Gemeenteblad van Assen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2025, 60484 | gemeenschappelijke regeling |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Assen | Gemeenteblad 2025, 60484 | gemeenschappelijke regeling |
Gemeenschappelijke regeling Werkplein Drentsche Aa 2024
De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Aa en Hunze, Assen en Tynaarlo ieder voor zover het hun eigen bevoegdheid betreft:
dat het wenselijk is de gemeenschappelijke regeling Werkplein Drentsche Aa te herzien in het kader van de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen van 1 juli 2022 die tot doel heeft de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen te versterken besluiten:
De gemeenschappelijke regeling Werkplein Drentsche Aa te herzien waarbij deze als volgt komt te luiden:
HOOFDSTUK III. BELANG EN TAKEN
Het samenwerkingsverband stelt, om de opgedragen taken goed te kunnen uitvoeren, richtlijnen op en gaat projecten/trajecten aan die passen binnen de door de gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders opgestelde beleidskaders en de bijbehorende regelgeving. Het gaat daarbij om niet algemeen verbindende voorschriften.
Artikel 4. Diensten aan andere gemeenten
Het samenwerkingsverband kan op verzoek van een niet deelnemende gemeente diensten verlenen op de in artikel 3 genoemde taakvelden, mits het algemeen bestuur hier mee instemt. De diensten worden verleend tegen een overeen te komen prijs. Eventueel verschuldigde B.T.W. zal apart in rekening worden gebracht.
Artikel 13. Inkomsten samenwerkingsverband
Indien aan het algemeen bestuur blijkt dat een gemeente weigert deze uitgaven, voor zover het samenwerkingsverband niet in staat is deze uit eigen middelen te voldoen, op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van artikelen 194 en 195 Gemeentewet.
HOOFDSTUK VIII. TOE-, UITTREDEN, WIJZIGEN EN OPHEFFEN.
De voorlopige respectievelijk definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten.
Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door het samenwerkingsverband die samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen (waaronder de bijdrage aan het stimuleringsfonds), de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding.
Het samenwerkingsverband brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom binnen zes maanden. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de betreffende deelnemer.
De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van binnenkomst van het verzoek tot uittreding.
Feiten en omstandigheden die zich voordoen na het moment van binnenkomst van het verzoek tot uittreding leiden niet tot wijziging van de hoogte van de uittreedsom, tenzij de uitgetreden deelnemer of het bestuur kan aantonen dat de hoogte van de uittreedsom anders zou zijn bepaald indien de wederpartij andere inlichtingen zou hebben verstrekt waarvan redelijkerwijs kon worden aangenomen dat deze inlichtingen van invloed zouden kunnen zijn op de bepaling van de hoogte van de uittreedsom.
Ondertekening
Aldus besloten door het college van burgemeester en wethouders van:
- de gemeente Aa en Hunze, op 12 december 2024;
- de gemeente Assen op 3 september 2024;
- de gemeente Tynaarlo op 24 september 2024.
In deze gemeenschappelijke regeling staan slechts die taken, rollen en bevoegdheden die niet in de Wet gemeenschappelijke regelingen zijn geregeld of op basis daarvan verder uitgewerkt moeten worden. Met ingang van 1 juli 2022 is de Wet gemeenschappelijke regelingen gewijzigd. Doel van die wijziging is het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen. In dat kader zijn de voorkeuren van de gemeenteraden op dit punt geïnventariseerd. Het resultaat van die inventarisatie vindt u terug in deze gewijzigde gemeenschappelijke regeling.
HOOFDSTUK I. BEGRIPS- EN INTERPRETATIEBEPALINGEN
Dit zijn de begrippen zoals ze in de regeling gebruikt worden.
HOOFDSTUK II. ALGEMENE BEPALINGEN
Het samenwerkingsverband is een openbaar lichaam. Dat betekent dat het rechtspersoonlijkheid heeft, waardoor het zelfstandig kan deelnemen aan het rechtsverkeer en bijvoorbeeld overeenkomsten kan aangaan.
HOOFDSTUK III. BELANG EN TAKEN
In dit hoofdstuk is aangegeven wat de opdracht is aan het samenwerkingsverband. Hiermee geven we aan op welk deelgebied de gemeente haar wettelijke taken overdraagt. Voor het samenwerkingsverband Werkplein Drentsche Aa geldt dat het Werk en Inkomen terrein, gedomineerd door de Participatiewet, het kader is waarbinnen zij haar werkzaamheden uit moet voeren.
Hierin staan de taken van het samenwerkingsverband zo duidelijk mogelijk omschreven. In het tweede en derde lid is de opsomming niet limitatief. Het beleidsterrein is sterk aan veranderingen onderhevig. Regelingen kunnen daardoor van naam of inhoud veranderen en er kunnen vanuit de gemeente additionele taken bij het samenwerkingsverband neergelegd worden. Kerntaak is om uitvoering te geven aan de taken in de sfeer van werk en inkomen die aan gemeenten zijn opgedragen, maar ook taken in het kader van de Wet inburgering 2021, voor zover het betreft de Module Arbeidsmarkt en Participatie.
Hierbij is het kader altijd door de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten vastgesteld. De beleidsmatige voorbereiding van de kaders en andere beleidsmatige stukken gaat in samenwerking tussen de medewerkers van het samenwerkingsverband en de ambtelijk inhoudelijk betrokken medewerkers van de deelnemende gemeenten.
Het samenwerkingsverband is tevens belast met de behandeling van bezwaar-en beroepschriften en met interne en externe klachtafdoening (zie ook artikel 5). Het artikel geeft in lid 6 aan dat uitvoering zo veel mogelijk plaatsvindt in samenwerking met ketenpartners, zoals werkgevers, onderwijspartijen, UWV, welzijnsorganisaties, zorginstellingen, de gemeenschappelijke kredietbank en overige organisaties die actief zijn op het terrein van werk en inkomen.
Dit artikel biedt de mogelijkheid om diensten te verlenen aan gemeenten die geen deel uitmaken van de regeling. Het algemeen bestuur zal voor instemming toetsen of de dienstverlening in het belang van de organisatie is. In het tweede lid is aangegeven dat als het samenwerkingsverband gevraagd wordt in het kader van Werk in Zicht dat het dan niet voorgelegd hoeft te worden aan het algemeen bestuur maar aan het dagelijks bestuur. Vanwege de samenwerking in het kader van onder meer de banenafspraak (2013) voor mensen met een arbeidsbeperking ligt het voor de hand dat er diensten over en weer worden verricht.
Dit artikel geeft aan wie belast is met de afhandeling van de second opinion na de interne klachtafhandeling van een inwoner. Het samenwerkingsverband kent een eigen klachtenregeling. Inwoners met een klacht kunnen zich rechtstreeks wenden tot het samenwerkingsverband met hun klacht. Indien de interne klachtafhandeling niet naar tevredenheid van de klager wordt afgerond, kan klager zich wenden tot de Ombudsvoorziening van de gemeente Tynaarlo.
Paragraaf 1. HET ALGEMEEN BESTUUR
Op grond Wet gemeenschappelijke regelingen bestaat het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband uit zes personen. Elke college van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeente wijst vanuit hun midden twee vertegenwoordigers aan die in het algemeen bestuur plaatsnemen. Over het algemeen wordt dit besloten bij aanvang van de college periode. Tussentijds is het echter mogelijk om dit aan te passen.
De Wet eist dat het algemeen bestuur een reglement van orde vaststelt en dat het algemeen bestuur minimaal twee keer per jaar vergadert, (art.22 Wgr). In datzelfde artikel is ook bepaald dat een aantal artikelen uit de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing is, voor zover daarvan in de Wgr niet is afgeweken. Het betreft de artikelen 16,17 19, 20 22,26 en 28 tot en met 33 van de Gemeentewet, bijvoorbeeld over het quorum voor het openen van vergadering, onschendbaarheid, verschoningsrecht, handhaving orde vergadering, niet deelname aan de stemming, quorum voor geldige stemming en ambtelijke bijstand leden van het bestuur.
Voor wat betreft de stemverhoudingen is uitgegaan van het one-man-one-vote principe, ieder bestuurslid heeft één stem. Er wordt besloten bij unanimiteit.
De prestatieovereenkomst, die door het Algemeen bestuur wordt vastgesteld, verschaft duidelijkheid omtrent elkaars (college en samenwerkingsverband) verwachtingen omtrent de kerntaken van het algemeen bestuur op het gebied van Werk en Inkomen.
Uit artikel 22 Wgr volgt dat het algemeen bestuur beraadslaagt en beslist in een openbare vergadering over het beleidsplan, de begroting en wijziging daarvan, de kwartaalverslagen, het jaarverslag en de jaarrekening, de financiële verordening (art 212 GW) en wijziging daarvan alsmede over het liquidatieplan.
Deze bevoegdheid komt voort uit de gedachte dat je niet in je eentje de ambitie kunt verwezenlijken iedereen te laten meetellen en mee te laten doen. Met die ambitie voor ogen is het noodzakelijk om de verbinding te zoek en te onderhouden met andere rechtspersonen binnen het domein Werk en Inkomen. Het oprichten van of deelnemen in organisaties zoals genoemd in dit lid 7 kan daartoe bijdragen.
Paragraaf 2. HET DAGELIJKS BESTUUR.
Artikel 14 Wgr beschrijft de samenstelling en benoemingsperiode van de leden van het dagelijks bestuur. Hoe groot het dagelijks bestuur is en aan welke criteria de leden moeten voldoen laat de wetgever aan de deelnemende gemeenten over. Het dagelijks bestuur wordt aangewezen door het algemeen bestuur, uit zijn midden.
Het algemeen bestuur kan, op grond van artikel 14, tweede lid, een lid van het dagelijks bestuur aanwijzen die geen lid is van het algemeen bestuur (extern lid). Hierbij wordt in eerste instantie gedacht aan een vertegenwoordiger van werkgevers. Dit omdat door werkgevers een positie te geven in het bestuur focus wordt gegeven op het partnerschap met werkgevers. Het externe lid moet een ambassadeursfunctie naar werkgevers vervullen. Werkgevers zijn een belangrijke schakel in het behalen van de doelstelling werk en maatschappelijke participatie. Het externe lid is een adviserend lid en heeft als zodanig geen stemrecht.
Daarnaast is vastgelegd dat het dagelijks bestuur een secretaris aanwijst uit zijn midden. De secretar wordt bij zijn taken ambtelijk bijgestaan.
Met betrekking tot de werkwijze schrijft artikel 33 b Wgr dwingend voor dat het dagelijks bestuur bevoegd is tot:
• het nemen van besluiten in het kader van de op grond van artikel 3 overgedragen taken;
• voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en ter beslissing moet worden voorgelegd;
• het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;
• het afdoen van lopende zaken;
• het behartigen van de belangen van het samenwerkingsverband bij andere overheden, instellingen, bedrijven of personen waarmee contact voor het samenwerkingsverband van belang is;
• het jaarlijks opstellen van het bedrijfsplan;
• het opstellen van stuurrapportages en bedrijfsverslagen;
• het houden van toezicht op het functioneren van het samenwerkingsverband.
Het dagelijks bestuur neemt besluiten bij unanimiteit. De deelnemende gemeenten zijn allen met één stem vertegenwoordigd in het dagelijks bestuur.
De voorzitter is voorzitter van zowel het algemeen bestuur als het dagelijks bestuur. Met betrekking tot de werkwijze en taken van de voorzitter schrijft artikel 33 d Wgr dwingend voor dat de voorzitter de dienst vertegenwoordigt in en buiten rechte. De voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon.
HOOFDSTUK V. INLICHTINGEN EN VERANTWOORDING AAN DE RADEN.
In artikel 11 wordt invulling gegeven aan de actieve informatieplicht en op welke beleidstukken in elk geval een zienswijze van de raden wordt gevraagd. Aansluitend wordt in het vierde lid de wijze waarop door WPDA clientenparticipatie vorm krijgt omschreven. Gelet op het uitvoerende karakter van de GR is burgerparticipatie niet aan de orde. De voorbereiding en evaluatie van beleid ligt bij onze gemeenten. WPDA betrekt belanghebbenden rechtstreeks om te adviseren over de wijze waarop de dienstverlening en processen kunnen worden verbeterd.
In het vijfde lid is de mogelijkheid geregeld dat het functioneren van de GR, indien daarvoor een meerderheid aanwezig is van tweederde van de raden, kan worden geëvalueerd.
HOOFDSTUK VI. ONTWERPBEGROTING EN FINANCIËLE EN BELEIDSMATIGE KADERS
Het samenwerkingsverband zendt de algemene en financiële kaders voor 30 april naar de raden. Dit betreft de kaders voor de begroting van het jaar daarop. Dit helpt de raden om deze begroting, die zij voor 15 april zullen ontvangen, beter te kunnen beoordelen en daardoor beter gebruik te kunnen maken van hun recht op het indienen van hun zienswijze, (artikel 34 en 35 Wgr).
Artikel 35 zevende lid Wgr verklaart artikelen 186 tot en met 213 van de gemeentewet van overeenkomstige toepassing. Dit betreft de inhoud van de begroting. Het algemeen bestuur verantwoordt jaarlijks de geleverde prestaties en haar financiële situatie aan de gemeenteraden in de jaarrekening.
Artikelen 13 en 14 geven de basale financiële kaders .
Het Algemeen bestuur legt vast volgens welke berekeningsformule de verdeling vastgesteld wordt en voor welke periode. Voor de verrekeningspercentages (de verdeling) van de deelnemende gemeenten wordt een formule gebruikt die recht doet aan de actuele stand van zaken. Daarbij wordt ook aangegeven voor welke termijn dit percentage gehanteerd zal worden en op welk moment er opnieuw een berekening wordt gemaakt. Het is de intentie om periodiek de verdelingspercentages opnieuw te berekenen en voor een bepaalde periode vast te stellen.
HOOFDSTUK VIII. TOE-, UITTREDEN, WIJZIGEN EN OPHEFFEN.
Een gemeenschappelijke regeling kan in de loop van de tijd aanpassing behoeven, dan is een wijziging van de gemeenschappelijke regeling nodig. Ook kan het zijn dat een nog niet deelnemende gemeente wil toetreden, of juist een deelnemende gemeenten wil uittreden. Tenslotte kunnen de deelnemende gemeenten besluiten dat de gemeenschappelijke regeling moet worden opgeheven. Voor al deze gevallen moet er in de gemeenschappelijke regeling zijn opgenomen welke spelregels daarbij gelden. Dit is opgenomen in de artikelen 15, 16, 17 en 18. Al deze besluiten moeten ingevolge artikel 26 Wgr bekend gemaakt worden in het door het gemeentebestuur uitgegeven Gemeenteblad.
HOOFDSTUK IX OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN.
OVERZICHT VAN WETTEN EN WETTELIJKE BEPALINGEN
Wet gemeenschappelijke regelingen (relevante artikelen)
6. Het algemeen bestuur van een openbaar lichaam, ingesteld bij een regeling die uitsluitend is getroffen door colleges van burgemeester en wethouders, bestaat uit leden die per deelnemende gemeente door het college uit zijn midden worden aangewezen. Het tweede tot en met het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam bestaat uit de voorzitter en twee of meer andere leden, door en uit het algemeen bestuur aan te wijzen, met inachtneming van het daaromtrent in de regeling bepaalde. De aldus aangewezen leden van het dagelijks bestuur mogen niet allen afkomstig zijn uit dezelfde gemeente.
Wanneer de aard van de regeling daartoe aanleiding geeft, kunnen één of meer leden van het dagelijks bestuur, niet zijnde de voorzitter, worden aangewezen van buiten de kring van het algemeen bestuur, met dien verstande dat op deze wijze aangewezen leden nimmer de meerderheid van het dagelijks bestuur mogen uitmaken.
De regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop door het bestuur van het openbaar lichaam of de bedrijfsvoeringsorganisatie of door het gemeenschappelijk orgaan aan de raden van de deelnemende gemeenten de door een of meer leden van die raden gevraagde inlichtingen worden verstrekt.
Het algemeen bestuur kan besluiten een lid van het dagelijks bestuur ontslag te verlenen, indien dit lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. De rechter treedt niet in de beoordeling van de gronden waarop het algemeen bestuur tot ontslag van een lid van het dagelijks bestuur heeft besloten.
De leden van commissies van advies die geen burgemeester, wethouder of lid van een gemeenteraad zijn kunnen een vergoeding voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie ontvangen. De artikelen 96 tot en met 99 van de Gemeentewet, alsmede de op grond daarvan gestelde nadere regelen, zijn alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat, wanneer daarin sprake is van een onderverdeling in gemeenteklassen, het bepaalde voor de gemeenteklasse van 50 001-100 000 inwoners van toepassing is.
Het openbaar lichaam, de bedrijfsvoeringsorganisatie, het gemeenschappelijk orgaan of het gemeentebestuur, bedoeld in artikel 8, vierde lid, of bij gebreke hiervan, het gemeentebestuur, bedoeld in het eerste lid, voegt in het register, bedoeld in artikel 136, eerste lid, de gegevens toe, bedoeld in artikel 136, tweede lid.
Aan het bestuur van het openbaar lichaam of van de bedrijfsvoeringsorganisatie of aan het gemeenschappelijk orgaan kunnen bij de regeling ten aanzien van de belangen ter behartiging waarvan zij wordt getroffen, en voor het gebied waarvoor zij geldt, zodanige bevoegdheden van regeling en bestuur worden overgedragen als aan de besturen van de aan de regeling deelnemende gemeenten toekomen, met dien verstande dat:
aan het bestuur van het openbaar lichaam niet de bevoegdheid kan worden overgedragen andere belastingen te heffen dan de belasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet, de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet, de rechten bedoeld in artikel 229 van de Gemeentewet, de rechten waarvan de heffing krachtens andere wetten dan de Gemeentewet geschiedt en de heffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.
Voor zover een verordening van het openbaar lichaam voorziet in hetzelfde onderwerp als een verordening van een deelnemende gemeente, regelt eerstbedoelde verordening de onderlinge verhouding. Zij kan bepalen, dat de verordening der gemeente voor het gehele gebied dan wel voor een gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk ophoudt te gelden.
Het algemeen bestuur van het openbaar lichaam of het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie besluit slechts tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, indien de regeling in deze mogelijkheid voorziet en dat in het bijzonder aangewezen moet worden geacht voor de behartiging van het daarmee te dienen openbaar belang.
De bevoegdheden die bij de regeling worden overgedragen, berusten bij het algemeen bestuur, tenzij bij wet of in de regeling anders is bepaald.
Het dagelijks bestuur is in ieder geval bevoegd:
te besluiten namens het openbaar lichaam, het dagelijks bestuur of het algemeen bestuur rechtsgedingen, bezwaarprocedures of administratief beroepsprocedures te voeren of handelingen ter voorbereiding daarop te verrichten, tenzij het algemeen bestuur, voor zover het het algemeen bestuur aangaat, in voorkomende gevallen anders beslist.
Het dagelijks bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur machtigen tot uitoefening van een of meer van zijn bevoegdheden, tenzij de regeling waarop de bevoegdheid steunt zich daartegen verzet.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 september van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.
Indien het openbaar lichaam de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan een specifieke uitkering als bedoeld in artikel 15a van de Financiële-verhoudingswet ontvangt van het Rijk of middelen ontvangt van de deelnemende gemeenten, die afkomstig zijn uit een specifieke uitkering, zijn de artikelen, 17a en 17b van de Financiële-verhoudingswet op de informatie ten behoeve van de verantwoording over deze middelen, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
De ingevolge artikel 186, tweede lid, aanhef en onder b, en derde lid, van de Gemeentewet gestelde regels, alsmede het vierde tot en met het achtste lid van dat artikel, zijn van overeenkomstige toepassing op het openbaar lichaam de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan, met dien verstande dat:
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt vóór 30 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, de algemene financiële en beleidsmatige kaders en de voorlopige jaarrekening aan de raden van de deelnemende gemeenten.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan zendt de ontwerpbegroting twaalf weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden, onderscheidenlijk twaalf weken voordat zij door het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie of het gemeenschappelijk orgaan wordt vastgesteld, toe aan de raden van de deelnemende gemeenten.
De raden van de deelnemende gemeenten kunnen bij het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan hun zienswijze over de ontwerp-begroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerp-begroting, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.
Het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan stelt de raden van de deelnemende gemeenten voorafgaande aan het vaststellen van de begroting schriftelijk en gemotiveerd in kennis van zijn oordeel over de zienswijze, bedoeld in het derde lid, alsmede van de eventuele conclusies die het daaraan verbindt.
Nadat deze is vastgesteld, zendt het algemeen bestuur van het openbaar lichaam, het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie onderscheidenlijk het gemeenschappelijk orgaan, zo nodig, de begroting aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-60484.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.