U bekijkt een publicatie met

Toon versie van document

Besluit van de raad van de gemeente Amsterdam tot wijziging van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam in verband met technische aanpassingen van regels over milieubelastende activiteiten

De gemeenteraad van Amsterdam

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van PM;

gelet op:

  • a.

    artikel 2.4 van de Omgevingswet, dat bepaalt dat de gemeenteraad voor het gehele grondgebied van de gemeente één omgevingsplan vaststelt waarin regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen;

  • b.

    artikel 16.30 en artikel 16.23, eerste lid, Omgevingswet, die bepalen dat: 

    • 1.

      op de voorbereiding van een omgevingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is, met dien verstande dat een ieder een zienswijze bij de gemeenteraad mag indienen omtrent het ontwerp wijzigingsbesluit;

    • 2.

      de artikelen 3:43 tot en met 3:45 en afdeling 3.7 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing zijn op een omgevingsplan;

  • c.

    artikel 16.78, eerste lid, Omgevingswet, dat bepaalt dat een wijziging van een omgevingsplan in werking treedt met ingang van de dag waarop vier weken zijn verstreken sinds de dag waarop het besluit is bekend gemaakt;

  • d.

    (gereserveerd voor zienswijzen)

Besluit;

Artikel I

het Omgevingsplan gemeente Amsterdam te wijzigen, conform de wijzigingen zoals opgenomen in Bijlage A;

Artikel II

dat dit besluit in werking treedt vier weken na bekendmaking ervan;

Artikel III Aanhaaltitel

dat dit besluit wordt aangehaald als Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Technische aanpassingen van regels voor milieubelastende activiteiten. 

Aldus vastgesteld door Gemeente Amsterdam, DATUM

Diegenen die mogen ondertekenen

Hier komt de beroepsclausule

Bijlage A Bijlage bij artikel I

A

Artikel 4.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze subparagraaf is alleen van toepassing voor zover de aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    Onder sanerende of andere beschermende maatregel wordt in subparagraaf 4.2.4.4 verstaan:

    • a.

      sanering als bedoeld in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels in paragraaf 9.4.2; of

    • b.

      sanering waarop artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet van toepassing is en waarmee een vergelijkbaar saneringsresultaat wordt bereikt als bij toepassing van onderdeel a.; of

    • c.

      andere beschermende maatregel zoals uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’.

B

Artikel 4.30 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie waarop artikel 4.29, eerste lid, aanhef en onder a, onderdeel 2, van toepassing is, wordt in ieder geval het voorschrift verbonden dat voordat het bodemgevoelige gebouw, of een gedeelte daarvan, in gebruik wordt genomen:

  • a.

    een sanerende of andere beschermende maatregel is genomen; en

  • b.

    het bevoegd gezag ten minste een week voor het in gebruik nemen wordt geïnformeerd over de manier waarop de sanerende of andere beschermende maatregel is genomen.

 

C

Artikel 4.32 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

  • 1.

    Als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de resultaten van onderzoeken, bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 

    • b.

      als de waarde toelaatbare kwaliteit, bedoeld in artikel 4.29, tweede tot en met vierde lid, wordt overschreden: gegevens en bescheiden die aannemelijk maken dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt getroffen.; en

    • c.

      als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving: een onderbouwing dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie.

  • 2.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw-of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat in de bodem, het resultaat van een onderzoek verstrekt dat is verricht overeenkomstig NEN 5897 voor zover sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, onder a, wordt ter plaatse van de aanduiding 'uitgebreid bodemonderzoek bouwen bodemgevoelig gebouw' een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b Besluit activiteiten leefomgeving uitgevoerd, ongeacht de resultaten van het vooronderzoek als bedoeld in artikel 5.7a Besluit activiteiten leefomgeving. 

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een tijdelijk bouwwerk indien uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie onverdacht is dan wel de gerezen verdenkingen een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid niet rechtvaardigen.

  • 5.

    De resultaten van een bodemonderzoek worden ook verstrekt in het bestandsformaat XML.

D

Artikel 5.10 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.10 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed

  • 1.

    Artikel 5.8 is niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht: 

    • a.

      in, aan, op of bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument; of 

    • b.

      op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de aanduiding 'rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht' of de aanduiding 'gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht' is gegeven, tenzij het betreft een erfafscheiding, bedoelt in artikel 5.8, onder b, op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd.

  • 2.

    Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder gemeentelijk monument respectievelijk voorbeschermd gemeentelijk monument ook verstaan een monument of archeologisch monument dat op grond van een gemeentelijke verordening is aangewezen respectievelijk waarop, voordat het is aangewezen, die verordening van overeenkomstige toepassing is. 

  • 3.

    Het tweede lid is van toepassing:

    • a.

       als het gaat om een aangewezen monument of archeologisch monument: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven; en 

    • b.

      als het gaat om een monument of archeologisch monument waarop voordat het is aangewezen de verordening van overeenkomstige toepassing is: zolang in dit omgevingsplan daaraan nog niet de functie-aanduiding gemeentelijk monument is gegeven of het omgevingsplan nog geen voorbeschermingsregel bevat vanwege het voornemen om die functie-aanduiding te geven.

E

Artikel 9.27 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op een activiteit op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.

  • 2.

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor op grond van hoofdstuk 2, 3, 4 of 5 van het Besluit activiteiten leefomgeving, artikel 9.28, of een ander artikel in deze afdeling een verplichting geldt om gegevens en bescheiden te verstrekken of een omgevingsvergunning aan te vragen voor het beginnen of wijzigen van die activiteit.

  • 3.

    Dit artikel is ook niet van toepassing op een activiteit waar:

    • a.

      tussen 19.00 en 7.00 uur gemiddeld niet meer dan vier transportbewegingen per dag plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn;

    • b.

      het mede op basis van de aard van de activiteit, niet aannemelijk is dat in enige ruimte op de locatie waarop de activiteit wordt verricht het equivalente geluidsniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

      • 1.

        70 dB(A), als deze ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen;

      • 2.

        80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder 1;

    • c.

      in de buitenlucht of op een open terrein geen muziek ten gehore wordt gebracht;

    • d.

      in de buitenlucht geen oefenterrein voor motorvoertuigen aanwezig is;

    • e.

      geen koelinstallatie aanwezig is die volgens de gebruiksaanwijzing behoort te zijn gevuld met meer dan 30 kg synthetisch koudemiddel;

    • f.

      geen gemotoriseerde modelvliegtuigen, modelvaartuigen of modelvoertuigen in de open lucht worden gebruikt;

    • g.

      geen parkeergelegenheid wordt geboden in een parkeergarage voor meer dan 30 personenauto’s;

    • h.

      geen noodstroomaggregaat aanwezig is dat meer dan 50 uren per jaar in werking is; en

    • i.

      geen transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer, die zijn ondergebracht in een gesloten gebouw, worden gebruikt. 

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van een activiteit worden aan het college van burgemeester en wethouders de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      informatie over beschrijving van de aard en omvang van de activiteit en de aard en omvang van de daarbij behorende geluidbronnen en transportbewegingen;

    • b.

      gegevens over de indeling van de locatie waarop de activiteit wordt verricht, waarbij het volgende wordt aangegeven:

      • 1.

        de grenzen van het terrein; en

      • 2.

        de ligging van de gebouwen;

    • c.

      een situatietekening met een schaal van ten minste 1:10.000 waarop de activiteit is aangegeven en die   is voorzien van een noordpijl; en

    • d.

      gegevens over de verwachte datum van het begin van de activiteit. 

  • 5.

    Ten minste vier weken voordat de activiteit wijzigt, worden de gewijzigde gegevens verstrekt aan het college van burgemeester en wethouders.

F

Artikel 9.28 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.28 Onderzoek en toezenden rapport

  • 1.

    In ieder geval in de volgende gevallen wordt er een geluidonderzoek verricht:

    • a.

      als tussen 19.00 en 7.00 uur per dag gemiddeld meer dan vier transportbewegingen plaatsvinden met motorvoertuigen waarvan de massa van het ledig voertuig vermeerderd met het laadvermogen meer is dan 3.500 kg en binnen een afstand van 50 m van de begrenzing van de locatie waarop de activiteit wordt verricht geluidgevoelige gebouwen aanwezig zijn, tenzij het gaat om het bieden van gelegenheid voor het tanken aan motorvoertuigen van derden of een activiteit waarvan horeca-activiteiten de kern vormen;

    • b.

      als in de buitenlucht metalen in bulk worden overgeslagen of in de buitenlucht metalen mechanisch worden bewerkt;

    • c.

      bij het reinigen van afvalwater door waterstraal- of oppervlaktebeluchters met een capaciteit van 120.000 of meer vervuilingseenheden;

    • d.

      bij het neutraliseren van airbags of gordelspanners door deze te ontsteken; 

    • e.

      bij het vervaardigen van betonmortel of betonwaren; 

    • f.

      bij een binnenschietbaan als de afstand van de binnenschietbaan tot het dichtstbijzijnde geluidgevoelige gebouw kleiner is dan 50 m; en

    • g.

      als het op basis van de aard van de activiteit aannemelijk is dat: 

      • 1.

        in enige ruimte op de locatie waar de activiteit wordt verricht, het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de ten gehore gebrachte muziek in de representatieve bedrijfssituatie, meer bedraagt dan:

        • I.

          70 dB(A), als die ruimte in- of aanpandig is gelegen met geluidgevoelige gebouwen; of

        • II.

          80 dB(A), in andere gevallen dan bedoeld onder I; of

      • 2.

        in de buitenlucht of op een open terrein muziek ten gehore zal worden gebracht.

  • 2.

    Het gemiddelde aantal transportbewegingen is een gemiddelde gemeten over de periode van een jaar. 

  • 3.

    Er wordt ook een geluidonderzoek verricht als de volgende activiteiten worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld:

    • a.

      het gelijktijdig in gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer, waarbij bij het bepalen van het gezamenlijk vermogen buiten beschouwing blijven:

      • 1.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren met een vermogen van 0,25 kW of minder;

      • 2.

        elektromotoren en verbrandingsmotoren die tijdelijk aanwezig zijn;

      • 3.

        elektromotoren die in een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een woonfunctie voor dat gebouw worden gebruikt; en

      • 4.

        elektromotoren van bruggen, viaducten, verkeerstunnels en andere ondergronds gelegen bouwwerken voor vervoer van personen of goederen en beweegbare waterkeringen; en

    • b.

      het gebruiken van niet in een gesloten gebouw ondergebrachte transformatoren met een maximaal gelijktijdig in te schakelen elektrisch vermogen van 200 MVA of meer.

  • 3.

    Uit het rapport van het geluidonderzoek blijkt op grond van verrichte geluidsmetingen of geluidsberekeningen wat de geluidbelasting is en of daarmee aan de waarden, bedoeld in dit Omgevingsplan of de van toepassing zijnde geluidswaarden van de omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift wordt voldaan. In het rapport wordt aangegeven welke voorzieningen en/of maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de waarden worden overschreden en wanneer deze worden getroffen.

  • 4.

    Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit als bedoeld in lid 1 en 3 wordt het rapport van het geluidonderzoek, bedoeld in dit artikel, verstrekt aan het bevoegd gezag. 

  • 5.

    Dit artikel is niet van toepassing als artikel 9.8 van toepassing is.

G

Artikel 9.29 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.29 Onderzoek op verzoek

  • 1.

    De bevoegdheid om een maatwerkvoorschrift te stellen als bedoeld in artikel 9.5 houdt in ieder geval in dat het bevoegd gezag kan voorschrijven dat een geluidonderzoek wordt verricht. 

  • 2.

    In het maatwerkvoorschrift wordt aangegeven binnen welke termijn het rapport van het geluidonderzoek wordt verstrekt aan het bevoegd gezag.

  • 3.

    Het rapport van het onderzoek bevat de informatie bedoeld in artikel 9.28,  derdevierde lid.

H

Artikel 9.37 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.37 Toepassingsbereik

  • 1.

    Subsubparagraaf 9.2.2.3.2 is van toepassing op het geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw dat in dit omgevingsplan, of in een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is toegelaten.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid is subsubparagraaf 9.2.2.3.2 niet van toepassing: 

    • a.

      op of in een geluidgevoelig gebouw dat geheel of gedeeltelijk ligt op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld;

    • b.

      op of in een geluidgevoelig gebouw, dat is toegelaten voor een duur van niet meer dan tien jaar; 

    • c.

      op een niet-geluidgevoelige gevel.

  • 3.

    Voor de toepassing van subsubparagraaf 9.2.2.3.2 wordt als niet-geluidgevoelige gevel ook aangemerkt:

    • a.

      bouwkundige constructie die op grond van artikel 1b, vierde lid, van de Wet geluidhinder, zoals dat gold voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, niet als gevel werd beschouwd; 

    • b.

      een gevel waarvoor met toepassing van de Interimwet stad-en-milieubenadering is afgeweken van de wettelijke normen voor geluid.

I

Artikel 9.44 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.44 Maximaal geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten

  • 1.

    Dit artikel is van toepassing op:

    • a.

      afvalpunten;

    • b.

      handelingen met metaalschroot en autowrakken;

    • c.

      onderhoud, reparatie en bouw van schepen;

    • d.

      steigerverhuurbedrijven.

      ;

    • e.

      tankstations, anders dan bedoeld in artikel 9.49.

  • 2.

    In afwijking van artikel 9.42, eerste lid is het maximaal geluidniveau LAmax  op een geluidgevoelig gebouw door een activiteit tussen 07.00 - 19.00 uur niet hoger dan 70 dB(A).

  • 3.

    Het in het tweede lid genoemde maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten.

J

Artikel 9.53 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.53 Uitzondering geluidwaarden op Koningsdag

De waarden als bedoeld in de artikelen 9.42 tot en met 9.51 zijn niet van toepassing op Koningsdag binnenvoor horeca-, sport- of recreatiebedrijven. 

K

Artikel 9.105 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.105 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

  • 1.

    De geur op een geurgevoelig gebouw ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur' en daarbuiten door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, is niet hoger dan de waarde, bedoeld in tabel 9.105

    Tabel 9.105 Waarde voor geur ouE/m3 als 98-percentiel op een geurgevoelig gebouw bij geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor

    Geurgevoelig gebouw 

    Waarde

    Gelegen ter plaatse van de aanduiding 'bebouwingscontour geur'

    2,0 ouE/m3

    Gelegen buiten de aanduiding 'bebouwingscontour geur' 

    8,0 ouE/m3

     
  • 2.

    Op het berekenen van de geur, bedoeld in het eerste lid, is afdeling 6.2 van de Omgevingsregeling van toepassing.

  • 3.

    In aanvulling op het eerste lid, geldt het daar bepaalde ook ter plaatse van de bebouwde kom. 

L

Artikel 9.365 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.365 Geen mobiele verontreiniging herschikken

  • 1.

    Met het oog op het beschermen van de gezondheid en het beschermen van de kwaliteit van de bodem wordt in afwijking van artikel 4.1241, vijfde lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving, grond niet herschikt onder een afdeklaag als:

    • a.

      een of meer van de interventiewaarden bodemkwaliteit, bedoeld in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt overschreden voor de in tabel 9.365 opgenomen mobiele stoffen; of

    • b.

      bij de aanwezigheid van PFAS een of meer van de volgende waarden worden worden overschreden waarbij het gaat om de gemeten waarde zonder bodemtypecorrectie:

      • 1.

        59 µg/kg ds bij PFOS;

      • 2.

        60 µg/kg ds bij PFOA of een mengsel van PFAS; of

      • 3.

        59 µg/kg ds bij overige PFAS.

    Tabel 9.365 Lijst met mobiele stoffen 

    1

    Aromatische verbindingen:

    1.1

    Benzeen

    1.2

    Ethylbenzeen

    1.3

    Tolueen

    1.4

    Xylenen (som)

    2

    Gechloreerde koolwaterstoffen, subgroep vluchtige chloorkoolwaterstoffen:

    2.1

    monochlooretheen (vinylchloride)

    2.2

    dichloormethaan

    2.3

    1,1-dichloorethaan

    2.4

    1,2-dichloorethaan

    2.5

    1,1-dichlooretheen

    2.6

    1,2-dichlooretheen (som)

    2.7

    dichloorpropanen (som)

    2.8

    trichloormethaan (chloroform)

    2.9

    1,1,1-trichloorethaan

    2.10

    1,1,2-trichloorethaan

    2.11

    trichlooretheen (tri)

    2.12

    tetrachloormethaan (tetra)

    2.13

    tetrachlooretheen (per)

    3

    Overige stoffen:

    3.1

    Minerale olie

     
  • 2.

     Het eerste lid, aanhef en onder a, geldt niet, als uit een grondwateronderzoek dat is verricht volgens NEN 5740 of NTA 5755, blijkt dat de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering, bedoeld in bijlage Vd bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, niet worden overschreden voor deze mobiele stoffen.

M

Na artikel 9.366 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 9.367 Afwijkende dikte leeflaag

Als de grondwaterstand een meter of minder is ten opzichte van het toekomstige maaiveld, kan, in afwijking van artikel 4.1241, derde lid onder b van het Besluit activiteiten leefomgeving, volstaan worden met een leeflaagdikte tot het niveau van het grondwater met een minimumdikte van 0,5 meter.

N

Paragraaf 9.4.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Paragraaf 9.4.3 Toepassen van bouwstoffen [gereserveerd]: staalslakken en grondstabilisatie

[Gereserveerd]

Artikel 9.368 Toepassingsbereik

  • 1.

    Deze paragraaf is, in aanvulling op paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving, van toepassing op het toepassen van bouwstoffen als bedoeld in artikel 3.48m van het Besluit activiteiten leefomgeving, voor zover het gaat om: 

    • a.

      het toepassen van staalslakken; en

    • b.

      grondstabilisatie.

  • 2.

    In deze paragraaf wordt verstaan onder:

    • a.

      bouwstof: bouwstof als bedoeld in artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit; 

    • b.

      bindmiddelen: niet-vormgegeven stoffen die aan de bodem worden toegevoegd met als resultaat dat samen met de in de bodem aanwezige grond een stabilisaat ontstaat, waaronder in ieder geval kalk, cement en gips.

    • c.

      grondstabilisatie: het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat als gevolg van de toevoeging van bindmiddelen aan de bodem;

    • d.

      staalslak: hoogovenslak of LD-staalslak;

    • e.

      hoogovenslak: slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; en

    • f.

      LD-staalslak: slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz.

Artikel 9.369 Melding toepassen staalslakken

  • 1.

    Het is verboden om staalslakken of bouwstoffen die voor meer dan 20 gewichtsprocenten uit staalslakken bestaan toe te passen als bouwstof zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    De melding bevat:

    • a.

      de verwachte datum waarop de staalslakken in het werk worden toegepast;

    • b.

      de verwachte datum waarop het werk waarin de staalslakken worden toegepast zal zijn voltooid;

    • c.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op de toe te passen staalslakken;

    • d.

      de herkomst van de staalslakken;

    • e.

      de hoeveelheid van de staalslakken in kubieke meters die in totaal in het werk zullen worden toegepast;

    • f.

      de dimensionering van het werk in het kader waarvan de staalslakken worden toegepast;

    • g.

      de onderbouwing van de functionaliteit van het werk;

    • h.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en

    • i.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  • 3.

    Het tweede lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  • 4.

    Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

Artikel 9.370 Melding grondstabilisatie 

  • 1.

    Het is verboden om grondstabilisatie uit te voeren zonder dit ten minste vier weken voor het begin ervan te melden.

  • 2.

    Het eerste lid geldt niet voor toepassingen op een oppervlakte van minder dan 1000 m2.

  • 3.

    De melding bevat:

    • a.

      de verwachte datum waarop de grondstabilisatie plaatsvindt;

    • b.

      de verwachte datum waarop de grondstabilisatie zal zijn voltooid;

    • c.

      een milieuverklaring bodemkwaliteit die betrekking heeft op het stabilisaat;

    • d.

      de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen;

    • e.

      de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast;

    • f.

      de dimensionering van de stabilisatie;

    • g.

      de onderbouwing van de functionaliteit van de stabilisatie;

    • h.

      de coördinaten van de ontvangende landbodem, tenzij het adres daarvan is vermeld; en

    • i.

      een beschrijving van de voorzieningen en maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat de toevoeging van de bindmiddelen aan de bodem de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht, bedoeld in artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving, worden toegepast.

  • 4.

    Het derde lid, onder b en d tot en met i, is niet van toepassing als de gegevens en bescheiden al eerder bij een melding voor hetzelfde werk zijn verstrekt en zich geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan.

  • 5.

    Tenminste een week voordat de activiteit op een andere manier wordt verricht dan overeenkomstig die gegevens, wordt een melding gedaan.

O

Artikel 9.370 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.370 Bodem: omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit

Degene die een activiteit als bedoeld in artikel 9.3699.373, verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken of, als dat redelijkerwijs mogelijk is in samenhang met de activiteit die wordt verricht, ongedaan te maken.

P

Subparagraaf 22.3.7.1 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.1 Nazorg na saneren van de bodem

Artikel 22.128 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.3679.371]

[Vervallen]

Artikel 22.129 Nazorg na afloop van saneren van de bodem [vervangen door artikel 9.3689.372]

[Vervallen]

Q

Subparagraaf 22.3.7.3 wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Subparagraaf 22.3.7.3 Activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico 

Artikel 22.134 Toepassingsbereik [vervangen door artikel 9.3699.373]

[Vervallen]

Artikel 22.135 Bodem: mitigerende maatregelen [vervangen door artikel 9.3709.374]

[Vervallen]

R

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.28 Toepassingsbereik

De regels voor bouwen op verontreinigde bodem zijn en blijven grotendeels gedecentraliseerd. De gemeente is bevoegd tot het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Het Rijk stelt in paragraaf 5.1.4.5.1 (Toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie) van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) instructieregels voor de gemeente om te waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt die waarborgen dat de gemeente in het omgevingsplan regels stelt ter voorkoming van onaanvaardbare gezondheidsrisico’s vanwege bodemverontreiniging bij het gebruik van een bodemgevoelig gebouw. Met deze subparagraaf wordt met beoordelingsregels die betrekking hebben op aanvragen om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, regels over voorschriften die aan de omgevingsvergunning verbonden moeten worden en specifieke aanvraagvereisten  invulling gegeven aan deze instructieregels. 

Eerste lid:

In artikel 4.28 wordt het toepassingsbereik van deze subparagraaf bepaald en beperkt tot die gevallen waarin een aanvraag betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. 

In de begripsbepalingen van het Besluit activiteiten leefomgeving is bepaald wat wordt verstaan onder een bodemgevoelig gebouw. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, is die omschrijving ook van toepassing op dit omgevingsplan. De begripsbepaling verwijst naar de definitie van een bodemgevoelig gebouw in artikel 5.89g van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Daarin is bepaald dat een bodemgevoelig gebouw een gebouw of een gedeelte van een gebouw is dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De omschrijving sluit aan bij de term ‘verblijfsfunctie’ die werd gebruikt in de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. Met verblijfsfunctie werd een plek aangeduid waar mensen gemiddeld ten minste twee uur per etmaal aaneengesloten verblijven.

De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, hieronder vallen ook een woonschip of een woonwagen. De term bouwwerk is in de wet gedefinieerd.

In een bodemgevoelig gebouw kunnen zich alle in het Besluit bouwwerken leefomgeving gehanteerde gebruiksfuncties bevinden, mits daar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Voorbeelden van gebouwen die buiten de reikwijdte van het begrip bodemgevoelig gebouw vallen, zijn een transformatorhuisje, een gemaal, een schuur bij een woning of een loods waar alleen kort wordt geladen of gelost en waar de rest van de tijd geen personen of werknemers verblijven.

Bij het bepalen of het gaat om een bodemgevoelig gebouw  is ook van belang dat sprake is van het bouwen (toelaten) van een gebouw of een deel van een gebouw ‘dat de grond raakt’. De ratio hiervan is dat daar blootstelling kan plaatsvinden en risico’s voor de gezondheid kunnen optreden. Het gaat bijvoorbeeld niet om het aanbouwen van een uitbouw op de eerste verdieping of een dakkapel, omdat bij dergelijke bouwactiviteiten de gezondheidsrisico’s door de bodemkwaliteit niet toenemen. Blootstelling kan bij een woonschip of woonwagen plaatsvinden, voornamelijk door het direct aangrenzende terrein of de tuin, net als bij andere woningen met een tuin (zie ook de toelichting op  het derde lid hierna). Hoewel een woonschip strikt genomen niet de grond raakt, kunnen er wel vergelijkbare gezondheidsrisico’s optreden als bij grondgebonden woningen met een tuin en daarom zijn ze expliciet toegevoegd aan het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bijbehorende bouwwerken (zoals een aanbouw of een te realiseren kelder bij een bestaand gebouw) tot 50 m2m2 vallen niet onder de definitie van bodemgevoelig gebouw en zijn daarmee uitgezonderd van de plicht om een bodemonderzoek uit te voeren. De geringe omvang van die bouwactiviteit staat niet in verhouding tot de lasten van bodemonderzoek en sanering en daartoe verplichten wordt niet gerechtvaardigd geacht aangezien de gezondheidsrisico’s door zo een beperkte toevoeging aan een bestaand hoofdgebouw niet significant toenemen. De waarde van 50 m2m2 sluit aan bij de onderste afbakening die in het Besluit omgevingsrecht was opgenomen voor bijbehorende bouwwerken: iedereen met een tuin tot 100 m2m2 mag 50% hiervan vergunningvrij bebouwen en hoeft hiervoor geen bodemonderzoek te verrichten. Deze ondergrens in het tweede lid van artikel 5.89g gaat nooit over het bouwen van een hoofdgebouw, alleen om aanbouwen of bijbehorende bouwwerken als onderdeel van of bij reeds bestaande hoofdgebouwen. 

Het moment waarop een nieuw hoofdgebouw wordt gebouwd, is het passende moment om bodemonderzoek te doen en maatregelen te treffen, ook voor de tuin waar mogelijk in de toekomst wordt uitgebouwd. Dat sluit niet uit dat het verstandig kan zijn om een bodemonderzoek te doen, zeker als er informatie is die aanleiding geeft tot een vermoeden dat er (historische) verontreiniging aanwezig kan zijn. Indien wordt gegraven in de bodem ten behoeve van het bouwen, zijn bovendien de regels over graven in de bodem van het Besluit activiteiten leefomgeving of de regels over kleinschalig graven in dit omgevingsplan van toepassing, waarbij bodemonderzoek over het algemeen aan de orde is.

Het Besluit activiteiten leefomgeving bevat tevens een begripsbepaling voor een bodemgevoelige locatie. Het verwijst naar artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving waarin is bepaald wat in ieder geval onder een bodemgevoelige locatie moet worden verstaan. Daarin is bepaald dat een bodemgevoelige locatie een locatie is waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit (artikel 5.89h, onder a van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Bovendien valt een onmiddellijk aan een woonschip of woonwagen grenzende tuin of grenzend terrein onder de definitie van een bodemgevoelige locatie (artikel 5.89h, onder c van het Besluit kwaliteit leefomgeving).

De term «toelaten» geeft aan dat hier ook een gebouw of deel van een gebouw wordt verstaan dat nog niet aanwezig is. Voor het gemak wordt hierna uitgegaan van het voorbeeld van een woning. Dit betekent dat al wordt aangesloten bij het moment dat een woning is geprojecteerd, dat wil zeggen dat de functie wonen is toegedeeld aan de locatie. Dat kan een andere functie zijn dan de huidige functie, bijvoorbeeld als gevolg van functiewijziging al dan niet na sloop van bestaande bebouwing. Ook als een woning nog niet feitelijk aanwezig is, kan er dus sprake zijn van een bodemgevoelig gebouw in de zin van paragraaf 5.1.4.5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Zie verder paragraaf 7.5 van het algemeen deel van de toelichting van het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (Staatsblad 2021, 98).

Een bodemgevoelige locatie is ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89h, onder b van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Omdat het aaneengesloten terrein van één eigenaar kan bestaan uit meerdere kadastrale percelen, is ervoor gekozen om niet uit te gaan van het kadastrale perceel. Dit sluit aan bij de voormalige regels over het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond in de Woningwet. De strekking daarvan is in artikel 5.89h van het Besluit kwaliteit leefomgeving duidelijker gecodificeerd. De tuin is immers bij uitstek gevoelig voor contact door mensen met bodemverontreiniging (bijvoorbeeld door het naar binnen lopen (huisstof), spelende kinderen, tuinieren en verbouwen van voedselgewassen, enzovoorts). 

Tweede lid:

In het tweede lid staat een omschrijving van een sanerende of andere beschermende maatregel. Een sanerende of andere beschermende maatregel is een maatregel die getroffen wordt om schadelijke gezondheidseffecten van bodemverontreiniging weg te nemen. Bij het uitvoeren van sanerende of andere beschermende maatregelen zijn er tweedrie mogelijkheden:

  • Het uitvoeren van de sanering vindt plaats volgens paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit zijn de regels over het saneren van de bodem. 

  • De sanering vindt plaats onder het overgangsrecht. 

  • Er wordt een andere beschermende maatregel getroffen. 

 

Het overgangsrecht staat beschreven in artikel 3.1 van de Aanvullingswet bodem. De Wet bodembescherming en het Besluit uniforme saneren zijn van toepassing als voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet:

  • a.

    een besluit is genomen dat spoedige sanering nodig is;

  • b.

    een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of

  • c.

    een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen.

  • een besluit is genomen dat spoedige sanering nodig is;

  • een (deel)saneringsplan Wet bodembescherming is ingediend; of

  • een melding is gedaan volgens het Besluit uniforme saneringen.

 

Met een sanering onder het overgangsrecht kan een vergelijkbaar resultaat worden behaald als met een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 (Saneren van de bodem) van het Besluit activiteiten leefomgeving. Zowel een sanering onder het Besluit activiteiten leefomgeving als onder het overgangsrecht moet erop zijn gericht dat de gebruikers van het gebouw geen ontoelaatbare schadelijke gezondheidseffecten ondervinden door een verontreiniging in de bodem.

In sommige situaties is het niet nodig om bij overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw een sanering volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (of onder het overgangsrecht) uit te voeren, maar kan (gelet op artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving) worden volstaan met een andere beschermende maatregel zoals een gebruiksbeperking. Dit kan bijvoorbeeld inhouden dat de tuin niet wordt gebruikt als moestuin. In welke situaties dit aan de orde kan zijn is nader uitgewerkt in de beleidsregel ‘Andere beschermende maatregelen bij bouwen bodemgevoelig gebouw’.

S

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.29 Beoordelingsregels met betrekking tot bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locatie 

In dit artikel zijn specifieke beoordelingsregels opgenomen die gelden als de aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gaat over het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie.

Artikel 4.29 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder c, en artikel 22.30, zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan. 

Eerste lid:

In dit lid is het beoordelingskader opgenomen waaraan een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt getoetst. 

Onderdeel a

In dit onderdeel is een beoordelingsregel opgenomen ten aanzien van de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem.  De waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem is in het tweede tot en met vierde lid opgenomen. Een omgevingsvergunning kan worden verleend als de de waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem  niet wordt overschreden of bij overschrijding van die waarde als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen. De sanerende of andere beschermende maatregel wordt genomen voorafgaand aan of tijdens de bouw en in ieder geval voor het in gebruik nemen van het bodemgevoelige gebouw. Het gaat om een saneringsmaatregel als bedoeld in paragraaf 4.121sanerende of andere beschermende maatregel waarmee schade voor de gezondheid van gebruikers van het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrechtgebouw wordt voorkomen. Voor beide situaties geldt dat er ook voldaan moet worden aan onderdeel b.

Onderdeel b

In aanvulling op de artikelen 22.29 en 22.30 zoals die bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel waren geworden van dit omgevingsplan stelt de gemeente Amsterdam aanvullende beoordelingsregels voor het bouwen op verontreinigde bodem. In de voormalige Bouwverordening Amsterdam was opgenomen dat aan de omgevingsvergunning voor bouwen (van een bodemgevoelig gebouw) voorschriften konden worden verbonden om de bodem alsnog geschikt te maken. Om een grondslag voor een dergelijk voorschrift in het omgevingsplan te creëren is onderdeel b toegevoegd aan het eerste lid. Volgens onderdeel b kan een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden verleend als het bevoegd gezag van oordeel is dat er geen verontreiniging van de bodem is die zodanig is dat schade te verwachten is voor de gezondheid van gebruikers van het gebouw (en ook wordt voldaan aan onderdeel a, onder 1 of 2 ). Als er wel verontreiniging in de bodem aanwezig is (anders dan bedoeld in onderdeel a, onder 2) die schadelijk zou kunnen zijn voor de gezondheid van de gebruikers van het gebouw maar aannemelijk is dat met een of meer maatregelen de bodem of het gebouw toch geschikt kan worden gemaakt voor het beoogde gebruiksdoel kan de omgevingsvergunning ook worden verleend onder het voorschrijven van die maatregelen (zolang ook wordt voldaan aan onderdeel a, onder 1 of 2). De maatregelen staan in artikel 4.31 genoemd. Onderdeel b werkt als een vangnet voor niet-genormeerde stoffen of situaties waarin weliswaar de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar er toch onacceptabele gezondheidsrisico’s zijn, bijvoorbeeld wanneer sprake is van voortschrijdende inzichten over de schadelijkheid van een stof. Genormeerde stoffen waarvoor een interventiewaarde bodemkwaliteit is vastgesteld vallen al onder onderdeel a.

Tweede lid:

Onderdeel a:

Net als onder de voormalige Wet bodembescherming, is in dit lid bepaald dat sprake is van een overschrijding van de waarde toelaatbare kwaliteit bodem als voor ten minste één stof de gemiddelde gemeten concentratie is overschreden in meer dan 25 m3 bodemvolume. Voor de waarde toelaatbare kwaliteit bodem houdt de gemeente Amsterdam voor de meeste gevallen de interventiewaarden bodemkwaliteit aan. Deze interventiewaarden staan in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Anders dan bij een saneringsgeval onder de Wet bodembescherming is het voor de beoordeling van de aanvraag niet nodig om de exacte hoeveelheid verontreiniging of de contour voor een bepaalde concentratie stoffen in beeld te brengen. De regel is niet gericht op het opsporen en aanpakken van heel kleine verontreinigingen. Er zijn alleen maatregelen nodig als het gaat om een verontreiniging in meer dan 25 m3 bodemvolume boven de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem.

Onderdeel b:

Voor PFAS (poly- en perfluoralkylstoffen) zijn geen interventiewaarden bodemkwaliteit vastgesteld en zijn dus ook geen interventiewaarden voor PFAS opgenomen in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Voor de bescherming van de gezondheid van de gebruikers van het gebouw is het nodig om voor PFAS waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast te stellen. Ook bij een verontreiniging met PFAS geldt de ondergrens van 25m3 bodemvolume.

Voor de waarden van PFAS in de vaste bodem is aangesloten bij de INEV’s (Indicatieve niveaus voor ernstige verontreiniging). De INEV’s zijn afgeleid door het RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en gelden als de meest actuele wetenschappelijke inzichten. Het is ongewenst dat grond met een PFAS-verontreiniging boven de opgenomen waarden wordt herschikt onder de afdeklaag door de verwachte effecten op het milieu en de gezondheid.

Derde lid:

De ondergrens van 25 m3 bodemvolume, zoals die in het tweede lid wordt aangehouden, geldt niet voor asbest, omdat asbest ook in kleine hoeveelheden gevaar voor de gezondheid kan opleveren. Bij het aantreffen van asbest in de bodem boven de interventiewaarde bodemkwaliteit, ongeacht het volume, moeten sanerende maatregelen worden genomen. De uitzondering op het volumecriterium van 25m3 voor asbest is een voortzetting van het beleid in de Circulaire bodemsanering onder de voormalige Wet bodembescherming.

Vierde lid:

In het vierde lid worden waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood vastgesteld. De gemeente Amsterdam wil haar inwoners aanvullend beschermen tegen schadelijke gevolgen van bodemlood. De gemeente Amsterdam heeft daarom specifiek beleid voor bodemverontreiniging met lood, waaronder een subsidieregeling en het faciliteren van afvoer van grond. Gebleken is dat blootstelling aan lood nog schadelijker is voor de gezondheid dan eerst werd gedacht, met name voor de hersenontwikkeling van jonge kinderen. Naar aanleiding van een EFSA-advies (European Food and Safety Authority) heeft het RIVM een rapport opgesteld. De GGD heeft op basis hiervan gezondheidskundige advieswaarden afgeleid. Het Amsterdamse loodbeleid is hierop gebaseerd en er zijn waarden in de inmiddels ingetrokken nota Bodembeheer vastgelegd. Dit is beleidsneutraal vertaald naar een waarde toelaatbare kwaliteit van de bodem voor lood in dit omgevingsplan voor locaties waar verwacht wordt dat kinderen vaak in aanraking kunnen komen met de bodem (zoals een tuin of buitenruimte bij een woning, kinderdagverblijf of school). In afwijking van het uitgangspunt in bijlage IIA bij het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt hierbij uitgegaan van de gemeten waarde, zonder dat een bodemtypecorrectie wordt toegepast. Voor het toetsen of sprake is van gezondheidsrisico’s kan het beste van de gemeten waarde wordt uitgegaan. Dit is in lijn met het advies van de GGD over lood.

Bij een bodemgevoelige gebruiksfunctie waar geen contact met de bodem door jonge kinderen voor de hand ligt, zoals winkels of kantoren met eventuele buitenruimte of tuin, wordt de interventiewaarde aangehouden conform de bijlage IIA Bal (met bodemtypecorrectie).  

In de onderstaande tabel zijn voor een beter begrip voor verschillende bodemgevoelige gebouwen de waarden voor de stoffen lood en PFAS weergegeven.

Waarden voor lood en PFAS voor verschillende bodemgevoelige gebruiksfunctie

Bodemgevoelige gebruiksfunctie

Waarden lood (in mg/kg ds)

Waarden PFOA (in µg /kg ds)

Waarden PFOS en  overige PFAS (in µg /kg ds)

Woning met tuin

Kinderdagverblijf met buitenruimte

School met buitenruimte

370

60

59

Winkel, kantoor, overige bodemgevoelige gebouwen 

Interventiewaarde conform bijlage IIA Bal

60

59

 

 

T

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.30 Vergunningvoorschriften met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: uitvoering sanering

Dit artikel bepaalt dat aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw die wordt verleend terwijl de bodem verontreinigd is boven de waarde toelaatbare kwaliteit bodem, in ieder geval het voorschrift wordt verbonden dat voorafgaand aan de ingebruikname van het bodemgevoelige gebouw, een sanering van de bodemsanerende of andere beschermende maatregel is uitgevoerdgenomen (onderdeel a) en het bevoegd gezag hierover een week voor ingebruikname wordt geïnformeerd (onderdeel b).

Onderdeel a:

Dit onderdeel is opgenomen om te waarborgen dat bij overschrijding van de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem de saneringsanerende of andere beschermende maatregel ook daadwerkelijk plaatsvindtwordt genomen. Hierdoor zijn er handhavingsmogelijkheden als tijdens de bouw bijvoorbeeld geen dampdichte vloer of geen mechanische ventilatie wordt gerealiseerd (bouwkundige maatregelen die onderdeel kunnen uitmaken van een sanering). Hiermee is het ook mogelijk om tijdens de bouw te handhaven, in plaats van alleen nadat er gebouwd is. Dit onderdeel geeft invulling aan artikel 5.89k van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Onderdeel b: 

Onderdeel b verplicht de initiatiefnemer om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de sanering  sanerende of andere beschermende maatregel is uitgevoerd. De termijn van een week geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om voldoende en tijdig toezicht te houden en om te beoordelen of de saneringsanerende of andere beschermende maatregel is afgerondgetroffen en inderdaad heeft opgeleverd dat de bodem geschikt is gemaakt voor het bodemgevoelige gebouw. Dit lid geeft invulling aan artikel 5.89m van het Besluit kwaliteiten leefomgeving. Het Besluit activiteiten leefomgeving kent een vergelijkbare informatieplicht na beëindiging van de activiteit bodemsanering (artikel 4.1246). De initiatiefnemer kan in één keer aan beide informatieplichten voldoen. Onderdeel b komt in de plaats van artikel 22.31 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De bepaling is aangepast door een termijn van een week te verbinden aan de informatieplicht. 

U

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.31 Vergunningvoorschrift met betrekking tot een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie: bodem of gebouw alsnog geschikt maken

Eerste lid:

Als sprake is van een bodemverontreiniging met een niet-genormeerde stof die ongewenste gezondheidseffecten kan hebben of als sprake is van een situatie waarin een genormeerde stof onder de waarde toelaatbare kwaliteit toch ongewenste gezondheidseffecten kan hebben, kan het bevoegd gezag voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden waarin maatregelen verplicht worden gesteld met het oog op het alsnog geschikt maken van de bodem of het gebouw. Deze maatregelen voorkomen dat gebruikers van het gebouw aan een ongezonde situatie worden blootgesteld en zijn vergelijkbaar met de genoemde saneringsmaatregelen in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.

Tweede lid:

In dit lid is de verplichting voor de initiatiefnemer opgenomen om minimaal een week voor ingebruikname van (een deel van) het bodemgevoelige gebouw de gemeente te informeren op welke manier de maatregelen (als bedoeld in het eerste lid) zijn genomen.

V

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.32 Aanvraagvereisten in verband met beoordeling bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Artikel 4.32 bevat de aanvraagvereisten die specifiek verband houden met de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, bedoeld in subparagraaf 4.2.4.4. Dit artikel komt, voor zover betrekking hebbend op de beoordeling van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, in de plaats van artikel 22.35, onder j, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Aanvullend daarop zijn het tweede tot en met vijfde lid opgenomen voor een beleidsneutrale voortzetting van de regels over bouwen op verontreinigde bodem onder de voormalige Bouwverordening Amsterdam.

Eerste lid: 

Onderdeel a:

Volgens artikel 5.89ka van het Besluit kwaliteit leefomgeving is het verplicht om in het omgevingsplan te eisen dat bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw bodemonderzoeken als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving worden verstrekt. Daarom verplicht dit onderdeel om bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving bij de aanvraag in te dienen. Het bodemonderzoek is nodig om te bepalen of de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem wordt overschreden of om eventueel vast te stellen dat er andere verontreinigingen aanwezig zijn (niet-genormeerde stoffen), waarvoor wel een detectiegrens is bepaald. In dat geval is een sanerende maatregel volgens het Besluit activiteiten leefomgeving of een sanering onder het overgangsrecht (genormeerde stoffen), of maatregelen bedoeld in artikel 4.31, een voorwaarde voor het bouwen. Zie verder de toelichting hierna op onderdeel b.

Onderdeel b:

Als sprake is van overschrijding van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moeten daarnaast gegevens en bescheiden worden verstrekt die aannemelijk maken dat een saneringsanerende of andere beschermende maatregel zal plaatsvindenworden genomen. Dat kan bijvoorbeeld een melding zijn als bedoeld in artikel 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een ingediend saneringsplan onder de Wet bodembescherming, of een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, of andere documentatie die aannemelijk maakt dat een sanerende of andere beschermende maatregel in voorbereiding is en zal worden uitgevoerd.

Onderdeel c:

Als sprake is van overschrijding van de signaleringsparameter beoordeling grondwatersanering is een onderbouwing noodzakelijk dat de overschrijding niet leidt tot een risico voor de gezondheid bij het gebruik van de bodemgevoelige locatie, eventueel na het nemen van maatregelen zoals bedoeld in artikel 4.31. Een voorbeeld van een risico voor de gezondheid is dat de TCL (Toelaatbare Concentratie in Lucht) potentieel wordt overschreden in het bodemgevoelige gebouw. Voor de toetsing kan gebruik worden gemaakt van een programma zoals Volasoil, een onderdeel van de Risicotoolbox Bodem van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM).

Tweede lid:

In de bodem kan zich bodemvreemd materiaal bevinden. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal, wordt gebruik gemaakt van andere onderzoekrichtlijnen dan bij bodem met minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Bij de aanwezigheid van asbestverdacht bouw- of sloopafval of asbestverdacht recyclinggranulaat wordt de bodem onderzocht met een asbestonderzoek volgens NEN 5707 als sprake is van minder dan 50% bodemvreemd materiaal. Als sprake is van meer dan 50% bodemvreemd materiaal vindt een asbestonderzoek plaats volgens NEN 5897.

Derde lid:

Op grond van de inmiddels ingetrokken bouwverordening Amsterdam moest er na een vooronderzoek een verkennend bodemonderzoek volgen, met - onder bepaalde voorwaarden - een uitzondering voor de locaties die vallen binnen zones 1 en 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam. Dit is in het derde lid beleidsneutraal omgezet naar het omgevingsplan. In zone 1 of 2 van de Bodemkwaliteitskaart Amsterdam is een verkennend onderzoek alleen verplicht als uit het vooronderzoek bodem een verdenking op specifieke bodemverontreiniging naar voren komt. Met een specifieke verontreiniging wordt een verontreiniging bedoeld die is veroorzaakt door een puntbron, bijvoorbeeld een lekkage bij een bedrijf. Naast specifieke verontreinigingen kunnen er ook diffuse verontreinigingen aanwezig zijn, die niet te relateren zijn aan een puntbron.

Vierde lid:

Bij tijdelijke bouwwerken (maximaal 15 jaar), wordt het verplicht uitvoeren van een verkennend onderzoek als bedoeld in het derde lid, in relatie tot de beperkte instandhoudingstermijn van een tijdelijk bouwwerk niet altijd proportioneel geacht indien er geen of nauwelijks verdenkingen zijn van een specifieke verontreiniging (puntbron) op basis van het vooronderzoek. Wat onder een tijdelijk bouwwerk verstaan moet worden is in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bepaald, namelijk een bouwwerk met een instandhoudingstermijn van ten hoogste 15 jaar op dezelfde locatie. De definitie van het Besluit bouwwerken leefomgeving is op dit omgevingsplan van overeenkomstige toepassing, gelet op artikel 1.1, tweede lid.

Vijfde lid:

Om het mogelijk te maken dat de gegevens uit een bodemonderzoeksrapport efficiënt kunnen worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem, regelt het vijfde lid dat de resultaten van een bodemonderzoek ook moeten worden verstrekt in het XML-formaat (naast indiening van het gehele onderzoeksrapport in PDF-formaat) voor zover de gegevens zich daarvoor lenen. Dit sluit aan bij de beoordelingsrichtlijnen en protocollen van de Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer (SIKB) die van toepassing zijn op de organisaties die bodemonderzoek verrichten. In die richtlijnen en protocollen wordt voor de digitale uitwisseling van bodemgegevens uitgegaan van de datastandaard SIKB0101 waarin het bestandsformaat XML is voorgeschreven. Het eisen van een XML-formaat is beleidsneutraal, omdat in de Bouwverordening Amsterdam het uitvoeren van een bodemonderzoek volgens de Amsterdamse Richtlijn voor onderzoek (ARVO) was voorgeschreven, waarin de verplichting tot indienen XML-formaat is opgenomen.

Met een XML-bestand kunnen de resultaten van het bodemonderzoek, na beoordeling, geautomatiseerd en dus snel worden ingevoerd in het bodeminformatiesysteem van de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied en zijn daarmee snel door iedereen online te raadplegen. 

Het XML-bestand voldoet technisch aan het actuele SIKB0101 uitwisselingsformaat of aan het één na laatste formaat. Zie voor alle eisen die worden gesteld aan de aanlevering van bodemonderzoeksresultaten de Amsterdamse Richtlijn voor bodemonderzoek (ARVO).

W

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 5.10 Beperkingen vanwege cultureel erfgoed

Artikel 5.10 komt een op een in de plaats van artikel 22.38 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Dit artikel bevat uitzonderingen op artikel 5.8. Deze uitzonderingen waren in artikel 4a van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht opgenomen. Het gaat om uitzonderingen voor (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, zij het dat het toepassingsbereik van het derde lid is verruimd naar ook gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten. 

Aan het eerste lid, onder b, is ten opzichte van de zogenoemde bruidsschatregeling de tweede zinsnede toegevoegd. Onder oud recht gold voor de erfafscheidingen binnen beschermd gezicht de vergunningplicht voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, met uitzondering van erfafscheidingen ‘op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd’ (art. 4a, tweede lid, onder b, onder 3e, bijlage II Bor). Onder die voorwaarden was een erfafscheiding onder oud recht ook binnen rijksbeschermd gezicht zonder omgevingsvergunning bouwen toegestaan. Dit wordt gecontinueerd. 

Wanneer een van deze in artikel 5.10 genoemde uitzonderingen van toepassing is, dan is artikel 5.8 niet van toepassing, en wordt teruggevallen op artikel 4.12 en de daarop van toepassing zijnde uitzonderingen. Reeds bestaande bijbehorende bouwwerken, of nieuwe bijbehorende bouwwerken of een uitbreiding ervan, kunnen uitsluitend worden geconsolideerd of toegestaan met toepassing van de regels in afdeling 5.5, al dan niet voorafgegaan door een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Wanneer een nieuw bijbehorend bouwwerk, of een uitbreiding van een bestaand bijbehorend bouwwerk, wordt toegestaan met toepassing van de regels in afdeling 5.5, dan is die omgevingsplanactiviteit bouwwerken vanwege artikel 4.12 vergunningvrij, tenzij een van de daarop van toepassing zijnde beperkingen geldt; in dat laatste geval geldt alsnog een vergunningplicht.

Het tweede en derde lid bevatten overgangsrecht met betrekking tot gemeentelijke monumenten en voorbeschermde gemeentelijke monumentens. Het artikel komt in de plaats van artikel 22.2 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is ongewijzigd overgenomen. Voor een meer inhoudelijke toelichting wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelsgewijze toelichting op artikel 4.4, dat identiek overgangsrecht bevat. 

X

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.27 Gegevens en bescheiden op industrieterrein met geluidproductieplafonds

Eerste lid:

Dit artikel heeft als doel om gemeenten op de hoogte te stellen van nieuwe of gewijzigde activiteiten op een industrieterrein met geluidproductieplafonds of op een gezoneerd industrieterrein. Zie voor een toelichting op deze begrippen artikel 9.11. Naar aanleiding van de ontvangen gegevens en bescheiden kan de gemeente vervolgens beoordelen of het noodzakelijk is om een geluidonderzoek te laten verrichten voor het beheer van de geluidzone of het monitoren van het geluidproductieplafond. Op grond van artikel 9.29 van dit omgevingsplan kan dan een rapport van een geluidonderzoek verlangd worden van de initiatiefnemer.

Tweede lid:

Deze informatieplicht geldt niet als de gemeente al via een aanvraag om een omgevingsvergunning, via het overleggen van een geluidonderzoek op grond van artikel 9.28 of via een informatieplicht ergens anders in deze afdeling van dit omgevingsplan of in het Besluit activiteiten leefomgeving, op de hoogte wordt gesteld van het begin of de wijziging van de milieubelastende activiteit. In artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet is daarnaast nog bepaald dat gegevens en bescheiden niet behoeven te worden verstrekt voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt.

Derde lid:

Deze verplichting geldt niet voor activiteiten op een gezoneerd industrieterrein of industrieterrein met geluidproductieplafond waar geen activiteiten verricht worden of installaties gebruikt worden zoals bedoeld in het derde lid. Deze activiteiten en grenzen zijn overgenomen uit de begripsbepaling inrichting Type A in artikel 1.2 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer. Onder het oude recht hoefde voor een inrichting Type A geen melding te worden gedaan. Voor de informatieplicht in dit artikel van het omgevingsplan is alleen gekeken naar die grenzen uit het oude begrip inrichting Type A die mede gesteld waren met het oogmerk om geluidhinder te voorkomen of beperken.

Vierde lid:

De informatie die moet worden aangeleverd moet inzicht geven in het geluid dat het bedrijf voortbrengt. Een geluidbron is een activiteit of installatie die geluid buiten de grenzen van het bedrijf kan veroorzaken. Bij transportbewegingen kan het gaan om aan- en afvoer van materialen producten van en naar de bedrijfslocatie, maar ook om transport binnen het bedrijf met een heftruck bijvoorbeeld.

De beschrijving die moet worden aangeleverd moet voldoende inzicht geven in de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf zodat het bevoegd gezag kan beoordelen of het bedrijf zodanig akoestisch relevant is dat een akoestisch onderzoek nodig is. Het gaat om het geluid van de activiteiten op de locatie die met elkaar samenhangen of elkaar functioneel ondersteunen zoals bedoeld in artikel 9.26. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.61a van de bruidsschat (tijdelijk deel) en is aangepast aan de invoering van geluidproductieplafonds onder de Omgevingswet. Daarnaast zijn de aan te leveren gegevens beperkt tot gegevens die relevant zijn voor geluid.

Y

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.28 Onderzoek en toezenden rapport

Eerste lid:

In dit artikel wordt bij een aantal activiteiten bepaald dat een rapport van een geluidonderzoek moet worden ingediend. Het gaat daarbij onder meer om het onder bepaalde omstandigheden ten gehore brengen van muziekgeluid en om transportactiviteiten in de avond- en nachtperiode (tussen 19.00 en 7.00 uur). Bij deze activiteiten leert de ervaring dat doorgaans problemen te verwachten zijn bij toetsing aan de geluidwaarden.

In het voormalige Activiteitenbesluit was een bepaling opgenomen op grond waarvan het  bevoegd gezag kon besluiten dat het overleggen van een rapport van een akoestisch onderzoek niet was vereist, indien aannemelijk was dat aan de geluidswaarden kon worden voldaan. Deze bepaling was in de bruidsschat niet overgenomen en ook niet in dit omgevingsplan. De maatwerkmogelijkheid van artikel 9.5 kan ook gebruikt worden om in voorkomende gevallen van de plicht tot het verstrekken van een geluidonderzoek af te zien. In de praktijk is het ook gebruikelijk om dit in een brief vast te leggen. 

Derde lid:

In aanvulling op het eerste lid, is tevens een geluidonderzoek nodig voor de in het derde lid genoemde activiteiten mits deze worden verricht op een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld (hierna: industrieterrein). Achtergrond van dit lid is het volgende. In dit lid worden activiteiten benoemd die in artikel 5.78b, eerste lid, onder b en c van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn aangewezen als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken als bedoeld in artikel 2.11a van de Omgevingswet (ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd). Voor deze activiteiten gold onder het voormalige recht een vergunningplicht, maar onder de Omgevingswet stelt het Besluit activiteiten leefomgeving geen vergunning-, meldings- of informatieplicht meer ten aanzien van deze activiteiten. Omdat deze activiteiten in aanzienlijke mate geluid kunnen produceren, ligt een informatieplicht voor de hand. Hiermee wordt voor het minst zware instrument gekozen (ten opzichte van een meldings- of vergunningplicht). Aangezien deze activiteiten onder het voormalige recht ook akoestisch onderzoek moesten aanleveren bij ten behoeve van hun vergunningaanvraag, betekent deze informatieplicht in het omgevingsplan geen lastenverzwaring. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat deze onderszoeks- en informatieplicht alleen geldt voor zover de betreffende activiteiten op een industrieterrein worden verricht. Voor zover deze activiteiten buiten een industrieterrein worden verricht, geldt een vergunningplicht, op grond van artikel 9.34.

Vierde lid:

In het derdevierde lid wordt aangegeven aan welke vereisten het akoestisch onderzoek moet voldoen. Desgewenst kunnen in overleg met het bevoegd gezag nadere afspraken gemaakt worden over het detailniveau van de benodigde informatie. 

Vierde Vijfde lid:

Ten minste vier weken voor het begin van de activiteit moet het geluidonderzoek aan het bevoegd gezag verstrekt worden. Behalve het geluidonderzoek moeten ook de gegevens zoals vermeld in artikel 1.5 worden verstrekt.

Vijfde Zesde lid:

In artikel 9.8 zijn aanvullende indieningsvereisten gesteld voor activiteiten die op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving als vergunningplichtig zijn aangewezen. Indien op grond van dat artikel reeds akoestisch onderzoek wordt verstrekt, dan geldt de verplichting in dit artikel niet. Hiermee worden dubbele onderzoekslasten voorkomen. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikelen 22.60 en 22.61 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en van artikel 1.11 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer.

Z

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.29 Onderzoek op verzoek

Eerste lid:

Dit artikel is een voortzetting van de bevoegdheid die voorheen in artikel 1.11, lid 45 en 6 van het Activiteitenbesluit was opgenomen. In de bruidsschat was die bevoegdheid niet expliciet geregeld omdat de generieke maatwerkbevoegdheid deze ook omvat. Omwille van transparantie en duidelijkheid wordt deze bevoegdheid expliciet benoemd.

De bevoegdheid in dit artikel is (gelet op de generieke maatwerkbevoegdheid in artikel 9.5) ook breder geformuleerd dan het voormalige Activiteitenbesluit. Bij het hanteren van deze bevoegdheid wordt in de eerste instantie gedacht aan de mogelijkheden die het voormalige Activiteitenbesluit bood. 

Het bevoegd gezag kan met een maatwerkvoorschrift een akoestisch onderzoek voorschrijven, bij voorbeeld als de kans op geluidhinder zeer reëel is, maar het indienen van een akoestisch onderzoek op grond van het voorgaande artikel niet verplicht is. Hiervoor moet het bevoegd gezag aannemelijk maken dat te verwachten is dat het geluidsniveau en/of het maximale geluidsniveau meer zal bedragen dan de van toepassing zijnde waarden voor de activiteit. Het gaat om gevallen waarin gelet op de bronvermogens en afstanden tot gevoelige objecten de normen naar verwachting zullen worden overschreden. Deze beoordeling is afhankelijk van de aard van het bedrijf en de omgeving.

Een andere aanleiding voor het voorschrijven van een akoestisch onderzoek kan zijn dat het voor de monitoring van geluidproductieplafonds (voor het zonebeheer) noodzakelijk is de geluidsproductie van activiteiten gelegen op een industrieterrein met geluidproductieplafonds (gezoneerd industrieterrein) te weten. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als een activiteit aan de rand van het industrieterrein is gelegen of als een activiteit met de waarden genoemd in dit omgevingsplan een onevenredig groot beslag zou leggen op de nog beschikbare geluidsruimte, zonder dat die activiteit de bij deze waarden behorende geluidsruimte daadwerkelijk nodig heeft. 

Hiernaast is het ook mogelijk om in andere gevallen een onderzoek te eisen. Dat kan alleen als dat in alle redelijkheid van exploitanten gevraagd mag worden, gelet op de kosten die met een onderzoek gepaard gaan. De noodzaak voor en de redelijkheid van het laten uitvoeren van het onderzoek moet in de onderbouwing van het maatwerkvoorschrift gemotiveerd worden. 

Tweede lid:

Het tweede lid bepaalt dat bij het maatwerkvoorschrift een termijn wordt gesteld waarbinnen het rapport moet worden verstrekt. 

Derde lid:

Voor de inhoud van het akoestisch onderzoek wordt doorverwezen naar de bepaling in het vorig artikel. In beginsel bevat het akoestisch rapport deze informatie. Het bevoegd gezag kan in het maatwerkvoorschrift ook een andere of nadere invulling vastleggen van het detailniveau en de benodigde akoestische informatie. 

Dit artikel is een voortzetting van artikel 1.11, lid 45 en 6 van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer

AA

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.44 Maximaal geluidniveau op geluidgevoelige gebouwen in dagperiode bij aangewezen activiteiten

In afwijking van artikel 9.42 is in artikel 9.44 en 9.45 voor bepaalde activiteiten een waarde voor het maximaal geluidniveau in de dagperiode (van 07.00-19.00 uur) voorgeschreven. Hiertoe biedt artikel 5.67 van het Besluit kwaliteit leefomgeving de mogelijkheid als de aard van de activiteit hiertoe aanleiding geeft. In artikel 9.44 en 9.45 gaat het om zulke activiteiten. Hieronder wordt per activiteit beschreven waarom een waarde voor de dagperiode noodzakelijk is. Er is een onderscheid gemaakt tussen activiteiten die kunnen leiden tot hinder op gevoelige gebouwen (9.44) en activiteiten die hinder veroorzaken in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen (artikel 9.45).  

Eerste lid:

In het eerste lid is omschreven op welke activiteiten artikel 9.44 betrekking heeft. De activiteiten die onder a tot en met d zijn genoemd vinden in de open lucht plaats waarbij regelmatig hoge geluidpieken kunnen ontstaan.

Onderdeel a, afvalpunten

Onder afvalpunt wordt verstaan het bieden van gelegenheid om grove huishoudelijke afvalstoffen af te geven op een daarvoor ingerichte locatie. In het Besluit activiteiten leefomgeving wordt deze activiteit milieustraat genoemd. In dit omgevingsplan wordt ervoor gekozen om het in Amsterdam gebruikelijk begrip te hanteren. Bij afvalpunten vinden gedurende de dag voortdurend handelingen plaats met afvalstoffen en containers in de open lucht. Het werpen van bijvoorbeeld glas en metaal in containers door particulieren kan leiden tot hoge piekgeluiden. Ook bij het verplaatsen van containers kunnen bijvoorbeeld door stoten hoge geluidspieken ontstaan. De frequentie en de hoogte van de geluidpieken bij afvalpunten kunnen leiden tot aanzienlijke hinder waardoor het noodzakelijk is een waarde voor het maximaal geluidsniveau in de dagperiode voor te schrijven.

Onderdeel b, handelingen met metaalschroot en autowrakken

Bij het inzamelen van metalen, het verdelen van metalen naar soort, het bewerken en verkleinen (waaronder afkorten, shredders) van metalen, het transporteren en werpen in containers en andere opslagplaatsen, ontstaan met grote regelmaat geluidpieken. Deze activiteiten vinden veelal niet binnen gebouwen plaats maar in de open lucht of onder een overkapping. Het gaat daarbij ook om hoge geluidpieken. Door de frequentie en de hoogte van de geluidpieken kan aanzienlijke hinder optreden.

Onderdeel c, onderhoud, reparatie en bouw van schepen

Bij scheepswerven wordt metaal en hout bewerkt met machines en gereedschap in de open lucht. Tijdens deze werkzaamheden kunnen hoge geluidpieken ontstaan die kunnen leiden tot overlast voor de omgeving. Bijvoorbeeld door het hameren of bikken op de metalen scheepswand. Deze geluiden kunnen door de frequentie en hoogte tot aanzienlijke hinder leiden.

Onderdeel d, steigerverhuurbedrijven

Bij deze bedrijven vinden handelingen in de open lucht met steigermateriaal plaats. Hierbij is het onvermijdelijk dat piekgeluiden optreden als de metalen delen van het steigermateriaal met elkaar in contact komen of met het opslagmiddel waarin ze worden opgeslagen. Door de aard van dit type bedrijf treden piekgeluiden ook gedurende de hele dag op.  

Onderdeel e, tankstations

Bij het dichtslaan van portieren treden onvermijdelijk hoge piekgeluiden op die tot hinder kunnen leiden. Deze bepaling is alleen relevant voor ‘nieuwe’ tankstations die na 31 oktober 2024 zijn opgericht of die eerder zijn opgericht maar waarvan de bedrijfsvoering sindsdien is veranderd. Voor 'bestaande’ tankstations die al vóór 31 oktober 2024 in werking waren en die niet veranderd zijn, 9.49 een specifieke regeling waarmee onder meer ook het maximaal geluidniveau wordt beperkt. Daarom zijn ‘bestaande’ tankstations uitgezonderd om een dubbele regeling te voorkomen.

Tweede lid:

In het tweede lid is de waarde opgenomen die geldt op geluidgevoelige gebouwen voor de activiteiten die zijn omschreven in het eerste lid. De hoogte van de maximale waarde is overgenomen uit de inmiddels ingetrokken bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan).

Derde lid:

In het derde lid is bepaald dat de maximale geluidniveau is niet van toepassing op laad- en losactiviteiten. Deze uitzondering is overgenomen uit de inmiddels ingetrokken bruidsschat (tijdelijk deel omgevingsplan).

BB

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.49 Waarde bestaande tankstations

Dit artikel regelt geluidwaarden voor bestaande tankstations. Voor inwerkingtreding van deze bepaling gold voor tankstations een afwijkende dagindeling op grond van de bruidsschat en het voormalige Activiteitenbesluit. Voor bestaande tankstations wordt deze afwijkende dagindeling voortgezet mits die activiteit naar aard en omvang niet verschilt van de activiteit zoals die werd verricht voor de inwerkingtreding van deze bepaling. De afwijkende regeling geldt alleen zolang de activiteit niet wordt gewijzigd. Als een verandering plaatsvindt moet het geluid opnieuw beoordeeld worden. Eventueel kan met maatwerk op grond van artikel 9.5 de regeling in dit artikel voortgezet worden. Daarbij worden ook de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving betrokken. Zo wordt in de loop van de tijd ook bij bestaande tankstations bij verandering van het bedrijf beoordeeld of ze aan de nieuwe instructieregels kunnen voldoen. Op termijn is het mogelijk dat de regeling voor bestaande tankstations in dit artikel niet meer nodig is, of dat deze wordt herzien omdat het wenselijk wordt gevonden dat ook bestaande tankstations waar redelijkerwijs mogelijk gaan voldoen aan de nieuwe instructieregels. 

Nieuwe tankstations moeten voldoen aan de standaardregeling van artikel 9.42 en artikel 9.44. Als een nieuw tankstation vanwege zijn bedrijfsvoering in de avondperiode meer geluid veroorzaakt, dan kan met maatwerk worden afgeweken van artikel 9.42. Daarbij kan ook worden afgeweken van de standaard dagindeling die in artikel 9.42 is opgenomen. Als de dagindeling wordt gehanteerd die in dit artikel is opgenomen, dan wordt in de periode van 19 tot 21 uur meer geluid toegestaan dan de standaardwaarden van de instructieregels in het Besluit kwaliteit leefomgeving. In dat geval moet worden beoordeeld of wordt voldaan aan de voorwaarde dat wordt voldaan aan de grenswaarden voor geluid binnen geluidgevoelige ruimten in geluidgevoelige gebouwen. Voor bestaande activiteiten geldt deze voorwaarde in de instructieregels niet voor het voortzetten van de bestaande geluidwaarden. Daarom kan met dit artikel voor bestaande tankstations de voormalige regeling worden voortgezet zonder dat voor ieder tankstation een beoordeling van het geluid binnen omliggende gebouwen moet worden gemaakt. 

Eerste lid:

In het eerste lid wordt de maximum waarde op de gevel van geluidgevoelige gebouwen bepaald. Deze regel wijkt op twee punten af van de reguliere norm van artikel 9.42. Ten eerste wordt de dagindeling van het voormalige Activiteitenbesluit en van de bruidsschat gebruikt omdat dit, gelet op de bezoekersstromen, beter aansluit bij de exploitatie van tankstations. Het gevolg van deze afwijking is dat tussen 19.00 en 21.00 uur ten opzichte van de reguliere waarde een hogere geluidbelasting is toegestaan, terwijl in de periode tussen 21.00 en 23.00 uur juist een strengere norm van toepassing is. Afwijkende waarden zijn voor bestaande situaties op grond van artikel 5.66 lid 2, b Bkl mogelijk. De aard van de activiteit (veel bezoek in de avondperiode) maakt deze afwijking wenselijk voor de bedrijfsvoering. De afwijking is tevens aanvaardbaar om de volgende redenen:

- de gedeeltelijke verruiming van de norm wordt ‘gecompenseerd’ door een gedeeltelijk strengere norm;

- de duur van de verruiming (2 uur per dag) is beperkt; 

- er wordt aangesloten bij de situatie die gold voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet. 

Ten tweede wordt voor tankstations ook in de dagperiode een waarde voor het maximaal geluidniveau voorgeschreven. Hiertoe biedt artikel 5.67 Bkl de mogelijkheid. De aard van de activiteit, namelijk de pieken bij dichtslaan van autoportieren, maakt dit wenselijk.

Tweede lid:

Laden en lossen in de dagperiode en tot 21.00 was ook onder het voorheen geldend recht uitgesloten. Dat wordt in dit onderdeel voortgezet. 

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.64 van de bruidsschat (tijdelijk deel) en artikel 2.17, vierde lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer, en geeft uitvoering aan artikel 5.67 Bkl. 

CC

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.105 Landbouwhuisdieren met geuremissiefactor: waarden

Eerste lid :

In dit artikel worden de standaardwaarden voor geurbelasting in odour units gegeven voor dierenverblijven met dieren waarvoor een emissiefactor is vastgesteld. Deze waarden komen overeen met de standaardwaarde van artikel 5.109, eerste lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van Bijlage I bij dit omgevingsplan wordt onder landbouwhuisdieren met geuremissiefactor verstaan: landbouwhuisdieren waarvoor in de Omgevingsregeling een emissiefactor voor geur is vastgesteld en die vallen binnen een van de volgende diercategorieën: 

a. varkens, kippen, schapen of geiten; of 

b. als deze worden gehouden voor de vleesproductie: 

1°. rundvee tot 24 maanden; 

2°. kalkoenen; 

3°. eenden; of 

4°. parelhoenders. 

In de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige gebouwen binnen en buiten de bebouwde kom. Het begrip ‘bebouwde kom’ was en is niet gedefinieerd. Gelet op het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt in dit omgevingsplan de bebouwingscontour geur opgenomen, zodat vooraf hierover altijd duidelijkheid is. 

Tweede lid:

In het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer werd voor de manier van berekenen van de geur door het houden van landbouwhuisdieren met geuremissiefactor, verwezen naar de ministeriële regeling die op grond van artikel 10 van de Wet geurhinder en veehouderij was vastgesteld. In de Omgevingsregeling is deze methode voor het berekenen van de geurwaarden verwerkt in afdeling 6.2 (in artikel 6.14) van de Omgevingsregeling.

De rekenvoorschriften voor geur worden landelijk geregeld op grond van artikel 4.1, tweede lid, van de Omgevingswet. In dit omgevingsplan hoeven dus in principe geen verwijzingen opgenomen te worden naar deze rekenvoorschriften. Dit is hier wel gedaan voor de leesbaarheid van de regelgeving. 

Derde lid:

Dit lid heeft een tijdelijk karakter, in lijn met het overgangsrecht van artikel 12.14 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het is de bedoeling dat tijdens de overgangsfase de aanduiding ‘bebouwingscontour geur' wordt aangebracht. Zolang dat nog niet heeft plaats gevonden, geldt de regeling in dit artikel ook ter plaatse van de bebouwde kom. Zoals in de toelichting op het eerste lid staat aangegeven werd in de voormalige Wet geurhinder en veehouderij en in het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer het begrip ‘bebouwde kom’ gehanteerd. 

Dit artikel is een voortzetting van artikel 22.98 van de bruidsschat (tijdelijk deel), van artikel 3.115, eerste lid van het voormalige Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 3 van de voormalige Wet geurhinder en veehouderij. Het begrip ‘bebouwde kom’ is vervangen door het begrip ‘bebouwingscontour’ om te voldoen aan artikel 5.97 Bkl. Het artikel geeft uitvoering aan artikel 5.109 Bkl

DD

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.131 Toepassingsbereik

Bij het opslaan van minder dan 3 m3kuilvoer of vaste mestbijvoermiddelen gelden geen eisen, anders dan de specifieke zorgplicht. 

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen maakt vaak deel uit van een veehouderij, die aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.200 van het Bal of een agrarisch loonwerkbedrijf dat aangewezen is als milieubelastende activiteit in artikel 3.215 van het Bal. In dat geval gelden niet de regels uit deze paragraaf, maar de regels voor de opslag van kuilvoer of vaste bijvoermiddelen uit het Bal. De regels uit deze paragraaf gelden voor opslagen die behoren bij bijvoorbeeld veehouderijen die minder landbouwhuisdieren houden dan de ondergrenzen, opgenomen in art 3.200 van het Bal, kinderboerderijen, dierentuinen of bij maneges.

Het opslaan van kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen kan ook geurhinder veroorzaken. Hiervoor geldt artikel 9.117 (geur opslaan kuilvoer of vaste bijvoedermiddelen: afstand).

Dit artikel vormt de voortzetting van artikel 22.246 van de bruidsschat (tijdelijk deel). 

EE

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.144 Niet-industriële voedselbereiding - overgangsrecht geur

Dit artikel regelt twee overgangssituaties waarin de geurmaatregelen van artikel 9.143 gedurende drie jaar niet van toepassing zijn: op een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare en bij bepaalde bedrijven die sinds 31 december 2007 ongewijzigd in werking zijn. Er is voor gekozen om deze uitzonderingen uit artikel 22.199, derde en vierde lid (bruidsschat) niet voort te zetten. Door de ruime maatwerkmogelijkheden van artikel 9.5 is het mogelijk om met maatwerk tegemoet te komen aan individuele situaties waar het vervallen van deze uitzonderingen toch een probleem oplevert. Het is echter onwenselijk dat direct sprake is van een overtreding op het moment dat de nieuwe regels in werking treden. Daarom blijft de oude regel voor bestaande gevallen nog enige jaren gelden. Met de termijn van drie jaar is aangesloten bij overgangsrecht zoals dat in enkele rijksregels wordt gehanteerd, bijvoorbeeld artikel 6.1, eerste lid van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Ook na het verstrijken van de termijn is het natuurlijk mogelijk om maatwerk te maken.

Eerste lid:

Dit artikel bevat overgangsrecht en geldt daarom alleen voor situaties die al bestonden op het moment dat hoofdstuk 9 in werking trad en voldeden aan de voorwaarden van artikel 22.199, derde en vierde lid.

Tweede lid:

Dit artikellid bevat overgangsrecht en geldt daarom alleen voor situaties die al bestonden op het moment dat hoofdstuk 9 in werking trad. De bepaling gaat over geur op een bedrijventerrein. In artikel 9.143, derde lid is bepaald dat geen geurmaatregelen hoeven te worden getroffen als het mogelijke effect van de geuremissie beperkt blijft tot een industrieterrein met geluidproductieplafonds (voorheen gezoneerd industrieterrein). In het voormalige Activiteitenbesluit en in artikel 22.199, derde lid gold deze uitzondering ook voor een bedrijventerrein met minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare. Deze uitzondering wordt geschrapt omdat gebleken is dat deze uitzondering in de praktijk niet werd toegepast. De situatie komt ook nauwelijks voor dat er minder dan één geurgevoelig gebouw per hectare is. 

Deze uitzondering blijft op grond van dit artikellid tijdelijk gelden voor bestaande gevallen die toch onder voorwaarden van deze bepaling vallen. De uitzondering geldt voor een Activiteitenbesluit-bedrijventerrein. Dit is een bedrijventerrein dat voldoet aan de begripsomschrijving van het voormalige Activiteitenbesluit: “een cluster aaneengesloten percelen met overwegend bedrijfsbestemmingen, binnen een in het omgevingsplan als bedrijventerrein aangewezen gebied, daaronder niet begrepen een gezoneerd industrieterrein of een industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds als omgevingswaarden zijn vastgesteld.” Deze begripsomschrijving was opgenomen in de bruidsschat, en geldt via de verwijzing naar artikel 22.199 ook voor dit artikel. Bij de omzetting van bestemmingsplannen naar het nieuwe deel van het Omgevingsplan worden de huidige bedrijfsbestemmingen vervangen. Voor de werking van dit artikel maakt dit geen verschil, omdat verwezen wordt naar de juridische status van het bedrijventerrein direct voor inwerkingtreding van dit artikel. 

Derde lid Tweede lid:

Onder de voorgangers van het voormalige Activiteitenbesluit waren de maatregelen ter voorkoming van geurhinder niet van toepassing als er geen geurhinder kon worden ondervonden. In het Activiteitenbesluit was een overgangsbepaling opgenomen voor bedrijven die vanwege deze uitzondering geen maatregelen hoefden te treffen. Inmiddels is veel tijd verstreken, waardoor er steeds minder situaties zijn die nog steeds ongewijzigd voortbestaan, en daarnaast is het in de praktijk vaak lastig vast te stellen of dit het geval is. Ook is het niet onredelijk om na verloop van tijd te bekijken of aan de nieuwe normen kan worden voldaan. Daarom is er voor gekozen om dit oude overgangsrecht niet onbegrensd over te nemen uit artikel 22.199, vierde lid.

Deze uitzondering wordt in dit artikellid tijdelijk voortgezet. De voorwaarde dat destijds aan de voorschriften werd voldaan (onderdeel b) was niet opgenomen in artikel 22.199, maar is toegevoegd op basis van jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2011:BP9592). De uitzondering geldt alleen zolang er geen verandering van de activiteit plaatsvindt die tot een toename van de geurbelasting op een geurgevoelig gebouw leidt.

FF

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.314 Lozen van afvalwater: lozingsroute en emissiegrenswaarde 

Eerste lid: 

Dit artikel stelt eisen aan het afvalwater afkomstig van dierenverblijven waarin landbouwhuisdieren of paarden of pony’s voor het berijden worden gehouden. 

De drempels uit art. 22.256, eerste lid van de bruidsschat zijn in dit artikel niet overgenomen omdat die onder het voorheen geldend recht (Activiteitenbesluit milieubeheer) ook niet golden. In aansluiting op de regels in het Besluit activiteiten leefomgeving voor het lozen van afvalwater uit dierenverblijven is ook het gelijkmatig verspreiden van het afvalwater over landbouwgronden toegestaan. Onder het oude recht was dit ook toegestaan op grond van de Meststoffenwet.

Tweede lid:

Bij lozing op het vuilwaterriool mag het afvalwater het niet teveel onopgeloste bestanddelen bevatten om te voorkomen dat het riool dichtslibt.

Derde lid: 

Voor lozen op de bodem of het schoonwaterriool geldt het vangnetverbod (artikel 9.246 en 9.247). Om in dit artikel duidelijkheid te geven over alle lozingsroutes is ook in dit artikellid vermeld dat het afvalwater niet op of in de bodem of in een schoonwaterriool geloosd mag worden.

Dit artikel is een voortzetting van het inmiddels vervallen artikel 22.256 van de bruidsschat (tijdelijk deel). De uitzondering voor wonen uit dat artikel is niet overgenomen omdat in dit omgevingsplan de regels voor lozen van afvalwater bij wonen in een aparte paragraaf staan. Het artikel is tekstueel aangepast om te verduidelijken en beter aan te sluiten bij de regel in het Activiteitenbesluit.

GG

Na sectie ' Terugsaneerwaarden gelijk aan gebiedsspecifieke kwaliteitseisen toepassen grond' worden vier secties ingevoegd, luidende:

Artikel 9.367 Afwijkende dikte leeflaag

In gebieden met een grondwaterstand van minder dan 1 meter ten opzichte van het toekomstige maaiveld, kan worden volstaan met een leeflaagdikte van minder dan 1 meter. Uitgangspunt is dat de leeflaagdikte wordt afgestemd op de gemiddelde grondwaterstand met een minimumdikte van 0,5 meter. De grondwaterstand moet worden aangetoond door de initiatiefnemer. Dit kan door onder anderen gebruik te maken van gegevens uit bodemonderzoek, gegevens over grondwaterstanden en straathoogte van peilbuizen van Waternet, peilbesluiten van de waterschappen en het actueel hoogtebestand Nederland (AHN).

Artikel 9.368 Toepassingsbereik

Dit artikel bepaalt het toepassingsbereik van deze paragraaf over toepassen van staalslakken en grondstabilisatie en bevat de begripsbepalingen.

Staalslak is een bijproduct van de staalproductie. Het ontstaat bij de omzetting van ruwijzer naar staal. De gestolde staalslak is een steenachtig materiaal. Voor staalslakken gelden toepassingsvoorwaarden, zoals “droogligging” (boven het grondwaterniveau) en geen contactmogelijkheid met oppervlaktewater, vanwege de zeer hoge pH-waarde (zuurgraad).

De toepassing van staalslakken en grondstabilisatie kan significante nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben. Het gaat bij deze toepassingen doorgaans om zeer grote hoeveelheden. Het risico bij toepassing van staalslakken(mengsels) en grondstabilisatie bestaat met name uit de hoge pH-waarde. Die kan bij mensen leiden tot brandwonden en kan schadelijk zijn voor de ecologie in het oppervlaktewater, waardoor bijvoorbeeld vissterfte kan optreden. Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat toepassingsvoorwaarden voor bouwstoffen (paragraaf 4.123 van het Bal) en een specifieke zorgplicht (artikel 2.11 van het Bal). De specifieke zorgplicht kan inhouden dat maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of in het uiterste geval dat van toepassing wordt afgezien als de nadelige gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt.

In de praktijk kan de zorgplicht - omdat toezichthouders niet op de hoogte zijn van een voorgenomen toepassing - pas door het bevoegd gezag worden ingezet als de ongewenste situatie al is ontstaan. Om te voorkomen dat ongewenste nadelige effecten pas na toepassing van staalslakken of grondstabilisatie naar voren komen, is het nodig om hiervoor in het omgevingsplan een meldplicht op te nemen in aanvulling op de algemene regels in het Bal voor het toepassen van bouwstoffen. Met een meldplicht is het bevoegd gezag in de gelegenheid om vooraf te toetsen of aan de toepassingsvoorwaarden en aan de zorgplicht wordt voldaan. Het bevoegd gezag kan zo nodig een maatwerkvoorschrift stellen ter bescherming van de fysieke leefomgeving op grond van artikel 2.13 van het Bal.

De regels in het omgevingsplan zijn afkomstig uit het (TAM-) Voorbereidingsbesluit staalslakken en grondstabilisatie Amsterdam dat de gemeenteraad op 9 november 2023 heeft vastgesteld. De regels van het voorbereidingsbesluit gelden al sinds de inwerkingtreding van de Omgevingsplan.

Eerste lid

In paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen over het toepassen van bouwstoffen. Deze gelden ook bij het toepassen van staalslakken of het stabiliseren van de bodem door het maken van een stabilisaat in de bodem. Hierbij gaat het immers ook om het toepassen van bouwstoffen. In aanvulling op de regels in het Bal is voor beide activiteiten een meldplicht opgenomen.

Het toepassen van bouwstoffen omvat zowel het aanbrengen als het daarna aangebracht houden van bouwstoffen. De bepalingen van paragraaf 4.123 van het Bal blijven van toepassing zo lang de bouwstoffen in de functionele toepassing, waarin ze zijn aangebracht, aanwezig blijven.

Tweede lid

De begripsbepalingen in dit hoofdstuk zijn aanvullend op de begripsbepalingen in paragraaf 4.123 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

In artikel 4.1257, derde lid, van het Bal is het begrip partij geduid als: hoeveelheid materiaal die volgens de bij of krachtens het Besluit bodemkwaliteit gestelde regels als partij wordt aangemerkt.

Aandachtspunt is het bepaalde in artikel 4.1257, tweede lid, van het Bal dat de regels steeds van toepassing zijn op een partij bouwstoffen, tenzij anders is bepaald. Door dit eenmalig te regelen kan de toevoeging ‘van een partij bouwstoffen’ in veel artikelen van paragraaf 4.123 van het Bal worden weggelaten. Als een regel niet behoort te gelden voor een afzonderlijke partij, is dat niet steeds expliciet aangegeven. Dit is ook niet altijd mogelijk. De activiteit ‘toepassen van bouwstoffen’ kan zowel het toepassen van een afzonderlijke partij als het toepassen van meerdere partijen betreffen. Uit de formulering van de artikelen van de paragraaf is wel steeds duidelijk of een regel voor een afzonderlijke partij geldt of voor meerdere partijen. 

De meldplicht ziet zowel op de melding van de toepassing in zijn geheel (artikel 9.369, tweede lid, onderdelen a tot en met  i, en artikel 9.370, derde lid, onderdelen a tot en met i), als op vervolgmeldingen per partij (dezelfde artikelen, onderdelen a en c).

Een ander relevant begrip bij het toepassen van bouwstoffen is het begrip ‘werk’. Dit is in artikel 4.1257, derde lid van het Bal omschreven als: infrastructuur, waaronder bouwwerken, of het resultaat van een andere functionele toepassing van bouwstoffen. Het begrip ‘werk’ is een breed begrip dat functionele toepassingen van bouwstoffen dekt. In de omschrijving van het werk zijn naast overige functionele toepassingen, de begrippen bouwwerk en infrastructuur opgenomen, beiden gedefinieerd in de bijlage bij artikel 1.1 van de Omgevingswet. Het gaat bijvoorbeeld om dijken, viaducten, (spoor)wegen of geluidswallen. Een belangrijke eigenschap van een werk is dat het een functioneel karakter moet hebben. De situaties waarin geen bouwstoffen mogen worden toegepast zijn geregeld in artikel 4.1260, derde lid, van het Bal.

Onder a

Voor de begripsbepaling van ‘bouwstof’ wordt verwezen naar artikel 1 van het Besluit bodemkwaliteit. Het begrip ‘bouwstof’ wordt in het Besluit bodemkwaliteit omschreven als een materiaal dat is bestemd om te worden toegepast waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of en aluminium samen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie. Het gaat om steenachtig materiaal.

Onder b en c

Bindmiddelen zoals kalk, cement en gips worden aan de bodem toegevoegd om een stabielere bodem te creëren. Samen met de aanwezige grond wordt een nieuwe bouwstof gemaakt, het stabilisaat. Deze nieuwe bouwstof moet voldoen aan de eisen die worden gesteld aan een bouwstof, zoals de eis van een milieuverklaring bodemkwaliteit.

Onder d tot en met f

Staalslak is een bijproduct van de staalproductie dat in gestolde vorm steenachtig is. 

Het gaat om:

-    Hoogovenslak, dit is slak die is vrijgekomen bij de bereiding van ruwijzer in een hoogoven; en 

-    LD-staalslak, dit is slak die vrijkomt bij de bereiding van staal volgens de methode van Linz-Donawitz.

Om ze te kunnen gebruiken als bouwstoffen worden staalslakken geleverd met een milieuverklaring bodemkwaliteit op grond van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit, die wordt gebruikt om de kwaliteit van de staalslakken aan te tonen. Vaak is dit een erkende kwaliteitsverklaring op basis van Beoordelingsrichtlijn (BRL) 9310 of BRL 9345.  

Een beoordelingsrichtlijn is een document waarin de relevante eisen en voorschriften zijn opgenomen die van toepassing zijn op een product en/of een proces en beschrijft de manier waarop certificatie-instellingen toetsen of een organisatie voldoet aan de technische eisen voor het behalen of behouden van een certificaat. Een beoordelingsrichtlijn geeft de producteisen aan die worden gesteld aan bouwstoffen en stelt eisen aan het door de producent te hanteren kwaliteitssysteem bij de productie ervan. 

Artikel 9.369 Melding toepassen staalslakken

Eerste lid: 

Het eerste lid bepaalt dat het toepassen van staalslakken gemeld moet worden. De reden hiervoor is dat bij het toepassen van staalslakken mogelijk nadelige effecten op de fysieke leefomgeving kunnen ontstaan, zoals een verhoging van de pH-waarde in grondwater of oppervlaktewater. Er zijn ook bouwstoffen met 5-20% staalslak zoals hydraulisch menggranulaat. Deze vallen niet onder de meldplicht voor het toepassen van staalslakken, omdat de genoemde mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant is. Bij staalslakken of bouwstoffen met meer dan 20 gewichtsprocenten staalslakken kunnen dergelijke nadelige effecten wel aan de orde zijn. De meldplicht bevat onder meer het indieningsvereiste dat beschreven moet worden welke voorzieningen en maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de staalslakken de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloeden of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) worden toegepast.

Deze meldplicht, waaraan vier weken voor de start van de activiteit moet worden voldaan, is nodig om het bevoegd gezag voldoende gelegenheid te geven om de bij de melding verstrekte informatie te beoordelen en zo nodig een controle in te plannen. Eventueel kan het bevoegd gezag (bij voorkeur voorafgaand aan de toepassing) een maatwerkvoorschrift stellen op grond van artikel 2.13 van het Bal.

Op basis van de gegevens bij de melding is het bevoegd gezag in de gelegenheid om toepassingen met staalslakken te registreren. Bij eventuele (onvoorziene) nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving, zoals een verhoogde zuurgraad van het oppervlaktewater met dode vissen tot gevolg, kan dan eerder de relatie worden gelegd met de toepassing en kunnen de te nemen maatregelen daarop worden afgestemd. Zo nodig kan alsnog een maatwerkvoorschrift door het bevoegd gezag worden gesteld ter invulling van de zorgplicht.

Tweede lid:

Het tweede lid bevat regels over de inhoud van de melding.

Onder a en b

Informatie over de verwachte data waarop het toepassen zal beginnen en eindigen is van belang voor het houden van fysiek toezicht. Het bevoegd gezag kan langsgaan op de locatie waar het werk wordt gerealiseerd.

Onder c

Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is afgegeven op grond van het Bal, volgt onder meer informatie over de kwaliteit van de toe passen staalslakken.

Onder d

Informatie over de herkomst van de staalslakken geeft inzicht waar deze bouwstof is geproduceerd en is nodig met het oog op de ketenhandhaving. Als deze informatie is opgenomen in de milieuverklaring, dan voldoet het verstrekken van de milieuverklaring.

Onder e

Het is van belang dat bekend is hoeveel staalslakken in totaal in het werk wordt toegepast. Zo kan het bevoegd gezag beoordelen of sprake is van een functionele toepassing, die voldoet aan de eis van functionele hoeveelheid (artikel 4.1261 van het Bal). Ook kan zij haar toezichtcapaciteit afstemmen op de omvang van de toepassing. Het toepassen kan eventueel in fasen plaatsvinden, maar de hoeveelheid van al deze fasen samen moet bekend zijn.

Onder f

Ook de dimensionering moet worden gemeld. Hieruit kan worden opgemaakt of er inderdaad sprake is van een functionele toepassing en niet meer staalslakken worden toepast dan noodzakelijk is voor het realiseren van de functionele toepassing (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving).

Onder g

In de melding wordt aangegeven welke functionele toepassing (werk) wordt gerealiseerd met een onderbouwing waarom de initiatiefnemer de toepassing als functioneel ziet (zoals bedoeld in artikel 4.1260 van het Bal). Het gaat bij de onderbouwing om de vraag of de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats of onder de omstandigheden waar deze plaatsvindt. Veelal is het realiseren van een functionele toepassing het gevolg van een ruimtelijk besluit, zoals bij de aanleg van een weg.

Onder h

In artikel 2.18 van het Bal zijn algemene gegevens opgenomen die steeds bij het verstrekken van gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd. Daarin is al opgenomen dat het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, wordt verricht moet worden verstrekt. Locaties waar bouwstoffen worden toegepast, bevinden zich vaak in het buitengebied en hebben niet altijd een adres. Daarom zullen in aanvulling daarop de coördinaten van de ontvangende landbodem moeten worden verstrekt. Mocht van de ontvangende landbodem het adres vermeld zijn, dan kunnen de coördinaten achterwege worden gelaten.

De informatie over de locatie waar de bouwstoffen zullen worden toegepast stelt het bevoegd gezag in staat zich een beeld vormen of de voorgenomen toepassing van bouwstoffen op de beoogde locatie is toegestaan. Het kan bijvoorbeeld niet toegestaan zijn bepaalde bouwstoffen toe te passen als in het omgevingsplan de functie natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen.

Onder i

Zie de toelichting bij het eerste lid.

Derde lid:

In een werk kunnen verschillende partijen staalslakken worden toegepast. Een volledige melding is niet vereist als al eerder een melding is gedaan voor de functionele toepassing waarin de staalslakken worden toegepast. Dezelfde gegevens hoeven niet iedere keer opnieuw te worden gemeld als in het kader van dezelfde functionele toepassing meerdere partijen staalslakken worden toegepast. Er kan dan worden volstaan met specifieke informatie die op die partijen betrekking heeft, zoals opgenomen in het tweede lid onder a (start van de toepassing) en c (milieuverklaring).

Vierde lid:

Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Zo kan het bevoegd gezag onder meer beoordelen of nog steeds sprake is van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid.

Artikel 9.370 Melding grondstabilisatie 

Eerste lid:

Het eerste lid bepaalt dat grondstabilisatie gemeld moet worden. Grondstabilisatie is het stabiliseren van de bodem tot een stabilisaat door het toevoegen van bindmiddelen aan de bodem. De reden voor een meldplicht is dat deze activiteit nadelige effecten op de fysieke leefomgeving kan hebben, zoals een verhoging van de 

pH-waarde in grondwater of oppervlaktewater. De meldplicht bevat onder meer het indieningsvereiste dat beschreven moet worden welke voorzieningen en maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat de toepassing de zuurgraad van het grondwater of nabijgelegen oppervlaktewater significant beïnvloedt of anderszins in strijd met de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt verricht.

Tweede lid:

Het stabiliseren van de bodem van locaties met een oppervlakte van minder dan 1000 m2 valt niet onder de meldplicht voor het stabiliseren van de bodem, omdat de mogelijke nadelige effecten op de fysieke leefomgeving bij toepassing ervan naar verwachting niet significant zijn. De specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Besluit activiteiten leefomgeving is onverminderd van toepassing.

Derde lid:

Het derde lid bevat regels over de inhoud van de melding.

Onder a en b

Informatie over de verwachte data waarop het toepassen zal beginnen en eindigen is van belang voor het houden van fysiek toezicht. Het bevoegd gezag kan langsgaan op de locatie waar het werk wordt gerealiseerd.

Onder c

Uit de milieuverklaring bodemkwaliteit, die is afgegeven op grond van het Besluit bodemkwaliteit, volgt onder meer informatie over de kwaliteit van het toe passen stabilisaat.

Onder d

Voor het kunnen beoordelen van de toepassing is het nodig om de herkomst en de samenstelling van de gebruikte bindmiddelen te verstrekken aan het bevoegd gezag.

Onder e

Voor het kunnen beoordelen van de toepassing is het nodig om de hoeveelheid bindmiddelen die in totaal voor de stabilisatie van de bodem zal worden toegepast te verstrekken aan het bevoegd gezag.

Onder f

Ook de dimensionering moet worden gemeld. Hieruit kan worden opgemaakt of er inderdaad sprake is van een functionele toepassing en niet meer stabilisaat wordt toepast dan noodzakelijk is voor het realiseren van de functionele toepassing (artikel 4.1261 van het Besluit activiteiten leefomgeving).

Onder g

In de melding wordt aangegeven welke functionele toepassing (werk) wordt gerealiseerd met een onderbouwing waarom de initiatiefnemer de toepassing als functioneel ziet. Het gaat bij de onderbouwing om de vraag of de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats of onder de omstandigheden waar deze plaatsvindt. Veelal is het realiseren van een functionele toepassing het gevolg van een ruimtelijk besluit.

Onder h

In artikel 2.18 van het Besluit activiteiten leefomgeving zijn algemene gegevens opgenomen die steeds bij het verstrekken van gegevens en bescheiden moeten worden aangeleverd. Daarin is al opgenomen dat het adres waarop de activiteit, bedoeld in hoofdstuk 3 van het Bal, wordt verricht moet worden verstrekt. Locaties waar bouwstoffen worden toegepast, bevinden zich vaak in het buitengebied en hebben niet altijd een adres. Daarom zal in aanvulling daarop de coördinaten van de ontvangende landbodem moeten worden verstrekt. Mocht van de ontvangende landbodem het adres vermeld zijn, dan kunnen de coördinaten achterwege worden gelaten.

De informatie over de locatie waar de bouwstoffen zullen worden toegepast stelt het bevoegd gezag in staat zich een beeld vormen of de voorgenomen toepassing van bouwstoffen op de beoogde locatie is toegestaan. Het kan bijvoorbeeld niet toegestaan zijn bepaalde bouwstoffen toe te passen als in het omgevingsplan de functie natuurgebied of grondwaterbeschermingsgebied is aangewezen.

Onder i

Zie de begeleidende toelichting bij artikel 9.368, en de toelichting bij artikel 9.369, eerste lid. De toelichting bij artikel 9.369, eerste lid over mogelijke nadelige effecten, geldt vergelijkbaar voor grondstabilisatie.

Vierde lid:

In een werk kunnen verschillende partijen bindmiddelen worden toegepast. Een volledige melding is niet vereist als al eerder een melding is gedaan voor de functionele toepassing als geheel. Dezelfde gegevens hoeven niet iedere keer opnieuw te worden gemeld als in het kader van dezelfde functionele toepassing meerdere partijen worden toegepast. Er kan dan worden volstaan met specifieke informatie die op die partijen betrekking heeft, zoals opgenomen in het derde lid onder a (start van de toepassing) en c (milieuverklaring).

Vijfde lid:

Als het toepassen op een andere manier wordt gedaan dan in de melding is aangegeven moet dit tenminste een week voorafgaand aan die wijziging worden gemeld. Zo kan het bevoegd gezag onder meer beoordelen of nog steeds sprake is van een functionele toepassing en een functionele hoeveelheid. 

HH

De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 9.370 Bodem: omgaan met ernstige bodemverontreiniging bij uitvoeren activiteit

Degene die op de locatie, bedoeld in artikel 9.3699.373, een activiteit verricht, neemt in het belang van bescherming van de bodem maatregelen die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om verdere verontreiniging van de bodem te voorkomen of te beperken, of – als en voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is als onderdeel van een activiteit die wordt verricht – ongedaan te maken. Zie verder hierna over de mogelijkheden en beperkingen van dit artikel. Er geldt een licht beschermingsregime voor deze bekende verontreinigde locaties in afwachting van sanering, net als onder de Wet bodembescherming.

Dit artikel heeft betrekking op zogenoemde ernst, niet-spoed locaties, zoals deze waren beschikt als saneringsgeval op grond van de Wet bodembescherming. In de toelichting bij de Aanvullingswet bodem is aangegeven dat de beschikking ernst, niet-spoed als zodanig bij inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt. Er is overgangsrecht geregeld voor onder meer gebruiksbeperkingen op grond van artikel 37, vierde lid, van de Wet bodembescherming. Ook is overgangsrecht van toepassing op een ernst, niet-spoedlocatie, als een saneringsplan is ingediend. Zie de artikelen 3.1 en 3.2 van de  Aanvullingswet bodem.

Voor de spoedlocaties is overgangsrecht opgenomen in de Aanvullingswet bodem (artikel 3.1), zodat daarvoor de bestaande regels bij of krachtens de Wet bodembescherming blijven gelden. Locaties met een verontreiniging boven de interventiewaarde die onder de Wet bodembescherming waren aangemerkt als ernst, niet-spoed worden in het nieuwe stelsel, net als onder de Wet bodembescherming, gesaneerd op een natuurlijk moment, meestal bouwen. Het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en dit omgevingsplan regelen dat saneren een voorwaarde is voor het bouwen. Die besluiten regelen ook de saneringsaanpak. De milieubelastende activiteit graven regelt hoe om te gaan met graven in verontreiniging boven de interventiewaarde. Bij deze activiteiten is een maatwerkregel of maatwerkvoorschrift mogelijk bijvoorbeeld als een bronaanpak (in geval van een mobiele verontreiniging) aan de orde is die om een specifieke saneringsaanpak vraagt.

Dit artikel heeft een tweeledig doel. Ten eerste om de in het verleden beschikte ernst, niet spoed-locaties, die niet allemaal onder overgangsrecht vallen, kenbaar te houden onder de Omgevingswet en het instrumentarium van de Omgevingswet te kunnen toepassen. Ten tweede om een (licht) beschermingsregime van toepassing te laten zijn op deze locaties, aangezien het gaat om niet eerder gesaneerde locaties waar nog bodemverontreiniging aanwezig is.

Ernst, niet-spoedlocaties blijven na inwerkingtreding van de Omgevingswet in het Kadaster geregistreerd onder de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

Ten behoeve van het eerste doel (kenbaarheid) is het mogelijk om met een maatwerkvoorschrift een individuele locatie te koppelen aan deze algemene regel in dit omgevingsplan, wat het voor de huidige of toekomstige eigenaar beter inzichtelijk maakt. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn maatwerkvoorschriften namelijk (nog) niet zichtbaar in DSO met de zogenoemde ‘klik op de kaart’. Het inzien van de registratie van de ernst, niet-spoed beschikkingen in het Kadaster blijft nodig om het volledige beeld te hebben van de exacte locaties (gekoppeld aan kadastrale percelen) waar dit artikel op van toepassing is.

Voor wat betreft het tweede doel (beschermen in afwachting van sanering) geldt dat het mogelijk is om het lichte basisregime dat geldt op deze locaties te concretiseren, verder aan te vullen of toe te spitsen op de individuele locatie. Dat kan door middel van een maatwerkvoorschrift, dat voor een initiatiefnemer voldoende concreet maakt welke actie het bevoegd gezag verwacht. Bij de activiteiten bouwen, saneren of graven voorziet de Omgevingswet al in die mogelijkheid, daarom heeft dit artikel vooral betekenis als sprake is van een andere activiteit dan bouwen, saneren of graven. Ook kan dit basisregime een aangrijpingspunt bieden voor een individueel maatwerkvoorschrift om in sommige situaties van een initiatiefnemer te verlangen dat die als onderdeel van een voorgenomen activiteit van de gelegenheid gebruik maakt om aanwezige verontreiniging van de bodem te verwijderen of te beperken. Gelet op die inkadering is voornamelijk gedoeld op situaties waarin de extra moeite en kosten van het beperken of verwijderen van verontreiniging niet onevenredig belastend zijn voor de initiatiefnemer. Dit basisregime is zodanig ingekaderd dat er geen sprake is van een zelfstandige saneringsplicht.

Onder verontreiniging van de bodem wordt ook verstaan de verontreiniging van het grondwater, maar aangezien grondwaterkwaliteit primair tot de taken en bevoegdheden van de provincie hoort, ligt het voor de hand dat het vooral gaat om de vaste bodem en eventuele bronnen van verontreiniging die zich verspreiden naar het grondwater.

Dit artikel vervang uit artikel 22.132 van de voormalige bruidsschat. 

Toelichting

1 Aanleiding

De aanleiding voor deze wijziging is tweeledig: 

  • de inpassing van regels over staalslakken en grondstabilisatie, en 

  • het herstellen van enkele onvolkomenheden, hoofdzakelijk in de regels voor milieubelastende activiteiten.

 

Inpassing regels uit het TAM-voorbereidingsbesluit staalslakken en grondstabilisatie Amsterdam

Op 9 november 2023 heeft de gemeenteraad het TAM-voorbereidingsbesluit staalslakken en grondstabilisatie Amsterdam vastgesteld. Staalslak is een bijproduct van de staalproductie dat vaak als bouwstof wordt toegepast. Toepassing van staalslakken(mengsels) en grondstabilisatie met een te hoge pH-waarde kan bij mensen leiden tot brandwonden en kan schadelijk zijn voor de ecologie in het oppervlaktewater, waardoor bijvoorbeeld vissterfte kan optreden. Om de nadelige gevolgen voor de fysieke leefomgeving te beperken bevat het Besluit activiteiten leefomgeving algemene regels voor de toepassing van bouwstoffen, waaronder staalslakken en grondstabilisatie. In aanvulling op die landelijke regels bevat het voorbereidingsbesluit een meldplicht voor het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie. Hiermee wordt het toezicht op de naleving van de landelijke algemene regels verbeterd.

Met de voorgenomen wijziging van het Omgevingsplan Amsterdam wordt de meldplicht voor de toepassing van staalslakken en grondstabilisatie definitief ingevoerd. Met de vaststelling van de voorgenomen wijziging kan het TAM-voorbereidingsbesluit staalslakken en grondstabilisatie Amsterdam vervallen. 

Ondergeschikte aanpassingen in verband met het herstellen van enkele onvolkomenheden, met name in de regels voor milieubelastende activiteiten 

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 heeft het Rijk een groot aantal milieu- en bouwregels overgedragen aan gemeenten. Dit betekent dat gemeenten voortaan zelf mogen bepalen of ze die regels willen behouden, schrappen of aanpassen. Bij wijze van overgangsrecht zijn die overgedragen regels, die ook wel 'bruidsschat' wordt genoemd, automatisch onderdeel geworden van het omgevingsplan. 

Op 18 september 2024 heeft de gemeenteraad het Omgevingsplan Amsterdam gewijzigd. Het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling heeft onder meer de overgedragen regels gewijzigd. De regels zijn verplaatst naar een andere hoofdstukken binnen het Omgevingsplan, deels in een inhoudelijk gewijzigde vorm. 

Bij enkele aangepaste regels zijn achteraf kleine foutjes geconstateerd. De fouten zijn in meeste gevallen redactioneel van aard. Ook is behoefte gebleken aan nadere verduidelijking van de toelichting op enkele artikelen. Tot slot voldoen sommige aangepaste regels niet geheel aan hetgeen beoogd was.

De aanpassingen betreffen met name regels voor milieubelastende activiteiten. Andere regels zien op de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. 

2 Procedure

2.1 Voorbereiding

Bij besluit van 25 juni 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders besloten om af te zien van participatie bij de voorgenomen wijziging van het omgevingsplan omdat over de inhoud van de voorgenomen inhoudelijke wijzigingen reeds participatie heeft plaatsgevonden. Bij dat besluit is ook ingestemd met het bekendmaken van het voornemen het omgevingsplan te wijzigen. 

Van het voornemen tot wijziging omgevingsplan is op 26 november 2024 kennisgegeven in het Gemeenteblad (2024, nr. 498877, https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2024-498877.pdf). In de kennisgeving is aangegeven dat bij de voorbereiding geen stukken ter inzage worden gelegd. Met betrekking tot het onderwerp ‘staalslakken en grondstabilisatie’ is participatie georganiseerd. Voor het overige ziet het voornemen op het herstel van enkele onvolkomenheden van ondergeschikte aard. De voorgenomen wijziging van het omgevingsplan is niet van invloed op de uitoefening van taken door andere bestuursorganen. Daarom worden deze bij de voorbereiding van de wijziging niet betrokken.

2.2 (Zienswijzen)

[Gereserveerd]

3 Artikelgewijze toelichting

ONDERDELEN A EN B (met aangepaste toelichting in onderdelen U t/m X)

Met het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling zijn de op dat moment geldende bodemregels zo beleidsneutraal mogelijk omgezet naar de systematiek van het omgevingsplan. Bij het eerste gebruik van de nieuwe regels blijken deze onbedoeld streng uit te pakken onder meer met betrekking tot de mogelijkheid om een andere beschermende maatregel te treffen dan sanering.

In gevallen wanneer de waarde toelaatbare kwaliteit bodem wordt overschreden maar er geen sprake is van een humaan risico, is het in voorkomende gevallen mogelijk om de grond niet te saneren, maar andere beschermende maatregelen te treffen. Hoe bepaald wordt of sprake is van een humaan risico bij het overschrijden van de toelaatbare kwaliteit bodem en welke andere beschermende maatregelen toegestaan zijn, wordt opgenomen in een beleidsregel. Inhoudelijk zal de beleidsregel overeenkomen met het beleid van voor het in werking treden van de Omgevingswet voor zover niet in strijd met het Besluit kwaliteit leefomgeving. De beleidsregel zal een eigen bestuurlijk proces doorlopen.

ONDERDEEL C (met aangepaste toelichting in onderdeel Y)

Met het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling zijn de op dat moment geldende bodemregels zo beleidsneutraal mogelijk omgezet naar de systematiek van het omgevingsplan. Per abuis werd daarin de verplichting niet meegenomen dat in het geval van een grondwaterverontreiniging moet worden aangetoond dat dit op een bodemgevoelige locatie niet tot een risico voor de gezondheid leidt. Met onderdeel C wordt dat hersteld. 

ONDERDEEL D (met aangepaste toelichting in onderdeel Z)

Met invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024 is van rechtswege een omgevingsplan ontstaan. In dit omgevingsplan zijn over een aantal onderwerpen regels opgenomen die voorheen door landelijke wet- en regelgeving werden gereguleerd. Het rijk heeft deze regels in elk gemeentelijk omgevingsplan geplaatst. Dit wordt wel de bruidsschat genoemd. In deze bruidsschatsregels zat een fout waardoor sinds 1 januari 2024 alle erfafscheidingen tussen 1 en 2 meter binnen rijksbeschermd stadsgezicht vergunningplichtig zijn geworden voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder oud recht gold hiervoor ook de vergunningplicht voor de activiteit bouwen van een bouwwerk, met uitzondering van erfafscheidingen ‘op erf aan de achterkant van een hoofdgebouw, mits dat erf niet ook deel uitmaakt van het erf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd’ (art. 4a, tweede lid, onder b, onder 3e, bijlage II Bor). Onder die voorwaarden was een erfafscheiding onder oud recht ook binnen rijksbeschermd gezicht zonder omgevingsvergunning bouwen toegestaan. De lastenverzwaring was niet beoogd. Met de voorgestelde aanpassing van artikel 5.10, eerste lid, onderdeel b, wordt dit hersteld. 

ONDERDEEL E (met aangepaste toelichting in onderdeel AA)

Artikel 9.27 (informatieplicht voor activiteiten op industrieterreinen) bevatte in het derde lid een uitzondering voor activiteiten die onder het voorheen geldend recht als zogenaamde 'type A-inrichting' werden aangemerkt. Bij nader inzien heeft die bepaling weinig toegevoegde waarde voor de praktijk omdat de voormalige 'type A-inrichtingen' (zoals kinderdagverblijven, bankfilialen, kapperszaken) doorgaans toch niet op industrieterreinen voorkomen. Bovendien vormt de moeilijke leesbaarheid van dat derde lid een extra reden om het te schrappen. 

Tegelijkertijd wordt de informatieplicht zelf in het vierde lid (na hernummering het nieuwe derde lid) vereenvoudigd. Voortaan dienen activiteiten op industrieterreinen alleen een beschrijving van de aard en omvang van hun activiteiten aan te leveren, zonder uitgebreide informatie over geluidbronnen en transportbewegingen. Hiermee wordt alleen die informatie gevraagd die het bevoegd gezag nodig heeft om te kunnen beoordelen welke nieuwe activiteiten akoestisch relevant zijn. Deze aanpassing beperkt de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. 

ONDERDEEL F (met aangepaste toelichting in onderdeel BB)

Onder het voormalige recht dienden alle zogenaamde 'grote lawaaimakers' over een milieuvergunning te beschikken. Onder de Omgevingswet geldt het verbod om zonder vergunning milieubelastende activiteiten te verrichten niet voor alle grote lawaaimakers. Voor de milieubelastende activiteiten zonder vergunningplicht is in dit onderdeel een verplichting opgenomen om een akoestisch onderzoek aan te leveren. Door inzicht te krijgen in de geluidbelasting van deze activiteiten, kan het bevoegd gezag beter toezicht houden omwille een aanvaardbaar geluidsituatie. 

ONDERDELEN M (met aangepaste toelichting in onderdeel JJ)

Met het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Basisregeling zijn de op dat moment geldende bodemregels zo beleidsneutraal mogelijk omgezet naar de systematiek van het omgevingsplan. Bij het eerste gebruik van de nieuwe regels blijken deze op onbedoeld streng uit te pakken onder meer met betrekking tot de mogelijkheid om een dunnere leeflaag aan te leggen vanwege een hoge grondwaterstand. Met dit onderdeel wordt dat hersteld. 

ONDERDELEN N (met aangepaste toelichting in onderdeel JJ)

Met dit onderdeel wordt een meldingsplicht voor het toepassen van staalslakken en grondstabilisatie in het leven geroepen. De regels komen inhoudelijk overeen met de inhoud van het voorbereidingsbesluit van 9 november 2023.

OVERIGE ONDERDELEN (met aangepaste toelichting in onderdelen CC T/M II, KK T/M NN

Deze onderdelen herstellen een aantal kennelijke verschrijvingen, zoals taalkundige schrijffouten, verkeerde verwijzingen en andere onvolledigheden. Ook worden enkele artikelen hernummerd. 

Naar boven