Gemeenteblad van Renswoude
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Renswoude | Gemeenteblad 2026, 101754 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Renswoude | Gemeenteblad 2026, 101754 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
De Verordening Jeugdhulp 2026 Renswoude
De raad van de gemeente Renswoude;
Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 20-01-2026;
· De Verordening Jeugdhulp een wettelijk kader is dat door de gemeenteraad wordt vastgesteld.
De Verordening Jeugdhulp 2026 Renswoude vast te stellen en de Verordening jeugdhulpgemeente Renswoude 2015 in te trekken.
In de gemeente Renswoude vinden we het belangrijk dat kinderen gezond en veilig opgroeien. Ouder(s) en jeugdigen zorgen daar in de eerste plaats zelf voor. Ontstaan er problemen, dan kunnen zij deze meestal zelf oplossen. Lukt dat niet, dan denkt de gemeente mee in de richting van een oplossing en kan zij ouder(s) en jeugdigen ondersteunen. Dit is geregeld in de Jeugdwet. Daarin staat in hoofdlijnen welke rol de gemeente én de ouder(s) en jeugdigen hebben. Om dat concreter te maken is het Beleidsplan sociaal domein Renswoude vastgesteld en deze verordening geschreven. In dit beleidsplan en in deze verordening staan belangrijke uitgangspunten en regels die de gemeente helpen om ouder(s) en jeugdigen goed te ondersteunen als dat nodig is.
De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Burgemeester en wethouder(s) kunnen zulke uitvoeringsregels maken.
De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. Dit heeft tot gevolg dat de regels:
Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de genoemde Jeugdwet. De gemeente zorgt ervoor dat het effect van een besluit past bij de bedoeling van die wet. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden:
Deze kernwaarden geven richting aan de uitvoering van de verordening. Het zijn geen regels, maar principes en overtuigingen. Die vormen de basis van de regels.
De kernwaarden in deze paragraaf gelden voor alle hoofdstukken. Daarnaast kan elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden hebben. Die kernwaarden gelden dan speciaal voor dat hoofdstuk.
Wat leest u in deze verordening? Na de inleiding komt eerst een uitleg van de belangrijke begrippen die in de verordening worden gebruikt. Daarna leest u in hoofdstuk 2 hoe en waar een ouder(s) en/of jeugdigen hun vraag kunnen stellen aan de gemeente en hoe de gemeente die vraag oppakt. Daarna volgen de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken. Die regels gaan bijvoorbeeld over hulp van de gemeente bij de opvoeding van kinderen (H. 3). In dit hoofdstuk leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de hulp heeft, over wat ouder(s) en jeugdigen en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de hulp georganiseerd is (H. 4-9). De verordening eindigt met een aantal slotbepalingen (H. 10).
Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarde(n) voor dat hoofdstuk geldt. Daarna volgen de regels. Ten slotte: waar in deze verordening wordt gesproken over ‘zijn’, ‘hem’ of ‘hij’, wordt ook bedoeld: ‘haar’, ’zij’, ‘hun’ of ‘hen’. Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘ouder(s)’ wordt bedoeld ‘ouder(s)/verzorger(s)’.
In deze verordening worden allerlei begrippen gebruikt. Deze begrippen hebben dezelfde betekenis als in de wetten (Jeugdwet, Awb) waarop deze verordening is gebaseerd. Waarom deze begrippenlijst?
Aanbieder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die hulp verleent aan de ouder(s) en/of jeugdige op grond van een besluit van de gemeente, een bepaling van de Gecertificeerde Instelling (GI) of een medische verwijzing.
Aanvraag: een verzoek van een inwoner om een besluit te nemen, bedoeld in artikel 1:3 Awb. Ook een verzoek om verlenging, op- en afschaling via het berichtenverkeer wordt gezien als aanvraag.
Andere voorziening: voorziening waarop de ouder(s) en/of jeugdige een beroep kunnen doen voor hulp die hij nodig heeft, anders dan een voorziening op grond van de Jeugdwet. Het gaat om voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen.
AVG: Algemene Verordening Gegevensbescherming.
Awb: Algemene wet bestuursrecht.
BIG: Beroepen in de Individuele Gezondheidszorg.
Bovengebruikelijke hulp: Alles wat de gebruikelijke hulp te boven gaat.
Budgethouder: de persoon die een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt op grond van de Jeugdwet.
Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning. Het doel ervan is het versterken van de zelfredzaamheid en participatie van de ouder(s) en/of jeugdige en het krijgen van dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en/of preventieve zorg en/of zorg en/of jeugdhulp en/of onderwijs en/of welzijn en/of wonen en/of werk en inkomen.
Draagkracht: de normale, dagelijkse hulp die ouder(s) met behulp van hun sociale netwerk vanuit eigen kracht elkaar onderling kunnen bieden. Ouder(s) moeten de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen verzorgen, opvoeden en toezicht op hen houden. Ook al is er sprake van een jeugdige met een ziekte, aandoening of beperking. Het betreft hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf.
Draaglast: De draaglast (de belasting) die ouder(s) ervaren, bestaat uit zaken van buitenaf, die energie vragen, zoals gezondheidsproblemen, alledaagse stresssituaties en eisen van het dagelijks leven. Wanneer de draaglast groter wordt dan de draagkracht, ontstaan problemen. De weegschaal slaat door naar één kant. Dit kan gebeuren doordat er bijvoorbeeld veel in korte tijd gebeurt of het heel druk is, waardoor de draaglast groter wordt (zwaarder). Ook door ziekte of vermoeidheid kan draagkracht verminderen. Het resultaat hiervan is dat de eisen die gesteld worden groter zijn dan wat de persoon aan kan of denkt aan te kunnen.
Eigen kracht: alles wat ouder(s) en/of de jeugdige zelf kunnen doen om het probleem op te lossen, of wat zij kunnen doen met behulp van andere personen uit het sociale netwerk, van andere organisaties of met andere mogelijkheden, zoals een aanvullende zorgverzekering.
Familiegroepsplan: Plan van aanpak dat de ouder(s) kunnen opstellen samen met familie of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren. Hierin kunnen zij aangeven hoe ze zelf kunnen bijdragen aan het verbeteren van de opvoed- en opgroeisituatie van de jeugdige.
Gecertificeerde Instelling (GI): organisatie die conform de jeugdwet maatregelen van jeugdbescherming en jeugdreclassering uitvoert.
Gebruikelijke hulp: de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s) of andere verzorger(s) en opvoeder(s). Zie ook bijlage 1.
Gemeente: het college van burgemeester en wethouder(s) van de gemeente Renswoude.
Hulp: jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; bij jeugdhulp gaat het om alle vormen van hulp en ondersteuning zoals opvoedvragen, opvoedhulp en de jeugd-ggz. Deze vormen van hulp kunnen variëren van licht ambulant (vanuit een wijkteam), tot en met intensieve, zeer gespecialiseerde zorg.
Hulpverlener: de persoon die feitelijk hulp verleent.
Hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet.
Inspraak: inspraak als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet; het betrekken van inwoners en belanghebbenden bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. Met inspraak wordt in hoofdstuk 6 van deze verordening ook bedoeld het recht om invloed uit te oefenen.
Instelling: een organisatie die bedrijfsmatig zorg of hulp verleent.
Individuele voorziening: een voorziening die op de jeugdige en/of zijn ouder(s) is afgestemd die in natura (Zorg In Natura/ZIN) of in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) wordt verstrekt.
Jeugdige: een jeugdige is een kind dat hulp nodig heeft bij opgroeiproblemen, psychische problemen en stoornissen. Dat is in ieder geval een kind tot 18 jaar met deze problemen. Soms kan ook een kind van 18 tot 23 jaar hulp krijgen (zie artikel 1.1 Jeugdwet).
Jeugdwet: De Jeugdwet regelt hoe hulp aan kinderen en gezinnen in Nederland geregeld is. Ook de jeugdbescherming en jeugdreclassering maken onderdeel uit van de wet.
Niet-professionele hulp: hulp van iemand die niet valt onder de definitie van professionele hulp én hulp van een persoon die behoort tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouder(s).
Ondersteuningsplan: een verslag waarin de adviezen, verwijzingen en afspraken staan die in overleg met de ouder(s) en/of jeugdige zijn gemaakt. Ook staan hierin de resultaten die bereikt moeten worden en de evaluatie daarvan.
Ouder: ouder, zoals omschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.
Persoonlijke situatie: alle omstandigheden, mogelijkheden en persoonskenmerken van de ouder(s) en/of jeugdige die van belang zijn.
Pgb: persoonsgebonden budget dat aan de ouder(s) of jeugdige wordt verstrekt om jeugdhulp bij derden in te kopen.
Budgetplan: een plan van aanpak dat de ouder(s) en/of de jeugdige opstellen voor de hulp die hij nodig heeft en die hij met het pgb wil inkopen. In het plan moet onder meer staan welke hulpverlener op welke manier en op welke momenten de noodzakelijke hulp gaat geven en hoe de kwaliteit en de continuïteit van die hulp wordt gewaarborgd.
Professionele hulp: hulp van een professional die werkt voor een instelling of als Zelfstandige Zonder Personeel (ZZP’er).
SKJ: Stichting Kwaliteitsregister Jeugd.
Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of andere personen met wie de jeugdige of ouder een sociale relatie hebben.
Veilig Thuis (VT): het advies- en meldpunt voor huiselijk geweld en kindermishandeling zoals bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
Voorliggende voorziening: een (jeugdhulp)voorziening die een oplossing kan bieden voor de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en die rechtstreeks toegankelijk is zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige of zijn ouder(s). Dit kan een voorziening zijn op grond van een andere wet, zoals bedoeld in artikel 1.2 van de Jeugdwet, zoals de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).
Wet Kinderopvang: deze wet regelt de kwaliteit, financiering en het toezicht op kinderopvang, met als doel ouders te ondersteunen bij werk en zorg te combineren.
Zorg in Natura (ZIN): een voorziening die aan de ouder(s) en/of jeugdige wordt verstrekt in de vorm van hulp door een aanbieder waar de gemeente een contract mee heeft.
Hoofdstuk 2: De aanvraagprocedure
Als ouder(s) vragen hebben over de opvoeding van hun kinderen die ze niet zelf kunnen beantwoorden, dan kunnen ze de gemeente om hulp vragen. De gemeente wil actief luisteren naar wat de jeugdige nodig heeft om op te groeien tot een volwassene die zelfredzaam is en kan meedoen in de maatschappij. Het liefst willen we dat de jeugdige met behulp van zijn gezin zijn eigen perspectief in kaart brengt. Wanneer dit niet lukt, kan de gemeente hen helpen bij het vinden van een antwoord. In dit hoofdstuk staat hoe een ouder en/of jeugdige met de gemeente in contact kan komen en een vraag kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe een ouder en/of jeugdige een aanvraag voor jeugdhulp kan indienen. Verder staat vermeld hoe de gemeente een aanvraag behandelt en welke rol de ouder(s) en/of jeugdige daarbij hebben. Soms is er hulp nodig in de vorm van een voorziening. Dat is hulp die speciaal op de ouder(s) en/of jeugdige is afgestemd. Wanneer de gemeente zo’n voorziening kan geven, staat hieronder.
Stap 1: Aanvraag bij de gemeente
Artikel 2.1.1 Indienen aanvraag
1. Ouder(s) en jeugdigen kunnen bij de gemeente terecht met hun hulpvraag. Als het nodig is zorgt de gemeente ervoor dat ouder(s) en/of de jeugdige geïnformeerd wordt over de mogelijkheden van het indienen van een aanvraag.
2. Ouder(s) en/of de jeugdigen kunnen een aanvraag voor jeugdhulp indienen bij de gemeente.
3. Een aanvraag vragen ouder(s) via een aanmeldformulier aan via de website van de gemeente Renswoude.
4. De gemeente bevestigt de ontvangst van een aanvraag aan de aanvrager.
5. Verlengingen melden ouder(s) aan de betrokken jeugdconsulent die deze vervolgens beoordeelt en op basis hiervan al dan niet in gang zet.
Artikel 2.1.2 Cliëntondersteuning, keukentafelgesprek en familiegroepsplan
4. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt, kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken.
Stap 2: Keukentafelgesprek en onderzoek
Artikel 2.2.1 Keukentafelgesprek en onderzoek
1. De gemeente gaat zo snel mogelijk met de ouder(s) en/of jeugdige in gesprek om een goed beeld te krijgen van het probleem en hoe dit opgelost kan worden.
2. De gemeente bespreekt in dit gesprek met de ouder(s) en/of jeugdige en eventueel de cliëntondersteuner de volgende onderwerpen:
a. de aard en ernst van de opgroei- of opvoedingsproblemen, de psychische problemen en stoornissen van de jeugdige;
b. de behoeften, persoonskenmerken, voorkeuren, veiligheid, ontwikkeling en gezinssituatie van de jeugdige en het probleem of de hulpvraag;
c. het gewenste resultaat van het verzoek om jeugdhulp;
d. het vermogen van de jeugdige of zijn ouder(s) om zelf of met ondersteuning van de naaste omgeving een oplossing voor de hulpvraag te vinden (eigen kracht);
e. de mogelijkheden om gebruik te maken van een andere voorliggende voorziening;
f. de noodzaak om een individuele voorziening te verstrekken;
g. de wijze waarop een mogelijk toe te kennen individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, of werk en inkomen;
h. hoe rekening wordt gehouden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouder(s); en
i. de mogelijkheden om te kiezen voor een pgb waarbij de ouder(s) en/of jeugdige duidelijk worden ingelicht over de gevolgen van die keuze.
3. De gemeente informeert de ouder(s) en/of jeugdige voor het gesprek over het verloop van het gesprek, hun rechten en plichten en over de vervolgprocedure. Ook vraagt de gemeente toestemming voor het verwerken van relevante persoonsgegevens.
4. De gemeente kan in overleg met de ouder(s) en/of jeugdige afzien van een gesprek.
5. Na het gesprek onderzoekt de gemeente de hulpvraag van de jeugdige. Als het nodig is vraagt de gemeente, na toestemming van ouder(s), daarbij om advies aan andere deskundigen.
6. Als de ouder(s) en/of jeugdige een familiegroepsplan hebben gemaakt, betrekt de gemeente dit plan bij het gesprek en het onderzoek.
Artikel 2.2.2 Ondersteuningsplan
Artikel 2.3.1 Beoordelen aanvraag
· Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de ouder(s) en/of jeugdige is.
· Stap 2: De gemeente stelt hierna vast of en welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen de jeugdige heeft.
· Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp gelet op deze problematiek nodig is voor de jeugdige om 1) gezond en veilig op te groeien, 2) te groeien naar zelfstandigheid, 3) voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.
· Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de ouder(s) en/of jeugdige zelf kunnen doen om het probleem op te lossen, of met behulp van andere personen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere mogelijkheden (eigen kracht).
· Stap 5: De gemeente bepaalt welke aanvullende hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste resultaat te bereiken.
3. Voor iedere stap geldt dat de gemeente de deskundigheid inzet die nodig is om die stap goed te kunnen afronden. Is er bijzondere (externe) deskundigheid nodig, dan zet de gemeente die in na overleg met ouder(s). De gemeente stelt de ouder(s) en/of jeugdige op de hoogte van welke deskundigheid er op welk moment nodig is en wordt ingezet. Onder deskundigheid verstaat de gemeente minimaal een geregistreerde professional:
· bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;
· bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of
· op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.
Artikel 2.3.2 Voorwaarden voor een individuele voorziening
3. De gemeente weigert een voorziening te verstrekken als de ouder(s) en/of jeugdige de hulp al hebben ingekocht voordat de gemeente een besluit heeft genomen. Tenzij de gemeente daarvoor vooraf schriftelijk toestemming heeft verleend. In dat geval betalen ouder(s) dat deel van de hulp die voorafgaand aan het besluit van de gemeente is afgenomen.
Artikel 2.4.2. Inhoud beschikking
1. De gemeente legt in een beschikking uit wat het besluit van de gemeente is en stuurt deze naar de ouder(s) en/of jeugdige. In het besluit staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp toekent, staat in het besluit ook of de Zorg In Natura (ZIN) of in de vorm van een pgb wordt gegeven. Ook staat in de beschikking hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.
2. Geeft de gemeente de Zorg In Natura (ZIN) dan staat in de beschikking in ieder geval:
b. wanneer de hulp ingaat en hoelang de hulp duurt; en
c. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden.
3. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb dan staat in de beschikking in ieder geval:
b. de hulpverlenende organisatie;
c. wat voor soort hulpverlening;
e. het totaalbedrag volgens de offerte.
Artikel 2.5 Uitzonderingen aanvraagprocedure
Artikel 2.5.1. Jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts
3. Ter waarborging van een deskundige en juiste bepaling van de in te zetten individuele voorziening door een jeugdhulpaanbieder na een medische verwijzing is er voor de gemeenten van Jeugdhulpregio JeugdFV het Protocol “Medische verwijsroute” waaraan de jeugdhulpaanbieder gehouden is. Dit Protocol Medische verwijsroute is onderdeel van de gesloten overeenkomst met de jeugdhulpaanbieder.
Artikel 2.5.2 Jeugdhulp via de Gecertificeerde Instelling (GI), de rechter, het Openbaar Ministerie (OM) en de directeur of de selectiefunctionaris van de Justitiële Jeugdinrichting (JJi)
1. De gemeente zorgt ervoor dat een jeugdige de jeugdhulp ontvangt die de GI en de gemeente in samenspraak nodig vinden bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Ook zorgt de gemeente voor de inzet van jeugdhulp die de rechter, de Officier van Justitie (OvJ), de directeur van de JJi of de selectiefunctionaris van de JJi nodig vinden bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing.
2. Hiervoor geeft de gemeente geen besluit af.
Artikel 2.5.3. Spoedeisende gevallen
In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de jeugdige meteen de hulp krijgt die nodig is. De gemeente zet dan zo snel mogelijk passende (tijdelijke) jeugdhulp in.
Hoofdstuk 3 Gezond en veilig opgroeien
Jeugdigen moeten zo gezond mogelijk en veilig kunnen opgroeien naar zelfstandigheid. Dat is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van de ouder(s), die daarin ondersteund kunnen worden door hun sociaal netwerk en maatschappelijke organisaties. Als ze daarbij meer hulp nodig hebben, kunnen ouder(s) in gesprek gaan met de gemeente. Dit hoofdstuk beschrijft wanneer ouder(s) en jeugdigen hulp kunnen krijgen via de gemeente en welke hulp dat kan zijn. Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouder(s) en de jeugdigen voorop. Die moet worden versterkt. Met jeugdigen bedoelen we in deze verordening kinderen en tieners tot 18 jaar, met eventueel een doorloop tot 23 jaar. Dit zijn de jeugdigen zoals beschreven in artikel 1.1 van de Jeugdwet.
1. Het is belangrijk dat jeugdigen zo gezond mogelijk en veilig kunnen opgroeien naar zelfstandigheid. Bij opgroei- of opvoedproblemen kan de gemeente ouder(s) en jeugdigen ondersteunen als zij er niet in slagen hun problemen op eigen kracht, met hun sociaal netwerk of met de hulp van maatschappelijke organisaties op te lossen. Als de gemeente ouder(s) en/of jeugdigen kan ondersteunen met hulp die voorliggend is, wordt die hulp ingezet. Denk daarbij bijvoorbeeld aan jongerenwerk. Als die hulp niet het gewenste resultaat heeft, kan een individuele voorziening worden ingezet, als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan.
2. De hulp die de gemeente aanbiedt, versterkt de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouder(s) en hun sociaal netwerk.
De ouder(s) en jeugdigen mogen binnen het gecontracteerde aanbod kiezen van welke jeugdhulpaanbieder ze de benodigde ondersteuning willen krijgen. De jeugdconsulent kan hierbij helpen en een voorselectie doen.
Artikel 3.2 Voorliggende voorzieningen
Artikel 3.3 Individuele voorzieningen
De deelovereenkomsten van Jeugdhulpregio JeugdFV met aanbieders van individuele voorzieningen zijn digitaal in te zien.
Artikel 3.5 Overgang van 18- naar 18+
Artikel 3.6 Afstemming met Gezondheidszorg
De gemeente maakt afspraken met de zorgverzekeraars over de voortzetting van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) en gehandicaptenzorg voor jeugdigen die in behandeling zijn en de leeftijd van 18 jaar bereiken en daarmee onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz) komen te vallen.
Artikel 3.7 Afstemming met Gecertificeerde instellingen (GI’s)
1. De gemeente maakt afspraken met de GI’s over de aansluiting tussen de voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 3.2 van deze Verordening en de GI’s.
2. De gemeente maakt afspraken met de GI’s over:
a. het overleg over de jeugdhulp die nodig is in het kader van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
b. het overleg over eventueel gewenste jeugdhulp na beëindiging van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering;
c. de vorm en inhoud van het besluit tot inzet van jeugdhulp van de GI en hoe de gemeente daarvan op de hoogte wordt gesteld;
d. wanneer en onder welke voorwaarden de GI budgethouder van een pgb kan zijn namens de jeugdige en zijn ouder(s);
e. hoe te handelen wanneer de GI van mening is dat niet gecontracteerde jeugdhulp ingezet moet worden; en
f. hoe de GI misbruik en oneigenlijk gebruik van individuele voorzieningen tegen gaat.
Artikel 3.8 Afstemming met Justitiedomein
De gemeente maakt afspraken met de GI’s, Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) en de JJi’s over de inzet van jeugdhulp bij de uitvoering van een strafrechtelijke beslissing en jeugdreclassering.
Artikel 3.9. Afstemming met Veilig Thuis (VT)
Artikel 3.10. Afstemming met Onderwijs
Artikel 3.11. Afstemming met Wmo-voorzieningen
1. De gemeente zorgt voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze Verordening en voorzieningen voor jeugdigen of ouder(s) op grond van de Wmo.
2. De gemeente helpt de jeugdige die 18 jaar wordt bij de overgang van jeugdzorg naar de Wmo.
Artikel 3.12 Afstemming met voorzieningen werk en inkomen
Het onderwijs is verantwoordelijk voor de signalering en begeleiding van jeugdigen met dyslexie. Ondersteuning wordt dan ook in eerste instantie geboden door hulp en aanpassingen in het onderwijs. Is deze ondersteuning onvoldoende, dan kan er sprake zijn van ernstige dyslexie (ED). Voor ernstige dyslexiezorg geldt dat deze alleen toegankelijk is voor de jeugdige nadat een ED-specialist op basis van het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling van oordeel is dat diagnostiek dan wel de behandeling van Ernstige Dyslexie noodzakelijk is. De zorg voor kinderen tot 13 jaar met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de Jeugdwet.
Artikel 3.14 Kinderopvang en buitenschoolse opvang
Reguliere kinderopvang en reguliere buitenschoolse opvang is geen vorm van jeugdhulp. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang.
Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet. Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.
Bij het geven van hulp staat de eigen kracht van ouder(s) en de jeugdigen voorop. In dit hoofdstuk staat hoe de gemeente vaststelt dat sprake is van eigen kracht. Daarbij wordt het onderscheid tussen gebruikelijke en bovengebruikelijke zorg gemaakt en er wordt gekeken naar de balans tussen draagkracht en draaglast.
Artikel 4.1 Gebruikelijke en bovengebruikelijke hulp
Gebruikelijke hulp is hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de ouder(s). Zij zijn namelijk verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont.
Naast deze vier vragen wordt er gekeken naar de onderstaande vijf factoren:
Als uit onderzoek naar deze vragen en factoren volgt dat de ouder(s) de benodigde hulp kunnen bieden zonder dat dit tot problemen leidt op een van deze terreinen, dan kan de gemeente concluderen dat sprake is van voldoende eigen kracht. Het schema in bijlage 1 van deze verordening kan ondersteunend zijn.
Als de omvang of zwaarte van de noodzakelijke hulp de gebruikelijke hulp overstijgt, is er sprake van bovengebruikelijke hulp. Van ouder(s) wordt verwacht dat zij ook deze bovengebruikelijke hulp aan hun kind bieden, behalve als de draagkracht en draaglast niet in balans zijn (zie verder artikel 4.2). Als ouder(s) beschikbaar en in staat zijn de bovengebruikelijke hulp te bieden, dit geen overbelasting oplevert en de ouder(s) de bovengebruikelijke hulp zonder vergoeding blijven bieden en hierdoor geen financiële problemen in het gezin ontstaan, zet de gemeente geen individuele voorziening tot jeugdhulp in.
Artikel 4.2 Draagkracht en draaglast
Een gezonde draagkracht betekent dat ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk zorg kunnen dragen voor normale, dagelijkse hulp. Ouder(s) zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek. Voor zover het van toepassing is en tot de mogelijkheden behoort dat ouder(s) hun kinderen zelf hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf bieden, kent de gemeente geen individuele voorziening jeugdhulp toe. Ook wanneer de beslissing door het gezin is genomen om met eigen kracht jeugdhulp te verlenen waarbij een van de ouders minder betaalde arbeid is gaan verrichten, en de draagkracht en draaglast niet uit balans is, dan bestaat niet vanzelfsprekend een aanspraak op een jeugdhulpvoorziening.
Als de noodzakelijke hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf van ouder(s) voor hun kinderen voor wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze handelingen zwaarder is dan de zorg die kinderen van dezelfde leeftijd redelijkerwijs nodig hebben, neemt de gemeente in haar onderzoek (als bedoeld in artikel 2.3.1) de balans tussen draaglast en draagkracht mee. Het college bepaalt of de draagkracht van het gezin om zelf de nodige ondersteuning, hulp en zorg te kunnen bieden in overeenstemming is met de draaglast, op basis van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s), samen met de personen die tot hun sociale omgeving behoren en beschikbare voorliggende voorzieningen.
In kortdurende situaties neemt de gemeente aan dat draagkracht en draaglast in balans zijn en bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht.
In langdurende situaties bieden ouder(s) eventueel met behulp van het sociale netwerk alle vormen van hulp op het gebied van persoonlijke verzorging, begeleiding en verblijf zelf als de gemeente op basis van algemeen aanvaarde maatstaven vaststelt dat draaglast en draagkracht in balans zijn, tenzij dit gezien de aard van de benodigde hulp (geheel of gedeeltelijk) niet van ouder(s) of het sociale netwerk mag worden verwacht.
Hoofdstuk 5 De vorm van de hulp
Als de gemeente aan de ouder(s) en/of jeugdige hulp toekent, moet ook worden bepaald in welke vorm de hulp wordt gegeven. De gemeente bespreekt met de ouder(s) en/of jeugdige op welke manier de hulp ingezet wordt. Die hulp kan Zorg In Natura (ZIN) zijn: de gemeente zorgt ervoor dat hulp wordt ingekocht en ingezet. De hulp kan ook in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb) worden ingezet. Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de hulp wordt ingezet en welke voorwaarden daarvoor gelden.
Artikel 5.1 Voorwaarden voor pgb
Artikel 5.2 Professionele of niet-professionele hulp
De ouder(s) en/of jeugdige kunnen het pgb besteden aan hulp door een niet-professionele hulpverlener, als die hulpverlener:
een Verklaring Omtrent Gedrag natuurlijke personen (VOG - specifiek screeningsprofiel 45) kan overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. De verklaring is niet nodig als de hulpverlener een bloed-of aanverwant in de 1e graad is. Bij een eventuele verlenging van een PGB mag de VOG niet ouder zijn dan 3 jaar.
Artikel 5.3 De hoogte van het pgb
De hoogte van een pgb wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee de ouder(s) en/of jeugdige veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp die onder de individuele voorzieningen valt bij derden kunnen inkopen.
Bij professionele pgb stelt het college de hoogte vast op maximaal 90% van de kostprijs voor de gemeente van de goedkoopste vorm van Zorg In Natura (ZIN). Als uit het door de ouder(s) en/of jeugdige opgesteld budgetplan dat door de gemeente is goedgekeurd (zie artikel 5.1) blijkt dat passende hulp voor een lager tarief kan worden ingekocht, wordt het pgb op dit lagere tarief vastgesteld.
Als een eenmalig pgb vooraf wordt uitbetaald, controleert de gemeente de besteding hiervan achteraf. De budgethouder moet dan binnen 3 maanden na verstrekking van het pgb een originele nota kunnen overleggen. Het vastgestelde pgb is een maximumvergoeding. Als het bedrag op de ingediende nota lager is dan het toegekende pgb, wordt het pgb gelijkgesteld aan dat bedrag.
Hoofdstuk 6 Afspraken tussen ouder(s)/ jeugdigen en gemeenten
Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de ouder(s) en jeugdigen met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de ouder(s) en jeugdige wordt verwacht. Als de ouder(s) en jeugdigen rechten hebben, dan staan daar plichten tegenover. Houden de ouder(s) of jeugdigen daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de hulp in bepaalde gevallen wijzigen, beëindigen en/of terugvorderen. Hieronder staan de hoofdregels die daarvoor gelden.
Artikel 6.1 De rol van de gemeente
De gemeente zoekt samen met de ouder(s) en/of jeugdigen naar een oplossing voor zijn probleem. De gemeente en de ouder(s) en/of jeugdigen gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende:
de gemeente respecteert zoveel mogelijk de privacy van de ouder(s) en/of jeugdigen. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn. De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de aanvraag van de ouder(s) en/of jeugdigen en waarover de ouder(s) redelijkerwijs kunnen beschikken; en
De gemeente zorgt ervoor dat de ouder(s) en/of jeugdigen voldoende geïnformeerd blijven over deze punten.
de reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij:
de gemeente stuurt de ouder(s) en/of jeugdigen een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de ouder(s) en/of jeugdigen en wat zij daartegen kunnen doen. De gemeente maakt de ouder(s) en/of jeugdigen ook duidelijk op welke manier zij het gedrag kunnen aanpassen, zodat de relatie wordt hersteld en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet).
Artikel 6.2 De rol van de ouder(s) en jeugdigen
Artikel 6.5 Terugvordering hulp
De gemeente kan de geldwaarde van de Zorg In Natura (ZIN) die onterecht is ingezet of een pgb dat ten onrechte is verstrekt, terugvorderen. Dit kan als de gemeente de beslissing tot het verstrekken van een voorziening heeft ingetrokken of herzien, omdat de ouder(s) en/of jeugdige onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt (artikel 6.4 sub d).
Artikel 6.6 Voorkomen van misbruik
De gemeente kan één of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Deze toezichthouder houdt ook toezicht op de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van voorzieningen.
Hoofdstuk 7. Inspraak en participatie
In de jeugdzorg werken we niet voor, maar samen met jeugd en ouder(s). Hierbij is het van groot belang dat alle belanghebbenden input kunnen leveren. Cliënt- en jongerenparticipatie betekent dat ouder(s) en hun kinderen centraal staan in beleid en ondersteuning; zij hebben daarin een duidelijke stem. Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is immers bedoeld voor ouder(s) en jeugdigen die vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente. Met de ervaringen van de ouder(s) en jeugdigen kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe jeugdigen en hun ouder(s) invloed kunnen uitoefenen op verordeningen en beleid met bijbehorende jaarplannen.
Hoofdstuk 8. Kritiek op de uitvoering
De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat ouder(s) en/of jeugdigen het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een ouder en/of jeugdigen niet tevreden zijn, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente zet zich er dan voor in om de kritiek met de ouder(s) of jeugdigen te bespreken en na te gaan of er een passende oplossing is. Als dat niet lukt, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen. Bij problemen met jeugdhulp kunnen de ouder(s) en/of jeugdigen een vertrouwenspersoon spreken. Dit hoofdstuk sluit aan bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman.
De gemeente heeft daarvoor een klachtenregeling. Voor de afhandeling van klachten geldt het klachtenreglement van de gemeente Renswoude.
Ouder(s) en/of jeugdigen die niet tevreden zijn met een SKJ-geregistreerde jeugdprofessional kunnen in sommige gevallen een klacht kunt indienen bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd (SKJ). Een klacht kan op de website, via een digitaal klachtformulier (klachtenformulier) worden ingediend.
Artikel 8.3 Vertrouwenspersoon
De gemeente wijst jeugdigen, ouder(s) en andere verzorger(s) en opvoeders op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door een onafhankelijke vertrouwenspersoon. Jeugdstem (voorheen Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg/AKJ) huurt hiervoor vertrouwenspersonen van Zorgbelang in. De vertrouwenspersoon kan ondersteunen bij problemen, klachten en vragen over de (toegang tot) jeugdhulp.
Artikel 8.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld
Op grond van artikel 3.4 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) moeten aanbieders bij de toezichthouder Wmo en Jeugdwet (hierna: toezichthouder) binnen 3 werkdagen melding doen van iedere calamiteit die en elk geweld dat bij de verstrekking van de voorziening heeft plaatsgevonden. De meldingsverplichting heeft ten doel, dat de toezichthouder op de hoogte is van ernstige incidenten en situaties die naar zijn oordeel onderzoek en/of ingrijpen vereisen. Het centrale postadres voor meldingen is Kreupelstraat 1, 9712 HW Groningen. Het email-adres is calamiteitenwmo@groningen.nl .
Hoofdstuk 9. Kwaliteit en toezicht (inkoop en aanbesteding)
De diensten die de gemeente en aanbieders leveren, horen van goede kwaliteit te zijn. Diensten moeten aansluiten bij de behoeften van de ouder(s) en/of jeugdigen. Voor de gemeente geldt een aantal regels bij de inkoop van diensten. Dit hoofdstuk gaat over de kwaliteit, de inkoop en de aanbesteding van diensten.
|
Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: |
|
❖ Diensten van de gemeente zijn kwalitatief goed en passend. |
Artikel 9.1 Kwaliteitseisen aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbescherming en jeugdreclassering Jeugdhulpregio JeugdFV
De Jeugdhulpregio JeugdFV contracteert jeugdzorgaanbieders voor de hele regio. Ze bewaken de kwaliteit tijdens voortgangsgesprekken en locatiebezoeken. Voor aanbieders die niet zijn gecontracteerd kan een light overeenkomst worden afgesloten. Dit is een variant op het standaardcontract welke wordt beoordeeld door Jeugdhulpregio JeugdFV.
De jeugdhulpregio JeugdFV heeft toezichthouder(s) in dienst voor recht- & doelmatigheidsonderzoek. Deze toezichthouder(s) maken hun onderzoeksrapport actief openbaar en nemen daarbij de regels uit de Wet open overheid (Woo) en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) in acht. Ze functioneren onafhankelijk en zijn belast met:
Hoofdstuk 10. Van oud naar nieuw
In dit hoofdstuk zijn de laatste bepalingen opgenomen waarin wordt benoemd welke verordeningen vervangen worden door deze verordening en wanneer deze verordening ingaat. Ook staat hier dat de gemeente uitvoeringsregels kan vaststellen, en dat de gemeente van deze verordening kan afwijken als dit nodig is.
De gemeente kan nadere regels maken over de onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld. Met een nadere regeling worden bepaalde regels van de verordening verder uitgewerkt.
Artikel 10.2 Afwijken van de verordening (hardheidsclausule)
De gemeente kan afwijken van een bepaling uit deze verordening. Dit kan als toepassing van die bepaling volgens de gemeente een onredelijke uitkomst heeft voor de ouder(s) en/of jeugdige of voor een ander die direct bij het besluit is betrokken.
Artikel 10.3 Intrekken oude Verordening
De Verordening jeugdhulp 2015 Gemeente Renswoude wordt ingetrokken per de datum dat deze verordening ingaat.
Artikel 10.5 Ingangsdatum en naam
Bijlage 1 Richtlijn gebruikelijke hulp
Richtlijnen ten aanzien van gebruikelijke zorg van ouder(s) voor kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel in verschillende levensfasen van het kind in relatie tot AWBZ-zorg.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-101754.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.