Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz

Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen

Artikel 1:1: Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels gelden de volgende begripsomschrijvingen:

  • a.

    Algemeen geaccepteerde arbeid : alle werkzaamheden die algemeen maatschappelijk aanvaard zijn, evenals alle vormen van gesubsidieerde arbeid, met uitzondering van arbeid in het kader van de WSW;

  • b.

    Arbeidsinschakeling : arbeidsinschakeling zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onder b van de Participatiewet.

  • c.

    Awb : Algemene wet bestuursrecht

  • d.

    Bbz : het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004;

  • e.

    Belanghebbende : persoon die overeenkomstig artikel 10 van de Participatiewet aanspraak kan maken op een voorziening.

  • f.

    Brutering : het verhogen van de vordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verkenbaar zijn met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

  • g.

    College : het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Alphen-Chaam;

  • h.

    Commerciële kamerbewoner : de persoon die een kamer huurt op commerciële basis, en die niet is een bloedverwant in de eerste of tweede graad van de hoofdbewoner en wiens woonsituatie voldoet aan het volgende:

    • a.

      er is sprake van huur op contractbasis; en

    • b.

      er is sprake van een commerciële relatie wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële (huur)prijs; en

    • c.

      het onder te huren deel van de woning is zelfstandig geschikt voor bewoning; en

    • d.

      de kamerbewoner staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het onderhuuradres.

  • i.

    Commerciële kostganger : een persoon die op commerciële basis inwoont, en die niet is een bloedverwant in de eerste en tweede graad en tevens bij de verhuurder de maaltijden gebruikt. De woonsituatie moet voldoen aan het volgende:

    • a.

      er is sprake van vergoeding op contractbasis; en

    • b.

      er is sprake van een commerciële relatie, wat blijkt uit de aanwezigheid van een overeenkomst en betaling van een commerciële prijs; en

    • c.

      de woning is geschikt voor inwoning en er is toestemming verleend door de eigenaar van het pand; en

    • d.

      de kostganger staat ingeschreven in de basisregistratie van de gemeente op het onderhuuradres.

  • j.

    Commerciële prijs : de huur, exclusief onder andere servicekosten, of vergoeding die hoger is dan de basis huur zoals gebruikt bij de huurtoeslag;

  • k.

    Duurzame uitstroom : uitstroom uit de bijstand naar betaald werk, waaronder begrepen uitzendwerk, voor minimaal 6 maanden.

  • l.

    Gehuwdennorm : de norm zoals bedoeld in artikel 21, onderdeel b, PW;

  • m.

    Gift : een gift zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet

  • n.

    Hoofdbewoner : een belanghebbende die eigenaar of hoofdhuurder is van woonruimte en die in dezelfde woonruimte hoofdverblijf heeft;

  • o.

    Hoogwaardige handhaving : het stelsel van preventieve en repressieve verlagingen van de uitkering gericht op het voorkomen of ontmoedigen van misbruik of oneigenlijk gebruik van de uitkering;

  • p.

    Inkomen : inkomen zoals bedoeld in artikel 32 en 33 Participatiewet;

  • q.

    IOAW : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • r.

    IOAZ : de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • s.

    Kostendelersnorm : norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Mensen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als mensen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.

  • t.

    Kwetsbare jongere : persoon jonger dan 27 jaar die:

    • a.

      afkomstig is van het Voortgezet Speciaal Onderwijs (VSO) of Praktijkonderwijs (PRO); of

    • b.

      niet beschikt over een startkwalificatie (MBO 4, HBO, WO) en/of recente werkervaring; of

    • c.

      bekend is of ondersteund wordt door maatschappelijke organisaties; of

  • u.

    beschikt over een startkwalificatie (MBO 4, HBO, WO) maar bekend is bij VSO/PRO of een studietoeslag ontvangt of ontvangen heeft.

  • v.

    Mantelzorg : van mantelzorg is sprake als iemand vanwege een aantoonbare zorgbehoefte, zoals opgenomen onder jj van dit artikel, gedurende 10 uur of meer per week onbetaald ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • w.

    langdurige zorg, gedurende 10 uur of meer per week, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

  • x.

    Niet-uitkeringsgerechtigde : een niet uitkeringsgerechtigd persoon, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel a, PW;

  • y.

    Onderhoudsplichtige : degene die een financiële bijdrage in de kosten van levensonderhoud aan de bijstandsgerechtigde en/of de ten laste komende kinderen dient te voldoen op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of een rechterlijke uitspraak;

  • z.

    Ondersteuning : ondersteuning als bedoeld in artikel 7 van de Participatiewet.

  • aa.

    Participatieladder : een meetinstrument waarmee je meet in hoeverre iemand participeert in de samenleving. De ladder is onderverdeeld in zes treden: geïsoleerd, sociale contacten buitenshuis, deelname georganiseerde activiteiten, onbetaald werk, onbetaald werk met ondersteuning, betaald werk.

  • bb.

    Startkwalificatie : een afgeronde HAVO-, VWO-, HBO- of WO-opleiding, dan wel een basisberoepsopleiding MBO-2, dat wil zeggen niveau 2 van de kwalificatiestructuur, zoals vastgelegd in de Wet educatie en beroepsonderwijs;

  • cc.

    Uitkering : de door het college verleende bijstand op grond van de PW en Bbz, dan wel de inkomensvoorziening op grond van de IOAW of IOAZ;

  • dd.

    Vermogen : het totaal aan bezittingen minus schulden zoals bedoeld in artikel 34 Participatiewet;

  • ee.

    Vermogensgrens : het bedrag aan vermogen dat volgens de wet buiten beschouwing blijft;

  • ff.

    Verzamelverordening : de Verzamelverordening Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2023;

  • gg.

    Wet : de Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz gezamenlijk;

  • hh.

    Wet educatie : de wet van 9 juli 2014 tot wijziging van onder meer de Wet participatiebudget en de Wet educatie beroepsonderwijs inzake het invoeren van een specifieke uitkering educatie en het vervallen van de verplichte besteding van educatiemiddelen bij regionale opleidingscentra;

  • ii.

    Woning : een woning als bedoeld in artikel 1, onderdeel j, Wet op de huurtoeslag, alsmede een woonwagen of woonschip, als bedoeld in artikel 3, zesde lid, PW;

  • jj.

    Woonkosten :

    • a.

      als sprake is van bewoning van een huurwoning: de per maand geldende huurprijs, zoals gebruikt voor de huurtoeslag;

    • b.

      als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.

    • c.

      als sprake is van een all-inclusieve huurprijs die zowel de huur omvat als een bijdrage in de kosten van energie en/of water.

  • kk.

    Woonlasten : hetgeen in geld verschuldigd is voor het (mede)gebruik van voorzieningen, aanwezig in de woonruimte, waarin de belanghebbende woont zoals energiekosten enzovoorts, conform constante jurisprudentie op grond van de wet.

  • ll.

    Zorgbehoefte : Van een zorgbehoefte zoals bedoeld onder v in dit artikel is sprake als degene die verzorging nodig heeft door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of psychische stoornis:

    • i.

      In aanmerking komt voor opname in een WLZ-instelling (een indicatie ZZP 5, 6 of 7); en

    • ii.

      Duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen; of

    • iii.

      Duurzaam is aangewezen op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

Hoofdstuk 2: Re-integratie

Paragraaf 2.1: Uitgangspunten

Artikel 2:1: Uitgangspunten

Het college hanteert de volgende uitgangspunten bij het bepalen van de noodzaak tot het inzetten van een voorziening:

  • a.

    Het college biedt belanghebbende een voorziening aan, wanneer belanghebbende afhankelijk is van deze voorziening in het kader van zijn of haar arbeidsinschakeling en/of een blijvende verbetering van zijn/haar arbeidsmarktpositie voor duurzame uitstroom. Hierbij gaat het college uit van het goedkoopste adequate alternatief.

  • b.

    Wanneer arbeidsinschakeling (nog) niet haalbaar is, kan een voorziening worden ingezet voor het verbeteren van de positie op de participatieladder.

Artikel 2:2: Voorzieningen

  • 1.

    Het college kan voorzieningen en/of subsidies aan belanghebbenden en aan werkgevers toekennen.

  • 2.

    De voorzieningen zoals bedoeld in het eerste lid staan vermeld en maken onderdeel uit van de regionale werkgeversdienstverlening van de arbeidsmarktregio Midden-Brabant.

  • 3.

    Een nadere uitwerking van de voorzieningen van de inwoners van de gemeente Alphen Chaam is opgenomen in de Verzamelverordening, onder meer te vinden op de website www.alphen-chaam.nl.

Artikel 2:3: Indeling op de Participatieladder

  • 1.

    Het college deelt personen, die behoren tot de doelgroep, in op de Participatieladder.

    De Participatieladder onderscheidt zes niveaus:

    • a.

      Trede 6: betaald werk;

    • b.

      Trede 5: betaald werk met ondersteuning;

    • c.

      Trede 4: onbetaald werk;

    • d.

      Trede 3: deelname aan georganiseerde activiteiten;

    • e.

      Trede 2: sociale contacten buitenshuis;

    • f.

      Trede 1: geïsoleerd.

    Een verdere uitleg van de treden op de Participatieladder, is te vinden op de website van VNG.

  • 2.

    Indeling op de Participatieladder vindt plaats bij de aanvang van de uitkering. Het college beoordeelt de indeling op de Participatieladder opnieuw bij periodieke heronderzoeken of zoveel eerder als daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 2:4: Niet-uitkeringsgerechtigden

  • 1.

    In afwijking van artikel 2 van deze Verzamelbeleidsregels komt de persoon, die op grond van artikel 6, eerste lid, onder a, Participatiewet wordt begrepen onder niet-uitkeringsgerechtigde, uitsluitend op aanvraag van deze persoon in aanmerking voor een voorziening als genoemd in het tweede lid.

  • 2.

    Op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, kan het college onder de volgende voorwaarden een voorziening uit bijlage 1 ‘instrumenten re-integratie’ aanbieden:

    • a.

      de voorziening is noodzakelijk om de niet-uitkeringsgerechtigde zijn/haar werk te kunnen laten uitvoeren; en

    • b.

      er is geen sprake van een voorliggende voorziening, tenzij deze buiten de schuld van deze persoon om vroegtijdig is afgebroken; en

    • c.

      de niet-uitkeringsgerechtigde heeft geen recht op een premie (zoals bijvoorbeeld een stimuleringspremie)

Hoofdstuk 3: Verplichtingen

Paragraaf 3.1: Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling

Artikel 3:1: Plan van aanpak

  • 1.

    Het college stemt de ondersteuning als bedoeld in artikel 2 en 3 van deze beleidsregels af op de persoonlijke situatie en mogelijkheden van belanghebbende. In samenspraak met belanghebbende wordt de inhoud van het traject bepaald.

  • 2.

    Het college legt de wederzijdse afspraken schriftelijk vast in een plan van aanpak, dan wel in een persoonlijk plan inburgering en participatie (PIP) en maakt deze bij beschikking aan belanghebbende kenbaar.

  • 3.

    Van het opstellen van een plan van aanpak wordt afgezien als het een belanghebbende betreft die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Artikel 3:2: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar

  • 1.

    Voor een jongere tot 27 jaar die een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend of zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, niet zijnde een kwetsbare jongere, geldt de eerste vier weken de inspanningsverplichting om: zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, wanneer sprake is van een jongere zoals bedoeld in het derde lid, zijn of haar mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid;

  • 2.

    De inspanningsverplichting als genoemd in het eerste lid is niet van toepassing als er zwaarwegende redenen bestaan in de individuele situatie van de belanghebbende, die ertoe leiden dat de belanghebbende niet in staat kan worden geacht aan de inspanningsverplichting te voldoen.

  • 3.

    Voor alle jongeren geldt de verplichting dat ze terug naar school gaan, tenzij terugkeer naar school redelijkerwijs niet van hen kan worden verwacht. Terugkeer naar school kan niet redelijkerwijs worden verwacht wanneer:

  • 4.

    het een jongere betreft met een toereikende startkwalificatie (MBO 2 niveau of hoger), mits de afgeronde opleiding voldoende arbeidsmarktperspectief biedt;

  • 5.

    het studieadvies uitwijst dat het voor de jongere niet haalbaar is om terug naar school te gaan;

  • 6.

    er in de individuele situatie van de jongere zeer bijzondere omstandigheden bestaan die een reële belemmering vormen om terug naar school te gaan.

  • 7.

    In aanvulling op het derde lid geldt dat jongeren pas terug naar school kunnen vanaf het moment dat de opleidingen ook daadwerkelijk starten.

  • 8.

    In afwijking van het derde lid geldt dat een jongere die geen startkwalificatie heeft, wel het vermogen heeft om deze te halen, maar geen of onvoldoende recht op studiefinanciering heeft, in beginsel niet terug naar school wordt geleid.

  • 9.

    De jongere die aangeeft niet terug naar school te kunnen, dient met bewijsstukken aan te tonen dat het volgen van een opleiding bekostigd door de Rijksoverheid niet mogelijk is.

  • 10.

    Als de jongere de benodigde bewijsstukken zoals bedoeld in het vijfde lid niet kan overleggen en dit niet verwijtbaar is, dan kan indien nodig een medisch – dan wel arbeidsdeskundig advies worden ingewonnen naar de belemmeringen van de jongere.

 

Paragraaf 3.1.2: Ontheffingen, zorgtaken

Artikel 3:3: Verlenen van ontheffing wegens dringende redenen

  • 1.

    Een uitkeringsgerechtigde wordt slechts ontheven van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a Participatiewet en artikel 37 IOAW/IOAZ wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn in ieder geval aanwezig als de uitkeringsgerechtigde wordt opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, Participatiewet.

  • 2.

    Een uitkeringsgerechtigde wordt ontheven van de verplichtingen over de periode waarover de belemmering zich voordoet, in principe maximaal voor de duur van 1 jaar tenzij anders passend.

  • 3.

    Bij het verlenen van de ontheffing wordt direct een (her)onderzoek in het systeem aangemaakt voor de afloop van de ontheffing. Hierin vindt een herbeoordeling plaats, die in het geval van ongewijzigde dan wel voortdurende omstandigheden administratief kan worden afgehandeld.

  • 4.

    Dringende redenen zoals bedoeld in het eerste lid kunnen voortkomen uit zorgtaken, lichamelijke- of psychische belemmeringen.

  • 5.

    Een ontheffing gaat in beginsel vergezeld van een verplichting om de omstandigheden, die maken dat een ontheffing noodzakelijk is, teniet te doen, als dit binnen het vermogen van de belanghebbende ligt.

Artikel 3:4: Ontheffing wegens lichamelijke of psychische belemmering

  • 1.

    Als een belanghebbende vanwege een lichamelijke of psychische belemmering niet aan de verplichtingen kan voldoen, kan (gedeeltelijke) ontheffing zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, worden verleend.

  • 2.

    Een belanghebbende wordt enkel ontheven van die verplichtingen waaraan hij vanwege zijn belemmeringen niet kan voldoen; lichamelijke of psychische belemmeringen sluiten deelname aan het arbeidsproces niet altijd volledig uit.

  • 3.

    Bij het afstemmen van de plicht tot arbeidsinschakeling op de individuele omstandigheden van de belanghebbende, kan een advies van een arbeids- dan wel medisch deskundige worden ingewonnen.

  • 4.

    Als uit reeds beschikbare medische gegevens objectief kan worden vastgesteld dat een ontheffing al dan niet dient te worden verleend, dan is een medisch onderzoek overbodig.

Artikel 3:5: Ontheffing wegens intensieve zorgtaken

  • 1.

    Zorgtaken zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid, Participatiewet kunnen in bepaalde gevallen als dringende redenen worden aangemerkt op grond waarvan een ontheffing als bedoeld in artikel 7, eerste lid, kan worden verleend.

  • 2.

    De zorgtaak die wordt aangemerkt als dringende reden moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • a.

      de betreffende zorgtaak is niet te combineren met de verplichting tot arbeidsinschakeling;

    • b.

      er kan voor de zorgtaak geen of slechts een gedeeltelijk beroep worden gedaan op een voorliggende voorziening;

    • c.

      het betreft bijzondere zorg voor een zieke / anderszins hulpbehoevende bloed- of aanverwant, en dus niet reguliere opvoeding of zorg.

    • d.

      de duur van de ontheffing wordt vastgesteld conform hetgeen gesteld is in artikel 7, derde lid, dan wel zoveel korter als de zorgtaak wordt verricht.

  • 3.

    Wanneer er bij het aanbieden van een voorziening rekening kan worden gehouden met de betreffende zorgtaken, worden de zorgtaken voor dat gedeelte niet als dringend beoordeeld.

Artikel 3:6: Rekening houden met bepaalde zorgtaken

  • 1.

    Bij de invulling van de arbeidsverplichtingen houdt het college rekening met een verantwoorde invulling van de combinatie werk en zorg.

  • 2.

    Het college houdt bij het aanbieden van voorzieningen rekening met de volgende zorgtaken:

    • a.

      de opvang van ten laste komende kinderen tot vijf jaar, en

    • b.

      de noodzaak van het verrichten van mantelzorg.

  • 3.

    Wanneer rekening wordt gehouden met de zorgtaak, dan wordt een voorziening, met name qua tijdsindeling, zo ingericht dat deze naast de zorgtaak kan worden uitgevoerd.

  • 4.

    Belanghebbende wordt, indien van toepassing, gewezen op de aanwezigheid van flankerende voorzieningen.

 

Paragraaf 3.2: Verplichtingen gericht op de rechtmatigheid

Artikel 3:7: Recht op jongerentoeslag

  • 1.

    Het is aannemelijk dat een jongere voor de kosten van levensonderhoud geen beroep kan doen op de onderhoudsplicht van de ouders als deze:

    • a.

      aantoonbaar niet thuis kan wonen bij de ouder(s) en

    • b.

      geen beroep kan doen op diens onderhoudsrecht jegens de ouders omdat de middelen van de ouders ontoereikend zijn of het beroep hierop wegens veiligheid niet mogelijk is; of

    • c.

      als de ouders overleden zijn of niet bereikbaar in het buitenland zijn;

  • 2.

    De aanvullende norm kan verhoogd worden op grond van artikel 18 (afstemming) als sprake is van individueel noodzakelijk hogere algemene kosten van bestaan dan waarin de samengestelde normen o.g.v. artikel 20 Pw voorzien.

  • 3.

    De totale uitkering voor jongeren kan nooit hoger zijn dan de norm voor 21 jaar en ouder of het wettelijk minimum jeugdloon dat geldt voor de betreffende jongere.

Artikel 3:8: Bewijsstukken

  • 1.

    Het college vraagt bij een bijstandsaanvraag alleen die informatie op, waar het college niet zelf uit de systemen kan beschikken én die noodzakelijk zijn om het recht op bijstand vast te kunnen stellen.

  • 2.

    Een belanghebbende is zelf verantwoordelijk voor het overleggen van zijn of haar gegevens.

  • 3.

    Wanneer deze gegevens niet meer in het bezit zijn, moet belanghebbende zorgen voor vervangende exemplaren.

  • 4.

    Als een belanghebbende geen vervangende exemplaren kan overleggen, beoordeelt het college of dat verwijtbaar is.

  • 5.

    Als het niet kunnen overleggen van gegevens niet verwijtbaar is, beoordeelt het college de aanvraag aan de hand van de wel aanwezige gegevens.

Artikel 3:9: Bankafschriften

  • 1.

    Bij onderzoeken naar de rechtmatigheid vraagt het college in beginsel bankafschriften op over de laatste drie maanden.

  • 2.

    Het is mogelijk om afschriften op te vragen over een langere periode wanneer daartoe aanleiding bestaat.

  • 3.

    Het college accepteert deels onleesbaar gemaakte bankafschriften, tenzij de onleesbaar gemaakte gegevens noodzakelijk zijn ter beoordeling van het recht op bijstand.

Artikel 3:10: Vermogen

  • 1.

    Het college stelt bij aanvang van de bijstandsverlening het vermogen vast, conform het bepaalde in artikel 34, eerste en tweede lid, PW.

  • 2.

    De gemeente beoordeelt het recht op bijstand op basis van het daadwerkelijke vermogen van de aanvrager. Hierbij houdt de gemeente alleen rekening met direct opeisbare schulden.

  • 3.

    Alleen het vermogen boven de vermogensgrens zoals opgenomen in artikel 34 lid 3 Pw wordt in aanmerking genomen.

  • 4.

    Als tijdens de bijstandsverlening twijfel of onduidelijkheid over het vermogen ontstaat of bij aanwijzingen dat het vermogen boven de vrijlatingsgrens uitkomt wordt nader onderzoek ingesteld.

Artikel 3:11: Vaststelling van het vermogen

  • 1.

    Bij de bepaling van het vermogen laat het college de volgende zaken buiten beschouwing:

    • a.

      auto’s en motoren die ouder zijn dan 9 jaar, tenzij het een auto betreft van een merk zoals opgenomen in Bijlage 1 bij deze beleidsregels;

    • b.

      aanhangers en caravans die ouder zijn dan 9 jaar;

    • c.

      fietsen, e-bikes, brom- en snorfietsen, brom- of snorscooters, scooters en brommobielen;

  • 2.

    Bij het bepalen van de waarde hanteren we de dagwaarde (vervanging bij total loss) van de Koerslijst ANWB

  • 3.

    Bij voertuigen die wel tot het vermogen worden gerekend, hanteren we een vrijlating van € 3.000 in totaal.

  • 4.

    De vrijlating zoals bedoeld in lid 3 van dit artikel geldt niet voor boten, caravans of campers.

  • 5.

    Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

    • a.

      Van het bij de aanvraag om bijstand aanwezige saldo op de lopende bank/girorekening wordt een bedrag niet tot de middelen gerekend. Het bedrag dat wordt vrijgelaten is 1,5 maal de van toepassing zijnde norm (exclusief vakantietoeslag).

    • b.

      alles wat op spaarrekeningen (ook van de ten laste komende kinderen) of andere vermogensrekeningen (ook van de ten laste komende kinderen) staat valt niet onder de vrijlating.

  • 6.

    Vaststelling van het vermogen tijdens de uitkering

    • a.

      Ontvangen minima regelingen zijn niet van invloed op het vermogen.

  • 7.

    Uitvaartkosten

    • a.

      Volledige waarde uitvaartverzekering wordt vrijgelaten, ook als het afkoopbaar is.

    • b.

      Levensverzekering die verband houdt met uitvaart niet meenemen als middel, ook niet als het afkoopbaar is.

  • 8.

    In het kader van de vermogensvaststelling doen wij in beginsel geen onderzoek naar het bezit en waarde van cryptovaluta.

Artikel 3:12: Informatieverstrekking tijdens de uitkering

De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.

Artikel 3:13: Giften

  • 1.

    Alle eenmalige en periodieke giften zowel in geld als in natura worden niet tot de middelen gerekend, voor zover deze:

    • a.

      de vrijlatingsgrens, zoals genoemd in artikel 31, tweede lid, onder m, van de wet, niet overschrijden;

    • b.

      de vrijlatingsgrens overschrijden en naar het oordeel van het college, in het licht van bijstandsverlening, verantwoord zijn.

  • 2.

    Het ontvangen van giften tot een bedrag zoals opgenomen in artikel 31 lid 2 onder m per kalenderjaar valt niet onder de inlichtingenplicht.

  • 3.

    De wettelijke vrijlating geldt per uitkering, niet per uitkeringsgerechtigde.

  • 4.

    De vrijlatingsgrens wordt per kalenderjaar vastgesteld en geldt voor het gehele kalenderjaar, ongeacht de ingangsdatum van de bijstandsverlening. De restant vrijlatingsbedrag kan na afloop van het kalenderjaar niet meegenomen worden naar het volgende jaar.

  • 5.

    Ingeval de gift in natura is verstrekt, wordt de waarde van de gift vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering.

  • 6.

    Alle niet-herleidbare ontvangsten of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de bijstandsgerechtigde of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.

  • 7.

    In het geval van giften geldt in ieder geval het volgende:

    • a.

      Voor giften boven de giftenvrijlating vindt een maatwerkbeoordeling plaats.

    • b.

      Giften met een periodiek karakter worden boven de giftenvrijlating in aanmerking genomen als inkomen. Giften hoger dan de wettelijke grens met een eenmalig karakter worden voor het meerdere in aanmerking genomen als vermogen.

    • c.

      Als de gift een voorwerp is, wordt de waarde van dit voorwerp door het college in geld bepaald. Als de waarde hoger is dan de wettelijke grens, dan wordt het meerdere opgesteld bij het vermogen.

    • d.

      Giften in natura verstrekt door een charitatieve instelling worden niet tot de middelen gerekend.

    • e.

      Als een bonus wordt ontvangen van de werkgever dan telt deze mee als gift wanneer de bonus eenmalig als beloning voor een bijzondere prestatie is toegekend.

Artikel 3:14: Schadevergoeding

  • 1.

    De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt.

  • 2.

    Een schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding toeziet.

  • 3.

    Een schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor immateriële schade wordt in beginsel niet tot het vermogen gerekend (artikel 34 lid 2 van de Participatiewet);

  • 4.

    Overschrijdt de immateriële schadevergoeding als bedoeld in lid 3 het bedrag van € 15.871 (prijspeil 1 januari 2024; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd), dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.

  • 5.

    Vergoedingen op grond van de 'regeling tegemoetkoming Chroom6' worden beschouwd als vergoedingen die op grond van artikel 31 lid 2 sub m Participatiewet niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend.

Hoofdstuk 4: Verlaging van de uitkering en bestuurlijke boete

Paragraaf 4.1: Algemene bepalingen

Artikel 4:1: Verwijtbaarheid

  • 1.

    Het college stemt zowel het opleggen van een verlaging van de uitkering als het opleggen van een bestuurlijke boete af op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert.

  • 2.

    Wanneer, als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting, sprake is van een benadelingsbedrag, stelt het college de hoogte van de bestuurlijke boete vast op de ernst van de gedraging en de mate waarin deze aan de overtreder is te verwijten, zoals opgenomen in artikel 4:9 van deze beleidsregels. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.

  • 3.

    Het college stelt de boete vast op een verlaagd percentage van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake in de gevallen zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.

  • 4.

    Het college ziet af van het opleggen van een verlaging van de uitkering of een bestuurlijke boete als iedere verwijtbaarheid ontbreekt.

  • 5.

    Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid als:

    • a.

      een belanghebbende de inhoud van de correspondentie van de gemeente niet begrijpt en/of omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst;

    • b.

      een belanghebbende langere tijd niet in staat is zijn belangen te behartigen.

Artikel 4:2: Dringende redenen

  • 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een verlaging van de uitkering of een bestuurlijke boete als sprake is van dringende redenen.

  • 2.

    Van dringende redenen is in ieder geval sprake als het opleggen van een verlaging van de uitkering of een bestuurlijke boete, in de individuele situatie, vanwege zeer uitzonderlijke en bijzondere omstandigheden onaanvaardbare consequenties zou hebben voor de belanghebbende of zijn gezin.

Artikel 4:3: Waarschuwing

  • 1.

    Voor de gedragingen, als genoemd in artikel 26, aanhef en onderdeel b, en artikel 27, aanhef en onderdeel b van de Verzamelverordening, legt het college in plaats van een verlaging van de uitkering, eerst een schriftelijke waarschuwing op, tenzij:

    • a.

      de belanghebbende zich in de 12 maanden voor de gedraging al eerder schuldig heeft gemaakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging uit dezelfde categorie;

    • b.

      duidelijk is dat de belanghebbende ondubbelzinnig niet aan deze verplichting heeft willen voldoen.

  • 2.

    Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als:

    • a.

      het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot een benadelingsbedrag;

    • b.

      het benadelingsbedrag niet hoger is dan € 150,00;

    • c.

      de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.

    • d.

      Een redelijke termijn als bedoeld in lid 2 sub c van dit artikel, is niet langer dan 60 dagen nadat de inlichtingen hadden behoren te worden verstrekt.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid legt het college wel een bestuurlijke boete op als:

    • a.

      de schending van de inlichtingenplicht plaatsvindt binnen twee jaar nadat in verband met een eerdere schending van de inlichtingenplicht een bestuurlijke boete of een waarschuwing is opgelegd;

    • b.

      het college het gegronde vermoeden heeft dat de inlichtingenplicht opzettelijk is geschonden.

Paragraaf 4.2: Verlaging van de uitkering

Paragraaf 4.2.1: Gedragingen

Artikel 4:4: Arbeidsverplichtingen

  • 1.

    Van schending van de arbeidsverplichtingen is naar de mening van het college sprake als de belanghebbende:

    • a.

      algemeen geaccepteerde arbeid weigert, waardoor hij langduriger aangewezen blijft op een uitkering, of een hogere aanvulling vanuit de bijstand nodig heeft;

    • b.

      geen gebruik maakt van een hem aangeboden voorziening, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van deze beleidsregels;

    • c.

      niet naar vermogen solliciteert, of zoveel meer of minder als op individuele basis met de klant is afgesproken. Deze afspraken leggen we vast in de beschikking of een plan van aanpak;

    • d.

      de inschakeling in het arbeidsproces belemmert door zijn houding en/of gedrag.

  • 2.

    Wanneer de belanghebbende de arbeidsverplichtingen schendt, overweegt het college een verlaging van de uitkering op grond paragraaf 3.2 van de Verzamelverordening.

  • 3.

    Het college ziet af van het opleggen van een verlaging van de uitkering wegens schending van de arbeidsverplichtingen als:

    • a.

      de belanghebbende geheel is ontheven van de arbeidsverplichtingen;

    • b.

      de belanghebbende is ontheven van die arbeidsverplichting waarop de verlaging van de uitkering betrekking heeft;

    • c.

      de belanghebbende in de periode gelegen tussen de gedraging en het moment van opleggen van de verlaging van de uitkering alsnog werk heeft gevonden, waardoor hij volledig uitstroomt uit de uitkering;

    • d.

      de uitkering van de belanghebbende voor het opleggen van de verlaging van de uitkering is beëindigd.

Artikel 4:5: Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid op grond van de PW

  • 1.

    Van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid is in ieder geval sprake in de volgende situaties:

    • a.

      het versneld interen van vermogen of het doen van een schenking, waardoor belanghebbende eerder een beroep moet doen op een uitkering op grond van de PW;

    • b.

      het door eigen toedoen geen beroep kunnen doen op een passende en toereikende voorliggende voorziening;

    • c.

      voor aanvang van de uitkering algemeen geaccepteerde arbeid verwijtbaar niet behouden, waardoor hij in bijstandsbehoeftige omstandigheden is geraakt.

  • 2.

    Wanneer sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid overweegt het college eerst een verlaging van de uitkering op grond van artikel 23, derde, vierde of vijfde lid van de Verzamelverordening.

  • 3.

    Wanneer de toepassing van het tweede lid van dit artikel leidt tot onbillijkheden, geeft het college toepassing aan artikel 23, zevende lid van de Verzamelverordening.

  • 4.

    Van onbillijkheden, zoals bedoeld in het vorige lid is in ieder geval sprake wanneer toepassing geven aan het tweede lid leidt tot:

    • a.

      onaanvaardbare financiële of sociale consequenties zoals een uithuiszetting of afsluiting van energie of water;

    • b.

      levensbedreigend, dan wel blijvend letsel of invaliditeit, welke alleen is af te wenden door het verstrekken van bijstand.

Artikel 4:6: Ernstige misdragingen

  • 1.

    Van ernstige misdragingen is sprake in de volgende situaties:

    • a.

      het gebruiken van of dreigen met fysiek geweld jegens ambtenaren, medewerkers van het UWV of medewerkers van een door de gemeente ingeschakeld (re-integratie)bedrijf;

    • b.

      het gebruiken van of dreigen met fysiek geweld jegens eigendommen van de gemeente;

    • c.

      het gebruiken van verbaal geweld jegens ambtenaren, daaronder begrepen schelden;

    • d.

      het sturen van brieven, e-mails of andere berichten met een dreigende inhoud.

  • 2.

    Wanneer de belanghebbende zich ernstig misdraagt, treedt het Protocol ongewenste omgangsvormen in werking.

  • 3.

    Conform artikel 11 tot en met 14 van de Verzamelverordening legt het college een verlaging van de uitkering op.

 

Paragraaf 4.2.2: Overige bepalingen verlagingen van de uitkering

Artikel 4:7: Verzoek tot herzien van een verlaging van de uitkering geüniformeerde arbeidsverplichting

  • 1.

    Als een verlaging van de uitkering van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW, met een duur van twee maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze verlaging van de uitkering te herzien.

  • 2.

    In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn:

    • a.

      een beschrijving van de geschonden verplichting; en

    • b.

      een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit aan het college kan aantonen.

  • 3.

    Het college beoordeelt op basis van het verzoek of zij de verlaging van de uitkering herziet.

  • 4.

    Belanghebbende kan het verzoek niet eerder indienen dan dag waarop de effectuering van de verlaging van de uitkering start.

  • 5.

    Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een verlaging van de uitkering is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de verlaging van de uitkering vanaf die dag komt te vervallen.

  • 6.

    Een verzoek tot herziening van de verlaging van de uitkering heeft geen opschortende werking voor wat betreft het effectueren van de verlaging van de uitkering.

  • 7.

    Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van een verlaging van de uitkering slecht één maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een tweede verzoek niet beoordelen.

  • 8.

    Een belanghebbende kan per kalenderjaar niet meer dan twee maal een verzoek tot herziening indienen. Het college zal een volgend verzoek niet beoordelen.

  • 9.

    Als daartoe aanleiding bestaat, kan het college ambtshalve besluiten over te gaan tot herziening van de verlaging van de uitkering.

  • 10.

    Het college geeft belanghebbende schriftelijke terugkoppeling op het verzoek.

Artikel 4:8: Spreiding verlaging van de uitkering naar drie maanden

  • 1.

    Van de mogelijkheid om de verlaging te spreiden over drie maanden, zoals opgenomen in artikel 14, zesde lid van de Verzamelverordening, kan het college enkel gebruik maken als er sprake is van een gedraging waar inkeer nog van mogelijk is.

  • 2.

    De verlaging wordt als volgt gespreid:

    • a.

      40% van de verlaging van de uitkering gedurende de eerste maand;

    • b.

      30% van de verlaging van de uitkering gedurende de tweede maand;

    • c.

      30% van de verlaging van de uitkering gedurende de derde maand.

  • 3.

    Als de belanghebbende binnen de inkeertermijn alsnog voldoet aan de gemaakte afspraken, dan vervalt het restant van de verlaging van de uitkering.

Artikel 4:9: Verlaging van de uitkering van 100% halveren

  • 1.

    Van de mogelijkheid om een verlaging van de uitkering van 100% gedurende 1 maand bij gedragingen van de eerste categorie te halveren, zoals opgenomen in artikel 21, derde lid, Verzamelverordening, kan het college gebruikmaken als er sprake is van een gedraging waar herstel niet van mogelijk is.

  • 2.

    In de volgende situaties maakt het college gebruik van de in het eerste lid opgenomen mogelijkheid:

    • a.

      als er sprake is van een gezin met ten laste komende kinderen, omdat kinderen niet de dupe mogen worden van de gedragingen van de volwassen gezinsleden;

    • b.

      als er sprake is van een minnelijk schuldhulpverleningstraject;

    • c.

      in andere situaties als duidelijk is dat er grote problemen ontstaan zoals bijvoorbeeld dreigende huisuitzettingen.

  • 3.

    De opsomming genoemd in lid 2 betreft geen uitputtende lijst; andere individuele omstandigheden kunnen ook reden zijn om de verlaging van de uitkering te halveren.

  • 4.

    Een afwijking zoals bedoeld in lid 1 en lid 2 op de hoofdregel dient altijd gemotiveerd te worden.

Artikel 4:10: Verzoek tot herzien verlaging van de uitkering indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt

  • 1.

    Als in geval van recidive een verlaging van de uitkering van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd met een duur van twee maanden, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze verlaging van de uitkering gedeeltelijk niet te effectueren.

  • 2.

    In dit verzoek dient in ieder geval opgenomen te zijn:

    • a.

      een beschrijving van de geschonden verplichting; en

    • b.

      een verklaring, eventueel met ondersteunende bewijsstukken, waarin de belanghebbende aantoont dat hij op het moment van indienen van het verzoek wél ondubbelzinnig aan de verplichting voldoet, dan wel de wijze waarop hij dit aan het college kan aantonen.

  • 3.

    Het college beoordeelt op basis van het verzoek of de verlaging van de uitkering gedeeltelijk niet geeffectueerd wordt.

  • 4.

    Een verzoek kan niet eerder worden ingediend dan de dag waarop de effectuering van de verlaging van de uitkering start en niet later dan dat de verlaging van de uitkering volledig geeffectueerd is.

  • 5.

    Indien de belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan wordt de verlaging van de uitkering vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de belanghebbende het verzoek als bedoeld in lid 1 heeft ingediend, niet geeffectueerd. Dit betekent dat de verlaging van de uitkering vanaf die dag komt te vervallen.

  • 6.

    Een verzoek tot het gedeeltelijk niet effectueren van de verlaging van de uitkering heeft geen opschortende werking.

  • 7.

    Een belanghebbende kan voor ieder besluit dat heeft geleid tot oplegging van een verlaging van de uitkering slechts eenmaal een verzoek tot het gedeeltelijk niet effectueren van de verlaging van de uitkering indienen; een volgend verzoek wordt niet beoordeeld.

  • 8.

    Een belanghebbende kan per kalenderjaar niet meer dan tweemaal een verzoek tot het gedeeltelijk niet effectueren van de verlaging van de uitkering indienen; een volgend verzoek wordt niet beoordeeld.

  • 9.

    Indien daartoe aanleiding bestaat, kan het college ambtshalve besluiten over te gaan tot het gedeeltelijk niet effectueren van de verlaging van de uitkering.

  • 10.

    Het college geeft belanghebbende schriftelijke terugkoppeling op het verzoek.

 

Paragraaf 4.3: Bestuurlijke boete

Artikel 4:11: Vaststellen hoogte bestuurlijke boete

  • 1.

    Het college stelt de hoogte van de bestuurlijke boete vast op:

    • a.

      100% van het benadelingsbedrag als de inlichtingenplicht opzettelijk is overschreden;

    • b.

      75% van het benadelingsbedrag als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;

    • c.

      50% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;

    • d.

      25% van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.

  • 2.

    Bij recidive past het college de percentages, genoemd in het eerste lid van dit artikel, toe op het benadelingsbedrag, vermenigvuldigd met 150% van dit bedrag.

  • 3.

    Bij toepassing van het eerste en tweede lid is de bestuurlijke boete - als een belanghebbende beschikt over inkomen op bijstandsniveau - in ieder geval niet hoger dan:

    • a.

      5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 24 maanden, als de inlichtingenplicht opzettelijk is overtreden;

    • b.

      5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 18 maanden, als sprake is van grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;

    • c.

      5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 12 maanden, als er geen sprake is van opzet of grove schuld ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht;

    • d.

      5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, vermenigvuldigd met 6 maanden, als sprake is van verminderde verwijtbaarheid ten aanzien van de overtreding van de inlichtingenplicht.

  • 4.

    Het college verlaagt de hoogte van de bestuurlijke boete als dit vanwege bijzondere omstandigheden noodzakelijk is voor de vaststelling van een evenredige bestuurlijke boete.

  • 5.

    Als de schending van de inlichtingenplicht heeft plaatsgevonden vóór 1 januari 2013 en heeft voortgeduurd na 1 januari 2013, dan beoordeelt het college het gedeelte van de overtreding dat zich heeft voorgedaan vóór 1 januari 2013, naar het recht dat vóór die datum gold.

  • 6.

    Bij cumulatie van boeten, legt het college de hoogste boete op.

  • 7.

    Als de schending van de inlichtingenplicht direct verband houdt met aanwezig vermogen, is lid 3 van dit artikel niet van toepassing voor zover de vastgestelde boete op grond van lid 1 en 2 van dit artikel kan worden voldaan uit het aanwezige vermogen.

Artikel 4:12: Overschrijding van de termijn van orde (13 wekentermijn) leidt tot een matiging van de op te leggen boete

  • 1.

    Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen op een moment dat gelegen is tussen 13 weken en 26 weken na de datum waarop de overtreding is geconstateerd, zoals terug te vinden in het boeterapport, wordt het boetepercentage verlaagd met 5%.

  • 2.

    Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen op een moment dat gelegen is tussen 26 weken en 52 weken na de datum waarop de overtreding is geconstateerd, zoals terug te vinden in het boeterapport, wordt het boetepercentage verlaagd met 10%.

  • 3.

    Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen later dan 52 weken na de datum waarop de overtreding is geconstateerd, zoals terug te vinden in het boeterapport, wordt het boetepercentage verlaagd met 15%. Hierbij worden de wettelijke bepalingen van de verjaringstermijnen in acht genomen zoals bepaald is in Awb artikel 5:45.

  • 4.

    Bij verlaging van het boetepercentage op grond van het tweede of derde lid is bedrag waarmee de boete wordt verlaagd nooit hoger dan € 1.000,-.

Artikel 4:13: Procedure en zienswijze

  • 1.

    Als sprake is van een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag zoals vermeld in artikel 5.53 Awb, dan nodigt het college de belanghebbende uit om zijn zienswijze mondeling, dan wel schriftelijk naar voren te brengen binnen een door het college gestelde termijn.

  • 2.

    Als de belanghebbende niet reageert op de uitnodiging om diens zienswijze naar voren te brengen, dan beoordeelt het college de boete vanuit de gegevens zoals die bij haar bekend zijn.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid kan een belanghebbende bij een benadelingsbedrag, lager dan het bedrag vermeld in artikel 5.53 Awb ook zijn zienswijzen geven, als hij hiertoe verzoekt of als de situatie daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4:14: Strafrechtelijke afdoening

  • 1.

    Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag hoger dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude.

  • 2.

    Het college doet aangifte bij het Openbaar Ministerie bij een benadelingsbedrag gelijk aan dan wel lager dan het bedrag genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude als:

    • a.

      er strafrechtelijke dwangmiddelen zijn toegepast;

    • b.

      het wenselijk is om strafrechtelijke dwangmiddelen toe te passen;

    • c.

      er sprake is van een combinatie met andere strafbare feiten;

    • d.

      dit belangrijk is gelet op de status of voorbeeldfunctie van de belanghebbende;

    • e.

      er sprake is van recidive met een totaal fraudebedrag hoger dan het bedrag als genoemd in Categorie II van de Richtlijn voor strafvordering sociale zekerheidsfraude;

    • f.

      fraude is gepleegd met medeweten van uitvoerende ambtenaren;

    • g.

      fraude is gepleegd in georganiseerd verband, of;

    • h.

      feiten en omstandigheden van de verdachte hiertoe aanleiding geven en op voorhand duidelijk is dat betrokkene de boete niet kan of gaat betalen wegens het ontbreken van aflossingsruimte voor de duur van een vooraf niet te voorziene periode.

Hoofdstuk 5: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik

Paragraaf 5.1: Algemeen

Artikel 5:1: Hoogwaardige handhaving

Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van hoogwaardig handhaven.

Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn:

  • 1.

    Goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen;

  • 2.

    Het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW);

  • 3.

    Het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik;

  • 4.

    Het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik

Het handhavingsproces kan in beeld worden gebracht met de “Cirkel van naleving”.

  • 1.

    Goede en tijdige voorlichting over rechten en verplichtingen: inwoners die bijstand aanvragen of al ontvangen, krijgen heldere en begrijpelijke informatie over de regels die bij de uitkering horen. Voorlichting sluit zoveel mogelijk aan bij de leefsituatie van de inwoner die het betreft.

  • 2.

    Het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW): de klant mag geen onnodige (administratieve) drempels in de dienstverlening tegenkomen. Het moet eenvoudig zijn om je aan de regels houden, en de regels moeten voor iedereen begrijpelijk uitgelegd worden. Daardoor worden de regels ook meer geaccepteerd.

  • 3.

    Het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik: controles worden gedaan op basis van signalen of aan de hand van een gekozen thema of risico. Controles zijn enerzijds bedoeld om onrechtmatig gebruik van de uitkering tegen te gaan. Daarnaast zijn controles ook een vorm van vroegsignalering. Hoe eerder duidelijk wordt dat de uitkering is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie (of dat nu bewust of per ongeluk gebeurd is), hoe kleiner het gevolg kan zijn. Dit is vooral belangrijk omdat de Participatiewet voorschrijft dat teveel ontvangen uitkering altijd moet worden terugbetaald.

  • 4.

    Het metterdaad straffen van oneigenlijk gebruik en misbruik: als een (bewuste) regelovertreding vastgesteld wordt, volgt een boete of een maatregel: een boete als de inlichtingenplicht is overtreden, een maatregel voor alle andere verplichtingen.

Hoofdstuk 6: Terugvordering, invordering en verhaal

Paragraaf 6.1: Algemeen

Artikel 6:1: Gebruik van de bevoegdheid

  • 1.

    Het college herziet het besluit tot toekenning of voortzetting van de uitkering, of schort het recht op uitkering op volgens de bepalingen uit artikel 54, eerste en tweede lid Participatiewet, dan wel artikel 17, eerste en tweede lid Ioaw of Ioaz.

  • 2.

    Het college vordert de uitkering terug volgens de bepalingen van paragraaf 6.4 Participatiewet of paragraaf 2.5 Ioaw of Ioaz.

  • 3.

    Het college verhaalt de kosten van uitkering van een onderhoudsplichtige volgens de bepalingen van paragraaf 6.5 Participatiewet.

Artikel 6:2: Afzien van het gebruik van de bevoegdheid

  • 1.

    Het college ziet af van het gebruik van de bevoegdheden, genoemd in artikel 6:1 als er sprake is van dringende redenen.

  • 2.

    Van dringende redenen is in ieder geval sprake als:

    • a.

      Opschorting, herziening, terug- of invordering van teveel betaalde bijstand leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties of levensbedreigende situaties. Hierbij wordt het evenredigheidsbeginsel toegepast;

    • b.

      Verhaal van bijstand kan leiden tot (fysiek) geweld of er een gerechtvaardigd vermoeden is dat het verhaalonderzoek zal leiden tot geweld van de onderhoudsplichtige richting de onderhoudsgerechtigde.

Paragraaf 6.2: Terugvordering

Artikel 6:3: Terugvordering

  • 1.

    Van de uitkering die na ontvangst van een signaal ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekt is, kan maximaal de uitkering over de eerste zes maanden, gerekend vanaf de ontvangst van het signaal, worden teruggevorderd.

  • 2.

    Onder een signaal als genoemd in het eerste lid wordt verstaan relevante informatie van de belanghebbende waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen

  • 3.

    De in het eerste lid genoemde beperking tot zes maanden geldt niet, indien de belanghebbende in dit kader de inlichtingenplicht heeft geschonden;

Artikel 6:4: Afzien van terugvordering

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 6:3, kan het college binnen de grenzen van artikel 58 Participatiewet, artikel 25 Ioaw en artikel 25 Ioaz geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien, indien:

    • a.

      de belanghebbende gedurende 5 jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat deze nog verricht gaan worden;

    • b.

      de belanghebbende gedurende 3 jaar geen betalingen heeft verricht en het niet aannemelijk is dat deze nog verricht gaan worden, tenzij de vordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • c.

      het terug te vorderen bedrag lager is dan € 200,00 en de vordering niet het gevolg is van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht.

  • 2.

    Een besluit om bij belanghebbende van terugvordering af te zien laat de mogelijkheid in stand om terug te vorderen van de persoon, die mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van de uitkering op grond van artikel 59 Participatiewet, artikel 26 Ioaw of Ioaz, als zij op dat moment geen gehuwden meer zijn.

Artikel 6:5: Afzien van terugvordering (op verzoek van belanghebbende)

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 kan het college binnen de grenzen van artikel 58 Participatiewet en artikel 25 Ioaw en Ioaz geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien, indien:

    • a.

      de belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 5 jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan;

    • b.

      de belanghebbende een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 5 jaar weliswaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan, maar een bedrag, overeenkomend met minimaal 50% van de restantvordering, in één keer heeft afgelost;

    • c.

      de belanghebbende voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, een verzoek om kwijtschelding doet, nadat belanghebbende gedurende 3 jaar volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan;

    • d.

      de belanghebbende voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, een verzoek om kwijtschelding doet nadat belanghebbende gedurende 3 jaar weliswaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan, maar een bedrag, overeenkomend met minimaal 50% van de restantvordering, in één keer heeft afgelost;

    • e.

      de belanghebbende een beroep doet op de aanwezigheid van dringende redenen, en dit beroep gehonoreerd wordt.

  • 2.

    Een besluit om bij een belanghebbende van terugvordering af te zien laat de mogelijkheid in stand om terug te vorderen van de persoon, die mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van de uitkering op grond van 59 Participatiewet, artikel 26 Ioaw of Ioaz, als zij op dat moment geen gehuwden meer zijn.

Artikel 6:6: Afzien van terugvordering niet mogelijk

Afzien van terugvordering is niet mogelijk:

  • a.

    Ten aanzien van vorderingen welke door pand of hypotheek op een goed of op goederen zijn gedekt, behoudens voor zover zij niet op die goederen verhaald kunnen worden;

  • b.

    Indien naast een bestaande vordering een nieuwe verwijtbare vordering blijkt of ontstaat;

  • c.

    Voor de inning van vorderingen waarvoor dwangincasso heeft plaatsgevonden;

  • d.

    Voor vorderingen die het gevolg zijn van een boete die is opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht én ten aanzien waarvan sprake is van opzet of grove schuld.

Artikel 6:7: Terugvordering loonbelasting en premies

Over de uitkering reeds afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden teruggevorderd, voor zover:

  • a.

    deze niet verrekend kunnen worden met de door het college nog af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen

  • b.

    de vordering is ontstaan als gevolg van schending van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 1, en

  • c.

    de oorspronkelijke vordering € 750,00 of meer bedraagt.

Artikel 6:8: Schuldregeling

  • 1.

    Op verzoek van de belanghebbende kan, als de vordering geen gevolg is van een schending van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 60c Participatiewet, art 29a Ioaw en Ioaz, waarvoor een boete is opgelegd, van verdere terugvordering worden afgezien als:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden; en

    • b.

      het besluit noodzakelijk is om een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen tot stand te brengen; en

    • c.

      de vordering minstens zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van schuldeisers van gelijke rang en naar een percentage dat twee maal zo hoog is als het percentage van de vorderingen van schuldeisers met een lagere rang.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing op vorderingen die door pand of hypotheek zijn gedekt, voor zover zij op die goederen verhaald kunnen worden.

  • 3.

    Een besluit op grond van het eerste lid treedt niet in werking voordat de schuldregeling tot stand is gekomen.

  • 4.

    Een besluit op grond van het eerste lid kan worden herzien of ingetrokken als:

    • a.

      de schuldregeling niet tot stand komt binnen twaalf maanden nadat het besluit is bekendgemaakt;

    • b.

      de belanghebbende de vordering van het college niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet; of

    • c.

      de belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de juiste gegevens tot een ander besluit zouden hebben geleid.

  • 5.

    Een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, Titel III van de Faillissementswet is getroffen, dan wel een (voorlopige) schuldsaneringsregeling door de rechtbank van toepassing is verklaard zoals bedoeld in Titel III van de Faillissementswet. Bij deze minnelijke regeling wordt een fraudevordering op de belanghebbende niet meegenomen.

 

Paragraaf 6.3: Invordering

Artikel 6:9: Volgorde van invordering

  • 1.

    Bij meerdere vorderingen geschiedt de betaling of verrekening op de oudste vordering, tenzij:

    • a.

      Er een nieuwe vordering is die betrekking heeft op een belaste uitkering in het lopende kalenderjaar;

    • b.

      De belanghebbende op grond van artikel 4:92, tweede lid, Awb een andere vordering aanwijst, waaraan de betaling moet worden toegerekend.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, vindt de invordering van een bestuurlijke boete bij voorrang plaats, tenzij:

    • a.

      er sprake is van een beslaglegging door een derde schuldeiser. In dat geval vordert het college eerst de openstaande vordering in;

    • b.

      het mogelijk is om brutering van de vordering te voorkomen, door eerst de openstaande vordering in te vorderen.

Artikel 6:10: Invordering

  • 1.

    Uitgangspunt is dat de belanghebbende de vordering binnen zes weken in één keer terugbetaalt.

  • 2.

    Heeft de belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud, en is betaling ineens niet mogelijk, dan wordt de vordering voor zover mogelijk verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Participatiewet, dan wel artikel 28, derde en vierde lid, Ioaw en Ioaz.

  • 3.

    Wanneer verrekening met de lopende uitkering niet mogelijk is worden vorderingen voor zover mogelijk binnen zes weken in één keer terugbetaald.

  • 4.

    Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, Participatiewet buiten toepassing worden gelaten.

  • 5.

    Het uitgangspunt bij het treffen van een betalingsregeling is dat de gehele vordering wordt terugbetaald binnen 36 maanden.

  • 6.

    Indien de belanghebbende aangeeft en aannemelijk maakt dat terugbetaling binnen 36 maanden niet mogelijk is, wordt bij de betalingsregeling het aflossingsbedrag vastgesteld op 5% van de voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm vermeerderd met 35% van het inkomen boven die bijstandsnorm.

  • 7.

    Bij het bepalen van het inkomen is artikel 31, tweede lid, Participatiewet van toepassing. In aanvulling daarop wordt ook de Individuele inkomenstoeslag niet tot het inkomen van de belanghebbende gerekend.

 

Paragraaf 6.4: Verhaal

Artikel 6:11: Gebruikmaking van de wettelijke bevoegdheid

  • 1.

    Het college verhaalt de kosten van bijstand tot aan de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot maximaal de totale kosten van bijstand:

    • a.

      op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn echtgenoot, geregistreerd partner, of minderjarig kind niet of niet behoorlijk nakomt;

    • b.

      op het minderjarige kind dat zijn onderhoudsplicht jegens zijn ouders niet of niet behoorlijk nakomt;

    • c.

      op degene die zijn onderhoudsplicht na echtscheiding of ontbinding van het huwelijk of geregistreerd partnerschap, dan wel na scheiding van tafel en bed, niet of niet behoorlijk nakomt;

    • d.

      op degene die zijn onderhoudsplicht op grond van artikel 1:395a van het Burgerlijk Wetboek niet of niet behoorlijk nakomt jegens zijn meerderjarig kind aan wie bijzondere bijstand is verleend;

    • e.

      bij een schenking aan een derde door de bijstandsgerechtigde, tenzij aannemelijk is dat de schenker ten tijde van de schenking de noodzaak van de bijstandsverlening redelijkerwijs niet heeft kunnen voorzien;

    • f.

      ingeval er een vordering is die valt in de nalatenschap;

    • g.

      bij het ontstaan van een vordering wegens toepassing van de Wet op de Lijkbezorging.

  • 2.

    Buiten de gevallen aangegeven in deze beleidsregels vindt geen verhaal plaats.

  • 3.

    Het college volgt de bij rechterlijke beschikking op grond van artikel 1:402a Burgerlijk Wetboek vastgestelde jaarlijkse indexering van de in rechte opgelegde onderhoudsbijdragen.

  • 4.

    Het college gaat bij het uitblijven van (tijdige) betaling van de opgelegde onderhoudsbijdrage direct over tot het indienen van een verzoekschrift tot vaststelling verhaalsbijdrage bij de rechtbank (VIR-procedure).

  • 5.

    Anders dan in het vierde lid is bepaald, ziet het college af van verhaal in rechte als er sprake is van een afgesloten vordering en de vordering minder dan € 600,00 bedraagt.

Artikel 6:12: Afzien van verhaal

  • 1.

    Het college ziet geheel of gedeeltelijk af van verhaal indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn in de zin dat het opleggen van een verhaalbijdrage leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor belanghebbende(n).

  • 2.

    Indien wordt ingeschat dat de dringende redenen zoals opgenomen in lid 2 van dit artikel slechts van tijdelijke aard zijn wordt gedurende een afkoelingsperiode van drie maanden afgezien van verhaal, waarna middels een heronderzoek bezien wordt of er kan worden overgegaan tot verhaal.

  • 3.

    Wanneer er sprake is van opname in een blijf-van-mijn-lijfhuis onder geheimhouding worden dringende redenen altijd aangenomen.

  • 4.

    Indien uit vooronderzoek blijkt dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over onvoldoende middelen beschikt om een verhaalbijdrage op te kunnen leggen, wordt afgezien van verhaal in verband met het ontbreken van draagkracht. Als wordt ingeschat dat het om een tijdelijke situatie gaat, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal en kan middels een heronderzoek bezien worden of alsnog tot verhaal kan worden overgegaan.

  • 5.

    Indien de onderhoudsplichtige een buitenlandse nationaliteit heeft en langdurig buiten Nederland woont, dan wordt van verhaal afgezien.

  • 6.

    Wanneer er sprake is van een gering te verhalen bedrag of geringe periode wordt in de individuele situatie beoordeeld of verhalen wenselijk is, bij twijfel in collegiaal overleg of in afstemming met de teammanager. Er wordt in ieder geval afgezien van het opleggen van een onderhoudsbijdrage als het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand, kan het college afzien van verhaal. Na drie jaar houdt het college een heronderzoek om de mogelijkheden van verhaal opnieuw te bezien.

  • 7.

    Het college start geen onderzoek naar de onderhoudsbijdrage in de volgende situaties:

    • a.

      wanneer het jongste kind 17 jaar is;

    • b.

      wanneer de onderhoudsgerechtigde binnen 6 maanden de AOW- gerechtigde leeftijd gaat bereiken;

    • c.

      een jong-meerderjarige binnen 6 maanden 21 jaar wordt;

Artikel 6:13: Vaststelling verhaalsbijdrage

  • 1.

    Het college verhaalt de kosten van de bijstand overeenkomstig de rechterlijke uitspraak in de zin van artikel 62b P-wet, indien de onderhoudsplichtige niet aan de uitvoerbare rechterlijke uitspraak voldoet, als overdracht naar LBIO niet meer mogelijk is.

  • 2.

    Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt de verhaalbijdrage vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (incl. de kinderen), waarbij de laagste van deze twee bedragen leidend is. Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht.

  • 3.

    Het college stelt de draagkracht vast op basis van door de onderhoudsplichtige ingediende bewijsstukken over de financiële situatie.

  • 4.

    De onderhoudsplichtige wordt aangeschreven om bewijsstukken aan te leveren. Wanneer er geen bewijsstukken worden aangeleverd, wordt gebruik gemaakt van de gegevens zoals opgenomen in SUWI.

  • 5.

    Eerdere afspraken die zijn gemaakt tussen de onderhoudsgerechtigde en de onderhoudsplichtigen - zoals een convenant - hoeven door het college niet te worden meegewogen in het besluit.

  • 6.

    Wanneer in het geheel geen inkomsten van onderhoudsplichtige bekend zijn, wordt ambtshalve de netto maandelijks aan onderhoudsgerechtigde verstrekte bijstand als onderhoudsverplichting opgelegd.

  • 7.

    Een opgelegde onderhoudsverplichting gaat in per datum eerste aanschrijving.

Artikel 6:14: Debiteuren heronderzoek verhaal

  • 1.

    Er vinden geen heronderzoeken verhaal plaats, behalve in de situaties, zoals opgenomen in deze beleidsregels:

    • a.

      Als tijdelijk afgezien is van verhaal voert het college een heronderzoek uit binnen één jaar na de eerste beoordeling. Als uit dit onderzoek blijkt dat er nog steeds geen draagkracht is, dan ziet het college definitief af van het opleggen van een verhaalbijdrage.

    • b.

      Als er een onderhoudsbijdrage is opgelegd, dan wordt geen heronderzoek meer opgestart, tenzij sprake van een signaal van gewijzigde omstandigheden of een verzoek hiertoe van de onderhoudsplichtige.

    • c.

      Wanneer de onderhoudsplichtige is vertrokken met onbekende bestemming, dan wordt er 1 maal een heronderzoek uitgevoerd om diens verblijfsplaats te achterhalen. Als uit dit heronderzoek blijkt dat nog steeds géén woon- en verblijfplaats van onderhoudsplichtige bekend is, ziet het college definitief af van het opleggen van een onderhoudsverplichting.

  • 2.

    Het signaal of verzoek zoals bedoeld in lid 1 sub b van dit artikel dient objectiveerbaar en van wezenlijke invloed te kunnen zijn op de reeds opgelegde verhaalbijdrage, in de zin dat er een aanwijzing moet zijn dat de onderhoudsbijdrage per maand omhoog of omlaag zou moeten worden bijgesteld.

  • 3.

    Is er een alimentatievonnis, waarin een onderhoudsverplichting is opgenomen, dan wordt in geval van:

    • a.

      het aantoonbaar ontbreken van draagkracht de bijdrage herzien;

    • b.

      een aantoonbare hogere draagkracht deze berekend en opgelegd.

Hoofdstuk 7: Commerciële kostendelers

Paragraaf 7.1: Algemeen

Artikel 7:1: Toepasselijkheid

De bepalingen van dit hoofdstuk gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd.

 

Paragraaf 7.2: Criteria voor het verlagen van de norm

Artikel 7.2: Criteria voor het verlagen van de norm

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. De verlaging van de uitkering in verband met de woonsituatie, zoals bedoeld in artikel 27 PW bedraagt:

    • a.

      10% van de gehuwdennorm, als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten of woonlasten verschuldigd is;

    • b.

      20% van de gehuwdennorm als de belanghebbende een woning bewoont waarvoor hij geen woonkosten en geen woonlasten verschuldigd is.

    • c.

      20% van de gehuwdennorm indien belanghebbende dakloos is en geen woning aanhoudt.

  • 2.

    Het eerste lid van dit artikel is niet van toepassing op belanghebbenden waarop de kostendelersnorm van toepassing is.

  • 3.

    Het college verlaagt de uitkering niet als er sprake is van commerciële kamerbewoner of een commerciële kostganger.

Artikel 7:3: Inkomsten uit commerciële verhuur

  • 1.

    De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering op de uitkering.

  • 2.

    Belanghebbende toont het in het eerste lid van dit artikel genoemde aan door navolgende gegevens in te leveren:

    • a.

      een huurovereenkomst of kostgangersovereenkomst; en

    • b.

      bankafschriften waaruit duidelijk blijkt dat de huurder of kostganger de gevraagde prijs daadwerkelijk betaalt; en

    • c.

      een beschikking huurtoeslag.

Artikel 7:4: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm

  • 1.

    Wanneer een hoofdbewoner met een bijstandsuitkering iemand tijdelijk onderdak biedt vanwege een acute noodzaak tot huisvesting, ter voorkoming van dakloosheid, wordt de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner tijdelijk buiten toepassing gelaten.

  • 2.

    Wanneer een mantelzorger vanwege een intensieve zorgbehoefte tijdelijk inwoont bij een naaste, dan wordt de kostendelersnorm of norm echtpaar voor de mantelzorger ook tijdelijk buiten toepassing gelaten.

  • 3.

    De termijn van tijdelijk niet toepassen van de kostendelersnorm zoals bedoeld in lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt in beginsel drie maanden. Deze termijn kan steeds met drie maanden worden verlengd, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.

  • 4.

    Het is niet mogelijk om de kostendelersnorm buiten beschouwing te laten bij permanente inwoning.

  • 5.

    De kostendelersnorm wordt in beginsel ook niet buiten beschouwing gelaten als iemand, na tijdelijk verblijf in een instelling dan wel detentie, terugkeert op het adres waar deze persoon hiervoor woonachtig was.

Hoofdstuk 8: Slotbepaling

Artikel 8:1: Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 8:2: Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ, versie 2026 gemeente Alphen-Chaam', en vervangen de 'Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ 2004, versie juli 2024’

Artikel 8:3: Overgangsrecht

Voor wat betreft het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat een persoon, die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de in het vorige artikel genoemde beleidsregels, die het college zou moeten beëindigen op grond van de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 versie juli 2021, deze voorziening behoudt voor zover hij heeft voldaan aan de voorwaarden en voor de duur dat deze is verstrekt.

Artikel 8:4: Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking de dag nadat zij zijn bekend gemaakt.

Toelichting  

Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.

 

Artikel 1:1: Begripsomschrijvingen

Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich. Relevant is een toelichting op de definitie van Mantelzorg. Deze wijkt voor het recht op c.q. de hoogte van de bijstand enigszins af van die voor andere gemeentelijke regelingen. Dit komt omdat voor de uitkering normaliter wordt gekeken naar het aantal medebewoners van een woning, omdat daar woonkosten en -lasten mee gedeeld kunnen worden. Om het opvangen van mensen vanwege een zorgbehoefte tijdelijk mogelijk te maken, heeft de wetgever in de Pwet in balans beoogd mantelzorg zonder verlaging van de uitkering mogelijk te maken. Dit bepaalt mede de definitie, er sprake moet zijn van een zorgbehoefte én de zorgbehoefte is de directe en aantoonbare aanleiding voor het samenwonen, én het moet gaan om tijdelijk inwonen. Dus als iemand permanent voor een inwonende partner of kind zorgt, dan is dit wel mantelzorg, maar niet voor de toepassing van de kostendelersnorm of de norm gehuwden.

 

Artikel 3:7: recht op jongerentoeslag

De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt. De hoogte wordt verlaagd tot de norm voor uitwonende studiefinanciering. Op grond van het overgangsrecht is bepaald dat de mensen die voor 1 januari 2026 een uitkering op basis van een hogere norm toegekend hadden, deze blijven houden totdat ze 21 jaar worden of uitstromen uit de uitkering.

De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen o.g.v. art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimum jeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere).

 

De regels zoals opgenomen in de beleidsregels bijzondere bijstand, wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn overgenomen in deze beleidsregels.

 

Artikel 3:8: Bewijsstukken

Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand. Op basis van de WEU mogen we alleen die gegevens opvragen bij onze inwoners, waar we niet zelf over kunnen beschikken vanuit de systemen.

 

Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.

Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd.

Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.

 

Artikel 3:10: Vermogen

Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.

Wel is de zgn ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.

Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.

Om te voorkomen dat mensen in de problemen komen met hun vermogensaanwas, stellen we een formulier op zodat inwoners vermogensaanwas, niet zijnde giften tot 1200 euro per kalenderjaar, wel kunnen doorgeven.

 

Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.

 

Artikel 3:11: vaststelling van het vermogen

Auto:

In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 3000 niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben.

 

Artikel 3:13: Giften

Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn. Tot 1 januari 2026 had het college in Alphen-Chaam de giftengrens vastgesteld op € 1800 per kalenderjaar.

Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.

 

De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen. Dit vraagt veel van onze inwoners. We zullen hen hierover goed informeren en faciliteren door de vragen over giften en een invullijst op te nemen in een nieuw formulier en dit naar de bijstandsgerechtigden te versturen.

 

Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen, daarvoor geldt ook 1x de giftengrens).

 

Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen.

 

In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde.

 

Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.

 

Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de belanghebbende hierop te wijzen.

Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.

Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.

 

Artikel 7:4: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm

In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Bijvoorbeeld in de situatie dat belanghebbende een zieke zorgbehoevende ouder opvangt, die tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen. Daarnaast kan onder andere ook gedacht worden aan situaties, waarin personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.

 

In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

  • 1.

    Het moet gaan om een acute noodzaak tot huisvesting; en

  • 2.

    Het moet gaan om een tijdelijke oplossing en

  • 3.

    de kostendeler moet niet voordat deze in een instelling of detentie zat op hetzelfde adres hebben gewoond, dan is het een herstel van de reguliere situatie en geen tijdelijke noodsituatie.

Met de Pwet in balans heeft de wetgever ook bepaalt dat wanneer tijdelijke inwoning noodzakelijk is vanwege inwonende mantelzorg, dat dan ook de kostendelersnorm en de norm echtpaar niet worden toegepast. Dit moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. In de definitiebepaling van deze beleidsregels is mantelzorg in het kader van deze tijdelijke inwoning opgenomen.

 

De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van belanghebbenden of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte mede bepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelersnorm.

In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:

  • Welke inspanningen heeft de inwonende persoon verricht om eigen huisvesting te vinden dan wel om terug te keren naar zijn of haar eigen woning.

  • Is er onvoldoende gedaan om zelfstandig te gaan wonen, dan wordt de kostendelersnorm vanaf dat moment alsnog toegepast.

  • Is er wel voldoende gedaan maar heeft dit niet tot het gewenste effect geleid, dan kan de situatie (steeds) worden verlengd met 3 maanden, afhankelijk van de inspanning die de inwonende levert om eigen woonruimte te vinden.

Bijlage 1: Lijst met bijzondere automerken

 

De volgende automerken zijn aan te merken als 'bijzondere automerken':

 

Aston Martin

Audi

Bentley

BMW

Bugatti

Cadillac

Corvette

Donkervoort

Ferrari

Hummer

Jaguar

Lamborghini

Land Rover

Lexus

Lotus

Maserati

Maybach

Mercedes-Benz

Pagani

Porsche

Range Rover

Rolls Royce

Spyker

Naar boven