Wijziging van de verordening inspraak, digitale meningspeiling, burgerinitiatief en referenda 2018

De Raad van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 9 december 2025

(raadsvoorstel nr. 25bb009280/25bo009421);

 

gelet op artikel 150 van de Gemeentewet;

 

overwegende dat:

het wenselijk is de verordening te wijzigen vanwege de inwerkingtreding van de Wet versterking participatie op decentraal niveau;

 

besluit:

Artikel I  

De Verordening inspraak, digitale meningspeiling, burgerinitiatief en referenda Rotterdam 2018 als volgt te wijzigen:

 

A.

 

Artikel 1 komt te luiden:

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • -

    beleid: gedragslijn, programma of plan om een bepaald doel te realiseren;

  • -

    beleidsvoornemen: voornemen van het bestuursorgaan tot het vaststellen of wijzigen van beleid;

  • -

    burgerinitiatief: schriftelijk en gemotiveerd verzoek van ingezetenen aan de raad om te beraadslagen en te besluiten over een door hen geformuleerd voorstel dat betrekking heeft op een gemeentelijke aangelegenheid;

  • -

    college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam;

  • -

    digitale meningspeiling: met moderne communicatiemiddelen peilen van de mening onder Rotterdamse ingezetenen;

  • -

    gebied: gebied als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Verordening op de Wijkraden 2022;

  • -

    ingezetene: ingezetene als bedoeld in artikel 2 van de Gemeentewet;

  • -

    inspraak: betrekken van ingezetenen en belanghebbenden bij de voorbereiding, van beleid;

  • -

    jongereninitiatief: burgerinitiatief van ingezetenen in de leeftijd van 12 tot en met 17 jaar;

  • -

    kiesgerechtigde: degene die voldoet aan de eisen bedoeld in artikel B 3 van de Kieswet;

  • -

    maatschappelijke organisatie: organisatie zonder winstoogmerk die het doel heeft een actieve bijdrage te leveren aan de samenleving binnen de gemeente Rotterdam;

  • -

    participatie: op verzoek van het bestuursorgaan betrekken van ingezetenen, ondernemers of maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding, uitvoering of evaluatie van beleid;

  • -

    raadgevend referendum: referendum op initiatief van één of meer verzoekers;

  • -

    raadplegend referendum: referendum op initiatief van de raad;

  • -

    uitdaagrecht: recht van ingezetenen of maatschappelijke organisaties om feitelijke uitvoering van een van een taak als bedoeld in artikel 150, derde lid, van de Gemeentewet, over te nemen;

  • -

    uitvoeringsinitiatief: activiteiten van een ingezetene, ondernemer of maatschappelijke organisatie met als voornaamste doel om een actieve bijdrage te leveren aan de beleidsdoelen van de gemeente Rotterdam;

  • -

    wijkraad: wijkraad als bedoeld in artikel 3 van de Verordening op de Wijkraden 2022.

B.

 

Na artikel 1 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

 

Artikel 1a Reikwijdte

Deze verordening is niet van toepassing op participatie, het uitdaagrecht of initiatieven die door het bestuursorgaan al zijn geregeld in andere gemeentelijke verordeningen, regelgeving, beleidsregels of procedure.

 

C.

 

Artikel 3 komt te luiden:

 

Artikel 3 Inspraak

Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het betreffende bestuursorgaan een andere procedure vaststelt.

 

D.

 

Na hoofdstuk 4 worden drie hoofdstukken ingevoegd, luidende:

 

Hoofdstuk 4A Participatie

 

Artikel 19a Mogelijkheden participatie

  • 1.

    Het bestuursorgaan stelt voorafgaand aan de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van eigen beleid, een participatieaanpak op.

  • 2.

    De betreffende wijkraden worden door het bestuursorgaan in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen over de voorlopige participatieaanpak.

  • 3.

    Indien een wijkraad advies wenst te geven over een participatieaanpak, wordt dit advies binnen zes weken na ontvangst van de participatieaanpak ingediend.

  • 4.

    Indien een wijkraad advies heeft gegeven, wordt in de participatieaanpak toegelicht op welke wijze het advies is verwerkt.

  • 5.

    Er is geen participatie mogelijk:

    • a.

      als participatie bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;

    • b.

      als sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen beleidsruimte heeft;

    • c.

      inzake de vaststelling van de begroting, de tarieven voor gemeentelijke dienstverlening en belastingen als bedoeld in hoofdstuk XV van de Gemeentewet;

    • d.

      als de uitvoering van beleid dermate spoedeisend is dat participatie niet kan worden afgewacht;

    • e.

      de verantwoordelijkheid van het betrokken bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving zwaarder weegt dan participatie;

    • f.

      bij interne of organisatorische aangelegenheden van de gemeente;

    • g.

      ten aanzien van ondergeschikte herzieningen van eerder vastgesteld beleid; of

    • h.

      als participatie een onevenredig zware last zou zijn ten opzichte van het beleid, tenzij het bestuursorgaan hiervoor een participatieaanpak opstelt.

  • 6.

    Waar in dit hoofdstuk ingezetenen wordt genoemd, wordt tevens acht geslagen op ondervertegenwoordigde groepen.

Artikel 19b Participatieaanpak en procedure

  • 1.

    In een participatieaanpak wordt op begrijpelijke en toegankelijke wijze het volgende opgenomen:

    • a.

      een omschrijving van het beleid dat voorbereid, uitgevoerd of geëvalueerd wordt;

    • b.

      een beschrijving van de juridische, financiële en beleidsmatige kaders;

    • c.

      een duidelijk en haalbaar doel van de participatieaanpak per fase van de participatie;

    • d.

      hoe relevante documenten voor het participatieproces kunnen worden geraadpleegd;

    • e.

      op welke ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties de participatie zich richt;

    • f.

      de mate van invloed van ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties per fase in de participatieaanpak;

    • g.

      een tijdlijn van het participatieproces met toegelicht wanneer en op welke wijze ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties kunnen participeren; en

    • h.

      een beschrijving van hoe de inbreng van ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties wordt meegenomen.

  • 2.

    Het bestuursorgaan deelt voor de start van de participatie de participatieaanpak met de betreffende wijkraad, ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties.

Artikel 19c Terugkoppeling participatie

  • 1.

    Het bestuursorgaan geeft op geschikte wijze een toegankelijke terugkoppeling over de participatie die in ieder geval op hoofdlijnen bevat:

    • a.

      de gevolgde participatieaanpak, met daarin aandacht voor de procedure en de betrokken ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties;

    • b.

      de inbreng van de betrokken ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties; en

    • c.

      hoe met de inbreng van de betrokken ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties is omgegaan dan wel hoe de inbreng wordt meegenomen in besluitvorming.

  • 2.

    De terugkoppeling aan de betrokken ingezetenen, ondernemers, maatschappelijke organisaties en wijkraad geschiedt op een geschikte en toegankelijke wijze.

Hoofdstuk 4B Uitdaagrecht

 

Artikel 19d Taak van het college

Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht kan uitsluitend worden ingediend voor een taak van het college.

 

Artikel 19e Voorwaarden uitdaagrecht

Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    het verzoek heeft maatschappelijke meerwaarde voor de stad, wijk of buurt;

  • b.

    het verzoek heeft aantoonbaar draagvlak in de wijk of buurt;

  • c.

    het verzoek schaadt de belangen van andere bewoners niet;

  • d.

    de indiener van het verzoek heeft geen winstoogmerk;

  • e.

    de taak waar het verzoek op ziet wordt door de indiener net zo goed of beter uitgevoerd;

  • f.

    de kosten voor de uitvoering van de taak zijn niet hoger dan de kosten die het college maakt;

  • g.

    het verzoek voldoet aan wettelijke en gemeentelijke eisen.

Artikel 19f Indienen verzoek uitdaagrecht en beslistermijn

  • 1.

    Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht wordt ingediend door of namens ingezetenen of door een maatschappelijke organisatie dan wel maatschappelijke organisaties.

  • 2.

    Een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht wordt ingediend via het daarvoor beschikbaar gestelde aanvraagformulier, waarbij in ieder geval de op dat formulier vermelde gegevens worden overgelegd.

  • 3.

    Het college beslist binnen 16 weken na ontvangst op het verzoek, welke termijn eenmalig met ten hoogste 16 weken kan worden verlengd.

Artikel 19g Verplichtingen

  • 1.

    Indien het college het verzoek toewijst, maken het college en de verzoeker schriftelijke afspraken over de uitvoering van de betreffende taak.

  • 2.

    Het college kan verplichtingen verbinden aan het besluit waarmee het verzoek wordt toegewezen.

Artikel 19h Financiële bijdrage en aansprakelijkheid

  • 1.

    Het college kan bij toewijzing van het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht een financiële bijdrage toekennen.

  • 2.

    Het college betrekt bij toewijzing van het verzoek om toepassing van het uitdaagrecht de aansprakelijkheid ten aanzien van de over te nemen taak.

Artikel 19i Weigeringsgronden verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht

  • a.

    Het college wijst een verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht af indien:

  • b.

    niet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 19e is voldaan;

  • c.

    het verzoek ziet op een taak waarvan de aard zich tegen toepassing van het uitdaagrecht verzet;

  • d.

    het verzoek ziet op een taak die geen collegetaak betreft;

    • 1.

      de juridische risico's naar het oordeel van het college niet afdoende kunnen worden beheerst;

    • 2.

      de taak praktisch niet uitvoerbaar is;

  • e.

    de waarde van het verzoek gelijk is aan dan wel hoger is dan de toepasselijke Europese aanbestedingsdrempelwaarde als bedoeld in paragraaf 2.1.1.1. van de Aanbestedingswet 2012;

  • f.

    het verzoek activiteiten betreft waarvoor de gemeente verplichtingen met derden is aangegaan in de vorm van een of meerdere overheidsopdrachten en die verplichtingen belemmeren dat de betreffende activiteit door de verzoeker kunnen worden uitgevoerd.

  • g.

    het algemeen belang dan wel het belang van derden zwaarder weegt dan het verzoek van de indiener; of

  • h.

    uit een door het college uitgevoerd onderzoek blijkt dat bij de uitvoering van de betreffende taak door verzoeker, een ernstig gevaar als bedoeld in de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur bestaat dat uitvoering van de taak mede zal worden gebruikt om:

    • 1.

      uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten; of

    • 2.

      strafbare feiten te plegen.

Hoofdstuk 4C Uitvoeringsinitiatief

 

Artikel 19j Uitvoeringsinitiatief

  • 1.

    Een uitvoeringsinitiatief kan uitsluitend worden voorgelegd aan het college middels het daarvoor beschikbaar gestelde formulier, waarbij in ieder geval de op dat formulier vermelde gegevens worden overgelegd

  • 2.

    Binnen twee weken na ontvangst van het formulier wordt met de initiatiefnemer contact opgenomen, waarbij om aanvullende gegevens kan worden gevraagd.

  • 3.

    Uitsluitend bij voldoende gegevens, wordt advies gegeven over het uitvoeringsinitiatief.

  • 4.

    Afhankelijk van het advies, wordt de initiatiefnemer eventueel verwezen naar de toepasselijke regeling die uitvoering van het uitvoeringsinitiatief mogelijk kan maken of andere ondersteuningsmogelijkheden.

Artikel II  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 26 februari 2026.

De griffier,

I.C.M. Broeders

De voorzitter,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

 

Toelichting op de derde wijziging van de Verordening inspraak, digitale meningspeiling, burgerinitiatief en referenda Rotterdam 2018

 

Algemeen

 

Op 1 januari 2025 is de Wet versterking participatie op decentraal niveau in werking getreden. Met deze wet wil de landelijke overheid de betrokkenheid van bewoners niet alleen bij de voorbereiding, maar ook bij de uitvoering en evaluatie van beleid versterken. Het doel van de wet is om heldere kaders te scheppen over participatie voor zowel ingezetenen als gemeenten. Volgens de wet versterkt dit het vertrouwen in de representatieve democratie en brengt het de gemeenteraad in positie. Artikel 150 van de Gemeentewet is gewijzigd, waarbij de huidige inspraakverordening van gemeenten verbreed dient te worden naar een participatieverordening. Daarnaast moeten gemeenten spelregels opstellen over het uitdaagrecht. De wet biedt ruimte aan gemeenten om hier naar de lokale context en omstandigheden invulling aan te geven.

 

Participatie in Rotterdam

Rotterdam kent een lange geschiedenis als het gaat om participatie. Zo heeft de gemeenteraad in 2013 de participatieleidraad vastgesteld. Deze leidraad was in samenwerking met Rotterdammers en deelgemeenten tot stand gekomen en maakte duidelijk hoe er in Rotterdam vorm wordt gegeven aan participatie. Naast de kaders van participatie, zijn er door de gemeente ook verschillende instrumenten ontwikkeld voor de Rotterdammer. Zo bestaat het uitdaagrecht (Right 2 Challenge) als beleidsinstrument al sinds 2015 in Rotterdam. In 2018 is de “Verordening inspraak, digitale meningspeiling, burgerinitiatief en referenda Rotterdam 2018” door de raad vastgesteld. Deze ontwikkeling, waarbij Rotterdammers beter worden betrokken bij beleid en worden uitgerust met instrumenten die eigen initiatief mogelijk maken, is in de afgelopen jaren doorgezet. Van 2020 tot 2024 is het uitvoeringsprogramma “Betrokken Stad” uitgevoerd. Dit programma is een voortzetting van de eerdere participatieleidraad uit 2013. In Betrokken Stad zijn o.a. de zes uitgangspunten van goede participatie geformuleerd. Dit vormt de basis voor de wijze waarop participatie binnen Rotterdam wordt georganiseerd. In 2022 is het nieuwe bestuursmodel “Wijk aan zet” van start gegaan. In een samenwerking tussen de wijkraad, ingezetenen, wijkpartners en de gemeente zijn er wijkakkoorden gemaakt die de basis vormen voor de samenwerking in de wijk. Deze ontwikkelingen passen bij de doelstellingen die de nieuwe wet voor ogen heeft.

 

Wat verandert er?

Conform de nieuwe wet worden er heldere kaders en voorwaarden opgesteld over participatie bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Deze kaders en voorwaarden zorgen voor meer duidelijkheid voor zowel de gemeentelijke organisatie als de ingezetenen van Rotterdam. Naast regels over participatie op beleid, wordt ook het uitdaagrecht in deze verordening geregeld. Dit geldt ook voor uitvoeringsinitiatieven die niet zijn geregeld in andere regelingen of verordeningen. Deze nieuwe regels over participatie, het uitdaagrecht en uitvoeringsinitiatieven worden middels onderhavig wijzigingsbesluit opgenomen in de verordening.

 

Het uitdaagrecht en uitvoeringsinitiatieven

Het is van wezenlijk belang dat ruimte wordt geboden aan lokale initiatieven van ingezetenen of maatschappelijke organisaties die zelf een actieve bijdrage willen leveren aan de samenleving binnen de gemeente Rotterdam. Zij kennen hun buurt en hun gemeente, weten wat er leeft en spelen daarop in. Het stimuleren van deze initiatieven draagt bij aan samenwerking tussen de gemeente en de samenleving. Een voorwaarde is dat de gemeente ruimte biedt in beleidskaders om deze initiatieven te realiseren. Met het vergroten van eigenaarschap ontstaat er een grotere betrokkenheid en worden meer Rotterdammers actief. Een initiatief kan ook het karakter krijgen van het uitdaagrecht waarbij een gemeentelijke taak wordt overgenomen. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met het gegeven dat de primaire verantwoordelijkheid voor de uitvoering van gemeentelijke taken bij het gemeentebestuur zelf blijft berusten. Een verzoek tot overname van de feitelijke uitvoering van de taken van de gemeente kan in de praktijk ook leiden tot afspraken over de wijze van uitvoering van deze taken. Onder het uitdaagrecht neemt ook het zogenaamde samenwerkingsrecht een plaats in.

 

Artikelsgewijs

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

 

Beleid

Het begrip beleid ziet op het beleid van een bestuursorgaan in brede zin, hieronder vallen ook programma’s en plannen. Bij beleid gaat het niet om het nemen van concrete besluiten, verordeningen of maatregelen, maar om het beleid waarop deze besluiten of maatregelen kunnen worden gebaseerd.

 

Uitdaagrecht

In Rotterdam staat het uitdaagrecht ook wel bekend als het Right 2 Challenge. De omschrijving van het begrip uitdaagrecht is in lijn met de Wet versterking participatie op decentraal niveau. Het uitdaagrecht berust bij lokale initiatiefnemers en lokale maatschappelijke organisaties.

 

Artikel 1a Reikwijdte

Artikel 1a regelt de reikwijdte van de verordening. Het uitgangspunt ‘participatie, tenzij’ is hier gehanteerd. Er is dan ook gekozen om terughoudend met uitzonderingen om te gaan. Als er al participatie geregeld is in andere gemeentelijke verordeningen, regelgeving, beleidsregels of procedures, dan geldt deze verordening niet. Zo is deze verordening bijvoorbeeld niet van toepassing op de Omgevingswet.

Ten aanzien van initiatieven geldt deze verordening niet indien een andere regeling van toepassing is, zoals bij een bewonersinitiatief in het kader van de Subsidieregeling bewonersinitiatieven. Ook als het uitdaagrecht al geregeld is, zoals bij welzijnsopdrachten, geldt deze verordening niet.

 

Artikel 3 Inspraak

Een bestuursorgaan kan op grond van de verordening inspraak verlenen, ook als de wet daartoe niet verplicht. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht bevat de uniforme openbare voorbereidingsprocedure. Deze afdeling is in beginsel van toepassing als inspraak wordt verleend. Het bestuursorgaan kan hier echter van afwijken en een andere inspraakprocedure vaststellen. Inspraak is daarmee een specifieke vorm van participatie.

 

Hoofdstuk 4A Participatie

 

Artikel 19a Mogelijkheden participatie

Het uitgangspunt in het eerste lid is dat bij alle situaties waarbij de gemeente voor de stad nieuw beleid ontwikkelt, er een participatieaanpak wordt geschreven. In de participatieaanpak wordt duidelijk opgenomen hoe de vorm en het proces van participatie eruit zal zien. In het tweede en derde lid wordt de rol van de wijkraden beschreven. In artikel 21 van de Verordening op de Wijkraden 2022 is opgenomen dat de wijkraden de taak hebben om de participatie te bevorderen in de wijk en advies kunnen geven op een participatieaanpak. In het verlengde hiervan is het passend om de wijkraden om advies te vragen bij een participatieaanpak en dit ook in deze verordening vast te leggen. Hoofdvraag bij het advies is welke aanpassingen nodig zijn van de participatieaanpak om de bewoners, maatschappelijke organisaties en ondernemers in de wijk beter te betrekken of het bereik te vergroten. De wijkraden zijn overigens niet verplicht om advies te geven. Door niet binnen zes weken te reageren, wordt ervan uitgegaan dat de wijkraad geen gebruik maakt van de mogelijkheid om te reageren.

In het vijfde lid is een aantal uitzonderingen opgenomen waarbij participatie niet van toepassing is. In dat geval wordt er geen participatieaanpak opgesteld. Een ondergeschikte herziening van eerder vastgesteld beleid is bijvoorbeeld een technische wijziging.

Wanneer er beroep wordt gedaan op een uitzondering, wordt de afweging om geen participatie te organiseren altijd toegelicht.

 

Artikel 19b Participatieaanpak en procedure

Dit artikel richt zich op de verschillende onderdelen die opgenomen worden in een participatieaanpak.

 

Voorwaarden onder het eerste lid

Uit onderdeel b blijkt dat in de eerste plaats duidelijk moet worden beschreven wat de juridische, financiële en beleidsmatige kaders zijn. Deze kaders moeten aan de voorkant worden beschreven, zodat hier in elke fase van het participatieproces duidelijkheid over bestaat. Deze kaders vragen soms echter om een zekere flexibiliteit.

Het doel zoals beschreven in onderdeel c kan per fase verschillen en elk participatieproces kan ook meerdere doelen hebben. Bij het formuleren van het doel per fase wordt zoveel als mogelijk rekening gehouden met de leefwereld van ingezetenen. Eventuele verschillende of tegenstrijdige belangen worden in kaart gebracht en meegenomen in de participatieaanpak.

 

Onderdeel e regelt dat duidelijk beschreven wordt wie er in het participatieproces betrokken is, zoals bijvoorbeeld ondernemers of bewoners.

 

Onderdeel h bepaalt dat duidelijk moet worden beschreven wat er met de inbreng van ingezetenen, ondernemers en maatschappelijke organisaties wordt gedaan. Deze inbreng wordt uiteindelijk afgewogen en meegenomen in de besluitvorming. Als wordt afgeweken van het meenemen van de inbreng in de besluitvorming, wordt duidelijk toegelicht waarom hiervoor gekozen is.

 

Artikel 19c Terugkoppeling participatie

Dit artikel gaat over de terugkoppeling van de resultaten ter afronding van het participatieproces door het verantwoordelijke bestuursorgaan. Dit kan in de vorm van een verslag. Als blijkt dat een andere vorm beter aansluit bij de betrokkenen, kan ervoor gekozen worden om de terugkoppeling op een andere wijze te organiseren. In de terugkoppeling wordt beschreven hoe het participatieproces is verlopen, welke keuzes er zijn gemaakt in verschillende fases en een globale tijdlijn weergegeven van belangrijke (inzage)momenten en bijeenkomsten. De inbreng van ingezetenen en betrokkenen moet duidelijk terugkomen in de terugkoppeling, waarbij wordt toegelicht wat er met de inbreng is gedaan. De terugkoppeling kan op verschillende gemeentelijke kanalen worden verspreid.

 

Hoofdstuk 4B Uitdaagrecht

 

Artikel 19d Taak van het college

Een verzoek ten aanzien van het uitdaagrecht kan uitsluitend worden ingediend voor collegetaken. De taken van de burgemeester zien op openbare orde, veiligheid, klachten- en bezwarenafhandeling e.d. lenen zich daarmee niet voor het uitdaagrecht. Hetzelfde geldt voor de gemeenteraad waar het onder andere gaat het om het stellen van kaders, controleren van het college en vaststellen van de begroting e.d. Voor de wijkraden, als vertegenwoordigers van de bewoners in een wijk, geldt ten slotte dat het gaat om het geven van gevraagd/ongevraagd advies aan het college en het verstrekken van subsidie. Allemaal zaken die gelet op hun aard niet geschikt zijn voor het uitdaagrecht waar het gaat om het overnemen van gemeentelijke uitvoeringstaken.

 

Artikel 19e Voorwaarden uitdaagrecht

Onderdeel a. Een belangrijke voorwaarde is dat een verzoek een maatschappelijke meerwaarde heeft. Maatschappelijke meerwaarde wordt breed opgevat. Het kan gaan om verduurzaming van de taak maar ook om het versterken van de sociale cohesie in een wijk.

 

Onderdeel b. Gelet op het doel van het uitdaagrecht om betrokkenheid en het eigenaarschap van inwoners en maatschappelijke partijen in de directe (leef)omgeving te vergroten, is het belangrijk dat verzoeken aantoonbaar draagvlak hebben in de buurt of wijk. Het creëren, onderhouden en aantonen van draagvlak is de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer.

 

Onderdeel d. Uit de memorie van toelichting bij de Wet versterking participatie op decentraal niveau volgt dat de wetgever bewust heeft gedacht aan organisaties zonder winstoogmerk. Organisaties zonder winstoogmerk, zoals verenigingen, stichtingen, coöperaties en bewonersorganisaties, hebben geen aandeelhouders of winstdoelstelling. Hun inzet is enkel gericht op publieke of gemeenschappelijke belangen. De gedachte achter het uitdaagrecht is dat de gemeenschap zelf taken overneemt, niet een commerciële partij met een eigen winstmotief. Bovendien zouden commerciële partijen kleine lokale initiatieven kunnen verdringen. Het uitdaagrecht is erop gericht de samenhang en saamhorigheid te versterken, niet de markpositie van bedrijven.

 

Onderdeel e. Dat de taak beter wordt uitgevoerd dan de gemeentelijke uitvoering wil niet zeggen dat de uitvoering van de taken op dezelfde wijze moet worden gedaan. Een andere aanpak van een taak kan beter zijn en tegelijk maatschappelijke meerwaarde opleveren. Dit vraagt om een gezamenlijk proces waarin overeenstemming wordt bereikt over het gewenste resultaat en aan welke eisen de uitvoering moet voldoen. Deze eisen mogen nooit strenger zijn dan de gemeente voor zichzelf hanteert.

 

Artikel 19f Indienen verzoek uitdaagrecht en beslistermijnen

Lid 3. De termijn van 16 weken zal bij complexe verzoeken niet toereikend zijn. Daarom is een verlenging van de termijn met nog een keer 16 weken mogelijk.

 

Artikel 19g Verplichtingen

Lid 2. Een verzoek om de uitvoering van taken over te nemen dient bij het college te worden ingediend. Aan het besluit kunnen verplichtingen worden verbonden, bijvoorbeeld over de frequentie van de werkzaamheden.

 

Artikel 19i Weigeringsgronden verzoek met betrekking tot het uitdaagrecht

Onderdeel c. Dit betreft taken die exclusief zijn belegd bij het college zoals toezicht, , klachten- en bezwarenafhandeling, handhaving en dergelijke bevoegdheden.

 

Onderdeel e. Als het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de juridische risico's niet afdoende kunnen worden beheerst, betekent dit dat de gemeente inschat dat bij het laten overnemen van een bepaalde taak de risico's voor de gemeente te groot zijn om op een adequate manier te beheren of te verminderen. Dit kan betrekking hebben op zaken zoals juridische procedures, aansprakelijkheid, onrechtmatigheidsrisico's, mogelijke schadeclaims, of onduidelijkheden in wet- en regelgeving. Daarnaast kan het ook de risico’s betreffen die een uitdager zelf loopt bij het overnemen van de taak

 

Onderdeel i. Het verzoek wordt afgewezen indien het algemeen belang, dan wel het belang van derden zwaarder weegt dan het verzoek van de indiener. Bij algemene belangen kan worden gedacht aan belangen op het gebied van financiën, veiligheid, spoedeisendheid en of doelmatigheid.

 

Hoofdstuk 4C Uitvoeringsinitiatief

 

Artikel 19j Uitvoeringsinitiatief

Dit artikel gaat over uitvoeringsinitiatieven die niet als zodanig zijn geregeld in andere regelingen en/of verordeningen. Binnen de gemeente Rotterdam is er een scala aan subsidieregelingen en instrumenten waar uitvoeringsinitiatieven gebruik van kunnen maken om een actieve bijdrage te leveren aan een of meerdere gemeentelijke beleidsdoelen In deze gevallen zijn de procedures en ondersteuning al vastgelegd in bestaande regels, zoals de subsidieregeling bewonersinitiatieven of Couleur locale. Echter, sommige uitvoeringsinitiatieven weten de weg naar deze mogelijkheden niet te vinden, of passen nergens volledig (direct) bij bestaande ondersteuningsmogelijkheden. Voor deze uitvoeringsinitiatieven biedt artikel 19j een kader. Het artikel zorgt ervoor dat uitvoeringsinitiatieven een advies kunnen krijgen over ondersteuningsmogelijkheden vanuit de gemeente. Onderdeel hiervan kan ook zijn het attenderen op ondersteuningsmogelijkheden vanuit andere organisaties in de stad zoals fondsen.

Naar boven