Overwegingen ten aanzien van het besluit
overwegende, dat op de parallelweg van de Morsweg, die tussen de Reggesingel en Nijverheidsstraat in Rijssen ligt, veel voertuigen langdurig worden geparkeerd;
dat toezichthouders van de gemeente hebben geconstateerd dat het daarbij gaat om bedrijfsvoertuigen, zoals vrachtauto’s, autobussen en marktwagens, die vaak meerdere dagen achtereen ongebruikt op de weg blijven staan;
dat het hier gaat om een grote concentratie van het parkeren van dit soort voertuigen;
dat er meldingen van inwoners binnen zijn gekomen, waarin aangegeven wordt dat het normale gebruik van de weg belemmerd wordt door het langdurig stallen van de voertuigen;
dat de parallelweg Morsweg naast een invalsweg (N347) ligt en het daarom om een zichtlocatie gaat;
dat door het huidige parkeergedrag sterk afbreuk wordt gedaan aan het beeld van de omgeving;
dat de openbare weg niet bedoeld is als stallingsruimte voor bedrijfsvoertuigen;
dat in het belang van het in stand houden van de weg en het waarborgen van de bruikbaarheid daarvan en het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte aantasting van het karakter of van de functie van objecten of gebieden (artikel 2, lid 1 onder c. en artikel 2, lid 2 onder b. van de Wegenverkeerswet 1994), het gewenst is een parkeerverbod in te stellen voor de noordoostzijde van de rijbaan van de parallelweg Morsweg;
dat parkeren van voertuigen op het betreffende gedeelte van de rijbaan overdag plaats moet kunnen vinden, om aanliggende bedrijven en hun bezoekers niet te veel te belemmeren;
dat het in te stellen parkeerverbod daarom dagelijks dient te gelden tussen 20.00 uur en 08.00 uur;
dat de verwachting is dat het veelvuldig stallen van voertuigen daarbij niet meer op de parallelweg Morsweg plaatsvindt, omdat de voertuigen er dan niet meer doorlopend kunnen blijven staan;
dat er elders op het industrieterrein in Rijssen voldoende ruimte op/langs de openbare weg aanwezig is om de voertuigen, die tot op heden op de parallelweg Morsweg werden geparkeerd, te kunnen parkeren;
dat de verwachting is dat het parkeren zich daarbij minder op een specifieke plaats gaat concentreren;
dat aan de zuidwestzijde van de parallelweg Morsweg over de volledige lengte van de weg uitritten aanwezig zijn, met uitzondering van de eerste 15 meter vanaf de aansluiting met de Dannenberg;
dat op de eerste 15 meter vanaf de aansluiting met de Dannenberg daardoor aan de zuidwestzijde van de weg geparkeerd mag worden en het waarschijnlijk is dat dit gebeurt wanneer daar geen maatregelen tegen genomen worden;
dat parkeren op dit weggedeelte tot onveilige situaties leidt, omdat er door de aanwezigheid van een scherpe bocht bij de aansluiting van de parallelweg Morsweg op de Dannenberg heel weinig zicht is op tegemoetkomend verkeer;
dat daarom in het belang van het verzekeren van de veiligheid op de weg en het beschermen van weggebruikers en passagiers (artikel 2, lid 1 onder a. en b. van de Wegenverkeerswet 1994) een parkeerverbod ingesteld dient te worden voor de zuidwestzijde van de rijbaan van de parallelweg Morsweg, vanaf de aansluiting met de Dannenberg over een lengte van circa 15 meter;
dat de parallelweg langs de Morsweg in beheer is bij de gemeente Rijssen-Holten;
dat overeenkomstig artikel 24 van het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer (BABW) overleg heeft plaatsgevonden met de gemandateerd verkeersadviseur van politie-eenheid Oost Nederland;
dat de verkeersadviseur aangeeft dat de problematiek op de parallelweg langs de Morsweg opgelost kan worden door handhavend op te treden op grond van artikel 5:2, lid 3 onder a. van de Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Rijssen-Holten 2024 (APV) en hij daarom afraadt om de hiervoor beschreven verkeersmaatregelen te nemen;
dat artikel 5:2 van de APV juridisch gezien dermate veel ruimte overlaat om voertuigen te parkeren op de parallelweg Morsweg, dat de beschreven problematiek niet wordt opgelost door handhavend op te treden op basis van dit APV-artikel;
gelet op de Wegenverkeerswet 1994, het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 (RVV 1990) en het Besluit Administratieve Bepalingen inzake het Wegverkeer (BABW);