Gemeenteblad van Terneuzen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Terneuzen | Gemeenteblad 2026, 104779 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Terneuzen | Gemeenteblad 2026, 104779 | beleidsregel |
Nadere regels jeugdhulp gemeente Terneuzen 2026
De Verordening sociaal domein gemeente Terneuzen 2026 (verder te noemen: de verordening) is op 11 december 2025 vastgesteld. De datum van inwerkingtreding is 1 januari 2026. Deze verordening vormt de basis voor deze nadere regels.
De verordening is een algemeen verbindend voorschrift en is rechtstreeks bindend voor de burger. De Jeugdwet bepaalt dat de gemeente een aantal zaken in de verordening regelt. De verordening bevat een aantal hoofdregels.
Nadere regels zijn algemeen verbindende voorschriften die een uitwerking zijn van de verordening. Het college heeft op grond van de verordening de bevoegdheid om nadere regels vast te stellen. Nadere regels kunnen rechten en plichten bevatten voor inwoners.
Gemeente Terneuzen heeft de uitvoering van de Jeugdwet neergelegd bij aan-z. Bij deze uitvoeringsorganisatie zijn de jeugdconsulenten in dienst, die namens het college aanvragen afhandelen.
Toegang via de gemeente (art. 2.1 van de verordening)
Wordt het verzoek schriftelijk of digitaal ingediend en is dit verzoek voorzien van een naam, dagtekening, een handtekening en van een aanduiding van wat er voor jeugdhulp wordt gevraagd, dan is sprake van een aanvraag als bedoeld in de artikelen 4:1 en 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 2.4.1 van de verordening.
Als een huisarts, medisch specialist of de jeugdarts toegang geeft tot jeugdhulp mengt de gemeente zich niet in het oordeel van de verwijzer over de noodzaak van de jeugdhulp. Het college is verantwoordelijk voor de betaling van de jeugdhulp waarnaar is verwezen en legt de inzet van de jeugdhulp vast in een beschikking. Dit noemen we de leveringsplicht. Er zijn uitzonderingsgevallen waarin de gemeente niet hoeft te voldoen aan de leveringsplicht.
Bij verwijzing naar een niet-gecontracteerde aanbieder moet de jeugdige of ouder(s) altijd een besluit aan de gemeente vragen. Ook als de gemeente geen passende gecontracteerde jeugdhulp kan bieden. De verwijzing van de huisarts naar niet-gecontracteerd aanbod levert namelijk geen rechtstreekse plicht tot betaling op voor de gemeente (zie de uitspraak Rechtbank Oost-Brabant 26-03-2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761).
Als een medisch verwijzer of een aanbieder na een verwijzing beoordeelt welke specifieke vorm van jeugdhulp nodig is en/of wat de omvang en de duur van de jeugdhulp is, houdt hij zich daarbij aan de regels in de verordening, het Zeeuws medisch verwijsprotocol en de afspraken die hij met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de inkoop- of subsidierelatie.
Het college zorgt voor de inzet van jeugdhulp die de GI nodig vindt bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook zorgt het college voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, het Openbaar Ministerie of de directeur of selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting nodig vindt bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
2.2 Aanvraag (art 2.4 van de verordening)
Als de aanvraaggegevens van de jeugdige en of zijn ouder(s) niet compleet zijn, krijgt de jeugdige en of zijn ouder(s) een redelijke hersteltermijn om de gegevens aan te leveren. In het algemeen volstaat een termijn van twee weken als een redelijke termijn om gegevens aan te leveren. Als de gegevens na de hersteltermijn nog niet compleet zijn, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld.
2.3 Het onderzoek (art. 2.2 van de verordening)
In artikel 2.2 van de verordening is bepaald dat de jeugdconsulent in een gesprek met de jeugdige en of zijn ouder(s) onderzoekt wat de hulpvraag is en of het noodzakelijk is hulp in te zetten. De jeugdconsulent onderzoekt wat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zijn van de jeugdige en of zijn ouder(s).
In de Jeugdwet is geregeld dat de jeugdige en zijn ouder(s) de mogelijkheid krijgen samen met familie, vrienden en anderen die tot het sociale netwerk behoren een eigen plan (familiegroepsplan) op te stellen. In dat plan kunnen ouder(s), de jeugdige zelf en/of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, aangeven hoe ze zelf kunnen bijdragen aan het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie.
2.4 Inhoud van het onderzoek (art. 2.2.1 van de verordening)
• Jeugdhulp met verblijf: de gemeente waar de jeugdige volgens de BRP stond ingeschreven voorafgaand aan de verhuizing naar de eerste verblijfsplek is en blijft verantwoordelijk. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor alle jeugdhulp, ook voor de ambulante jeugdhulp die aanvullend op de jeugdhulp met verblijf nodig is.
Deze regels gelden voor jeugdhulp aan jeugdigen jonger dan 18 jaar en voor jeugdhulp aan jeugdigen ouder dan 18 jaar (verlengde jeugdhulp). De woonplaats van de jeugdige in het kader van de Jeugdwet wijzigt als de jeugdige 18 jaar wordt niet meer. Deze regels gelden ook voor jeugdhulp aan ouders. Daarbij kijken we altijd naar de woonplaats van de jeugdige.
c. of de Jeugdwet van toepassing is. De Jeugdwet is van toepassing op in Nederland verblijvende jeugdigen (artikel 1.3 lid 1 Jeugdwet). Voor jeugdigen die duurzaam in het buitenland wonen geldt de Jeugdwet dus niet. Als de jeugdigen alleen tijdelijk in het buitenland verblijven, houden zij aanspraak op jeugdhulp in Nederland (Parket bij de Hoge Raad 18-9-2020, ECLI:NL:PHR:2020:814). Daarnaast kan de Jeugdwet ook gelden voor ouders die hulp nodig hebben bij opvoedingsproblemen.
3. Het college waarborgt dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming via de gemeente zorgvuldig plaatsvindt, in het bijzonder door te voorkomen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp biedt of mogelijk gaat bieden, ook het advies geeft over het al dan niet toekennen van jeugdhulp of het besluit daarover neemt.
2.6 Individuele voorzieningen (art. 2.4.6 van de verordening)
De volgende individuele voorzieningen zijn beschikbaar:
De voorwaarden voor individuele voorzieningen staan in artikel 2.4.6 van de Verordening Sociaal Domein. Het artikel 2.4.9 beschrijft de beoordeling van eigen kracht van een jeugdige en/of het gezin.
2.7 Het verslag (artikel 2.3 van de verordening)
Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek. Binnen tien werkdagen na het gesprek verstrekt het college aan de jeugdige of zijn ouder(s) een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.
Hoofdstuk 3 De vorm van ondersteuning
3.1 Ondersteuning in natura (art. 6.1 van de verordening)
Het pgb en de individuele voorziening in natura zijn gelijkwaardige alternatieven. Uitgangspunt is dat een jeugdige en of zijn ouder(s) een individuele voorziening in natura krijgt. De jeugdige en of zijn ouder(s) kan verzoeken om een pgb. Voldoen zij aan de pgb-voorwaarden, dan moet het college een pgb toekennen (artikel 8.1.1 lid 1 Jeugdwet).
3.2 Pgb-vaardigheid (art. 6.2.1 van de verordening)
In bijlage 3 staan de tien voorwaarden genoemd waaraan getoetst kan worden of iemand pgb-vaardig is.
e. degene die hulp biedt bij het beheer van het pgb heeft geen vaste woon- of verblijfplaats.
3.3 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb
beschikt over een Verklaring Omtrent het Gedrag [of uittreksel strafregister] die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de hulpovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. De ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;
3.5 Pgb bij ondersteuning door professionele hulpverleners (art. 6.2.2 van de verordening)
1. Als in de praktijk blijkt dat een pgb geen gepaste leveringsvorm is voor de jeugdige en of zijn ouder(s) kan de jeugdconsulent zorg in natura als alternatief aanbieden. De jeugdige en of zijn ouder(s) kan één keer per jaar wisselen tussen het pgb en een verstrekking in natura (of andersom).
2. De professionele jeugdhulpverlener:
is geen onderwerp van een onderzoek door het college van de gemeente Terneuzen of de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Tevens mag er geen sprake zijn van een justitiële maatregel. Indien er sprake is van een lopend onderzoek dient toestemming van de gemeente voor het leveren van jeugdhulp te worden overgelegd bij de aanvraag voor het pgb;
3.6 Pgb bij ondersteuning door niet-professionele hulpverleners (art. 6.2.2 van de verordening)
Degene die als niet-professionele hulpverlener hulp biedt aan de jeugdige dient te beschikken over een geldige Verklaring Omtrent Gedrag (VOG). Deze voorwaarde geldt niet voor de ouder(s), maar wel voor meerderjarige broers en zussen, grootouder(s), overige bloed- en aanverwanten en andere personen uit het sociale netwerk van de jeugdige.
3.7 Voorwaarden voor het toekennen van jeugdhulpvervoer
1. Uitgangspunt is dat de jeugdige en/of ouder(s) zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer van de jeugdige naar en van de jeugdhulpaanbieder. Hierbij wordt twee keer brengen en halen per week met een voorziening met een duur van maximaal drie maanden in beginsel beschouwd als behorend tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s).
2. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening aan de jeugdige voor het vervoer van de jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp plaatsvindt.
3. Het college verstrekt alleen een vervoersvoorziening als:
blijkt dat de jeugdige vanwege een medische noodzaak of beperking in de zelfredzaamheid niet zelfstandig kan reizen én de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) ontoereikend zijn om zelf voor het vervoer te (laten) zorgen. Er is geen sprake van een beperking in de zelfredzaamheid als de ouder(s) hun kind vanwege werkverplichtingen niet van en naar de jeugdhulpaanbieder kunnen vervoeren.
4. Bij het beoordelen of er medische noodzaak is kan een medische verklaring opgevraagd worden van een behandelend arts. Dit mag niet de eigen huisarts zijn. De verklaring mag niet ouder zijn dan drie maanden. Het college kan hierover advies vragen aan een onafhankelijke externe deskundige. De jeugdige en zijn ouder(s) moeten hieraan meewerken.
5. Bij het beoordelen van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en/of ouder(s) worden ook de mogelijkheden en bereidheid meegewogen van iemand uit het sociale netwerk om de jeugdige te vervoeren.
6. Als aan de voorwaarden van vervoer is voldaan, beoordeelt het college welke (combinatie van) vervoersvoorziening(en) het meest passend is.
7. De volgende vervoersvoorzieningen zijn mogelijk:
a. een kilometervergoeding voor de ouder(s);
b. een vergoeding voor openbaar vervoer voor de jeugdige en een volwassen begeleider op basis van de afstand enkele reis; en
c. waar mogelijk aansluiting bij bestaande vervoersbewegingen in het kader van de Wmo en/of leerlingenvervoer binnen (aanvullende) afspraken met het betreffende vervoersbedrijf.
8. Deze voorzieningen kunnen in natura of met een pgb worden verstrekt. In artikel 17 staat hoe de hoogte van een pgb voor de kosten van vervoer wordt bepaald.
9. Vervoerskosten worden niet met terugwerkende kracht toegekend.
10. Het college bepaalt bij de toekenning van de vervoersvoorziening de manier waarop de voorziening wordt verstrekt en met ingang van elke datum de voorziening of de uitbetaling van de vergoeding plaatsvindt. Ook bepaalt het college de tijdsduur van de toegekende vervoersvoorziening of vergoeding.
11. De noodzaak voor een vervoersvoorziening wordt opgenomen in het ondersteuningsplan.
12. Als naar het oordeel van het college een passende voorziening beschikbaar is waarvoor geen vervoer geïndiceerd hoeft te worden, is deze voorziening voorliggend op een indicatie waarvoor wel vervoer geïndiceerd moet worden.
3.8 Mogelijke vervoersvoorzieningen
1. De hulp aan kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet. De hulp moet opgestart zijn op de basisschool, maar kan doorlopen in de brugklas.
2. Voor dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor een jeugdige voor wie diagnostiek dan wel behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is op basis van het geldende Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling en factsheet dyslexie Zeeland en in overleg tussen de school, jeugdhulpaanbieder en gemeente.
1. Vaktherapie is een non-verbale behandelvorm die uitgaat van doen en ervaren. Vaktherapie is de overkoepelende naam voor de volgende vaktherapeutische disciplines:
2. Vaktherapie wordt uitgevoerd door een vaktherapeut. Dat is een professional die een erkende opleiding op hbo-/masterniveau voor vaktherapie heeft volbracht. Een erkende opleiding is een door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie geaccrediteerde opleiding.
3. Vaktherapie kan alleen worden ingezet vanuit de wet als naar het oordeel van het college of andere wettelijke verwijzer sprake is van een noodzakelijke bijdrage aan de jeugdhulp en als er geen alternatief beschikbaar is.
4. De behandelaar van een jeugdhulpaanbieder of medewerker van het (stevige) lokale team/de toegang moet advies geven over vaktherapie als een noodzakelijk onderdeel van de totale behandeling.
5. Als de ouder(s) aanvullend verzekerd zijn, dan moet het aantal uren behandeling dat via de zorgverzekering wordt vergoed worden afgetrokken van de maximale inzet.
3.11 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
1. Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang zijn geen vormen van jeugdhulp.
2. In uitzonderlijke situaties als een jeugdige extra begeleiding of specialistische begeleiding nodig heeft vanwege opgroei-, opvoedings- en/of psychische problemen en stoornissen, die niet door medewerkers van de opvang kan worden geboden en niet van de ouder(s) kan worden verwacht, kan vanuit de wet in het kader van de kinderopvang en buitenschoolse opvang begeleiding worden ingezet.
Hoofdstuk 4 Afstemming met andere voorzieningen
4.1 Voorliggende voorzieningen
4.2 Afstemming Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg
In artikel 2.1.1 is de mogelijkheid opgenomen dat de jeugdige en/of ouder(s) via het medisch domein jeugdhulp kunnen ontvangen. Het college maakt afspraken met de huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en met de zorgverzekeraars, over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing plaatsvindt. Dit volgt uit artikel 2.7, vierde lid, van de wet.
De inzet van hulp voor een jeugdige die 18 jaar wordt, kan wijzigen. Als het gaat om zorg die vanaf het 18e jaar onder de Zorgverzekeringswet valt, zorgt het college in samenwerking met de zorgverzekeraars voor een soepele overgang. Het college doet dit door afspraken te maken met de zorgverzekeraars en het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). De afspraken gaan over hoe de continuïteit van hulp te garanderen voor jeugdigen die jeugdhulp ontvangen en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet of Wet langdurige zorg komen te vallen. Dit om te voorkomen dat jeugdigen tussen wal en schip vallen wanneer er discussie is over het wettelijke kader.
4.3 Afstemming andere vormen van hulp en ondersteuning
zodat deze zo veel mogelijk op elkaar aansluiten en ondersteunt de jeugdige en/of ouder(s) actief bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van hulp op grond van de benodigde hulp.
4.4 Afstemming gecertificeerde instellingen
Het college maakt afspraken met de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en justitiële jeugdinrichtingen over het overleg over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid onder b, van de wet.
Het college en de betrokken gecertificeerde instellingen nemen de afspraken op in het protocol zoals bedoeld in artikel 2.1.1 van deze nadere regels. Het college en de Raad voor de Kinderbescherming leggen de manier van samenwerken en de gemaakte afspraken vast in het protocol bedoeld in artikel 3.1, vijfde lid, van de wet.
4.6 Afstemming voorschoolse voorzieningen, onderwijs en leerplicht
Scholen hebben een zorgplicht en moeten extra individuele ondersteuning geven aan leerlingen die dit nodig hebben. Dit heet Passend onderwijs. Maar de afbakening tussen de zorgplicht van de school en de jeugdhulpplicht van gemeenten is niet altijd even duidelijk. Het primaire doel van de ondersteuning is bepalend. Grofweg geldt het volgende onderscheid:
Het college maakt afspraken met Veilig Thuis over de toegang naar algemene en individuele voorzieningen.
4.8 Afstemming Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
4.9 Afstemming werk en inkomen
Het college zorgt ervoor dat het toegangsteam, jeugdhulpaanbieders en de gecertificeerde instellingen financiële belemmeringen voor het slagen van preventie en jeugdhulp vroegtijdig signaleren. Als het nodig is, zorgt het college ervoor dat jeugdigen en/of ouder(s) de juiste ondersteuning krijgen vanuit de gemeentelijke voorzieningen om deze belemmeringen weg te nemen, zoals schuldhulpverlening, inkomensvoorzieningen, re-integratievoorzieningen en armoedevoorzieningen.
4.10 Verhouding prijs en kwaliteit jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen
Het eerste, tweede en derde lid gelden ook voor subsidies als deze worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan de jeugdige en/of ouder(s) en de subsidie bedoeld is om de te verrichten diensten volledig te betalen.
Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is gekomen met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het tweede lid.
4.11 Bevoegdheden toezichthouder
1. De door het college aangewezen toezichthouder is belast met het houden van toezicht op de naleving van rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.
2. De toezichthouder werkt volgens het geldende toezichtkader kwaliteit en rechtmatigheid Wmo 2015 en Jeugdwet Zeeland.
3. De toezichthoudend ambtenaar doet regulier onderzoek en onderzoeken naar calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld van het bepaalde bij of krachtens de wet.
4. Aanbieders verlenen alle medewerking aan de toezichthouder, die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.
5. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de door het college gecontracteerde aanbieders en aanbieders die via een pgb worden betaald.
Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Terneuzen in zijn vergadering van 3 maart 2026.
Het college van burgemeester en wethouders van Terneuzen,
de secretaris, de burgemeester,
Steven de Waal Franc Weerwind
Bijlage 1. Richtlijn ten aanzien van gebruikelijke hulp van ouders voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind
Jong volwassenen van 18 tot 23 jaar
Bijlage 2. Richtlijn beoordeling (dreigende) overbelasting
Overbelasting is: meer belasten dat het prestatievermogen toelaat. In medische kringen wordt gesproken over het (on)evenwicht tussen draagkracht (belastbaarheid) en draaglast (belasting).
Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren.
Factoren, die van invloed zijn op de draagkracht, zijn:
Factoren, die van invloed zijn op de draaglast, zijn:
Onderzoek naar de draaglast en draagkracht
Het kan soms heel duidelijk zijn dat de ouder(s) overbelast is/zijn. Is dit minder duidelijk, dan zal hier in het gesprek maar zeker bij de beoordeling van de aanspraak (indicatie) duidelijkheid over moeten komen. De beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid worden in principe bedoordeeld door een deskundige. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sectoren volstaan om hierover een oordeel te vormen. In andere gevallen zal om een extern medisch advies moeten worden gevraagd.
Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting
Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. De mate waar ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Bedenk daarnaast dat het hierbij om veelal aspecifieke symptomen gaat die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Dit is een van de redenen waarom de beoordeling hiervan bij een deskundige moet worden neergelegd. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat.
Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:
Bijlage 3. Tien eisen voor pgb-vaardigheid
De gemeente (aan-z) van het persoonsgebonden budget controleert niet alleen of u aan de voorwaarden van een persoonsgebonden budget voldoet. Zij controleren ook of u met een persoonsgebonden budget kunt omgaan. Dat heet pgb-vaardigheid. Daarmee willen ze voorkomen dat u in de problemen komt. Bijvoorbeeld omdat u niet weet welke hulp u nodig heeft. Of hoe u goede afspraken maakt met een zorgverlener.
Als de jeugdige en/of ouder(s) niet aan de criteria voldoen en het beheer van het pgb ook niet door een ander gedaan kan worden, is zorg in natura een betere oplossing en kan het college de aanvraag voor een pgb afwijzen.
Bijlage 4 Eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen
De eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen verschillen per persoon en zijn dus persoonsgebonden. Dit kan gaan over de jeugdige, de ouder(s), of over allebei.
Zorgplicht van ouder(s) voor kind(eren)
Ouder(s) hebben naast het recht ook een plicht om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1.247 Burgerlijk Wetboek). Daaronder wordt mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het kind als ook het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid. De zorgplicht van ouder(s) gaat over: verzorging, begeleiding en opvoeding die de ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind. Verder behoren ouder(s) hun kind(eren) een passend leefklimaat te bieden in een beschermende woonomgeving. De zorgplicht van ouder(s) voor kind(eren) draagt bij aan: het gezond en veilig kunnen opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid en het voldoende zelfredzaam zijn (worden) en maatschappelijk kunnen participeren.
Ook in de situatie dat ouders gescheiden zijn, wordt onderzoek gedaan naar de vraag of de ouder (waar de jeugdige niet woonachtig is) de hulp, zorg en/of ondersteuning redelijkerwijs kan bieden. De ex-echtgenoot kan ook tot de huiselijke kring worden gerekend. Is er sprake van co-ouderschap, dan geldt het uitgangspunt dat van hen wordt verwacht dat zij samen de hulp, zorg en/of ondersteuning bieden. Bij co-ouderschap verdelen ouders feitelijk de zorg voor het kind, zij vallen beiden onder de huiselijke kring.
Werkende ouder(s) zijn zelf verantwoordelijk voor de hulp, zorg en/of ondersteuning van hun kind(eren), ook als vanwege het werk gebruik wordt gemaakt van (naschoolse) kinderopvang. Reguliere naschoolse opvang die nodig is alleen omdat de ouder(s) niet beschikbaar zijn, kan in ieder geval niet als jeugdhulp worden gekwalificeerd. Werkende ouder(s) kunnen voor een jeugdige met een jeugdhulpvraag een indicatie vragen voor BSO+. Dit betreft reguliere naschoolse opvang in kleinere groepen met een gekwalificeerde pedagogische medewerker.
Reikwijdte zorgplicht algemeen
De reikwijdte van de zorgplicht van de ouder(s) is in het algemeen afhankelijk van de leeftijd en de normale ontwikkeling van het kind. Kinderen op jonge leeftijd hebben nu eenmaal meer hulp, zorg en/of ondersteuning nodig van hun ouder(s) dan oudere kinderen. Denk bijvoorbeeld aan hulp of stimulans bij de toiletgang. Het gaat bij de zorgplicht van de ouder(s) om hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. Kort gezegd: het is gebruikelijk om te doen. Dat betekent ook dat als één van de ouder(s) uitvalt, de andere ouder de hulp, zorg en/of ondersteuning overneemt. Bij niet-chronische situaties gaat het om kortdurende hulp, zorg en/of ondersteuning waarbij er uitzicht is op herstel van de situatie van de jeugdige en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de jeugdige. In het algemeen gaat het over een periode van maximaal drie maanden. Gaat het om een chronische situatie, dan wordt dat meegewogen bij beoordeling of ook dan sprake is van eigen mogelijkheden van die ouder. Bij chronische situaties gaat het om hulp, zorg en/of ondersteuning die naar verwachting langer dan drie maanden nodig zal zijn. Het college weegt dus mee of het reëel is om te verwachten of de ouder dit vol kan houden.
Toezicht, 24 uurs zorg in de nabijheid algemeen
Toezicht dan wel 24 uurs zorg in de nabijheid valt onder de gebruikelijke zorg. Gebruikelijke zorg is de normale, dagelijkse zorg die van ouders wordt verwacht. We vinden het normaal, dat ouders hun minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht aan hen bieden. Ook als er sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. Alleen bij bovengebruikelijke zorg kan een kind in aanmerking komen voor jeugdhulp.
Er is sprake van bovengebruikelijke zorg als de zorg voor een kind uitgaat boven de zorg die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen nodig heeft. Het gaat dan om de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen. Om te bepalen wat onder gebruikelijke zorg en bovengebruikelijke zorg valt gebruiken we de Richtlijn gebruikelijke hulp (bijlage 1).
Permanent toezicht valt niet onder de normale zorgplicht van ouder(s) en is leeftijdsafhankelijk en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige. Het gaat bij permanent toezicht om het onafgebroken toezicht en actieve observatie gedurende het gehele etmaal, waardoor tijdig kan worden ingegrepen. Het gaat om toezicht dat geboden moet worden op basis van actieve observatie die als doel heeft dreigende ontsporing in het gedrag of de gezondheidssituatie van de jeugdige vroegtijdig te signaleren, waardoor altijd tijdig ingegrepen kan worden en escalatie van onveilige/gevaarlijke/(levens)bedreigende gezondheids- en/of gedragssituaties voor jeugdige kan worden voorkomen.
Een jeugdige vanaf 12 jaar heeft het recht een mening te vormen en die op een vrije wijze te uiten (art. 12 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind). Dat wil zeggen dat de jeugdconsulent de mening van de jeugdige in deze leeftijd moet betrekken bij het onderzoek. Hoewel dat niet voor de hand ligt, kan het zijn dat de jeugdige de hulp, zorg en/of ondersteuning niet (meer) van zijn ouder(s) wil ontvangen terwijl de ouder(s) daartoe wel in staat is. Wanneer de jeugdige van 12 jaar of ouder geen (intieme) persoonlijke verzorging (meer) wil ontvangen van de ouder(s), dan wordt daarin geen hulp door hen verwacht. Dat vloeit mede voort uit de Wet Geneeskundige Behandelovereenkomst (WBGO) op grond waarvan een jeugdige vanaf 12 jaar een eigen beslissingsbevoegdheid heeft voor wat betreft zijn lichamelijke integriteit.
In de beschikking worden de volgende verplichtingen voor de jeugdige en of zijn ouder(s) opgenomen:
de inlichtingenplicht (artikel 8.1.2 Jeugdwet);
de medewerkingsplicht cliënt (artikel 8.1.2 lid 3 Jeugdwet);
het verval van recht (zie art. 2.5.2 van de verordening);
Ook als een individuele voorziening eenmaal is toegekend geldt een inlichtingenplicht. Dit houdt in dat de jeugdige en of zijn ouder(s) op verzoek of uit eigen beweging melding moeten maken van alle feiten en omstandigheden waarvan het hen redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van de toekenning van een voorziening. Het niet of niet volledig nakomen van de inlichtingenplicht kan leiden tot intrekking of herziening van de individuele voorziening. Als de jeugdige en of zijn ouder(s) eraan twijfelen of bepaalde informatie relevant is, neemt hij hierover actief contact op met de jeugdconsulent.
In het verlengde van de inlichtingenplicht ligt de medewerkingsplicht. Die houdt in dat de jeugdige en zijn ouder(s) alle medewerking moet verlenen aan de uitvoering van de Jeugdwet die de gemeente noodzakelijk vindt. Zo zijn de jeugdige en of zijn ouder(s) verplicht om gehoor te geven aan een oproep van de gemeente of om mee te werken aan het onderzoek dat door (of namens) het college is ingesteld.
Als de jeugdige en of zijn ouder(s) niet voldoen aan de medewerkingsplicht dan kan dit gevolgen hebben voor het vaststellen van het recht op een individuele voorziening. Vooral als de jeugdconsulent niet kan vaststellen of iemand (nog langer) recht heeft op een individuele voorziening. Of als de omvang van de voorziening niet kan worden vastgesteld.
Als aan de jeugdige en of zijn ouder(s) een individuele voorziening wordt toegekend, wordt verwacht dat zij naar vermogen meewerken aan het opstellen van het ondersteuningsplan en het behalen van de daarin beschreven doelen en resultaten.
Het al dan niet opzettelijk niet meewerken aan het behalen van de doelen en resultaten en/of het niet nakomen van gemaakte afspraken, kan leiden tot het tijdelijk stopzetten van de ondersteuning of, in het uiterste geval, tot beëindiging daarvan. Uiteraard kan dit niet als uit de aard van iemands beperkingen voortvloeit dat die medewerking niet of in beperkte mate verleend kan worden.
Als een jeugdige en of zijn ouder(s) een beschikking heeft ontvangen en deze niet binnen drie maanden gebruik maakt van de toegekende individuele voorziening, dan vervalt het recht op aanspraak, tenzij de jeugdige en of zijn ouder(s) de gemeente hierover schriftelijk heeft geïnformeerd en uitstel hiervan heeft gevraagd.
Bijlage 5 Toelichting bij de nadere regels jeugdhulp
Algemene voorzieningen zijn in beginsel ondersteuningsgericht. Ze zijn gericht op het bevorderen, behouden of compenseren van de zelfredzaamheid van de jeugdige en/of ouder(s). Ze kunnen de jeugdige en/of ouder(s) structureel ondersteunen bij het opvoeden en opgroeien. Het kan gaan om respijtzorg of praktische ondersteuning bij het uitvoeren en/of oefenen van handelingen en vaardigheden met zelfredzaamheid als doel.
Individuele voorzieningen zijn in beginsel herstelgericht. Ze zijn gericht op het oplossen van hulpvragen van jeugdigen en/of ouder(s) en het herstellen van een gezonde en veilige ontwikkeling van de jeugdige. De jeugdhulp grijpt in op het probleem zelf. Het kan gaan om de behandeling van de jeugdige en/of systeemgebonden problematiek.
Een individuele voorziening kan ook ondersteuningsgericht zijn. Bijvoorbeeld: als sprake is van blijvende problematiek die die chronische belemmeringen opwerpt in het gezin of de ontwikkeling van de jeugdige, is de jeugdhulp niet herstelgericht, maar ondersteuningsgericht. Toch kan de hulpvraag niet worden opgelost door het inzetten van een algemene voorziening.
Het Programma van Eisen voor individuele voorzieningen is hier te vinden: https://www.inkoopjeugdhulpzeeland.nl/onderwerp/programma-van-eisen/
In tegenstelling tot de Wmo 2015 kent de wet geen aanvraagprocedure die afwijkt van de Awb. Daarom geldt de Awb als overkoepelende wetgeving voor de aanvraag voor jeugdhulp. Volgens de Awb is een aanvraag een schriftelijk verzoek om jeugdhulp van de jeugdige en/of ouder(s) aan het college. Een elektronische aanvraag is ook geldig.
Het college neemt binnen een redelijke termijn, maar in elk geval binnen acht weken, een besluit over het toekennen of afwijzen van een individuele voorziening. De datum waarop de complete aanvraag (inclusief handtekening) is ontvangen, geldt als startdatum van deze acht weken. Wat een redelijke termijn is, hangt mede af van de situatie van de jeugdige en/of ouder(s) en de hulpvraag. Als sprake is van spoed, neemt het college sneller een besluit. Als de termijn van acht weken overschreden wordt, kan gebruik gemaakt worden van een hersteltermijn. De gemeente stelt de aanvrager hiervan schriftelijk op de hoogte.
Op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) mag de gemeente vragen naar informatie over andere levensdomeinen als dat een duidelijk doel heeft. Het is dus belangrijk dat de consulent met de jeugdige en/of ouder(s) bespreekt waarom die hiernaar vraagt en vastlegt waarom. Als blijkt dat de informatie niet relevant is, mag deze niet vastgelegd worden.
Voor deze problematiek is brede en integrale samenwerking nodig tussen aanbieders van verschillende voorzieningen die het jeugddomein overstijgen. De problematiek vraagt om maatwerk en intensieve behandeling, vaak gecombineerd met begeleiding. Inkooporganisatie Jeugdhulp Zeeland heeft hiervoor perceel 1 ingericht.
Als beide ouders het gezag hebben en één ouder weigert toestemming te geven voor de start van de jeugdhulp (bij een jeugdige jonger dan 16 jaar), kan de jeugdhulp niet starten. In bepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij opvoedondersteuning, kan de beschikking op naam van een van beide ouders worden gezet. De hulp richt zich dan op de ouder en niet op de jeugdige.
Als meerdere problemen spelen in een gezin en eventueel ook al andere voorzieningen zijn toegekend, is het belangrijk dat de regie over de in te zetten ondersteuning duidelijk is. In eerste instantie ligt de regie bij de jeugdige en/of ouder(s) zelf, maar soms blijkt dat zij moeite hebben om het overzicht te bewaren. Voorzieningen kunnen ook tegen elkaar in werken. Daarom is het belangrijk om prioriteiten te stellen en samen met het gezin te bepalen welke problematiek als eerste aangepakt moet worden.
Met een pgb worden vaak eenpitters ingehuurd. Als zij als een formele aanbieder worden beschouwd – en dus vallen onder het formele tarief – geldt ook voor hen de verantwoorde werktoedeling. Bij jeugdprofessionals in dienst van een aanbieder is de werkgever verantwoordelijk voor de uitvoering van de verantwoorde werktoedeling. Een eenpitter (zzp’er) heeft geen werkgever. In dat geval heeft de opdrachtgever (de budgethouder) de verantwoordelijkheid om in het budgetplan aan te tonen dat de norm voor verantwoorde werktoedeling wordt gehanteerd.
Het college toetst de kwaliteit van jeugdhulp geboden door formele aanbieders niet zelf. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) zorgt voor toetsing van de kwaliteit van jeugdhulp. Landelijk is afgesproken dat gemeenten aanbieders aanmelden bij het Inspectieloket Sociaal Domein als ze niet bekend zijn bij de IGJ.
Het college beoordeelt bij een aanvraag voor een pgb of de in te kopen jeugdhulp van de juiste kwaliteit is. Het college moet daarvoor onder andere vaststellen of de te leveren jeugdhulp een passende oplossing biedt voor de hulpvraag van de jeugdige en/of ouder(s). Het gaat vooral om een toets op de doelmatigheid: biedt de te leveren jeugdhulp een oplossing voor de ontwikkeldoelen van de jeugdige en/of ouder(s)?
Als de jeugdige en/of ouder(s) zelf niet in staat zijn om het pgb te beheren, mag dit ook gedaan worden door iemand uit het sociale netwerk. De budgetbeheerder kan ook een curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp zijn. Het is aan het college om dit in elke individuele situatie te beoordelen (TK 2013 2014, 33983. nr. 3, p. 23).
Het pgb moet voor de jeugdige en/of ouder(s) toereikend zijn om de gewenste jeugdhulp daadwerkelijk te kunnen inkopen. Als het door de jeugdige en/of ouder(s) voorgestelde aanbod duurder is dan het goedkoopst passende aanbod van zorg in natura, kan het college het pgb weigeren voor dat deel dat duurder is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-104779.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.