Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2026

Burgemeester en wethouders van gemeente Gulpen-Wittem;

 

Gelet op de bepalingen in de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2026:

 

Besluit

  • 1.

    Het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2026’ vast te stellen;

  • 2.

    Het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2026’ per 1 januari 2026 in werking te laten treden;

  • 3.

    Het ‘Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2025’ per 1 januari 2026 in te trekken.

Inleiding

Voor u ligt het Besluit maatschappelijke ondersteuning 2026 van de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: ‘besluit’). In dit besluit zijn de nadere regels en bedragen opgenomen, die een uitwerking zijn van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2026 van de gemeente Gulpen-Wittem (hierna: ‘verordening’). De bijlagen en toelichting maken integraal onderdeel uit van het besluit.

 

Het kan bij de uitvoering van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 (hierna: ‘Wmo2015’) nodig zijn het besluit op basis van opgedane ervaringen in de loop van de tijd aan te passen. Soms is een kleine, snelle aanpassing vereist om optimale ondersteuning te bieden aan inwoners. Het besluit biedt deze flexibiliteit.

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1: Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk worden belangrijke definities uitgelegd. Deze definities gelden voor dit besluit en hebben dezelfde betekenis als in de wet, de verordening of de Algemene wet bestuursrecht ( hierna: ‘Awb’), tenzij anders aangegeven. Bedragen in dit besluit zijn inclusief BTW, tenzij anders vermeld.

 

In dit besluit wordt verstaan onder:

  • 1.

    algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten en ook betaalbaar is voor mensen met een minimuminkomen;

  • 2.

    algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning

  • 3.

    bijdrage: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 en 2.1.4a, van de wet;

  • 4.

    budgethouder: een cliënt aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend, dan wel diens wettelijk vertegenwoordiger.

  • 5.

    college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Gulpen-Wittem

  • 6.

    gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • 7.

    financiële tegemoetkoming: wijze van verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een forfaitair of gemaximeerd bedrag;

  • 8.

    formele hulp: hulp die wordt geleverd door een zorgaanbieder die:

    • a.

      als zorg verlenende organisatie staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel conform de vereisten van de Handelsregisterwet 2007 en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager, of;

    • b.

      staat ingeschreven in het register, bedoeld in artikel 3 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (BIG) en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager;

    • c.

      een zelfstandige zonder personeel (zzp’er) is die beschikt over een modelovereenkomst waarin de arbeidsrelatie is vastgelegd en niet behoort tot het sociaal netwerk van de aanvrager.

  • 9.

    gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • 10.

    hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

    • a.

      in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel

    • b.

      zal staan ingeschreven; dan wel

    • c.

      het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven.

  • 11.

    hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • 12.

    informele hulp: hulp die wordt geleverd door een persoon, die niet onder de definitie van formele hulp valt.

  • 13.

    ingezetene: cliënt die het hoofdverblijf heeft in de gemeente Gulpen-Wittem;

  • 14.

    leefeenheid: alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam huishouden te voeren;

  • 15.

    maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • a.

      ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

    • b.

      ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

    • c.

      ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

  • 16.

    melding: melding van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • 17.

    ondersteuningsplan: de schriftelijke verslaglegging van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, alsmede de beoogde resultaten en de evaluatie daarvan;

  • 18.

    persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onderdelen a tot en met g van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • 19.

    pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet;

  • 20.

    verordening: de Verordening maatschappelijke ondersteuning Gulpen-Wittem 2026

  • 21.

    voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

  • 22.

    voorziening in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverlening wordt verstrekt;

  • 23.

    wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Hoofdstuk 2. Beoordeling van de hulpvraag

Artikel 2: Wijzen van verstrekking van een maatwerkvoorziening

  • 1.

    De te treffen maatwerkvoorzieningen kunnen worden verstrekt:

    • a.

      als voorziening in natura;

    • b.

      als persoonsgebonden budget of;

    • c.

      als financiële tegemoetkoming.

  • 2.

    Verstrekking als financiële tegemoetkoming is slechts mogelijk bij de in dit besluit genoemde gevallen.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend vóór 1 januari 2026 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van dit besluit, worden afgehandeld krachtens het besluit 2026.

Artikel 3: Klachtregeling

Voor de afhandeling van klachten in het kader van de uitvoering van de verordening en het besluit is het gemeentelijk klachtenreglement van de gemeente Gulpen-Wittem van toepassing.

Artikel 4: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

  • 1.

    Voorzieningen die als algemeen gebruikelijk kunnen worden aangemerkt, komen niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking.

  • 2.

    In individuele gevallen kan een in lid 1 van dit artikel genoemde voorziening, die op zichzelf als algemeen gebruikelijk kan worden beschouwd, vanwege omstandigheden aan de kant van de burger toch niet als algemeen gebruikelijk worden beschouwd. Van een uitzondering is in ieder geval sprake:

    • a.

      indien ten gevolge van een plotseling optredende beperking zaken die nog niet zijn afgeschreven, moeten worden vervangen en;

    • b.

      als het inkomen van de aanvrager, mede ten gevolge van aantoonbare kosten ten gevolge van zijn beperking, onder het voor hem geldende bijstandsniveau komen.

Artikel 5: Gebruikelijke hulp

  • 1.

    Gebruikelijke hulp als gedefinieerd in de verordening, komt niet voor verstrekking als maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget in aanmerking.

  • 2.

    De omvang van de gebruikelijke hulp in de individuele situatie wordt vastgesteld aan de hand van de richtlijn gebruikelijke hulp. De richtlijn is opgenomen in bijlage 2 van de verordening.

Artikel 6: Uitzonderingen op het bieden van gebruikelijke hulp

In de volgende situaties wordt ervan uitgegaan dat de huisgenoot geen gebruikelijke hulp biedt of kan bieden:

  • a.

    uit onderzoek blijkt dat een huisgenoot aantoonbare beperkingen heeft op grond van een aandoening, handicap of probleem, of dat deze kennis/vaardigheden mist en deze ook niet kan aanleren, waardoor redelijkerwijs de taken niet overgenomen kunnen worden;

  • b.

    in een leefeenheid overbelasting dreigt, doordat, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke hulp, door de (chronische) uitval van iemand uit de leefeenheid gezinsleden alsnog onevenredig belast worden;

  • c.

    de leden van een leefeenheid overbelast dreigen te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot. Ondersteuning in de vorm van een maatwerkvoorziening zal dan van korte duur zijn (3-6 maanden) om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder overbelast dreigt te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen;

  • d.

    de zieke partner/huisgenoot zich in de terminale levensfase bevindt.

Artikel 7: Gebruikelijke hulp bij ondersteuning bij het huishouden

Als de cliënt zijn/haar huishoudelijke taken niet meer kan uitvoeren wordt van de huisgenoten verwacht dat zij deze taken overnemen.

Artikel 8: Gebruikelijke hulp bij begeleiding (individueel, groep en dagbesteding)

  • 1.

    Gebruikelijke hulp wordt verwacht bij onder andere:

    • a.

      Begeleiding op het terrein van maatschappelijke deelname. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van een huisarts, het bezoeken van dagbesteding;

    • b.

      Begeleiding bij het normale maatschappelijke verkeer binnen de levenssfeer. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie;

    • c.

      Het overnemen van taken die bij een gezamenlijk huishouden horen. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het doen van administratie.

Artikel 9: Gebruikelijke hulp bij het ondersteunen bij verplaatsingen binnen de leefomgeving

Gebruikelijke hulp wordt verwacht bij:

  • a.

    Verplaatsingen met een incidenteel karakter die gepland kunnen worden. Hieronder wordt in ieder geval verstaan het bezoeken van vrienden, familie, huisarts;

  • b.

    Structurele verplaatsingen, waarbij rekening wordt gehouden met de intensiteit van de verplaatsingen en de daginvulling van de huisgenoot.

Artikel 10: Richtlijn hulp bij het huishouden

  • 1.

    Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden stelt het college de omvang hiervan vast in uren en minuten per week.

  • 2.

    Bij het bepalen van de omvang hanteert het college het normenkader huishoudelijke ondersteuning 2025 van bureau HHM of het op dat moment geldende normenkader zoals opgenomen in bijlage 1 bij dit besluit.

  • 3.

    Wanneer de aanvrager voor een persoonsgebonden budget kiest, wordt de hoogte van het budget bepaald door de door het college vastgestelde omvang maal het van toepassing zijnde tarief conform bijlage 1 van verordening.

Artikel 11: Richtlijn begeleiding

  • 1.

    Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening begeleiding individueel of begeleiding groep stelt het college de omvang hiervan per 1 januari 2022 vast in cliëntprofielen.

  • 2.

    De indeling in cliëntprofielen, alsmede de van toepassing zijnde beleidsregels, zijn opgenomen in de Richtlijn begeleiding in bijlage 2 bij dit besluit.

  • 3.

    Wanneer cliënt voor een persoonsgebonden budget kiest wordt de hoogte van het budget bepaald door de door het college vastgestelde omvang in uren maal het van toepassing zijnde tarief conform de tarievenlijst in bijlage 1 bij de Verordening.

Artikel 12: Richtlijn normering aantal zones collectief vervoer

  • 1.

    Bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening collectief vervoer stelt het college de omvang hiervan vast in een aantal zones per jaar.

  • 2.

    Bij het bepalen van de omvang hanteert het college de richtlijn normering aantal zones collectief vervoer gemeente Gulpen-Wittem zoals opgenomen in bijlage 4 bij dit besluit.

Artikel 13: Primaat van verhuizing

  • 1.

    Voor zover belanghebbende kan verhuizen naar een geschikte woning of een gemakkelijker geschikt te maken woning waarbij de verhuizing kan leiden tot het te bereiken resultaat zal deze mogelijkheid eerst beoordeeld worden.

  • 2.

    Het primaat van verhuizing, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt niet toegepast indien:

    • a.

      er niet binnen een tijdsbestek van één jaar een woning beschikbaar komt waar naartoe belanghebbende kan verhuizen, tenzij uit onderzoek blijkt dat het medisch verantwoord is om de in dit genoemde lid genoemde termijn te verruimen;

    • b.

      er een contra-indicatie tot verhuizen aanwezig is op grond van objectieve psychische en/of sociale redenen;

    • c.

      de woning waar naartoe kan worden verhuisd niet geschikter is dan de huidige woning;

    • d.

      de woning waar naartoe kan worden verhuisd zich niet binnen de gemeentegrenzen bevindt.

  • 3.

    Het college kan in voorkomende gevallen een financiële tegemoetkoming verstrekken voor verhuis- en (her) inrichtingskosten. De hoogte hiervan bedraagt in 2025 € 1.968,10,- en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd volgens de CPI-index.

Hoofdstuk 3: Maatwerkvoorzieningen

Artikel 14: Soorten maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    De volgende soorten maatwerkvoorzieningen worden onderscheiden:

    • a.

      Hulp bij het huishouden

    • b.

      Woonvoorzieningen

    • c.

      Lokale vervoersvoorzieningen

    • d.

      Rolstoelvoorzieningen

    • e.

      Begeleiding individueel

    • f.

      Begeleiding groep

    • g.

      Kortdurend verblijf

Artikel 15: Hulp bij het huishouden

  • 1.

    De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden kan, wanneer verondersteld wordt dat de cliënt in staat is tot zelfregie over de planning van activiteiten, bestaan uit de volgende activiteiten:

    • a.

      huishoudelijke werkzaamheden die samenhangen met beperkingen op het vlak van schoonmaken van woonruimte, slaapruimte, sanitair, keuken (dagelijks of wekelijks onderhoud);

    • b.

      verzorgen van textiel (wassen, strijken);

    • c.

      onderhoud van kleding en schoeisel

    • d.

      zorg voor de voeding (voor)bereiden, serveren, afwassen, opruimen);

    • e.

      bed opmaken en/of verschonen;

    • f.

      beperkte verzorging van huisdieren

  • 2.

    De maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden kan naast de werkzaamheden welke beschreven worden in lid 1 onder a. t/m f, bestaan uit gerichte hulp bij de organisatie van het huishouden door middel van de activiteiten:

    • g.

      planning van het voeren van het huishouden (wie doet wat);

    • h.

      aandacht voor hygiëne in huis;

    • i.

      advies en hulp bij het kopen van levensmiddelen;

    • j.

      beheer van de levensmiddelenvoorraad;

    • k.

      noodzakelijke opvang van thuiswonende kinderen;

    • l.

      instructie en voorlichting die direct is verbonden met activiteiten op het gebied van het voeren van een huishouding, bijvoorbeeld stimulering bij het deels zelf uitvoeren van activiteiten. Enige begeleiding kan deel uitmaken van deze prestatie, waaronder noodzakelijke advisering aan de informele hulp rondom de cliënt;

    • m.

      organisatie van de huishouding in verband met chronische ziekte of beperking;

    • n.

      specifieke ondersteuning bij een ontregelde huishouding i.v.m. psychische problemen.

Hoofdstuk 4. Financiële tegemoetkomingen

Artikel 16: Hoogte van de financiële tegemoetkoming bij woonvoorzieningen

  • 1.

    De financiële tegemoetkoming voor standaard woonvoorzieningen uit het kernassortiment van de gecontracteerde aanbieder wordt vastgesteld op 100% van de goedkoopst compenserende voorziening.

  • 2.

    De financiële tegemoetkoming voor woonvoorzieningen buiten het kernassortiment van de gecontracteerde aanbieder wordt vastgesteld op 100% van de kosten van de goedkoopst compenserende voorziening. Vast te stellen op basis van:

    • a.

      één offerte voor voorzieningen minder dan € 500,-

    • b.

      Twee offertes voor voorzieningen tussen € 500,- en € 10.000,-;

    • c.

      Drie offertes voor voorzieningen duurder dan € 10.000,-;

  • 3.

    De financiële tegemoetkoming voor een woningaanpassing of een roerende woonvoorziening wordt uitbetaald aan de hoofdbewoner van een woning in eigendom of aan de eigenaar van de woning waaraan de voorzieningen zijn getroffen.

  • 4.

    Indien de woningaanpassing in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd, dan bedraagt de financiële tegemoetkoming of het persoonsgebonden budget 75% van de in lid 2 van dit artikel bedoelde goedkoopst compenserende offerte.

  • 5.

    Woningaanpassingen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen, zijn hiervan uitgesloten.

  • 6.

    De hoogte van de door het college te verlenen financiële tegemoetkoming van een woonvoorziening in een algemene ruimte bedraagt maximaal 25% van de kosten en deze is alleen van toepassing indien uit gemeentelijke basisadministratie blijkt dat 70 % of meer van de middels de aanpassing bereikbare woningen op het moment van de aanvraag bewoond worden door mensen van 55 jaar en ouder.

Artikel 17: Kostensoorten woningaanpassingen

Bij het vaststellen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van een woningaanpassing wordt rekening gehouden met de volgende kostensoorten:

  • a.

    De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. ;

  • b.

    De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van het bepaalde in de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Indien de voorziening in zelfwerkzaamheid wordt getroffen, dan vervalt de post loonkosten en komen alleen de materiaalkosten voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking.;

  • c.

    Het architectenhonorarium tot ten hoogste 3% van de aanneemsom met een minimumbedrag van € 500,00;

  • d.

    De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom;

  • e.

    De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening;

  • f.

    De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen het oorspronkelijke kavel gebouwd kan worden, waarbij de in bijlage 4 genoemde maximale normen gelden.

  • g.

    De door het College (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien hadden kunnen worden;

  • h.

    De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing;

  • i.

    De kosten van (her)aansluiting op een openbare nutsvoorziening;

  • j.

    De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, alsmede de administratiekosten die verhuurder maakt ten behoeve van het treffen van een voorziening voor de ondersteuningsbehoevende, tot een maximum van 5% van de kosten onder a t/m i met een maximum van € 500,-.

Artikel 18: Afschrijvingstermijn woonvoorzieningen

  • 1.

    De afschrijvingstermijnen van voorzieningen worden gehanteerd, zoals weergegeven in bijlage 3 van dit besluit of middels een beoordelingsrapportage van een bouwkundige.

     

    De afschrijvingstermijn wordt als volgt meegewogen:

    • a.

      100% vergoeding wanneer de te vervangen voorzieningen 25 % zijn afgeschreven;

    • b.

      75% vergoeding wanneer de te vervangen voorzieningen tussen de 25 % en 50 % zijn afgeschreven;

    • c.

      50% vergoeding wanneer de te vervangen voorzieningen tussen de 50 % en 75 % zijn afgeschreven;

    • d.

      25% vergoeding wanneer de te vervangen voorzieningen tussen de 75 % en 100% zijn afgeschreven;

    • e.

      0% vergoeding wanneer de te vervangen voorzieningen voor 100 % zijn afgeschreven.

Artikel 19: Gereed melden en uitbetalen

  • 1.

    De gereedmelding van de woonvoorziening is tevens een verzoek om vaststelling en uitbetaling van de voorziening. Na akkoord bevinding gereed melding zal binnen 6 weken uitbetaling plaatsvinden op basis van de in de beschikking genoemde financiële tegemoetkoming.

  • 2.

    De gereedmelding bedoeld in het eerste lid wordt tevens gezien als de verklaring dat bij het treffen van de voorzieningen is voldaan aan de voorwaarden waaronder de woonvoorziening is verleend.

  • 3.

    Degene aan wie de woonvoorziening wordt verleend dient, voor zover gereed melding en uitbetaling nog niet heeft plaatsgevonden, alle rekeningen en betalingsbewijzen met betrekking tot de werkzaamheden ter controle beschikbaar te houden.

Artikel 20: Maximaal aanpassingsbedrag voor bezoekbaar maken woning

  • 1.

    De financiële tegemoetkoming voor het bezoekbaar maken van een woonruimte, niet zijnde woonverblijf, bedraagt in 2025 maximaal € 4.120,00,- en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd volgens de CPI-index;

    Onder bezoekbaar maken van de woonruimte wordt uitsluitend verstaan dat cliënt de woning, de woonkamer en het toilet kan bereiken.

  • 2.

    Het in lid 1 van dit artikel genoemde bedrag kan worden toegekend voor het bezoekbaar maken van maximaal één woning.

Artikel 21: Kosten in verband met onderhoud, keuring en reparatie

Indien bij het geschikt maken van de woning kosten in verband met onderhoud, keuring of reparatie van een woonvoorziening worden vergoed, zal de hoogte van de financiële tegemoetkoming voor deze kosten worden vastgesteld in overeenstemming met het bedrag zoals door het College aan een door haar gecontracteerde leverancier zou worden betaald. Is dit in voorkomende gevallen niet mogelijk dan werkt het College met gemaximeerde bedragen.

Artikel 22: Frequentie woningaanpassingen

  • 1.

    De aanvraag voor een woonvoorziening voor het geschikt maken van de woning wordt geweigerd indien:

    • a.

      de noodzaak tot het treffen van deze woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van ergonomische beperkingen geen aanleiding bestond;

    • b.

      ten behoeve van de ondersteuningsbehoevende, korter dan 10 jaar geleden al een woonvoorziening is versterkt.

  • 2.

    Het gestelde in het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing indien de verhuizing plaatsvindt om een naar het oordeel van het college gegronde reden.

Artikel 23: Terugbetalen woningaanpassing

De wooneigenaar kan, bij verkoop binnen 10 jaar na de datum van gereedmelding van de werkzaamheden, verplicht worden tot terugbetaling van de woonvoorziening, verminderd met 10% per jaar en exclusief de kosten die voor rekening van de eigenaar van de woonruimte gekomen zijn, indien de kosten van die voorziening een bedrag van €10.000,00 te boven gaat

Hierbij wordt gedurende 10 jaar onderstaand afschrijvingsschema toegepast:

 

1e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 10%

2e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 20%

3e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 30%

4e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 40%

5e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 50%

6e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 60%

7e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 70%

8e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 80%

9e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 90%

10e jaar afschrijving 10%; totale afschrijving 100%

Artikel 24: Financiële tegemoetkoming voor het gebruik van een (eigen) auto, een (rolstoel)taxi of een bruikleenauto

  • 1.

    Het college kan een financiële tegemoetkoming verstrekken voor het gebruik van een (eigen) auto, een rolstoeltaxi of een bruikleenauto met als doel zich lokaal te verplaatsen.

  • 2.

    Voor dit gebruik van de eigen auto wordt per kilometer een vergoeding beschikbaar gesteld die gelijk is aan de som van het fiscaal belaste en onbelaste deel reiskostenvergoeding werkverkeer (€ 0,37 per km) met een maximum van 2000 kilometer per jaar. Dit bedrag zal, indien van toepassing, jaarlijks worden aangepast aan de wettelijke fiscale bepalingen.

  • 3.

    Voor zover de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt bij een voorziening zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel , niet meer verstrekt dan anderhalf maal een enkele vergoeding zoals genoemd in dit besluit.

Artikel 25: Autoaanpassingen

  • 1.

    Een persoon kan in aanmerking worden gebracht voor een auto-aanpassing indien

    • a.

      Er een medische indicatie is voor individueel vervoer per eigen auto; of

    • b.

      Er een indicatie is voor individueel (rolstoel)taxivervoer; én

    belanghebbende beschikt over een eigen auto die niet ouder is dan 5 jaar en het gebruik van de eigen auto verantwoord is en de kosten van aanpassing niet hoger zijn dan de kosten die uitgegeven zouden worden aan een andere geschikte vorm van individueel vervoer gedurende één jaar.

  • 2.

    Een autoaanpassing in aanvulling op het collectief vervoersysteem kan niet worden verstrekt.

  • 3.
    • a.

      De hoogte van een door het college te verlenen financiële tegemoetkoming voor de aanpassing van een eigen auto wordt vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte tot een maximum van € 2.552,00 per 1 januari 2025 inclusief BTW. Dit bedrag wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd met de CPI-index.

    • b.

      De vergoeding wordt éénmaal per 5 jaar verstrekt.

    • c.

      Indien als gevolg van toepassing van dit artikel extra verzekeringskosten en hogere kosten i.v.m. de motorrijtuigenbelasting ontstaan, komen deze meerkosten voor vergoeding in aanmerking.

    • d.

      Bij tussentijdse hernieuwde aanvraag (aanschaf andere auto) wordt naar rato van de verstreken tijd een vergoeding verleend. Op de vergoeding wordt dan een mindering toegepast gebaseerd op de eerdere vergoeding voor hetzelfde type uitvoering van de auto.

    • e.

      De korting wordt niet toegepast indien de hernieuwde aanvraag een gevolg is van een calamiteit.

Artikel 26: Financiële tegemoetkoming sportrolstoel

Een sportrolstoel wordt uitsluitend verstrekt als financiële tegemoetkoming. Het bedrag bedraagt per 1 januari 2025 maximaal 4.587,90,- en wordt jaarlijks per 1 januari geïndexeerd met de CPI-index. (incl. BTW) welk bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportrolstoel voor een periode van drie jaar.

Artikel 27: Eigen bijdrage

De te betalen eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget zal worden vastgesteld en geïnd door het Centraal Administratie Kantoor (hierna: ‘CAK’) zoals is bepaald in het ‘Uitvoeringsbesluit Wmo 2015’.

Hoofdstuk 5 Slotbepalingen

Artikel 28: Citeertitel en inwerkingtreding

Dit besluit kan worden aangehaald als: Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gulpen-Wittem 2026 en treedt in werking op 1 januari 2026.

 

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Gulpen-Wittem op dinsdag 23 december 2025 in Gulpen.

de secretaris,

dhr. R.H.M. Sluijsmans

de burgemeester,

mw. ing. N.H.C. Ramaekers-Rutjens

Bijlage 1 : Richtlijn Hulp bij het huishouden

 

In voorliggende richtlijn wordt beschreven op welke wijze de tijdsnormering in de indicatiestelling voor Hulp bij het huishouden wordt samengesteld. Hulp bij het huishouden geeft ondersteuning aan mensen die niet in staat zijn zelfstandig een huishouden te voeren. Voordat de indicatie voor deze voorziening verstrekt kan worden, wordt bekeken of er beperkingen zijn die gecompenseerd moeten worden en of deze voorziening daarvoor de juiste oplossing is.

Voor de onderbouwing van de maatwerkvoorziening Huishoudelijke hulp, maken we gebruik van het HHM Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 2025 of het op dat moment geldende normenkader. In meerdere gevallen heeft de rechtbank en uiteindelijk ook de CRvB (10 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3835) het onderzoek dat door bureau HHM en KPMG Plexus is uitgevoerd, beoordeeld als ‘objectief, onafhankelijk en deugdelijk’. Daarmee voldoet het aan de criteria die eerder door de Raad zijn gesteld en kan het worden benut voor onderbouwing van de in te zetten omvang van de Huishoudelijke hulp door een gemeente

Door middel van deze richtlijn wil de gemeente Gulpen-Wittem aan haar burgers duidelijk maken hoe de indicatie voor individuele Wmo-voorzieningen tot stand gekomen is.

 

1.1 Indicatiestelling Hulp bij het huishouden

Bij de indicatiestelling wordt uitgegaan van de ICF-classificatie (International Classification of Functions, Disabilities and Health). Dit is een gestandaardiseerd begrippenkader over het menselijk functioneren en de problemen die daarin kunnen optreden. De ICF wordt gebruikt om het verband tussen de beperking van een burger en de ervaren belemmering of belemmeringen te kunnen objectiveren. De ICF sluit aan bij het compensatiebeginsel in de Wmo.

 

1.2 Algemene uitgangspunten

Voor het bepalen van een eventuele toekenning van Hulp bij het huishouden kan van een aantal basisuitgangspunten uit worden gegaan. Zo kent de gemeente een individuele voorziening voor Hulp bij het huishouden toe als:

  • de specifieke beperking van de cliënt hierom vraagt, én;

  • de voorziening noodzakelijk is, én;

  • dit voor de gemeente de goedkoopste compenserende voorziening is.

De gemeente kan een voorziening afwijzen als aan tenminste één van onderstaande voorwaarden voldaan wordt:

  • de cliënt zelf of zijn sociaal netwerk kan een voldoende compenserende oplossing creëren.

  • een collectieve voorziening is voldoende compenserend en beschikbaar;

  • de voorziening is algemeen gebruikelijk;

  • er is sprake van gebruikelijke zorg;

  • de cliënt kan aanspraak maken op een wettelijke voorliggende voorziening;

  • de cliënt woont niet in de gemeente Gulpen-Wittem;

  • de cliënt heeft geen aantoonbare beperkingen;

  • de cliënt heeft een beperking die aantoonbaar maar niet objectiveerbaar is aan de hand van de ICF;

  • de voorziening niet langdurig noodzakelijk is (Op deze regel bestaat een duidelijke uitzondering: hulp bij het huishouden na een ziekte of ziekenhuisopname)

Bovenstaande zijn basisregels en vinden hun verdere uitwerking in detail tijdens het gesprek tussen burger en Wmo-gespreksvoerder of bij verder onderzoek.

 

5 Algemene, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen

Algemene hulpmiddelen

Algemene hulpmiddelen hebben voorrang op individuele voorzieningen. Waar nodig zal een individuele voorziening worden verstrekt. Hoe de keuze zal worden gemaakt is altijd een individuele afweging.

  • Inzet van algemene hulpmiddelen:

Bijvoorbeeld Afwasmachine, aangepast bestek, het plaatsen van een verhoging voor een wasmachine, een wasdroger, een stofzuiger.

Als een technisch hulpmiddel niet aanwezig is maar wel gerealiseerd kan worden / wel een goede oplossing biedt, is dit voorliggend op het inzetten van hulp. Hierbij wordt geen rekening gehouden met de persoonlijke opvattingen over de inzet van deze hulpmiddelen door de cliënt.

 

Algemeen gebruikelijke voorzieningen

Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening waarover de aanvrager, gezien zijn individuele situatie, ook zonder zijn handicap of beperking, zou kunnen beschikken. Deze voorzieningen worden als algemeen gebruikelijk beschouwd. Wat in een concrete situatie als algemeen gebruikelijk te beschouwen is, hangt af van de geldende maatschappelijke normen van het moment van de aanvraag.

  • Inzet van algemeen gebruikelijke voorzieningen:

Te denken valt hierbij aan: dagrecreatie voor ouderen, sociale alarmering, boodschappen service, maaltijdservice, klussendienst, ramenwasservice etc.

 

Voorliggende voorzieningen

Voorliggende voorzieningen zijn voorzieningen, waarop voor zover op grond van enige andere wettelijke regeling of privaatrechtelijke verbintenis, aanspraak bestaat.

De voorliggende voorziening moet beschikbaar en passend zijn. Als dit niet het geval is, dan is er geen sprake van een voorliggende voorziening. De consulent moet de sociale kaart goed in beeld hebben, zodat adequaat beoordeeld kan worden of een voorliggende voorziening daadwerkelijk beschikbaar en passend is. Niet relevant is of men gebruik wil maken van een voorliggende voorziening.

Het is in principe ook niet relevant welke kosten aan de voorliggende voorziening zijn verbonden, tenzij sprake zou kunnen zijn van een zogenaamd extreem laag inkomen als geldt bij het begrip algemeen gebruikelijk: een inkomen dat door kosten op grond van de ziekte of het probleem onder de bijstandsnorm uitkomt of dreigt uit te komen door deze kosten.

Inzet van wettelijke voorzieningen

  • Hierbij valt te denken aan wettelijke regelingen als Wlz, Zorgverzekeringswet (ZvW), Jeugdwet, participatiewet, Wet op kinderopvang, etc.

Een wettelijke voorziening die het probleem kan oplossen is in deze altijd voorliggend op de Wmo.

 

1.3 Algemene voorzieningen

Binnen de gemeente Gulpen-Wittem zijn enkele algemene voorzieningen beschikbaar of in ontwikkeling. Het gaat daarbij om een scootmobiel- en rolstoelpool en een klussendienst.

In het kader van de Kanteling wordt bekeken op welke terreinen het wenselijk is om het aanbod van algemene voorzieningen nog verder uit te breiden. Indien een algemene voorziening de belemmeringen van een persoon voldoende kan compenseren zal deze altijd eerst worden ingezet voordat een verder indicatie voor een individuele Wmo-voorziening volgt.

 

1.4 Revalideren

Wanneer bepaalde aandoeningen die de oorzaak vormen voor de huishoudelijke beperkingen naar de mening van de arts nog behandelmogelijkheden bieden, wordt de indicatie hierop afgestemd. Bij aandoeningen als Moeilijk Objectiveerbare Aandoeningen (MOA) en psychische aandoeningen kan hulp bij het huishouden immers anti-revaliderend werken. Wel kan Hulp bij het huishouden naast een te volgen behandeling of revalidatie positief worden geadviseerd. Hierover is afstemming met de behandelaar nodig. Een dergelijke indicatie heeft dan in principe een korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het behandel- of revalidatietraject.

 

1.5 Normering en verstrekkingswijze

De gemeente Gulpen-Wittem hanteert standaard normtijden bij het indiceren van hulp bij het huishouden. Het spreekt voor zich dat er altijd per cliënt een individuele afweging gemaakt dient te worden. Afwijkingen van normtijden, dus het gebruiken van de Factoren meer/minder hulp, dienen te worden gemotiveerd.

Het normenkader betreft de voor de hulp beschikbare totale tijd, inclusief de indirecte tijd die nodig is voor binnenkomen, afspraken maken, interactie met de inwoner en bijvoorbeeld het pakken en opruimen van schoonmaakmiddelen. De activiteiten benodigd voor het realiseren van een schoon en leefbaar huis staan in hoofdstuk 2 van bijlage 3. Een activiteit kan in het ene huishouden meer tijd kosten dan in het andere. De inwoner is vrij de uren naar eigen inzicht in te zetten voor het realiseren van het resultaat ‘Schoon en leefbaar huis’. De inwoner stemt zelf met de door hem/haar gekozen aanbieder af met welke taken met welke frequentie dit wordt ingevuld.

Het normenkader gaat uit van 125 minuten per week in de ‘gemiddelde situatie’ bij volledige overname. De gemiddelde cliëntsituatie is als volgt omschreven:

Gemiddelde cliëntsituatie:

  • een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

  • wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

  • er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen;

  • de cliënt kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

  • de cliënt heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

  • er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

  • er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de cliënt die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

  • de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk.

Wanneer inwoners als gevolg van hun (medische) beperkingen onvoldoende ondersteund worden door de basisvoorziening schoon huis, kunnen aanvullende maatwerkmodules ingezet worden. Dit zijn bijvoorbeeld een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden realiseren, het klaarzetten van maaltijden en beschikken over schone kleding. Als zij minder ondersteuning nodig hebben, dan wordt rekening gehouden met de mogelijkheden van eigen kracht, gebruikelijke hulp en het netwerk. Als sprake is van voorliggende voorzieningen/oplossingen, dan wordt hiervoor geen Wmo-maatwerkvoorziening inzet.

De toe te kennen taken/activiteiten worden in minuten per taak/activiteit in de beschikking opgenomen. De totale omvang van de hulp in minuten wordt altijd afgerond naar boven op een 5- of 10 tal.

 

2. Definities uit de richtlijn (normenkader)

Om ‘het voeren van een gestructureerd huishouden’ inzichtelijker te maken, gebruiken we resultaatgebieden. Tijdens een keukentafelgesprek spreken de consulenten en de inwoner samen af wat voor hulp die inwoner nodig heeft per resultaatgebied. De resultaatgebieden die de gemeente hanteert zijn:

  • Schoon en leefbaar huis;

  • Wasverzorging;

  • Boodschappen;

  • Maaltijden;

  • Kindzorg;

  • Regie/organisatie, Advies, Instructie en Voorlichting (AIV).

Het huis is schoon en leefbaar:

Een huis is schoon en leefbaar indien het normaal bewoond en gebruikt kan worden en voldoet aan basale hygiëne-eisen.

Schoon staat voor: een basishygiëne borgen, waarbij vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s van bewoners worden voorkomen. De inwoner moet gebruik kunnen maken van een schone woonkamer, slaapvertrekken, keuken, sanitaire ruimtes en gang/trap/overloop.

Leefbaar staat voor: opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen.

Het gaat over de vertrekken in huis die daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik zijn. Het gaat om de binnenkant van het huis. Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de buitenkant vallen hier dus niet onder. Bij al deze taken gaat het om taken die als algemeen gebruikelijk kunnen worden beschouwd.

Een schoon en leefbaar huis wil niet zeggen dat de in gebruik zijnde leefvertrekken standaard wekelijks schoon moeten worden gemaakt. De frequentie van schoon maken is mede afhankelijk van de persoonlijke situatie en leefwijze (gezinssamenstelling en gezondheid). Dat betekent dus maatwerk: geen situatie is hetzelfde.

 

De inwoner beschikt over schoon linnen- en beddengoed en schone kleding

De wasverzorging omvat het (machinaal) wassen, drogen, strijken, opvouwen en opruimen van kleding en linnen- en beddengoed. Bij kleding gaat het hierbij uitsluitend over normale kleding voor alledag, waarbij het uitgangspunt is dat zo min mogelijk (boven)kleding gestreken hoeft te worden. Met het kopen van kleding moet hiermee rekening worden gehouden.

Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te kunnen maken van de beschikbare algemeen gebruikelijke moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine, een droogruimte of een droger. Het inkopen van (strijkvrije) kleding hier ook onder.

 

De bewoner beschikt over primaire levensbehoeften en maaltijden

In elk huishouden zijn boodschappen nodig. De ondersteuning is beperkt tot die levensmiddelen en schoonmaakmiddelen, die dagelijks en/of wekelijks in elk huishouden worden gebruikt. Het is algemeen aanvaard dat inwoners deze boodschappen geclusterd doen door eenmaal per week de voorraad in huis te halen. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van een boodschappendienst. De boodschappenservice wordt door de CRvB als algemene gebruikelijke voorziening gezien, omdat de kosten van de boodschappenservice als financieel draagbare kosten worden bevonden. Ook voor cliënten met een bijstandsuitkering. Alleen in bijzondere gevallen is ondersteuning voor deze activiteiten nodig.

Het bereiden van de broodmaaltijden en opwarmen van de warme maaltijd kan ook een vorm van hulp bij het huishouden zijn. In de meeste situaties kan van een voorliggende voorziening, zoals van een maaltijdservice voor de warme maaltijd, gebruik worden gemaakt. Ook zijn er kant- en klaar maaltijden te koop die als algemeen gebruikelijk door de CRvB zijn bestempeld.

 

Er wordt gezorgd voor minderjarige kinderen

De zorg voor kinderen die tot het huishouden behoren is primair een taak van de ouders. Zo moeten werkende ouders er voor zorg dragen dat er op tijden dat zij beiden werken, opvang voor de kinderen is. Dat kan worden ingevuld op de manier waarop zij dat willen (oppas, grootouders, kinderopvang), maar het is een eigen verantwoordelijkheid. Dat is niet anders in de situatie dat beide ouders mede door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen op te vangen. In die situatie zal men een permanente oplossing moeten zoeken. Kan/kunnen de ouder(s) deze rol tijdelijk niet vervullen dan kan bij fulltime werkzaamheden, aanvullend op de eigen mogelijkheden, worden geïndiceerd voor een beperkte duur. De wet heeft in deze vooral een taak om tijdelijk in te springen, zodat ruimte ontstaat om een goede oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost, zodat gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

 

Er is sprake van regie over het doen van het huishouden

De dagelijkse organisatie van het huishouden gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de cliënt niet (of onvoldoende) zelf de regie voert. Er is ook geen sociaal netwerk aanwezig dat op passende wijze regie kan voeren. Met ‘op passende wijze’ bedoelen we dat iemand de cliënt voldoende aanstuurt om de noodzakelijke werkzaamheden te verrichten. De cliënt zelf is namelijk niet in staat om aan te geven wat er moet gebeuren door bijvoorbeeld psychische klachten, psychiatrische aandoening (waaronder psychogeriatrisch, dementie) en/of psychosociale problematiek en/of een visuele handicap of een verstandelijke beperking. We kunnen dan dagelijkse organisatie van het huishouden inzetten. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wat wanneer moet gebeuren) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn).

 

3. Basisuren schoon en leefbaar huis in de gemiddelde situatie

De basisuren richten zich op het uitvoeren van het lichte en zware schoonmaakwerk. Denk aan het afnemen van stof, stofzuigen, reinigen van ramen, vloeren en sanitair en bedden verschonen. Uit objectief, onafhankelijk onderzoek is gebleken dat er 125 minuten per week nodig is om het resultaat ‘Schoon en leefbaar huis’ te behalen in een ‘gemiddelde situatie’. Hieronder verstaan we:

 

  • 1.

    Een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen

  • 2.

    Wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap

  • 3.

    Er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen

  • 4.

    De inwoner kan de woning dagelijks op orde houden (bijvoorbeeld aanrecht afnemen, algemeen opruimen) zodat deze gereed is voor de schoonmaak.

  • 5.

    De inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd.

  • 6.

    Er is geen ondersteuning vanuit de eigen leefeenheid, mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers mogelijk bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd.

  • 7.

    Er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de bewoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn.

  • 8.

    De woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk

 

Persoonlijke opvattingen van inwoners of hulpen kunnen soms anders zijn dan waarop dit normenkader is gebaseerd. In die gevallen is het normenkader leidend, omdat deze op basis van onderzoek bij en met vele inwoners en in afstemming met diverse deskundigen tot stand is gekomen.

 

 

Meer en minder inzet schoon en leefbaar huis

Niet iedere inwoner past in deze omschrijving van de gemiddelde situatie. Voor inwoners waarbij de gemiddelde situatie niet van toepassing is, kunnen invloedsfactoren worden meegewogen. Deze invloedsfactoren kunnen leiden tot ‘meer inzet’ of ‘minder inzet’. Daarmee wordt voor iedere inwoner maatwerk gerealiseerd. De aanwezigheid van de bepaalde kenmerken leidt niet automatisch tot meer inzet. Het is steeds de vraag aan de consulent of een kenmerk leidt tot extra vervuiling of vraagt om een extra niveau van schoon, waardoor meer inzet nodig is.

De volgende invloedsfactoren kunnen maken dat meer of minder ondersteuningstijd nodig is:

 

a. Kenmerken inwoner

Mogelijkheden inwoner zelf: de fysieke mogelijkheden van de inwoner om bij te dragen aan de uit te voeren activiteiten. Dit hangt af van het kunnen bewegen, lopen, bukken en omhoog reiken, het vol kunnen houden van activiteiten, het kunnen overzien wat moet gebeuren en daadwerkelijk tot actie kunnen komen. Ook speelt de trainbaarheid en leerbaarheid van de bewoner mee.

Beperkingen en belemmeringen van de inwoner die gevolgen hebben voor de benodigde inzet. De hoeveelheid extra ondersteuning die nodig is door de gevolgen van de problematiek, zijn leidend. Niet de problematiek als zodanig. De problematiek dient medisch aantoonbaar te zijn.

Dit kan op twee manieren uitwerken:

  • 1.

    Het kan nodig zijn extra vaak schoon te maken of te wassen, doordat meer vervuiling optreedt. Bijvoorbeeld als gevolg van rolstoelgebruik, ernstige incontinentie, overmatig zweten, (ernstige) tremoren, besmet wasgoed (bijvoorbeeld bij chemokuur of Norovirus).

  • 2.

    Het kan nodig zijn de woning extra goed schoon te maken. Ter voorkoming van problemen bij de cliënt voortkomend uit bijvoorbeeld allergie, astma, longemfyseem, COPD in combinatie met een allergie/huisstofmijt.

Er wordt eerst onderzocht of inwoner via de eigen mogelijkheden, het eigen netwerk en de eigen kracht in combinatie met de basisuren in staat is (een deel van) het noodzakelijke hoger niveau van hygiëne of schoonmaken te realiseren. Van de inwoner wordt verwacht dat maatregelen getroffen worden om de extra inzet te beperken, zoals het inschakelen van een incontinentieverpleegkundige en/of het saneren van de woning.

 

b. Kenmerken huishouden

Samenstelling van het huishouden: het aantal personen en de leeftijd van leden in het huishouden. Als sprake is van een huishouden van twee personen, is niet persé extra inzet nodig. Dit is bijvoorbeeld wel het geval als zij (noodzakelijkerwijs) gescheiden slapen, waardoor een extra slaapkamer in gebruik is. Het kan ook betekenen dat er minder ondersteuning nodig is, omdat de partner een deel van de activiteiten uitvoert (gebruikelijke zorg). De aanwezigheid van een kind of kinderen kan leiden tot extra noodzaak van inzet van ondersteuning. Dit is mede afhankelijk van de leeftijd en leefstijl van de betreffende kinderen en van de bijdrage die het kind levert in de huishouding (leeftijdsafhankelijk). Als er kinderen zijn, zijn er vaak ook meer ruimtes in gebruik. Een kind kan eventueel ook een bijdrage leveren in de vorm van mantelzorg en daarmee de benodigde extra inzet beperken of opheffen. Bij een kind kan ook sprake zijn van bijzonderheden (ziekte of beperking) die maken dat extra inzet van ondersteuning nodig is.

Huisdieren: door de aanwezigheid van een of meer huisdieren in het huishouden, kan eventueel door meer vervuiling extra inzet nodig zijn dan in de norm is opgenomen. Verzorging van huisdieren valt niet onder huishoudelijke ondersteuning. Een huisdier veroorzaakt niet altijd extra benodigde inzet (goudvis in een kom, een niet verharende hond, etc.). Een huisdier heeft vaak ook een functie ten aanzien van participatie en eenzaamheidsbestrijding. Met de cliënt moet in voorkomende gevallen overleg plaatsvinden over aantal of aard van huisdieren en welke gevolgen hiervan wel of niet ‘voor rekening’ van de gemeente/samenleving komen.

 

c. Kenmerken woning

Inrichting, bewerkelijkheid en omvang van de woning.

Extra inzet voor kenmerken van de woning worden alleen in uitzonderlijke situaties toegekend. Van de inwoner wordt verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door zorg te dragen dat de woning toegankelijk, praktisch ingericht, opgeruimd en onderhouden is. Een voorbeeld hiervan is het beperken van beeldjes, fotolijstjes en andere losse accessoires op plekken die regelmatig gestoft moet worden. In extreme situaties waarin de inrichting een aanzienlijke extra ondersteuning vergt, kan extra (tijdelijk) inzet nodig zijn. Bijvoorbeeld tijdelijk wanneer er sprake is van hoarding, wanneer er ondersteuning is ingezet. Ook kan extra inzet nodig zijn door bouwkundige en externe factoren. Bijvoorbeeld de ouderdom van het huis, de staat van onderhoud, de aard van de wand-of vloerafwerking, de aard van de deuren, schuine wanden, hoogte van de plafonds, tocht en stof, eventuele gangetjes en hoekjes. Een grote woning kan, maar hoeft niet persé meer inzet te vragen. Een extra grote oppervlakte van de in gebruik zijnde ruimtes kan meer tijd vergen om bijvoorbeeld stof te zuigen, maar kan het stofzuigen ook makkelijker maken omdat je makkelijk overal omheen kunt werken.

 

Schoon linnen- en beddengoed en schone kleding

Ondersteuning ten behoeve van dit resultaat wordt geboden als de inwoner een belemmering heeft bij het op orde en schoon houden van het linnen- en/of beddengoed en kleding. De verzorging van de was, zoals bedoeld binnen dit resultaatgebied omvat het machinaal wassen, laten drogen en opvouwen van kleding en linnen- en beddengoed.

Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Er wordt binnen dit resultaatgebied gekeken naar wat de inwoner zelf nog kan en in welke mate het netwerk ondersteuning kan bieden. Daarbij kan gedacht worden aan de vraag of de inwoner met behulp van de mensen om hem of haar heen kan zorgen voor schone en draagbare kleding. Is er bijvoorbeeld een familielid of zijn buren bereid de was wekelijks te doen? Als sprake is van een gezonde huisgenoot valt dit resultaat vrijwel altijd onder de reikwijdte van gebruikelijke zorg en biedt het college geen ondersteuning.

Verwacht mag worden dat de inwoner beschikt over een wasmachine. Als die er niet is, behoort het realiseren van een wasmachine tot de verantwoordelijkheid van de inwoner. Daarnaast wordt van de inwoner verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de aanschaf van een wasdroger. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten.

 

Boodschappen

Van de inwoner wordt in principe verwacht dat hij/zij met op eigen kracht, met behulp van gebruikelijke zorg/ het netwerk, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen de boodschappen doet. Verschillende supermarkten bezorgen boodschappen aan huis. Daarnaast zijn er in Gulpen-Wittem vrijwilligers actief die kunnen ondersteunen met het doen van de boodschappen. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen wordt ondersteuning door het college bezien. Bijvoorbeeld wanneer de inwoner vanwege een medische oorzaak voor de dagelijkse levensbehoeften aangewezen is op een groot aantal verschillende winkels waardoor de bezorgkosten niet door de inwoner te dragen zijn. De taken bestaat uit het een maal per week opstellen van een boodschappenlijst, het doen van de boodschappen en het opruimen van de boodschappen.

Het klaarzetten of bereiden van primaire levensbehoeften

Het uitgangspunt voor het te behalen resultaat is dat indien nodig 1 keer per dag 2 broodmaaltijden worden bereid en 1 keer per dag een warme maaltijd wordt opgewarmd en/of klaargezet. De taken bestaan uit: tafel dekken, eten en drinken eventueel opwarmen en klaarzetten, afruimen, afwassen of vaatwasser inruimen/uitruimen.

Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Kan betrokkene op eigen kracht of met hulp van de mensen om hem heen een maaltijd verzorgen? Is er een huisgenoot aanwezig of een van de buren in staat een maaltijd klaar te zetten of op te warmen? Ook wordt er in het onderzoek gekeken of voorliggende of Algemene voorzieningen zoals kant en klaar maaltijden van de supermarkt, de maaltijd op een (basis)ontmoetingsplek, maaltijdbezorging aan huis etc. oplossingen bieden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering of Wet langdurige zorg. Indien dit er niet of onvoldoende tot de noodzakelijke oplossing leidt, kan ondersteuning door het college worden bezien.

 

Thuis zorgen voor minderjarige kinderen

Het zorgen voor kinderen is een taak van ouder en/of verzorgers. Dat geldt ook voor ouders die door beperkingen niet in staat zijn hun kinderen te verzorgen. Elke ouder is zelf verantwoordelijk voor de opvang en (het organiseren van de noodzakelijke) verzorging van zijn of haar kinderen. Uitgangspunt is hierbij dat bij uitval van een van de ouders de andere ouder deze zorg of zijn aandeel in de zorg daar waar mogelijk overneemt. Op grond van gebruikelijke zorg hoeft het college niet te compenseren. Het college ondersteunt alleen als ouders door acuut ontstane problemen. De ondersteuning is dus per definitie tijdelijk, in afwachting van een definitieve oplossing. Een indicatie wordt afgegeven om ouder(s) of verzorger(s) de mogelijkheid te bieden in een oplossing te voorzien. Van ouders mag worden verwacht dat zij zich tot het uiterste zullen inspannen om die oplossing zo snel mogelijk te vinden. Daarbij dient ook betrokken te worden of de inwoner aanspraak kan maken op ondersteuning via zijn/haar zorgverzekering. Individuele ondersteuning voor structurele opvang van kinderen is niet mogelijk binnen de Wmo. De zorg voor kinderen omvat het wassen, douchen, aankleden, verschonen van luiers en het voeden van baby's. Het passen op kinderen valt niet onder dit resultaat. Tijdens het gesprek met de inwoner worden alle mogelijkheden doorgenomen en besproken. Zijn er algemene, collectieve of overige voorzieningen aanwezig die tot het gewenste resultaat kunnen leiden? Of kan de inwoner op eigen kracht, of met behulp van de mensen om hem heen zorgen voor de kinderen?

De zorg voor kinderen kan bestaan uit de volgende activiteiten: wassen, aankleden, eten geven, structuur bieden, was verzorgen, kamers opruimen, eten maken, tasjes school klaarmaken, meer tijd huishoudelijke taken, brengen naar school/crèche, naar bed brengen, afstemmen met andere hulp/informele zorg, afstemming/sociaal contact.

Regie op gestructureerd huishouden

Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. De hulp heeft signalerende, aansturende en regietaken. De ondersteuning bestaat uit het helpen handhaven, verkrijgen of herkrijgen van structuur in het huishouden. Waaronder het opslaan en beheer van levensmiddelen. Voor de hulp geldt een extra verantwoordelijkheid bij het signaleren (en doorgeven aan de gemeente) van ongewenste situaties of toenemende kwetsbaarheid bij de inwoner. Waaronder het bewaken of het nog verantwoord is dat de inwoner zelfstandig woont. De hulp dient de inwoner zoveel mogelijk te betrekken bij het maken van keuzes. Daarbij dient aangesloten te worden bij de capaciteiten, intellectuele vaardigheden en leervermogen van de inwoner.

 

Overnemen van regie

Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt (bijv. een terminale situatie) of als disfunctioneren dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (eten en drinken) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Bij een deel van deze groep zal geen sprake zijn van ontwikkelvermogen, eerder van afnemende zelfredzaamheid. Regie bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt niet ingezet wanneer de inwoner een Wmo-indicatie voor individuele begeleiding heeft. Dit omdat individuele begeleiding gericht is op de algehele zelfredzaamheid in het dagelijks leven van de inwoner, waar het huishouden onderdeel van uitmaakt.

 

Ondersteunen met advies, instructie en voorlichting

Een andere vorm van regie is het ondersteunen met advies, instructie en voorlichting gericht op het aanleren van praktisch vaardigheden in het huishouden. Bijvoorbeeld als een partner net is weggevallen. Soms is het dan praktisch hiervoor aan de (vaak al vertrouwde) huishoudelijke hulp voor een aantal weken extra tijd toe te kennen. Deze ondersteuning is altijd van korte duur. De taken bestaan uit het aanleren en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis en de wasverzorging. In uitzonderlijke situaties wordt ook ondersteuning ingezet voor het aanleren en samen uitvoeren van activiteiten gericht op boodschappen en maaltijden.

 

Bijlage 2 : Richtlijn begeleiding

 

1 . Inleiding

Deze bijlage bevat de beleidsregels voor de toekenning van de dienstverlening begeleiding. Met het opnemen van deze beleidsregels in het besluit maatschappelijke ondersteuning maakt de gemeente duidelijk wanneer en in welke mate begeleiding aan de orde is. Tevens wordt transparant welke indeling wordt gehanteerd bij de dienstverlening begeleiding individueel en begeleiding groep.

De beleidsregels bieden consulenten handvatten voor het maken van de indeling van de zorgbehoefte van de cliënt in de door gemeenten gehanteerde cliëntprofielen. Belangrijk is te onderstrepen dat in alle gevallen de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt blijft. Ook de in deze richtlijn opgenomen tijdsnormeringen zijn slechts indicatief. De gemeente Gulpen-Wittem maakt gebruik van het protocol van Factum.

 

2. Definiëring begeleiding

Begeleiding omvat activiteiten voor inwoners met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen hebben op het terrein van:

  • de sociale redzaamheid;

  • het bewegen en verplaatsen;

  • het psychisch functioneren;

  • het geheugen en de oriëntatie, of;

  • (matig of zwaar probleem)gedrag.

Begeleiding is gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekt tot voorkoming van opname in een instelling of van verwaarlozing.

De activiteiten bestaan uit:

  • het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen;

  • het ondersteunen bij of oefenen met het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of;

  • het overnemen van toezicht op de cliënt.

3. Begeleiding individueel of begeleiding groep

Met betrekking tot de functie begeleiding wordt er onderscheid gemaakt tussen begeleiding individueel en begeleiding groep.

Of de cliënt is aangewezen op begeleiding individueel of begeleiding in groepsverband, wordt bepaald door de afweging wat zorg inhoudelijk het meest doelmatig is. Begeleiding in groepsverband is voorliggend op begeleiding individueel, als hetzelfde doel wordt beoogd. Wanneer de begeleiding gericht is op het daadwerkelijk bieden van dagstructuur is begeleiding groep de aangewezen vorm van begeleiding. Echter, wanneer de zorgbehoefte gelegen is in het bijvoorbeeld één of meerdere keren per week bieden van hulp bij het doornemen van de dag- of weekstructuur en de zorgbehoefte is niet gelegen in het daadwerkelijk bieden van die dagstructuur, dan is begeleiding individueel de aangewezen vorm om de zorgbehoefte van de cliënt in te vullen. Ook als er medische contra-indicaties zijn voor begeleiding in groepsverband, kunnen de activiteiten in de vorm van begeleiding individueel worden geïndiceerd. Eén dagdeel begeleiding in groepsverband staat in die situatie niet gelijk aan vier uur begeleiding individueel, maar is afhankelijk van het zorgdoel. Het gaat dan met name om personen waarvoor op medische gronden een contra-indicatie geldt voor deelname aan een groep geboden door een instelling, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen.

Op basis van het zorgdoel voor de cliënt kunnen begeleiding individueel en begeleiding in groepsverband gecombineerd zijn aangewezen. Bij de toewijzing wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden.

 

4. Indeling begeleiding individueel

4.1. Algemeen

De dienstverlening begeleiding individueel wordt ingedeeld in cliëntprofielen. Deze indeling wordt gemaakt op basis van drie criteria:

  • Doelperspectief (zie 4.2.)

  • Complexiteit (zie 4.3.)

  • Omvang (zie 4.4.)

4.2. Doelperspectief

Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld naar doelperspectief. Daarbij wordt de volgende indeling gehanteerd.

  • a.

    Ontwikkeling

  • b.

    Behoud

Ad a. Het arrangement is primair gericht op ontwikkeling. Aanbieder richt zich op het bevorderen, aanleren en stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is gericht op het actief herstellen van het regelvermogen van de cliënt, waardoor hij weer zelf regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De mogelijkheid om af te schalen liggen hier zowel in de ontwikkeling van de regievoering van de cliënt, alsmede in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven.

Ad b. Het arrangement is primair gericht op behoud. Aanbieder richt zich op het handhaven en controleren van de zelfredzaamheid van de cliënt en compenseert diens afwezige regelvermogen. Hij biedt praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben. De mogelijk om af te schalen liggen hier met name in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven.

 

4.3. Complexiteit

Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld in twee niveaus op basis van complexiteit. Het onderscheid bepaalt uitsluitend het tarievenniveau met aanbieders maar heeft geen invloed op de aanspraken van de cliënt. De aanbieder is in alle gevallen – ongeacht deze indeling – verantwoordelijk voor het leveren van de ondersteuning die aansluit bij de behoefte van de cliënt.

 

 

Vanaf 1 januari 2017

Individuele begeleiding

Individuele begeleiding hoog

Individuele begeleiding laag

 

4.4. Omvang van begeleiding individueel

De omvang van de functie begeleiding individueel wordt berekend in tijdeenheden(uren, minuten). De omvang wordt vervolgens herleid naar de meest passende intensiteit. Voor de bepaling van de omvang van een individuele aanspraak is de individuele situatie van de cliënt het uitgangspunt. Als referentiekader voor de gevraagde tijdsinvestering per activiteit kan gebruik gemaakt worden van de tijdsnormeringen in de onderstaande tabel. De optelsom van de duur van de betreffende activiteiten resulteert in een indicatieve omvang van de begeleiding in tijd. De omvang van de begeleiding wordt in alle gevallen gemotiveerd.

 

Schema indicatieve tijd en frequentie activiteiten (NOOT) 1

Overzicht van te adviseren activiteiten

Frequentie

Gemiddelde in minuten per keer

Omvang per week in uren

Oefenen

 

60- 180 minuten

1 – 3 uur

Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of

Het ondersteunen bij vaardigheden/handelingen ten behoeve van de zelfredzaamheid

1 x per week

60 - 180 minuten

1 - 3 uur

2 x per week

60 - 180 minuten

2 - 6 uur

3 x per week

30 - 90 minuten

1,5 - 4,5 uur

4 x per week

30 - 90 minuten

2 - 6 uur

5 x per week

15 – 90 minuten

1,25 – 7,5 uur

6 x per week

15 – 90 minuten

1,5 – 9 uur

1 x per dag

15 – 90 minuten

1,75 – 9,9 uur

2 x per dag

15 – 45 minuten

3,5 – 9,9 uur

3 x per dag

15 – 30 minuten

5,25 – 9,9 uur

4 x per dag

15 – 20 minuten

7 – 9,33 uur

1 en/of 2 + oefenen

 

 

2 – 12,9 uur

Het bieden van toezicht

 

 

3,9 uur

1 en/of 2 +3

 

 

4,9 – 12,9 uur

1 en/of 2 +3 + oefenen

 

 

5,9 – 15,9 uur

1 en/of 2 +3 + oefenen + zeer ernstige gedragsproblematiek 2

 

 

6,9 – 19,9 uur

 

Het Wmo arrangement begeleiding individueel wordt onderverdeeld in vijf verschillende intensiteiten:

  • Licht

  • Gemiddeld

  • Bovengemiddeld

  • Intensief

  • Zeer intensief

Iedere intensiteit is gekoppeld aan een referentieomvang in uren/minuten per maand gebaseerd op de ervaringsgegevens van de afgelopen jaren. Omdat de zorgbehoefte van de cliënt fluctueert hebben aanbieders de vrijheid hun inzet per kwartaal te middelen.

Alleen wanneer de cliënt een expliciet beroep doet op zijn aanspraken op basis van zijn indicatie, is aanbieder gehouden de aan de intensiteit gerelateerde referentie-uren daadwerkelijk op maandbasis te leveren.

 

Schematische weergave indeling omvang Wmo begeleiding individueel 2022

Intensiteit

Referentie-inzet

Begeleiding individueel

Uren per week

Uren per maand

Uren per kwartaal

Zeer intensief

13,31

57,69

173,03

Intensief

8,39

36,38

109,07

Bovengemiddeld

4,09

17,76

53,17

Gemiddeld

2,08

9,04

27,04

Licht

1,14

4,97

14,82

 

5. Indeling begeleiding groep

5.1. Algemeen

De dienstverlening begeleiding groep wordt ingedeeld in cliëntprofielen. Deze indeling wordt gemaakt op basis van drie criteria:

  • Doelperspectief (zie 4.2.)

  • Complexiteit (zie 4.3.)

  • Omvang (zie 4.4.)

5.2. Doelperspectief

Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld naar doelperspectief. Daarbij wordt de volgende indeling gehanteerd.

  • a.

    Ontwikkeling

  • b.

    Behoud

Ad a. Het arrangement is primair gericht op ontwikkeling. Aanbieder richt zich op het bevorderen, aanleren en stimuleren van de zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is gericht op het actief herstellen van het regelvermogen van de cliënt, waardoor hij weer zelf regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De mogelijkheid om af te schalen liggen hier zowel in de ontwikkeling van de regievoering van de cliënt, alsmede in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven.

Ad b. Het arrangement is primair gericht op behoud. Aanbieder richt zich op het handhaven en controleren van de zelfredzaamheid van de cliënt en compenseert diens afwezige regelvermogen. Hij biedt praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben. De mogelijk om af te schalen liggen hier met name in het vergroten van (de rol van) het sociaal netwerk, informele- en/of algemeen toegankelijke alternatieven.

 

5.3. C omplexiteit

Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld in drie niveaus op basis van complexiteit. Het onderscheid bepaalt uitsluitend het tarievenniveau met aanbieders maar heeft geen invloed op de aanspraken van de cliënt. De aanbieder is alle gevallen – ongeacht deze indeling – verantwoordelijk voor het leveren van de ondersteuning die aansluit bij de behoefte van de cliënt.

 

 

Vanaf 1 januari 2017

Groepsbegeleiding

 

Groepsbegeleiding hoog

Groepsbegeleiding midden

Groepsbegeleiding laag

 

5.4. Omvang van begeleiding groep

De omvang van de functie begeleiding groep wordt berekend in dagdelen. Een dagdeel staat gelijk aan (maximaal) vier aaneengesloten uren.

De omvang van de indicatie voor begeleiding groep wordt bepaald door de individuele omstandigheden van de cliënt en het doel van de zorg.

Daarbij kan het gaan om:

  • 1.

    het bieden van een dagprogramma met als doel al dan niet aangepaste vormen van arbeid (ook vrijwilligerswerk) of school te vervangen;

  • 2.

    het bieden van activiteiten met als doel een andersoortige vorm van dagstructurering dan arbeid of school (denk aan 65-plussers of mensen zonder arbeidsverleden) en tevens zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden zoveel mogelijk te handhaven en/of gedragsproblematiek te reguleren;

  • 3.

    toezicht in een instelling.

De dagactiviteiten in groepsverband zoals hiervoor vermeld onder 1 en 2 moeten programmatisch/ methodisch zijn, gericht op het structureren van de dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt in een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dagstructurering zoals die in de woon-/verblijf situatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.

Als er sprake is van dagactiviteiten zoals vermeld onder 1 en/of 2 kan er hiernaast aanvullend toezicht in een instelling noodzakelijk zijn. Hiervoor kunnen additionele dagdelen worden geïndiceerd.

De omvang in dagdelen wordt vervolgens herleid naar de meest passende intensiteit.

Het Wmo arrangement begeleiding groep wordt onderverdeeld in vier verschillende intensiteiten:

  • Licht

  • Gemiddeld

  • Intensief

  • Zeer intensief

Iedere intensiteit is gekoppeld aan een referentieomvang in dagdelen per maand gebaseerd op de ervaringsgegevens van de afgelopen jaren. Omdat de zorgbehoefte van de cliënt fluctueert hebben aanbieders de vrijheid hun inzet per kwartaal te middelen.

Alleen wanneer de cliënt een expliciet beroep doet op zijn aanspraken op basis van zijn indicatie, is aanbieder gehouden de aan de intensiteit gerelateerde referentie-dagdelen daadwerkelijk op maandbasis te leveren.

Intensiteit

Referentie-inzet

Begeleiding groep

Dagdelen per week

Dagdelen per maand

Dagdelen per kwartaal

Zeer intensief (was 6-9)

7,5

32,50

97,5

Intensief (was 4-6)

5

21,67

65,01

Gemiddeld (was 2-4)

3

13,00

39

Licht (was 0-2)

1,5

6,50

19,50

 

5.5. Begeleiding groep en vervoer

Binnen de toewijzing voor begeleiding groep is een vervoerscomponent opgenomen. Dit houdt in dat de aanbieder verantwoordelijk is voor de beoordeling in hoeverre en/of op welke dagen vervoer van en naar de dagbesteding in de individuele situatie nodig is. Daarbij zijn eigen kracht en mogelijkheden binnen het sociaal netwerk voorliggend, met dien verstande dat deze niet afdwingbaar zijn. Daar waar vervoer noodzakelijk is, draagt de aanbieder hier zorg voor.

 

5.6. Toeslag rolstoelvervoer

Voor wat betreft rolstoelvervoer wordt een aparte component voorzien. Daarmee wordt aangesloten op de hogere kostenstructuur en het onderscheid zoals dit ook in het verleden werd gemaakt. De gemeentelijke toegang kent deze toeslag toe wanneer cliënt:

  • afhankelijk is van een rolstoel,

  • als gevolg van zijn beperkingen niet in staat is zelfstandig met vervoer te komen en

  • geen mogelijkheden heeft in het sociaal netwerk vervoer te regelen.

6. Doelstelling begeleiding

6.1. Algemeen

De functie begeleiding is gericht op het bevorderen, het behoud of het compenseren van zelfredzaamheid van de cliënt. De begeleiding is bedoeld voor inwoners die zonder deze begeleiding zouden moeten verblijven in een instelling of zouden verwaarlozen.

De cliënt kan zijn aangewezen op begeleiding in de vorm van individuele begeleiding (begeleiding individueel) en/of begeleiding in groepsverband (begeleiding groep).

 

6.2. Het bevorderen, behouden of compenseren van zelfredzaamheid

Bij zelfredzaamheid in relatie tot de functie begeleiding gaat het om de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren. In de eerste plaats kan het gaan om het compenseren en actief herstellen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, waardoor hij onvoldoende of geen regie over het eigen leven kan voeren. Het gaat dan om zaken als het helpen plannen van activiteiten, regelen van dagelijkse zaken, het nemen van besluiten en het structureren van de dag. De grens tussen de persoonsgebonden sociale omgeving en participatie is niet altijd scherp te trekken. Daarom is voor cliënt met matige en zware beperkingen binnen de functie begeleiding ook ondersteuning mogelijk in de vorm van het stimuleren tot en het voorbereiden van gesprekken met instanties op het terrein van wonen, school, werk, enzovoort. Inde tweede plaats kan begeleiding de vorm aannemen van praktische hulp en ondersteuning bij het uitvoeren of het eventueel ondersteunen bij het oefenen van handelingen/vaardigheden die zelfredzaamheid tot doel hebben.

 

7. Toewijzingscriteria begeleiding

7.1. Algemeen

Om in aanmerking te komen voor de functie begeleiding moet zijn vastgesteld dat de cliënt matige tot zware beperkingen heeft op één of meer van de volgende vijf terreinen:

  • sociale redzaamheid;

  • bewegen en verplaatsen;

  • probleemgedrag;

  • psychisch functioneren of;

  • geheugen- en oriëntatiestoornissen.

7.2. Sociale redzaamheid

Bij sociale redzaamheid gaat het om de volgende aspecten:

  • begrijpen wat anderen zeggen;

  • een gesprek voeren;

  • zich begrijpelijk maken;

  • initiëren en uitvoeren eenvoudige taken;

  • kunnen lezen, schrijven en rekenen;

  • communicatiehulpmiddel gebruiken;

  • dagelijkse bezigheden;

  • problemen oplossen en besluiten nemen;

  • dagelijkse routine regelen;

  • zelf geld beheren;

  • initiëren en uitvoeren complexere taken;

  • zelf administratie zaken bijhouden.

Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.

Matige beperkingen houden dan in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf door dat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname.

Zware beperkingen houden dan in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.

 

7.3. Bewegen en verplaatsen

Bij zich bewegen en verplaatsen gaat het om de volgende aspecten:

  • lichaamspositie handhaven;

  • grove hand- en armbewegingen maken;

  • fijne handbewegingen maken;

  • lichtere voorwerpen tillen;

  • gecoördineerde bewegingen maken met benen en voeten;

  • lichaamspositie veranderen;

  • trap op en af gaan zonder hulp(middelen);

  • zich verplaatsen met hulp(middelen);

  • voortbewegen binnenshuis, zonder hulp(middelen);

  • gebruik maken van openbaar vervoer;

  • eigen vervoermiddel gebruiken;

  • voortbewegen buitenshuis zonder hulp(middelen);

  • korte afstanden lopen;

  • zwaardere voorwerpen tillen.

Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voort bewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de cliënt geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De cliënt kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving en zo nodig door de inzet van hulp bij het huishouden en/of voorzieningen uit de Wmo.

Matige beperkingen houden dan in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De cliënt kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de cliënt geworden, maar vanuit eigen middelen of de Wmo zijn hiervoor alternatieven mogelijk.

Zware beperkingen houden dan in dat bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen de cliënt volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de cliënt voor zijn verplaatsing en zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de cliënt de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven.

 

7.4. Gedragsproblemen

Bij gedragsproblemen gaat het om de volgende aspecten:

  • destructief gedrag (gericht op zichzelf en/of de ander, zowel letterlijk als figuurlijk);

  • dwangmatig gedrag;

  • lichamelijk agressief gedrag;

  • manipulatief gedrag;

  • verbaal agressief gedrag;

  • zelfverwondend of zelfbeschadigend gedrag;

  • grensoverschrijdend seksueel gedrag.

Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de cliënt, het gezin en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is.

Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. De omgeving van de cliënt kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van de cliënt voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een (deskundige) professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.

Zware beperkingen houden in dat de cliënt ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico's zijn voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig.

 

7.5. Psychisch functioneren

Bij psychisch functioneren, gaat het om de volgende aspecten:

  • concentratie;

  • geheugen en denken;

  • perceptie van omgeving.

Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de cliënt voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken.

Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de cliënt in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid.

Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk.

 

7.6. Oriëntatiestoornissen

Bij oriëntatiestoornissen gaat het om de volgende aspecten:

  • oriëntatie in persoon;

  • oriëntatie in ruimte;

  • oriëntatie in tijd;

  • oriëntatie naar plaats.

Lichte beperkingen houden dan in dat de cliënt lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de cliënt kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de cliënt kan veel taken op basis van gewoonten zelfstandig uitvoeren.

Matige beperkingen houden dan in dat de cliënt problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de cliënt staat onder druk. De cliënt heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.

Zware beperkingen houden dan in dat de cliënt ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk, ook is het overnemen van taken aan de orde. Als er geen deskundige begeleiding geboden wordt, is opname het enige alternatief.

 

7.7. Indicatiecriteria voor oefenen

In geval van het oefenen moet bovendien zijn vastgesteld:

  • dat de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is;

  • dat het oefenen programmatisch en doelmatig plaatsvindt

  • en/of dat de mantelzorg in de directe omgeving en/of de gebruikelijke zorger van de cliënt gemotiveerd en leerbaar is om te oefenen en trainbaar is.

7.8. Indicatiecriteria voor begeleiding bij kinderen van 0 tot 12 maanden

Bij een kind in de leeftijd van o tot 12 maanden dat als gevolg van een somatische aandoening of beperking aanspraak heeft op Persoonlijke Verzorging of Verpleging in combinatie met het leefklimaat permanent toezicht en bij wie deze zorgbehoefte leidt tot (dreigende) overbelasting van de ouder(s), is er ook aanspraak op de functie begeleiding.

Deze kinderen kunnen ook toegang krijgen tot de functie begeleiding zonder dat is vastgesteld dat er ernstige tot zware beperkingen zijn op een of meer van de vijf terreinen die toegang geven tot de functie begeleiding. De reden hiervoor is dat de beperkingen op grond van de jonge leeftijd nog niet goed zijn vast te stellen ten opzichte van gezonde kinderen van dezelfde leeftijd. Toegang tot de functie begeleiding kan nodig zijn als er bij deze kinderen sprake is van permanent toezicht. Dit permanente toezicht kan leiden tot (dreigende) overbelasting bij de ouders. Wanneer dit het geval is en de functie begeleiding (individueel of in groepsverband), al dan niet in de vorm van respijtzorg, is een doelmatige oplossing om deze (dreigende) overbelasting op te heffen, dan is er op basis van het bovenstaande toegang tot de functie begeleiding.

Bij kleine kinderen in de thuissituatie zijn de zorgverleners veelal de ouders. Het verschil in intensiteit van zorg door de ouders aan een somatisch ziek kind ten opzichte van een gezond kind, kan een dreigende overbelasting objectiveerbaar maken.

Notabene: bij kinderen met andere grondslagen en kinderen ouder dan 12 maanden is het beperkingenbeeld zodanig dat vanwege de stoornissen en beperkingen op basis van de reguliere criteria de toegang tot de functie begeleiding kan worden bepaald.

 

8. Activiteiten begeleiding

Onder de functie begeleiding vallen de volgende activiteiten.

Tabel activiteiten begeleiding

Overzicht activiteiten als onderdeel van begeleiding

Overzicht van handelingen die onderdeel kunnen uitmaken van de activiteit

1

Het ondersteunen bij het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie.

hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en gevolgen daarvan overwegen;

regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek met dit type instanties' (dit betreft in principe niet het meegaan naar/aanwezig zijn bij het gesprek);

hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten;

hulp bij initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning;

dagelijkse routine;

inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten;

hulp bij zich aan regels/afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag.

 

Deze activiteit richt zich vooral op de beperkingen en stoornissen in de zelfredzaamheid, oriëntatiestoornissen, probleemgedrag en psycho- sociale functies.

2

Het ondersteunen bij praktische vaardigheden/ handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid.

hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen;

hulp bij uitvoeren van vaardigheden die geleerd zijn tijdens Zorgverzekeringswet- of GGZ behandeling, zoals sociale vaardigheden;

hulp bij het beheren van (huishoud)geld;

hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen);

hulp bij gebruik van openbaar vervoer (alleen in de zin van oefenen);

hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en regelen, afhandeling praktische zaken;

hulp bij of overnemen van oppakken, aanreiken, verplaatsen van dagelijks noodzakelijke dingen zoals het oppakken van dingen die op de grond zijn gevallen als een leesbril, het aanreiken van dingen die buiten bereik zijn geraakt zoals een kussen, het verplaatsen van een boek, telefoon en dergelijke;

hulp bij plannen en stimuleren van contact in persoonsgebonden sociale omgeving;

hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie.

 

Deze activiteit richt zich vooral op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.

3

Het bieden van toezicht.

toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders;

toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen

bij bijvoorbeeld bij gevaar, of complicaties bij een ziekte.

4

Oefenen met het aanbrengen van structuur, c.q. het voeren van regie en/of het uitvoeren van handelingen die zelfredzaamheid tot doel hebben.

oefenen door de cliënt zelf: oefenen met vaardigheden (al dan niet aangeleerd tijdens behandeling) zoals gebruik geleidestok en gebruik hulpmiddelen voor communicaties stimuleren van wenselijk gedrag, inslijpen van gedrag;

oefenen van de mantelzorger/ gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de cliënt.

 

8.1. Zelfredzaamheid

Zelfredzaamheid (in relatie tot de functie begeleiding) betreft de lichamelijke, cognitieve en psychische mogelijkheden die de cliënt in staat stellen om binnen de persoonlijke levenssfeer te functioneren.

De cliënt:

  • heeft het vermogen om zelfzorghandelingen uit te voeren of de regie te voeren over de zelfzorghandelingen;

  • heeft het vermogen tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

  • heeft het vermogen om zelf in zijn dagstructurering te voorzien;

  • kan zelf besluiten nemen en regie voeren.

Hieronder wordt een logisch verband gelegd tussen de terminologie van de internationale classificatie van het menselijk functioneren en zelfredzaamheid.

De International Classifiction of Functioning (ICF) maakt onderscheid in de volgende gebieden:

  • 1.

    leren en toepassen van kennis;

  • 2.

    algemene taken en eisen;

  • 3.

    communicatie;

  • 4.

    mobiliteit;

  • 5.

    zelfverzorging;

  • 6.

    huishouden;

  • 7.

    tussenmenselijke interacties en relaties;

  • 8.

    belangrijke levensgebieden (opleiding, beroep en werk, economisch leven, waaronder ook vrijwilligerswerk);

  • 9.

    maatschappelijk, sociaal en burgerlijk leven.

Beperkingen op de ICF-gebieden 1t/m 7 komen overeen met beperkingen ten aanzien van zelfredzaamheid. Bij begeleiding gaat het echter om de zelfredzaamheid op de gebieden 1, 2,3,4 en 7. Beperkingen op gebied 5 worden voornamelijk gecompenseerd door de functies Verpleging, Persoonlijke Verzorging en op gebied 6 door huishoudelijke hulp. De beperkingen op de gebieden 8 en 9 zijn beperkingen op het gebied van participatie (integratie in de samenleving) en vallen dus niet (meer) onder begeleiding.

Het betreft situaties waarin het niet mogelijk is de beperkingen te genezen of te verbeteren, en het ook niet mogelijk is de cliënt zo met de gevolgen van die beperkingen om te leren gaan dat hij zelfstandig kan functioneren. In die gevallen gaat het om het overnemen van verloren functionaliteit.

 

8.2. Oefenen

Oefenen is aan de orde in de zin van 'inslijten' van vaardigheden/handelingen en voor het aanbrengen van structuur of het voeren van regie. Deze vaardigheden zijn in een (para)medisch voortraject als onderdeel van behandeling in het kader van de Zorgverzekeringswet al aangeleerd. In deze zin betreft het dus het leren toepassen van al aangeleerde vaardigheden of gedrag.

Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag worden aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben en er geen multidisciplinaire aanpak wordt vereist. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten die vertraagd leren, waarvoor om die reden zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden/activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de cliënt als aan zijn directe omgeving. Er kan geen toewijzing voor 'oefenen' worden gesteld wanneer het oefenen deel uitmaakt van een Zorgverzekeringswet traject en/of tot de gebruikelijke zorg behoort.

 

8.3. Toezicht

Toezicht op de cliënt kan worden overgenomen als deze gericht is op:

  • toezicht op- en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis; thuis of elders en/of;

  • het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig in kan worden gegrepen bijvoorbeeld valgevaar, of

  • complicaties bij een ziekte.

9. Afbakening begeleiding

9.1.Behandeling en begeleiding

Algemeen

Onder behandeling vallen activiteiten die gericht zijn op het verbeteren (tegengaan van verslechtering) van de met de grondslag samenhangende aandoening, stoornis of beperking. Daarbij hoort het verbeteren van algemene competenties en vaardigheden (zoals beheersen van gedrag, verbeteren van fysieke vaardigheden als conditie, bewegingsvermogen, en/of mentale vaardigheden als oriëntatievermogen, concentratievermogen, enzovoort). Het gaat om gerichte professionele interventies, waarvoor expertise op het niveau van een specifiek medicus (specialist ouderengeneeskunde, arts verstandelijk gehandicapten, enzovoort), specifiek paramedicus (bijvoorbeeld ergotherapeut), vaktherapeut (bijvoorbeeld drama/speltherapeut) of gedragswetenschapper (bijvoorbeeld orthopedagoog, gz-psycholoog) noodzakelijk is. De behandeling vindt plaats vanuit een instelling, onder coördinatie van een hoofdbehandelaar, met specifieke (op Zorg gerichte) deskundigheid.

Het begeleiden bij het praktisch uitvoeren van concrete handelingen en gedrag is begeleiding. Dat begeleiden houdt qua activiteiten in:

  • het verder verbeteren van het praktisch handelen/regievoeren en het gedrag door oefening/inslijten en bijsturing/correctie in het dagelijks leven;

  • het onderhouden ervan door herhaling, bijsturing/correctie

  • het overnemen van handelingen en regie en ingrijpen bij gedragsproblemen.

Aanleren en oefenen

Tot behandeling wordt ook de behandeling gerekend die gericht is op het aanleren van nieuwe vaardigheden of gedrag (tot 2009 was dit tot de functie Activerende begeleiding), als dit tenminste een specifieke en programmatische aanpak vereist waarvoor een behandelaar nodig is. Het betreft een complex probleem dat een specifieke benadering vraagt om bepaalde, niet op zichzelf staande vaardigheden te kunnen aanleren. Bijvoorbeeld een minderjarige cliënt met zowel een verstandelijke als een lichamelijke handicap moet vaardigheden aanleren om te kunnen doorstromen naar (speciaal) onderwijs. De concentratie en taakgerichtheid moeten verbeterd worden. Om de communicatie te verbeteren wordt, naast gesproken taal, geleerd om gebruik te maken van gebaren en pictogrammen. Hierdoor leert cliënt tevens een dagstructuur te volgen en herkent het begin en het einde van de taak. Naast de aandacht voor de cognitieve en communicatieve vaardigheden wordt de motoriek verbeterd en/of gezocht naar hulpmiddelen om de beperkingen te compenseren. Bij het aanleren van deze vaardigheden/activiteiten zijn meerdere disciplines betrokken, zoals pedagogisch medewerkers, een logopedist, een fysiotherapeut, een ergotherapeut en een gedragsdeskundige. Het behandelprogramma is ingebed in het hele zorgprogramma, alle betrokkenen hanteren dezelfde therapeutische aanpak. De gedragsdeskundige coördineert als hoofdbehandelaar de behandeling en is verantwoordelijk voor het evalueren en bijstellen van het behandelplan.

Naast de training behoort ook de herhaling tijdens de behandelperiode tot het aanleren.

Het door oefenen recent aangeleerde vaardigheden inslijten of bestaande vaardigheden in een andere situatie kunnen gebruiken, wordt niet gerekend tot de functie behandeling, maar tot de functie begeleiding. In geval van begeleiding heeft de behandelaar zich kunnen terugtrekken en kan de zorg na enige instructie worden overgenomen door een persoon, niet zijnde een behandelaar.

Oefenen in de zin van begeleiding kan ook aan de orde zijn wanneer de beperkingen als een gegeven worden beschouwd en er op basis van deze beperkingen op zichzelf staande praktische vaardigheden en gedrag wordt aangeleerd die de zelfredzaamheid ten doel hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om cliënten die handelingen niet kunnen generaliseren of om cliënten met een vertraagde leerbaarheid, waarvoor de zorg vanuit de eerste lijn geen oplossing biedt. Dit leren van praktische vaardigheden/activiteiten en gedrag kan zowel ten goede komen aan de cliënt als aan zijn directe omgeving. Denk hierbij aan het leren lopen met een taststok aan een visueel gehandicapte en/of het zich binnen en rondom de woning kunnen oriënteren. De directe omgeving krijgt adviezen over de inrichting van de woonomgeving en de achtergrond hiervan. Ook kan worden gedacht aan het leren koken, wassen van kleding en dergelijke aan een verstandelijk gehandiepte, bijvoorbeeld bij het zelfstandig gaan wonen. Een ander voorbeeld is een cliënt met een psychiatrische aandoening die tijdens de behandeling geleerd heeft om stapsgewijs een maaltijd te bereiden, maar omdat producten in de winkel veranderd zijn, is er begeleiding nodig in de vorm van oefenen om een andere bereidingswijze aan te leren en toe te passen.

Notabene: tot de te verzekeren prestatie hulpmiddenzorg in de Zorgverzekeringswet hoort ook een basale uitleg en training om met het hulpmiddel om te kunnen gaan. Als intensieve en langdurige training nodig is, kan begeleiding aan de orde zijn.

 

Begeleiding en behandeling naast elkaar

Begeleiding individueel en behandeling

Individuele begeleiding en behandeling - gericht op dezelfde vaardigheid - kunnen naast elkaar bestaan als een vaardigheid eerst nog moet worden overgenomen (BG) totdat deze is aangeleerd (BH).

Herhaling van aan te leren vaardigheden of gedrag behoort tijdens de behandelperiode tot behandeling. Om deze reden kunnen individuele begeleiding en behandeling - in de zin van het aan leren/oefenen -in principe niet naast elkaar bestaan wanneer het aanleren (BH) en het oefenen (BG) gericht zijn op dezelfde (gedrags)vaardigheid. Eerst wordt een (gedrags)vaardigheid aangeleerd (BH) en vervolgens kan deze vaardigheid worden geoefend (BG). Oefenen kan naast aanleren worden geïndiceerd wanneer de, via de behandeling aan te leren, vaardigheid/ gedrag zich in het stadium bevindt dat deze vaardigheid/gedrag in de thuissituatie kan worden toegepast en voor zover het geen gebruikelijke zorg betreft. Dit kan wanneer wordt verwacht dat het oefenen naast de behandeling en het overnemen van de activiteit via de begeleiding individueel bijdraagt aan een snellere zelfstandigheid op de activiteit.

Begeleiding groep met behandeling of behandeling groep

Als een cliënt is aangewezen op een dagprogramma en tijdens dit dagprogramma is behandeling noodzakelijk in de vorm van 'behandeling gericht op herstel en/of het aanleren van vaardigheden of gedrag' wordt behandeling groep geïndiceerd en geen BG groep met behandeling.

Ook als er sprake is van een noodzaak voor groepsgewijze nadere functionele diagnostiek (bijvoorbeeld zogenaamde observatiegroepen) gaat het om behandeling groep.

Als er naast het dagprogramma (in de vorm van begeleiding groep of behandeling groep) een noodzaak is voor individuele behandeling in de zin van 'aanvullende functionele diagnostiek' kan naast de BG groep of BH groep aanvullend BH individueel worden geïndiceerd. Dit voor zover deze behandeling al geen deel uitmaakt van behandeling groep.

Behandeling in de vorm van 'consultatie' of 'medebehandeling' kan naast begeleiding groep worden geïndiceerd.

 

9.2. Hulp bij het Huishouden en begeleiding

Bij Hulp bij het Huishouden gaat het om het overnemen van huishoudelijke taken al dan niet in combinatie met het overnemen van de organisatie van deze taken. Wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken wel zelf kan uitvoeren maar iemand anders moet toezien/stimuleren en de hulpverlener moet tijdens het uitvoeren van deze huishoudelijke taken aanwezig zijn, dan behoort deze ondersteuning tot de dienstverlening huishoudelijke hulp Dit ook wanneer de cliënt deze huishoudelijke taken soms wel of soms niet zelf kan uitvoeren. Als de hulp bij de regie/structuur van het huishouden zich richt op het plannen, stimuleren en voorbespreken van deze huishoudelijke taken, waarna de cliënt die taken zelf uitvoert, dan kan deze hulp een aanspraak zijn op begeleiding. De cliënt heeft op basis van een grondslag/ aandoening beperkingen bij de sociale redzaamheid en/of het psychisch functioneren.

 

9.3. Bemoeizorg en begeleiding

Zorgmijding betekent dat de zorg die nodig is om verwaarlozing te voorkomen niet gezocht of geaccepteerd wordt; deze wordt geweigerd. Bemoeizorg is een onderdeel van de (0)GGZ in het kader van de Wmo/GGZ. Het bestaat onder meer uit het bereiken van zorgmijders, het contact leggen met deze doelgroep, zorgcoördinatie en praktische ondersteuning.

Op het moment dat er bereidheid is om zorg te accepteren bijvoorbeeld in de thuissituatie of in een voorziening van Maatschappelijke Opvang, is er geen sprake meer van zorgmijding. De cliënt kan aanspraak maken op begeleiding als hij hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding.

 

9.4. Begeleiding en de Zorgverzekeringswet

Zorg die medisch specialisten bieden, behoort tot de geneeskundige zorg die in het kader van de Zorgverzekeringswet is verzekerd. De zorg is gericht op behandeling van een stoornis en heeft als doel herstel of voorkomen van verergering van deze stoornis. De behandeling is niet beperkt tot de medische interventies, maar omvat -afhankelijk van de aard van de ingreep -in de Zorgverzekeringswet ook de nodige begeleiding (RZA 2006, 187; RZA 2008, 58). Het kan hier gaan om individuele begeleiding, maar ook om dagbesteding vanwege de psychiatrische behandeling. Deze begeleidingsactiviteiten zijn een onlosmakelijk onderdeel van de behandeling en hebben een geneeskundig doel.

Notabene: als er sprake is van ambulante Zorgverzekeringswet-behandeling dan is het van belang om te onderzoeken of deze behandeling de totale zorgbehoefte van de cliënt op het gebied van de zelfredzaamheid compenseert. Als dat niet het geval is, kan er aanspraak zijn op de functie begeleiding.

 

10. Behandelmijding en verwaarlozing

Behandelmijding betekent dat de psychiatrische behandeling die nodig is vanwege de aandoening niet gezocht of geaccepteerd wordt; de cure wordt geweigerd. Vaak ligt de oorzaak hiervan in een gestoorde oordeelsvorming, het ontbreken van ziektebesef en/of ziekte-inzicht.

Soms kan bij een cliënt door behandelmijding verwaarlozing optreden, doordat de cliënt onvoldoende voor zichzelf zorgt en er daardoor risico is op ziekte, ondervoeding en/of vervuiling. Veelal ontbreken de structuur en regie in het dagelijks leven. De verwaarlozing kan niet door een eigen netwerk of een voorliggende voorziening worden gecompenseerd.

Indien de cliënt behandelmijder is en er risico is op verwaarlozing, kan er aanspraak zijn op begeleiding als de cliënt hierop is aangewezen op basis van een (vermoeden van een) grondslag in combinatie met matige tot zware beperkingen op de vijf terreinen die toegang geven tot begeleiding. Ondanks dat er behandeling mogelijk is als voorliggende voorziening, kan er in deze situatie voor de periode van een jaar minimale zorg inzet worden geïndiceerd ter voorkoming van verwaarlozing. Hiermee wordt de cliënt geprikkeld om zich (toch)te laten behandelen.

 

Bijlage 3 : Normen woningaanpassingen

rubriek

voorziening

afschrijftermijn

 

per

1.

Toegang

01.03

verbreden buitendeur

20 jaar

 

stuk

01.04.01

verbreden binnendeur nastelkozijn

20 jaar

 

stuk

01.04.02

verbreden binnendeur inmetselkozijn

20 jaar

 

stuk

01.07.01

verhogen toegangspad

20 jaar

 

m2

01.07.02

verhogen + verbreden toegangspad

20 jaar

 

m2

01.08.01

hellingbaan buiten staal recht

15 jaar

 

m2

01.08.02

hellingbaan buiten staal met bordes

15 jaar

 

m2

01.09

vlonder nabij toegangsdeur

7 jaar

 

stuk

01.11

vlonder balkon

15 jaar

 

m2

2.

Sanitair

02.01.01

douchevloer op afschot (anti-slip norm R11)

20 jaar

 

m2

02.01.01a

Slidex tot 5 m2

6 jaar

 

m2

02.01.01b

Slidex tot 10 m2

6 jaar

 

m2

02.02

vervangen wandtegels

20 jaar

 

m2

02.04.01

toiletbeugel opklapbaar 600 mm.

8 jaar

 

stuk

02.04.02

toiletbeugel opklapbaar 830 mm.

8 jaar

 

stuk

02.04.03

toiletbeugel opklapbaar 830 mm.

8 jaar

 

stuk

 

+ toiletrolhouder

 

 

 

02.05.01

beugel opklapbaar met statief 600 mm.

8 jaar

 

stuk

02.05.02

beugel opklapbaar met statief 830 mm.

8 jaar

 

stuk

02.05.03

beugel opklapbaar met statief 830 mm.

8 jaar

 

stuk

 

+ toiletrolhouder

 

 

 

02.13

rolstoelspiegel bij wastafel

10 jaar

 

stuk

02.14

stoma-wastafel

10 jaar

 

stuk

02.15

wastafel onderrijdbaar

10 jaar

 

stuk

 

Renovatie badkamer (o.a. vervangen bad of hoge douchebak door seniorendouchebak of douche op afschot

20 jaar

 

 

02.20

demonteren fonteintje

nvt

 

stuk

3.

Keuken

 

 

 

03.01.01

keuken onderrijdbaar

10 jaar

 

stuk

03.01.02

hoekkeuken onderrijdbaar

10 jaar

 

stuk

03.02.01

keuken onderrijdbaar en verstelbaar

10 jaar

 

stuk

03.03

aanpassen keuken t.b.v. onderrijdbaarheid

10 jaar

 

stuk

 

(met losse onderkasten)

 

 

 

03.04

aanpassen keuken t.b.v. onderrijdbaarheid

10 jaar

 

stuk

 

(met onderblok)

 

 

 

03.06

verplaatsen keukenkast

10 jaar

 

stuk

4.

Verticaal probleem

 

 

 

04.01.11

smetplank verwijderen

10 jaar

 

m1

04.01.12

wand op verdieping verplaatsen

15 jaar

 

m2

04.02

aanbrengen extra trapleuning

10 jaar

 

m1

rubriek

voorziening

afschrijftermijn

bedrag incl. btw (all in)

per

5.

Deuropenersystemen

05.01

deurautomaat op buitendeur

10 jaar

 

stuk

05.03

deurautomaat voor grote belasting

10 jaar

 

stuk

05.04

binnendeurautomaat

10 jaar

 

stuk

05.05

schuifdeur met automaat

10 jaar

 

stuk

05.07

elektrische voordeurontgrendeling

10 jaar

 

stuk

05.08

garagedeuropener

10 jaar

 

stuk

05.09

plaatsen schuifdeur met langehandel

10 jaar

 

stuk

6.

Diversen

06.01

aanleg wandcontactdoos binnen

15 jaar

 

stuk

06.02

aanleg wandcontactdoos buiten 10 m.

15 jaar

 

stuk

 

Trapspilbeugel

 

 

stuk

 

L-vormige beugel

 

 

stuk

06.08

scootersafe

15 jaar

 

stuk

 

Scootmobiel

7 jaar

 

Rolstoel

7 jaar

 

soort vertrek

aanbouw

uitbreiding van een reeds aanwezig vertrek

woonkamer

maximaal 30 m2

maximaal 6 m2

keuken

maximaal 10 m2

maximaal 4 m2

éénpersoons slaapkamer

maximaal 10 m2

maximaal 4 m2

tweepersoons slaapkamer

maximaal 18 m2

maximaal 4 m2

toiletruimte

maximaal 2 m2

maximaal 1 m2

badkamer - wastafelruimte

maximaal 2 m2

maximaal 1 m2

badkamer - doucheruimte

maximaal 3 m2

maximaal 2 m2

entree / hal / gang

maximaal 5 m2

maximaal 2 m2

berging

maximaal 6 m2

maximaal 4 m2

 

Maximale vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie als gevolg van artikel 24 van dit Besluit:

 

 

Keuringen

Onderhoud

Soorten liften

Frequentie keuring

 

Frequentie onderhoud

 

Stoellift

1x per 4 jaar

 

1x per jaar

 

Rolstoel-plateaulift

1x per 4 jaar

 

1x per jaar

 

Woonhuisliften

1 x per 1,5 jaar

 

2x per jaar

 

Hefplateaulift

1x per 1,5 jaar

 

2x per jaar

 

Balanslift

1x per 1,5 jaar

 

1x per jaar

 

 

Alleen de werkelijk gemaakte kosten van keuring, onderhoud (met een maximum van de in de tabel genoemde bedragen) en reparatie (niet gebonden aan een maximum) aan de hieronder genoemde onderdelen komen in aanmerking voor een financiële tegemoetkoming.

Maximale toeslagen;

  • 50% voor installaties geplaatst buiten de woning;

  • 50% voor installaties die meer dan 1 verdieping overbruggen;

  • 50% voor installaties, uitgevoerd met elektrisch aangedreven plateaus en/of afrijdbeveiliging resp. elektrisch wegklapbare raildelen.

Reparatie

De werkelijke kosten van reparatie komen voor vergoeding in aanmerking, mits gedeclareerd binnen één jaar na betaling.

De maximale vergoeding voor kosten van onderhoud, keuring en reparatie van liften is met de aanbesteding van de trapliften per 1-10-2010 feitelijk overbodig geworden: het onderhoud en de reparaties zijn namelijk onderdeel geworden van een totaalprijs. Deze bijlage wordt aangehouden voor het nog uitstaande bestand trapliften van vóór de aanbesteding (afbouwregeling). Bovengenoemde bedragen worden om deze reden niet meer geïndexeerd.

 

 

bedrag incl. btw

per

vloerbedekking vinyl

€ 45,00

 

jaloezieën

€ 17,00

 

 

(bron: NIBUD)

 

Bijlage 4 : Richtlijn normering collectief vervoer

 

Algemeen

In de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) wordt onder andere geregeld dat mensen met een beperking ondersteuning bij hun verplaatsingsbehoefte kunnen krijgen. Het kan gaan om ouderen, gehandicapten of mensen met psychi(atri)sche problemen.

In het zogenaamde keukentafelgesprek kijk je samen met de klant naar wat de ondersteuningsvraag precies is. Vervolgens beoordeel je, samen met de klant;

  • 1.

    Wat de klant zelf kan doen om de vraag op te lossen;

  • 2.

    Wat familieleden, buren of andere mensen voor de klant kunnen doen om hier een bijdrage aan te leveren;

  • 3.

    Of er een wettelijke of voorliggende voorziening is waarmee het ervaren probleem kan worden opgelost;

  • 4.

    En tot slot, als voorstaande onvoldoende kan bijdragen aan de oplossing van het probleem, of in het kader van de Wmo een voorziening kan worden aangeboden die de beperking wel kan oplossen.

De kernvraag is eigenlijk: hoe zou de zorgaanvrager willen dat zijn dagelijkse leven er uitziet, ondanks de mobiliteitsbeperkingen?

In dit afwegingskader wordt zoveel als mogelijk gekeken naar het benutten en versterken van de eigen mogelijkheden van mensen. Het heeft bijvoorbeeld de voorkeur dat iemand leert om gebruik te maken van het OV dan dat een aparte individuele voorziening voor de vervoersbehoefte van deze persoon wordt verstrekt. Het gebruik van reguliere vervoersmiddelen draagt sterker bij aan de zelfredzaamheid, mobiliteitsvrijheid en maatschappelijke participatie van cliënten dan geïndiceerde voorzieningen.

Echter wanneer in het keukentafel gesprek geconcludeerd is dat de klant zelf en zijn naaste omgeving onvoldoende mogelijkheden hebben om het door de klant ervaren probleem op te lossen, moet worden beoordeeld of een voorziening in het kader van de Wmo de oplossing kan zijn.

 

Vervoersvoorzieningen

Vervoersvoorzieningen maken het mensen met een beperking mogelijk om zich lokaal te verplaatsen. Als zij het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van dat openbaar, kunnen zij in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening voor het dagelijkse sociale vervoer. Hierbij wordt uitgegaan van de goedkoopst compenserende voorziening.

Onderstaand een uitwerking van de algemene en collectieve vervoersvoorziening.

 

Ad 1 Afwegingskader algemene vervoersvoorziening

 

 

1.

Is er een reële alledaagse behoefte aan vervoer?

nee

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening.

ja

 

 

 

 

2.

Zijn er lichamelijke / verstandelijke beperkingen waardoor de cliënt geen of niet altijd gebruik kan maken van het openbaar vervoer?

nee

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening.

 

3.

Is dit op te lossen (te compenseren) met een vervoersvoorziening? Zie opmerkingen!

nee

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening

ja

 

 

 

 

4.

Is de cliënt geholpen met een algemeen gebruikelijk middel, zoals een fiets, een brommer of fiets met hulpmotor?

ja

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening.

nee

 

 

 

 

5.

Is de vervoersvoorziening noodzakelijk om te kunnen blijven deelnemen aan het maatschappelijk verkeer?

nee

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening.

ja

 

 

 

 

6.

Is het verstrekken van de vervoersvoorziening verkeersveilig te noemen?

nee

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening. Bekeken moet worden in hoeverre een andere voorziening een oplossing biedt (een zogenoemde second best solution).

ja

 

Is er een andere (second best)

voorziening die een oplossing zou bieden?

 

 

Er is een indicatie voor een(tijdelijke) vervoersvoorziening (of vervangende, second best, voorziening)

ja

nee

 

 

 

Er is geen indicatie voor een maatwerkvoorziening.

 

Opmerkingen ten aanzien van afwegingskader algemene vervoers- voorziening

Het hebben van een lichamelijke of verstandelijke beperking betekent niet automatisch dat men geen gebruik kan maken van het OV. De provincie en gemeenten hebben de afgelopen jaren veel geld geïnvesteerd in het toegankelijk maken van het OV, ook voor mensen met een beperking. Gebruik van trein of bus is praktisch mogelijk zonder obstakels. Het OV is ook met rollator of zelfs rolstoel te gebruiken. Wijs de klant op ondersteunende informatie rond het (openbaar)vervoer.

Uit onderzoek is gebleken dat 25% tot 40% van de klanten met een Wmo indicatie collectief vervoer gebruik kunnen maken van het OV.

 

Ad 2 Afwegingskader collectieve maatwerk vervoersvoorziening

Als een vervoersvoorziening is geïndiceerd geldt in principe het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, i.c. Omnibuzz, als voorliggende en compenserende voorziening. Hierbij moet wel rekening gehouden worden met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. De Centrale Raad van Beroep heeft inmiddels bepaald dat collectief vervoer een individuele voorziening is, waarvoor in principe het verplichte alternatief van een persoonsgebonden budget bestaat. Daar mag in individuele gevallen vanaf worden geweken als duidelijk is dat het collectief vervoer ook in de situatie van betrokkene leidt tot een adequate compensatie. Ook aantoonbare efficiencyoverwegingen mogen een rol spelen. De afweging of daar sprake van is zal altijd gemaakt moeten worden.

Het is daarom noodzakelijk dat altijd een individuele afweging gemaakt wordt. Hierbij moet met onderstaande punten rekening gehouden worden. Zie bijlage.

 

Bepalen vervoersbehoefte

Het onderzoek naar de vervoersbehoefte, is een belangrijk onderdeel bij het beoordelen welke vervoersvoorziening de beperkingen compenseert.

Hierbij gaat de indicatiesteller na hoe de vervoersmogelijkheden van het collectief vervoer zich verhouden tot de kenmerken van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn

vervoersbehoeften. Bij het onderzoek naar het verplaatsingspatroon van de aanvrager worden de volgende aspecten meegenomen:

  • Wat zijn de redenen voor de verplaatsingen (verplaatsingsmotief)?

  • Waar gaat de aanvrager naartoe, ofwel wat is zijn verplaatsingsbestemming?

  • Het gaat hierbij om zowel de korte (minder dan 100 meter) als om langere afstanden.

  • Wat is de frequentie van de verplaatsingen?

  • Hoe verplaatst de aanvrager zich (auto, fiets e.d.)?

Hierbij moet de vraag worden gesteld of deze verplaatsingen voor betrokken klant relevant zijn om deel te (blijven) nemen aan het maatschappelijk leven en de wezenlijke sociale contacten te onderhouden.

Uitgangspunt hierbij is dat wat mensen normaal gesproken van dag tot dag doen wanneer zij zich buitenshuis zelfstandig verplaatsen. Aangenomen wordt dat de gemiddelde Nederlander zich vier à vijf keer per dag verplaatsen, waarbij heen en terug als een aparte verplaatsen gerekend wordt. Samengevat wordt onder een reële vervoersbehoefte verplaatsingen gezien m.b.t. onderhouden sociale contacten, boodschappen doen en recreatieve doeleinden.

De gemeente heeft voor de vervoersbehoefte buiten de regio, ongeveer 25 km, geen compensatieplicht. In deze behoefte kan worden voorzien middels het vervoersysteem Valys (onder verantwoordelijkheid van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport).

Vervoersbehoefte ten behoeve van werk, school of behandeling op grond van WLZ, behoren niet tot de Wmo compensatieplicht.

De Centrale Raad van Beroep heeft daarnaast ook bepaald dat een vervoerbehoefte in verband met vrijwilligerswerk geen aanleiding is voor het verstrekken van een vervoersvoorziening. De Centrale Raad gaat er van uit dat vervoerskosten betaald kunnen worden door de organisatie waarvoor het vrijwilligerswerk verricht wordt.

Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang, dagverzorging of behandeling van bepaalde ziektes (zie onder Zittend Ziekenvervoer) valt in principe evenmin onder de Wmo compensatieplicht. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen normaliter van dag tot dag plegen te ondernemen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat enkele gemeenten, bijvoorbeeld Venlo, een aparte indicatie afgeven voor het bezoeken van de dagverzorging.

Het vervoer in verband met onderwijs valt ook niet onder de compensatieplicht van de Wmo. Er zijn hierbij voorliggende voorzieningen, zoals het leerlingenvervoer op grond van de onderwijswetgeving.

 

Zittend ziekenvervoer

In sommige gevallen vergoedt de zorgverzekeraar uit de Zorgverzekeringswet (Zvw) het vervoer naar en van een ziekenhuis, zorgverlener of instelling. Dat hangt onder meer af van de ziekte die iemand heeft. Het vervoer kan per ambulance plaatsvinden of met (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer (zittend ziekenvervoer). Als begeleiding nodig is, kan de zorgverzekeraar de kosten van vervoer van een begeleider ook vergoeden. Bij zittend ziekenvervoer geldt een eigen bijdrage per kalenderjaar en bij alle vervoer is het eigen risico van toepassing. De zorgverzekeraar vergoedt alleen kosten voor het gebruik van de (eigen) auto, taxi of openbaar vervoer als een verzekerde:

  • Nierdialyses moet ondergaan in een instelling.

  • Behandelingen bij kanker met chemotherapie, immuuntherapie of radiotherapie moet ondergaan.

  • Zich uitsluitend per rolstoel kan verplaatsen,

  • Een zeer beperkt gezichtsvermogen (slechtziendheid) heeft, dat verplaatsing zonder begeleiding niet mogelijk is.

  • Jonger dan 18 jaar is, en gebruik maakt van verzorging vanwege complexe somatische (lichamelijke) problematiek, of een lichamelijke handicap heeft.

Hardheidclausule

Vergoeding van ziekenvervoer is beperkt tot een aantal gevallen (zie hierboven). Wanneer verzekerden niet tot de genoemde categorieën behoren, kunnen zij soms toch in aanmerking komen voor vergoeding van vervoerskosten. Dat is het geval als iemand voor de behandeling van een langdurige ziekte of aandoening voor langere tijd vervoer nodig heeft. Deze mogelijkheid staat ook bekend als de 'hardheidsclausule'.

Een verzekerde die recht heeft op een vergoeding van de reiskosten, kan ook een vergoeding voor de reiskosten van zijn begeleider krijgen, als begeleiding noodzakelijk is.

 

Kosten

Voor het zittend ziekenvervoer betaalt de verzekerde een eigen bijdrage per kalenderjaar. In 2023 bedraagt de eigen bijdrage € 113. Het verplicht eigen risico geldt voor vervoer dat wordt vergoed uit de Zvw.

De aanspraak op vervoer staat beschreven in de volgende wetsartikelen:

  • artikel 2.13 van het Besluit zorgverzekering

  • artikel 2.14 van het Besluit zorgverzekering

  • artikel 2.15 van het Besluit zorgverzekering

  • artikel 2.37 van de Regeling zorgverzekering

Bepalen van de voorziening

De uitdrukking ‘het openbaar vervoer niet kunnen bereiken of geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer’ wordt door de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geoperationaliseerd middels het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 800 meter”. Kan men geen 800 meter zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo (binnen 20 minuten), afleggen dan wordt men verondersteld het openbaar vervoer niet te kunnen bereiken. Kan men dat wel, maar is het onmogelijk in het openbaar vervoer te komen, dan ook komt men voor vervoersvoorzieningen in aanmerking. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere individuele voorziening dient tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Als daar aanleiding voor is, kan dit aantal worden verhoogd.

Uitspraken van de CRvB geven deze ondergrens van 1500-2000 km aan bij het inzetten van collectief vraagafhankelijk vervoer of een andere individuele voorziening om eenzelfde resultaat te bereiken. Bij dit aantal kilometers kan het gebruik van een andere, verstrekte, voorziening zoals een scootmobiel, meegenomen worden hetgeen invloed kan hebben op het aantal kilometers.

Bij personen met een loopafstand van minder dan 100 meter moet beoordeeld worden of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand.

Ingevolge jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is het criterium voor een vervoersvoorziening voor een korte afstand geoperationaliseerd met het loopafstandscriterium “maximale loopafstand 100 meter’’. Kan men geen 100 meter al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, afleggen dan wordt men verondersteld ook een voorziening op de korte afstand, in de woonomgeving, nodig te hebben.

Jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geeft aan dat voor mensen met een loopafstand tot 100 meter een vervoersvoorziening voor de korte afstand dwingend is. Bij een loopafstand tussen de 100 en 800 meter is dit een mogelijkheid als dit noodzakelijk is voor het oplossen van de ervaren belemmeringen van de betrokkene.

Aan de hand van de vervoersbehoefte moet beoordeeld worden of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met Omnbibuzz. Hierbij wordt rekening gehouden met de persoonskenmerken en behoeften van de klant.

 

Afwegingskader Omnibuzz

  • 1.

    Is het verplaatsingspatroon noodzakelijk om deel te (blijven) nemen aan het leven van alle dag

  • 2.

    Is de maximale loopafstand van de klant minder dan 800 meter (af te leggen binnen 20 minuten)

  • 3.

    Behoren de verplaatsingen tot de compensatieplicht van de gemeenten

  • 4.

    Kan Omnibuzz voorzien in een volledige compensatie van de noodzakelijke vervoersbehoefte. Als deze vragen met ja beantwoord kunnen worden kan een vervoersindicatie “Omnibuzz” worden verstrekt. Als vraag 4 met nee moet worden beantwoord kan de vervolgvraag 5 worden gesteld

  • 5.

    Kan de compensatie volledig gemaakt worden door één van de opties:

    • 1)

      Taxi

      De cliënt is fysiek niet in staat om plaats te nemen in een busje. Denk hierbij aan mensen, die niet (met hulp van de chauffeur) de treden van het busje kunnen nemen. Het is noodzakelijk een personenauto in te zetten. Toeslag: 10%

    • 2)

      Bus

      De cliënt is fysiek niet in staat om plaats te nemen in een personenauto. Denk hierbij aan bijvoorbeeld aan zeer corpulente personen of mensen die de knieën niet kunnen buigen. Er moet een busje worden ingezet.

      Let op: bij reizen met hulpmiddelen, zoals een scootmobiel of rolstoel, komt voor de uitvoering automatisch altijd een bus, anders kan de rit niet uitgevoerd worden. Hiervoor is de indicatie ‘Bus’ NIET noodzakelijk Toeslag: 10%

    • 3)

      Voorin

      De cliënt moet altijd voorin kunnen zitten. Maak hierbij de overweging tussen wens en noodzaak. Toeslag: 10%

    • 4)

      Direct (rechtstreeks vervoer)

      De cliënt moet zo snel mogelijk naar zijn bestemming. Er mag gecombineerd worden, maar hij/zij wordt altijd als eerste naar de bestemming gebracht. (Denk hierbij aan beperkingen door incontinentie, zuurstof, wagenziekte etc). Toeslag: 10%

    • 5)

      Individueel

      De cliënt mag niet gecombineerd worden met andere passagiers. Denk hierbij aan een gedragsstoornis, bijvoorbeeld autisme.

      Maak de overweging of direct vervoer en/of voorin geen alternatief is! Toeslag: 25%

    • 6)

      Kamer/Kamer

      De cliënt moet worden opgehaald en afgezet in de woning/wooneenheid. De chauffeur dient de klant te ondersteunen bij het begeleiden naar de kamer. Toeslag: 25%

    • 7)

      Verplicht reizen met begeleider

      Reiziger mag uitsluitend met begeleider reizen. Kan op medisch advies, of op basis van beperking zelfregie/extra zorg. Toeslag: geen

    • 8)

      Indicatie Extra Zorg (vanaf 1-1-2020)

      Bijvoorbeeld als gevolg van alzheimer/dementie, cognitieve of angststoornissen, gedragsproblemen, reiziger kan niet praten. De indicatie bevat o.a.:

      • i.

        Indien gewenst, speciale afspraken bij de ritreservering;

      • ii.

        Reist verplicht op rekening, geen contante betaling;

      • iii.

        Reizen zonder pas is toegestaan;

      • iv.

        Wachttijd van 2 minuten naar maximaal 5 minuten;

      • v.

        Chauffeur wijkt nooit af van geboekte bestemming. Toeslag: 10%

    • 9)

      Indicatie Persoonlijke Overdracht (vanaf 1-1-2020)

      Toelichting: bij bestemming altijd aanbellen en wachten totdat iemand de klant overneemt. Als niemand aanwezig is, mag de chauffeur niet vertrekken of moet de klant weer meenemen. Dit legt dus ook een deel van verantwoordelijkheid bij de klant, er zal iemand aanwezig moeten zijn om de rit conform indicatie uit te kunnen voeren. Toeslag: 20% (inclusief indicatie Extra Zorg)

      Zo nodig kan dus de indicatie “Omnibuzz” worden aangevuld met één of meer van bovenstaande opties. Hou er wel rekening mee dat deze voor de gemeenten kostenverhogend zijn. Ken die optie(s) dus alleen maar toe als deze ook echt noodzakelijk is/zijn. De gemeente betaalt per zone € 4,21 (tarief 2019, incl. BTW) minus de eigen bijdrage van de klant.

      Let op dat bij het toekennen van opties, deze elkaar niet overlappen. Bijvoorbeeld de combinatie van optie 5 met optie 4 of 3. Hou er rekening mee dat de toeslagen van verschillende opties worden opgeteld, 2 + 5 betekent dus in totaal 35% toeslag.

Opmerkingen ten aanzien van het afwegingskader Omnibuzz

Wijs de klant op de Voor Elkaar Pas (VEP). Met de VEP kan de klant zowel in het OV als met Omnibuzz-vervoer reizen. Met de VEP krijgt de klant korting op het reguliere OV-tarief van Arriva in Limburg. In de OV-bussen van Arriva krijgt hij/zij altijd 37% korting. In de treinen van Arriva krijgt men na 09.00 uur 25% korting. De VEP kost, zonder begeleiderspas, € 6,50 en met begeleiderspas, € 8,00 per jaar (tarieven 2019).

Ook kan overwogen worden vervoersindicatie af te geven voor een individueel budget collectief vervoer. Hierbij wordt dan uitgegaan van een budget. De hoogte van het budget is gesteld op 750 zones per jaar. Deze 750 zones kunnen verdeeld worden in de volgende vervoersbehoeften:

 

Verdeling basisbudget in vervoersbehoeften en bijbehorende zones

 

Vervoersbehoeften

Zones (inclusief opstapzone)

Wekelijks boodschappen doen

200

Wekelijks verenigingen of clubs bezoeken (kienen, harmonie, voetbalclub etc.)

150

Wekelijks familie bezoeken

150

Eens per maand er op uit gaan (markt bezoeken, shoppen, steden bezoeken, sociaal culturele instellingen bezoeken etc.)

120

Eens in de 3 maanden ziekenhuisbezoek

50

Onvoorziene vervoersbehoeften

80

Totaal

750

 

Overwogen kan worden om een korting op het basisbudget toe te passen als de klant al de beschikking heeft over een voorziening waarmee hij/zij al deels in de vervoersbehoefte kan voorzien. Hierbij kan gedacht worden aan een indicatie “hulp in het huishouden” waarbij de component “boodschappen doen” is meegenomen. Conform bovenstaande tabel zou dat een korting van 200 zones op het basisbudget betekenen. Ook het verblijf in een zorginstelling, en geen recht op voorziening in het kader van de Wet Langdurige Zorg (WLZ), legitimeert een korting op het basisbudget. Immers boodschappen en ontspanningsactiviteiten kunnen, in elk geval voor een deel, in de zorginstelling plaats vinden.

Daarnaast kan uit het onderzoek naar de vervoersbehoefte blijken dat de aanvrager gedurende een deel van het jaar gebruik moet maken van Omnibuzz en voor de rest van de tijd gebruik kan maken van het OV, bijvoorbeeld vanwege de weersomstandigheden. Ook dit rechtvaardigt een evenredige korting van het basisbudget.

Tenslotte kan ook worden overwogen om een scootmobiel te verstrekken aan de klant, met als intentie om invulling te geven aan de verplaatsingsbehoefte binnen een vast te stellen straal om het huis, bijvoorbeeld 10 kilometer.

Tot slot. Een te strenge toepassing van de compensatieplicht kan leiden tot onwenselijke situaties waarbij onvoldoende ruimte is voor “de menselijke maat”. De gemeente heeft een compensatieplicht en voert voor het Wmo-vervoer de indicatiestelling uit. Als blijkt dat toepassing van de regels in individuele gevallen leidt tot een situatie die niet billijk of gewenst is, kan de gemeente, met een beroep op de hardheidsclausule opgenomen in de verordening, in de betreffende situatie maatwerk toepassen.

Naar boven