Gemeenteblad van Roermond
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Roermond | Gemeenteblad 2025, 61554 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Roermond | Gemeenteblad 2025, 61554 | beleidsregel |
Beleidsregel bijzondere bijstand 2025
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond,
Gezien het voorstel van 30 december 2024;
gelet op artikel 4:81 Algemene wet bestuursrecht en artikel 35, 48, 50 en 51 van de Participatiewet; overwegende dat het wenselijk is regels vast te stellen voor verstrekking van bijzondere bijstand;
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregel wordt verstaan onder:
Hoofdstuk 2 Algemeen: aard van de bijzondere bijstand, de draagkracht, de aanvraag en de hoogte van de bijstand
Artikel 2 Aard van de bijzondere bijstand
Het gaat bij de verstrekking van bijzondere bijstand om bijstand die wordt verstrekt indien bijzondere omstandigheden in het individuele geval leiden tot noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin het inkomen niet voorziet, die niet gedekt worden door een voorliggende voorziening en die niet uit de draagkracht kunnen worden voldaan.
Bijzondere bijstand wordt verleend met inachtneming van de draagkracht van de belanghebbende en zijn gezin.
Artikel 5 Draagkrachtpercentages
Voor de vaststelling van de draagkracht uit inkomen wordt van de in aanmerking te nemen middelen, zoals genoemd in artikel 4 lid 1 van deze beleidsregel, het gedeelte van het inkomen dat meer bedraagt dan 130% van het sociale minimum in aanmerking genomen en als draagkracht vastgesteld bij de verstrekking van bijzondere bijstand als genoemd in de hoofdstukken 3 tot en met 7.
Artikel 8 De wijze en het tijdstip van aanvragen
Voor aanvragen bijzondere bijstand voor de kostensoorten als genoemd in de hoofdstukken 7 en 8 en 9 van deze beleidsregel geldt een afwijkende regeling en wordt de bijstand, analoog aan artikel 44 lid 1 van de PW, toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voor zover deze dat niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om deze bijstand aan te vragen.
Hoofdstuk 7 Bijzondere bijstand ten behoeve van schoolgaande kinderen, personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of ouder, chronisch zieken of gehandicapten
Hoofdstuk 8 Woonlasten en inrichtingskosten
Artikel 17 Vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis
Tijdens een tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis kan er gedurende maximaal 6 maanden bijzondere bijstand worden verleend voor de doorbetaling van de vaste lasten in verband met het aanhouden van de woning in de gemeente Roermond vanaf het moment dat dit een wijziging van de norm tot gevolg heeft.
Artikel 18 Overbruggingsuitkering en inrichtingskosten
Indien een belanghebbende vanuit een niet verwijtbare inkomensloze situatie beschikt over onvoldoende draagkracht voor de betaling van de eerste kosten van levensonderhoud en inrichtingskosten en redelijkerwijs niet heeft kunnen reserveren voor deze kosten komt hij in aanmerking voor een overbruggingsuitkering en/of inrichtingskosten voor deze kosten.
Artikel 20 Verblijfskosten bij crisisopvang
De kosten die een belanghebbende met onvoldoende draagkracht moet maken voor het gebruik van de crisisopvang in een instelling voor maatschappelijke opvangvoorziening of daarmee gelijkgestelde vormen van opvang in de gemeente Roermond komen in aanmerking voor bijzondere bijstand voor zover deze niet uit het beschikbare inkomen kunnen worden voldaan.
Hoofdstuk 9 Kosten levensonderhoud
Artikel 22 Toeslag alleenstaande ouder
Indien de alleenstaande ouder geen aanspraak kan maken op het volledige kindgebonden budget vanwege het afwijkende partnerbegrip in de Awir, komt de alleenstaande ouder in aanmerking voor een toeslag alleenstaande ouder.
Artikel 23 Toeslag pensioengerechtigden
Een huishouden met personen in pensioengerechtigde leeftijd kan op verzoek een toeslag op het inkomen krijgen voor de vervanging van duurzame gebruiksgoederen wanneer het huishouden gedurende 3 jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek een inkomen heeft gehad dat niet hoger is dan 130% van de bijstandsnorm.
Artikel 25 De wijze van betalen
De betaling van de bijzondere bijstand vindt uitsluitend plaats op de volgende wijze:
Artikel 26 De aflossing van leenbijstand
Bij de vaststelling van de hoogte van het maandelijkse bedrag waarmee de leenbijstand wordt afgelost, dient de belanghebbende minimaal over 95% van het sociale minimum te kunnen blijven beschikken. Uitgangspunt is dat belanghebbende het inkomen dat hoger is dan 95% van het sociale minimum besteedt aan de aflossing van de lening. Doorbetalingen die ten behoeve van de belanghebbende worden gedaan, worden niet bij de vaststelling van deze norm in aanmerking genomen.
Artikel 27 Onvoorziene omstandigheden en kennelijke hardheid
Het college handelt overeenkomstig met deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met deze beleidsregel te dienen uitgangspunten en doelen.
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond in zijn vergadering van 4 februari 2025.
Het college van burgemeester en wethouders,
de secretaris, J. van Putten
de burgemeester, Y.F.W. Hoogtanders
Toelichting bij de Beleidsregel bijzondere bijstand 2025
Op 7 november 2024 heeft de gemeenteraad het beleidsplan Armoede en schulden roermond 2025-2028 ‘Bestaanszekerherheid als kompas’ vastgesteld. In dit beleidsplan is de visie van de gemeente Roermond over armoede en schulden vastgelegd en er zijn ook uitgangspunten geformuleerd met betrekking tot de minimaregelingen. Deze beleidsregel is gebaseerd op de uitgangspunten van dit beleidsplan.
Artikel 1 Begripsomschrijvingen
Begrippen die in de Participatiewet(PW) voorkomen en zijn gedefinieerd hebben in deze beleidsregel dezelfde betekenis. Ten aanzien van een aantal andere begrippen is in deze beleidsregel een definitie gegeven.
Artikel 2 Aard van de bijzondere bijstand
Door bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat in het individuele geval de uitkeringsnorm of het inkomen niet (volledig) toereikend is ter voorziening in bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten. Voor zover de belanghebbende geen beroep kan doen op een voorliggende voorziening en de betreffende uitgaven noodzakelijk zijn en evenmin uit de eigen middelen kunnen worden voldaan, kan bijzondere bijstand worden verleend.
Het maatwerkprincipe geldt, wat betekent dat uit de bijzondere individuele omstandigheden de noodzaak van de kosten moet blijken en dat in elke specifieke situatie een zorgvuldige afweging gemaakt dient te worden, rekening houdende met de individuele omstandigheden van de belanghebbende. Om uniformiteit in de werkwijze te bevorderen zijn enkele veel voorkomende kostensoorten nader omschreven in de artikelen 10 tot en met 21 van deze beleidsregel.
Voor de verlening van bijzondere bijstand is het geen vereiste dat men een bijstandsuitkering voor levensonderhoud ontvangt. Bijzondere bijstand is toegankelijk voor iedereen met een laag inkomen.
Bepalend is de draagkracht van de belanghebbende(n). Is er sprake van geen of slechts een beperkte draagkracht, dan kan aanspraak op bijzondere bijstand bestaan voor specifieke kosten, die niet uit het reguliere inkomen of uit de algemene bijstand kunnen worden voldaan.
De bijzondere noodzakelijke kosten moeten de draagkracht te boven gaan.
Artikel 4 Vaststelling van de draagkracht
De middelen en het vermogen zoals genoemd in de artikelen 31 tot en met 34 PW worden tot de aanwezige draagkracht gerekend. Het vermogen, voor zover dat het de grens van het vrij te laten vermogen niet te boven gaat, wordt buiten beschouwing gelaten. Het vermogen, voor zover dat meer bedraagt dan de genoemde normen in artikel 34 lid 3 PW, dient eerst aangewend te worden voor de betaling van de bijzondere noodzakelijke kosten.
Een uitzondering wordt gemaakt voor de individuele inkomenstoeslag. De individuele inkomenstoeslag wordt alleen tot de draagkracht gerekend als het gaat om de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen zoals genoemd in artikel 51 van de PW. De individuele inkomenstoeslag is namelijk in het leven geroepen voor huishoudens die al meerdere jaren moeten rondkomen van een minimuminkomen en daardoor moeilijk kunnen reserveren voor onverwachte uitgaven zoals duurzame gebruiksgoederen. Daarom is het college van mening dat de individuele inkomenstoeslag ingezet kan worden voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Het college maakt hierbij gebruik van de beleidsruimte die artikel 35 PW biedt.
In het geval de belanghebbende geen beroep kan doen op een individuele inkomenstoeslag voorziet artikel 51 PW in de regelgeving met betrekking tot de verlening van bijzondere bijstand voor noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen. Om deze reden is in deze beleidsregel hiervan geen nadere uitwerking opgenomen.
Lid 4: Bij huishoudens die een ander inkomen dan bijstand ontvangen, dient het inkomen afgezet te worden tegen het sociale minimum. Eén van de uitgangspunten van het nieuwe armoedebeleid is dat werken moet lonen. Hierbij wil het college bijzondere aandacht schenken aan werkende huishoudens met een inkomen dat iets hoger is dan het sociale minimum.
Door het hogere inkomen komen deze huishoudens niet meer (volledig) in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dit lijkt terecht, maar tegelijkertijd kan het zijn dat het besteedbare inkomen niet toeneemt vanwege de kosten van kinderopvang. Deze armoedeval - minder besteedbaar inkomen, ook al wordt er meer gewerkt - is een ongewenste situatie. Het zorgt immers voor een belemmering om te participeren op de arbeidsmarkt. Bij het beoordelen van het recht op bijstand dient derhalve rekening te worden gehouden met de eigen bijdrage die deze huishoudens betalen voor de kosten van officieel geregistreerde kinderopvang op grond van de Wko. De eigen bijdrage dient in mindering te worden gebracht op de maandelijkse draagkracht. Hiermee worden werkenden met een laag inkomen doelgericht ondersteund wanneer zij ondanks het hebben van werk nog een beroep moeten doen op bijzondere bijstand.
Het toepassen van deze systematiek sluit aan op de inspanningen van het college om de armoedeval – waarbij in het bijzonder aandacht is voor de armoedeval van werkenden met een laag inkomen – te verminderen.
Lid 5: Belanghebbenden die opgenomen zijn in een minnelijke of wettelijke schuldregeling (WSNP) worden geacht geen draagkracht te hebben. Onder een minnelijke schuldregeling wordt ook bedoeld een afgesloten saneringskrediet. Hetzelfde geldt voor belanghebbenden waarbij beslag ligt op het inkomen waardoor zij slechts de beschikking hebben op een inkomen ter hoogte van de beslagvrije voet.
Artikel 5 Draagkrachtpercentages
Voor zover het inkomen meer bedraagt dan 130% van het sociale minimum, dient het verschil aangewend te worden voor de betaling van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten. Voor zover deze kosten niet voldaan kunnen worden uit de aanwezige draagkracht bestaat aanspraak op bijzondere bijstand.
Voor bijzondere bijstand voor woonlasten en inrichtingskosten en aanvullende bijstand voor de kosten van levensonderhoud van jong meerderjarigen zoals beschreven hoofdstukken 8 en 9 geldt dat er sprake is van draagkracht zodra het van toepassing zijnde sociale minimum overschreden wordt.
Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor incidentele bijzondere bijstand wordt de draagkracht op basis van 12 maanden berekend. De berekende draagkracht wordt vervolgens in mindering gebracht op de noodzakelijke kosten.
Bij het vaststellen van de draagkracht ten behoeve van een aanvraag voor periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht per maand berekend, afgestemd op het aantal maanden waarop de verstrekking betrekking heeft. De berekende maandelijkse draagkracht wordt vervolgens maandelijks in mindering gebracht op de kosten van de noodzakelijke kosten.
Voor belanghebbenden die van de afdeling Sociale Zaken een bijstandsuitkering ontvangen is het duidelijk dat de draagkracht nihil is. Er zal dan ook geen draagkrachtberekening plaats hoeven te vinden.
Bij huishoudens met een ander (laag) inkomen wordt het inkomen afgezet tegen het van toepassing zijnde draagkrachtpercentage.
Artikel 7 Vaststellen maandinkomen
Indien ten tijde van de aanvraag vaststaat dat de financiële omstandigheden van de aanvrager binnen de draagkrachtperiode van 12 maanden aanmerkelijk zullen veranderen, kan de draagkracht in de loop van het draagkrachtjaar dienovereenkomstig worden aangepast. De belanghebbende zal door het overleggen van bewijsstukken moeten aantonen in hoeverre de draagkracht zal verminderen of toenemen door de gewijzigde omstandigheden.
Artikel 8 De wijze en het tijdstip van aanvragen
Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt. In bijzondere situaties, bijvoorbeeld bij zeer ernstige ziekte, geestelijk onvermogen, calamiteiten of andere door het college te bepalen situaties kan de bijzondere bijstand ambtshalve worden verstrekt.
Een aanvraag voor bijzondere bijstand kan worden ingediend uiterlijk binnen 12 maanden ná de datum van de factuur of een ander betalingsbewijs waaruit de kosten en het tijdstip dat deze gemaakt zijn blijken.
Voor de kosten zoals genoemd in hoofdstuk 7 en 8 van deze beleidsregel dient de bijstand vooraf te worden aangevraagd. Voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud voor jong meerderjarigen zoals genoemd in artikel 20 van deze beleidsregel geldt, analoog aan de bepalingen van artikel 41 lid 4 en artikel 44 lid 1 van de PW voor het aanvragen van algemene bijstand door jongeren tot 27 jaar, een wachtperiode van vier weken voordat de bijstand kan worden aangevraagd.
Artikel 9 De hoogte van de bijstand
In dit artikel worden de uitgangspunten beschreven aan de hand waarvan de hoogte van de bijstand wordt berekend.
Lid 1: De maximale hoogte van de bijzondere bijstand wordt vermeld in de bij deze beleidsregel horende verstrekkingenlijst. In beginsel sluit het college bij het bepalen van de hoogte van de bijstand aan bij de vastgestelde prijzen van het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud).
Het Nibud is een onafhankelijke stichting die adviseert en informeert over financiën van huishoudens. De gebruikelijke prijzen van een groot aantal kostensoorten worden jaarlijks gepubliceerd in de prijzengids Nibud. Voor een aantal kostensoorten worden afwijkende bedragen gehanteerd omdat de door Nibud gehanteerde bedragen niet in verhouding staan tot de bijstandswet als bestaansminimum of omdat deze kostensoorten ontbreken in de prijzengids.
Lid 2: In verband met het uitgangspunt dat de PW in het stelsel van bestaansvoorzieningen de plaats inneemt van het laatste vangnet, speelt het begrip voorliggende voorziening een bepalende rol. Volgens artikel 15 van de PW bestaat er geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. De bijzondere bijstand in het kader van de PW mag het beleid, dat gevoerd wordt bij voorliggende voorzieningen niet doorkruisen. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
Lid 3: Een besparing van kosten die algemeen gebruikelijk zijn, wordt op de bijzondere bijstand in mindering gebracht. Een voorbeeld hiervan is het eigen aandeel in de kosten van een maaltijdvoorziening. Immers, iedereen heeft kosten in verband met voeding. De kosten van een maaltijd behoren tot de algemene kosten van het bestaan. Het wordt daarom billijk geacht dat belanghebbenden, die aangewezen zijn op een maaltijdvoorziening, zelf een eigen aandeel betalen in de kosten hiervan.
Een van de beginselen van de bijstandswet is dat er geen recht bestaat op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn. Het recht op bijstand strekt zich evenmin uit tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
De AWBZ, de Wmo en de Zvw vergoeden noodzakelijke kosten die verband houden met (para)medische behandelingen. In principe zijn deze regelingen toereikend en passend waardoor er geen recht op bijstand bestaat.Het college maakt uit een overwegingen van billijkheid een uitzondering gemaakt voor enkele veel voorkomende medische kosten, t.w. tandartskosten en de kosten van een bril. Onder tandartskosten wordt deze beleidsregel verstaan de kosten van ‘mondzorg’: tandheelkundige zorg door een tandarts, mondhygiënist, tandprotheticus of orthodontist.
De kosten die een belanghebbende in dit kader moet maken, komen op grond van deze beleidsregel voor bijstandsverlening in aanmerking conform de hiervoor gestelde normbedragen in de verstrekkingenlijst.
In het derde lid worden voorbeelden van kosten genoemd ten gevolge van ziekte of gebrek waarbij geen voorliggende voorziening aan te wijzen is maar die toch aan te merken zijn als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan. Na een objectieve indicatie van een medisch deskundige kan hiervoor bijzondere bijstand worden verstrekt.
Artikel 11 Sociaal noodzakelijke kosten
Kostensoorten waarbij sprake is van een sociale noodzaak en waarvoor geen voorliggende voorziening voorhanden is kunnen als bijzonder worden aangemerkt en komen in beginsel voor bijstand in aanmerking, mits ook aan de andere criteria voor bijzondere bijstandsverlening is voldaan.
Volstaan wordt met deze algemene formulering omdat het specifieke situaties betreft die moeilijk in algemene regelgeving vast te leggen zijn. Aanvragen om bijzondere bijstand voor dit soort kosten vragen om een individuele beoordeling, rekening houdend met de omstandigheden van de belanghebbende en/of het gezin.
Artikel 12 Werkgerelateerde kosten
Het nieuwe armoedebeleid gaat er van uit dat werken moet lonen. Daarom kunnen werkenden met een laag inkomen éénmaal per kalenderjaar in aanmerking komen voor een bijdrage vanuit de bijzondere bijstand voor werkgerelateerde kosten. Onder werkenden worden verstaan mensen in loondienst, zelfstandigen (bijvoorbeeld zzp-ers met een laag inkomen) maar ook mensen die vrijwilligerswerk doen. Werkgerelateerde kosten komen in aanmerking voor vergoeding voor zover deze kosten niet door de werkgever voldaan worden of vergoed worden door de verstrekte onkostenvergoeding, een vrijwilligersvergoeding of een andere regeling. Onder werkgerelateerde kosten worden verstaan: alle kosten verbonden aan het verrichten van werkzaamheden zoals reiskosten en werkkleding.
Voor bijstandsgerechtigden kunnen de werkgerelateerde kosten die bijdragen aan de arbeidsinschakeling of een re-integratietraject ten laste worden gebracht van het participatiebudget.
Artikel 13 Kosten beschermingsbewind en budgetbeheer
Er bestaat recht op bijzondere bijstand indien de kantonrechter een beschikking heeft afgegeven waarin hij de hoogte van de beloning voor de bewindvoerder heeft bepaald. Daarnaast verleent het college ook bijzondere bijstand indien de bewindvoerder aan de belanghebbende vooruitlopend op de rechterlijke beschikking voorschotten in rekening brengt. De hoogte van de bijzondere bijstand wordt afgestemd op de door de rechter in de beschikking vastgestelde kosten van bewindvoering of de door de bewindvoerder in rekening gebrachte voorschotten. Laatste genoemde beloning wordt vastgesteld op basis van de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren.
Indien er sprake is van bewindvoering in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) kan aan de belanghebbende geen bijzondere bijstand verleend worden voor de hiermee gepaard gaande kosten. De WSNP is opgenomen in de Faillissementswet (FW). De FW voorziet al in het al dan niet toekennen van voorschotten en het salaris van de WSNP-bewindvoerder (Zie CRvB 21-06-2011, nr. 10/316 WWB).
Lid 2 van dit artikel heeft betrekking op de kosten van het budgetbeheer. Het college bepaalt de vorm van het budgetbeheer. Belanghebbenden zijn verplicht om hieraan hun volledige medewerking te verlenen. Het team schuldhulpverlening van het cluster Sociale Zaken werkt samen met het Algemeen Maatschappelijk Werk Midden-Limburg en de Kredietbank Limburg, met als doelstelling hulp te verlenen bij het oplossen van schulden.
Indien het budgetbeheer bijdraagt aan het re-integratietraject van betrokkene, kunnen de kosten ten laste worden gebracht van het participatiebudget.
Artikel 14 Suppletie op de aflossing bij leningen
Een eenmaal vastgestelde suppletie wordt niet aangepast bij normwijzigingen gebaseerd op halfjaarlijkse indexering van de bijstandsnormen. Alleen bij een wijziging van de norm, toeslag of verlaging als gevolg van verandering van leefvorm, bijvoorbeeld van gehuwde naar alleenstaande ouder, of als gevolg van het verkrijgen een hogere norm als gevolg van het gaan behoren tot een andere leeftijdscategorie, vindt een herberekening van de hoogte van de suppletie plaats.
Artikel 15 Eigen bijdrage rechtsbijstand
Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van de eigen bijdrage voor rechtsbijstand indien deze kosten noodzakelijk zijn. De noodzakelijkheid wordt aangenomen als er een advocaat is toegevoegd op grond van de Wet op de rechtsbijstand. In een aantal gevallen wordt de eigen bijdrage terugbetaald (bijvoorbeeld bij de kostenveroordeling van de tegenpartij is dit verdisconteerd in de forfaitaire vergoeding bij veroordeling van de tegenpartij in de kosten of is hierop reductie mogelijk als vooraf een juridisch advies is gevraagd via het Juridisch Loket).
Omgekeerd geldt dat, indien het verzoek om toevoeging van een advocaat door de Raad voor de Rechtsbijstand is afgewezen, de procedure in beginsel niet noodzakelijk is.
Een beroep op de rechtsbijstandverzekering van een belanghebbende kan een voorliggende voorziening zijn.
Artikel 16 Maatschappelijke participatie
Personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt of ouder, personen die op het moment van aanvraag chronisch ziek of gehandicapt zijn, schoolgaande kinderen met een inkomen tot 130% van het sociale minimum en niet over in aanmerking te nemen vermogen beschikken komen één maal per jaar aanmerking komen voor bijzondere bijstand ad € 100,- om de deelname aan sportieve, maatschappelijke, culturele en/of educatieve activiteiten mogelijk te maken. De minderjarige ten laste komende kinderen van belanghebbenden die onder deze groep vallen, komen in aanmerking voor deze jaarlijkse bijdrage.
Het is niet nodig om bij de verstrekking van deze bijdrage te controleren op besteding van deze bijdrage. Het college gaat ervan uit dat iedereen de doelgroep deze kosten maakt waardoor standaard controle van de besteding niet nodig is. Dit is conform de uitgangspunten van het nieuwe armoedebeleid vanaf 2025. Hierin is opgenomen dat we de minimaregelingen vereenvoudigd worden en waarbij we meer uitgaan van vertrouwen. Eventueel kan er steekproefsgewijs een controle plaatsvinden om de doelmatigheid van te verstrekking te beoordelen.
Artikel 17 Vaste lasten tijdens tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis
Dit artikel regelt de verlening van bijzondere bijstand voor diegenen die een algemene bijstands- uitkering ontvangen en worden opgenomen in een inrichting of ziekenhuis. In de regel zal bij een opname in een inrichting of ziekenhuis de algemene bijstand worden voortgezet naar de norm voor verblijf in een inrichting. Deze norm is echter enkel bedoeld als zak- en kleedgeld tijdens het verblijf in een inrichting of ziekenhuis. Bij een tijdelijk verblijf in een inrichting of ziekenhuis kan aan de belanghebbende bijzondere bijstand worden verstrekt om te voorzien in de kosten van de huur en vaste lasten verband houdende met het aanhouden van de eigen woning. Het moet dan wel duidelijk zijn dat het gaat om een tijdelijk verblijf en dat het voorzienbaar is dat belanghebbende terugkeert naar de eigen woning.
Vanuit uitvoeringsoptiek is aanpassing van de uitkering bij een kortdurende opname namelijk niet zinvol en geeft onnodige administratieve werkzaamheden. Veelal is de betreffende belanghebbende reeds ontslagen uit het ziekenhuis terwijl de wijziging van de uitkering dan nog moet worden afgehandeld.
Vanwege uitvoeringsoverwegingen is er een maximale termijn verbonden van 6 maanden aan de bijstandsverlening voor de doorbetaling van de vaste lasten. Indien deze termijn wordt overschreden onderzoekt het college in hoeverre terugkeer naar de woning voorzienbaar is en kan het college besluiten de periodieke bijzondere bijstand voort te zetten.
Artikel 18 Overbruggingsuitkering en inrichtingskosten
In principe behoren de kosten van levensonderhoud en inrichtingskosten tot de algemene kosten van bestaan waarin een belanghebbende moet voorzien door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf door middel van het aangaan van een lening bij bijvoorbeeld de Kredietbank.
In de praktijk zijn er echter een aantal situaties aan te wijzen waarin een belanghebbende niet geacht kan worden in staat te zijn geweest om voor deze kosten te reserveren en dit ook niet verwijtbaar is.
Het gaat dan bijvoorbeeld om statushouders die na een verblijf in een AZC reguliere huisvesting krijgen of personen die na een echtscheiding de echtelijke woning hebben moeten verlaten en geen of onvoldoende middelen hebben om in deze kosten te voorzien. Maar het kan ook gaan om andere niet voorziene situaties waarin het een inwoner niet aan te rekenen is dat er geen of onvoldoende middelen zijn om een nieuwe start te maken. In deze gevallen is het college van mening dat strikte toepassing van het voorgaande niet redelijk is. In deze en vergelijkbare gevallen kan bijstand ‘om niet’ worden verstrekt.
Het begrip 'niet verwijtbaar' is toegevoegd omdat het vanuit een oogpunt van bijstandverlening niet wenselijk is om in gevallen waarin er een ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid is getoond voor de voorziening in het bestaan, wordt overgegaan tot verstrekking van bijstand om niet voor deze kosten. Detentie is hiervan een voorbeeld. Na detentie kan een belanghebbende ook in aanmerking komen voor bijstand voor deze kosten maar zal het college steeds een individuele afweging maken om de bijstand ‘om niet’ of in de vorm van een geldlening te verstrekken.
Artikel 19 Woonkostentoeslag als bijzondere bijstand
Met betrekking tot verzoeken voor bijzondere bijstand voor een woonkostentoeslag dient een onderscheid gemaakt te worden tussen de bewoners van een huurwoning en een woning in eigendom. Bij een huurwoning is de hoogte van de woonkostentoeslag gelijk aan de gemiste huurtoeslag. Bij een eigen woning wordt de hoogte van de woonkostentoeslag bepaald aan de hand van een huurwoning met vergelijkbare woonlasten en de daarbij gemiste huurtoeslag.
De woonkostentoeslag wordt maximaal toegekend voor de periode van een jaar. Aan de bijstandsverlening wordt de verplichting verbonden dat de belanghebbende op zoek gaat naar passende woonruimte. Hieronder wordt verstaan een woning waarvan de woonlasten uit het beschikbaar staande inkomen voldaan kunnen eventueel aangevuld worden met een bijdrage op grond van de Wht.
Artikel 20 Verblijfskosten bij crisisopvang
Belanghebbenden die verblijven in een instelling voor crisisopvang (bijvoorbeeld bij de maatschappelijke opvangvoorziening Moveoo) hebben vaak hoge verblijfskosten die niet geheel voldaan kunnen worden uit de bijstandsnorm. Dit artikel garandeert dat deze belanghebbenden, na aftrek van de verblijfkosten, kunnen blijven beschikken over een bedrag ter hoogte van de norm zak- en kleedgeld.
Artikel 21 Jong meerderjarigen
De jong meerderjarige zal primair een beroep moeten doen op de onderhoudsverplichting die op zijn ouder of ouders rust. Het college onderzoekt actief in hoeverre de ouders aan hun onderhouds-verplichting kunnen voldoen en welke omstandigheden een uitzondering op deze regel van onderhoudsplicht rechtvaardigen. De aanvrager zal dus objectief moeten aantonen dat de ouders niet in staat zijn of niet voornemens zijn om de jongmeerderjarige in het levensonderhoud te ondersteunen. Het college kan zelf ook contact opnemen met de ouders.
In de artikelen 41 en 44 van de PW is geregeld dat jongeren tot 27 jaar een wachttijd hebben van vier weken voordat zij een uitkering kunnen aanvragen voor algemene bijstand voor levensonderhoud. In deze vier weken dient de jongere op zoek te gaan naar werk en/of opleiding. Voor bijzondere bijstand voor levensonderhoud is, analoog aan de wettelijke bepalingen, in deze beleidsregel een vergelijkbare regeling opgenomen.
Artikel 22 Toeslag alleenstaande ouder
Met ingang van 1 januari 2015 kent de bijstandswet slechts twee normen: de norm alleenstaande en de norm gehuwden. De norm alleenstaande ouder is komen te vervallen en aanvullende inkomensondersteuning voor levensonderhoud voor de alleenstaande ouder vindt plaats via (een verhoging) van het kindgebonden budget via de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir).
Een aantal alleenstaande ouders kan geen aanspraak maken op het verhoogde kindgebonden budget vanwege het afwijkende partnerbegrip in de Awir. Het gaat dan bijvoorbeeld om de alleenstaande ouder die samenwoont met vader of moeder of alleenstaande ouders waarbij de partner in het buitenland of in detentie verblijft. Dit artikel regelt dat de alleenstaande ouder die hier geen aanspraak op kan maken (tijdelijk) via bijzondere bijstand gecompenseerd kan worden voor het gemis aan deze middelen, die bestemd zijn voor levensonderhoud.
Artikel 23 Toeslag pensioengerechtigden
De Participatiewet kent in artikel 36 een categoriale regeling voor huishoudens tot de pensioengerechtigde leeftijd die langdurig afhankelijk zijn van een laag inkomen, de zogenaamde individuele inkomenstoeslag. Deze toeslag is in het verleden in het leven geroepen om langdurige minima in staat te stellen om vervangingsuitgaven te doen voor duurzame gebruiksgoederen. Geconstateerd werd dat huishoudens die lang moeten leven van een laag inkomen niet de mogelijkheid hebben om te reserveren voor toekomstige uitgaves.
De gemeente heeft op onderdelen beleidsvrijheid om de voorwaarden hiervoor te bepalen zoals de periode dat huishoudens een laag inkomen hebben en de hoogte van dat inkomen. Ook beoordeelt de gemeente of deze huishoudens ‘zicht op inkomensverbetering’ hebben. De gemeente heeft dit geregeld in de Verordening individuele inkomenstoeslag.
Voor pensioengerechtigden bestaat een dergelijke regeling niet terwijl langdurige minima in deze leeftijdscategorie zich in vergelijkbare omstandigheden kunnen bevinden en er voor een categoriale verstrekking geen wettelijke bevoegdheid bestaat.
Om deze reden is in deze beleidsregel een vergelijkbare regeling opgenomen in deze beleidsregel.
In artikel 51 van de Participatiewet is de bevoegdheid opgenomen voor het college om individuele bijzondere bijstand te verstrekken voor duurzame gebruiksgoederen. De regels hieromtrent kunnen worden opgenomen in de beleidsregel bijzondere bijstand.
Verschil met de individuele inkomenstoeslag is echter dat huishoudens de te vergoeden kosten voor duurzame gebruiksgoederen moeten aantonen. Na aantonen van de daadwerkelijke kosten kan tot vergoeding worden overgaan. Bij de hoogte van de maximaal te vergoeden bedragen wordt aangesloten bij de actuele bedragen van de individuele inkomenstoeslag.
Als het gaat om duurzame gebruiksgoederen dan gaat het om de kosten van aanschaf van in een huishouden benodigde gebruiksgoederen met een duurzaam karakter.
Het kan dan gaan bijvoorbeeld om de vervanging van (niet limitatieve lijst):
Artikel 24 De wijze van verstrekken
In elk besluit aan belanghebbende zal het college moeten aangeven in welke vorm zij de bijstand gaat verlenen, te weten om niet, in de vorm van een geldlening of op borgtocht.
Uitgangspunt is dat de bijstand om niet wordt verleend, tenzij de PW of deze beleidsregel anders voorschrijft.
Artikel 25 De wijze van betalen
Om uniformiteit te bewaren is in dit artikel beschreven op welke wijze tot betaling overgegaan kan worden.
Artikel 26 De aflossing van leenbijstand
In dit artikel wordt beschreven op welke wijze de hoogte van de aflossing aan verstrekte leenbijstand wordt vastgesteld.
In lid 3 wordt beschreven dat bij een door het college noodzakelijk geachte lening aflossing plaatsvindt gedurende maximaal 18 maanden. Deze termijn sluit aan bij de maximale termijnen van aflossingen van minnelijke schuldsaneringen. Over het algemeen wordt aangenomen dat het niet wenselijk is dat belanghebbenden langer dan 18 maanden afhankelijk zijn van een inkomen van 95% van het sociale minimum. Na een correcte aflossing gedurende deze periode gaat het college dan ook over tot kwijtschelding van het restant aan leenbijstand.
De term ‘correcte aflossing’ behoeft nadere toelichting. In de praktijk komt het namelijk voor dat er door een beslaglegging, bronheffing of andere omstandigheden reden is om de aflossing op de leenbijstand op te schorten of tijdelijk lager vast te stellen, waardoor de belanghebbende niet meer aan de eerder vastgestelde aflossingsverplichting kan voldoen.
In dit soort situaties komt de belanghebbende in aanmerking voor bijstand om niet als hij aan de volgende voorwaarden heeft voldaan:
Artikel 27 Onvoorziene omstandigheden en kennelijke hardheid
Bij dringende redenen of bijzondere omstandigheden kan het college afwijken van het gestelde in deze beleidsregel. Bij dringende redenen valt te denken aan een acute noodsituatie van levensbedreigende aard of een situatie die wegens het ontbreken van financiële middelen tot blijvend ernstig lichamelijke of psychische schade zou leiden. De slechte financiële situatie van de belanghebbende wordt op zichzelf niet als een dringende reden beschouwd.
Artikel 28 Inwerkingtreding en citeertitel
In dit artikel is de inwerkingtreding en citeertitel geregeld evenals de intrekking van de voorgaande beleidsregel. Deze beleidsregel treedt in werking per 1 januari 2025, zodat met het vaststellen van deze beleidsregel op 4 februari 2025 terugwerkende kracht dient te worden verleend.
Bijlage: verstrekkingenlijst bij Beleidsregel bijzondere bijstand 2025
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-61554.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.