Gemeenteblad van Beverwijk
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beverwijk | Gemeenteblad 2026, 1016 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Beverwijk | Gemeenteblad 2026, 1016 | beleidsregel |
Deze beleidsregel geeft inzicht in het toetsingskader voor aanvragen voor een exploitatievergunning voor een horecabedrijf in de gemeente Beverwijk.
Ook geeft dit beleid inzicht in de toezicht en handhaving met betrekking tot de horeca in het kader van de openbare orde.
De exploitatievergunning heeft als doel aantasting van het woon- en leefklimaat te voorkomen en de openbare orde en veiligheid te beschermen. Hiermee krijgt de gemeente Beverwijk handvatten om gericht toezicht en handhaving op de horeca uit te oefenen, ook in het kader van criminaliteitsbestrijding (in combinatie met de Wet Bibob en de vernieuwde beleidslijn Bibob).
Gelet op het feit dat alcoholschenkende horecabedrijven al over een alcoholwetvergunning beschikken, en daarom al zijn getoetst aan Wet Bibob, geldt voor hen een vrijstellingsbesluit. Indien de openbare orde dusdanig is verstoord, zal het vrijstellingsbesluit opnieuw worden beoordeeld en kan het zijn dat bepaalde categorieën of gebieden niet langer zijn vrijgesteld. Indien het vrijstellingsbesluit wordt gewijzigd en bepaalde categorieën daardoor een exploitatievergunning nodig hebben, zullen de betreffende horecabedrijven hiervan tijdig op de hoogte gesteld worden. Uitgangspunt is dat zij in dat geval ambtshalve een exploitatievergunning zullen krijgen. Ook zal dit voor nieuwe horecabedrijven duidelijk moeten zijn. Of een horecabedrijf onder het vrijstellingsbesluit valt, blijkt uit het vrijstellingsbesluit. Het meest actuele vrijstellingsbesluit is te vinden op www.beverwijk.nl.
In artikel 43a van de Alcoholwet is de verplichting tot een handhavingsstrategie voor deze wet. Deze strategie is vastgelegd in het Preventie- en handhavingsplan. In deze beleidsregel zal daarom niet verder ingegaan worden op overtredingen van de Alcoholwet.
Op grond van artikel 2:28 van de Algemene plaatselijke verordening is het verboden om een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
De Dienstenrichtlijn en de daaruit voortvloeiende Dienstenwet zijn in het leven geroepen om belemmeringen voor ondernemers binnen de Europese Unie zoveel mogelijk weg te nemen. Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Dienstenrichtlijn moet een vergunningstelsel gebaseerd zijn op criteria die beletten dat de bevoegde instantie haar beoordelingsbevoegdheid op willekeurige wijze uitoefent. Op grond van het tweede lid van dit artikel, onder d, e en f, zijn deze criteria duidelijk en ondubbelzinnig, objectief en vooraf openbaar bekendgemaakt.
Om discussie over mogelijke strijd met de Dienstenrichtlijn te voorkomen, is het noodzakelijk dat de burgemeester bij het toepassen van de weigeringsgrond beleidsregels vaststelt. Beleidsregels bevorderen de rechtszekerheid en de eenduidigheid voor aanvragers. De burgemeester kan ter motivering van zijn afwijzing van een vergunningaanvraag verwijzen naar deze beleidsregels.
In geval van verstoring van de openbare orde kan handhavend opgetreden worden op grond van artikel 172 Gemeentewet.
Hoofdstuk 2 - Exploitatievergunning
2.2 Vrijgestelde horecabedrijven ex artikel 2:28, vierde lid, Apv
De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen voor bepaalde horecacategorieën op grond van artikel 2:28 vierde lid Apv. Deze beleidsregel richt zich enkel op vergunningsplichtige horecabedrijven. Het meest actuele vrijstellingsbesluit is te vinden op www.beverwijk.nl.
Artikel 1:8 en artikel 2:28 tweede en derde lid van de Apv vormen samen het toetsingskader dat in dit hoofdstuk verder is uitgewerkt.
Onderdeel van de toetsing van een aanvraag voor een horecaexploitatievergunning, is de zogenaamde Bibob-toets. Verwezen wordt naar de Beleidsregel Wet Bibob gemeente Beverwijk voor het inhoudelijke toetsingskader.
2.4 Het aanvragen van een (nieuwe) exploitatievergunning
Er moet een nieuwe exploitatievergunning worden aangevraagd in geval van:
Geen nieuwe exploitatievergunning hoeft aangevraagd te worden indien het horecabedrijf reeds over een geldige Alcoholwetvergunning beschikt, afgegeven door de burgemeester van Beverwijk. In dat geval ontvangt de exploitant een exploitatievergunning van rechtswege.
Bij de overname van een bestaand horecabedrijf door een nieuwe exploitant, of bij wijziging van de ondernemingsvorm kan onder de volgende voorwaarden een gedoogbeschikking worden afgegeven:
Via www.beverwijk.nl kan online een aanvraag worden ingediend. Daarnaast is er een papieren formulier beschikbaar, zodat deze per post kan worden ingediend. Voor het aanvragen van een vergunning is een aanvraagformulier vastgesteld. Naast het aanvraagformulier worden tenminste de volgende stukken overlegd:
2.5 De beoordeling van de aanvraag
De exploitatievergunning is primair een overlastvergunning: zij biedt de mogelijkheid preventief te toetsen of de exploitatie van een horecabedrijf zich verdraagt met het woon- en leefmilieu ter plaatse. Aan de exploitatievergunning kunnen voorschriften worden verbonden die de openbare orde beschermen. De burgemeester doet naar aanleiding van een aanvraag om een exploitatievergunning onderzoek naar het horecabedrijf in het kader van het belang de woon- en leefomgeving van de omwonenden te beschermen en belang van de exploitant om het horecabedrijf te exploiteren. Er moet daarbij voldoende blijk van een deugdelijke belangenafweging worden gegeven.
Bij de beoordeling van de aanvraag wordt rekening gehouden met de volgende informatie:
De exploitatievergunning kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:
De burgemeester kan de vergunning weigeren indien:
De burgemeester weigert de vergunning indien:
Toelichting op de weigeringsgronden
Openbare veiligheid en volksgezondheid
Op basis van artikel 1:8, eerste lid, van de Apv wordt in het kader van de volksgezondheid en de veiligheid geëist dat een horecabedrijf waar rookwaren zonder tabak worden voor directe consumptie worden verstrekt, bijvoorbeeld bij de exploitatie van een shishalounge, het horecabedrijf niet is gelegen onder, boven of naast een woning. Deze weigeringsgrond ziet op het daadwerkelijke gebruik van de woonruimte.
De reden hiertoe is dat gezondheidsrisico’s aan het gebruik van waterpijpen kleven. Er zijn negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit van niet alleen de bezoekers van het horecabedrijf, maar ook voor de directe omwonenden. Bij het inhaleren komen schadelijke stoffen vrij, zoals teer en koolmonoxide. Het maakt hierbij weinig verschil in welke vorm de waterpijp wordt gerookt. Deze schadelijke stoffen kunnen negatieve gevolgen hebben voor de gezondheid op zowel de korte als lange termijn.
Een ander risico is de toepassing van kooldeeltjes en het daarmee samenhangende brandgevaar. De kooltjes waarvan gebruik wordt gemaakt blijven zeer lang branden en kunnen ook na lange tijd nog overgaan tot her-ontbranding. Een waterpijp in zijn algemeenheid vormt een ontstekingsbron van waaruit brand kan ontstaan in het horecabedrijf die kan overslaan op de directe omgeving.
a. Strijd met geldend omgevingsplan
De exploitatievergunning kan worden geweigerd indien sprake is van strijd met het omgevingsplan. In principe zal de burgmeester de exploitatievergunning weigeren, omdat feitelijk geen gebruik kan worden gemaakt van de exploitatievergunning wegens handelen in strijd met het omgevingsplan.
Weigering van de exploitatievergunning blijft achterwege indien een omgevingsvergunning kan worden verleend voor het horecabedrijf.
b. Woon- en leefsituatie in de omgeving
Meldingen van overlast in of in de directe omgeving van het horecabedrijf worden als volgt beoordeeld. Er dient te worden nagegaan of de gemelde overlast aan de wijze van exploiteren door de exploitant kan worden toegerekend. Hierbij wordt ook het huidige woon- en leefklimaat meegenomen. De spanning waaraan het woonmilieu reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door vestiging van het horecabedrijf. In de belangenafweging moet nader gemotiveerd worden in hoeverre het belang van de exploitant bij vergunningverlening opweegt tegen de ervaren overlast als gevolg van het exploiteren van het horecabedrijf. Er moet daarom inzicht worden gegeven hoe deze belangen tegen elkaar zijn afgewogen en hoe daarbij de aspecten van geluid, vervuiling, verkeers- en parkeerdruk zijn onderzocht en betrokken. In het document ‘Uitgangspunten onderzoek leefomgeving horecabedrijf’, dat onderdeel uitmaakt van dit beleid, is beschreven hoe een aanvraag zal worden beoordeeld (bijlage I).
Waar nodig worden extra voorschriften aan de vergunning verbonden, zodat bestaande overlast of te verwachten overlast kan worden teruggedrongen, dan wel voorkomen.
Voorbeelden van ontoelaatbare overlast zijn hard dichtslaan portieren, schreeuwen op straat, wegscheurende gemotoriseerde voertuigen, licht handgemeen (duwen, trekken), geruzie, ledigen maag- en/of blaasinhoud in de omgeving van het horecabedrijf, etc. Bij gemelde overlast is het van belang deze een zo goed mogelijk beeld te krijgen. In geval van klachten moet het in ieder geval gaan om:
Overlast moet worden onderscheiden van “normale” redelijkerwijs te verwachten effecten van de bedrijfsvoering, zoals het op een normale manier komen en gaan van bezoekers.
Op grond van de Beleidslijn Wet Bibob gemeente Beverwijk vindt voor horecaexploitatievergunningen toetsing op grond van de Wet Bibob plaats. De toetsing van de aanvraag op grond van de Wet Bibob is bedoeld als een aanvulling op de bestaande mogelijkheden om een vergunning te weigeren of in te trekken. De Wet Bibob verruimt de mogelijkheden van gemeenten en andere bestuursorganen om zich te beschermen tegen het risico dat criminele activiteiten worden gefaciliteerd. De beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit belangrijke uitgangspunten van de wet. Het instrument Bibob dient dan ook een ultimum remedium te zijn. Het bestuursorgaan onderzoekt eerst zelf of er geen bestaande weigeringsgronden aanwezig zijn. Deze bestaande weigeringsgronden hebben ook betrekking op de integriteit van de aanvrager of vergunninghouder.
Exploitanten, leidinggevenden en beheerders hebben een belangrijke verantwoordelijkheid voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de onderneming en de openbare orde en veiligheid. Zij dienen verstoring van de openbare orde, zoals overlast, criminaliteit, geweld en alcoholmisbruik (en andersoortige verdovende middelen) te voorkomen en te beperken. Daarnaast zijn zij verantwoordelijk voor (de veiligheid van) hun personeel, bezoekers en de directe omgeving van het horecabedrijf en voor het signaleren en melden van misstanden, waaronder mensenhandel en uitbuiting.
Daarom geldt dat exploitanten, leidinggevenden en beheerders ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ mogen zijn. Bij de invulling van dit criterium komt de burgemeester beoordelingsruimte toe. Per geval moet hij onderbouwen welke feiten of omstandigheden reden zijn om het levensgedrag tegen te werpen.
Toepassing van de toets op levensgedrag, is een preventieve toets om risico’s voor de openbare orde en veiligheid of het goede woon- en leefklimaat te beperken. Slecht levensgedrag is een (zelfstandige) grond om de vergunning te weigeren of in te trekken, te weigeren om leidinggevenden of beheerders bij te schrijven op de vergunning, om extra voorwaarden aan de vergunning te verbinden of de bestaande exploitatievergunning in te trekken. Deze toets vindt in ieder geval plaats bij de aanvraag of wijziging van een exploitatievergunning. Daarnaast kan de burgemeester dit op ieder moment doen dat hij dit nodig acht.
De burgemeester maakt bij de beoordeling van slecht levensgedrag gebruik van de volgende informatiebronnen:
De volgende gedragingen kunnen in ieder geval worden betrokken bij de beoordeling van het levensgedrag:
Bij de beoordeling van slecht levensgedrag worden in principe alleen feiten die zich hebben voorgedaan in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het besluit meegenomen in de beoordeling. Dit geldt niet voor informatie van de Belastingdienst en overige fiscale feiten. Daarbij wordt gekeken naar de aard en de omvang van de informatie en of sprake is van een patroon om te beoordelen of dit relevant is op de toets op levensgedrag. Voor de exploitatievergunning van een coffeeshop kan tot 10 jaar worden teruggekeken. Bij de berekening is de pleegdatum leidend. De periode waarin een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of voorlopige hechtenis is ondergaan telt niet mee. De peildatum voor het vaststellen van de periode van vijf jaar betreft de datum van het primaire besluit.
Indien sprake is van een patroon kan de burgemeester bij zijn beoordeling wel feiten en omstandigheden meenemen van een periode langer dan vijf jaar geleden. Deze feiten en omstandigheden zijn echter niet meer voldoende om zelfstandig tot weigering dan wel intrekking te leiden.
Er is sprake van gedragingen die naar hun aard en ernst de vrees rechtvaardigen dat de aanwezigheid van de exploitant, leidinggevende of beheerder -als verantwoordelijke voor de exploitatie van het bedrijf of de activiteit- een bedreiging vormt voor de openbare orde, veiligheid of de kwaliteit van het woon- en leefklimaat in de buurt. Ook kan rekening worden gehouden met gedragingen die op zichzelf niet reeds als ernstig in vorenbedoelde zin worden beschouwd, maar die in samenhang met andere gedragingen een bepaald gedragspatroon opleveren dat voormelde vrees rechtvaardigt.
De omstandigheid of er een sanctie is opgelegd en de zwaarte van deze sanctie. Het is niet vereist dat er een sanctie is opgelegd om een feit mee te kunnen nemen in de beoordeling van het levensgedrag. Bij een sepot kan het feitencomplex informatie bevatten over de houding en het gedrag van de exploitant, de leidinggevende of beheerder die relevant is voor de toets op het levensgedrag. Het delict zelf zal niet worden meegenomen in de beoordeling, maar relevante informatie over houding en gedrag wel. Een dergelijk feitencomplex zal op zichzelf staand geen weigeringsgrond opleveren.
Voor horecabedrijven waar alcohol wordt geschonken worden alcoholgerelateerde feiten verzwaard mee.
Op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht beslist de burgemeester over maatwerk in gevallen waarin deze beleidsregels niet of onvoldoende voorzien en waarbij toepassing van het beleid leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard.
2.5.2 Inhoud en voorschriften vergunning
De sluitingstijden voor horecabedrijven en terrassen zijn in artikel 2:29 Apv geregeld. De burgemeester kan in de exploitatievergunning afwijken van de reguliere sluitingstijden en nadere regels stellen met betrekking tot de sluitingstijden.
Een eventueel terras mag slechts geplaatst worden in overeenstemming met de AVV terrassen en het omgevingsplan.
Hoofdstuk 3 Toezicht en handhaving exploitatievergunning
Handhaving dient het algemeen belang. De burgemeester is in beginsel ook verplicht te handhaven indien deze op de hoogte is van een overtreding. Om naleving te stimuleren wordt ook toezicht uitgevoerd op de naleving van de wet- en regelgeving om sanctioneren te voorkomen. In dit hoofdstuk wordt daar verder op ingegaan.
De stappenplannen in dit hoofdstuk pas ik toe per overtreder, en niet per inrichting. Als een overtreder zijn onderneming tussentijds (nadat het stappenplan is toegepast) overdraagt aan een ander, begint de nieuwe exploitant bij stap 1. Dit is anders als de oorspronkelijke overtreder nog steeds feitelijk het beheer uitoefent van de onderneming of hierbij nauw betrokken is (bijvoorbeeld als de ondernemingsvorm overgaat van een eenmanszaak in een BV, waarbij de betreffende overtreder aandeelhouder is).
Op een beschikking van mij is de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van toepassing. Voordat ik beschik, zoals het (tijdelijk) intrekken van de vergunning of het opleggen van een dwangsom, maak ik mijn voornemen hiertoe aan de overtreder kenbaar (tenzij vereiste spoed zich daartegen verzet). Ik stel de overtreder in staat een zienswijze naar voren te brengen. Indien van toepassing volg ik deze procedure ook voor de bestuurlijke boete (artikel 5:53 Awb).
Horecaondernemers zijn verantwoordelijk het naleven van de regels ter bescherming van de openbare orde en veiligheid en van het woon- en leefklimaat in en nabij het horecabedrijf. De gemeente Beverwijk vertrouwt erop dat de horecaondernemers hier hun verantwoordelijkheid in nemen. Hoewel preventieve maatregelen (duidelijke voorschriften opnemen in een vergunning, knelpunten bespreken in horeca-overleg) er juist voor moeten zorgen dat de overlast tot een minimum wordt beperkt, zal toch via toezicht en handhaving moeten worden gezorgd dat deze regelgeving ook daadwerkelijk wordt nageleefd. De toezicht en handhaving op exploitatievergunningen zal zoveel mogelijk integraal en informatiegestuurd plaatsvinden. Hierbij is gekozen voor de volgende integrale aanpak met daarin steeds de drieslag:
Dit betekent dat capaciteit wordt ingezet op plekken waar de problemen het grootst zijn, op basis van klachten, signalen en andere informatie. De gemeente legt in een handhavingsarrangement vast op welke wijze er op overtredingen wordt gereageerd. Bij overtreding van voorschriften voor horecabedrijven als genoemd in de Algemene plaatselijke verordening worden de instrumenten uit het handhavingsarrangement ingezet.
Het handhavingsarrangement zorgt ervoor dat afspraken rondom handhaving eenduidig en consistent worden uitgevoerd. Overtredingen worden alleen indien sprake is van bijzondere omstandigheden gedoogd. Als de openbare orde, veiligheid of het woon- en leefklimaat wordt aangetast kan de burgemeester een bestuurlijke maatregel treffen. Veelal zal bij een eerste overtreding eerst worden gewaarschuwd, zodat de overtreder de ruimte krijgt om zijn gedrag aan te passen en maatregelen te nemen. Indien dit achterwege blijft en een nieuwe overtreding volgt zal de gemeente ingrijpender optreden. Indien er sprake is van overtredingen met acuut gevaar en/of onomkeerbare en/of veiligheidsgevolgen (ernstige overlastsituaties) die direct handhaven vereisen, wordt er direct opgetreden, veelal door toepassing van spoedeisende bestuursdwang. In die gevallen kunnen stappen van de onderstaande handhavingsmatrix worden overgeslagen.
Hoofdstuk 4 Handhaving openbare orde
Hoe zwaarder de overtreding, hoe zwaarder het belang van handhaving weegt. De handhavingsmatrix als bedoeld in bijlage 3 wordt als leidende maatstaf gezien, maar per geval zal worden beoordeeld of de sanctie voldoende is om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Als naar de beoordeling van de burgemeester met een minder vergaande maatregel kan worden volstaan, zal hij daar gebruik van maken. De burgemeester gaat hier terughoudend mee om, omdat het belang van bescherming van de openbare orde en het voorkomen van (verdere) overlast zeer zwaarwegend is.
Op grond van artikel 2:30 Apv en artikel 172 en 174 van de Gemeentewet kan de burgemeester een horecabedrijf of gebouw voor een bepaalde duur of gedeeltelijk sluiten. Deze tijdelijke sluiting dient om de openbare orde en veiligheid in en om de inrichting te laten herstellen. Bij spoedeisende situaties (zwaar) wordt direct tot sluiting overgegaan. Bij de lichtere categorie overtredingen (licht) is het streven om binnen 2 weken na constatering van de overtreding de sluiting aan te kondigen. De tijdelijke sluiting van een horecabedrijf heeft tot doel het herstellen van de openbare orde en de overtreder ertoe te bewegen de sluitingstijden in het vervolg in acht te nemen. De dag of periode waarin het horecabedrijf wordt gesloten wordt als volgt bepaald:
In het algemeen zal voor horecabedrijven gelden dat vrijdag, zaterdag en zondag belangrijke dagen voor een horecabedrijf zijn waarbij de hoogste omzet van de week wordt gedraaid. Deze dagen leveren daarom een belangrijke bijdrage aan het bestaansrecht van een horecaonderneming. De aanvang van de tijdelijke sluiting voor één dag, twee dagen en zeven dagen zal daarom in het weekend zijn. Bij bepaling van het tijdstip waarop sluiting ingaat wordt rekening gehouden met het type horecazaak en de openingstijden. De hierdoor te derven inkomsten staan in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van het sluitingsbevel. De te verwachten gederfde inkomsten als gevolg van tijdelijke sluiting geeft naar verwachting voldoende financiële prikkel om de overtreder te bewegen voortaan de sluitingstijden in acht te nemen, zodat de openbare orde in en voor het horecabedrijf in het vervolg gehandhaafd blijft.
De vergunning kan worden ingetrokken of gewijzigd (artikel 1:6 Apv):
Het uitgangspunt hierbij is dat een exploitatievergunning wordt doorgaans ingetrokken indien als gevolg aanhoudend ongewenst gedrag van de exploitant van een horecabedrijf of een incident in het horecabedrijf het vertrouwen in de exploitant is weggevallen.
In de handhavingsmatrix is per situatie aangegeven welke stappen worden gevolgd voorafgaand aan intrekking van de exploitatievergunning bij een gewijzigde situatie, overtreding van de Apv of het niet naleven van de aan de vergunning verbonden voorschriften. Bij (tijdelijke) sluiting van de horecainrichting dient nader gemotiveerd te worden voor welke dag de sluiting geldt.
Bijlage I Uitgangspunten onderzoek leefomgeving horecabedrijf
Er moet na het onderzoek bij vestiging van een horecabedrijf voldoende blijk gegeven worden van de belangen van omwonenden dat de leefomgeving (woonomgeving en het woongenot) niet onaanvaardbaar wordt aangetast. Dit belang moet worden afgewogen tegen het belang van de vergunninghouder om het horecabedrijf te exploiteren.
Indien er aanleiding bestaat om te verwachten dat de woon- en leefsituatie in de nabijheid van de horeca-onderneming op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door het exploiteren of de wijze van exploiteren van een horecabedrijf, dan wordt de vergunningaanvraag geweigerd. Het onderzoek naar de te verwachten gevolgen van het exploiteren van een horecabedrijf op de desbetreffende locatie wordt als volgt verricht.
De parkeerbehoefte mag door vestiging van het horecabedrijf niet zodanig toenemen dat het woon- en leefklimaat onaanvaardbaar wordt aantast. Ook mag de openbare veiligheid ter plaatse niet in het gedrang komen als gevolg van het parkeergedrag van bezoekers aan het horecabedrijf. Dit geldt voor zowel fiets- als autoverkeer. Hiervoor wordt getoetst aan vigerend beleid.
Eventuele geluidsoverlast vanuit de horeca-inrichting moet worden betrokken bij beoordeling of de woon- en leefsituatie nadelig wordt beïnvloed. Dat de horeca-inrichting aan het Activiteitenbesluit voldoet is onvoldoende om aan te nemen dat de leefomgeving door geluidsproductie van een horeca-inrichting niet nadelig wordt beïnvloed, dit is immers een andere beoordeling dan de beoordeling of aan de geluidsnormen wordt voldaan. Het geluid, ook voor zover dat valt binnen de door de milieuwetgeving gestelde normen, maakt deel uit van de uitstraling in totaliteit van de inrichting op de omgeving en is dus mede bepalend voor het woon- en leefklimaat in de directe omgeving. Bijvoorbeeld: borrelend publiek op het terras, vertrekkende auto’s van publiek.
Voor horecabedrijven in het centrumgebied van Beverwijk geldt over het algemeen het volgende. Als het omgevingsplan horeca op het desbetreffende perceel toestaat, dan is gelet hierop is een zekere mate van overlast ten gevolge van de op het perceel te vestigen bedrijven reeds bij de vaststelling van het omgevingsplan voorzien. Gelet op het karakter van de straat en wijk waarin het perceel ligt, omgeven door gevestigde horecagelegenheden en detailhandel, moet enige overlast moet worden geaccepteerd. Het is over het algemeen niet aannemelijk dat normale overlast de gebruikelijke overlast in een dergelijk centrumgebied overschrijdt of van dien aard is dat de woon- en leefsituatie in de omgeving op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.
Een horeca-inrichting mag achtergrondmuziek produceren. Bij dit geluidsniveau worden de wettelijke geluidsnormen (meestal) niet overschreden.
Geluid op basis van het Activiteitenbesluit van de Wet milieubeheer
Wanneer een exploitant meer muziek wil produceren is hij of zij verplicht de akoestische situatie van zijn pand, in combinatie met de gewenste bedrijfsvoering, te laten onderzoeken en hiervan melding te doen bij de Omgevingdienst IJmond.
Voor de beoordeling van geuroverlast en het opslaan en aanbieden van bedrijfsafval vragen wij advies aan de Omgevingsdienst IJmond.
A. Handhaving exploitatievergunning
Exploitatie zonder geldige vergunning
Exploiteren van een horecabedrijf mag alleen met een geldige exploitatievergunning, tenzij sprake is van een vrijstelling van de vergunningsplicht of een gedoogverklaring is afgegeven. Dat geldt bijvoorbeeld ook wanneer de exploitatievergunning is verlopen en nog geen nieuwe vergunning is (aangevraagd en/of) verleend.
De burgemeester maakt in dergelijke gevallen gebruik van zijn bevoegdheid om de horeca-inrichting te sluiten (in beginsel nadat een waarschuwing is gegeven), tenzij de horecaondernemer zelf de inrichting gesloten houdt.
Er is in ieder geval sprake van illegale exploitatie als:
Wijziging van de inrichting en/of leidinggevenden
Indien de inrichting van het horecabedrijf wijzigt of nieuwe leidinggevenden werkzaam zijn in het horecabedrijf dient de exploitant dit te melden. De exploitatievergunning en/of het aanhangsel moeten in dat geval gewijzigd worden. Als blijkt dat de inrichting of het aanhangsel niet overeenkomt met de feitelijke situatie, is sprake van een overtreding.
Overtreden openings- en/of sluitingstijden
Horecabedrijven zijn gebonden aan de in artikel 2.29 APV opgenomen dan wel op grond van artikel 2.30 APV toegestane openings- en sluitingstijden, de specifiek nader in de exploitatievergunning vermelde openings- en sluitingstijden van de betreffende inrichting.
Er is sprake van schijnbeheer als blijkt dat niet de vergunninghouder feitelijk zeggenschap heeft over (en leiding geeft aan) het horecabedrijf, maar een persoon die niet als zodanig op de vergunning staat vermeld. Een reden kan bijvoorbeeld zijn dat een persoon vanwege zijn/haar strafrechtelijke verleden geen vergunning kan krijgen en daarom een ander de vergunning laat aanvragen.
Onder schijnbeheer worden die situaties verstaan waarbij de feitelijke eigenaar bewust op de achtergrond blijft en de feitelijke situatie niet overeen komt met het ‘papier’. Dit kan bijvoorbeeld zijn om een antecedentencheck te ontwijken. Op basis van het dossier zal de burgemeester beoordelen of voldoende aannemelijk is dat een schijnbeheerconstructie wordt gebruikt.
Strafbare feiten vanuit het horecabedrijf
Drugs of wapenhandel, aanwezigheid handelshoeveelheid drugs; (Damoclesbeleid is leidend, indien het Damoclesbeleid tekort schiet gelden de sancties uit het horecabeleid. Indien de drugs gelinkt kan worden aan de bezoekers geldt eveneens het horecabeleid. In beide gevallen geldt dat de constatering meetelt in de telling)
|
Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor één dag. |
||
|
Vooraankondiging sluiting en sluiting horecabedrijf voor twee dagen |
||
Het aantal overtreding is cumulatief. Indien eerst een strafbaar feit wordt gepleegd in de horeca inrichting en binnen een jaar sprake is van een ernstig incident geldt dat als een tweede constatering.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2026-1016.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.