Gemeenteblad van Altena
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Altena | Gemeenteblad 2025, 78013 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Altena | Gemeenteblad 2025, 78013 | beleidsregel |
Kaderstellend Beleid Preventie, Vergunningen, Toezicht en Handhaving 2025 – 2029: Probleemgerichte aanpak fysieke leefomgeving
[Een deel van de tekst van deze bekendmaking is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: https://www.officielebekendmakingen.nl/dc-2025-1948.]
1. PREVENTIE, VERGUNNINGVERLENING, TOEZICHT EN HANDHAVING
Als gemeente richten we ons op de realisatie van de door ons gestelde doelen binnen de fysieke leefomgeving. Een onlosmakelijke taak die hierbij hoort is de zorg voor de goede naleving van wet- en regelgeving die aan de fysieke leefomgeving is gerelateerd. Wij doen dit door zorgvuldige, duidelijke, betrouwbare en transparante inzet van onze instrumenten: preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving. Het beleidsplan ‘Preventie, Vergunningen, Toezicht en Handhaving 2025–2029 van de gemeente Altena’ geeft hieraan invulling.
Het VTH-beleid 2020-2024 van de gemeente Altena is gedateerd. Het oude beleid is achterhaald door ontwikkelingen die landelijk, maar ook binnen onze regio plaats hebben gevonden. Als gevolg hiervan zijn ook onze doelen veranderd. Om deze redenen wordt het VTH-beleid 2020-2024 herzien, middels het beleidsplan ‘Beleid Preventie, Vergunningen, Toezicht en Handhaving 2025-2029’ (hierna: beleidsplan PVTH).
Het VTH-beleid 2020-2024 is opgesteld voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Omdat preventie nauw verbonden is met vergunningverlening, toezicht en handhaving, kiezen we voor een integraal beleidsplan waarin alle onderdelen (en dus ook preventie) zijn opgenomen: het PVTH-beleid. Hiermee dragen we zorg voor een goede, samenhangende kwaliteit van de uitvoering van de taken.
Het doel van dit document is tweeledig. Ten eerste gaan wij naar een risicogestuurd PVTH-beleid waarmee we op een proactieve wijze bepalen welke PVTH-instrumenten we waar (en dus ook waar niet) inzetten om de negatieve effecten van activiteiten in de fysieke leefomgeving te reduceren en daarmee een bijdrage te leveren aan onze verschillende doelen. Hierbij kan worden gedacht aan het al dan niet oppakken van klachten aan de hand van de risico’s zoals opgenomen in de risicomodule (zie ook het hoofdstuk ‘Instrumentarium’).
Ten tweede is uitgewerkt hoe de bijdrage aan het bereiken van de verschillende doelen gemonitord wordt om dit vervolgens ook periodiek te rapporteren. Dit gebeurt aan de hand van de doelen, waardoor de in dit document beschreven methodiek het ook mogelijk maakt om outcome gericht te (gaan) werken.
Met dit beleidsplan stellen we onszelf doelen, hebben we een kapstok voor de komende jaren, maken we onze werkwijzen inzichtelijk en nemen we anderen daarin mee.
1.3.1 Grondslag na de inwerkingtreding Omgevingswet
Met de in werking treding van de Omgevingswet is de wettelijke grondslag ten opzichte van het vorige beleidsplan, dat in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) was geschreven, gewijzigd. Hieronder is weergegeven welke grondslagen zijn opgenomen in de Omgevingswet, het bijbehorende Omgevingsbesluit en de Kwaliteitscriteria.
In hoofdstuk 18 van de Omgevingswet staan de criteria voor afstemming en coördinatie voor een doelmatige handhaving. De gemeente is verplicht zorg te dragen voor de kwaliteit van uitvoering van de VTH-taken. Daarnaast wordt de gemeente verplicht tweejaarlijks (art. 18.24 Ow) haar VTH-beleid te evalueren. Ten slotte zijn er criteria opgenomen voor het basistakenpakket van Omgevingsdiensten.
De eisen die worden gesteld aan een gesloten beleidscyclus bij de VTH-taken zijn opgenomen in de procescriteria en zijn uitgewerkt in hoofdstuk 13 van het Omgevingsbesluit. Deze procescriteria geven aan welke elementen minimaal aanwezig moeten zijn. De volgende procescriteria worden onderscheiden:
De meest opvallende wijziging ten opzichte van voorgaande jaren is het vervallen van de criteria voor monitoring.
In afdeling 18.3 van de Omgevingswet ligt de grondslag voor de kwaliteit van de uitvoering van de VTH-taken. Met de vaststelling van de Verordening uitvoering handhaving omgevingsrecht gemeente Altena d.d. 24 september 2024 hebben wij bepaald dat wij voor de uitvoering van onze VTH-taken voldoen aan de Kwaliteitscriteria (per 1 januari 2025 de Kwaliteitscriteria 3.0).
De kwaliteitscriteria hebben deels betrekking op de organisatie (proces en kritieke massa) en deels op de medewerkers (inhoud). Voor de organisatie betekent dit dat er een sluitende beleidscyclus moet zijn en er voldoende waarborg moet zijn in de continuïteit van de uitvoering van de taken. Op medewerkersniveau betekent dit dat de medewerkers voldoende deskundig moeten zijn om deze taken uit te kunnen voeren.
De kwaliteitscriteria worden voortdurend gewijzigd om de kwaliteit van de uitvoering naar een hoger niveau te tillen. Wij blijven op de hoogte van de wettelijke eisen en overleggen met onze buurgemeenten, de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant en de veiligheidsregio om inzicht te krijgen hoe andere overheden hier invulling aan geven.
Het voorliggende beleidsplan PVTH van de gemeente Altena geeft invulling aan de procescriteria.
1.4 De beleidscyclus: van Kaderstellend beleid tot jaarverslag
De beleidscyclus is een model dat de verschillende fasen beschrijft waarin beleid wordt ontwikkeld, uitgevoerd en geëvalueerd. Dit model werkt als een samenhangend proces met verschillende stappen waarin specifieke producten worden ontwikkeld, te weten:
Deze gestructureerde aanpak zorgt voor transparantie, flexibiliteit en een voortdurende verbetering van het beleid. In onderstaand figuur 1 en de onderliggende tekst wordt uiteengezet hoe deze producten in de beleidscyclus passen.
In deze paragraaf is de samenhang tussen de drie producten beschreven. Onderliggend document betreft alleen het eerste product: het kaderstellend beleid.
Figuur 1: Beleidscyclus met specifieke producten
Product 1: Kader met kaderstellend beleid
Voor de levering van het eerste product worden doelen geformuleerd op basis van problemen. De gemeente Altena legt de hoofdlijnen en randvoorwaarden voor het beleid vast zonder in detail te beschrijven hoe dit precies moet worden uitgevoerd. De uitkomst hiervan is een kaderstellend beleid. Dit biedt voor de uitvoering de flexibiliteit om de beleidsdoelen op een praktische en efficiënte manier te realiseren, terwijl de hoofddoelen en uitgangspunten bewaakt blijven.
Product 2: Uitvoeringsprogramma gebaseerd op het risicomodel (SHERPAL®Lite)
De risico’s van activiteiten worden inzichtelijk gemaakt met het risicomodel: SHERPAL®Lite. In SHERPAL®Lite zijn de doelen, zoals opgenomen in het kaderstellend PVTH-beleid, door middel van thema’s verbonden met activiteiten. Hierdoor zijn doelen, risico’s en activiteiten met elkaar verbonden. Per activiteit is uitgewerkt wat het bruto effect is en wat het reducerend effect. Het bruto-effect minus het reducerend effect resulteert in het netto-effect. De gemeente Altena kan een thema zwaarder of minder zwaar prioriteren waarmee rekenkundig het effect wordt vergroot of verkleint. Het effect wordt afgezet tegen het naleefgedrag. Het kruisvlak tussen effect en naleefgedrag bepaalt het risico getal. Het framework voor het bepalen van de risico’s is ook uitgelegd in hoofdstuk 4 van dit kaderstellend beleid.
Op basis van het kaderstellend beleid en het risicomodel: SHERPAL®Lite wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld. Per risicogetal is voor vergunningverlening aangegeven met welke diepgang een aanvraag gecontroleerd wordt en voor toezicht hoe vaak locatie wordt bezocht (controlefrequentie). Aan deze diepgang en controlefrequentie hangen kengetallen.
De risicomodule berekend ook hoeveel uur gereserveerd moet worden voor het uitvoeren van de vergunningverlening- en toezichtstaken. Deze gegevens worden opgenomen in het uitvoeringsprogramma. In het uitvoeringsprogramma is vervolgens nader uitgewerkt welk instrumentarium wordt ingezet.
Jaarlijks wordt beoordeeld welke bijdrage de uitvoering aan de doelen heeft geleverd. Dit vindt plaats in het jaarverslag.
Voor het opstellen van het jaarverslag wordt gekeken naar de resultaten van het beleid en hoe goed het risicomodel en het uitvoeringsprogramma hebben gewerkt (evaluatie). Effectiviteit, efficiëntie en maatschappelijke impact worden beoordeeld.
Het jaarverslag biedt een overzicht van de behaalde resultaten en maakt duidelijk hoe de middelen zijn ingezet. Het jaarverslag is een belangrijk document voor verantwoording naar de gemeenteraad, stakeholders en burgers.
1.5 Opbouw PVTH-beleidsplan en leeswijzer
In dit beleidsplan zijn de kaders beschreven om te bepalen waarop we ons de komende jaren gaan richten, op het gebied van voorkomen, beschermen, en herstellen van de fysieke leefomgeving. We doen dit aan de hand van de lemniscaat (gekantelde Big-8), omdat het een doorlopend proces van verbeteren is (zie figuur 2). Bovendien maakt deze lemniscaat onderscheidt tussen aan de linkerzijde het strategische deel, aan de rechterzijde het operationele deel en in het midden het tactische deel.
Figuur 2: Infinity Model (gekantelde big-8)
De symbolen die opgenomen zijn in figuur 2 corresponderen met de hoofdstukken en paragrafen van dit beleidsplan PVTH.
In deel I leest u in het eerste hoofdstuk welke ontwikkelingen er de komende jaren plaats gaan vinden en hoe de omgevingsscan is uitgevoerd. In hoofdstuk 2 zijn de constateringen uit de omgevingsscan en de daaruit voortvloeiende doelen verwoord. In hoofdstuk 3 zijn per resultaatgebied de doelen beschreven die zijn gekoppelde aan de verschillende thema’s waarin de fysieke leefomgeving is onderverdeeld. In hoofdstuk 4 is het framework beschreven aan de hand waarvan risico’s worden bepaald. Voor de risicobepaling wordt gebruik gemaakt van het digitale risicomodel SHERPAL® Lite, dat onderdeel is van het PVTH-beleid.
In deel II beschrijven we in hoofdstuk 5 welke instrumenten we tot onze beschikking hebben om de doelen te bereiken. In hoofdstuk 6 zijn de strategieën uitgewerkt die aangeven welke instrumenten wanneer ingezet worden om bijdrage te kunnen leveren aan de doelen. Hoofdstuk 7 gaat in op het uitvoeringsprogramma en in hoofdstuk 8 staat hoe het financieel geborgd wordt.
In deel III gaat hoofdstuk 9 over onze mensen en de organisatorische condities. Hoofdstuk 10 Gaat in op de dienstverlening die we als gemeente bieden. Hoofdstuk 11 gaat in op de ondersteunende voorzieningen. In hoofdstuk 12 is beschreven hoe afstemming is gezocht met andere partners.
In deel IV wordt in hoofdstuk 13 ingegaan op de kwaliteitsborging. In hoofdstuk 14 zijn de indicatoren beschreven die we gebruiken voor de monitoring zoals beschreven in hoofdstuk 15 en waarmee we verantwoording afleggen. In hoofdstuk 15 wordt daarnaast ook ingegaan op de periodieke evaluatie.
DEEL I FRAMEWORK PROBLEEM- EN RISICOANALYSE
Onvoldoende middelen en capaciteit om op alles toe te zien noodzaakt ons om te kiezen waar wel en waar geen inzet plaatsvindt én met welke intensiteit deze inzet plaatsvindt.
Om te bepalen waar inzet plaatsvindt is een probleem- en risicoanalyse uitgevoerd. In deel I is het framework voor deze probleem- en risicoanalyse uitgewerkt.
2 PROBLEEMANALYSE – OMGEVINGSSCAN –
Onze omgevingsscan bestaat uit drie onderdelen. Allereerst hebben we de (gewijzigde) wet- en regelgeving tegen het licht gehouden. Daarnaast zijn voor de komende vier jaar de ontwikkelingen binnen de gemeente geïnventariseerd. Ten slotte hebben wij een ambtelijke bijeenkomst georganiseerd waaraan afgevaardigden van de verschillende betrokken afdelingen hebben deelgenomen.
We beperken ons hier tot de relevante ontwikkelingen in het fysiek domein waarvan we nu verwachten dat die de komende 4 jaar een rol zullen spelen en in meerdere of mindere mate effect zullen hebben op de PVTH-taken.
Vanwege meerdere oorzaken (waaronder de stikstofproblematiek) zal de landbouw(sector) veranderen. De verwachting is dat dit tot functieveranderingen van agrarische (bouw)percelen zal leiden met de nodige omgevingsvergunningen (afwijkingen) tot gevolg.
De toegang tot energievoorzieningen c.q. aansluitingen op het energie-netwerk staat steeds meer onder druk. Deze beperkte toegang kan ertoe leiden dat ontwikkelingen vertragingen oplopen dan wel stagneren.
Door drinkwatermaatschappijen is aangegeven dat tot 2030 de vraag naar drinkwater zal stijgen. Door klimaatverandering en verontreiniging staat het aanbod ervan onder druk. Nu al komen er regionaal tekorten voor. Deze tekorten zullen mogelijk ook in onze gemeente gaan plaatsvinden. Wanneer dit het geval is zal dit een impact hebben op de ontwikkeling en realisatie van initiatieven.
2.3 Bijeenkomst betrokken afdelingen
Afgevaardigden van afdelingen van de gemeente Altena die werkzaam zijn binnen de fysieke leefomgeving hebben in een bijeenkomst de problemen voortkomend uit de probleemanalyse voorgelegd gekregen. Deze problemen zijn besproken waarbij gevraagd is deze problemen aan te vullen met nog niet opgenomen bekende problemen en om aan te geven waar de gemeente Altena de komende vier jaar haar aandacht op moet vestigen. Aan de bijeenkomst hebben ongeveer 25 personen deelgenomen.
In de Omgevingsscan is geïnventariseerd welke ontwikkelingen er spelen, welke problemen en aandachtsgebieden er zijn binnen de gemeente Altena.
Vervolgens zijn doelen geformuleerd op basis van de resultaten uit de omgevingsscan. In de ambtelijke bijeenkomst zijn de ontwikkelingen, problemen en doelen geverifieerd en aangevuld. Hieronder zijn de geconstateerde problemen en doelen die van toepassing zijn op de PVTH-thuistaken (taken die door de gemeente zelf worden uitgevoerd) per resultaatgebied weergegeven. We onderscheiden de volgende resultaatgebieden: Gezondheid, Bouwwerken, Ruimte en Maatschappelijke opgaven. Naast deze resultaatgebieden is ook het resultaatgebied Milieu van belang. Dit thema is echter niet meegenomen in dit PVTH-beleid aangezien de taken binnen dit resultaatgebied bij de Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant zijn belegd en worden meegenomen in het regionaal beleidsplan.
Dit PVTH-beleid is met nadruk géén toetsingskader voor vergunningverlening of toezicht en handhaving. Het wordt gebruikt om de effectiviteit te bepalen en daarop te (kunnen) verantwoorden en sturen. Doelen worden door middel van thema’s aan activiteiten (o.a. opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving) gekoppeld (zie onder andere tabel 1). In Deel IV, hoofdstuk 14 zijn de doelen vertaald naar indicatoren waarmee gemeten kan worden of een bijdrage is geleverd aan het desbetreffende doel.
In de Omgevingswet wordt de fysieke leefomgeving onderverdeeld in van thema’s. Onze doelen corresponderen met deze thema’s.
Gezondheid wordt niet alleen bepaald door de persoonlijke leefstijl die iemand erop na houdt. De wijze waarop de fysieke leefomgeving is ingericht beïnvloed ook de gezondheid van mensen, zowel op een positieve als negatieve manier. De goede kwaliteit van omgevingscomponenten zoals water, bodem en lucht bevordert de kwaliteit van het leven en de gezondheid van zowel mens als dier. Een slechte kwaliteit heeft dan ook een averechts effect op de gezondheid. Een gezonde, veilige en schone leefomgeving is dan ook onlosmakelijk verbonden met onder andere de thema’s geluid, lucht, water, licht en geur.
Naast bovengenoemde thema’s hebben thema’s zoals verkeer en zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) in de leefomgeving ook invloed op een gezonde leefstijl van individuen en kunnen de sociale cohesie van groepen bevorderen of belemmeren.
In onze gemeente streven we naar een gezonde toekomst waarin we ons richten op de bevordering van een gezonde leefstijl van onze inwonersi een gezonde economie en een gezonde leefomgevingii. Dat bereiken we door zorgvuldig om te gaan met elkaar en met onze leefomgeving.
3.2.1 Constateringen omgevingsscan
Binnen onze gemeente zijn er verschillende problemen die van invloed zijn op onze gezondheid. Sommige van deze problemen hebben een lokaal karakter, maar een deel van deze problemen heeft een regionaal of landelijk karakter. Onderstaand zijn deze problemen en aandachtsgebieden kort benoemd.
Water is een essentieel onderdeel van onze leefomgeving. Zeker in onze gemeente waar recreatie in en op het water van groot belang is zowel voor de economie als voor de ontspanning van de inwoners. Zwemmen is dan ook een zeer geliefde vorm van recreatie in onze gemeenteiii. Desondanks maakt 39% van de volwassen inwoners van onze gemeente zich zorgen over de invloed van de kwaliteit van het natuurwater op hun gezondheidiv. 7% van de ouders met kinderen jonger dan 11 jaar is bezorgd dat hun kind(eren) ziek worden door het zwemmen in natuurwater.v
Ook de luchtkwaliteit is van belang voor de gezondheid van de mens en zijn leefomgeving. Naast de invloed die de omgeving (bijvoorbeeld de temperatuur, de windrichting en windkracht en de wijze van bebouwing) heeft op de luchtkwaliteit, wordt door tal van activiteiten zoals de productie van bedrijven, de verwarming van woningen en de uitstoot van verkeer, de kwaliteit van de ons omringende lucht beïnvloed. In onze gemeente zijn volwassenen erg bezorgd over de blootstelling aan stoffen die zich in de lucht bevinden. Zo is 52% van de volwassenen bezorgd over de invloed van de blootstelling aan Stikstof en 60% van de volwassenen bezorgd over de invloed van de blootstelling aan fijnstofvi.
De kwaliteit van de leefomgeving wordt ook bepaald door de beleving van de leefomgeving door bewoners, inwoners en gebruikers. Hinder veroorzaakt door geluid, geur, (fijn)stof en licht bedreigt de kwaliteit van de leefomgeving en in belangrijke mate ook de gezondheid van de gebruikers van die leefomgeving. In onze gemeente ervaart 25% van de volwassenen hinder van licht en 18% van geluid. De grootste licht-, als geluidhinderbron betreft het verkeer in onze gemeente. 12% van de volwassenen ervaart ernstige hinder van geur. Hierbij wordt de meeste hinder ervaren afkomstig van het verbranden in een vuurkorf, openhaard of allesbrandervii.
De toename van het verkeer in de afgelopen jaren en de daarmee gepaard gaande hinder en verontrusting onder de inwoners van onze gemeente zorgt ervoor dat de leefbaarheid onder druk komt te staanviii. Volwassenen maken zich zorgen over de invloed die dit verkeer heeft op hun gezondheid (6%) en op de ruimte die er beschikbaar is voor hun kinderen om veilig te kunnen spelen (9%)ix
Wij willen als gemeente de positieve invloeden van de fysieke en sociale leefomgeving op gezondheid optimaal benutten door deze gezondheidseffecten bij de inrichting van de omgeving zwaar mee te laten wegen. Een gezonde leefomgeving is een omgeving waar mensen zich prettig voelen, die uitnodigt tot gezond gedrag en zo min mogelijk een negatieve invloed heeft op de gezondheid. Om gezond te blijven spreken we normen met elkaar af op het gebied van lucht-, licht-, geluid- en geurkwaliteit en houden ons hieraan. In een groenere omgeving hebben mensen minder klachten en voelen zij zich zowel psychisch als fysiek gezonder.
In tabel 1 zijn de relaties binnen het resultaatgebied Gezondheid tussen de thema’s en de doelen die we willen bereiken weergegeven. Een sterretje (*) betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Tabel 1: Resultaatgebied Gezondheid
Onder het resultaatgebied 'Bouwwerken' wordt verstaan zowel de technische bouwactiviteit (het plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk) als het gebruiken van een bouwwerk. Het ruimtelijke aspect van een bouwwerk is opgenomen onder het resultaatgebied 'Ruimte'.
Bij het plaatsen, oprichten vernieuwen, veranderen of vergroten van bouwwerken zijn het gebruik van (circulaire) grondstoffen en een zodanige aanpassing dat energiezuinig kan worden gewoond van belang. Bij de sloop van bouwwerken speelt de juiste verwijdering van afvalstoffen die een gevaar voor de omgeving kunnen opleveren een grote rol. Bij het gebruiken van een bouwwerk moet worden gedacht aan thema’s zoals het hebben van een goede ventilatie, geen overlast hebben van geluid van omwonenden, regen of grondwater én het er warm bijzitten in de koudere perioden.
3.3.1 Constateringen omgevingsscan
Op dit moment (2024) telt onze gemeente 58.274 inwoners en zo’n 23.200 woningen.x Het aantal inwoners is de afgelopen tijd gegroeid en groeit de komende tijd nog verder door. Dit komt voornamelijk door vestiging uit andere Nederlandse gemeenten en door de komst van arbeidsmigranten vooral uit Midden- en Oost-Europese landen. De prognose is dat de gemeente tot 2035 met 5,81% zal groeien.xi Door nieuwbouw komen er jaarlijks woningen bij echter te weinig om de geprognotiseerde groei op te vangen.
Door haar ligging is onze gemeente een aantrekkelijke gemeente om in te wonen wat zorgt voor groei van het aantal woningzoekenden. Dit terwijl het aanbod van woningen achterblijft. Net zoals in grote delen van het land is het ook in onze gemeente moeilijk voor starters, nieuwkomers en doorstromers om in de huidige woningmarkt passende en betaalbare woonruimte te vinden.xii
We zien in onze gemeente ook de samenstelling van huishoudens veranderen: huishoudens worden kleiner. Op dit moment bestaat 29% van alle huishoudens uit één persoon, 39% uit gezinnen met kinderen en 33% uit meerdere personen zonder kinderen.xiii Vooral door de vergrijzing gaat het aantal huishoudens sterk toenemen. Veel ouderen voelen zich in staat om in hun vertrouwde omgeving en eigen woning, vaak niet aangepast aan de behoefte van de bewoner, te blijven wonen. Deze woningen zijn vaak geschikt voor (grote) gezinnen die nu niet door kunnen groeien. Levensloopbestendige en aangepaste woningen zijn er te weinig wat ervoor zorgt dat ouderen langer in niet-aangepaste woningen blijven wonen.xiv
De uitvoering van het huidige woningenbestand is zeer gevarieerd. Bij de bestaande oudere woningen in onze gemeente zien wij dat 2 op de 3 woningen niet goed zijn geïsoleerd waardoor veel warmte verloren gaat in de koude periode wat weer leidt tot hoge energiekosten en een grote CO2 uitstoot.xv In de warme periode leidt deze slechte isolatie juist weer tot een hete woning met weinige koele ruimte. De nieuwere woningen zijn in tegenstelling tot de oudere woningen zo goed geïsoleerd dat warmte in de woning nergens heen kan. Een verkoelende luchtstroom is niet te realiseren doordat deze woningen onvoldoende zijn geventileerd. Zeker in woningen die overbewoond worden, een fenomeen dat wij vaker aantreffen bij de huisvesting van arbeidsmigranten, kan dit tot een ongezond en onveilig woonklimaat leiden.
Onze gemeente is een gebied met veel cultuurhistorische waarden. Cultuurhistorie werkt op veel vlakken door in de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. De aanwezige historische kenmerken in onze gemeente bieden kansen bij de ontwikkeling van de gemeente en het versterken van de lokale identiteit. Het draagt bij aan een aantrekkelijke gemeente om te wonen, werken en recreëren. We stimuleren het behouden, ontwikkelen, beleven en beschermen van ons erfgoed voor huidige en toekomstige generaties. Dit is echter ook een zeer kostbare en arbeidsintensieve aangelegenheid. Daarnaast proberen wij ons erfgoed ook toekomstbestendig te maken door verduurzaming of herbestemming.xvi
Kenmerkend voor Altena zijn onder andere de vestigingen en forten die deel uitmaken van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, de historische dijken met hun karakteristieke dijkwoningen en de lintvormige plattegronden van de meeste dorpen in Altena.
Wij willen als gemeente dat elke inwoner van onze gemeente goed, veilig en betaalbaar moet kunnen wonen. Betaalbare woningen voor starters en meer kleinere woningen voor de steeds grotere groep oudere huishoudens zijn daarbij van groot belang. Naast energieneutrale nieuwbouw moet de kwaliteit van onze bestaande woningvoorraad ook op peil blijven door verduurzaming en het aanpassen van woningen zodat mensen (ouderen, zorgbehoevenden) langer zelfstandig kunnen blijven wonen.
Het wonen, verblijven en recreëren vindt binnen onze gemeente plaats in een omgeving met veel cultuurhistorische waarden van het gebied die wij op een respectvolle manier behouden, ontwikkelen en beschermen.xvii
In tabel 2 zijn de relaties binnen het resultaatgebied Bouwwerken tussen de thema’s en de doelen die we willen bereiken weergegeven. Een sterretje (*) betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Tabel 2: Resultaatgebied Bouwwerken
Onder het resultaatgebied ‘Ruimte’ verstaan wij: De indeling van de ruimte en de toewijzing van de locaties van waaruit activiteiten plaatsvinden, de invloed van deze activiteiten op de leefruimte en de effecten daarvan op de fysieke leefomgeving (o.a. lucht, geluid, natuur, wonen, veiligheid etc.). In dit resultaatgebied komen de verschillende thema’s aan bod die wij belangrijk vinden bij de inrichting van de leefruimte.
Bij het toestaan van activiteiten moet worden gekeken naar de potentiële effecten daarvan. Dit ter voorkoming van norm overschrijdende emissies en (gegronde) klachten. Zo zal bij het toestaan van een activiteit (bijvoorbeeld een padelbaan) eerst beoordeeld moeten worden of de emissies (in het geval van een padelbaan de geluid- en lichtbelasting) wenselijk zijn op de nabijgelegen (gevoelige) objecten. De regels moeten vervolgens zodanig zijn opgesteld dat bij overtreding handhavend kan worden opgetreden.
3.4.1 Constateringen omgevingsscan
De gemeente Altena ligt ingeklemd als een ‘eiland’ tussen de rivieren de (boven en nieuwe) Merwede, de Waal, de afgedamde Maas, het Heusdens kanaal, de Bergse Maas en aan de westzijde grenzend aan de Biesbosch.xviii Het ‘eiland’ is gedeeltelijk een ‘badkuip’ omgeven door de grote rivieren. Effecten als bijvoorbeeld, wateroverlast in de laaggelegen polders en kernen, droogte in de wat hoger gelegen gebieden en hitte in de kernen komen steeds vaker voor. Daar moeten we ons en onze leefruimte goed op voorbereiden.xix
Zoals in het resultaatgebied Bouwwerken aangegeven is onze gemeente door haar ligging een aantrekkelijke gemeente om in te wonen. Niet alleen jongeren die in de gemeente zijn opgegroeid willen blijven wonen, maar ook van buiten de gemeente komen woningzoekenden naar onze gemeente toe. Terwijl het aanbod van woningen achterblijft is er voor deze starters, nieuwkomers, doorstromers en arbeidsmigranten geen passende en betaalbare woonruimte te vinden.xx
Daar waar mensen wonen zullen ook goed bereikbare voorzieningen zoals zorg, winkels, scholen en mogelijkheden tot ontspanning en te sporten aanwezig moeten zijn. In kernen van onze gemeente zijn de noodzakelijke voorzieningen van onvoldoende kwaliteit en zijn deze slecht bereikbaar of toegankelijk. Veel voorzieningen en ontmoetingsplekken zijn verdwenen. Daar waar nieuwe voorzieningen worden gerealiseerd vindt dit separaat plaats en niet in samenhang met andere versterkende voorzieningen (multifunctionele gebouwen).xxi
Verkeersstromen en ruimtelijke functies zijn niet los van elkaar te zien. Een goede doorstroming van verkeer, een optimale inpassing in aantrekkelijke leef- en verblijfsgebieden en een zo groot mogelijke verkeersveiligheid zijn van groot belang. Toch wordt er binnen onze gemeente overlast van verkeer ervaren. Met name het sluipverkeer afkomstig van de A27 speelt hier een rol bij, wat de komende jaren als aan de A27 gewerkt wordt mogelijk alleen maar zal toenemen.xxii
Toename van activiteiten binnen een gebied heeft effecten op de natuurlijke omgeving en kan afname of zelfs verdwijning van planten- en diersoorten tot gevolg hebben. In onze gemeente vinden wij het juist belangrijk (97%) dat er genoeg groen in de buurt is. Toch missen 15-17% van de ouders van kinderen tot 11 jaar groen in de omgeving zoals een grasveld of gebruiksgroen om hun kinderen te laten spelen.xxiii
Om een goed leefbare gemeente te zijn zullen wij ook op economisch gebied moeten blijven investeren. Naast de recreatieve sector die een grote rol speelt binnen onze gemeente hebben wij ook veel middelgrote en grote industriële bedrijvigheid binnen onze gemeente. Voor deze bedrijven is ook voldoende ruimte nodig. De behoefte aan deze ruimte is groot. Met name de vraag naar ruimte op bedrijfsterreinen (36 Hectare) is groter dan wij momenteel beschikbaar hebben (1,9 Hectare).xxiv Ook zal de energievoorziening voor deze bedrijvigheid op een betrouwbare en duurzame wijze moeten gaan plaatsvinden. xxv
Zoals ook in het resultaatgebied Gezondheid aangegeven hebben activiteiten altijd een effect op de leefomgeving. Ruimte die door de ene activiteit benut wordt belemmert of beperkt op zijn beurt weer een ander activiteit. Emissie en depositie als gevolg van activiteiten kunnen hierbij zelfs leiden tot normoverschrijdingen. Neem bijvoorbeeld geluidsemissies veroorzaakt door activiteitenxxvi of de depositie bij het (her)gebruik van grond als gevolg van grondverplaatsing door bouwwerkzaamheden.xxvii
Wij willen als gemeente dat onze beperkte leefruimte zodanig wordt gebruikt dat de overlast van activiteiten zoveel mogelijk wordt beperkt en de emissies binnen de normen blijven.
Hierbij zoeken wij naar een balans tussen de diverse ruimte vragende gebiedstypen (o.a. natuurlandschap, stedelijk gebied en bedrijventerreinen) waarbij wij onder ander ook oog houden voor de economische gevolgen van bedrijfsbeperkingen, de druk op omliggend natuurlijk groen en de toegang tot duurzame energie(bronnen).
In tabel 3 zijn de relaties binnen het resultaatgebied Ruimte tussen de thema’s en de doelen die we willen bereiken weergegeven. Een sterretje (*) betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Tabel 3: Resultaatgebied Ruimte
Onder het resultaatgebied ‘Maatschappelijke Opgaven’ verstaan wij opgaven die zo complex zijn dat deze niet alleen door overheden of semioverheden kunnen worden opgelost. Het is noodzakelijk dat onder andere ook bedrijven, onderwijs- en kennisinstellingen, belangenorganisaties en burgers een concrete en ondersteunende bijdrage leveren. Voor de aanpak van deze opgaven is dus een intensieve samenwerking tussen meerdere partijen noodzakelijk.
Denk bij dit soort opgaven aan de transitie naar een nieuwe vorm van energieopwekking en energiegebruik, de aanpak van de problemen over de woningtekorten en de woningbouw, klimaatverandering en de wijze waarop wij ons daarop proberen aan te passen én de aanpak van georganiseerde gezagsondermijnende criminaliteit.
3.5.1 Constateringen omgevingsscan
Lange tijd heeft het comfort van de mens centraal gestaan als teken van voorspoed en vooruitgang. In het afgelopen decennium is daar een kentering in gekomen doordat onze fysieke leefomgeving steeds vaker geconfronteerd wordt met een zeer wisselend weerbeeld, hevige neerslag en periodes van hitte en droogte. We herinneren ons de wateroverlast als gevolg van de extreme regenbuien in 2014 en 2015, daarna de drie droge zomers van 2018, 2019 en 2020 en steeds vaker een hittegolf.xxviii Meer dan 90% van de Nederlandse gemeenten hebben nog niet goed vastgelegd hoe zij met deze gevolgen van klimaatverandering om willen gaan, zo ook onze gemeente.xxix
We beseffen dat wij met onze welvaart en manier van leven een meer dan evenredig beroep doen op onze aarde en haar natuurlijke grondstoffen. Onze opgave ligt dan ook op het op een duurzame wijze in balans brengen van ons comfort, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de belasting van natuur en milieu en de aanpassing aan de verandering van het klimaat en onze leefomgeving.
Ons hele maatschappelijk functioneren is afhankelijk geworden van een goed functionerende energievoorziening. Afhankelijkheid van andere landen voor de levering van onze energie wordt daarbij steeds risicovoller zoals in de afgelopen jaren goed zichtbaar is geworden bij de levering van het gas dat wij verbruiken. Daarnaast gaat het gebruik van deze fossiele energiebronnen ook gepaard met een flinke uitstoot aan broeikasgassen.xxx
Om de uitstoot van broeikasgassen en daarmee ook het verbruik van fossiele brandstoffen te verminderen heeft de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) de afspraak gemaakt dat in 2025 zeven miljoen woningen en één miljoen gebouwen in de Nederlandse gemeenten voldoende zijn geïsoleerd, van het aardgas af zijn en gebruik maken van duurzame warmte en elektriciteit.xxxi De periode tot 2030 geldt als een aanloopperiode waarin ongeveer 20% van de totale opgave wordt aangepakt. Dat betekent dat er in de daaropvolgende 20 jaar nog een opgave van 80% ligt. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat de aanpak zich in de periode tot en met 2030 in ieder geval richt op het aardgasvrij-gereed maken van de woningen. Aan deze opgave zullen wij als gemeente ook een bijdrage moeten leveren.
In Altena heeft ongeveer 30% van alle woningen, dus zo’n 7.000 woningen, al een energielabel A of B. Dat betekent dat nog in ruim 15.000 woningen extra isolerende maatregelen nodig zijn. In de periode tot 2030 zal Altena, in lijn met de afspraken uit het Klimaatakkoord, 20% hiervan (dus 3.000 woningen) aardgasvrij-gereed maken.xxxii
Naast de aanpassing en renovatie van de bestaande woningen zullen er ook nieuwe woningen gebouwd moeten worden. Bij de bouw van deze woningen moeten wij rekening houden met de aanpassingen die noodzakelijk als gevolg van de verandering van het klimaat. Denk hier aan het voorkomen van wateroverlast bij hevige neerslag of overstroming en het voorkomen van hitteproblemen in woningen.xxxiii
Mede door de oorlog in Oekraïne en klimaatverandering zijn grondstoffen schaarser en duurder geworden.xxxiv Het gebruik van primaire grondstoffen onder andere in de bouwsector is daardoor onder druk komen te staan. Het wordt hierdoor steeds lucratiever om secundaire grondstoffen in te zetten.
Tot slot vormt de georganiseerde criminaliteit die de integriteit van onze samenleving aantast en bedreigt een grote maatschappelijke opgave. Kenmerkend voor deze gezagsondermijnende criminaliteit is de verwevenheid tussen onderwereld en bovenwereld en het misbruiken van overheidsvoorzieningen. Vaak zijn mensen zich niet bewust van de handelingen die ze verrichten en de soms verregaande gevolgen die deze kunnen hebben.
Wij willen als gemeente inzetten op een duurzame welvaart. Waarbij we erop sturen dat het welvaren van onze burgers een evenredig beroep doet op de fysieke leefomgeving.
Hierbij gaan we gezamenlijk met onze inwoners, bedrijven en organisaties er zorg voor dragen dat wordt ingezet op een adequate toegang tot duurzame energie. We anticiperen op het veranderende klimaat en het preventief aanpakken van ondermijnende criminaliteit.
In tabel 4 zijn de relaties binnen het resultaatgebied Maatschappelijke opgaven tussen de thema’s en de doelen die we willen bereiken weergegeven. Een sterretje (*) betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Tabel 4: Resultaatgebied Maatschappelijke opgaven
4 FRAMEWORK VOOR HET BEPALEN VAN RISICO’S
Als gemeente hebben we de taak en de verantwoordelijkheid om het effect van nadelige activiteiten op de fysieke leefomgeving te beperken. Activiteiten die door initiatiefnemers worden uitgevoerd hebben een effect op de fysieke leefomgeving, dit noemen we het bruto-effect. Dit bruto-effect wordt gereduceerd door middel van de inzet van onze reducerende maatregelen. Het netto-effect wordt bepaald door de mate waarin deze reducerende maatregelen worden nageleefd.
Omdat we niet voldoende middelen en capaciteit hebben om overal op toe te zien moeten we keuzes maken. Ons uitgangspunt is om de capaciteit en middelen in te zetten waar de effecten het grootst zijn en/of de naleving het slechtst.
4.1 Activiteiten en bruto-effect
Een activiteit vindt plaats binnen een gebied en heeft een invloed op de fysieke leefomgeving. De wetgever heeft deze activiteiten vastgelegd in verschillende wetten, besluiten en verordeningen. Een groot deel van deze activiteiten zijn vastgelegd in de Omgevingswet met bijbehorende besluiten zoals het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
De taken die we als gemeente hebben binnen de fysieke leefomgeving kunnen worden onderverdeeld naar thuistaken (taken die we als gemeente zelf uitvoeren) en OD-taken (taken die we gemandateerd hebben aan de Omgevingsdienst Midden-West Brabant). Hieronder is de onderverdeling van taken weergegeven.
Het uitvoeren van een activiteit heeft een effect op de fysieke leefomgeving, en draagt daarmee in enige mate (positief of negatief) bij aan een probleem of doel. Om te bepalen waar we onze middelen moeten inzetten, dient inzichtelijk te worden gemaakt wat het bruto-effect is van een activiteit. Het bruto-effect is het effect van een activiteit zonder dat er maatregelen zijn genomen om dit effect te reduceren. Het bruto-effect wordt uitgedrukt in een score van 2 tot en met 5 zoals weergegeven in tabel 5. Het bruto-effect kan géén score 1 hebben omdat in een dergelijk geval de activiteit een nihil effect heeft. Bij een nihil effect hebben wij geen opgave om dit effect re reduceren, dus ook geen PVTH-taak. In het risicomodel SHERPAL® Lite is het bruto-effect per activiteit opgenomen.
4.2 Reducerende maatregelen en netto-effect
Om het effect van een activiteit te reduceren heeft de wetgever voorschriften opgesteld. Deze voorschriften kunnen algemeen zijn, activiteit-specifiek en zelfs gebonden aan een initiatiefnemer of locatie. Algemene en activiteit-specifieke voorschriften zijn onder andere opgenomen in verschillende besluiten waaronder het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Locatie-gebonden voorschriften zijn onder andere opgenomen in de verschillende plannen (omgeving/bestemming) en in toestemmingen (vergunningen) die zijn verleend.
Het reducerend effect is het effect van een maatregel op het bruto-effect van een activiteit. Na reductie van het bruto-effect ontstaat het netto-effect. Het reducerend-effect wordt uitgedrukt in een reductiescore die zoals weergegeven in tabel 6 wordt toegekend:
Tabel 6: Toekenning reductiescore
|
geen cumulatieve1 voorschriften |
|
Voor de activiteiten die zijn opgenomen in het Bbl is het netto-effect bepaald. In het risicomodel SHERPAL® Lite is een overzicht opgenomen van het netto-effect per activiteit. Wat het netto-effect is, wordt bepaald door de mate waarin de reducerende maatregelen worden nageleefd.
Bij iedere controle wordt geregistreerd wat het naleefgedrag is van de initiatiefnemer (diegene die verantwoordelijk is voor het uitvoeren van de activiteit). Omdat niet van iedere (nieuwe) initiatiefnemer het naleefgedrag bekend is, is in het risicomodel SHERPAL® lite een inschatting gemaakt van de naleving.
Deze inschatting is gemaakt op activiteitniveau. Per activiteit is ingeschat wat de naleving is. Voor de inschatting van de naleving is aangesloten op de interventiematrix van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Hierin wordt onderscheid gemaakt in 4 niveaus van naleefgedrag, die onderstaand kort zijn toegelicht.
Goedwillend: de overtreder is proactief en geneigd om de regels te volgen, en/of de overtredingen zijn het gevolg van onbedoeld handelen of onbekendheid met de wet- en regelgeving;
Moet kunnen: de overtreder is passief of reactief, heeft een houding van ‘moet kunnen’ en/of de gevolgen van zijn handelen laten hem koud;
Calculerend: de overtreder wist of moest weten wat de gevolgen van de bevinding zouden zijn en neemt die op de koop toe, overtreder gaat alleen tot normconform gedrag over indien de toezichthouder daar uitdrukkelijk op wijst (of daarvoor een sanctie laat opleggen of oplegt), de overtreder neemt bewust risico(’s) op overtreding;
Crimineel: de overtreder overtreedt bewust en structureel de regels, belemmert bewust de controle, ontplooit of maakt deel uit van criminele activiteiten of van een criminele organisatie, waarbij sprake is van fraude, oplichting of witwassen.
De gehanteerde score-verdeling is in tabel 7 weergegeven. In het risicomodel SHERPAL® Lite is een overzicht opgenomen van het naleefgedrag per activiteit.
Tabel 7: Score-verdeling 4 niveaus van naleefgedrag
Bij de typering van de initiatiefnemer wordt niet alleen de constatering meegenomen, maar ook diens gedrag en toezicht- en handhavingshistorie. Wanneer er onvoldoende gegevens zijn om te typeren, dan is typering B (Moet kunnen) het vertrekpunt.
Om te bepalen met welke diepgang een aanvraag, wordt getoetst wordt gebruik gemaakt van de toetsmatrix in figuur 3 (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite). Op basis van het bruto-effect van een activiteit (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite) en het naleefgedrag wordt bepaald op welk niveau de aanvraag wordt getoetst. In tabel 9 is het toets niveau en de daarbij horende score weergegeven.
Tabel 9: Toetsniveau met bijbehorende score
In het risicomodel SHERPAL® Lite is het toetsniveau (tabel 9) toegekend aan de snijvlakken (1 t/m 16) van naleving met bruto effect zoals weergegeven in figuur 3.
Het bepalen van de bezoekfrequentie wordt bepaald met de toezichtmatrix in figuur 4 (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite). Uitgangspunt van de toezichtmatrix is proactief toezicht op basis van risico’s waarbij wordt ingezet vanuit de visie “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”.
Op basis van het effect en het naleefgedrag wordt bepaald met welke frequentie een activiteit wordt bezocht.
Onderscheid wordt hierbij gemaakt in de toezichtvormen cyclisch toezicht en vraaggestuurd toezicht. Cyclisch toezicht kenmerkt zich door een frequentie in tijd: het aantal keren dat een activiteit per jaar wordt gecontroleerd. Bijvoorbeeld het jaarlijks controleren van de brandveiligheidsvoorzieningen van een bejaardencentrum, hotel et cetera.
Vraaggestuurd toezicht kenmerkt zicht door een frequentie in aantal: het aantal keren dat een activiteit gecontroleerd wordt tijdens de uitvoering. Bijvoorbeeld het aantal controles tijdens het realiseren van een woning of ander bouwwerk.
Hoe hoger de score, des te vaker wordt de activiteit bezocht.
DEEL II VAN STRATEGIEËN NAAR UITVOERINGSPROGRAMMA
In dit deel wordt ingegaan op de instrumenten die we als gemeente tot onze beschikking hebben om een bijdrage te leveren aan het realiseren van onze doelen
Ook zijn de strategieën opgenomen die bepalen hoe we de instrumenten inzetten. Hoe we dit jaarlijks uitwerken in een uitvoeringsprogramma is opgenomen in het derde hoofdstuk. De wijze waarop dit financieel wordt geborgd is opgenomen in het laatste hoofdstuk van deel II.
De bescherming van de fysieke leefomgeving voor de huidige en de toekomstig generatie is een van de kerntaken van de gemeente. Uitvoering van deze kerntaak doen we door middel van de ons beschikbare instrumenten: preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving. De keten die vergunningverlening vormt samen met preventie, toezicht en handhaving zorgt ervoor dat het gedrag van de initiatiefnemers wordt gemonitord en waar mogelijk positief wordt beïnvloed om het effect op de fysieke leefomgeving te minimaliseren. Dit gebeurt in samenspel met de overige kerntaken waar wij als gemeente uitvoering aan geven. Hieronder zijn de instrumenten kort beschreven. Hoe een instrument moet worden ingezet is verder uitgewerkt in de verschillende werkprocessen met bijbehorende werkinstructies. Deze maken geen onderdeel uit van het beleidsplan PVTH, maar vormen hier een aanvulling op en zijn via Teams te raadplegen.
Met dit beleidsplan voegen we preventie toe aan ons instrumentarium, naast vergunningverlening, toezicht en handhaving. Door preventie heeft de gemeente contact met burgers en initiatiefnemers voordat er een overtreding heeft plaatsgevonden. Graag zien we dat burgers en initiatiefnemers betrokken zijn bij de door de maatschappij geformuleerde doelen en zorgtaken op het gebied van de fysieke leefomgeving. Op deze wijze kunnen we als gemeente voorafgaand aan initiatieven vanuit onze deskundigheid informatie delen of advies geven.
Met voorlichting wordt voorzien in de overdracht van kennis over de regelgeving, maar ook over motivaties om regels na te leven en de gevolgen van het overtreden van de regels. Hierdoor ervaart de burger daadkracht van de gemeente, wat het begaan van overtredingen ontmoedigt en het draagvlak voor handhaving vergroot.
Publiciteit is zowel een sanctie-instrument als een preventie-instrument. Wij hebben ervoor gekozen Publiciteit bij het instrument Preventie op te nemen omdat we publiciteit alleen gebruiken om iets te zeggen over naleving en pak- en sanctiekans.
Communicatiemiddelen die we gebruiken zijn doelgerichte brieven, persberichten, bijeenkomsten, artikelen in de lokale krant, brochures, de website van de gemeente en sociale media.
De Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Bibob) is een (preventief) bestuursrechtelijk instrument. Als er een ernstig gevaar dreigt dat vergunningen, subsidies (Beleidslijn BIBOB bij bouwvergunningen en subsidies) en aanbestedingen (Beleidsregels toepassing Wet BIBOB bij aanbestedingen en milieuvergunningen) worden misbruikt, kan het bevoegde bestuursorgaan de aanvraag weigeren of intrekken. Indien er goed gemotiveerde redenen zijn, kan hiervan afgeweken worden.
Met het inwerkingtreden van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) dragen partijen in de bouw zelf zorg voor het voldoen aan de voorschriften. Deze “zelftoetsing” wordt uitgevoerd door een onafhankelijke kwaliteitsborger. Deze vorm van “zelftoetsing” geldt vooralsnog alleen voor bouwwerken in de laagste risicoklasse, zoals eengezinswoningen en eenvoudige bedrijfspanden.
5.2.1 Vergunningen, meldingen en algemene regels
Een activiteit binnen de fysieke leefomgeving is vergunningplichtig wanneer deze verboden is op grond van de Omgevingswet of op grond van het omgevingsplan van de gemeente Altena, tenzij deze voldoet aan de eisen uit de algemene regels (rijksregels). Is de activiteit op basis van het Bbl meldingsplichtig, dan moet een melding worden ingediend.
In individuele gevallen kan worden afgeweken van bepalingen van het Bbl. Wij kunnen op eigen initiatief maatwerkvoorschriften opstellen over toegankelijkheid voor hulpverleningsdiensten (brandweeringang en mobiele radiocommunicatie tussen hulpverleningsdiensten). Op aanvraag van degene die een bouwwerk bouwt kunnen ook maatwerkvoorschriften voor andere belangen worden opgesteld (veiligheid, gezondheid, duurzaamheid, bruikbaarheid, toegankelijkheid en bouwwerkinstallaties). Deze mogen dan niet in strijd zijn met hogere regelgeving.
Vergunningverlening vraagt om een integrale aanpak. We kunnen gevraagd worden een advies te geven aan medewerkers van de gemeente Altena of een ander bevoegd gezag. Voorbeelden zijn: advies op een ruimtelijke onderbouwing, beoordeling van specialistische onderzoeksrapporten, et cetera. Advies aan initiatiefnemers vindt niet plaats.
5.2.4 Omgevingsplan en ruimtelijke plannen
We bewaken de stedelijke en landschappelijke leefomgeving middels ruimtelijke plannen (bv. Het Omgevingsplan). Voor initiatieven die niet passen binnen ons ruimtelijk beleid moet toestemming worden verleend. Voorafgaand hieraan dient door de initiatiefnemer te worden onderzocht wat het effect is van de activiteiten die in het kader van het plan worden uitgevoerd. Ook dient de initiatiefnemer aan te tonen welke stappen worden ondernomen om deze effecten tot een minimum te beperken. Als gemeente toetsen wij deze onderbouwingen.
Het doel van toezicht is het controleren of de initiatiefnemers de betreffende wet- en regelgeving naleven bij het uitvoeren van activiteiten. Om te bepalen waar we toezicht moeten uitvoeren maken we gebruik van een probleem- en risicoanalyse, zie deel I van dit beleidsplan.
5.3.1 Activiteitgericht toezicht
Bij activiteitgericht toezicht staat de activiteit die op een locatie wordt uitgevoerd centraal. Activiteitgericht toezicht houdt in dat op basis van de probleem- en risicoanalyse en de toezichtstrategie wordt bepaald met welke frequentie een activiteit wordt gecontroleerd. Een slecht naleefpercentage zorgt voor een hogere positie in de risicoprioritering. Hoe hoger de prioritering, hoe frequenter de controle.
Bij thematisch toezicht staat het thema of doel centraal. Met behulp van de probleem- en risicoanalyse wordt bepaald welke activiteiten een bijdrage leveren aan het thema. Doeltoezicht richt zich op een specifiek doel (zie hoofdstuk 3). Op basis van de risicoanalyse wordt bepaald welke activiteiten een bijdrage leveren aan het doel. De activiteiten worden vervolgens door de toezichthouder gecontroleerd.
Bij administratief toezicht vindt een beoordeling van de verstrekte gegevens plaats. We beoordelen de betrouwbaarheid, juistheid, volledigheid en de actualiteit van de stukken. Tot dit instrument behoort ook het beoordelen van een rapportage als gevolg van een controle, bijvoorbeeld een periodieke controle van de certificaten van brandveiligheidsinstallaties.
5.3.4 Klachten, meldingen en (handhaving)verzoeken
Klachten, meldingen en handhavingsverzoeken zijn instrumenten voor burgers en bedrijven (en in sommige gevallen overheden) om de gemeente te attenderen op (mogelijke) overtreding van wet- en regelgeving. Voor de aanname van klachten wordt gebruikgemaakt van de Fixi-app en de 24-uurs klachtendienst van de Omgevingsdienst Midden-West Brabant. Daarnaast kunnen via de website van de gemeente ook meldingen en klachten worden ingediend.
5.3.5 Vrijeveld toezicht (surveillance)
Met vrijeveld toezicht wordt gebiedsgericht gecontroleerd. Het doel van vrijeveld toezicht is veelal het opsporen van illegale activiteiten. Dit kan zijn het illegaal bouwen, illegaal storten van afval, strijdig gebruik van percelen en/of gebouwen, et cetera. Het is mogelijk om op projectmatige wijze te controleren en hieraan bepaalde prioriteiten te verbinden. Voorbeelden van projectmatige controles zijn: een handhavingsactie buitengebied, controle op bewoning door arbeidsmigranten/ spookwoningen, et cetera.
5.3.6 Toezicht op ondermijning
Deze vorm van toezicht richt zich op het herkennen, aanpakken en voorkomen van activiteiten die de integriteit van de samenleving, overheid en economie ondergraven. Dit toezicht overstijgt het fysieke domein en wordt uitgevoerd in samenwerking met verschillende handhavingspartners zoals de politie, belastingdienst en uitkeringsinstanties (sociaal domein). Op basis van signaleringen (vermoeden) wordt dit toezicht opgestart en op projectmatige wijze uitgevoerd.
Als gemeente opereren we binnen de kaders van het LHSO (Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht). Met het vaststellen van dit PVTH-beleid wordt op basis van de LHSO bepaald welke vorm van handhaving passend is, en wordt bepaald in hoeverre deze wordt opgevolgd en toegepast. Niet alleen de ernst van de overtreding wordt beoordeeld, maar ook het gedrag van de overtreder. Dit gedrag dient te worden bijgewerkt in het risicomodel SHERPAL® Lite.
Als gemeente kunnen we een waarschuwing geven. Deze waarschuwing kan mondeling maar wordt altijd opgevolgd door een schrijven (rapportage of brief). Hierin is de constatering opgenomen, is uitgewerkt wat de overtreding is en welke maatregelen genomen moeten worden om de overtreding ongedaan te maken. Dit schrijven wordt met foto’s en rapport(en) onderbouwd.
Preventieve last onder dwangsom
Als gemeente kunnen wij een persoon of organisatie een preventieve last onder dwangsom opleggen (artikel 5.7 Awb) waarbij wij vooraf waarschuwen dat een bepaalde actie of nalatigheid niet mag plaatsvinden en dat een dwangsom (financiële sanctie) wordt opgelegd als dit toch gebeurt.
Als gemeente kunnen we bij een overtreding een last onder dwangsom (artikel 5:31d Awb) opleggen. Met deze last wordt de overtreder gedwongen de overtreding geheel of gedeeltelijk te herstellen en hij wordt verplicht tot de betaling van een geldsom als de last niet, of niet tijdig wordt uitgevoerd.
Als gemeente kunnen we bij een overtreding een last onder bestuursdwang (artikel 5:21 Awb) opleggen. Met deze last wordt de overtreder gedwongen de overtreding geheel of gedeeltelijk te herstellen. Indien de overtreder dit niet doet kunnen we als gemeente het feitelijk handelen ten uitvoer brengen waarbij de kosten worden verhaald op de overtreder.
Naast normale bestuursdwang (artikel 5:25 Awb), kan de overheid spoedeisende bestuursdwang toepassen (artikel 5:31, lid 1, Awb. Spoedeisende bestuursdwang houdt in dat er wel een voorafgaand besluit is, maar geen begunstigingstermijn. Zeer spoedeisende bestuursdwang (artikel 5:31, lid 2, Awb) houdt in dat er ook geen besluit voorafgaat aan de bestuursdwang. Dan is er echt haast! Deze bevoegdheden zijn nuttig in crisissituaties. Daarbij is er vaak geen tijd om de overtreder zelf nog de kans te geven om de overtreding te beëindigen.
Wij kunnen bij een overtreding als deze op basis van LHSO is ingeschaald op het midden (A4, B3, B4, C2, D1 of D2) of zware segment (C3, C4, D3 of D4) een activiteit (tijdelijk) stilleggen.
Als gemeente kunnen we een proces (tijdelijk) schorsen of een besluit of verordening tijdelijk buiten werking stellen.
We kunnen ook een eerder genomen besluit of gedane uitspraak terugnemen. Dit kan zowel gebeuren om iets te corrigeren of als sanctie.
We kunnen een locatie sluiten. Dit is een vorm van bestuursdwang als bedoeld in artikel 5.21 Awb. Op grond van artikel 5.28 Awb kan de inrichting, het betreffende gebouw, terrein of hetgeen daarop bevindt verzegeld worden.
Bestuurlijke boete (artikel 5:40 Awb)
Onder bestuurlijke boete wordt verstaan: de bestraffende sanctie van een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom.
De wet Bibob kan preventief ingezet worden maar ook repressief. In het geval van criminele activiteiten kan na onderzoek een beschikking ingetrokken worden mits de intrekking evenredig is met de mate van het gevaar (art. 3 lid 5 Wet Bibob.)
Een schriftelijke weergave waarin een toezichthoudend ambtenaar verslag uitbrengt van in zijn of haar aanwezigheid geconstateerde feiten en omstandigheden, de persoonsgegevens van betrokkenen en getuigen. Een proces-verbaal is daarmee een bewijs van wat die persoon heeft gezien en geconstateerd.
Bestraffende sanctie, inhoudende een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom. Tegen deze boete kan bezwaar gemaakt worden bij het OM.
In overeenstemming met art. 13.5 van het Omgevingsbesluit wordt voor de uitvoering van onze taken een uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie toegepast.
In deel I van dit PVTH-beleid zijn de doelen beschreven die worden nagestreefd. In voorgaand hoofdstuk is beschreven welke instrumenten kunnen worden ingezet om een bijdrage te leveren aan deze doelen. In dit hoofdstuk wordt beschreven wanneer welke instrumenten worden ingezet en welke uitgangspunten hierbij worden gehanteerd. Voor het bepalen welk instrument het beste kan worden ingezet wordt gebruik gemaakt van onze uitvoeringsstrategie.
Onze uitvoeringsstrategie is opgebouwd uit verschillende strategieën. De strategieën zijn gebaseerd op landelijke strategieën en zijn aangevuld met regionale afspraken en gemeentelijke werkwijzen. In figuur 5 zijn de strategieën en hun samenhang schematisch weergegeven.
De preventiestrategie richt zich op het vergroten van de bewustwording bij initiatiefnemers. Hierbij wordt nagestreefd de betrokkenheid en het draagvlak voor spontane naleving van wet- en regelgeving te vergroten. Hiermee wordt getracht toezicht en repressieve handhaving te verminderen, omdat er minder overtredingen worden gepleegd. Om dit te bereiken zetten we preventie instrumenten (zie paragraaf 5.1) in.
Inzet van deze instrumenten zal het meeste effect hebben bij “goedwillenden”, toch hebben preventie maatregelen bij ander naleefgedrag ook een effect.
In onderstaande tabel 10 is opgenomen welk instrument het beste ingezet kan worden bij de verschillend type nalevingsgedrag.
Tabel 10: Inzet preventieve instrumenten
|
Bibob2 |
||||
Uitgangpunt bij vergunningverlening is dat initiatiefnemers verantwoordelijk zijn voor het indienen van goede en volledige aanvragen en meldingen. De ingediende informatie vormt immers de basis voor de te verlenen toestemming en daarna voor adequaat toezicht en eventueel handhaving. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het gelijkheidsbeginsel) zijn voor ons bepalend.
We hebben de taak om de verschillende belangen vanuit de verschillende disciplines te coördineren. De initiatiefnemer beschikt over één vast aanspreekpunt na indiening, de casemanager. Het risico dat bij vergunningverlening tegenstrijdige voorschriften worden gesteld wordt hierdoor verminderd. De casemanager krijgt vanuit de betrokken disciplines adviezen aangereikt en ziet toe op het integrale karakter van de omgevingsvergunning.
De verschillende vormen van vergunningen met de bijbehorende procedures zijn wettelijk vastgelegd en worden hier verder niet behandeld.
6.2.1 Samenwerking bij de vergunningverlening
Vergunningaanvragen worden beoordeeld vanuit de benodigde disciplines en afhankelijk van de aangevraagde activiteit vindt samenwerking plaats met diverse interne en externe adviseurs. Het overhevelen van taken naar de Omgevingsdienst Midden-West Brabant (OD-taken) betekent voor de gemeente dat een deel van de PVTH (milieu) taken extern worden uitgevoerd. Aanvragen voor monumenten worden getoetst door de Ruimtelijke kwaliteitscommissie. In voorkomende gevallen wordt advies gevraagd aan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Ook de Regionale brandweer Midden- en West-Brabant is een belangrijke samenwerkingspartner.
Welk instrument (zie paragraaf 5.2) wordt ingezet wordt (wettelijk) bepaald door het initiatief dat wordt aangevraagd. De verschillende initiatieven en de daarbij behorende wettelijk bepaalde instrumenten worden hier verder niet behandeld, maar kunnen worden gevonden in de vigerende van toepassing zijnde wet- en regelgeving.
Om te bepalen welk toetsingsniveau van toepassing is, wordt gebruik gemaakt van de toetsmatrix zie ook paragraaf 4.5). Hieronder zijn de niveaus kort beschreven. De niveaus zijn van toepassing op de zogenaamde thuistaken. Voor de andere (milieu)taken hanteert de Omgevingsdienst Midden-West Brabant haar eigen niveaus.
Uitgangspuntentoets: bevatten de beschikbare stukken voldoende informatie over de uitgangspunten? Gecontroleerd wordt of de (globale) uitgangspunten die zijn aangeleverd voldoende zijn om het desbetreffende aspect te kunnen toetsen.
Visueel toetsen: kloppen de uitgangspunten en lijken de uitkomsten aannemelijk? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de stukken die zijn aangeleverd om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn, waarbij van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk.
Representatief toetsen: kloppen de maatgevende onderdelen? Gecontroleerd wordt of de uitgangspunten op de aangeleverde stukken om het betreffende aspect te kunnen toetsen in de juiste vorm zijn. Van ieder te toetsen aspect wordt nagegaan of de uitgangspunten juist zijn en of de uitkomsten aannemelijk zijn. De maatgevende berekeningen worden gecontroleerd dan wel nagerekend.
Volledig toetsen: gelijk aan niveau 3 waarbij aanvullend alles in samenhang controleren en o.a. de maatgevende berekeningen worden nagerekend.
Om te bepalen met welke diepgang een aanvraag van Thuistaken wordt getoetst wordt gebruik gemaakt van de toetsmatrix opgenomen in figuur 6 (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite). Op basis van het bruto-effect van een activiteit (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite) en het naleefgedrag wordt bepaald op welk van de bovengenoemde niveaus de aanvraag wordt getoetst.
Een toezichtstrategie geeft aan welke instrumenten (zie paragraaf 5.3) worden ingezet om vast te stellen of wet- en regelgeving worden nageleefd en hoe deze worden georganiseerd.
Om na te gaan of voorschriften ook gedurende langere tijd en in alle situaties worden nageleefd, is het noodzakelijk om toezicht uit te voeren.
Bij cyclisch toezicht staat de continuïteit of het repetitief karakter van een locatie gebonden activiteit centraal. Denk hier bijvoorbeeld aan brandveiligheidscontroles van bestaande bouwwerken.
Bij projecttoezicht worden de toezichtcontroles (anders dan bij cyclisch toezicht) binnen een bepaald tijdsbestek en een bepaald onderwerp gehouden, op vooraf vastgestelde dagen bij geselecteerde activiteiten. De looptijd van dergelijke projecten kan verschillen van één dag tot drie maanden.
Vraaggestuurd toezicht houdt in dat toezicht wordt uitgevoerd naar aanleiding van een vraag. Dit kan een aanvraag betreffen maar ook een klacht of handhavingsverzoek.
6.3.2 Toezicht en Instrumenten
Om na te gaan of voorschriften ook gedurende langere tijd en in alle situaties worden nageleefd, is het noodzakelijk om toezicht uit te voeren. Met welk instrument toezicht wordt gehouden is in onderstaande tabel 11 toegelicht.
Het bepalen van de bezoekfrequentie (het aantal toezichtbezoeken per jaar) wordt bepaald met onderstaande toezichtmatrix in figuur 7 (ook opgenomen in het risicomodel SHERPAL® Lite). Uitgangspunt van de toezichtmatrix is proactief toezicht op basis van risico’s waarbij wordt ingezet vanuit de visie “meer toezicht waar nodig, minder waar mogelijk”.
Cyclisch toezicht en vraaggestuurd toezicht kennen elk een eigen toezichtmatrix die in het risicomodel SHERPAL® Lite zijn opgenomen. Op basis van het effect van een activiteit) en het naleefgedrag wordt bepaald met welke frequentie een activiteit wordt gecontroleerd.
Op basis van de LHSO kan onderscheid worden gemaakt van goedwillende overtreders tot calculerende overtreders. De output van de LHSO wordt gebruikt als input voor preventie in het geval het gedrag goedwillend is gebleken. Het gedrag van calculerende overtreders wordt - vanuit het voordeel dat zij hier mee behalen – juist aangepakt door extra inzet op toezicht en (strafrechtelijke) handhaving. De invulling hiervan is dat handhavingsacties die in eerste plaats gericht zijn op het beëindigen van de overtreding en op herstel van de gevolgen. Hiervoor worden bestuursrechtelijke instrumenten ingezet. Bij moedwillige overtreders willen we voorkomen dat soortgelijke overtredingen (nogmaals) worden begaan. Hiervoor zetten wij de bestraffende, strafrechtelijke instrumenten in.
Hoewel alle overtredingen worden aangepakt, betekent dit niet dat repressief optreden altijd vóór andere (toezichts-)activiteiten gaat. Er wordt gekeken naar de urgentie van de overtredingen. Heterdaad overtredingen en/of overtredingen waarvan directe beëindiging leidt tot het beperken van gevolgen, worden met voorrang opgepakt. Overige overtredingen waarbij de gevolgen voor de leefomgeving beperkt zijn, worden gepland.
6.4.1 Richtlijn handhaving bij overtreding door de eigen organisatie.
Het kan voorkomen dat de eigen organisatie een handeling verricht die in strijd is met de wettelijke regels. Hierbij kan gedacht worden aan het wijzigen van een gemeentelijk eigendom terwijl er geen omgevingsvergunning is verleend. Als dit geconstateerd wordt moet hiertegen opgetreden worden. Om te zorgen dat er in voorkomende gevallen gelijkluidend zal worden opgetreden is deze richtlijn opgesteld.
In eerste instantie zal er bij het constateren van een overtreding een collegiaal overleg plaats vinden. De werknemer die de overtreding heeft geconstateerd zal mondeling contact opnemen met zijn collega die betrokken is bij de gemaakte overtreding. Hij zal trachten het probleem op te lossen. Van het contact zal een schriftelijke notitie gemaakt worden die in het handhavingsdossier gevoegd zal worden.
Als het overleg niet leidt tot het opheffen van de overtreding na het collegiaal overleg zal de werknemer die de overtreding heeft geconstateerd de uitkomst van het gesprek terugkoppelen met het directielid. Het directielid zal de overtreding en het hieraan gekoppeld collegiaal overleg bespreken in het overleg directieteam-overleg.
3. Besluit burgemeester en wethouders
Als er via het overleg directieteam-overleg geen overeenstemming bereikt zal worden over de geconstateerde overtreding zal een collegevoorstel worden opgesteld en voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders. De beslissing van het college is dan bindend. Het besluit wordt aan het handhavingsdossier toegevoegd.
6.4.2 Richtlijn handhaving bij overtreding door andere overheden.
Het kan voorkomen dat andere overheden een handeling verrichten die in strijd is met de wettelijke regelgeving. Hierbij kan gedacht worden aan overtreden van milieuregels het wijzigen van een eigendom terwijl er geen omgevingsvergunning is verleend. Als dit geconstateerd wordt moet hiertegen opgetreden worden zoals bij alle overige zaken volgens de handhavingsstrategie die is vastgelegd in de LHSO. Het gemeentebestuur dient zo spoedig mogelijk in kennis te worden gesteld van een handhavingszaak.
Het college van de gemeente Altena, en in voorkomende gevallen de burgemeester van Altena, heeft een wettelijke plicht om handhavend op te treden tegen diverse soorten overtredingen van verschillende soorten wetgeving. Dit handhavend optreden is het uitgangspunt. Er zijn echter situaties denkbaar waarbij handhaving tijdelijk niet wenselijk of zelfs onmogelijk is. Dit noemt men ook wel gedogen: “De bevoegdheid om op basis van een algemene belangenafweging tijdelijk en doelbewust op grond van een schriftelijk verzoek van de overtreder onder voorwaarden via een besluit geheel of gedeeltelijk af te zien van handhavend optreden tegen een overtreding”.
Gedogen blijft echter altijd een uitzondering. Maar om ervoor te zorgen dat gedogen eenduidig wordt toegepast, wordt een gedoogstrategie gehanteerd.
Het PVTH-beleid dat in dit beleidsplan is uiteengezet, dient vertaald te worden naar de uitvoering. De in dit beleidsplan opgenomen doelen, risico’s, prioriteiten, instrumenten en strategieën vormen het kader voor de programmering van de PVTH-taken van de gemeente Altena. De programmering is uitgewerkt in het jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma, dat bestuurlijk wordt vastgesteld.
In het uitvoeringsprogramma wordt aangegeven welke activiteiten in het betreffende uitvoeringsjaar worden uitgevoerd. Dit programma wordt op basis van risico’s proactief opgesteld. De Omgevingsdienst Midden-West Brabant stelt ieder jaar een eigen werkprogramma op voor de milieutaken die deze namens de gemeente Altena uitvoert. Ook dit programma wordt door het college vastgesteld.
Aan de hand van de doelen en budgetten uit de programmabegroting, de omgevingsanalyse, de prioriteitenstelling en het naleefgedrag wordt het jaarlijkse uitvoeringsprogramma opgesteld. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangegeven wat de verwachte productie is in termen van onder andere aantal te verlenen toestemmingen, ontheffingen, uit te voeren controles, binnengekomen en afgehandelde klachten en meldingen. In het uitvoeringsprogramma wordt ook rekening gehouden met de organisatorische en financiële mogelijkheden en de bestuurlijke ambitie.
Figuur 8: Samenhang beleidsplan, jaarverslag en uitvoeringsprogramma
Er is een onlosmakelijke samenhang tussen het beleidsplan, het jaarverslag en het uitvoeringsprogramma. Om deze samenhang te benadrukken wordt in het uitvoeringsprogramma het kader, het verslag, uitvoering preventie vergunningverlening, toezicht en handhaving (PVTH) van het lopende jaar en het uitvoeringsprogramma PVTH voor het komende jaar samengevoegd tot één document, in figuur 8 grafisch weergegeven.
Hierdoor worden de verbeterpunten van het lopende programma ook beter zichtbaar. Bovendien kunnen we de hieruit voorkomende resultaten gebruiken in het uitvoeringsprogramma van het komende jaar. Kortom, één document om beter inzicht te geven in de ‘Big 8’.
Het uitvoeringsprogramma bestaat uit drie delen die zowel tezamen als afzonderlijk te lezen zijn.
7.1.1 Deel I Kader Beleid PVTH
In deel I wordt het kader van het Beleid PVTH 2025-2029 beschreven. Hierin wordt toegelicht welke doelen worden nagestreefd en de wijze waarop tot het uitvoeringsprogramma wordt gekomen.
7.1.2 Deel II Verslag uitvoering lopend jaar
De verslaglegging over het lopende jaar van uitgevoerde PVTH-taken gebeurt in deel II. In dit deel wordt ingegaan op de bijdragen van de interventies uit het uitvoeringsprogramma van het lopende jaar voor zowel preventie, vergunningverlening als toezicht en handhaving op de geformuleerde doelen. Vervolgens dienen de resultaten, conclusies en aanbevelingen die hieruit volgen als input voor het uitvoeringsprogramma van het komende jaar (deel III).
De kosten voor de PVTH-taken binnen de gemeente Altena bestaan voornamelijk uit personele kosten van medewerkers en de gemeentelijke bijdrage aan de Omgevingsdienst Midden-West Brabant. Overige kosten zijn bijvoorbeeld: het registratiesysteem (dat wordt gebruikt voor werkzaamheden rondom omgevingsvergunningen) en de applicaties waarmee de toezichthouders werken.
De gemeenteraad heeft de bevoegdheid om financiële middelen beschikbaar te stellen. Er dienen voldoende middelen ter beschikking te zijn om de risico’s die met de uitvoering van de PVTH-taken worden tegengegaan tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. De financiële kaders zijn opgenomen in de begroting die aan de gemeenteraad in de reguliere planning- en control-cyclus (P&C cyclus) wordt aangeboden. De daadwerkelijke uitvoering (vastgelegd in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s) vindt plaats binnen de in de begroting opgenomen kaders voor personeelskosten en directe budgetten.
Momenteel loopt de cyclus voor het opstellen van het uitvoeringsprogramma uit de pas met de P&C cyclus. Het is het streven om deze cycli in overeenstemming te brengen.
In deel III wordt ingegaan op de organisatorische condities waaronder we uitvoering geven aan het PVTH-beleid, welke ondersteunende voorzieningen we daarbij hebben en hoe we afstemming zoeken met onze partners
Het college is het bevoegde bestuursorgaan op gebied van preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving voor de gemeentelijke taken. Binnen het college zijn portefeuillehouders aangewezen. Vergunningverlening behoort tot een andere portefeuille dan toezicht en handhaving. De portefeuillehouders zijn samen bestuurlijk verantwoordelijk voor het gevoerde beleid en de uitvoering van taken die binnen hun portefeuille vallen. Zij zorgen er als coördinerende bestuurders ook voor dat waar nodig op bestuurlijk niveau afstemming plaatsvindt, zodat er eenduidig en slagvaardig wordt opgetreden en gehandeld. De (beleids-)medewerkers die zich met PVTH-taken bezighouden hebben regelmatig overleg met de bestuurders om beleidsmatige en lopende zaken te bespreken.
De omvang van de werkvoorraad van preventie, vergunningverlening, toezicht en handhaving en de daarbij behorende capaciteit is afgestemd op de risico’s van activiteiten binnen de fysieke leefomgeving en de prioriteiten die wij geven aan de aanpak daarvan. Op het moment dat de omvang van de werkvoorraad in totaal of op onderdelen toe- of afneemt zal een (her)prioritering of (tijdelijke) uitbreiding in capaciteit moeten plaatsvinden. Daarnaast kan bij ondercapaciteit en bij tijdelijke werkpieken een beroep worden gedaan op de flexibele schil van de gemeentelijke organisatie. De verantwoording voor de prioritering en de bewaking van voldoende (adequaat) capaciteit is terug te vinden in het jaarlijks op te stellen uitvoeringsprogramma.
Blijvend inzetten op goede samenwerking en afstemming met zowel de Omgevingsdienst Midden-West Brabant is van belang, maar ook met andere partners, met name bij het aanpakken van ondermijning, zie ook hoofdstuk 12.
Vergunningverlening en toezicht en handhaving zijn binnen de gemeente Altena gescheiden. Dit om te voorkomen dat er belangverstrengeling kan ontstaan, maar ook omdat het ongewenst is dat een vergunningverlener zijn of haar eigen vergunning zou kunnen controleren. Deze scheiding is op twee manieren gerealiseerd:
Wij willen een gemeente zijn die er is voor de inwoners, ondernemers en organisaties van Altena. Om de taken die we als gemeente uitvoeren voor de samenleving zo goed mogelijk te laten verlopen, heeft iedereen een rol in de samenwerking. xxxv
Onze kernwaarde is dat we afspraken nakomen en orde bewaken. We zijn verantwoordelijk, doen wat we zeggen en zeggen wat we doen. We hebben hierin de ruimte om zelf te bepalen hoe we dit aanpakken. We leren iedere dag en staan in verbinding met de organisatie en omgeving. We kunnen inspelen op ontwikkelingen en veranderingen in de samenleving. We zijn wendbaar en breed inzetbaar.
10.2 Doelen en kritieke prestatie-indicatoren
Deze kernwaarde is vertaald naar doelen die we aan onze producten en diensten hebben gekoppeld. In onderstaande tabel 12 zijn de doelen per product of dienst weergegeven en hebben we er indicatoren aan gekoppeld.
Tabel 12: Producten, doelen en indicatoren
Volgens het Omgevingsbesluit art. 13.9 (lid 2 onder d) moet de gemeentelijke organisatie ook buiten de gebruikelijke kantooruren bereikbaar zijn. Telefonisch zijn we via twee algemene nummers (algemeen en OnS Altena) bereikbaar. Klachten en meldingen kunnen worden ingediend met de Fixi-app. Buiten kantoortijden is de calamiteitenlijn 24/7 beschikbaar.xxxvi Onze bereikbaarheid is daarmee geborgd.
11 ONDERSTEUNENDE VOORZIENINGEN
Zaakgericht werken is een belangrijke ontwikkeling binnen gemeenten. Het verbetert in veel gevallen de dienstverlening, de efficiency van werken, de toegankelijkheid van informatie en het zorgt vaak ook voor kostenbesparing. Met een optimaal zaaksysteem is alle informatie over de behandeling van een zaak aan die zaak gekoppeld en voor alle betrokkenen toegankelijk. Dit zorgt voor transparantie. Door zaakgericht te werken kan de gemeente de kwaliteit en doorlooptijd van de processen beter bewaken.
Met de ontwikkelingen in de samenleving en de inwerkingtreding van de Omgevingswet die om integraliteit vraagt, neemt de noodzaak van snel beschikbare informatie en informatie-uitwisseling tussen de verschillende actoren toe. De actoren zijn hier de burgers en bedrijven, maar ook verschillende overheidsinstanties. Iedereen werkt binnen de initiatief- en de uitvoeringsketen samen met adviseurs binnen en buiten de eigen organisatie. Deze ontwikkelingen laten zich clusteren in drie informatiebehoeften:
In de voorbereiding en uitvoering van PVTH-taken wordt gezorgd voor afstemming met interne- en externe betrokkenen. De interne afstemming omvat afstemming tussen vergunningverlening, toezicht en handhaving en afstemming met de overige relevante organisatieonderdelen.
Om te komen tot een adequate uitvoering van PVTH-taken is samenwerking met andere overheidsinstanties noodzakelijk. Er worden meer taken vanuit het Rijk bij gemeenten neergelegd. Er wordt meer gedereguleerd en toezicht wordt gedecentraliseerd richting Omgevingsdiensten, Veiligheidsregio’s en private partijen. Dit leidt ertoe dat de gemeente haar werkzaamheden anders vorm moet geven.
Een aantal taken (onder andere OD-taken) brengen we onder bij gespecialiseerde instanties, zodat deze taken beter en efficiënter uitgevoerd kunnen worden. De gemeente houdt zelf de regie en stemt af met de instanties, zodat we niet het zicht op deze taken verliezen.
Om gezamenlijk effectief en efficiënt te kunnen opereren, is samenwerking tussen handhavingspartners verplicht gesteld. Er vindt onder andere structureel overleg plaats met de Omgevingsdienst Midden-West Brabant (voor OD-taken). De toezichtprogramma’s worden hierbij zoveel mogelijk afgestemd.
De bevindingen worden, afhankelijk van het dossier, afgestemd met Omgevingsdienst Midden-West Brabant, Veiligheidsregio, Provincie Noord-Brabant, Waterschap, Politie, Openbaar Ministerie. Periodiek vindt inhoudelijke afstemming plaats over samenwerking en gezamenlijke acties.
12.1.1 Omgevingsdienst Midden-West Brabant (OMWB)
De OMWB voert in opdracht van de gemeente taken uit op voornamelijk het onderdeel milieu (onderverdeeld in een basistakenpakket, verzoektaken en collectieve taken). De gemeente blijft overigens bevoegd gezag voor de taken die zijn overgeheveld naar de OMWB. Verder beoordeelt de OMWB het toetsingskader over de asbestsloopmeldingen en toezicht daarop. De samenwerking vindt plaats op basis van een gemeenschappelijke regeling, een dienstverleningsovereenkomst en een jaarlijks vast te stellen werkprogramma.
12.1.2 Brandweer van de Veiligheidsregio
De brandweer van de Veiligheidsregio voert (in onze opdracht) een aantal taken uit op het gebied van VTH (brandveiligheid en -bestrijding).
12.1.3 Provincie Noord-Brabant
De provincie Noord-Brabant heeft de wettelijke taak gekregen om deze samenwerking tussen alle organisaties die zich bezighouden met omgevingsrecht te coördineren. Hiertoe dienen zij één of meerdere overlegorganen in te stellen. De provincie is de wettelijke regisseur kwaliteitseisen en zij ziet erop toe dat hieraan voldaan wordt.
Interbestuurlijk toezicht (IBT)
De provincies hebben een taak gekregen in het kader van het interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van medebewindstaken. De gemeenteraad heeft de taak het college te controleren op het juist uitvoeren van haar taken op het gebied van het omgevingsrecht. Dit wordt horizontaal toezicht genoemd. De provincie voert in principe haar taak in het kader van het verticale toezicht terughoudend uit.
De gemeente Altena werkt samen met het waterschap Rivierenland. Deze samenwerking betreft het toezicht en de handhaving van zaken die met grondwater of oppervlaktewater te maken hebben (bijvoorbeeld: waterkwaliteit en waterkwantiteit (lozingen), het medegebruik van openbaar water en toezicht op vaarbewegingen).
Op het gebied van strafrechtelijke zaken zijn de (wijk)agenten het eerste aanspreekpunt voor de gemeente en de BOA. Afhankelijk van de positionering van de overtreding in de matrix van de LHSO, kan de politie ingeschakeld worden.
In het geval strafrechtelijk optreden is vereist, zal ook via de politie contact worden gezocht met het Openbaar Ministerie (OM). Dit gebeurt bijvoorbeeld bij geconstateerde milieuovertredingen, waarbij het vermoeden bestaat dat er sprake is van een economisch delict. Daarbij kan gedacht worden aan een professioneel bedrijf dat sloopwerkzaamheden uitvoert waarbij asbest vrijkomt, maar er geen verplichte sloopmelding inclusief asbestinventarisatierapport wordt ingediend. In dergelijke gevallen vindt afstemming plaats met het Functioneel Parket, aangezien die afdeling zich in het bijzonder toelegt op de bestrijding van onder andere milieucriminaliteit. De vervolging van overtredingen op het gebied van openbare ruimte zal worden afgehandeld door het OM Midden-Nederland.
Naast bovenstaande structurele samenwerkingspartners vindt incidenteel ook samenwerking plaats met andere instanties. Deze vindt plaats naar aanleiding van concrete voorvallen of constateringen. Hierbij valt te denken aan: Vreemdelingenpolitie, Belastingdienst, de Douane, Koninklijke Marechaussee, de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, Staatsbosbeheer of Algemene Inspectiedienst (extern), et cetera.
In deel IV wordt ingegaan op de borging van de kwaliteit van onze producten, diensten en medewerkers. Ook wordt ingegaan hoe we monitoren en we verantwoording afleggen over de uitgevoerde werkzaamheden.
PVTH maakt onderdeel uit van het beheersen van risico's voor de samenleving. De inwoners en ondernemers van de gemeente Altena moeten gerust kunnen leven in de wetenschap dat de gemeente de belangrijkste risico's goed onder controle heeft. Om dit vertrouwen waar te kunnen maken, is het belangrijk dat de gemeentelijke organisatie de kwaliteit van de VTH-taken kan garanderen. Dit is niet alleen van belang voor de gemeente en haar inwoners zelf. Ook externe instanties zoals de provincie, als toezichthouder op de gemeente, eisen een vorm van kwaliteitsbewaking waarmee de beheersing van de risico's kan worden geborgd.
Om kwaliteitsborging te realiseren heeft de overheid kwaliteitscriteria ontwikkeld die zich richten op de kwaliteit van de medewerkers en het borgen van de organisatorische processen. Om ervoor te zorgen dat de kwaliteitscriteria worden geborgd in de organisatie, is de ‘Verordening uitvoering en handhaving omgevingsrecht Altena 2024’ vastgesteld door de raad op 24 september 2024. In de verordening is opgenomen dat burgemeester en wethouders de kwaliteitscriteria voor de kwaliteit van vergunningverlening, alsmede de daaruit voorvloeiende uitvoeringskaders, vaststellen. De kwaliteitscriteria behelzen op 26 deskundigheidsgebieden criteria voor de organisatie en haar medewerkers (kritieke massa) op het gebied van: aantal medewerkers, benodigde opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties en medewerkers die aan de criteria op basis van deze verordening voldoen, moeten in staat zijn producten af te leveren met de gewenste kwaliteit.
De gemeente Altena heeft ervoor gekozen om naast het basistakenpakket ook aanvullende verzoektaken onder te brengen bij de Omgevingsdienst Midden-West Brabant. De Omgevingsdienst Midden-West Brabant wordt gehouden aan de kwaliteitscriteria.
De in deel I genoemde doelen vormen de basis van het PVTH-Beleid. Om te bepalen of een ingezet instrument een bijdrage heeft geleverd aan het behalen van een doel zal deze bijdrage meetbaar moeten worden gemaakt. Dit doen wij aan de hand van de SMART-methode.
In deel 2 van dit beleidsplan wordt ingegaan op de instrumenten die worden ingezet om een bijdrage te leveren aan een doel. In het uitvoeringsprogramma wordt uitgewerkt welk instrument wanneer en waarvoor wordt ingezet.
Om te bepalen of een bijdrage aan een doel is geleverd, zijn de doelen vertaald naar indicatoren. Met deze indicatoren wordt monitoring en verantwoording mogelijk. In paragraaf 14.2 tabel 13 worden de indicatoren per thema behorend bij een van de vier resultaatgebieden weergegeven.
De doelen die in deel I geformuleerd zijn, zijn gebaseerd op vastgesteld beleid en geverifieerd in een ambtelijke bijeenkomst.
De samenleving en de fysieke leefomgeving heeft een complexiteit die beperkt te modelleren is. Er zijn veel factoren die elkaar beïnvloeden. Hierdoor zullen we met de instrumenten die we inzetten zelden een doel bereiken. De instrumenten kunnen echter wel een bijdrage leveren aan het behalen van een doel. Door middel van indicatoren tonen wij aan of een bijdrage is geleverd aan het gestelde doel.
In deel I hebben we per resultaatgebied doelen geformuleerd. In onderstaande tabellen is per resultaatgebied een overzicht opgenomen waarin is aangegeven welke indicatoren worden gebruikt om te bepalen of een bijdrage is geleverd aan de bijbehorende doelen.
Tabel 13: indicatoren, thema’s en resultaatgebieden t.b.v. Thuistaken
[Tabel 13 is overeenkomstig artikel 7 lid 2 Bekendmakingswet bekendgemaakt en hier beschikbaar: https://www.officielebekendmakingen.nl/dc-2025-1948.]
15 MONITORING EN VERANTWOORDING
Gedurende de uitvoering van het PVTH-uitvoeringsprogramma vindt monitoring plaats. Monitoring dient twee doelen. Allereerst kan op basis van monitoring achterhaald worden of een bijdrage is geleverd aan de doelen binnen de fysieke leefomgeving en of de dienstverleningsdoelen zijn behaald. Dit is belangrijk voor de verantwoording en effectiviteit van het beleid.
Monitoring is het stelselmatig en systematisch verzamelen, bewerken en verstrekken van gegevens om na te gaan of en in hoeverre het gevoerde beleid succesvol is en/of taakstellingen behaald zijn of gaan worden. De wijze waarop we in de gemeente Altena monitoren is uitgewerkt in het monitoringsprotocol.
Met monitoring verzamelen we gegevens en informatie die belangrijk is voor het eventueel bijstellen van prioriteiten en de inzet van capaciteit. Per resultaatgebied zie deel I paragraaf 3.2 t/m 3.5) zijn doelen gesteld die aan thema’s uit de fysieke leefomgeving zijn gekoppeld. Aan deze doelen hebben wij per doel één of meerdere indicatoren bepaald waardoor het meten van onze geleverde bijdrage aan het behalen van deze doelstellingen mogelijk wordt. In de bijlagen A t/m D van dit beleidsplan zijn de tabellen met de doelen en indicatoren per resultaatgebied opgenomen.
Om dit te bepalen is het belangrijk dat de taken en resultaten geregistreerd worden. In tabel 13 is een samenvatting opgenomen van de gegevens (indicatoren) die in het kader van de thuistaken geregistreerd worden.
Bij de registratie van thuistaken PVTH wordt gebruik gemaakt van het zaaksysteem. Zowel de vergunningverleners (plan-toetsers) als de toezichthouders registreren hierin alle relevante bij een bepaalde zaak behorende gegevens. De vergunningprocedure wordt hierin in zijn geheel doorlopen, compleet met alle documenten.
De uitgevoerde toezichtcontroles fungeren als input voor verschillende onderdelen van onze taken en instrumenten. Met name het naleefpercentage en het naleefgedrag vormen input voor de wijze van beïnvloeding in de toekomst. Zo zal een initiatiefnemer met een hoge mate van onwetendheid anders in de toekomst worden gecontroleerd dan wanneer de initiatiefnemer overtredingen begaat op basis van calculerend gedrag. Wanneer naar aanleiding van toezicht overtredingen worden geconstateerd, wordt eerst gekeken of de overtredingen ongedaan kunnen worden gemaakt binnen een hersteltermijn. Als overtredingen niet ongedaan worden gemaakt, leidt dit tot handhaving.
Ook worden deze gegevens gebruikt om verantwoording af te leggen over de inspanningen en resultaten. Deze gegevens zijn periodiek opvraagbaar voor zowel managementdoeleinden (voortgang van de uitvoering) als voor de periodieke verantwoording naar het college en de gemeenteraad.
Evalueren is nodig om te kunnen beoordelen of het gevoerde beleid effectief is en of dat beleid uitvoering geeft aan de gestelde prioriteiten en doelen. Dit doen we door de monitoringsgegevens af te zetten tegen de vastgestelde doelen. Op grond daarvan bepalen we hoe effectief en efficiënt we uitvoering hebben gegeven aan onze PVTH-taken.
Jaarlijks wordt door het college verantwoording afgelegd over de uitvoering van de PVTH-taken en het behalen van de doelstellingen door middel van het jaarverslag. Het jaarverslag wordt ter kennisname aangeboden aan de gemeenteraad. Dit is in lijn met de structuur van de horizontale verantwoording die door de Rijksoverheid wordt nagestreefd. Daarnaast wordt het jaarverslag aan de interne en externe partners ter kennisname aangeboden. Het jaarverslag wordt tenslotte ook nog doorgestuurd naar de provincie Noord-Brabant in het kader van het interbestuurlijk toezicht.
De rapportering dient te gaan over de resultaten van het uitgevoerde beleid, er zijn echter geen wettelijke eisen gesteld aan de opbouw van het rapport. Een consistente opbouw vanuit de probleemanalyse, strategie, programmering en uitvoering is dus essentieel. Daarnaast is het ook van belang om de ontwikkelingen op het gebied van beleid, wet- en regelgeving et cetera mee te nemen in de evaluatie, omdat dit het beleid en ook het programma kan beïnvloeden.
In de verslaglegging staat op welke wijze de voorgenomen activiteiten zijn gerealiseerd. Hierna wordt als afsluiting van dit PVTH-beleidsstuk opgesomd over welke onderdelen in de evaluatie gerapporteerd dienen te worden:
i Bestuursakkoord 2022-2026 gemeente Altena
iv www.brabantscan.nl en GGD gezondheidsmonitor 2022
v www.brabantscan.nl en GGD kindmonitor 2021
vi www.brabantscan.nl en GGD gezondheidsmonitor 2022
vii www.brabantscan.nl en GGD gezondheidsmonitor 2022
viii mobiliteitsvisie 2040 'Altena samen vooruit'
ix www.brabantscan.nl en GGD gezondheidsmonitor 2022 en GGD kindmonitor 2021
x www.allecijfers.nl en www.gemeentealtena.nl
xii Woonvisie Altena 2021-2025
xiii www.kadastralekaart.com/gemeenten/altena
xiv Omgevingsvisie Altena 2040
xv Altena Energiestrategie 2019-2046, Altena Klimaatagenda en Woonvisie 2021-2025
xvi Erfgoedvisie Altena 2022-2027
xvii Woonvisie Altena 2021-2025
xviii www.historischereeks.nl
xix Klimaatadaptatiestrategie Altena 2021-2027
xx Woonvisie Altena 20212, 2025 en Bestuursakkoord Altena 2022-2026
xxi Rekenkamer Altena en Omgevingsvisie Altena 2040
xxii Verslag tafelgesprekken aanpak sluipverkeer A27 d.d. 11 maart 2024
xxiii www.brabantscan.nl en GGD gezondheidsmonitor 2022 en GGD kindmonitor 2021
xxiv Bedrijventerreinagenda 2023-2027
xxv Rijksdoelen ruimtelijke beleid
xxvi Klachten en meldingen Altena 2023, Fixi App 2023
xxvii www.risicotoolboxbodem.nl
xxviii Klimaatadaptatiestrategie Altena 2021-2027
xxix www.binnenlandsbestuur.nl
xxx Energiestrategie gemeente Altena 2019-2046
xxxi Klimaatakkoord, www.klimaatakkoord.nl
xxxii Warmtevisie Altena September 2021
xxxiii Klimaatadaptatiestrategie Altena 2021-2027, Beleidsvisie Riolering en Water 2019.
xxxiv www.DNB.nl, www.NOS.nl,
xxxv Altena; Service om U tegen te zeggen: notitie vervolgproces. Maart 2023
xxxvi Altena; Service om U tegen te zeggen: Aan de slag met serviceformules.
A DOELEN EN INDICATOREN RESULTAATGEBIED GEZONDHEID
Een sterretje (*) in de kolom ‘Doelen’ betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Een sterretje (*) in de kolom ‘Indicator’ betekent dat aangezien er geen doel is geëxtraheerd er ook géén indicator is.
B DOELEN EN INDICATOREN RESULTAATGEBIED BOUWWERKEN
Een sterretje (*) in de kolom ‘Doelen’ betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Een sterretje (*) in de kolom ‘Indicator’ betekent dat aangezien er geen doel is geëxtraheerd er ook géén indicator is.
C DOELEN EN INDICATOREN RESULTAATGEBIED RUIMTE
Een sterretje (*) in de kolom ‘Doelen’ betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Een sterretje (*) in de kolom ‘Indicator’ betekent dat aangezien er geen doel is geëxtraheerd er ook géén indicator is.
D DOELEN EN INDICATOREN RESULTAATGEBIED MAATSCHAPPELIJKE OPGAVEN
Een sterretje (*) in de kolom ‘Doelen’ betekent dat er voor dat thema geen doel is geëxtraheerd binnen dit resultaatgebied.
Een sterretje (*) in de kolom ‘Indicator’ betekent dat aangezien er geen doel is geëxtraheerd er ook géén indicator is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-78013.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.