Gemeenteblad van Baarle-Nassau
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Baarle-Nassau | Gemeenteblad 2025, 575653 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Baarle-Nassau | Gemeenteblad 2025, 575653 | beleidsregel |
Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz
Hoofdstuk 1: Algemene bepalingen
Artikel 1:1: Begripsomschrijvingen
In deze beleidsregels gelden de volgende begripsomschrijvingen:
Brutering : het verhogen van de vordering met loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente, die de uitkering verstrekt, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtig is, voor zover deze belasting en premies niet verkenbaar zijn met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;
Kostendelersnorm : norm voor de hoogte van een uitkering volgens artikel 22a van de Participatiewet. Naarmate meer mensen in een huis wonen, ontvangt iedere afzonderlijke uitkeringsgerechtigde een lagere uitkering omdat meer mensen de kosten kunnen delen. Mensen jonger dan 27 jaar tellen niet mee als mensen waarmee kosten gedeeld kunnen worden.
Mantelzorg : van mantelzorg is sprake als iemand vanwege een aantoonbare zorgbehoefte, zoals opgenomen onder jj van dit artikel, gedurende 10 uur of meer per week onbetaald ondersteuning biedt aan een hulpbehoevende, waarbij deze zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de bestaande sociale relatie, en die de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;
als sprake is van bewoning van een eigen woning: de tot een bedrag per maand omgerekende som van de ten behoeve van de financiering van de woning verschuldigde hypotheekrente en de in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten en een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud.
Het college hanteert de volgende uitgangspunten bij het bepalen van de noodzaak tot het inzetten van een voorziening:
Het college biedt belanghebbende een voorziening aan, wanneer belanghebbende afhankelijk is van deze voorziening in het kader van zijn of haar arbeidsinschakeling en/of een blijvende verbetering van zijn/haar arbeidsmarktpositie voor duurzame uitstroom. Hierbij gaat het college uit van het goedkoopste adequate alternatief.
Een nadere uitwerking van de voorzieningen van de inwoners van de gemeente Baarle Nassau is opgenomen in de Verzamelverordening, onder meer te vinden op de website www.baarle-nassau.nl.
Paragraaf 3.1: Verplichtingen gericht op re-integratie en arbeidsinschakeling
Artikel 3:2: Verplichtingen voor jongeren onder 27 jaar
Voor een jongere tot 27 jaar die een aanvraag voor een bijstandsuitkering heeft ingediend of zich heeft gemeld voor een bijstandsuitkering, niet zijnde een kwetsbare jongere, geldt de eerste vier weken de inspanningsverplichting om: zijn of haar mogelijkheden tot het terugkeren naar school te onderzoeken en zich voor een opleiding aan te melden, of, wanneer sprake is van een jongere zoals bedoeld in het derde lid, zijn of haar mogelijkheden met betrekking tot arbeid te onderzoeken en te solliciteren naar algemeen geaccepteerde arbeid;
Paragraaf 3.1.2: Ontheffingen, zorgtaken
Artikel 3:3: Verlenen van ontheffing wegens dringende redenen
Een uitkeringsgerechtigde wordt slechts ontheven van een of meer verplichtingen zoals genoemd in artikel 9 lid 1 sub a Participatiewet en artikel 37 IOAW/IOAZ wanneer hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Dringende redenen zijn in ieder geval aanwezig als de uitkeringsgerechtigde wordt opgenomen in een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, aanhef en onder f, Participatiewet.
Paragraaf 3.2: Verplichtingen gericht op de rechtmatigheid
Artikel 3:12: Informatieverstrekking tijdens de uitkering
De belanghebbende dient informatie, die relevant kan zijn voor het recht op uitkering in principe te verstrekken binnen vijf werkdagen gerekend vanaf het moment waarop het relevante feit of de omstandigheid zich heeft voorgedaan.
Alle niet-herleidbare ontvangsten of ontvangsten waarvoor geen afdoende verklaring is, worden als middelen aangemerkt. Dit betreft bijvoorbeeld kasstortingen, betaalverzoeken, cryptovaluta en/of bijschrijvingen op de bankrekening van de bijstandsgerechtigde of zijn in de bijstand inbegrepen gezinsleden.
Artikel 3:14: Schadevergoeding
Overschrijdt de immateriële schadevergoeding als bedoeld in lid 3 het bedrag van € 15.871 (prijspeil 1 januari 2024; dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd), dan beoordelen we op basis van de individuele omstandigheden of het redelijk is om 2/3 deel van de overschrijding tot het vermogen te rekenen. We volgen hiervoor de meest recente jurisprudentie.
Hoofdstuk 4: Verlaging van de uitkering en bestuurlijke boete
Paragraaf 4.1: Algemene bepalingen
Wanneer, als gevolg van een overtreding van de inlichtingenverplichting, sprake is van een benadelingsbedrag, stelt het college de hoogte van de bestuurlijke boete vast op de ernst van de gedraging en de mate waarin deze aan de overtreder is te verwijten, zoals opgenomen in artikel 4:9 van deze beleidsregels. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is gepleegd.
Het college stelt de boete vast op een verlaagd percentage van het benadelingsbedrag als sprake is van verminderde verwijtbaarheid zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid van het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Van verminderde verwijtbaarheid is in ieder geval sprake in de gevallen zoals bedoeld in artikel 2a, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten.
Het college ziet af van het opleggen van een bestuurlijke boete en volstaat met het geven van een schriftelijke waarschuwing als:
de betrokkene wel inlichtingen heeft verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog binnen een redelijke termijn de juiste inlichtingen verstrekt voordat de overtreding is geconstateerd, tenzij de betrokkene deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting.
Paragraaf 4.2.2: Overige bepalingen verlagingen van de uitkering
Artikel 4:7: Verzoek tot herzien van een verlaging van de uitkering geüniformeerde arbeidsverplichting
Als een verlaging van de uitkering van 100% van de bijstandsnorm is opgelegd wegens schending van één van de verplichtingen genoemd in artikel 18, vierde lid, PW, met een duur van twee maanden of langer, kan de belanghebbende een schriftelijk en gemotiveerd verzoek doen aan het college om deze verlaging van de uitkering te herzien.
Als belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een verlaging van de uitkering is opgelegd, dan gaat de herziening in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin belanghebbende het verzoek tot herziening heeft ingediend. Dit betekent dat de verlaging van de uitkering vanaf die dag komt te vervallen.
Artikel 4:10: Verzoek tot herzien verlaging van de uitkering indien deze 100% gedurende 2 maanden bedraagt
Indien de belanghebbende aantoont ondubbelzinnig te voldoen aan de verplichting waarvoor een maatregel is opgelegd, dan wordt de verlaging van de uitkering vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de belanghebbende het verzoek als bedoeld in lid 1 heeft ingediend, niet geeffectueerd. Dit betekent dat de verlaging van de uitkering vanaf die dag komt te vervallen.
Paragraaf 4.3: Bestuurlijke boete
Artikel 4:12: Overschrijding van de termijn van orde (13 wekentermijn) leidt tot een matiging van de op te leggen boete
Indien het besluit tot het opleggen van een boete wordt genomen later dan 52 weken na de datum waarop de overtreding is geconstateerd, zoals terug te vinden in het boeterapport, wordt het boetepercentage verlaagd met 15%. Hierbij worden de wettelijke bepalingen van de verjaringstermijnen in acht genomen zoals bepaald is in Awb artikel 5:45.
Hoofdstuk 5: Bestrijden misbruik en oneigenlijk gebruik
Artikel 5:1: Hoogwaardige handhaving
Het beleid voor handhaving is sinds langere tijd ingericht naar het model van hoogwaardig handhaven.
Dit model voor integraal en hoogwaardig handhaven is opgebouwd uit vier pijlers, waarvan twee preventief en twee repressief van aard zijn:
Het handhavingsproces kan in beeld worden gebracht met de “Cirkel van naleving”.
Het optimaliseren van de dienstverlening (creëren draagvlak voor spontane naleving PW): de klant mag geen onnodige (administratieve) drempels in de dienstverlening tegenkomen. Het moet eenvoudig zijn om je aan de regels houden, en de regels moeten voor iedereen begrijpelijk uitgelegd worden. Daardoor worden de regels ook meer geaccepteerd.
Het vroegtijdig achterhalen (detecteren) van oneigenlijk gebruik en misbruik: controles worden gedaan op basis van signalen of aan de hand van een gekozen thema of risico. Controles zijn enerzijds bedoeld om onrechtmatig gebruik van de uitkering tegen te gaan. Daarnaast zijn controles ook een vorm van vroegsignalering. Hoe eerder duidelijk wordt dat de uitkering is gebaseerd op onjuiste of onvolledige informatie (of dat nu bewust of per ongeluk gebeurd is), hoe kleiner het gevolg kan zijn. Dit is vooral belangrijk omdat de Participatiewet voorschrijft dat teveel ontvangen uitkering altijd moet worden terugbetaald.
Hoofdstuk 6: Terugvordering, invordering en verhaal
Artikel 6:4: Afzien van terugvordering
Een besluit om bij belanghebbende van terugvordering af te zien laat de mogelijkheid in stand om terug te vorderen van de persoon, die mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van de uitkering op grond van artikel 59 Participatiewet, artikel 26 Ioaw of Ioaz, als zij op dat moment geen gehuwden meer zijn.
Artikel 6:5: Afzien van terugvordering (op verzoek van belanghebbende)
Onverminderd het bepaalde in paragraaf 1 kan het college binnen de grenzen van artikel 58 Participatiewet en artikel 25 Ioaw en Ioaz geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien, indien:
de belanghebbende voor vorderingen, die niet het gevolg zijn van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, een verzoek om kwijtschelding doet nadat belanghebbende gedurende 3 jaar weliswaar niet volledig aan de aflossingsverplichtingen heeft voldaan, maar een bedrag, overeenkomend met minimaal 50% van de restantvordering, in één keer heeft afgelost;
Een besluit om bij een belanghebbende van terugvordering af te zien laat de mogelijkheid in stand om terug te vorderen van de persoon, die mede hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van de uitkering op grond van 59 Participatiewet, artikel 26 Ioaw of Ioaz, als zij op dat moment geen gehuwden meer zijn.
Artikel 6:6: Afzien van terugvordering niet mogelijk
Afzien van terugvordering is niet mogelijk:
Artikel 6:7: Terugvordering loonbelasting en premies
Over de uitkering reeds afgedragen loonbelasting en premies volksverzekeringen worden teruggevorderd, voor zover:
Een minnelijke regeling in het kader van, of analoog aan, Titel III van de Faillissementswet is getroffen, dan wel een (voorlopige) schuldsaneringsregeling door de rechtbank van toepassing is verklaard zoals bedoeld in Titel III van de Faillissementswet. Bij deze minnelijke regeling wordt een fraudevordering op de belanghebbende niet meegenomen.
Heeft de belanghebbende een lopende uitkering voor levensonderhoud, en is betaling ineens niet mogelijk, dan wordt de vordering voor zover mogelijk verrekend met de uitkering volgens de bepalingen van artikel 60, derde en vierde lid, Participatiewet, dan wel artikel 28, derde en vierde lid, Ioaw en Ioaz.
Het verzoek om een betalingsregeling wordt afgewezen voor zover de belanghebbende beschikt over vermogen dat, gelet op de omstandigheden van belanghebbende, redelijkerwijs te gelde gemaakt kan worden. Bij de bepaling van het vermogen kan artikel 34, tweede lid, Participatiewet buiten toepassing worden gelaten.
Artikel 6:12: Afzien van verhaal
Indien uit vooronderzoek blijkt dat de onderhoudsplichtige op wie verhaald wordt over onvoldoende middelen beschikt om een verhaalbijdrage op te kunnen leggen, wordt afgezien van verhaal in verband met het ontbreken van draagkracht. Als wordt ingeschat dat het om een tijdelijke situatie gaat, dan wordt tijdelijk afgezien van verhaal en kan middels een heronderzoek bezien worden of alsnog tot verhaal kan worden overgegaan.
Wanneer er sprake is van een gering te verhalen bedrag of geringe periode wordt in de individuele situatie beoordeeld of verhalen wenselijk is, bij twijfel in collegiaal overleg of in afstemming met de teammanager. Er wordt in ieder geval afgezien van het opleggen van een onderhoudsbijdrage als het te verhalen bedrag lager is dan € 50,00 per maand, kan het college afzien van verhaal. Na drie jaar houdt het college een heronderzoek om de mogelijkheden van verhaal opnieuw te bezien.
Artikel 6:13: Vaststelling verhaalsbijdrage
Bij het ontbreken van een uitvoerbare rechterlijke uitspraak wordt de verhaalbijdrage vastgesteld aan de hand van de draagkracht van de onderhoudsplichtige en de behoefte van de onderhoudsgerechtigde (incl. de kinderen), waarbij de laagste van deze twee bedragen leidend is. Het college stelt de draagkracht van de onderhoudsplichtige vast conform de zogeheten TREMA-normen, zoals gepubliceerd in het Tijdschrift voor Rechterlijke Macht.
Artikel 6:14: Debiteuren heronderzoek verhaal
Er vinden geen heronderzoeken verhaal plaats, behalve in de situaties, zoals opgenomen in deze beleidsregels:
Wanneer de onderhoudsplichtige is vertrokken met onbekende bestemming, dan wordt er 1 maal een heronderzoek uitgevoerd om diens verblijfsplaats te achterhalen. Als uit dit heronderzoek blijkt dat nog steeds géén woon- en verblijfplaats van onderhoudsplichtige bekend is, ziet het college definitief af van het opleggen van een onderhoudsverplichting.
Hoofdstuk 7: Commerciële kostendelers
Paragraaf 7.2: Criteria voor het verlagen van de norm
Artikel 7:3: Inkomsten uit commerciële verhuur
De bepalingen gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar en ouder, doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd die een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet ontvangen. Als de hoofdbewoner de woning deelt met inwonende commerciële kamerbewoner(s) of commerciële kostganger(s) dan brengt het college het ontvangen huurbedrag en/of kostgeld, minus de gemiste huurtoeslag als inkomen in mindering op de uitkering.
Artikel 8:1: Hardheidsclausule
Het college kan in bijzondere gevallen, ten gunste van de belanghebbende, afwijken van de bepalingen in deze beleidsregels, indien toepassing van deze regels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ, versie 2026 gemeente Baarle-Nassau', en vervangen de 'Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en BBZ 2004, versie juli 2024’
Voor wat betreft het bepaalde in hoofdstuk 2 geldt dat een persoon, die gebruik maakt van een toegekende voorziening op grond van de in het vorige artikel genoemde beleidsregels, die het college zou moeten beëindigen op grond van de Verzamelbeleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 versie juli 2021, deze voorziening behoudt voor zover hij heeft voldaan aan de voorwaarden en voor de duur dat deze is verstrekt.
Hieronder volgt, voor zover noodzakelijk, een artikelsgewijze toelichting.
Artikel 1:1: Begripsomschrijvingen
Deze omschrijvingen spreken in principe voor zich. Relevant is een toelichting op de definitie van Mantelzorg. Deze wijkt voor het recht op c.q. de hoogte van de bijstand enigszins af van die voor andere gemeentelijke regelingen. Dit komt omdat voor de uitkering normaliter wordt gekeken naar het aantal medebewoners van een woning, omdat daar woonkosten en -lasten mee gedeeld kunnen worden. Om het opvangen van mensen vanwege een zorgbehoefte tijdelijk mogelijk te maken, heeft de wetgever in de Pwet in balans beoogd mantelzorg zonder verlaging van de uitkering mogelijk te maken. Dit bepaalt mede de definitie, er sprake moet zijn van een zorgbehoefte én de zorgbehoefte is de directe en aantoonbare aanleiding voor het samenwonen, én het moet gaan om tijdelijk inwonen. Dus als iemand permanent voor een inwonende partner of kind zorgt, dan is dit wel mantelzorg, maar niet voor de toepassing van de kostendelersnorm of de norm gehuwden.
Artikel 3:7: recht op jongerentoeslag
De jongerentoeslag stond tot 1-1-2026 in artikel 12 Pw als bijzondere bijstand. Deze bepaling is vervallen en er is een rijksnorm voor jongerentoeslag vastgesteld, zodat de hoogte landelijk geharmoniseerd wordt. De hoogte wordt verlaagd tot de norm voor uitwonende studiefinanciering. Op grond van het overgangsrecht is bepaald dat de mensen die voor 1 januari 2026 een uitkering op basis van een hogere norm toegekend hadden, deze blijven houden totdat ze 21 jaar worden of uitstromen uit de uitkering.
De gemeente kan de jongerentoeslag verhogen o.g.v. art. 18 Pw als dit nodig is, omdat ze hogere algemene kosten van bestaan hebben. De totale hoogte van de uitkering mag nooit hoger uitvallen dan de norm > 21 jaar of het wettelijk minimum jeugdloon (afhankelijk van de leeftijd van de jongere).
De regels zoals opgenomen in de beleidsregels bijzondere bijstand, wanneer jongeren geen beroep kunnen doen op de onderhoudsplicht van hun ouders zijn overgenomen in deze beleidsregels.
Artikel 53a Pw geeft het college de bevoegdheid te bepalen welke gegevens en bewijsstukken door een belanghebbende verstrekt moeten worden, als het gaat om het bepalen van het recht op, de hoogte van de bijstandsnorm en de voortzetting van de bijstand. Op basis van de WEU mogen we alleen die gegevens opvragen bij onze inwoners, waar we niet zelf over kunnen beschikken vanuit de systemen.
Op voorhand is niet aan te geven welke gegevens bij de concrete aanvraag nodig zijn voor de beoordeling van het recht op uitkering. Dit is afhankelijk van de situatie en de omstandigheden van de belanghebbende (maatwerk). Individueel wordt bepaald welke nadere gegevens noodzakelijk zijn en belanghebbende wordt daarover in ieder geval schriftelijk geïnformeerd. Bij een nieuwe aanvraag van een uitkering geldt wel dat een vast aantal gegevens gevraagd wordt, omdat dit veelal de minimale gegevens betreffen die nodig zijn om een beslissing te kunnen nemen op de uitkeringsaanvraag.
Dit artikel geeft een nadere uitwerking van wat van een belanghebbende wordt verwacht als nadere gegevens/bewijsstukken worden opgevraagd.
Als gegevens uit onze eigen systemen kunnen worden gehaald, worden ze niet ook nog bij belanghebbende opgevraagd.
Bij het vaststellen van het vermogen wordt uitgegaan van de waarde van de aanwezige bezittingen verminderd met de aanwezige schulden, zoals bedoeld in artikel 34 Pw. Dit is niet gewijzigd.
Wel is de zgn ‘staffelmethode’ afgeschaft, welke inhield dat de gemeente bij de aanvang van de uitkering het vermogen op dat moment vaststelde met daarnaast het maximaal ‘vrij te laten vermogen’, d.w.z. de ruimte tussen het wettelijk maximaal vermogen en het daadwerkelijke vermogen.
Met de nieuwe regeling, moet bij ieder onderzoek uitgegaan worden van het op dat moment aanwezig vermogen. Vermogensaanwas hoeven inwoners in principe niet meer te melden, tenzij ze hiermee boven het wettelijk vrij te laten vermogen uitkomen.
Om te voorkomen dat mensen in de problemen komen met hun vermogensaanwas, stellen we een formulier op zodat inwoners vermogensaanwas, niet zijnde giften tot 1200 euro per kalenderjaar, wel kunnen doorgeven.
Als mensen vermogen ontvangen dat hoger is dan de wettelijke maximale grens, en ze hebben niet direct opeisbare schulden, dan is het in beginsel niet de bedoeling dat ze deze schulden aflossen. Ze moeten de vermogensaanwas doorgeven en de gemeente onderzoekt of het verantwoord is om eerst de schulden af te lossen of dat ze van het vermogen kunnen leven, totdat het ingeteerd is tot aan de wettelijke vermogensgrens. Hiermee voorkomen we dat er indirect bijstand voor schulden wordt verstrekt.
Artikel 3:11: vaststelling van het vermogen
In dit artikel staat hoe het college om gaat met het bezit van auto’s en de waarde hiervan. Hierbij moet opgemerkt worden dat de vrijlating van € 3000 niet per auto gelezen moet worden, maar voor alle auto’s bij elkaar die iemand in bezit kan hebben.
Het college vindt het belangrijk dat bijstandsgerechtigden financiële hulp kunnen accepteren zonder dat zij bang hoeven te zijn dat dit negatieve gevolgen voor hun uitkering heeft. Deze hulp moet dan vanuit het oogpunt van bijstandsverlening wel verantwoord zijn. Tot 1 januari 2026 had het college in Baarle-Nassau de giftengrens vastgesteld op € 1800 per kalenderjaar.
Met ingang van 1 januari 2026 is de grens wettelijk vastgesteld in artikel 31 lid 2 onder M van de wet. Gemeenten mogen individueel nog wel giften vrijlaten tot een hoger bedrag, maar dan alleen als dit naar het oordeel van het college verantwoord is in het licht van bijstandsverlening. Dit is veelal het geval als het gaat om giften in natura of geld voor goederen waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt of gevraagd zou kunnen worden. De beoordeling hiervan is altijd maatwerk.
De wetgever heeft ook bepaald dat giften tot de wettelijke grens niet meer onder de inlichtingenplicht vallen. Dit betekent dat inwoners zelf bij moeten gaan houden of ze giften in een kalenderjaar bij elkaar opgeteld onder deze grens hebben gekregen. Dit vraagt veel van onze inwoners. We zullen hen hierover goed informeren en faciliteren door de vragen over giften en een invullijst op te nemen in een nieuw formulier en dit naar de bijstandsgerechtigden te versturen.
Het is niet zo dat de wettelijke grens per persoon geldt, als er meer mensen binnen één uitkeringsnorm vallen (b.v. echtpaar met ten laste komende kinderen, daarvoor geldt ook 1x de giftengrens).
Soms ontvangen mensen geld of goederen, zonder dat de herkomst hiervan bekend is of wordt gemaakt. Deze tellen we niet mee als giften, maar eerder als inkomen of vermogen.
In geval van giften in natura, bepaalt het college wat daarvan de waarde in geld is aan de hand van de door belanghebbende overlegde bewijsstukken met betrekking tot de waarde.
Werkgevers kunnen hun medewerkers een cadeau geven. Vaak is dit een kerstpakket of –geschenk. Als dit een geschenk is dat past binnen de fiscale vrijlating dan wordt hier niets mee gedaan. Als een werknemer eenmalig een bonus ontvangt omdat deze een extra prestatie heeft geleverd, dan wordt deze meegeteld als gift (en niet als inkomen gekort) tot aan de giftengrens. Als de bonus hoger is dan de giftengrens dan wordt het meerdere als inkomen aangemerkt, het gaat hierbij immers om een middel in verband met arbeid.
Let wel: een dergelijke bonus is vaak belast en kan dus gevolgen hebben voor de hoogte van de huurtoeslag in het volgende kalenderjaar. Het is belangrijk de belanghebbende hierop te wijzen.
Via de werkkostenregeling (WKR) kan de werkgever echter wel onbelaste vergoedingen (en dus ook bonussen) aan de werknemer geven. De werkgever moet de bonus dan onderbrengen in de vrije ruimte van de WKR bij de Belastingdienst. Deze vrije ruimte bedraagt een maximaal percentage van de totale loonsom. Dit wordt jaarlijks opnieuw vastgesteld door de Belastingdienst.
Een eindejaarsuitkering en het vakantiegeld of andere bonussen die onder de CAO vallen worden niet tot de giftenvrijlating gerekend.
Artikel 7:4: Tijdelijk verblijf en kostendelersnorm
In uitzonderlijke gevallen kan het wenselijk zijn om in een individuele situatie maatwerk te leveren en de kostendelersnorm niet toe te passen of iemand niet als kostendeler mee te laten tellen. Hierbij kan onder andere gedacht worden aan crisissituaties, waarbij door belanghebbende tijdelijk onderdak geboden of verkregen wordt. Bijvoorbeeld in de situatie dat belanghebbende een zieke zorgbehoevende ouder opvangt, die tijdelijk niet in staat is om zelfstandig te wonen. Daarnaast kan onder andere ook gedacht worden aan situaties, waarin personen uit detentie komen of uit een instelling en acuut onderdak nodig hebben. Door het niet toepassen van de kostendelersnorm voor de hoofdbewoner wordt de bereidheid om iemand op te vangen bevorderd en dakloosheid voorkomen.
In dit soort situaties moet in ieder geval aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
Met de Pwet in balans heeft de wetgever ook bepaalt dat wanneer tijdelijke inwoning noodzakelijk is vanwege inwonende mantelzorg, dat dan ook de kostendelersnorm en de norm echtpaar niet worden toegepast. Dit moet wel aantoonbaar tijdelijk en noodzakelijk zijn vanwege een intensieve zorgbehoefte. In de definitiebepaling van deze beleidsregels is mantelzorg in het kader van deze tijdelijke inwoning opgenomen.
De kostendelersnorm wordt wél toegepast in situaties, waarin duidelijk is dat er sprake is van duurzaam verblijf. Dit kan blijken uit de intentie van belanghebbenden of wanneer de situatie langer duurt (in ieder geval na 1 jaar) en er geen activiteit is om dit te veranderen. Voor mantelzorg betekent het dat het voortduren van de zorgbehoefte mede bepalend is voor de duur van het niet toepassen van de kostendelersnorm.
In de situaties zoals in dit artikel bedoeld, wordt de kostendelersnorm gedurende 3 maanden niet toegepast voor de hoofdbewoner. Degene die inwoont ontvangt wel de kostendelersnorm als deze ook een bijstandsuitkering ontvangt, met uitzondering van de situaties van mantelzorg. Na 3 maanden moet de situatie opnieuw beoordeeld worden via een heronderzoek. Hierbij wordt onderzocht:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-575653.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.