Vierde wijziging van de Havenverordening 2020

De Raad van de gemeente Rotterdam,

 

gelezen het raadsvoorstel van burgemeester en wethouders van 17 juni 2025

(raadsvoorstel nr. 25bb004571/25bo006021;25bb009405);

 

gelet op de artikelen 147 en 156, derde lid, van de Gemeentewet en artikel 4 van Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens;

 

overwegende dat:

het vanwege het invoeren van een vergunning voor havensleepdiensten, recente ontwikkelingen en enkele tekstuele onjuistheden wenselijk is de Havenverordening Rotterdam 2020 op enkele punten te wijzigen;

 

besluit:

Artikel I  

De Havenverordening Rotterdam 2020 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

In de begripsomschrijving van ‘binnentankschip’ vervalt ‘in ladingtanks’.

De begripsomschrijving ‘dampretourleiding’ komt te luiden:

dampretourleiding: dampdrukvereffeningssysteem tussen de bij de directe overslag of ontvangst van vloeibare scheepsafvalstoffen betrokken lading- of sloptanks waardoor deze handeling emissieloos plaatsvindt;

In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingen ingevoegd:

havensleepboot: schip dat door een vergunninghouder havensleepdienst wordt gebruikt ten behoeve van het verrichten van havensleepdiensten;

havensleepdiensten: diensten waarbij met behulp van een havensleepboot aan een zeeschip bijstand wordt verleend bij het manoeuvreren, met het oog op het veilig varen in de haven;

In de begripsomschrijving van ‘zeetankschip’ vervalt ‘in zijn ladingtanks’.

 

B.

 

In artikel 1.2, tweede lid, wordt ‘met uitzondering van afdeling 3 en 4,’ vervangen door ‘met uitzondering van de afdelingen 3, 4 en 6,’.

 

C.

 

Artikel 1.9 komt te luiden:

 

Artikel 1.9 Ontheffing en vrijstelling van geboden en verboden

Het college kan vrijstelling of ontheffing verlenen van de verboden en geboden zoals die bij of krachtens deze verordening zijn opgenomen.

Het college neemt in zijn overwegingen over het gebruik van de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid mee of het efficiënt gebruik van de haven, de veiligheid, het milieu in de haven en de omgeving van de haven niet worden geschaad.

In het geval van een aanvraag om vrijstelling of ontheffing is het aan de aanvrager om aannemelijk te maken dat bij inwilliging van de aanvraag het efficiënt gebruik van de haven, de veiligheid, het milieu in de haven en de omgeving van de haven niet worden geschaad.

 

D.

 

In artikel 11.1.3, vierde lid, wordt na ‘onderdeel a,’ ingevoegd ‘subonderdeel 1°,’.

 

E.

 

Aan paragraaf 11 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:

 

Afdeling 6 Verrichten van havensleepdiensten

 

Artikel 11.6.1 Vergunning havensleepdienst

Het aanbieden of verrichten van havensleepdiensten is uitsluitend toegestaan met een vergunning havensleepdienst van het college.

 

Artikel 11.6.2 Minimumeisen aan de vergunning havensleepdienst

  • 1.

    Het college kan minimumeisen stellen aan de vergunning havensleepdienst en aan de vergunninghouder van de vergunning havensleepdienst.

  • 2.

    Deze minimumeisen kunnen betrekking hebben op:

    • a.

      de beroepskwalificaties van de vergunninghouder, diens personeel of de natuurlijke personen die de activiteiten van de vergunninghouder daadwerkelijk en permanent beheren;

    • b.

      de financiële draagkracht van de vergunninghouder;

    • c.

      de uitrusting die nodig is om havensleepdiensten in normale en veilige omstandigheden uit te voeren en het vermogen om deze uitrusting op het vereiste niveau te houden;

    • d.

      de beschikbaarheid van de vergunninghouder om de havensleepdienst aan te bieden aan alle gebruikers aan alle aanlegplaatsen en zonder onderbrekingen, dag en nacht, het hele jaar door;

    • e.

      naleving van eisen ten aanzien van maritieme veiligheid of de veiligheid en beveiliging van de haven of de toegang tot de haven, de installaties, uitrusting en werknemers en andere personen;

    • f.

      naleving van lokale, nationale, Europese en internationale milieueisen; en

    • g.

      de betrouwbaarheid van de vergunninghouder, als bepaald overeenkomstig eventueel toepasselijk nationaal recht inzake betrouwbaarheid, rekening houdend met dwingende redenen om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de aanbieder van havendiensten.

Artikel 11.6.3 Invulling minimumeisen aan vergunning havensleepdienst

  • 1.

    De aanvrager legt bij de vergunningaanvraag de gegevens over die zijn vermeld in een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2.

    Het college kan bepalen dat voor de aanvraag van de vergunning aanvullende gegevens worden overgelegd.

  • 3.

    Aan de vergunning kunnen onder meer de volgende voorschriften en beperkingen worden verbonden die betrekking hebben op:

    • a.

      het aantonen dat regelmatig wordt overlegd met nautische dienstverleners in de haven omtrent de werkwijze en procedures bij het verrichten van havensleepdiensten;

    • b.

      het beschikken over ten minste één continu bereikbaar meldpunt waar havensleepdiensten kunnen worden besteld en dat het meldpunt aansluit bij het door de havenmeester gebruikte bestelsysteem voor havensleepboten;

    • c.

      het beschikken over een opleidingssysteem waarbij, alvorens de kapiteins zelfstandig havensleepdiensten gaan verrichten, aandacht wordt besteed aan:

      • 1°.

        het opdoen van voldoende lokale praktijkervaring en kennis van de haven;

      • 2°.

        een actieve beheersing van de Nederlandse taal om te kunnen communiceren met de havenautoriteiten en de overige nautische dienstverleners;

      • 3°.

        kennis van de lokale omstandigheden, waaronder in ieder geval topografische kennis, kennis van hydro-meteorologische omstandigheden en kennis van nautische regelgeving die in de haven van toepassing is;

      • 4°.

        kennis van de lokale procedures en werkwijze met betrekking tot het af- en ontmeren van zeeschepen al dan niet in samenwerking met loodsen, kapiteins, bootlieden en de verkeersbegeleiding;

    • d.

      het verbieden van de zelfstandige operationele inzet van een kapitein als diegene langer dan twee jaar geen permanente educatie heeft gehad;

    • e.

      het laten deelnemen van de kapiteins van havensleepboten aan door de havenmeester aan te wijzen educatieve bijeenkomsten.

  • Het college kan een audit houden ten aanzien van de vergunninghouder en de wijze waarop de havensleepdiensten door de vergunninghouder worden uitgevoerd. Het college kan voor de audit aanvullende gegevens opvragen.

F.

 

Paragraaf 13 vervalt.

Artikel II  

Bijlage 1 komt te luiden:

 

Bijlage 1 Stoffen als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, onderdeel c, en artikel 6.3, eerste lid, van de Havenverordening Rotterdam 2020

 

Stofnaam

V.N.-nummer

benzeen

1114

benzeenhoudende mengsels met meer dan 10% benzeen

meerdere V.N.- nummers mogelijk

ethylacrylaat gestabiliseerd

1917

formaldehyde, oplossing, brandbaar of formaldehyde, oplossing, met ten minste 25% formaldehyde

1198 of 2209

isobutylacrylaat, gestabiliseerd

2527

Isobutyraldehyde (Isobutylaldehyde)

2045

isopropylamine

1221

methylacrylaat, gestabiliseerd

1919

butylacrylaten, gestabiliseerd (n-butylacrylaat, gestabiliseerd)

2348

butyraldehyde (n-butyraldehyde)

1129

propyleenoxide

1280

styreen monomeer, gestabiliseerd

2055

terpentijn

1299

Artikel III  

De Bijlage: Toelichting op de Havenverordening Rotterdam 2020 wordt als volgt gewijzigd:

 

A.

 

In de toelichting op artikel 1.1 wordt na het begrip ‘Havenmeester’ de volgende tekst ingevoegd:

 

Havensleepdiensten

De definitie van havensleepdiensten is allereerst beperkt tot zeeschepen. Sleepboten die bijstand verlenen aan een binnenschip vallen derhalve niet onder de reikwijdte van paragraaf 11, afdeling 6. Daarnaast beperkt paragraaf 11, afdeling 6, zich tot het “bijstand verlenen bij het manoeuvreren” door een havensleepboot. Het slepen van zeeschepen die geen autonome voortstuwing (“dood” schip) hebben, valt niet onder de bepalingen van deze paragraaf. Ook valt het slepen van schepen in het geval van hulpverlening buiten de reikwijdte van paragraaf 11, afdeling 6. Hoewel niet strikt noodzakelijk, is in de begripsomschrijving van havensleepdiensten expliciet opgenomen dat het gaat om havensleepdiensten in de haven. Wat onder haven wordt verstaan, is ook in dit artikel gedefinieerd.

 

B.

 

In de toelichting op artikel 1.2 wordt na de tweede alinea de volgende tekst ingevoegd:

Ook wordt afdeling 6 van paragraaf 11 onder de werkingssfeer van het tweede lid gebracht, waardoor het aanbieden en verrichten van havensleepdiensten ook op de Rijksvaarwegen alleen is toegestaan met een vergunning van het college.

 

C.

 

De toelichting op artikel 1.9 komt te luiden:

 

Artikel 1.9 Ontheffing en vrijstelling van geboden en verboden

In de verordening zijn in de artikelen zelf geen ontheffings- of vrijstellingsmogelijkheden opgenomen. Er wordt volstaan met deze algemene mogelijkheid om ontheffing of vrijstelling te verlenen voor de verboden en geboden in de verordening. De mogelijkheid tot ontheffing of vrijstelling is in zijn algemeenheid opgenomen in artikel 1.9, omdat bij het opstellen van de verordening niet alle ontwikkelingen die zich in de scheepvaart voordoen, (kunnen) zijn voorzien.

 

D.

 

In de toelichting op artikel 4.11 wordt na ‘het veilig en milieuverantwoord schoonmaken van tanks’ ingevoegd ‘van de stoffen die in het eerste lid worden genoemd,’.

 

E.

 

Na de toelichting op artikel 11.5.1 wordt een afdeling toegevoegd, luidende:

 

Afdeling 6 Algemene toelichting

De vergunning havensleepdienst is gericht op de sleepdiensten die de zeevaart bedienen in de haven. Alleen aanbieders van havensleepdiensten met een vergunning van het college mogen deze diensten aanbieden op inkomende, verhalende en uitgaande reizen van zeeschepen. De reden voor de vergunning havensleepdienst ligt in de consistentie van kwaliteits- en beschikbaarheidseisen die ook nu al gesteld worden aan andere nautische dienstverleners in landelijke wetgeving en de Havenverordening Rotterdam 2020 binnen de mogelijkheden die daartoe worden geboden door de Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (hierna: EU-zeehavenverordening). Ook de vergunning havensleepdienst is in lijn met de minimumeisen die de EU-zeehavenverordening voorschrijft.

 

De havensleepdiensten acteren in een vrije markt in die zin dat er geen beperking is in het aantal aanbieders dat havensleepdiensten in de haven van Rotterdam mag aanbieden. De havensleepdiensten spelen een belangrijke rol in de totale afhandeling van de zeescheepvaart in de haven. Omdat de havensleepdiensten een belangrijke rol vervullen, is het van belang om regels te stellen ten aanzien van het kwaliteitsniveau dat zij aanbieden. Dergelijke regels ten aanzien van een bepaald kwaliteitsniveau gelden ook voor andere nautische dienstverleners, waaronder bootlieden en loodsen.

 

Voor de havensleepdiensten waren er tot 2025 geen minimumeisen opgesteld. Dit is echter wel wenselijk, aangezien de havensleepdiensten samen met de loodsen en de bootlieden één team vormen die nauw met elkaar samenwerken om het zeeschip veilig en efficiënt te manoeuvreren, waarbij met name de communicatie met alle relevante nautische partijen en lokale kennis van de haven cruciaal is. Daarnaast is het logisch dat als de capaciteit van de publieke vaarweg vlot, veilig en schoon gebruikt moet worden, ook de gerelateerde nautische diensten op elkaar zijn afgestemd. Daarom is het doortrekken van de regels die reeds gelden voor loodsen en bootlieden belangrijk om hen veilig en efficiënt samen met de havensleepdiensten te laten werken. De vergunning havensleepdiensten wordt verleend voor maximaal 5 jaar, conform artikel 1.7. De haven is een dynamische omgeving en flexibiliteit om de voorwaarden van de vergunning af te stemmen op de actualiteit is wenselijk. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om voorwaarden in het kader van de energietransitie of in het kader van ontwikkelingen op het gebied van ‘just-in-time’ varen. Overigens zijn havendiensten op grond van artikel 2, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (de Dienstenrichtlijn), uitgesloten van de werkingssfeer van deze richtlijn.

 

Artikel 11.6.1 Vergunning havensleepdienst

Dit artikel is de basis voor de vergunning havensleepdienst. Zonder deze vergunning van het college mogen in de haven van Rotterdam geen havensleepdiensten (zoals gedefinieerd in artikel 1.1) worden aangeboden. Indien dit wel gebeurt, dan is er sprake van een overtreding van de Havenverordening Rotterdam 2020 en kan bestuurs- of strafrechtelijk worden gehandhaafd.

 

Artikel 11.6.2 Minimumeisen aan de vergunning havensleepdienst

De minimumeisen zoals die in dit artikel zijn opgenomen, vinden hun basis in artikel 4 van de EU-zeehavenverordening. In de voorschriften die aan de vergunning havensleepdienst worden gekoppeld, zullen deze minimumeisen nader worden ingevuld. Een belangrijke minimumeis betreft het kunnen stellen van eisen aan de beschikbaarheid van de vergunninghouder om de havensleepdienst aan te bieden aan al haar klanten aan alle aanlegplaatsen en zonder onderbrekingen, dag en nacht, het hele jaar door. Aan deze minimumeis kan deels invulling worden gegeven in die zin dat een havensleepdienst in bijzondere omstandigheden voorrang aan een andere klant dient te geven. Dit kan dan ook in de vergunning worden opgenomen.

De havenmeester zal namens het college in overleg met de havensleepdiensten, het loodswezen, bootlieden, scheepsagenturen en cargadoors een kader vaststellen. In dit kader wordt onder meer vastgelegd onder welke voorwaarden en in welke gevallen het college van de bevoegdheid tot het stellen van minimumeisen over beschikbaarheid van de diensten gebruik kan maken.

 

Artikel 11.6.3 Invulling minimumeisen aan vergunning havensleepdienst

De minimumeisen die aan de havensleepdiensten gesteld worden, zien primair op de voorwaarde dat de zeemansschappelijke normen voor veilig varen en veilig opereren gewaarborgd dienen te zijn. In de Havenverordening Rotterdam 2020 worden daarom aanvullende eisen genoemd die gesteld kunnen worden aan de samenwerking met de andere nautische dienstverleners in de planning van de inzet van de havensleepdiensten. In de praktijk betekent deze te stellen eis dat de havensleepdienst aangesloten dient te zijn op, en mee dient te werken met, GIDS (Gezamenlijk Interactief Dienstverleners Systeem).

 

De eisen die gesteld kunnen worden aan de kwaliteit hebben direct en indirect betrekking op de eisen die gesteld worden aan de kapiteins en zien met name op de opleiding en permanente educatie. Taal en bekendheid met lokale omstandigheden en lokale procedures staan daarbij centraal. Als vergunningsvoorwaarde kan worden opgenomen dat als de kapiteins langer dan twee jaar geen permanente educatie hebben gehad, zij niet zelfstandig operationeel ingezet kunnen worden. In zo’n geval zal eerst de benodigde kennis weer op pijl moeten worden gebracht. De Havenmeester onderhoudt hierover contact met de vergunninghouders. De kapiteins in de operationele dienst van de havensleepdiensten dienen kennis te nemen van de verslaglegging van de GOALS (Gezamenlijk Overleg Alle Loodsen en Sleepdiensten) sessies. Tevens dient dit geborgd te zijn in het opleidingssysteem van de havensleepdienst.

 

In het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rotterdam 2021 zal de bevoegdheid aan de havenmeester worden toegekend om een audit uit te kunnen voeren op het opleidingssysteem van de vergunninghouder, waarbij de toetsingscriteria vastgelegd zijn. Pas na goedkeuring van de havenmeester zal in dat geval worden overgegaan tot vergunningverlening.

 

F.

 

De toelichting op paragraaf 13 vervalt.

Artikel IV  

Dit besluit treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het gemeenteblad waarin het wordt geplaatst, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, subonderdeel 3, onderdelen B en E en artikel III, onderdelen A, B en E, die in werking treden met ingang van 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van 18 december 2025.

De griffier,

I.C.M. Broeders

De voorzitter,

C.J. Schouten

Dit gemeenteblad ligt ook ter inzage bij het Concern Informatiecentrum Rotterdam (CIC): 010-267 2514 of bir@rotterdam.nl

Naar boven