Verordening minimaregelingen 2026 gemeente Midden-Drenthe

De raad van de gemeente Midden-Drenthe;

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 14 oktober 2025

 

gelet op artikel 149 Gemeentewet en artikel 35, lid 3 van de Participatiewet

 

gezien het advies van de Adviesraad Sociaal Domein;

 

besluit:

vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening minimaregelingen 2026 gemeente Midden-Drenthe

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

belanghebbende: degene of het gezin, wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;

bijstandsnormen: de norm als bedoeld in artikel 21 en 22 van de Participatiewet waarbij de kostendelersnorm is uitgesloten. Voor de bijstandsnormen wordt uitgegaan van het bedrag exclusief vakantietoeslag;

chronisch zieke: belanghebbende, diens partner of kind die op de aanvraagdatum:

  • i.

    geïndiceerd is voor thuiszorg; of

  • ii.

    op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en /of de Wet langdurige zorg geïndiceerd is voor voorzieningen voor wonen, werk of vervoer; of

  • iii.

    een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 – 100%;

de wet: de Participatiewet;

het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Drenthe;

i nkomen:totaal van het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet en de algemene bijstand. In afwijking hiervan wordt in ieder geval niet tot het inkomen gerekend: het vakantiegeld, de eindejaarsuitkering, een individueel keuzebudget en de uitbetaling van vakantiedagen.

huishouden: een alleenstaande, alleenstaande ouder of echtpaar (met of zonder kinderen);

kind: het minderjarig eigen kind (adoptief kind), stiefkind en kind ten laste van de voogd;

voorziening op grond van de Participatiewet: in ieder geval de collectieve zorgverzekering, de algemene bijstandsuitkering en de individuele inkomenstoeslag.

m inima: personen die behoren tot de doelgroep zoals beschreven voor artikel 3 van deze verordening.

v ervolg onderwijs: iedere vorm van klassikaal onderwijs aan kinderen na de basisschool. Dit omvat onder andere voortgezet onderwijs, middelbaar beroepsonderwijs (mbo), hoger beroepsonderwijs (hbo) en het wetenschappelijk onderwijs (wo).

 

Artikel 2 Minimaregelingen en doelstelling

Deze verordening beschrijft de volgende regelingen:

  • Meedoenregeling

  • Stimulering deelname aan Sport en Cultuur

  • Bartje leert zwemmen

  • De collectieve zorgverzekering

De regelingen voor minima hebben tot doel:

  • het bevorderen van sport en andere vormen van maatschappelijke participatie;

  • het voorkomen van sociale uitsluiting;

  • het bevorderen dat schoolgaande kinderen zo min mogelijk belemmeringen ondervinden;

  • het tegengaan van onderverzekering op het gebied van ziektekosten.

 

Artikel 3 Doelgroep van de minimaregelingen

  • 1.

    Tot de doelgroep voor de minimaregelingen behoren personen van 18 jaar of ouder die minimaal drie maanden aaneengesloten:

  • i.

    voldoen aan de voorwaarden genoemd bij de betreffende minimaregeling; en

  • ii.

    beschikken over een (gezamenlijk) inkomen tot 130% van de bijstandsnorm die voor belanghebbende van toepassing is of zou zijn; en

  • iii.

    beschikken over een (gezamenlijk) vermogen tot de geldende grenzen genoemd in artikel 34, derde lid van de Participatiewet.

  • 2.

    Voor de bepaling van de hoogte van het vermogen als bedoeld in dit artikel zijn de geldende uitvoeringsregels op grond van de Participatiewet van toepassing.

  • 3.

    In afwijking van bovenstaande wordt voor bepaling van het inkomen van een zelfstandige uitgegaan van de inkomsten over een heel boekjaar of korter wanneer de ondernemer later dan 1 januari van dat jaar is gestart. Het college neemt als uitgangspunt het inkomen na aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen. Deze belasting en premies worden gesteld op het percentage, zoals vermeld in artikel 6, lid 2, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004. Hierbij wordt een teruggave inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet als inkomen aangemerkt. Het college is bevoegd nadere regels te stellen inzake de bepaling van de inkomsten en vermogen van zelfstandigen.

  • 4.

    Indien een aanvrager tussen 18 en 21 jaar inwoont bij (een van zijn) ouders wordt het nettomaandinkomen van de aanvrager getoetst aan 130% van de jongerennorm (voor 18 tot 21 jaar) artikel 20 van de participatiewet. Het vermogen van het gezinslid van 18 jaar en ouder mag niet meer bedragen dan de van toepassing zijnde vermogensgrens van een alleenstaande.

  • 5.

    In afwijking van het gestelde in eerste lid van dit artikel, behoren personen van 18 jaar of ouder die in een MSNP of WSNP-traject zitten tot de doelgroep zolang zij in dat traject zitten en actief bezig zijn met de aflossing van hun schulden. Hieronder valt ook het saneringskrediet, zolang het besteedbaar inkomen en vermogen lager blijft dan de voor hen van toepassing zijnde inkomensgrens en vermogensgrens.

 

Artikel 4 Weigeringsgronden

  • 1.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die niet tot de doelgroep wordt gerekend, als omschreven in artikel 3 van deze verordening.

  • 2.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die niet is ingeschreven in de Basisregistratie Personen van de gemeente Midden-Drenthe.

  • 3.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft een student die recht heeft op een inkomen uit de Wet op de studiefinanciering 2000 (WSF 2000) of de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS). Tenzij de aanvraag een ten laste komend inwonend kind betreft, dan kan voor dit kind wel een bijdrage worden verkregen.

  • 4.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die op het moment van aanvraag in detentie, in een asielzoekerscentrum of in een inrichting verblijft.

  • 5.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende aan wie op grond van artikel 11 van de Participatiewet geen bijstand kan worden verleend omdat deze persoon geen Nederlander dan wel een daar aan gelijkgestelde vreemdeling is.

  • 6.

    Geen recht op een in deze verordening genoemde minimaregeling heeft de belanghebbende die niet valt onder de voor de betreffende minimaregeling geldende doelgroep en voorwaarden of degenen die expliciet uitgesloten worden van het recht op die betreffende minimaregeling.

 

Hoofdstuk 2 De minimaregelingen

 

 

Artikel 5 De meedoenregeling

  • 1.

    De meedoenregeling beoogt het verlagen, of het wegnemen van financiële drempels voor minima en hun ten laste komende inwonende kinderen om deel te nemen aan sportieve, sociaal-culturele of educatieve activiteiten.

  • 2.

    Een aanvraag voor deze regeling kan worden ingediend vanaf 1 april van het lopende kalenderjaar.

  • 3.

    De hoogte van de bijdrage bedraagt per kalenderjaar:

  • a.

    € 165,- per inwonende volwassene

  • b.

    € 165,- per inwonend kind van 0 jaar tot en met het jaar waarin het kind 11 jaar wordt.

  • c.

    € 350,- per inwonend kind vanaf het jaar waarin het kind 12 wordt tot en met het jaar waarin het kind 17 jaar wordt.

  • 4.

    Het bedrag is een tegemoetkoming voor de kosten van de in het eerste lid genoemde activiteiten, waaronder:

  • lidmaatschap van (sport)verenigingen;

  • de kosten van benodigdheden waardoor deelname aan deze activiteiten mogelijk wordt;

  • de kosten van kinderopvang, schoolreisjes of werkweken van school.

  • 5.

    Het bedrag van 12 tot en met 17 jaar is daarnaast bedoeld als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt moeten worden ten behoeve van het volgen van vervolgonderwijs, waaronder de kosten een laptop, tablet, fiets, telefoon, schooltas, ouderbijdrage, schoolreis of werkweek en andere kosten die gemaakt moeten worden ten behoeve van dit schoolgaande kind.

  • 6.

    Indien activiteiten buitenshuis voor een chronisch zieke niet of nauwelijks mogelijk zijn, dan mag de bijdrage ook ingezet worden voor de kosten van internet, telefonie, kranten of tijdschriften. Daarnaast mag de bijdrage ook worden ingezet voor de kosten van benodigdheden waardoor deelname aan sportieve, sociaal-culturele of educatieve activiteiten op het niveau van de chronische zieke mogelijk wordt gemaakt.

  • 7.

    Belanghebbende heeft de vrijheid om het totale gezinsbedrag te verdelen over de leden van het gezin zoals het haar goeddunkt, ook als dit betekent dat het geld niet gelijkelijk over alle gezinsleden verdeeld wordt.

  • 8.

    De bijdrage wordt zonder specificatie vooraf, eens per kalenderjaar en in één termijn verstrekt in de vorm van een geldbedrag. Het college behoudt het recht dit voor de doelgroep te wijzigen naar betaling in twee termijnen, indien zij dit nodig acht.

  • 9.

    De bijdrage is voor belanghebbende, diens inwonende partner en diens inwonende kinderen jonger dan 18 jaar. Inwonende kinderen vanaf 18 jaar moeten zelf een aanvraag indienen.

  • 10.

    Het college kan de hoogte van de meedoenregeling aanpassen indien naar het oordeel van het college de prijsontwikkeling daar aanleiding toe geeft.

  • 11.

    Het college kan de aanvraagdatum zoals beschreven in lid 2 van dit artikel vervroegen indien dat naar het oordeel van het college in het belang is van de inwoners.

 

Artikel 6 Stimulering deelname aan Sport en Cultuur

  • 1.

    Het college kan voor de stimulering van georganiseerde beoefening van sport en cultuur door kinderen tot 18 jaar subsidie verlenen aan een rechtspersoon zonder winstoogmerk.

  • 2.

    De subsidie kan niet hoger worden verleend dan het bedrag dat hiervoor in de begroting is opgenomen.

  • 3.

    Het college stelt daarbij zo nodig een subsidieplafond in.

  • 4.

    De subsidie is bedoeld voor de kosten van deelname aan sport- en culturele activiteiten (in principe exclusief zwemles en afzwemmen voor diploma A en B) door kinderen tot 18 jaar waarvan de ouders behoren tot de minima.

  • 5.

    Het college stelt in de subsidiebeschikking eisen aan transparantie en eerlijke toekenning van gelden.

 

Artikel 7 Bartje leert zwemmen

  • 1.

    “Bartje leert zwemmen” bestaat uit het gratis kunnen volgen van zwemlessen in het gemeentelijke zwembad in Beilen of Smilde voor het behalen van de A, B en C diploma’s binnen een periode van maximaal 24 aaneengesloten maanden.

  • 2.

    Tot de doelgroep van de regeling behoren:

  • a.

    ten laste komende inwonende kinderen die behoren tot de in artikel 3 genoemde doelgroep;

  • b.

    waarvoor recht op de meedoenregeling is ontvangen in het jaar dat men start met “Bartje leert zwemmen” en

  • c.

    die bij de start van de zwemlessen vijf jaar of ouder zijn, maar nog geen 18 jaar.

  • 3.

    Kinderen die gedurende het traject “Bartje leert zwemmen” de leeftijd van 18 jaar bereiken voordat het C diploma behaald is, mogen, in afwijking van het eerste lid, het traject “Bartje leert zwemmen” afmaken.

  • 4.

    Indien er sprake is van een marginale overschrijding van de lesperiode van 24 maanden, dan mag alsnog het diploma behaald worden. Dit ter beoordeling van het college.

  • 5.

    Indien een kind toegelaten wordt tot “Bartje leert zwemmen”, dan geldt dat zonder nadere aanvraag of toetsing voor het gehele traject van 24 maanden.

  • 6.

    Indien de ouders hun kind van zwemles in Beilen of Smilde afhalen, dan eindigt het aanbod voor dat kind.

 

Artikel 8 De collectieve zorgverzekering

  • 1.

    De collectieve zorgverzekering beoogt onderverzekering op het gebied van ziektekosten tegen te gaan.

  • 2.

    De collectieve zorgverzekering bestaat uit een basisverzekering en een aanvullende verzekering.

  • 3.

    In het geval van een aanvraag voor het aankomende kalenderjaar dient belanghebbende ook op 1 januari van het aankomende jaar te voldoen aan de inkomens en vermogenseisen van artikel 3 en ingeschreven staan in de gemeente Midden-Drenthe.

  • 4.

    Indien belanghebbende voldoet aan het gestelde in het derde lid, dan geldt het recht op deelname ook voor de inwonende partner van belanghebbende en de ten laste komende inwonende kinderen.

  • 5.

    Het college bepaalt de aanbieder en de voorwaarden van de collectieve zorgverzekering alsmede de hoogte van de kortingen op de premie van de basisverzekering en/of de aanvullende verzekering.

  • 6.

    Deelname aan de collectieve zorgverzekering eindigt per 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de belanghebbende niet meer voldoet aan het gestelde in het derde lid.

 

Hoofdstuk 3 De aanvraagprocedure

 

 

Artikel 9 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een minimaregeling wordt ingediend op een door het college beschikbaar gesteld (digitaal) formulier (met uitzondering van het Jeugdfonds Sport en Cultuur).

  • 2.

    Belanghebbenden hoeven geen aanvullende bewijsstukken voor het vaststellen van het vermogen en inkomen te overleggen wanneer uit andere bronnen blijkt dat zij tot de kring van rechthebbenden behoren. Dit geldt in ieder geval in de situatie dat de belanghebbende:

  • a.

    Een bijstandsuitkering ontvangt op grond van de Participatiewet.

  • b.

    De individuele inkomenstoeslag (IIT) ontvangt op grond van de Participatiewet.

  • c.

    Valt onder de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) of een vergelijkbare regeling van de kredietbank, met uitzondering van het saneringskrediet.

  • d.

    In de afgelopen drie maanden een toekenning heeft gekregen voor een van de andere regelingen binnen deze verordening, met uitzondering vanuit ‘Stimulering deelname aan Sport en Cultuur’.

  • 3.

    Belanghebbenden moeten wel vermogensgegevens overleggen, maar het overleggen van aanvullende inkomensgegevens is niet vereist als uit andere bronnen blijkt dat zij tot de kring van rechthebbenden behoren of wanneer de belanghebbende bewijsstukken overlegt waaruit blijkt dat hij of zij:

  • a.

    Een periodieke uitkering van de gemeente ontvangt op grond van de Bbz, IOAW of IOAZ.

  • b.

    Uitsluitend een AOW-uitkering ontvangt, zonder aanvullend pensioen.

  • c.

    Uitsluitend een Wajong-uitkering ontvangt.

  • d.

    Uitsluitend een Anw-uitkering ontvangt.

  • e.

    Een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontvangt.

  • 4.

    Het college neemt binnen acht weken nadat de aanvraag is ontvangen een beslissing.

  • 5.

    Het college kan nadere regels vaststellen inzake de aanvraagprocedure, de wijze van het verschaffen en controleren van inlichtingen en de bijbehorende formulieren.

 

Artikel 10 Ambtshalve vaststelling meedoenregeling

  • 1.

    Het college stelt minimaal één keer per jaar ambtshalve vast welke inwoners met een voorziening op grond van de Participatiewet recht hebben op deelname aan de meedoenregeling. Het college informeert degenen die daar dat jaar nog geen gebruik van hebben gemaakt over dit recht en stelt hen in de gelegenheid om daar via een retourformulier gebruik van te maken.

  • 2.

    Het college stelt minimaal één keer per jaar ambtshalve vast welke inwoners, die kwijtschelding gemeentelijke belastingen ontvangen en géén deel uitmaken van lid 1, op grond hiervan recht hebben op deelname aan de meedoenregeling. Het college informeert degenen die daar dat jaar nog geen gebruik van hebben gemaakt over dit recht en stelt hen in de gelegenheid om daar via een retourformulier gebruik van te maken.

  • 3.

    Het college informeert inwoners die het voorafgaande jaar gebruik hebben gemaakt van de meedoenregeling en die géén deel uitmaken van lid 1 en lid 2, minimaal één keer per jaar dat zij voor voortzetting van de regeling zelf een aanvraag kunnen doen.

  • 4.

    Het college kan overgaan tot ambtshalve beschikken zonder het gebruik van retourformulieren voor het uitvoeren van lid 1 en lid 2.

 

Artikel 11 Ambtshalve vaststelling collectieve zorgverzekering

  • 1.

    Het college stelt minimaal één keer per jaar ambtshalve vast welke inwoners met een algemene bijstandsuitkering en met een collectieve zorgverzekering op grond van de Participatiewet het komende jaar recht blijven hebben op deelname aan de collectieve zorgverzekering.

  • 2.

    Het college stelt minimaal één keer per jaar ambtshalve vast welke inwoners die in het voorafgaande jaar gebruik hebben gemaakt van de collectieve zorgverzekering en géén deel uitmaken van lid 1, volgens gegevens van het UWV, belastingdienst en RDW die bij het Bureau InformatieDiensten Nederland zijn opgevraagd, op basis van hun inkomen en vermogen het komende jaar wederom recht op de collectieve zorgverzekering hebben.

 

Artikel 12 Betaling meedoenregeling

  • 1.

    Betaling van de meedoenregeling geschiedt binnen vier weken na een positief besluit op het laatst bekende rekeningnummer of een door de aanvrager op te geven bankrekeningnummer of, als er een bewindvoerder is, op de beheerrekening.

  • 2.

    In afwijking van het gestelde in het eerste lid, kan in uitzonderingsgevallen en op verzoek van de aanvrager, betaling aan derden plaatsvinden, indien betaling op de rekening van de aanvrager tot een ongewenst effect leidt gedurende een schuldhulpverleningstraject.

 

Artikel 13 Inlichtingen

De belanghebbende doet het college direct mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op een regeling of de hoogte ervan, onder overlegging van bewijsstukken.

 

Artikel 14 Terugvordering

De bijdrage kan geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd indien:

  • a.

    de aanvrager onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en daardoor ten onrechte een bijdrage of een te hoge bijdrage heeft ontvangen;

  • b.

    de aanvrager weigert te voldoen aan nader gestelde verplichtingen.

 

Artikel 15 Verwerking van persoonsgegevens

  • 1.

    Voor de uitvoering van deze verordening verwerkt het college persoonsgegevens van inwoners op grond van artikel 6, eerste lid, onderdeel e, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). Deze verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang, namelijk het bevorderen van maatschappelijke participatie en financiële ondersteuning van inwoners met een laag inkomen.

  • 2.

    De verwerking betreft onder meer gegevens over:

  • inkomen en vermogen;

  • gezinssamenstelling en leeftijd van kinderen;

  • voorziening op grond van de Participatiewet;

  • eerdere deelname aan gemeentelijke regelingen;

  • toekenning van kwijtschelding van gemeentelijke belastingen.

  • 3.

    De gegevens zijn afkomstig uit gemeentelijke systemen en de Basisregistratie Personen (BRP). Voor de collectieve zorgverzekering (artikel 11) worden daarnaast gegevens van het UWV, de Belastingdienst en het RDW via het Bureau InformatieDiensten Nederland opgevraagd.

  • 4.

    Voor toepassing artikel 10, eerste lid, van deze verordening, wordt het gegeven dat een voorziening op grond van de Participatiewet is toegekend hergebruikt om het recht op de meedoenregeling vast te stellen. Dit hergebruik vindt plaats op grond van artikel 6, vierde lid AVG, omdat sprake is van een verenigbaar doel en passende waarborgen zijn getroffen.

  • 5.

    Voor toepassing artikel 10, tweede lid, van deze verordening, wordt het gegeven dat kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen is toegekend hergebruikt om het recht op de meedoenregeling vast te stellen. Dit hergebruik vindt plaats op grond van artikel 6, vierde lid AVG, omdat sprake is van een verenigbaar doel en passende waarborgen zijn getroffen.

  • 6.

    Inwoners ontvangen bij de beschikking over de meedoenregeling informatie over de gegevens die aan het besluit ten grondslag liggen, inclusief de gebruikte bron. Zij worden daarnaast gewezen op hun rechten onder de AVG, zoals het recht op inzage en correctie.

  • 7.

    Indien blijkt dat de gebruikte gegevens betrouwbaar zijn, kan het college besluiten om in daaropvolgende jaren ambtshalve te beschikken zonder gebruik te maken van een retourformulier.

  • 8.

    De gemeente treft passende technische en organisatorische maatregelen om persoonsgegevens te beschermen. Daarbij horen onder andere toegangsbeperking, logging en tijdige informatieverstrekking aan betrokkene.

 

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

 

 

Artikel 16 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 17 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening minimaregelingen 2026 gemeente Midden-Drenthe”.

 

Artikel 18 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    De “Verordening minimaregelingen 2022 gemeente Midden-Drenthe” wordt ingetrokken.

  • 3.

    De “Beleidsregels “Bartje leert zwemmen” 2020 gemeente Midden-Drenthe” worden ingetrokken.

 

 

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 27 november 2025

de raadsgriffier, de voorzitter,

C.A.M Bodewes J. Zwiers

Toelichting

De reden voor de vervanging van de Verordening minimaregelingen 2022 voor een nieuwe verordening ligt in het feit dat de raad op 12 december 2024 enkele wijzigingen heeft aangekondigd middels het aannemen van het ‘Actieplan structureel versterken armoedeaanpak’.

De “Verordening minimaregelingen 2026 - Gemeente Midden-Drenthe” vervangt de “Verordening minimaregeling 2022 – Gemeente Midden-Drenthe” en de “Beleidsregels “Bartje leert zwemmen” 2020 gemeente Midden-Drenthe”.

 

Artikelsgewijs

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Inkomen

Met inkomen wordt bedoeld het inkomen uit artikel 32 Participatiewet. Hierop geldt wel de uitzondering dat in ieder geval het vakantiegeld, een individueel keuzebudget, een eindejaarsuitkering en uitbetaling van vakantiedagen niet als inkomen gezien wordt. Deze uitzonderingen zijn niet limitatief, omdat het voorstelbaar is dat er meer incidentele uitbetalingen zijn door de werkgever, waarbij het niet wenselijk is dat deze tot het inkomen worden gerekend op basis van deze regeling. Een ander voorbeeld hiervan is een eenmalige gratificatie.

In de meeste gevallen wordt er een maandloon ontvangen zónder uitbetaling van vakantiegeld of andere bijzondere betalingen. Voor de inwoner én de uitvoering is het daarom praktisch om uit te gaan van het maandloon, zoals verwerkt op de loonstrook.

Kind

Bij pleegoudervoogdij zijn pleegouders financieel verantwoordelijk voor het pleegkind; het kind wordt daarom beschouwd als ‘ten laste van de voogd’. Andere pleegkinderen vallen in principe buiten het gemeentelijke minimabeleid, omdat de pleegouders een (bijzondere) pleegzorgvergoeding ontvangen voor de kosten van verzorging en opvoeding. Het inkomen en vermogen van pleegouders is in die gevallen niet relevant voor het recht op gemeentelijke minimaregelingen.

Voorziening op grond van de participatiewet

Hieronder valt in ieder geval de collectieve zorgverzekering, de algemene bijstandsuitkering en de individuele inkomenstoeslag. Dit betreft gegevens die intern bij de gemeente bekend zijn en op grond waarvan het college voldoende informatie heeft om ambtshalve de meedoenregeling te verstrekken.

 

 

Artikel 2 Doel van de minimaregelingen

Dit artikel is toegevoegd om aan te geven dat minimaregelingen niet bedoeld zijn om het inkomen van minima te vergroten. Bij een eventueel beroep op de hardheidsclausule kan door dit artikel beoordeeld worden of een afwijzing van de aanvraag onbillijk zou zijn, gelet op de doelstellingen van de minimaregelingen.

 

Artikel 3 Doelgroep

Voor de vermogensgrens wordt verwezen naar artikel 34 lid 3 van de Participatiewet. Dit betekent dat eventuele overwaarde gebonden in een woning die door de aanvrager zelf bewoond wordt, geen uitsluitingsgrond voor de minimaregelingen oplevert.

Als er sprake is van sterk wisselende inkomsten hanteren we een gemiddelde van de inkomsten over een termijn van zes maanden (of ruimer waar noodzakelijk), bijvoorbeeld bij inwoners die op oproepbasis werken.\

 

Artikel 4 Weigeringsgronden

In het derde lid wordt geregeld dat het niet mogelijk is dat studenten die studiefinanciering in het kader van de Wet Studiefinanciering 2000 (WSF 2000) ontvangen, in aanmerking komen voor een minimaregeling. Inwoners die een Rijkstoelage krijgen om te kunnen studeren, behoren niet tot de doelgroep van werkende minima of uitkeringsgerechtigden die op een minimuminkomen leven.

De uitzondering die we hierop maken is dat inwoners die een Rijkstoelage krijgen om te kunnen studeren wel een aanvraag kunnen doen voor hun kinderen, dit betreft de meedoenregeling en het Jeugdfonds Sport & Cultuur. Bij de meedoenregeling ontvangen zij enkel het bedrag waarop het kind recht heeft.

In het vierde lid wordt geregeld dat degenen die in detentie zijn of die in een asielzoekerscentrum, sociowoning of instelling of inrichting verblijven op het moment van aanvraag, geen recht hebben op een in deze verordening genoemde minimaregeling. De reden hiervoor is dat degenen die in een (penitentiaire) instelling of inrichting verblijven, geacht worden door de instelling te worden voorzien van al hetgeen in hun geval noodzakelijk is. Asielzoekers die in een asielzoekerscentrum wonen of anderszins onder de centrale opvang asielzoekers vallen, worden in deze verordening eveneens uitgesloten van het recht op een minimaregeling omdat zij vallen onder de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers. Het COA is belast met de materiële en immateriële opvang van asielzoekers.

 

Hoofdstuk 2 De minimaregelingen

 

Artikel 5 De meedoenregeling

In het eerste lid wordt uitgelegd wat het doel is van deze regeling. Door de formulering dient hierbij in eerste instantie gedacht te worden aan activiteiten buiten de eigen woning. Deze regeling is namelijk in het leven geroepen om minima financieel te ondersteunen bij activiteiten waarvoor betaald moet worden, zoals het lidmaatschap van een (sport)club, bibliotheek of vereniging of de entree van een zwembad, bioscoop, pretpark of museum. Ook kan gedacht worden aan lesgeld voor een cursus in een buurthuis. Juist dit soort kosten kunnen vaak niet gemaakt worden als het hele budget opgaat aan noodzakelijke uitgaven.

In het tweede lid wordt bepaald dat een aanvraag voor deze regeling kan worden ingediend vanaf 1 april van het lopende kalenderjaar. De bijdrage is bedoelt voor kosten in het kalenderjaar en wordt vanaf 1 januari van dat jaar toegekend. De datum 1 april voor de mogelijkheid tot het doen van een aanvraag is gekozen om voldoende ruimte te bieden voor de verwerking van ambtshalve beschikkingen. Zo voorkomen we dubbele aanvragen en onnodige belasting voor zowel inwoners als gemeentelijke medewerkers.

In het derde lid wordt geregeld dat de hoogte van het totale bedrag afhankelijk is van het aantal gezinsleden op de dag van aanvraag. Dit betekent dat ook pasgeborenen meetellen als gezinslid. Bij inwonende minderjarige kinderen bepaald de leeftijd de hoogte van het te ontvangen bedrag voor dit kind.

In lid vier wordt bepaald dat de regeling ook benut mag worden voor de aanschaf van benodigdheden waardoor deelname aan activiteiten mogelijk wordt. Hierbij kan gedacht worden aan sportkleding, wandelschoenen, spullen die men nodig heeft om aan een cursus of activiteit te mogen meedoen zoals naaigerei, schilderpenselen of lesmateriaal in de vorm van een cursusboek. De reiskosten van en naar een activiteit mogen ook betaald worden uit deze regeling omdat dit noodzakelijke kosten zijn om deel te kunnen nemen aan die activiteit. Hieronder kan ook fietsonderhoud vallen.

De regeling kan verder ingezet kan worden voor kosten die nodig zijn om het mogelijk te maken dat kinderen naar de kinderopvang kunnen gaan en mee kunnen doen met excursies (schoolreisjes, werkweken etc.) die in schoolverband worden georganiseerd. Dit biedt kinderen de mogelijkheid om nieuwe ervaringen op te doen, maar geeft tevens de ouders de mogelijkheid om zelf dingen te ondernemen die zij niet hadden kunnen doen als zij gedurende die uren zelf voor hun kinderen hadden moeten zorgen.

Lid vijf spreekt voor zich.

In lid zes wordt in bepaald gevallen mogelijk gemaakt dat de regeling ook kan worden ingezet als bijdrage in de kosten van communicatiemiddelen als telefonie, krant en internet. Omdat de gemeenteraad wil stimuleren dat mensen maatschappelijk actief zijn en wil voorkomen dat de meedoenregeling opgaat aan vaste lasten in verband met telefonie en internet, is deze mogelijkheid voorbehouden aan chronisch zieken die niet of nauwelijks in staat zijn om activiteiten buitenshuis te verrichten. Via telefoon en computer (e-mails, internet) kunnen mensen die bijvoorbeeld bedlegerig zijn, toch sociale contacten onderhouden, deelnemen aan informatienetwerken etc. Gelet op de doelstelling dat de minimaregelingen ook in het leven zijn geroepen om sociale uitsluiting te voorkomen, is deze optie opgenomen in de verordening.

Lid zeven en acht spreken voor zich.

In lid negen wordt bepaald dat als ouders tot de minima worden gerekend, zij ook een meedoenregeling voor hun inwonende minderjarige kinderen ontvangen. Als de ouders niet tot de doelgroep behoren, dan kunnen inwonende volwassen kinderen zelf wel aanspraak maken op de meedoenregeling, wanneer zij voldoen aan de doelgroep zoals beschreven in artikel 3.

Lid tien spreekt voor zich.

Lid elf legt uit dat wanneer naar het oordeel van het college blijkt dat te veel inwoners niet tot de doelgroep van de ambtshalve beschikkingen behoren en daardoor onnodig moeten wachten met het doen van een aanvraag tot 1 april, het college kan besluiten om de aanvraagmogelijkheid eerder open te stellen.

 

Artikel 6 Stimulering deelname aan Sport & Cultuur

In 2023 heeft het college het Jeugdfonds Sport & Cultuur Drenthe gesubsidieerd met een meerderjarige (lump sum) subsidie, waardoor het fonds gedurende meerdere jaren actief kan zijn in Midden-Drenthe.

 

Het Jeugdfonds Sport & Cultuur Drenthe

  • Het Jeugdfonds Sport & Cultuur beoogt het stimuleren van georganiseerde sportbeoefening van kinderen van 0 tot 18 jaar.

  • Ouders kunnen via een intermediair (tussenpersoon) een aanvraag doen voor de kosten van deelname aan sport en cultuur activiteiten. Zwemles en diplomazwemmen voor diploma A en B vallen hier in principe niet onder, tenzij sprake is van afgesproken uitzonderingen—zoals een kind met een specifieke ondersteuningsbehoefte waarvoor geen geschikt zwemaanbod beschikbaar is in Midden-Drenthe.

  • De tussenpersoon meldt het kind aan bij het Jeugdfonds Sport en Cultuur en laat de ouders weten of de aanvraag is goedgekeurd.

  • Na goedkeuring kan het kind aangemeld worden bij de club of vereniging.

  • Het geld wordt niet aan de ouders betaald, maar direct aan de club of vereniging.

  • Voor het gebruik van het Jeugdfonds Sport en Cultuur zijn spelregels opgesteld. De spelregels zijn te vinden op de volgende site: www.jeugdfondssportencultuur.nl/fondsen/drenthe/

 

Artikel 7 Bartje leert Zwemmen

Indien er sprake is van een marginale overschrijding van de lesperiode van 24 maanden, dan mag alsnog het diploma behaald worden. De teamleider zwembaden beoordeeld dit namens het college.

Ouders kunnen hun kinderen voor “Bartje leert zwemmen” aanmelden via het aanvraagformulier, het telefoonnummer van de gemeente (0593) 53 92 22 of via gemeente@middendrenthe.nl. Hierbij moeten ouders specifiek benoemen dat het gaat om gratis zwemles via “Bartje leert zwemmen”.

De administratief medewerker sport van het team zwembaden controleert of er voor dat kind dat jaar recht bestaat op de meedoenregeling (en daarmee voor “Bartje leert zwemmen”).

Als het kind tot de doelgroep van “Bartje leert zwemmen” behoort zet de administratief medewerker het kind op de wachtlijst van het gekozen zwembad.

 

Artikel 8 De collectieve zorgverzekering

Lid een tot en met vijf spreken voor zich.

In het zesde lid wordt aangegeven dat de deelname aan de collectieve verzekering niet midden in een jaar eindigt, maar pas op 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin men wat inkomen of vermogen betreft niet langer recht heeft op deelname aan deze collectieve zorgverzekering. Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat men midden in een jaar onverzekerd raakt omdat men niet meer aan de voorwaarden voldoet of de korting verliest. Het is bovendien van groot belang dat verzekeraar en verzekerde geen twijfel hebben over de verzekeringsvoorwaarden.

 

Hoofdstuk 3 De aanvraagprocedure

 

Artikel 9 Aanvraag

In lid één wordt uitgelegd dat de aanvraag voor het Jeugdfonds Sport & Cultuur via een extern aanvraagformulier loopt. Dit is het geval omdat dit een externe partij betreft

Het tweede lid spreekt voor zich.

In het derde lid is vastgelegd dat een belanghebbende voor de vaststelling van het vermogen een overzicht van de vermogensgegevens dient aan te leveren. Daarnaast dient de belanghebbende voor de inkomensgegevens, voor zover dit niet uit andere bronnen blijkt, uitsluitend bewijsstukken aan te leveren met betrekking tot een specificatie van één van de onderdelen genoemd in lid 3, sub a tot en met e. Dit houdt in dat overleggen van een bankafschrift (met daarin alle transacties) niet verplicht is. Wel dient de belanghebbende bij sub b tot en met d te verklaren uitsluitend gebruik te maken van één van deze inkomensbronnen. Het college sluit daarbij aan bij een werkwijze die geldt op basis van de Participatiewet: Uw privacy bij de sociale dienst | Autoriteit Persoonsgegevens. Het college kiest hiermee bewust voor een benadering die uitgaat van vertrouwen in de inwoner en accepteert daarbij het risico dat een belanghebbende mogelijk onterecht verklaart uitsluitend één van de inkomensbronnen genoemd onder sub b tot en met d te ontvangen.

Het vierde lid spreekt voor zich.

In het vijfde lid wordt aangegeven dat het college in aanvulling op deze verordening nadere regels kan stellen.

 

Artikel 1 0 Ambtshalve vaststelling meedoenregeling

Voor de vaststelling van het vermogen voor inwoners in lid 1 geldt dat het college, wanneer voor enig kalenderjaar het vermogen is vastgesteld met als uitkomst dat recht op een de meedoenregeling bestaat, zonder nader onderzoek, er van uitgaat dat het vermogen in de daarop volgende jaren ongewijzigd blijft, mits de belanghebbende op basis van de bijstandsuitkering tot de rechthebbenden blijft behoren.

Men krijgt een beschikking waarin staat dat men recht heeft op de meedoenregeling. Om het geld te ontvangen, dient men op een retourformulier, in ieder geval, aan te geven dat men de meedoenregeling wil ontvangen en dat men akkoord gaat met de voorwaarden die verbonden zijn aan de meedoenregeling.

Lid twee en drie spreken voor zich.

In lid vier staat beschreven dat het college op een later moment kan afzien van het gebruik van een retourformulier. In dat geval zal het college ambtshalve beschikken en zal het college het geld naar de inwoner overmaken zonder tussenstap van een retourformulier.

 

Artikel 11 Ambtshalve vaststelling collectieve zorgverzekering

Voor de vaststelling van het vermogen voor inwoners in lid 1 geldt dat het college, wanneer voor enig kalenderjaar het vermogen is vastgesteld met als uitkomst dat recht op een de collectieve zorgverzekering bestaat, zonder nader onderzoek, er van uitgaat dat het vermogen in de daarop volgende jaren ongewijzigd blijft, mits de belanghebbende op basis van de bijstandsuitkering tot de rechthebbenden blijft behoren.

Voor de vaststelling van het vermogen en inkomen voor inwoners in lid 2 geldt dat het college akkoord is gegaan met het gebruiken van het vermogen en inkomen zoals dat op dat moment vastgesteld kan worden door het Bureau InformatieDiensten Nederland.

De belanghebbende krijgt een beschikking waarin staat dat hij voor de rest van het kalenderjaar recht heeft op de collectieve zorgverzekering. Wanneer de belanghebbende zich uitschrijft bij de aanbieder van de collectieve zorgverzekering stopt de regeling.

 

Artikel 1 2 Betaling meedoenregeling

In het eerste lid wordt bepaald dat mensen op het retourformulier zelf de optie krijgen om aan te geven op welke rekening het geld gestort moet worden. Dit kan een rekening zijn waarbij roodstand niet geaccepteerd wordt.

In het tweede lid wordt de mogelijkheid opengesteld om alleen in uitzonderingsgevallen de meedoenregeling -op uitdrukkelijk verzoek van de aanvrager- te storten op een rekening van een derde, om te bevorderen dat de aanvrager het geld kan gebruiken voor het doel waarvoor het werd verstrekt. Hierbij kan gedacht worden aan rechtstreekse betaling aan een sportclub (contributie) of school (kosten schoolreisje).

 

Artikel 1 3 Inlichtingen

Dit artikel heeft in eerste instantie betrekking op de gegevens die bij de aanvraag van een regeling moeten worden verstrekt.

Indien het vermogen boven de norm komt binnen het jaar waarover iemand de meedoenregeling ontvangt hoeft geen terugbetaling plaats te vinden. Bij een volgende aanvraag dient het vermogen opnieuw vastgesteld te worden.

 

Artikel 1 4 Terugvordering

In het eerste lid wordt aangegeven wanneer de bijdrage geheel of gedeeltelijk teruggevorderd kan worden.

 

Hoofdstuk 4 Slotbepalingen

 

Artikel 15 Verwerking van persoonsgegevens

Dit artikel bevat de bepalingen over de verwerking van persoonsgegeven in het kader van deze verordening.

 

Artikel 1 6 Hardheidsclausule

Indien toepassing van de verordening leidt tot een onbillijke uitkomst, dan kan een beroep worden gedaan op de hardheidsclausule.

Een voorbeeld is het inzetten van de meedoenregeling voor pleegkinderen die niet ten laste vallen van de pleegouders, maar waarvoor de pleegouders geen pleegzorgvergoeding ontvangen en waarvan de biologische ouders niet kunnen bijdragen ofwel weigeren bij te dragen aan de kosten van het kind.

 

Artikel 1 7 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Artikel 1 8 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen toelichting.

 

Naar boven