Gemeenteblad van Leeuwarden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leeuwarden | Gemeenteblad 2025, 60052 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Leeuwarden | Gemeenteblad 2025, 60052 | beleidsregel |
Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtschelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2025
2.1 Herziening en intrekken toekenningsbesluit
Het college maakt gebruik van de wettelijke bevoegdheid om een toekenningsbesluit te herzien of in te trekken, ook als er geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht. Dit met toepassing van:
2.2 Onterecht of te hoog bedrag verleende bijstand of uitkering
Onterecht verleende bijstand/uitkering wordt teruggevorderd in de gevallen en op de wijze zoals genoemd in de artikelen:
Een voorstel van de belanghebbende, waarvan de uitkering is beëindigd, waarbij openstaande vorderingen binnen de geldende kwijtscheldingstermijn van 36 maanden (vanaf de ontstaansdatum van de terugvordering) worden terugbetaald, wordt geaccepteerd.
Bij een lopende uitkering vindt de aflossing plaats door middel van verrekening met de maandelijks verleende bijstand/uitkering. Dit op grond van:
Als de belanghebbende de opgelegde of afgesproken betalingsverplichting niet nakomt, dan wordt het betalingsbesluit, nadat een dwangbevel is verzonden, uitgevoerd door middel van:
Behalve executoriaal beslag kan in alle gevallen conservatoir beslag worden toegepast in de zin van het Derde Boek van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering.
Indien mogelijk wordt dan ook beslag gelegd op aanwezig vermogen, voor zover dit meer is dan de vermogensvrijlating voor bijzondere bijstand (zie richtlijn B137: https://www.gripopparticipatiewet.nl/beleidswijzers/toon/code/B137?highlight=middelen%20voor%20draagkracht%20Voor&page=1). Onder vermogen wordt verstaan alle aan de belanghebbende in eigendom toebehorende roerende en onroerende zaken en vermogensrechten, onder aftrek van de schulden (uitgezonderd de gemeentelijke vorderingen).
Als de vordering in de beslagfase verkeert, wordt de vordering verhoogd met 15 % van het op dat moment openstaande bedrag. De verhoging bedraagt maximaal € 100,-.
Als de verhaalsbijdrage op nihil is gesteld in verband met schulden wordt de situatie periodiek opnieuw beoordeeld. Deze herbeoordeling vindt plaats op het moment dat de schulden in redelijkheid voldaan kunnen zijn. De verhaalsbijdrage wordt niet gewijzigd als deze minder dan € 25,- hoger is dan bij de vorige beoordeling.
5.2 Intrekking besluit kwijtschelding bij schuldenregeling
Het besluit tot kwijtschelding vervalt of wordt ingetrokken als:
Deze beleidsregels treden in werking op de dag nadat zij zijn bekendgemaakt. De Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtschelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2016 worden tegelijkertijd ingetrokken.
[Artikel 7.1, lid 7.1.1 bevat een kennelijke verschrijving, hier wordt bedoeld: Deze beleidsregels treden in werking op de dag nadat zij zijn bekendgemaakt. De Beleidsregels Terugvordering, Invordering, Kwijtschelding en Verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2019 worden tegelijkertijd ingetrokken.]
In de Handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 zijn de doelstellingen en uitgangspunten van het handhavings- en terugvorderingsbeleid benoemd. Het college is bevoegd om voor de uitvoering van deze verordening nadere regelgeving vast te stellen. Deze nadere regels omtrent terugvordering zijn vastgelegd in de Beleidsregels terugvordering, invordering, kwijtschelding en verhaal Participatiewet, IOAW en IOAZ 2025.
De beleidsregels terugvordering, invordering, verhaal en kwijtschelding Participatiewet, IOAW en IOAZ 2019 gaan op hoofdlijnen over de wijze van terugvordering, invordering, verhaal en kwijtschelding. Deze hoofdlijnen worden nader uitgewerkt in richtlijnen en uitvoeringsinstructies.
Het opschorten van het recht op uitkering en het herzien of intrekken en terugvorderen van toekenningsbeschikkingen zijn soms verplichtingen en soms bevoegdheden. De gemeente Leeuwarden maakt van deze bevoegdheden gebruik.
In de praktijk levert het bruto bedrag terugvorderen onbegrip bij belanghebbenden op. De belanghebbende moet namelijk meer terugbetalen dan hij heeft ontvangen en moet via de belastingdienst de betaalde premies en belastingen zien terug te krijgen.
Er wordt daarom gebruik gemaakt van de mogelijkheid om af te zien van de brutering, met uitzondering van terugvorderingen als gevolg van fraude.
Dit op basis van het uitgangspunt dat in geval van fraude alle verstrekte bijstandsbedragen, niet te verrekenen premies en belastingen voor rekening van de belanghebbende moeten blijven.
Het is een verplichting om het aflossingsbedrag te voldoen. We hebben dan ook te maken met een betalingsverplichting. Het aflossingsbedrag dat is opgenomen in een terug- of betalingsbesluit, of is afgesproken met de belanghebbende en schriftelijk is bevestigd, geldt als betalingsverplichting.
Dit artikel biedt de mogelijkheid om maatwerk toe te passen bij het invorderen van vorderingen. De betalingscapaciteit, bestaande uit het verschil tussen netto inkomen en de beslagvrije voet, kan onder invloed van bijzondere, individuele omstandigheden van financiële, sociale of persoonlijke aard worden bijgesteld, waardoor de betalingsverplichting lager is dan de betalingscapaciteit.
In de praktijk zijn situaties denkbaar waarin de betalingsplichtige moet wennen aan zijn of haar nieuwe inkomenssituatie, bijvoorbeeld bij uitstroom naar werk. Als extra motivatie of stimulans kan de terugbetalingsverplichting van een niet-fraudevordering gedurende een bepaalde aaneengesloten periode van werk (dus uitkeringsonafhankelijkheid) worden opgeschort of verlaagd.
De gemeente kan overgaan tot dwanginvordering door middel van het leggen van vereenvoudigd derdenbeslag. Voor er beslag kan worden gelegd, moet er eerst een dwangbevel worden verzonden. Dwanginvordering kan plaatsvinden via een aankondiging executie gevolgd door een kennisgeving van beslag.
Wanneer de belanghebbende de betalingsverplichting niet nakomt, dan moeten er kosten worden gemaakt voor de dwanginvordering. De kosten worden in beginsel vastgesteld op een percentage van 15 % van de vordering (art. 1 Besluit buitengerechtelijke kosten) met een maximum van € 100,00. Rente en de kosten van een aanmaning en een dwangbevel worden geacht in dit percentage te zijn verdisconteerd en worden niet afzonderlijk bij de klant in rekening gebracht.
De verzamelwet SZW 2013 heeft een wijziging doorgevoerd in artikel 60a lid 4 van de Participatiewet. Hierin is beschreven dat het college bevoegd is om een vordering die een belanghebbende op hem heeft te verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 Participatiewet. In artikel 3.5 geeft het college aan gebruik te maken van deze bevoegdheid.
Op grond van artikel 4:84 Awb (inherente afwijkingsbevoegdheid) kan hiervan op grond van bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Een en ander indien en voor zover een strikte toepassing van de betreffende beleidsregel voor een belanghebbende gevolgen heeft die in geen enkele verhouding staan tot de met de daarmee beoogde doelen.
Verhaal is een bevoegdheid van het college om in een aantal gevallen kosten van bijstand bij derden in rekening te brengen.
Verhaal heeft dus, in tegenstelling tot terugvordering, nooit betrekking op personen die de bijstand zelf ontvangen, maar op derden zoals bijvoorbeeld de gewezen echtgenoot die onderhoudsplichtig is jegens de persoon die bijstand ontvangt.
De Participatiewet geeft de volgende drie gronden voor verhaal:
Verhaal op ontvanger schenking: kosten van bijstand kunnen worden verhaald op degene aan wie de persoon die bijstand ontvangt of heeft ontvangen een schenking heeft gedaan, voor zover bij het besluit op de bijstandsaanvraag met de geschonken middelen rekening zou zijn gehouden indien de schenking niet zou hebben plaatsgevonden.
Als de verhaalsbijdrage op nihil is gesteld in verband met schulden wordt de situatie periodiek opnieuw beoordeeld. Deze herbeoordeling vindt plaats op het moment dat de schulden in redelijkheid voldaan kunnen zijn. Beoordeeld wordt in dit onderzoek of de onderhoudsplichtige in staat is alsnog een verhaalbijdrage te voldoen. Mocht er draagkracht zijn dan wordt hem alsnog een verhaalbijdrage opgelegd. Vind nihilstelling plaats op grond van onvoldoende financiële draagkracht op grond van het inkomen (dus zonder schulden), dan wordt definitief afgezien van verhaal.
Er worden, uitzonderlijke situaties daargelaten, geen heronderzoeken verhaal meer uitgevoerd. De onderhoudsplichtige heeft te allen tijde het recht om (schriftelijk) een verzoek tot herziening van de verschuldigde verhaalbijdrage in te dienen. Er vindt dan alsnog een herbeoordeling plaats.
Mochten gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, dan wordt als gevolg van dit onderzoek de verhaalbijdrage gewijzigd vastgesteld. Er wordt niet overgegaan tot het gewijzigd vaststellen van een verhaalbijdrage als de draagkracht niet meer blijkt te zijn vermeerderd ten opzichte van het vorige onderzoek dan met € 25,- per maand.
Het college besluit tot verhaal in rechte als de belanghebbende niet uit eigen beweging bereid is de verlangde gelden aan de gemeente te betalen dan wel niet of niet tijdig tot betaling daarvan overgaat. De gemeente kan in een verhaalprocedure op grond van art. 62h van de Participatiewet in rechte optreden zonder procureur. De gemeente is bij verhaal in rechte geen vast recht en geen vergoeding voor de deurwaarder verschuldigd, met uitzondering van het uitbrengen van exploten. Voor de behandeling van verzoekschriften met betrekking tot verhaal in rechte en verzoeken tot wijziging van een rechterlijke verhaalsuitspraak, is de rechtbank bevoegd. Het college neemt een apart besluit tot verhaal in rechte. Het indienen van een verzoekschrift is een taak van de burgemeester, maar geschiedt in de praktijk door een gemandateerde.
Als iemand drie jaar volledig (ononderbroken) zijn betalingscapaciteit heeft ingezet voor de aflossing van een vordering, volgt kwijtschelding van de restantvordering. Als de betaalverplichting vanwege persoonlijke omstandigheden lager wordt vastgesteld dan de afloscapaciteit, kan de periode meetellen voor de kwijtschelding als de reden van de verlaging van de betaalverplichting niet het gevolg is van ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid in het bestaan.
De kwijtschelding wordt na 36 maanden ambtshalve beoordeeld, zonder dat hiervoor een verzoek moet worden ingediend. Verder wordt de kwijtschelding per individuele vordering beoordeeld. Bij meerdere vorderingen zal alleen de vordering waarop deels is afgelost voor kwijtschelding in aanmerking komen. Voor de overige vorderingen zal een nieuwe periode van drie jaar ingaan.
Deze regeling is niet van toepassing op terugvorderingen die het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting.
Heeft de belanghebbende gedurende drie jaar geen betalingen verricht, dan kan soms worden aangenomen dat het niet aannemelijk is dat betaling nog op enig moment zal plaats vinden. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan iemand van wie de verblijfplaats onbekend is of aan de persoon die zich definitief in een land heeft gevestigd waarmee Nederland geen executieverdrag heeft.
Tenslotte kan er sprake zijn van een afkoopregeling waarbij minstens 50% van de vordering in één keer wordt afgelost.
Op grond van artikel 58 lid 8 Participatiewet kan het college besluiten geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Daarvoor moeten dringende redenen aanwezig zijn.
Dringende redenen zijn een open norm. Daarbinnen moet het college een evenredigheidstoets doen. Tegenover het uitgangspunt dat wat ten onrechte is ontvangen in beginsel moet worden terugbetaald, moet het college de relevante feiten en omstandigheden afwegen.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-60052.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.