Derde wijziging Beleidsregels vaststellen vermogen en vaststellen vermogen in eigen woning Gemeente Voorschoten 2015

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorschoten;

 

gelet op artikel 4:81 van de Algemene wet Bestuursrecht en artikelen 1, onder m, 3, zesde lid, 34, 35, 48, derde lid, en 50 van de Participatiewet,

 

besluit:

 

de derde wijziging van de Beleidsregels vaststellen vermogen en vaststellen vermogen in eigen woning Gemeente Voorschoten 2015 vast te stellen.

Artikel I  

A

 

Artikel 2 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Het vermogen wordt vastgesteld op de waarde van de bezittingen in het economisch verkeer bij vrije oplevering, waarover de belanghebbende bij aanvang van de bijstandsverlening, bij nieuw verkregen vermogen of veranderingen in de gezinssituatie, beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

 

B

 

Artikel 4 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

  • 1.

    Het saldo van het vermogen dat aan de hand van de in artikel 3.1 van deze beleidsregels genoemde bestanddelen is vastgesteld wordt verminderd met een cumulatie van de volgende bestanddelen:

    • a.

      een bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit bedrag wordt standaard vastgesteld op de voor de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet;

    • b.

      de rest som van de bij het vaststellen van het vermogen aanwezige schulden, rekening houdend met de criteria als bedoeld in artikel 2.2 van deze beleidsregels.

C

 

Artikel 9 komt te vervallen.

 

D

 

Artikel 12 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Wanneer bij de beoordeling van het recht op bijstand van een belanghebbende van pensioengerechtigde leeftijd blijkt, dat deze op grond van niet verzekerde jaren een verlaagde uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ontvangt, welke in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening door de Sociale Verzekeringsbank wordt aangevuld tot de voor de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, blijft een onderzoek naar het vermogen van de belanghebbende achterwege. Deze aanvullende inkomensvoorziening is algemene bijstand als bedoeld in artikel 47a van de Participatiewet. Deze voorziening wordt toegekend aan alleenstaanden en alleenstaande ouders van pensioengerechtigde leeftijd en aan gehuwden, van wie ten minste een van de echtgenoten de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt.

 

E

 

Artikel 13 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Indien de algemene bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening als bedoeld in artikel 50 van de Participatiewet, heeft die bijstand de vorm van een geldlening onder zekerheidstelling van hypotheekrecht.

 

F

 

Artikel 14 komt te vervallen.

 

G

 

Artikel 15 lid 3 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

De kosten verbonden aan de taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, alsmede de bijkomende kosten, komen ten laste van de belanghebbende.

 

H

 

Artikel 16 lid 1 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Bij verlening van bijstand onder verband van hypotheek dient aan de belanghebbende telkens de verplichting te worden opgelegd dat hij meewerkt aan de vestiging van hypotheek.

 

I

 

De toelichting op artikel 3 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Artikel 3 van de beleidsregels geeft aan welke positieve bestanddelen bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. Voor wat betreft de giro- of bankrekeningen, de spaar- en depositorekeningen en de waarde van de aandelen of effecten gaat het erom dat de meest recente gegevens bij het vaststellen van het vermogen worden betrokken. De belanghebbende dient bewijsstukken te overleggen.

 

De vermogensbestanddelen auto, caravan, boot, sieraden en overige op geld waardeerbare bestanddelen verdienen speciale aandacht. Deze beleidsregels bevatten voorschriften met betrekking tot de manier waarop de waarde van een auto in het economisch verkeer wordt vastgesteld. Voor wat betreft de overige vermogensbestanddelen geldt dat de lezing van de belanghebbende zelf een belangrijk middel is om de waarde vast te stellen. Soms kunnen taxatierapporten (bijvoorbeeld ten aanzien van sieraden of schilderijen) een indicatie vormen voor de waarde in het economisch verkeer. Het college betrekt niet zonder meer alle vermogensbestanddelen bij de vaststelling van het vermogen. Het kan voorkomen dat bepaalde bestanddelen voor de belanghebbende een zodanige emotionele waarde hebben dat niet gevergd kan worden dat die te gelde gemaakt moeten worden of in de vermogensvaststelling betrokken worden.

 

J

 

De toelichting op artikel 4 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Artikel 4 van de beleidsregels schrijft voor welke zaken op de positieve bestanddelen in mindering mogen worden gebracht. Onderdeel a. geeft aan dat een bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan in mindering gebracht mag worden. Wanneer het recht op bijstandsverlening beoordeeld moet worden, staat dit recht niet altijd direct vast. De betaling van de bijstand vindt aan het eind van de maand plaats. De belanghebbende moet daarom een periode tot het moment van de eerste betaling van de bijstand overbruggen. Het is daarom redelijk om bij het vaststellen van het vermogen er rekening mee te houden dat de belanghebbende uit alle tot zijn beschikking staande middelen een deel gebruikt om in de kosten van levensonderhoud te voorzien. Het uitgangspunt is dat een bedrag ter grootte van de op hem van toepassing zijnde bijstandsnorm zoals genoemd in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet daarvoor bestemd wordt.

 

In onderdeel b. van artikel 4 van deze beleidsregels staat dat de rest som van de bij de bijstandsverlening aanwezige schulden ook op het vermogen in mindering gebracht wordt. Het college houdt daarbij wel rekening met de criteria die in artikel 2.2 van de beleidsregels genoemd worden.

 

K

 

De toelichting op artikel 9 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vervallen.

 

L

 

De toelichting op artikel 12 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

In beginsel dient het college bij de beoordeling van het recht op bijstand een onderzoek te doen naar de noodzaak van de gevraagde bijstand, het inkomen van de belanghebbende en diens vermogen. Er is echter een groep belanghebbenden, bij wie het vermogensonderzoek feitelijk achterwege kan blijven. Het betreft belanghebbenden van pensioengerechtigde leeftijd die een verlaagde uitkering ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Dat is mogelijk wanneer deze belanghebbenden in de periode tussen hun 15e jaar en de pensioengerechtigde leeftijd een aantal jaren niet verzekerd zijn geweest voor de Algemene Ouderdomswet. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn, wanneer zij in het buitenland hebben gewoond – en hun verzekering niet vrijwillig hebben voortgezet – of wanneer belanghebbenden vanuit het buitenland in Nederland zijn komen wonen. In Nederland wonende verzekerden bouwen in 50 jaar een volledig recht op AOW-uitkering op. Voor elk jaar dat zij tussen hun 15e jaar en pensioengerechtigde leeftijd niet verzekerd zijn geweest, vindt op de uiteindelijke AOW-uitkering een korting van 2% plaats.

 

Bij de beoordeling van het recht op die aanvullende inkomensvoorziening voert de Sociale Verzekeringsbank ook een vermogensonderzoek uit. Daarbij gebruikt de SVB dezelfde criteria als de gemeente doet bij een vermogensonderzoek. Wanneer bij een onderzoek naar aanleiding van een bijstandsaanvraag van een belanghebbende van pensioengerechtigde leeftijd met een verlaagde AOW-uitkering blijkt dat deze een aanvullende inkomensvoorziening ontvangt, kan het college aannemen dat de Sociale Verzekeringsbank bij zijn onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de belanghebbende geen vermogen heeft of dat dit binnen de vrijlatingsgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet blijft. Het heeft dan geen belang dat het college zelf alsnog een onderzoek naar het vermogen doet. Artikel 12 van deze beleidsregels bepaalt daarom dat in dergelijke gevallen een vermogensonderzoek achterwege blijft. Het heeft – onder meer vanuit een oogpunt van administratieve lastenvermindering voor de overheid en de burger – geen toegevoegde waarde om bij de Sociale Verzekeringsbank in Leiden de beschikkingen betreffende een belanghebbende op te vragen. Zo nodig heeft het college de mogelijkheid om via Suwinet gegevens van een belanghebbende te verifiëren

 

M

 

De toelichting op artikel 13 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Op grond van artikel 50 van de Participatiewet moet de algemene bijstand bij overschrijding van het vrij te laten vermogen in de woning in de vorm van een geldlening worden verstrekt. Dit, mits de totale bijstand over een heel jaar meer bedraagt dan eenmaal het minimumloon (gezinsnorm).

 

Het college is bevoegd om aan de bijstandsverlening de voorwaarde van zekerheidstelling voor de belanghebbende te verbinden. Deze zekerheidstelling beperkt zich niet tot een krediethypotheek. Bij woonschepen of woonwagens kan het gaan om een ‘stil pand’. Om de terugbetaling van de bijstand te waarborgen regelt artikel 48, derde lid, van de Participatiewet dat bijstand aan eigenwoningbezitters, eigenaars van woonwagens en woonschepen onder zekerheidstelling van een hypotheek geschiedt.

 

N

 

De toelichting op artikel 14 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Vervallen.

 

O

 

De toelichting op artikel 15 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Wanneer er sprake is van een door de belanghebbende in eigendom bewoonde woning, stuit tegeldemaking van de overwaarde (het verschil tussen de waarde in het economisch verkeer en het saldo van de hypothecaire geldlenig(en)) vaak op problemen. Bij een aanvraag voor een geldlening zullen kredietverstrekkende instanties op grond van het inkomen bepalen welk bedrag geleend kan worden. Juist het gebrek aan inkomen noopt tot het aanvragen van de lening. Bij de andere mogelijkheid, verkoop van de woning, komt iemand zonder huisvesting te zitten.

 

Primair moet beoordeeld worden of er naast een eventueel vermogen in de woning geen sprake is van andere bezittingen die een waarde hebben die de vermogensgrenzen van artikel 34 van de Participatiewet overschrijden. Wanneer dat zich voordoet, heeft de belanghebbende geen recht op bijstand en zal het vermogen, anders dan in de woning, eerst gedaald moeten zijn tot beneden de vrijlatingsgrenzen. Vervolgens moet het vermogen in de woning worden vastgesteld. Dit vermogen betreft het verschil tussen de verkoopwaarde van de woning bij vrije oplevering (artikel 34 Participatiewet) en het saldo van de schuld – de (hypothecaire) geldlening – die erop rust. Het hoeft niet altijd te gaan om een hypothecaire geldlening, omdat hypotheken alleen gevestigd kunnen worden op registergoederen. Bij woonschepen en woonwagens gaat het om een andere soort geldlening.

 

De waarde van de woning wordt vastgesteld door een taxateur die is aangewezen door het college. Dit gebeurt met toestemming van de belanghebbende. Omdat de belanghebbende de gegevens over zijn vermogen moet overleggen, zijn de kosten die daaruit voortvloeien en alle bijkomende kosten die voortvloeien uit het vestigen van een hypotheek of pand voor zijn rekening. Als de belanghebbende een taxatie rapport van niet ouder dan zes maanden kan overleggen, blijft taxatie achterwege.

 

Onder de voorwaarde dat de waarde van de woning niet langer dan 1 jaar geleden in het kader van de WOZ is vastgesteld, kan de WOZ-waarde aangehouden worden voor het vaststellen van de waarde van de woning. In dat geval vindt dus geen taxatie van de woning plaats.

De kosten van het vestigen van een hypotheekrecht, evenals de bijkomende kosten zijn voor rekening van de eigenaar. Dit zijn dan vervolgens voor de aanvrager uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke bestaanskosten.

 

O

 

De toelichting op artikel 16 wordt gewijzigd en komt te luiden als volgt:

Indien het college besluit tot verlening van bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, kan op grond van artikel 48 lid 3 van de wet aan de bijstand de verplichting verbonden worden om medewerking te verlenen aan het vestigen van die hypotheek. In de praktijk zal het college vrijwel altijd een dergelijke verplichting aan de bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek moeten verbinden. Dit houdt verband met het feit dat op grond van het BW de eigenaar van het onderpand de hypotheekakte bij de notaris moet ondertekenen. Zonder deze handeling van de eigenaar kan de gemeente geen hypotheek vestigen op zijn woning.

 

In lid 1 is geregeld dat belanghebbende de verplichting heeft om mee te werken aan het vestigen van een hypotheekrecht. Hiertoe dient de belanghebbende in de aanvraagfase een zogenaamde bereidverklaring te ondertekenen waarin de medewerking aan de vestiging van een krediethypotheek wordt verleend. Aangezien de notariskosten voor rekening komen van de klant, kan de notaris in principe door hem/haar worden gekozen. In de bereidverklaring kan de notaris van keuze worden genoemd.

 

In lid 2 is geregeld het niet verlenen van de medewerking als bedoeld in lid 1 tot gevolg heeft dat een aanvraag voor bijstand wordt afgewezen en dat verstrekte bijstand terstond opeisbaar is.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van 9 december 2025

het college van burgemeester en wethouders

E.A. van Wattingen

gemeentesecretaris

mw. drs. N. Stemerdink

burgemeester

Naar boven