Gemeenteblad van Leiden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 105099 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leiden | Gemeenteblad 2026, 105099 | beleidsregel |
Beleidsregels toezicht en handhaving Wmo en Jeugdwet Leiden 2026
Detailcontrole: verdieping binnen materiele controle bij twijfel of risico, bijvoorbeeld inzage in cliëntdossiers of controle op individuele casussen. De detailcontrole komt voort naar aanleiding van een signaal. Dit resulteert in een specifieke risicoanalyse en een specifiek controleplan dat leidt tot een detailcontrole.
Fraudeonderzoek: onderzoek of er sprake is van opzettelijke misleiding, bijvoorbeeld door valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering (trachten te) plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
Jaarrapportage: Jaarlijks stellen de toezichthouders een rapportage op van de werkzaamheden van de toezichthouder. In het verslag worden voorstellen en aanbevelingen gedaan ter verbetering van de kwaliteit, doelmatigheid en/of rechtmatigheid. Ook kunnen voorstellen worden gedaan ten aanzien van het prioriteringsbeleid en/of thematisch (proactief) onderzoek;
Specifieke risicoanalyse: deze analyse komt naar aanleiding van signalen uit de materiele controle en andere signalen. De specifieke risicoanalyse richt zich op een specifiek proces of transactie, leidt tot een specifiek controleplan en een detailcontrole. Waar nodig volgt hierop een fraudeonderzoek.
Artikel 2. Reikwijdte en relatie met andere regelgeving
Deze beleidsregel is van toepassing op het toezicht op en handhaven van de voorschriften die zijn gesteld bij of krachtens de wet of verordening Jeugdhulp Leiden 2022 of verordening maatschappelijke ondersteuning Leiden 2020, danwel de opvolgende edities, met betrekking tot de kwaliteit (Wmo 2015, verordening Jeugdhulp) en rechtmatigheid (Wmo 2015, Jeugdwet en Regeling Jeugdwet) van voorzieningen.
Artikel 7. Aanleiding materiële controle
Het college kan een materiële controle (laten) inzetten naar aanleiding van:
Artikel 8. Algemene risicoanalyse
Het college laat een algemene risicoanalyse uitvoeren op basis van de gegevens waarover zij in verband met de uitvoering van de Jeugdwet beschikt, zoals gegevens die zijn ontleend aan de administratie, verkregen signalen en/of meldingen over (vermoedens) van onrechtmatigheden. De criteria voor de algemene risicoanalyse staan vermeld in het materieel controleplan Jeugd.
Artikel 9. Materieel controledoel
Het materieel controledoel is om met 95 procent zekerheid te kunnen zeggen dat er geen sprake is van (substantiële) onrechtmatigheid en ondoelmatigheid in de gedeclareerde zorgverlening, waarbij wordt nagegaan of de door de zorgaanbieder in rekening gebrachte prestatie:
Artikel 10. Materieel controleobject en controlemethoden
De materiële controle van de in het tweede lid genoemde risico’s richt zich op alle door haar gecontracteerde aanbieders en alle door hen geleverde en gedeclareerde zorgprestaties. Daarnaast kan de materiele controle zich richten op zorg die is ingekocht door budgethouders door middel van een persoonsgebonden budget (pgb).
Het college voert een detailcontrole volgens artikel 6b.5 van de Regeling Jeugdwet uit wanneer uit de materiële controle voortgekomen bevindingen tot de conclusie leiden dat het controledoel nog niet behaald is en dat meer informatie, zoals het opvragen van aanvullende persoonsgegevens bij de aanbieder nodig is.
Artikel 12. Aanleiding detailcontrole
Het college kan een detailcontrole (laten) inzetten naar aanleiding van:
Een onderzoek waarbij het college of een door het college aangewezen persoon nagaat of degene die bij de gemeente een bedrag, als bedoeld in artikel 6a.1 van de Regeling Jeugdwet, in rekening brengt, valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering pleegt of tracht te plegen ten nadele van de gemeente, met het doel een betaling of een ander voordeel te verkrijgen waarop hij geen recht heeft of kan hebben.
Artikel 14. Aanleiding fraudeonderzoek
Het college kan een fraudeonderzoek (laten) inzetten naar aanleiding van:
Artikel 15. Bepalen gevolgen van controle uitkomsten
Zodra een controle of onderzoek is afgerond en tekortkomingen zijn vastgesteld, wordt er een handhavingsadvies opgesteld n.a.v. de controle (als bedoeld in Hoofdstuk 4).
Hoofdstuk 3 Openbaarmaking toezichtrapporten
Artikel 18. Actieve openbaarmaking toezichtrapporten
Het uitgangspunt is dat elk toezichtrapport, zowel gericht op kwaliteit als op rechtmatigheid, actief openbaar wordt gemaakt op de website https://leidse-regio.nl. Ook jaarrapportages worden openbaar gemaakt op deze website.
Artikel 19. Zienswijzen en proces van openbaarmaking
Bij het beschikbaar stellen van het concept toezichtrapport aan belanghebbenden, worden zij in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na ontvangst van het concept toezichtrapport een zienswijze in te dienen. In deze zienswijze kunnen belanghebbenden ook een reactie geven op feitelijke onjuistheden, onvolledigheden en op de inhoud. Daarnaast worden zij geïnformeerd over het voornemen tot actieve openbaarmaking van het toezichtrapport.
Artikel 20. Soorten (handhavings-)maatregelen
Artikel 21. Informele (handhavings-)maatregelen
Naar aanleiding van een toezichtrapport kan het college een aanbieder verzoeken om een verbeterplan op te stellen. Dit verbeterplan moet in beginsel binnen twee weken na het verzoek aan het college worden verzonden, maar kan in redelijkheid worden verkort of verlengd. In het verbeterplan staat:
Artikel 24. Verscherpt toezicht
De aanbieder is gehouden gedurende de periode van het verscherpt toezicht het college op de hoogte te brengen en te houden van de vorderingen met een resultaatrapportage. De rapportage bevat per constatering in het plan van aanpak de vorderingen en de verwachtingen. Het college beoordeelt de rapportage.
Artikel 25. Privaatrechtelijke maatregelen
Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om een civiele procedure aan te spannen om privaatrechtelijke maatregelen af te dwingen als de zorgaanbieder niet voldoet aan de overeengekomen herstelmaatregelen of schadevergoeding. Het opstarten van een civiele procedure kan via een rechtsvordering bij de civiele rechter die het geschil zal beoordelen en een bindende uitspraak zal doen. Voorbeelden van maatregelen door middel van een civiele procedure zijn:
Artikel 27. Heroverweging maatregelen
In het geval een aanbieder een verzoek doet tot heroverweging van een in rechte vaststaand besluit, waarbij de samenwerking is uitgesloten, kan het college de voorwaarde stellen dat het verzoek wordt ondersteund door een audit waaruit blijkt dat de aanbieder voldoet aan de gestelde eisen. De audit is opgesteld door een onafhankelijk auditor die is geaccrediteerd door de Raad voor Accreditatie.
Leiden, 10 februari 2026
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris,
de (loco)burgemeester,
Algemene en artikelsgewijze toelichting
De gemeente Leiden vindt het belangrijk om juist en zorgvuldig om te gaan met (privacy)gevoelige informatie en wil transparant zijn wat betreft de wijze van uitvoering en maken van afwegingen in het kader van toezicht en handhaving. Dit draagt niet alleen bij aan een professionalisering van het toezicht, maar ook aan de uniformiteit en transparantie. Daarnaast kan duidelijkheid over toezicht en handhaving ook het draagvlak daarvoor vergroten bij aanbieders en inwoners.
Deze beleidsregel heeft betrekking op voorzieningen die op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet en de desbetreffende lokale verordeningen worden verstrekt en ziet zowel toe op de levering daarvan in zorg in natura als in een persoonsgebonden budget. Het kwaliteitstoezicht ziet toe op de geboden kwaliteit van de voorziening en het naleven van voorschriften en afspraken. Rechtmatigheidstoezicht is gericht op de vraag of de beschikbaar gestelde financiële middelen zijn ingezet voor het beoogde doel en ook als zodanig verantwoord zijn. Er is regelmatig overlap tussen kwaliteits- en rechtmatigheidstoezicht. Het kan daarnaast voorkomen dat kwaliteitstoezicht aanwijzingen oplevert om een rechtmatigheidsonderzoek te starten of andersom.
Artikel 3 Soorten kwaliteitsonderzoek
De toezichthouders kwaliteit (Hecht) houdt toezicht op de naleving van kwaliteitseisen door Wmo-aanbieders, in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving, gemeentelijke verordeningen, en contractuele eisen. Deze vorm van toezicht is gericht op het identificeren en adresseren van kwaliteitsgebreken, die vaak resulteren uit onvoldoende naleving van de gestelde normen en met regelmaat ook onrechtmatigheden veroorzaken. Voor de Jeugdwet is de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) verantwoordelijk voor toezicht op de wettelijke kwaliteitseisen. De IGJ houdt geen toezicht op lokaal afgesproken kwaliteitseisen (zoals opgenomen in de contracten). Bij signalen van kwaliteitsproblemen wordt overwogen om de IGJ in te schakelen of de melder door te verwijzen.
Vormen van Kwaliteitstoezicht:
Signaalgestuurd (reactief) toezicht: Ingezet bij specifieke signalen van kwaliteitsgebreken. Dit toezicht richt zich op het vaststellen van de aanwezigheid en de omvang van gemelde gebreken en beoogt de aanbieder te stimuleren tot kwaliteitsverbetering.
Proactief toezicht (risicogestuurd en/of thematisch): Gericht op het vroegtijdig signaleren van knelpunten die risico's kunnen vormen voor cliënten. De colleges en toezichthouders selecteren en prioriteren de te controleren aanbieders en locaties op basis van risicoanalyses.
Calamiteitentoezicht: Reactief toezicht naar aanleiding van calamiteiten en geweldsincidenten onder de Wmo. De aanbieders zijn verplicht deze te melden en zelf een onderzoek te initiëren. De toezichthouder heeft hierbij een monitorende en adviserende rol, en beoordeelt de adequaatheid van de ondernomen verbetermaatregelen.
Artikel 4 Soorten rechtmatigheidscontroles
Deze vorm van toezicht is specifiek gericht op de vraag of de geleverde en gedeclareerde zorg overeenstemt met de indicaties. Het rechtmatigheidstoezicht is onder te verdelen in twee vormen. Een signaalgestuurd onderzoek wordt gestart naar aanleiding van signalen van onrechtmatigheden. Daarnaast worden er preventieve onderzoeken (proactief) uitgevoerd.
Dit artikel beschrijft de verschillende vormen van controles en onderzoeken die kunnen worden uitgevoerd bij aanbieders. Het getrapte proces van controle zoals voorgeschreven in paragraaf 6b van de Regeling Jeugdwet wordt hier verduidelijkt.
Deze geordende structuur van controles en onderzoeken waarborgt een grondige en systematische evaluatie van de juistheid en rechtmatigheid van declaraties en handelingen onder de Jeugdwet, waarbij het college verantwoordelijk is voor de uitvoering en handhaving van deze processen.
Bij alle vormen van toezicht zijn de principes van proportionaliteit en subsidiariteit leidend. Deze vereisen dat de inzet van middelen en de gevraagde inspanningen proportioneel moeten zijn ten opzichte van het controledoel, en dat altijd het minst ingrijpende middel moet worden ingezet dat nog steeds effectief is, vooral waar het de verwerking van persoonsgegevens betreft.
Artikel 6 en 7. Aanleiding controledoel en materieel controledoel
Een algemeen materieel controleplan moet door het college worden vastgesteld. Het treedt pas in werking nadat het bekend is gemaakt via officiëlebekendmakingen.nl. Een algemeen materieel controleplan is een document waarin wordt vastgelegd hoe, wanneer en door wie materiële controles worden uitgevoerd binnen een organisatie of bij een toezichthoudende instantie.
Bij de controle als bedoeld in artikel 6, betrekt het college in ieder geval de volgende vragen:
In de fase van deze algemene materiële controle komen alleen die methoden in aanmerking, die het college kan toepassen zonder daarbij te zijn aangewezen op de medewerking van de aanbieder bij de verwerking van persoonsgegevens betreffende de gezondheid. Het gaat hier zowel om het uitvoeren van (geautomatiseerde) data-analyses, statistische analyses en logica- en verbandcontroles, die het college op basis van de eigen administratie en de daarin opgenomen persoonsgegevens zelfstandig kan verrichten, als om de beoordeling van door aanbieders overgelegde controleverklaringen (van de onafhankelijke externe accountant) en, indien aanwezig, bestuursverklaringen en verklaringen betreffende de administratieve organisatie en interne controle (AO/IC-verklaringen) alsmede de financiële productieverantwoording volgens het accountantsprotocol. Ook andere informatie (geen persoonsgegevens) die – bijvoorbeeld naar aanleiding van een concreet signaal – desgevraagd door de aanbieder aan het college is verstrekt, en signalen van de jeugdige of zijn ouders, vallen onder deze categorie.
Artikel 8. Algemene risicoanalyse
Bij de algemene risicoanalyse wordt gekeken naar de volgende risico’s:
De hierboven genoemde risico’s gelden zowel voor zorg in natura als voor persoonsgebonden budgetten (pgb’s). Bij pgb’s wordt in het bijzonder gekeken naar:
Artikel 9 en 10. Controle object en controlemethoden en gegevensgebruik
Ten behoeve van een materiële controle kan het nodig zijn dat het college persoonsgegevens over de gezondheid moet verwerken. Gelet op het belang van de persoonlijke levenssfeer van burgers stelt de genoemde regelgeving daarbij wel de eis dat het noodzakelijk is de bedoelde persoonsgegevens te verwerken omdat het met materiële controle gediende doel niet kan worden bereikt op een wijze die de privacy van de cliënt minder belast (proportionaliteit).
Uitgangspunt voor controles is dat de onderzochte declaratie(s) en geleverde zorgprestaties beoordeeld kunnen worden als (deels) rechtmatig of doelmatig dan wel (deels) onrechtmatig of ondoelmatig.
Bij de uitvoering van het onderzoek worden in eerste instantie algemene controlemiddelen ingezet. Wanneer geen zekerheid gegeven kan worden over de onderzochte declaratie(s) dan zullen zwaardere en/of meer ingrijpende controle-instrumenten ingezet worden. Voor deze werkwijze wordt gekozen in het kader van subsidiair en proportioneel werken.
Artikel 11 en 12. Detailcontrole en aanleiding
Een detailcontrole kan onderdeel zijn van het toezichtproces dat de gemeente uitvoert op basis van artikel 6b.5 van de Regeling Jeugdwet. Het doel van een detailcontrole is om diepgaander inzicht te verkrijgen in situaties waarin de materiële controle onvoldoende zekerheid biedt over de rechtmatigheid en doelmatigheid van de geleverde en gedeclareerde zorgprestaties. Deze vorm van controle wordt ingezet wanneer er aanwijzingen zijn dat er mogelijk meer speelt dan uit de initiële controles blijkt.
De gemeente voert detailcontroles uit naar aanleiding van signalen over tekortkomingen in de zorglevering of bevindingen uit de materiële controle die niet volstaan om het controledoel te bereiken. Dit betekent dat aanvullende informatie nodig is, vaak in de vorm van specifieke persoonsgegevens of gedetailleerde documentatie van de zorgaanbieder. Een detailcontrole vindt uitsluitend plaats wanneer er gerede twijfel bestaat over de naleving van de voorschriften die verbonden zijn aan de verstrekte voorziening.
Voorafgaand aan een detailcontrole informeert het college de betreffende aanbieder over de voorgenomen controle en de onderliggende redenen. Dit bevordert transparantie en stelt de aanbieder in staat zich adequaat voor te bereiden. Na afronding van de detailcontrole worden de bevindingen gedeeld met de aanbieder, die vervolgens vier weken de tijd krijgt om hierop te reageren. Deze termijn biedt ruimte om eventuele misverstanden te verhelderen of correcties aan te brengen.
Een detailcontrole mag uitsluitend worden uitgevoerd door het college van burgemeester en wethouders, of door een door het college aangewezen persoon. Als bij de detailcontrole persoonsgegevens van jeugdigen of hun gezaghebbenden worden verwerkt, gelden aanvullende eisen aan de uitvoerder van de controle:
De controle dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een persoon op wie het medisch beroepsgeheim van toepassing is. Dit betreft in de praktijk een BIG-geregistreerde zorgverlener, zoals een arts, psychiater, GZ-psycholoog of verpleegkundige, die op grond van de Wet BIG gehouden is tot geheimhouding.
Een SKJ-geregistreerde professional kan worden aangemerkt als een persoon met geheimhoudingsplicht zoals bedoeld in artikel 7.3.11 van de Jeugdwet, mits hij of zij handelt binnen het kader van jeugdhulpverlening en de verwerking van persoonsgegevens noodzakelijk is voor het uitvoeren van die taak. In dat geval is de SKJ-professional bevoegd om detailcontroles uit te voeren, onder verantwoordelijkheid van het college.
Op verzoek van de aanbieder mag de persoon met geheimhoudingsplicht aanwezig zijn bij het deel van de controle waarbij persoonsgegevens worden ingezien.
Artikel 13 en 14. Fraudeonderzoek en aanleiding
Een fraudeonderzoek is een diepgaand onderzoek naar mogelijke frauduleuze handelingen zoals valsheid in geschrifte, bedrog, benadeling van rechthebbenden of verduistering. Het doel is om vast te stellen of er pogingen zijn ondernomen om ten onrechte betalingen of andere voordelen te verkrijgen van de gemeente. Er wordt een fraudeonderzoek gestart bij verdachte aanwijzingen of vermoedens van fraude, misleiding, misbruik of onterechte verstrekking of als bevindingen uit de materiële controle of de detailcontrole hier aanleiding toe geven.
Artikel 16. Medewerkingsplicht
De medewerkingsplicht heeft betrekking op alle gevallen waarin de betrokkene(n) de uitoefening van een toezichthoudende bevoegdheid moet toestaan (dulden) of daaraan medewerking moet verlenen. Het gaat hier dus zowel om de in de artikelen 5:15 tot en met 5:19 van de Awb vermelde bevoegdheden als om eventuele andere bevoegdheden die bij bijzondere wet zijn verleend. Uit artikel 5:20 van de Awb volgt dat iedereen verplicht is medewerking te verlenen aan de vordering van een toezichthouder. Vorderingen kunnen schriftelijk of mondeling worden gedaan. Als de toezichthouder mondeling om medewerking verzoekt (bijvoorbeeld door het vorderen van inlichtingen of van inzage van boeken en bescheiden), vergewist de toezichthouder zich ervan dat de betrokkene het verzoek heeft verstaan en herhaalt zijn verzoek indien dit niet het geval blijkt te zijn. Als iemand niet bereid is tot medewerking, dan moet de toezichthouder besluiten of zonder deze medewerking beoordeeld kan worden of de aanbieder voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
Artikel 18. Actieve openbaarmaking toezichtrapporten
Het college legt in deze beleidsregel vast dat in beginsel wordt overgegaan tot openbaarmaking van de jaarrapportages en toezichtrapporten. Hiermee komt het college tegemoet aan de toenemende oproep om toezichtrapporten zoveel mogelijk openbaar te maken. Adviezen met betrekking tot eventueel te nemen maatregelen en/of besluiten gericht op handhaving worden niet openbaar gemaakt. Daarnaast wordt een toezichtrapport niet openbaar gemaakt, als het onderzoek een formele controle betreft. Actieve openbaarmaking geschiedt op grond van hoofdstuk 3 van de Wet open overheid (Woo), waarin de inspanningsverplichting is opgenomen. Het college vindt het belangrijk dat het publiek een beeld kan krijgen van toezicht op de kwaliteit en rechtmatigheid van de ondersteuning. In algemene zin weegt dit belang voor het college zwaarder dan mogelijk negatieve economische effecten of reputatieschade van de aanbieder. De aanbieder wordt in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen tegen het voornemen om het toezichtrapport openbaar te maken. Dit is voorgeschreven in artikel 4:8 van de Awb. Het voornemen tot openbaarmaking wordt getoetst aan artikel 5.1 van de Woo. Onder omstandigheden kan ook toetsing aan artikel 8 van het EVRM aan de orde zijn. Het college maakt een afweging tussen het algemeen belang van openbaarmaking tegenover de belangen van de aanbieder en eventueel betrokken belanghebbenden. Toezichtrapporten die openbaar zijn gemaakt, blijven gedurende vijf jaar na publicatie algemeen beschikbaar. De openbaarmaking vindt plaats via publicatie van de documenten op de website van de Leidse regio. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt dat een termijn van openbaarmaking van vijf jaar niet onredelijk is. Voor de duur van de termijn is aansluiting gezocht bij het bepaalde voor openbaarmaking van inspectiegegevens op het terrein van de Jeugdwet. Het college verwijdert de informatie als het overgaat tot intrekking van het besluit tot openbaarmaking en deze intrekking onherroepelijk is geworden. De reden dat wordt gewacht op het onherroepelijk worden van het besluit, is omdat derden bezwaar kunnen maken tegen de intrekking van het besluit tot openbaarmaking. Voorwaarde hierbij is dat zij kunnen worden aangemerkt als belanghebbende bij het betreffende besluit. Op dit punt is aansluiting gezocht bij de regeling voor openbaarmaking van inspectiegegevens op het terrein van de Jeugdwet (zie het ontwerpbesluit Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet). Voor belanghebbende(n) staan alle Awb-rechtsmiddelen open, zoals bezwaar, beroep en hoger beroep tegen het besluit tot openbaarmaking. Dit betekent ook dat als in een beslissing op bezwaar, beroep of hoger beroep is geoordeeld dat de openbaar gemaakte informatie niet openbaar gemaakt had mogen worden, de informatie moet worden verwijderd.
Artikel 19. Proces van openbaarmaking
Bij de vormgeving van dit artikel is aansluiting gezocht bij de regeling voor het openbaar maken van inspectiegegevens op grond van de Jeugdwet (zie het ontwerpbesluit Besluit openbaarmaking toezicht- en uitvoeringsgegevens Gezondheidswet en Jeugdwet). Belanghebbende(n) wordt in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze en/of reactie te geven op het concept toezichtrapport. De termijn kan op verzoek van belanghebbende(n) eenmalig voor de duur van twee weken worden verlengd. De zienswijze en/of reactie dient schriftelijk ingediend te worden bij de toezichthouder. Onderdelen die persoonsgegevens, bedrijfsnamen of bedrijfsgegevens van derden, reclame-uitingen, dan wel strafbare of aanstootgevende teksten bevatten, worden onleesbaar gemaakt door de toezichthouder. Een zienswijze (dit geldt niet voor een reactie) mag maximaal 200 woorden bevatten. Als de zienswijze meer dan 200 woorden bevat, wordt alleen de tekst van woord 1 tot en met woord 200 openbaar gemaakt. Indien gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om een zienswijze en/of reactie te geven, worden deze en de toelichting van de toezichthouder hierop toegevoegd aan het concept toezichtrapport alvorens het rapport definitief wordt gemaakt. Belanghebbende(n) wordt daarna in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken een zienswijze te geven op het voornemen tot openbaarmaking van het definitieve toezichtrapport, alvorens een besluit tot openbaarmaking wordt genomen. Tegen een besluit tot openbaarmaking staat bezwaar en beroep open. Indien sprake is van vervolgmaatregelen, wordt het rapport gepubliceerd zodra een besluit is genomen over de op te leggen maatregelen. Als er binnen twee weken een bezwaar is ingediend, wordt de openbaarmaking opgeschort totdat het bezwaar ongegrond is verklaard.
De termijn voor het indienen van bezwaar is op grond van de Algemene wet bestuursrecht zes weken. Aan die termijn verandert dit artikel niets. Het instellen van bezwaar schort de werking van het besluit niet op. Normaal gesproken zou daarom, om het besluit en de publicatie ervan op te schorten, iemand een voorlopige voorziening moeten vragen bij de rechtbank. Dit levert extra procedures op en dat wil het college voorkomen. Om die reden heeft het college besloten dat een bezwaar dat binnen twee weken is ingediend, leidt tot opschorting van het publiceren van het besluit en rapport. Dit laat onverlet dat de termijn voor het indienen van bezwaar zes weken is.
Voor het publiceren van (het rapport bij) de beslissing op bezwaar geldt dat degene die het betreft dan zowel bij het primaire besluit als bij de beslissing op bezwaar de kans heeft gehad een zienswijze naar voren te brengen, zonder dat dit tot een ander oordeel heeft geleid. In dat geval meent het college dat het belang van publicatie voor gaat op de belangen van degene die het betreft. Daarom wil het college (het rapport bij) de beslissing op bezwaar zo snel mogelijk publiceren. Het college kiest hierbij voor de termijn van een week. Deze week geeft degene die het betreft de mogelijkheid om beroep in te stellen en een voorlopige voorziening bij de rechtbank te vragen en daarmee de mogelijkheid publicatie voorlopig te laten verhinderen.
Artikel 20. Soorten (handhavings)maatregelen
Dit artikel beschrijft de soorten (handhavings)maatregelen die het college kan opleggen als een aanbieder of cliënt niet handelt in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen uit de wet- en regelgeving. Als een aanbieder of cliënt in strijd handelt met de van toepassing zijnde wet- en regelgeving, heeft het college de bevoegdheid om verschillende (handhavings)maatregelen op te leggen. Deze maatregelen kunnen informeel zijn, zoals advies- en stimuleringsmaatregelen, corrigerende maatregelen en waarschuwingen (lid 2 onder a, b en c), of formeel, zoals bestuursrechtelijke maatregelen, privaatrechtelijke maatregelen en strafrechtelijke maatregelen (lid 2 onder d, e en f). Het college streeft ernaar om bij het constateren van een overtreding in de eerste plaats herstel te bevorderen. Dit betekent dat het college er primair op gericht is om de aanbieder of cliënt in de gelegenheid te stellen de overtreding te corrigeren en terug te keren naar een situatie die in overeenstemming is met de wet- en regelgeving.
De volgende (handhavings)maatregelen kunnen door het college worden gehanteerd:
Advies- en stimuleringsmaatregelen: Deze maatregelen zijn gericht op naleving van wet- en regelgeving door de aanbieder en/of client. Dit kan bijvoorbeeld door middel van voorlichting, training of andere ondersteunende acties.
Corrigerende maatregelen: Maatregelen gericht op herstel door bijvoorbeeld het aanpassen van procedures of het terugdraaien van acties die de oorzaak waren van het overtreden van wet- en/of regelgeving.
Waarschuwing: Een waarschuwing is een formele mededeling aan de aanbieder of cliënt waarin wordt vermeld dat er een overtreding is geconstateerd en dat verdere stappen zullen worden ondernomen als de situatie niet wordt verbeterd.
Bestuursrechtelijke maatregelen: Dit zijn formele maatregelen die door het college kunnen worden opgelegd op basis van bestuursrechtelijke bevoegdheden. Voorbeelden hiervan zijn het opleggen van een last onder dwangsom, een bestuurlijke boete, of het intrekken van een vergunning of subsidie.
Privaatrechtelijke maatregelen: Dit betreft maatregelen die voortvloeien uit de contractuele relatie tussen de gemeente en de aanbieder. Voorbeelden zijn het vorderen van schadevergoeding of het ontbinden van een contract.
Strafrecht: In ernstige gevallen kan het college besluiten om aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie die na onderzoek kan besluiten om strafrechtelijke vervolging in te stellen.
Advies- en stimuleringsmaatregelen, corrigerende maatregelen en waarschuwingen (lid 3 onder a, b en c) kunnen worden opgelegd zonder dat er een voorafgaand toezichtrapport is opgesteld. Dit betekent dat het college snel en adequaat kan handelen om kleine overtredingen te corrigeren zonder uitgebreide formele procedures.
Om te bepalen welke maatregel(en) het meest passend is en met welke snelheid gehandeld moet worden, hanteert het college de in paragraaf 4.4. van het Uitvoeringskader toezicht en handhaving Wmo en Jeugdwet beschreven wegingsfactoren:
Ernst van de situatie (groot, gemiddeld, klein): De ernst van de overtreding wordt beoordeeld op basis van de impact en de aard van de overtreding. Een ernstige overtreding kan bijvoorbeeld grote gevolgen hebben voor de kwaliteit van de geboden ondersteuning of kan de veiligheid van cliënten in gevaar brengen. De ernst is ook afhankelijk van het aantal betrokken cliënten.
Kans op herhaling (groot, gemiddeld, klein): Hoe groter de kans op recidive wordt ingeschat, hoe zwaarder de maatregel zal zijn. De recidive wordt onder andere bepaald aan de hand van eerder genomen maatregelen en de mate van verwijtbaarheid.
Door deze factoren mee te wegen, kan het college de meest effectieve en proportionele (handhavings)maatregelen kiezen om de overtreding te corrigeren en verdere overtredingen te voorkomen.
Artikel 21. Informele (handhavings)maatregelen
Het college kan informele (handhavings)maatregelen inzetten als een aanbieder of persoon niet voldoet aan de kwaliteitseisen of onrechtmatig handelt. Deze maatregelen omvatten advies- en stimuleringsmaatregelen, corrigerende maatregelen en waarschuwingen. Informele maatregelen worden ingezet afhankelijk van de ernst van de overtreding en de bereidheid van de aanbieder om de overtreding te beëindigen.
Actieve openbaarmaking van de onderzoeksrapporten is een preventieve maatregel die ook een corrigerend effect kan hebben. Stimulering vindt vooral plaats door verwijzing naar best practices. Algemeen uitgangspunt is dat voor advies- en stimuleringsmaatregelen de risico’s op niet-verantwoorde zorg laag zijn. Bij het opleggen van corrigerende maatregelen is juist het risico op niet-verantwoorde zorg hoger of kan de situatie niet langer voortduren. Corrigerende maatregelen kunnen een opmaat zijn naar een herstellend traject. Bij ernstiger overtredingen kan echter ook direct een herstellend traject worden opgestart.
Het college kan een normoverdragend gesprek of schrijven of een schriftelijke maatregel opleggen als corrigerende maatregel. Een normoverdragend gesprek of schrijven, waarbij de aanbieder aangespoord wordt om de normschending te beëindigen door afspraken te maken over herstel en verbeteringen. In veel gevallen heeft dit al het gewenste effect, waardoor formele maatregelen niet nodig zijn. Een schriftelijke waarschuwing, waarbij het college de aanbieder schriftelijk informeert over de overtreden norm en waarschuwt dat verdere stappen worden ondernomen als de situatie niet wordt verbeterd.
Het college kan een aanbieder verzoeken om een verbeterplan op te stellen. Dit plan moet in beginsel binnen twee weken na het verzoek worden verzonden en bevat hoe de aanbieder de geconstateerde tekortkoming(en) gaat beëindigen. In het verbeterplan moet worden vermeld hoe de aanbieder aan de overtreden norm gaat voldoen, hoe toekomstige overtredingen worden voorkomen en welke activiteiten worden uitgevoerd binnen welk tijdpad. De toezichthouder onderzoekt of het verbeterplan tot voldoende resultaat heeft geleid en of bij onvoldoende resultaat dit verwijtbaar is aan de aanbieder.
Deze maatregelen zijn geen besluiten in de zin van de Awb (ABRvS 2 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1449).
Artikel 23. Bestuursrechtelijke maatregelen
Bij het inzetten van bestuursrechtelijke maatregelen kan het college onder andere een last onder bestuursdwang of een last onder dwangsom opleggen. De last onder dwangsom wordt opgelegd tenzij het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich hiertegen verzet, bijvoorbeeld wanneer de veiligheid van cliënten in gevaar komt. Het college informeert de zorgverlener of persoon over het voornemen om een last onder dwangsom of bestuursdwang op te leggen en geeft de aanbieder de gelegenheid om een zienswijze in te dienen. In het voornemen wordt opgenomen welke overtreding(en) zijn geconstateerd, welke bestuurlijke maatregel het college voornemens is op te leggen, en wat de voorgenomen begunstigingstermijn is voor beëindiging van de overtreding.
Bij een voorgenomen last onder dwangsom wordt ook de hoogte van de dwangsom vermeld, de hoogte hiervan wordt bepaald aan de hand van de aard en ernst van de overtreding.
In het kader van het rechtszekerheidsbeginsel en gelijkheidsbeginsel is het wenselijk dat tegen geconstateerde overtredingen zoveel mogelijk op gelijke wijze handhavend wordt opgetreden.
De bevoegdheid tot handhaving door het opleggen van een last onder dwangsom door het college is afgeleid van de bevoegdheid tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, zoals bepaald in artikel 125 van de Gemeentewet en artikel 5:2, eerste lid van de Awb. Een last onder bestuursdwang kan zowel aan de overtreder als aan de rechthebbende van de zaak worden opgelegd. Bij bestuursdwang wordt de aanbieder in de gelegenheid gesteld om de overtreding binnen een bepaalde termijn te beëindigen. Als dit niet gebeurt, kan het college zelf maatregelen nemen op kosten van de overtreder.
Het college kiest primair voor een last onder dwangsom bij een geconstateerde overtreding, tenzij het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen zich hiertegen verzet, zoals bij acuut gevaar voor de veiligheid van cliënten. Het risico van niet beëindigen ligt bij de overtreder, waardoor de gemeente geen directe kosten hoeft te maken. Hierdoor wordt het risico van een aanzienlijke kostenpost voor de gemeente vermeden, terwijl er toch een financiële prikkel voor de overtreder is om de overtreding te beëindigen.
Bij het opleggen van een sanctie onderscheidt het college drie fasen: de vooraankondiging, het besluit tot het opleggen van een sanctie, en de daadwerkelijke toepassing van bestuursdwang of het verbeuren van een dwangsom als de overtreding niet wordt beëindigd. In spoedeisende situaties kan het college direct (spoed)bestuursdwang toepassen zonder een vooraankondiging of reactie van de overtreder.
Een last onder dwangsom omvat naast de te nemen herstelmaatregelen ook een termijn waarbinnen de overtreder de door het college opgelegde maatregelen kan uitvoeren zonder dat de dwangsom wordt verbeurd (artikel 5:32a, tweede lid van de Awb). Deze termijn wordt een begunstigingstermijn genoemd. De begunstigingstermijn moet voldoende lang zijn om, afhankelijk van de te nemen maatregelen, aan de lastgeving te kunnen voldoen zonder dat een dwangsom wordt verbeurd. De duur van de begunstigingstermijn is afhankelijk van de overtreden norm.
In principe wordt er geen begunstigingstermijn opgelegd bij maatregelen die zijn gericht op het voorkomen van herhaling van een overtreding. Dit volgt uit artikel 5:32a, tweede lid van de Awb en relevante jurisprudentie. Echter, er kunnen zich bijzondere omstandigheden voordoen die een termijnstelling noodzakelijk maken, zelfs bij een lastgeving ter voorkoming van herhaling (zie ABRvS 24 oktober 2002, 2002, 147). De hoofdregel blijft echter dat in dergelijke gevallen geen termijn wordt geboden. Een begunstigingstermijn mag ook niet zo lang zijn dat er in feite sprake is van bestuurlijk gedogen van een overtreding (zie ABRvS 23 maart 2005, 2005 en ABRvS 30 mei 2007, 2007, 218).
Artikel 24. Verscherpt toezicht
Het college verwacht dat een aanbieder gedurende de periode van verscherpt toezicht intensief werkt aan de benodigde verbeteringen. Tijdens deze periode wordt er nauw contact onderhouden met de aanbieder en vinden er regelmatig voortgangsgesprekken plaats. Daarnaast kan er tijdens het verscherpt toezicht een bezoek door de toezichthouder plaatsvinden.
Artikel 26. Zorgcontinuïteit en communicatie
De aanbieder blijft verplicht om gedurende de (handhavings)maatregelen, al dan niet tijdelijk, de ondersteuning of jeugdhulp te blijven leveren om continuïteit voor de cliënt te garanderen. De aanbieder en de cliënt, die door de maatregel worden beïnvloed, worden tijdig op de hoogte gesteld van de toepassing van dit artikel. Hierdoor zijn zij geïnformeerd over de genomen stappen en kunnen zij adequaat reageren op de veranderingen die van invloed zijn op de geboden ondersteuning of jeugdhulp.
Artikel 27. Heroverweging maatregelen
Dit artikel biedt aanbieders de mogelijkheid om een besluit van het college te laten heroverwegen als hen de verzilvering van een persoonsgebonden budget (Pgb) wordt geweigerd of als de samenwerking tijdelijk wordt uitgesloten. Dit artikel stelt een procedure vast waarmee aanbieders een verzoek kunnen indienen om terug te komen op een eerder genomen besluit.
Als het college besluit de verzilvering van een Pgb te weigeren of de samenwerking (tijdelijk) uit te sluiten op grond van artikel 23, heeft de aanbieder het recht om een verzoek in te dienen om dit besluit te heroverwegen. Dit biedt de aanbieder de kans om de situatie opnieuw te laten beoordelen en mogelijke herstelmaatregelen te treffen die kunnen leiden tot herziening van het besluit.
Het college kan als voorwaarde stellen dat dit verzoek wordt ondersteund door een audit. Deze audit moet aantonen dat de aanbieder voldoet aan de gestelde eisen. De audit moet worden uitgevoerd door een onafhankelijke auditor die geaccrediteerd is door de Raad voor Accreditatie. Dit zorgt voor een objectieve en betrouwbare beoordeling van de situatie, wat de geloofwaardigheid en de grondigheid van de audit ten goede komt.
Het is belangrijk op te merken dat de audit niet bindend is voor het college. Dit betekent dat, hoewel de audit een belangrijke rol speelt in het heroverwegingsproces, het college niet verplicht is om de uitkomsten van de audit te accepteren of op basis daarvan het besluit te wijzigen. Het college behoudt de discretionaire bevoegdheid om, op basis van alle beschikbare informatie en in het belang van de cliënten en de kwaliteit van de zorg, een onafhankelijk oordeel te vellen.
Door deze procedure kunnen aanbieders aantonen dat zij de benodigde verbeteringen hebben doorgevoerd en opnieuw in aanmerking komen voor verzilvering van het Pgb of voor samenwerking met het college. Dit artikel biedt een belangrijke waarborg voor aanbieders om hun recht op heroverweging uit te oefenen en bij te dragen aan een transparante en eerlijke handhavingspraktijk.
Artikel 28. Strafrechtelijke aangifte
Het college heeft de mogelijkheid om aangifte te doen bij het Openbaar Ministerie (OM) als er sprake is van een vermoeden van een strafbaar feit. Dit artikel verduidelijkt de verhouding tussen bestuursrechtelijke handhaving en strafrechtelijke vervolging. Wanneer er bij het college een vermoeden ontstaat dat er een strafbaar feit is gepleegd, zoals fraude of andere ernstige overtredingen van de wet- en regelgeving, kan het college aanvullend op andere maatregelen besluiten om dit te melden aan het OM. Het combineren van bestuursrechtelijke en strafrechtelijke handhaving biedt een breed scala aan mogelijkheden om overtredingen effectief aan te pakken en de integriteit van het zorgsysteem te waarborgen.
Deze aanpak zorgt ervoor dat misdrijven, zoals fraude of andere vormen van opzettelijk misbruik, passend worden aangepakt.
De aangifte bij het OM kan leiden tot een strafrechtelijk opsporingsonderzoek onder leiding van de Officier van Justitie. Hierbij wordt onderzocht of er voldoende bewijs is om tot vervolging over te gaan. Een strafrechtelijke aanpak kan noodzakelijk zijn bij ernstige misstanden die niet voldoende kunnen worden aangepakt met alleen bestuursrechtelijke maatregelen. Dit kan onder andere het geval zijn bij opzettelijke en herhaaldelijke fraude, waarbij de reguliere handhavingsinstrumenten niet afschrikwekkend of effectief genoeg zijn.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-105099.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.