maatregel om hinder van (zeer) lage tonen te verminderen is het zogenaamde ‘af-filteren’. Dit betekent dat het geluidsniveau onder een bepaalde frequentie verminderd wordt. Hiervoor wordt een filter gebruikt die naarmate de frequentie lager wordt het geluidniveau steeds verder reduceert. Af-filteren onder een bepaalde frequentie betekent dus niet dat er onder die frequentie geen geluid meer wordt geproduceerd. Dat is technisch niet mogelijk en heeft tevens een te groot hoorbaar effect op de muziekkwaliteit.
De BBT-Lijst is bedoeld voor een stedelijke omgeving alwaar de (zeer) lage bassen een grote impact hebben op de bewoners rondom evenementen. De gemeente heeft als duidelijke wens uitgesproken de overlast van ‘onnodig’ lage en harde bassen te willen verminderen. Het verplicht af-filteren van bepaalde frequenties kan tot gevolg hebben dat bepaalde type evenementen niet in de stad georganiseerd kunnen (of zullen kunnen) worden. Wellicht is een dergelijke maatregel op het nieuw te ontwikkelen evenemententerrein N1, of op andere locaties buiten de stad, niet strikt nodig, waardoor op die locatie(s) een bredere programmering plaats kan vinden.
Naast een eventuele afbreuk aan de artistieke uiting en de muziekbeleving, speelt er nog een aantal technische discussies over het af-filteren onder bepaalde frequenties:
Onder welke frequentie: Een reeds vaak genoemde frequentie waaronder af-gefilterd kan worden is 40 Hz. Bij het overgrote deel van concerten en festivals zijn de frequenties onder de 40 Hz niet strikt nodig voor een kwalitatief goede beleving van de muziek. Een belangrijk verschil in de praktische formulering is: ’40 Hz en lager’ of ‘onder de 40 Hz’ hetgeen betekent dat het geluidniveau in de 40 Hz zelf respectievelijk wel of niet verlaagd wordt.
De Expertgroep is van mening dat bij evenementen binnen de stedelijke omgeving frequenties onder de 40 Hz in bepaalde mate af-gefilterd kunnen worden. Het af-filteren van hogere frequenties zou voor kleinere evenementen waarbij muziekgeluid een minder grote rol speelt mogelijk zijn.
Het verval: Hoe snel daalt het geluidniveau naarmate de frequentie lager wordt? Dit wordt ook wel de ‘stijlheid’ van het filter genoemd. De technisch realistische uitvoering verschilt per geluidinstallatie en type filter dat wordt toegepast (of toegepast kan worden). De Expertgroep heeft gezocht naar een verval waarvan geacht wordt dat dit breed inzetbaar is, en is gekomen tot de volgende formulering:
Let op: Dit is een doelmaatregel. Oftewel, het maakt niet uit hóe het beoogde resultaat technisch bereikt wordt, maar dát het bereikt wordt!
De geluidoverdracht vanaf de bron (de speakers) naar de omliggende woningen kan worden beperkt door afscherming. Hiervoor dient ten minste de zichtlijn tussen de bron en de ontvanger te worden doorbroken. Daarnaast dient de afschermende constructie een zekere isolerende en absorberende eigenschap te bevatten. En als laatste dient de afschermende constructie dermate groot te zijn dat het geluid dat om de afscherming heen gaat (wat altijd het geval is) het effect van de afscherming niet tenietdoet.
In de regel geldt: hoe dichter de afschermende constructie bij de bron staat, hoe hoger de afschermende werking, en: hoe verder weg de woningen, hoe lager de afschermende werking. Tevens is een massa nodig van ten minste circa 10 kg/m2 om enige afscherming te creëren in de lage frequenties. De combinatie van massa en absorptie verhoogt het effect van de afscherming. Afscherming kan onder andere worden bereikt met behulp van: (zee)containers, baffles zoals TexLnt of Wentex, geluidschermen, houten beplating, verzwaarde zeilen. Maar ook bijvoorbeeld een grote vrachtwagen kan soms effectief worden ingezet als tijdelijk geluidscherm.
Niet op alle locaties is afscherming mogelijk en/of effectief. Op een zachte bodem, zoals in parken, is het plaatsen van grote zware constructies niet mogelijk. Bij zeer grote stages met grote gevlogen speakers/ linearrayss zouden de schermen dermate groot gedimensioneerd moeten worden met zeer hoge kosten tot gevolg, dat dit financieel niet haalbaar geacht kan worden.
Het is zodoende niet mogelijk eenduidige maatregelen te formuleren voor alle evenementen. In het akoestisch onderzoek dient te worden berekend en beoordeeld welke maatregelen effectief en mogelijk zijn. Hieronder volgt een mogelijkheid waarmee afscherming gerealiseerd kan worden.
De Stedelijke Expertgroep Geluid zal ontwikkelingen en innovaties in de markt die een bijdrage zouden kunnen leveren aan het reduceren van geluidhinder rondom evenementen goed in de gaten houden. In deze editie van de BBT-Lijst zijn nog geen innovaties opgenomen. Voor de volgende BBT-Lijst staat dit wel op het programma, met als doel organisatoren, leveranciers en producenten te prikkelen met innoverende ideeën te komen die de geluidbeleving voor het publiek optimaliseren en de mogelijke overlast in de omgeving te minimaliseren.
In het najaar van 2017 wordt door de Stedelijke Expertgroep Geluid een test- en demonstratiedag georganiseerd waarop makers en leveranciers van audiosystemen worden uitgenodigd hun apparatuur te laten meten op reducerende prestaties. Een belangrijk onderdeel van die dag is ook het delen van informatie over hoe een FoH-systeem het beste ingeregeld kan worden.
In dit hoofdstuk wordt per categorie evenement een overzicht gegeven van de maatregelen die ten minste getroffen moeten worden om het geluid in de omgeving van een evenement zo veel mogelijk te beperken.
De BBT-maatregelen zoals omschreven bij categorie I gelden ook voor categorie II en III, met de volgende aanvulling:
Het equivalente geluidniveau ter plaatse van het publiek wordt zo laag als redelijkerwijs mogelijk gehouden en bedraagt sowieso nooit meer dan 95 dB(A) en 105 dB(C), gemeten over 15 minuten op maximaal 25 meter FoH (als het FoH-gebied kleiner is dan 25 meter geldt deze waarde aan het einde van het FoHgebied).
De omschreven BBT-maatregelen worden verwerkt in het akoestisch onderzoek of het geluidplan dat bij de aanvraag of melding wordt ingediend. De wijze waarop BBT berekend en inzichtelijk gemaakt moet worden is omschreven in het ‘Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in de Stad’ van de gemeente Amsterdam.
Om direct voorafgaand aan of tijdens een evenement te kunnen controleren of de juiste BBT-maatregelen zijn getroffen is een eerste checklist gemaakt die door de betreffende inspecteur van de gemeente Amsterdam wordt gecontroleerd. De checklist wordt tijdens het komende evenementenseizoen verder ontwikkeld, in samenwerking met vergunningverleners en handhavers.
Een belangrijk aspect hierbij is het vergroten van het kennisniveau van vergunningverleners en toezichthouders (en zoals eerder gezegd geluidtechnici). Bij de geluidcursussen en –trainingen zal hier aandacht aan besteed moeten worden.
Bijlage III: Bijgesteld meetprotocol straatfeesten met muziek Evenementengeluid in Amsterdam
Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied
Stedelijk Evenementenbureau Amsterdam
Mede naar aanleiding van de casus Sluis- en Bruggenfeest in Weesp heeft de expertgroep Geluid bij evenementen zich gebogen over de vraag in hoeverre het huidige geluidbeleid voor evenementen werkbaar is voor muziekevenementen in straten of op pleinen met woonbebouwing in de directe nabijheid. Deze evenementen hebben veelal het karakter van een straatfeest. De geluidbelasting daarvan kan voor direct omwonenden hoog zijn of in ieder geval als zodanig worden ervaren.
Verreweg de meeste van vergunningen voor muziekevenementen in deze categorie, vinden plaats als onderdeel van een groter geheel en/of zijn jaarlijks terugkerend en zijn deel geworden van een traditie (Koningsdag, straatfeesten Pride, Sluis en bruggenfeest). Er zijn ook gevallen waarin het gaat om een eenmalig evenement, inschatting is dat het jaarlijks een tiental incidentele aanvragen betreft. Het gaat hier nadrukkelijk niet om straatbuurtfeesten georganiseerd door de bewoners zelf, maar om feesten georganiseerd door een professionele partij in een straat en/of op een plein met woningen in de directe omgeving waarbij het ten gehore brengen van muziek het primaire doel is.
De expertgroep ziet drie knelpunten.
Ten eerste is de omgevingsnorm van maximaal 85 dB(C) uit het vigerende geluidbeleid verre van realistisch bij deze straatfeesten. Hanteer je deze maximale waarde op de gevel van geluidsgevoelige woningen, dan zal in het publieksgebied de muziek enkel als achtergrondmuziek een rol kunnen spelen. In het huidige geluidbeleid is om die reden ook de mogelijkheid opgenomen bij de feesten “met een hoog maatschappelijk belang”, waar nodig, de omgevingsnorm te verhogen tot maximaal 95 dB(C). Het Sluis en Bruggenfeest heeft de deze status “hoog maatschappelijk belang”, echter, wat we zien is dat zelfs de gevelwaarde van 95 dB(C) voor een beperkt aantal woningen niet haalbaar is (vergelijk de onderzoeken van Event Acoustics 2023-2024).
Het Sluis- en Bruggenfeest is naar verwachting van de expertgroep hierin niet uniek. Er zijn bij de jaarlijkse vieringen van Koningsdag of bij de straatfeesten van de Pride ook plekken waar de geluidbelasting op dichtstbijzijnde woningen in de praktijk waarschijnlijk hoger uitpakt dan de voorgeschreven maximale 95 dB(C), simpelweg omdat de woningen direct grenzen aan het publieksgebied en/of podium (vergelijk bijvoorbeeld plekken op de Zeedijk).
Een tweede knelpunt is de werking van de zogenoemde Best Beschikbare Technieken (BBT maatregelen). De inzet van BBT heeft tot doel de geluidsoverdracht naar de omgeving waar mogelijk te beperken. Bij de straatfeesten met muziek is de potentiële werking van BBT beperkt vanwege de korte afstanden tot de gevels. In sommige gevallen zelfs nihil. Gevolg is dat in de andere pijler van het geluidbeleid, namelijk alles doen om waar mogelijk de overlast te beperken, met deze maatregelen bij deze straatfeesten niet zo heel veel te bereiken valt. Niet niks, maar de effectiviteit zal beperkt zijn, zo is de inschatting van de expertgroep.
Tenslotte ziet de expertgroep dat in de praktijk het geluidtoezicht bij deze evenementen en het handhaven op de omgevingsnorm moeilijk uitvoerbaar is. Bij de bron omdat vaak midden tussen het publiek gemeten moet worden; bij de geluidgevoelige bestemmingen omdat die bij dit soort locaties die vaak moeilijk bereikbaar zijn om er te kunnen meten. Bovendien gaat het om momentopnames, hetgeen, anders dan bij continu monitoring, weinig zicht geeft op wat er over tijd gebeurt. Anders dan bij de grootschalige muziekevenementen, is continue monitoring niet verplicht voorgeschreven.
Al met al ontbreekt het in veel gevallen daarom aan systematisch inzicht in wat de daadwerkelijke geluidbelasting op geluidgevoelige bestemmingen in de omgeving en bij het publiek is.
Gegeven is dat bij de straatfeesten met muziek op de woningen die direct grenzen aan het publieksgebied, of in de nabijheid daarvan, de geluidbelasting fors kan zijn. In de woningen zal de muziek hoorbaar zijn of is de dreun nadrukkelijk aanwezig. Bewoners ervaren een hoge mate van hinder. Hinder heeft een directe relatie met het hoorbare volume, met de hoorbare basdreun, met het effect die het heeft op de spraakverstaanbaarheid en/of met eventuele slaapverstoring. Hinder heeft ook een relatie met persoonlijke drijfveren. Geluiden die als onprettig, onnodig of onveilig worden ervaren door de ontvanger hebben sneller een hinderlijk karakter. Mensen willen graag controle over geluid in hun omgeving. Als dat niet het geval is, heeft dat invloed op hun gedrag. Gerichte informatie, preventie en interventie kunnen bijvoorbeeld helpen de hinder van ongewenste geluiden te beperken.
Bij deze categorie evenementen is de eerstelijnsbebouwing vaak direct grenzend aan het publieksgebied. Dit betreft een beperkt aantal woningen. Door deze ligging worden de gevels van deze eerstelijnsbebouwing zwaarder belast dan gebruikelijk wordt vergund binnen het huidige evenementenbeleid. Daar staat echter tegenover dat als gevolg van deze krappere locaties tussen bebouwing er ook een natuurlijke afscherming van het geluid is door die eerste bebouwingslijn. De reikwijdte van het geluid naar de wijdere omgeving wordt daarmee sterk verminderd. Bij deze categorie minder grootschalige muziekevenementen zal daardoor de grote impact van het veroorzaakte geluid zich tot een kleinere groep omwonenden beperken dan de grote muziekevenementen/festivals. Dit is een belangrijk onderdeel binnen de beleidsmatige afwegingen die gemaakt kunnen worden.
Voor de expertgroep is en blijft het doel van het geluidbeleid voor evenementen:
De expertgroep adviseert aan het vigerende geluidbeleid voor evenementen (vastgelegd in de beleidsregel Geluid bij evenementen) een addendum toe te voegen, specifiek voor de categorie Straatfeesten met muziek.
De scope kan worden afgebakend door twee elementen:
Norm in publieksgebied in plaats van omgevingsnorm
De expertgroep adviseert bij straatfeesten met muziek passend binnen de genoemde scope de gevelnorm in te wisselen voor een norm per podium of area van maximaal 105 dB(C) in het publieksgebied op 15 meter van het podium. Is de afstand tussen een zijde van een podium en dichtstbijzijnde gevel kleiner dan 25 meter1, dan geldt deze normering op 15 meter. Ligt de gevel op een afstand van 15 meter of minder dan blijft de maximale waarde van 105 dB(C) - ongeacht waar de gevel begint - op 15 meter/ einde publieksgebied gelden.
Dit volume in het publieksgebied beschouwt de expertgroep als een ondergrens. Een lager geluidsniveau gaat ten koste van de muziekbeleving die nodig is voor een muziekevenement. Met 95 dB(A) – 105 dB(C), wat heden ten dage naar het oordeel van de expertgroep moet worden beschouwd als minimale hoeveelheid bassen voor muziekevenementen, zouden de straatfeesten met muziek uit de voeten moeten kunnen.
De “strengheid” in het advies zit wat de expertgroep betreft op de productie van bastonen. Met name bij dance evenementen heersen in het publieksvlak vaak bastonen van 110-115 dB(C). De expertgroep acht dergelijke bastonen in deze situaties – op kortere afstand tot woningen - niet aanvaardbaar en deze basniveaus passen bovendien ook niet bij het karakter van dergelijke straatfeesten, vandaar het maximum van 105 dB(C).
Met deze keuze blijft er bovendien sprake van consistentie in het beleid, temeer omdat deze norm in het publieksgebied al onderdeel is van het bestaande rekenvoorschrift. In het vigerende geluidbeleid voor (kleinschalige) muziekevenementen (van categorie II en III) is het geluidniveau in het publieksgebied genormeerd op maximaal 95 dB(A) en 105 dB(C) op 25 meter van het podium. Dit correspondeert met de richtlijn samengestelde bronvermogens voor Klein FoH-systeem in tabel 4.1 van het Meet- en rekenprotocol Evenementengeluid in Amsterdam en is opgenomen in het aanvullende BBT-maatregel voor deze twee categorieën.
Akoestisch onderzoek en locatieprofiel voor jaarlijks terugkerende straatfeesten
De expertgroep adviseert verder om voor de locaties waar deze straatfeesten jaarlijks terugkerend plaatsvinden, een locatieprofiel op te stellen. Daarbij hoort dat er goed wordt gekeken naar de optimale geluidproductie vanuit het oogpunt van overlast voor de omgeving en de mogelijkheden om effectief BBT in te zetten. De uitkomsten van dit akoestisch onderzoek worden vastgelegd in het locatieprofiel en zijn daarbij ook richtinggevend voor de vergunningverlening en de vertaling daarvan in geluidvoorschriften. Op deze wijze blijft geborgd dat, waar zinvol mogelijk, onnodige geluidsoverlast wordt tegengegaan. Voor het overige geldt dat bij de vergunningaanvraag een zogenoemd “eenvoudig geluidplan volstaat (dus zonder akoestisch onderzoek).
Restrictieve lijn voor incidentele “straatfeesten”
Bij incidentele aanvragen voor straatfeesten met muziek, past, gelet op de forse geluidbelasting voor de omgeving, wat de expertgroep betreft in het algemeen een “restrictieve” lijn. Die lijn zou kunnen zijn:
Verplichting tot continue geluidsmonitoring
Voorts is het advies, anders dan nu is voorgeschreven voor kleinschalige muziekevenementen (tot 15oo bezoekers) bij straatfeesten met muziek continue geluidsmonitoring op de norm in het publieksgebied verplicht te stellen. Dit draagt naar de mening van de expertgroep in belangrijke mate bij aan de geluidbeheersing voor diegene die het maakt, en ook voor toezicht en handhaving door de gemeente, niet alleen tijdens, maar ook achteraf. Vergelijk dit met de invoering van (geluid) “trajectcontrole” in plaats van mobiele flitspalen.
Bovendien biedt het de mogelijkheid omwonenden mee te laten kijken op hoe hard het volume staat hetgeen naar verwachting positief zou kunnen bijdragen aan de overlastbeleving. De expertgroep adviseert met dit laatste te gaan experimenteren om deze verwachting te staven met praktijkvoorbeelden.
Ten aanzien van de meettijd adviseert de expertgroep een voortschrijdend gemiddelde over 5 minuten te hanteren. Dit is anders dan de 3 minuten die wordt gehanteerd bij de grootschalige muziekevenementen voor de naleving van omgevingsnorm, en óók anders dan 15 minuten die wordt gehanteerd als meettijd voor de naleving van de norm van 100 dB(A ) in het publieksgebied - deze laatste blijft overigens vanuit het oogpunt van gehoorbescherming gelden.
Doorslaggevend in de keuze voor 5 minuten is dat deze meettijd duidelijk hanteerbaarder wordt gelet op het muzikale karakter van de straatfeesten. Analyse leert dat als gevolg daarvan het geluid maximaal 1-1,5 dB hoger is dan met een meettijd van 3 minuten. In opinie van de expertgroep gaat dit verschil voor gehinderden niet leiden tot een andere beleving van de geluidoverlast en weegt het ook niet op tegen het argument van hanteerbaarheid in de uitvoering.
Om de “trajectcontrole” (permanente monitoring) optimaal te kunnen inzetten voor gemeente T&H zou het gebruik daarvan beter moeten worden geborgd in het meetprotocol. In de bijlage is de aanpassing in het meetprotocol bijgevoegd.
Een ander punt is dat de expertgroep zich terdege bewust is van dat de geluidhinder van straatfeesten met muziek voor omwonenden hoog kan zijn. Nader onderzoek naar wat daarin de bepalende factoren voor de hinderbeleving van omwonenden zijn zou kunnen helpen om andere beleid opties te overwegen die kunnen bijdragen tot de reductie van de ervaren hinder.
De expertgroep schat in dat implementatie van dit beleid voor de categorie straatfeesten met muziek in 2025 haalbaar zou moeten zijn qua uitvoerbaarheid. In eerste aanvang kan dit als pilot. Het verdient ook aanbeveling na een jaar te bezien hoe het in de praktijk heeft gewerkt en te kijken naar eventuele verbeterpunten met het oog op definitieve invoering in 2026/ 2027.
Expertgroep Geluid bij evenementen, februari2025.
Samenstelling Expertgroep Geluid
De expertgroep Geluid is ingesteld met als opdracht jaarlijks te bezien of de BBT lijst bijstelling behoeft. Dit heeft in de afgelopen jaren tweemaal tot bijstelling aanleiding gegeven. De laatste bijstelling vond plaats in 2022.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-106532.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.