Gemeenteblad van Kaag en Braassem
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Kaag en Braassem | Gemeenteblad 2025, 575328 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Kaag en Braassem | Gemeenteblad 2025, 575328 | beleidsregel |
In Kaag en Braassem zorgen we voor elkaar. Dat zit in wie we zijn. We kennen elkaar, we groeten elkaar op straat en we staan klaar als iemand het even moeilijk heeft. Dat maakt onze gemeente bijzonder, en dat is iets wat we moeten koesteren. Tegelijkertijd verandert onze samenleving in hoog tempo. We worden ouder, wonen langer zelfstandig en de zorg kan niet alles meer overnemen zoals we dat gewend waren. Dat vraagt iets van ons allemaal.
De woonzorgvisie die voor u ligt, laat zien hoe we samen kunnen bouwen aan een gemeente waar iedereen, jong en oud, vitaal of kwetsbaar, een fijn en veilig thuis kan vinden. Dat kunnen we als gemeente niet alleen. We hebben elkaar nodig. Woningcorporaties, zorg- en welzijnsorganisaties, vrijwilligers, mantelzorgers, ondernemers en inwoners spelen allemaal een belangrijke rol in deze gezamenlijke opgave.
Als wethouder Sociaal Domein zie ik dagelijks hoe krachtig onze dorpen zijn. Overal in Kaag en Braassem zie ik mensen die zich inzetten voor een ander: buren die naar elkaar omkijken, verenigingen die een tweede thuis bieden en zorgprofessionals die met hart en ziel werken. Die verbondenheid is onze grootste rijkdom en daar moeten we op blijven bouwen.
De gemeente neemt haar verantwoordelijkheid door richting te geven, samenwerking te stimuleren en ruimte te bieden aan initiatieven. Maar uiteindelijk gaat het om meer dan beleid. Het gaat om de manier waarop we met elkaar samenleven. In een tijd waarin we steeds meer zelf moeten doen, is het belangrijk dat we ook samen blijven doen. Want samen kunnen we meer dan ieder voor zich.
Als samenleving hebben we een gezamenlijke opdracht: zorgen dat iedereen mee kan doen en zich thuis voelt, ook als het leven wat kwetsbaarder wordt. Dat is geen last, maar een verantwoordelijkheid die past bij wie wij zijn als gemeenschap. Met elkaar en voor elkaar houden we Kaag en Braassem sterk, zorgzaam en toekomstbestendig.
Dankzij de polders, het vele water en de weidse omgeving van het Groene Hart is Kaag en Braassem een fijne plek om te wonen. Dat willen we zo houden! Door onder andere krapte op de woningmarkt en uitdagingen in de zorgsector staat dit steeds meer onder druk. Steeds meer mensen hebben moeite om een goede betaalbare woning te vinden. Tegelijkertijd verandert de woonvraag. Het aantal “oudere” ouderenhuishoudens (85+ jaar) verdubbelt van zo’n 450 nu naar 830 in 2040. Deze ouderen zullen steeds langer zelfstandig wonen. Naast ouderen zullen ook andere mensen (weer) zelfstandig wonen en hun weg vinden op de woningmarkt. Denk bijvoorbeeld aan mensen met psychosociale problematiek (o.a. GGZ) of een beperking (verstandelijk of lichamelijk). Om deze mensen een fijn thuis te bieden is meer nodig dan alleen een dak boven het hoofd. Een fijn thuis gaat ook over de beschikbaarheid van de juiste zorg, de aanwezigheid van voorzieningen, sociale binding en ontmoeting.
Binnen de woningvoorraad ligt er een opgave om meer woningen geschikt te maken voor mensen met een mobiliteitsbeperking. Momenteel is het nog niet mogelijk om met de huidige woningvoorraad de totale opgave van langer en weer zelfstandig wonen op te vangen. Er zijn kansen om bestaande ruime grondgebonden woningen levensloopgeschikt te maken. Daarnaast ligt er een nieuwbouw/verbouwopgave waarbij geclusterde woningen moeten worden gerealiseerd waarin mensen zelfstandig kunnen wonen met enige vorm van ondersteuning.
Met het oog op de tekorten aan capaciteit is de huidige manier waarop we het zorglandschap hebben ingericht niet langer houdbaar richting de toekomst. We moeten in de toekomst meer op elkaar kunnen rekenen.
Met 10 verschillende dorpen biedt de gemeente een variëteit aan woonmilieus, van “centrumdorps” in Roelofarendsveen tot “landelijk” in Hoogmade. De verbondenheid in de samenleving is terug te zien aan een sterk verenigingsleven in de dorpen en welzijnsorganisaties De Spil en STIWO organiseren veel activiteiten. Daar zit de kracht van Kaag en Braassem. Maar niet iedereen maakt onderdeel uit van het dorpsleven en heeft een (uitgebreid) sociaal netwerk. De mate waarin inwoners naar elkaar omkijken, en daarmee ook de bereidheid om voor elkaar klaar te staan, verschilt per dorp.
Bovenstaande opgaven vragen om samenwerking tussen inwoners(organisaties), zorgorganisaties, welzijnspartijen, woning-corporaties en de gemeente om onze inwoners met een bepaalde mate van zorg of begeleiding nu en in de toekomst te kunnen blijven ondersteunen. De woonzorgvisie vormt hiervoor de basis. Het geeft inzicht in de opgaven rond wonen en zorg en zet een stip op de horizon: waar willen we staan in 2030? De beleidsrichting en de prioriteiten waar we de komende jaren aan werken staan centraal.
Met de woonzorgvisie spelen we in op ontwikkelingen zoals vergrijzing en het langer zelfstandig wonen van inwoners met een ondersteunings- of zorgbehoefte, personele krapte in de zorg en minder zorg in instellingen (en dus meer ambulant). De gemeente sorteert hiermee ook voor op het nieuwe rijksbeleid, waarin alle gemeenten verplicht zullen worden om een dergelijk document op te stellen. Het wetsvoorstel Versterking regie op de volkshuisvesting (hierna: Wvrv) is in juli 2025 aangenomen door de Tweede Kamer 1
De Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen dat de landelijke verplichting voor het toekennen van urgentie aan statushouders schrapt. Dit betekent dat statushouders als groep niet langer tot de landelijke urgentiegroepen behoren die voorrang krijgen bij de toewijzing van sociale huurwoningen. Bovendien mogen gemeenten ook op lokaal niveau geen urgentie meer verlenen aan statushouders.
Er wordt een nieuwe landelijke urgentiegroep toegevoegd voor dakloze huishoudens met minderjarige kinderen. Zij krijgen voortaan expliciet voorrang bij de huisvesting in sociale huurwoningen. Dit is een verbreding van het eerdere urgentiebeleid en een reactie op maatschappelijke zorgen over daklozen met kinderen.. Echter is onbekend wanneer de behandeling in de Eerste Kamer plaatsvindt. In augustus 2025 heeft de minister van Volkshuisvesting aanvullende wijzigingen voorgesteld op de Wvrv. De aanleiding was het onderzoek naar de uitvoerbaarheid en juridische houdbaarheid van verschillende amendementen. Momenteel is de datum van inwerkingtreding van de wet dus nog onbekend.
Onderdeel van de Wvrv is dat gemeenten een Volkshuisvestingsprogramma opstellen. Met de wet wordt het woonbeleid overgeheveld van de Woningwet naar de Omgevingswet. Daarmee vervangt het nieuwe Volkshuisvestingsprogramma de huidige woonvisie. Ook deze woonzorgvisie wordt een verplicht onderdeel van het Volkshuisvestingsprogramma. Dit programma is een uitwerking van de gemeentelijke omgevingsvisie die het beleid op hoofdlijnen bepaalt. Het programma richt zich op concrete maatregelen. Monitoring wordt een verplicht onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma en kan input opleveren voor het ruimtelijk beleid (waaronder de omgevingsvisie). Dit zorgt ervoor dat het beleid beter aansluit op de realiteit en dat er een doorlopende wisselwerking ontstaat tussen beleid en uitvoering.
Verder helpt het opstellen van de woonzorgvisie de gemeente om positie te bepalen in het regionale krachtenveld, waar ook zal worden gewerkt aan afspraken over het huisvesten van mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag.
2.3 Landelijke, regionale en gemeentelijke kaders
Maatschappelijke veranderingen zijn ook geagendeerd in het landelijke beleid. De Rijksoverheid heeft in de afgelopen jaren een meer sturende rol aangenomen als het gaat om wonen-welzijn-zorg. Dit komt terug in de volgende Nationale programma’s:
In de Wvrv worden de maatregelen en doelen uit de programma’s Een thuis voor iedereen en Wonen en zorg voor ouderen opgenomen. Gemeenten zijn na ingang van de wet verplicht een woonzorgvisie – als onderdeel van het volkshuisvestingsprogramma – op te stellen waarin ze aangeven hoe ze invulling willen geven aan de vraag naar woonruimte vanuit verschillende aandachtsgroepen en aan de zorg en ondersteuning die daarvoor nodig is.
De Wvrv benoemt de volgende aandachtsgroepen voor het gemeentelijk woonbeleid:
Een deel van deze mensen moet, volgens de Wvrv, in aanmerking komen voor urgentie voor een sociale huurwoning. Dat gaat om de volgende groepen:
Statushouders (houders van een verblijfsvergunning 1
Dakloze huishoudens met minderjarige kinderen 1
Voor deze urgente aandachtsgroepen worden gemeenten verplicht gesteld om een urgentieverordening vast te stellen. Deze verordening borgt dat bij woningtoewijzing de wettelijk bepaalde urgente aandachtsgroepen voorrang krijgen bij de toewijzing van woningen. Naast de wettelijk verplichte urgentiecategorieën zijn gemeenten vrij om ook andere groepen als urgent aan te merken.
De aandachtsgroepen die niet direct een zorgvraag hebben (arbeidsmigranten, woonwagenbewoners, studenten en statushouders) worden niet meegenomen in deze woonzorgvisie. De gemeente wil met de woonzorgvisie focussen op de groepen die een aan wonen gerelateerde ondersteunings- of zorgvraag hebben. Daarom vallen deze doelgroepen buiten de scope van de woonzorgvisie.
Integraal Zorgakkoord (IZA) en Gezond en Actief Leven Akkoord (GALA)
Gemeenten in de regio Holland Rijnland, zorgorganisaties en zorgverzekeraar Zorg & Zekerheid geven samen invulling aan een omslag naar passende zorg voor iedereen. Deze invulling is onderdeel van een groter landelijk akkoord, het ‘Integraal Zorgakkoord’. Met alle betrokken partners wordt er gekeken naar het versterken van het preventieve aanbod binnen de regio.
In het Gala maken het Rijk, gemeenten en verzekeraars afspraken over hoe preventief gezondheidsbeleid kan worden versterkt en duurzaam kan worden geborgd. Bij de uitvoering van het GALA wordt er lokaal invulling gegeven aan verschillende regelingen binnen de categorieën sport, gezondheid wel welzijn. Bij deze regelingen zitten onder andere het Sportakkoord, Gezonde Kansrijke Start en een uitkering voor het versterken van de sociale basis.
De uitvoering van de akkoorden IZA en GALA biedt vanaf 2025 kansen om lokaal en regionaal de samenwerking te versterken.
Regionale Woonagenda Holland Rijnland
De regio heeft de afgelopen jaren gewerkt aan de Regionale Woonagenda Holland Rijnland 2023. Centraal staat dat de gemeenten zich in de regio inzetten om tot en met 2030 30.500 nieuwe woningen te bouwen, waarvan 30 procent sociale huurwoningen en 35 procent een middeldure huurwoning of betaalbare koopwoning. Om tot versnelling te komen, wil de regio inzetten op de gezamenlijke inkoop van woonconcepten zoals flexwoningen voor spoedzoekers. Ook is afgesproken 36 nieuwe standplaatsen voor woonwagenbewoners te realiseren, gelijkmatig verdeeld over de subregio’s (12 per subregio), de realisatie van studentenwoningen actief te monitoren en regionaal af te stemmen over de huisvesting van arbeidsmigranten, om zo waterbedeffecten te voorkomen. De afspraken in de Woonagenda vormen de kaders waarbinnen gemeenten hun eigen ruimtelijke projecten kunnen realiseren. Wel neemt de regio een ondersteunde rol in bij deze processen wanneer gemeenten dit wensen.
Bovendien is in de Woonagenda opgenomen dat de gemeenten uiterlijk in 2026 een (geactualiseerde) woonzorgvisie moeten hebben opgesteld en dat zij deze afstemmen in hun subregio.
Contingent regeling regio Holland Rijnland
Sinds 2005 werken diverse partijen in de regio Holland Rijnland samen om huisvesting te regelen voor cliënten die intramurale zorginstellingen verlaten. Dat doen zij via de contingent regeling. Volgens de afspraken in de contingent regeling krijgen uitstromers een zelfstandige woning aangeboden, met daarbij een driepartijenovereenkomst tussen de cliënt, de zorginstelling en de woningcorporatie. Deze driepartijenovereenkomst garandeert dat uitstromers de begeleiding krijgen die zij nodig hebben om de stap naar zelfstandig wonen te zetten. In de contingent regeling geldt de driepartijeenovereenkomst ten minste 2 jaar, en is deze qua zwaarte passend bij de noodzaak/behoefte van de cliënt.
De regeling is recent aangepast omdat er jarenlang te weinig contingentwoningen beschikbaar waren in de regio om in de behoefte te voorzien. Daarom is besloten om het aantal plekken op te hogen van 194 in 2022 naar 300 tot 2026. De regio monitort jaarlijks de verzilvering van de contingenten en past op basis van de resultaten de stapsgewijze verhoging richting 2026 aan. Als gevolg daarvan ligt het aantal contingentwoningen sinds een paar jaar vast op 250 woningen. Oorzaak zijn de grote verschillen binnen de regio in succesvolle plaatsing. Sinds 2024 vindt de verdeling van het aantal plekken plaats op basis van inwonertal (in plaats van corporatiebezit). Dit is in lijn met de evenwichtige verdeling over gemeenten, zoals in de Wvrv wordt beoogd. Kaag en Braassem is een van de gemeenten waar het instellingen niet lukt voldoende geschikte cliënten voor te dragen voor de beschikbare plekken.
De gemeente heeft de afgelopen jaren al geconstateerd dat er bepaalde inwoners in een kwetsbare sociale situatie zijn die in de regel niet of moeilijk in staat zijn in hun eigen huisvestingsbehoefte te voorzien of deze te behouden zonder ondersteuning. Hierbij gaat het om inwoners met ernstige psychische problemen, dak- en thuislozen, inwoners met een (licht) verstandelijke beperking, jongeren die uitstromen uit de intramurale jeugdhulp en ex-gedetineerden.
Een groot deel van deze inwoners valt nu dus ook onder de (urgente) aandachtsgroepen die de Wvrv noemt. Maar naast deze bijzondere doelgroepen / aandachtsgroepen zijn er ook inwoners in een kwetsbare situatie die niet binnen een van de urgente categorieën uit de huidige huisvestingsverordening of de aanstaande Wvrv vallen, maar via maatwerk (hardheidsclausule) toch urgentie kunnen krijgen. Zij zijn bij de gemeente bekend in het Netwerk zorg en overlast en/of hebben een begeleidingsvraag. Ook voor deze inwoners die niet onder één noemer zijn te beschrijven is onze aandacht nodig. We wachten af welke kwetsbare inwoners worden opgenomen in de regionale urgentieverordening. Vervolgens gaan we na of er nog steeds kwetsbare inwoners zijn die niet of moeilijk aan een woning kunnen komen doordat de huidige regelingen niet toereikend zijn. Als dat het geval is, zetten we ons als gemeente in voor passende huisvesting voor deze inwoners.
In de omgevingsvisie komen alle ontwikkelingen in de leefomgeving samen, zoals ook wonen, leefbaarheid en gezondheid. De woonzorgvisie moet in lijn zijn met de omgevingsvisie. Dit doen we door de huidige omgevingsvisie als basis te gebruiken en de woonzorgvisie hier bij aan te laten sluiten. De woonzorgvisie kan ook leiden tot aanpassingen van de omgevingsvisie, aangezien de woonzorgvisie een integraal onderdeel wordt van de omgevingsvisie onder de nieuwe Omgevingswet. Volgens de nieuwe wet worden de woon- en woonzorgvisie onder de noemer van het volkshuisvestingsprogramma opgenomen in de omgevingsvisie. De woonzorgvisie bepaalt de ambities voor wonen en zorg, die vervolgens als bouwsteen dienen voor de omgevingsvisie. Er is dus sprake van een zekere mate van wisselwerking tussen beide beleidsstukken.
Zoals de (regionale) afspraken en beleidsdocumenten laten zien, gebeurt er al veel op verschillende niveaus. De woonzorgvisie 2025-2030 bouwt voort op deze fundamenten.
2.4 Proces totstandkoming van de visie
Deze woonzorgvisie 2025-2030 is opgebouwd vanuit verschillende bouwstenen.
Adviesbureau Companen heeft in juli 2025 een woonzorganalyse opgesteld met daarin de huisvestingsopgave voor de verschillende (urgente) aandachtsgroepen. In april 2025 vond een bijeenkomst met stakeholders plaats. Deelnemers hebben toen input gegeven om de analyse aan te scherpen en we zijn met elkaar in gesprek gegaan over knelpunten en ontwikkelingen die spelen bij de verschillende aandachtsgroepen.
In juli 2025 heeft een tweede stakeholdersbijeenkomst plaatsgevonden in het kader van de woonzorgvisie. We zijn met elkaar in gesprek gegaan over de opgaven, gezamenlijke uitdagingen en doelen die centraal moeten staan in de woonzorgvisie. Wat zijn de uitdagingen en wat willen we bereiken? Welke keuzes zijn belangrijk voor de komende jaren?
In het vervolg schetsen we de visie van de gemeente op wonen-welzijn-zorg. Op basis van de woonzorganalyse, eerste stakeholdersbijeenkomst en focusgesprekken hebben we tijdens de tweede stakeholdersbijeenkomst de relevante thema’s uitgewerkt die centraal moeten staan in de visie. De drie thema’s zijn:
Op de volgende pagina’s werken we per thema de ambitie uit en beschrijven we welke speerpunten we met prioriteit oppakken om deze ambitie te bereiken. Daarnaast geven we in hoofdstuk 3 eerst nog een beknopt overzicht van de opgave per aandachtsgroep zoals blijkt uit de woonzorganalyse.
3 Samenvatting opgave aandachtsgroepen
Onderstaande tabel geeft een indicatie van de opgave voor aandachtsgroepen in de gemeente Kaag en Braassem. Hierbij is een onderscheid gemaakt naar huisvestingsopgave (de behoefte aan extra woningen) en toewijzingsopgave (deze zelfstandige woningen staan er in principe al, maar zullen toegewezen moeten worden aan urgente aandachtsgroepen). De aantallen in de tabel zijn indicatief, omdat de toekomstige behoefte moeilijk precies te voorspellen is. Hoe de behoefte aan intramurale plekken, zelfstandige woonruimte of tussenvormen verandert, is afhankelijk van demografie, beleidskeuzes en de regionale/landelijke context. Zoals regionale afspraken over de verdeling van aandachtsgroepen. Of wanneer sterk wordt ingezet op extramuralisering en ambulante begeleiding, dan is misschien geen uitbreiding van intramurale plekken nodig, maar neemt de behoefte aan tussenvormen en zelfstandige woonruimte toe.
|
Een intramurale woonvorm of tussenvorm (zelfstandiger in de wijk met ambulante begeleiding) |
|||
|
Huidige omvang: 120. Omvang neemt toe met zo’n 30 tot 2040. Niet één op één huisvestingsopgave: een deel woont namelijk niet bij een zorgaanbieder, maar zelfstandig (al dan niet met zorg of ondersteuning). |
|||
|
Mensen met een psychische kwetsbaarheid (Beschermd Wonen doelgroep) |
Omvang neemt toe met zo’n 5 tot 2040. Daarnaast vooral een opgave om Beschermd Thuis plekken (Wmo) te creëren als aanvulling op intramurale Beschermd Wonen plekken. |
||
|
Met urgentie een sociale huurwoning. Mogelijk met enige zorg of ondersteuning. Betaalbaar (kwaliteitskortingsgrens of eerste aftoppingsgrens) 2 . |
Uitstroom Beschermd Wonen: 5 tot 10 Uitstroom Klinische ggz: 0 tot 5 Uitstroom Jeugdzorg met verblijf: 0 tot 5 Uitstroom Maatschappelijke Opvang: 5 tot 10 Uitstroom vrouwenopvang en slachtoffers mensenhandel: 0 tot 5 |
||
Noot: Urgente aandachtsgroepen grijs gemarkeerd.
De Rijksoverheid maakt bij de bepaling van de landelijke bouwopgave voor ouderenhuisvesting onderscheid tussen drie woontypen: nultredenwoningen, geclusterde woningen en zorggeschikte woningen.
Nultredenwoningen: reguliere woningen die zowel intern als extern toegankelijk zijn. Dit houdt in dat je de woningen kan bereiken zonder trap te lopen (extern toegankelijk) en dat keuken, badkamer, toilet en minimaal één slaapkamer zonder trappen te bereiken zijn (intern toegankelijk). Nultredenwoningen kunnen grondgebonden woningen zijn, of appartementen met een lift.
Geclusterd wonen: ruimtelijk geclusterde wooneenheden (minimaal 12) waar (overwegend) ouderen zelfstandig wonen mét een fysieke, gezamenlijke ruimte voor ontmoeting inpandig of in de directe nabijheid. Voorbeelden zijn seniorencomplexen, aanleunwoningen, serviceflats en hofjesconcepten.
Zorggeschikte woningen: (geclusterde) nultredenwoningen, waar intensieve zorgverlening mogelijk is. De woningen zijn rolstoeltoegankelijk (transformatie) of rolstoelgeschikt (nieuwbouw) en hebben voorzieningen waardoor verpleegzorg geboden kan worden.
Er zijn ten minste tot en met 2030 voldoende verpleeghuisplekken in de gemeente. Richting 2040 ontstaat een tekort van rond de 30 plekken. Er zijn momenteel wel al wachtlijsten, maar de vraag is vaak niet urgent en er wordt gewacht op een plek in een specifieke locatie. Om de behoefte gelijkmatiger te verdelen kan gekeken worden naar het aantrekkelijker maken van sommige locaties door aanpassingen in vervoer, zorgaanbieders en leefomgeving.
In 2025 is de behoefte aan geclusterde woningen al groter dan het huidige aanbod. Daar komt de toekomstige behoefte nog bij: tot en met 2030 is er een extra behoefte aan zo’n 80 geclusterde woningen en tot en met 2040 aan zo’n 210 geclusterde woningen. De komende 15 jaar zouden minimaal 210 geclusterde woningen toegevoegd moeten worden om aan de toekomstige behoefte te voldoen. Maar om ook het huidige tekort (maximaal 175 woningen) in te lopen, is het noodzakelijk om meer van deze woningen toe te voegen.
De extra behoefte aan nultredenwoningen tot en met 2030 is 75 en tot en met 2040 240. De komende 15 jaar zouden dus minimaal 240 nultredenwoningen toegevoegd moeten worden om aan de toekomstige behoefte te voldoen. In de praktijk komen nultredenwoningen echter niet alleen terecht bij de juiste doelgroep – ouderen (met een mobiliteitsbeperking) – maar worden deze woningen ook bewoond door jongere huishoudens zonder mobiliteitsbeperking. Daarom is het naast het toevoegen van nultredenwoningen, ook belangrijk om ervoor te zorgen dat deze woningen daadwerkelijk terechtkomen bij ouderen. Denk bijvoorbeeld aan het labelen van nultredenwoningen voor ouderen of het toewijzen van nultredenwoningen aan ouderen.
Er zijn zo’n 66 plekken in woonvormen voor mensen met een Wlz-indicatie vanwege een verstandelijke beperking. Er zijn 120 personen met een Wlz-indicatie VG, rond 2040 zullen dit er 150 zijn. Zorgaanbieders geven aan dat er daarnaast nog een aanzienlijk aantal personen met een Wmo indicatie is vanwege een verstandelijke beperking. Hoeveel dit er zijn is niet duidelijk te onderscheiden, maar de zorgaanbieders geven aan dat een deel van hen eigenlijk een Wlz-indicatie nodig heeft. Dit lukt echter niet vanwege strenge voorwaarden en problematiek die een diagnose bemoeilijkt. Er zijn dus veel meer personen die mogelijk een woonplek nodig hebben, dan het huidige aanbod aan woonplekken. Voor een deel van de mensen met een verstandelijke beperking is zelfstandig wonen met ambulante ondersteuning of zorg voldoende. Niet iedereen doet dus een beroep op een woonplek in een woonvorm. Wel hebben de zorgaanbieders wachtlijsten, wat een indicatie kan zijn van een tekort aan woonplekken. We adviseren om deze kwestie verder te onderzoeken en te kijken naar uitbreiding van woonplekken voor deze doelgroep.
Het aantal mensen met een zware zorgindicatie (Wlz-indicatie) vanwege een lichamelijke of zintuiglijke beperking is erg laag in de gemeente: bij beide groepen gaat het om minder dan 5 mensen. Ook blijven deze groepen volgens de demografie in aantallen redelijk stabiel richting 2040. Er ligt dus niet zozeer een opgave om woningen toe te voegen voor deze mensen. Wel ligt er een opgave om ervoor te zorgen dat deze mensen de juiste zorg of ondersteuning ontvangen en de leefomgeving veilig en toegankelijk is ingericht. Voor mensen met een mobiliteits- of visuele beperking is de leefomgeving vaak ontoegankelijk. Denk bijvoorbeeld aan stoepen die niet breed genoeg zijn of aan vervanging toe zijn. Ook zijn de bereikbaarheid en toegankelijkheid van het openbaar vervoer (een goede busverbinding en toegankelijke bushaltes) belangrijk om zelfstandig te kunnen reizen. Daarnaast is een toegankelijke leefomgeving in de nabijheid van voorzieningen van belang.
Mensen met een psychische kwetsbaarheid die een beroep doen op Beschermd Wonen
Momenteel doen zo’n 42 mensen met een psychische kwetsbaarheid een beroep op Beschermd Wonen (Wmo en Wlz).Volgens de demografie neemt de omvang licht toe tot 2040. Momenteel is er in de subregio Rijnstreek alleen intramuraal aanbod aan Beschermd Wonen plekken. Er worden gesprekken gevoerd om in te zetten op Beschermd Thuis plekken (Wmo) als aanvulling op Beschermd Wonen. Beschermd Thuis is bedoeld voor cliënten voor wie deze vorm van ondersteuning toereikend is, en waarbij Beschermd Wonen een te zware voorziening zou zijn. Beschermd Thuis houdt in om cliënten zoveel mogelijk zelfstandig te laten wonen in een eigen woning, met passende Wmo-begeleiding en zorg aan huis. Omdat dit Beschermd Thuis aanbod er nu niet is, staan er veel mensen op de wachtlijst voor Beschermd Wonen. Door Beschermd Thuis aanbod te creëren wordt de druk op de intramurale Beschermd Wonen plekken lager en ontstaat waarschijnlijk meer ruimte om meer mensen in een voor hun geschikte intramurale woonvorm te laten wonen.
Een fijne plek om te wonen gaat verder dan alleen de woonvorm, de stenen. De begeleiding en ondersteuning moeten passend zijn, maar voor mensen met een psychische kwetsbaarheid is het ook van belang dat er diversiteit is in dagbesteding en activiteiten. En dat er aandacht is voor vervoervraagstukken, zodat dagbesteding en activiteiten ook daadwerkelijk te bereiken zijn.
De 6 plekken Maatschappelijke Opvang in Kaag en Braassem zijn onvoldoende om aan de behoefte te voldoen. Vanwege onvoldoende financiering kan het aantal plekken niet makkelijk uitgebreid worden. Als gevolg van het tekort aan plekken heeft de Binnenvest zelfs een aantal mensen in hotels moeten plaatsen de afgelopen maanden. Dit is echter ook niet financieel vol te houden voor de Binnenvest, dus deze plekken worden weer afgeschaald. Hierdoor moeten mensen wachten op een plek in de Maatschappelijke Opvang en leven zij bijvoorbeeld in hun auto. Dit is niet wenselijk. De verwachting is besproken dat er de komende jaren een nog groter beroep op de Maatschappelijke Opvang gedaan zal worden, vanwege de steeds hoger wordende levenskosten. Dit is met het huidig aantal plekken niet op te vangen. Er worden nu al mensen geweigerd, in de toekomst zullen er nog meer mensen worden geweigerd, tenzij er meer plekken gefinancierd kunnen worden.
Bij een groot deel van de urgente aandachtsgroepen gaat het om een eenpersoonshuishouden. Dit betekent dat er veel behoefte is aan kleine, betaalbare woonruimte. Niet alleen urgente aandachtsgroepen doen een beroep op deze woningen, maar ook regulier woningzoekenden. De druk op deze woningen is dus hoog. Om te zorgen dat er voldoende betaalbare woningen zijn voor zowel regulier woningzoekenden als urgente aandachtsgroepen, is het van belang om het aanbod aan sociale huurwoningen tot de eerste aftoppingsgrens te vergroten. Richting de toekomst gaat namelijk het aantal inwoners in de gemeente Kaag en Braassem groeien, en daarmee ook het aantal mensen dat behoort tot een urgente aandachtsgroep. Er zullen naar verwachting dus meer corporatiewoningen met voorrang moeten worden toegewezen aan urgenten.
In de hele regio Holland Rijnland wordt momenteel niet optimaal gebruikgemaakt van de beschikbare contingentwoningen. Dit speelt het sterkst in de dorpen in de Rijnstreek: Kaag en Braassem en Nieuwkoop. Instellingen geven aan dat ze onvoldoende kandidaten hebben die geschikt zijn om door te stromen en specifiek zitten er in de dorpen in de Rijnstreek ook minder instellingen waar uitstroom is vanuit Beschermd Wonen. Dit betekent overigens niet dat de woningen leeg staan, maar dat ze niet optimaal worden benut voor de doelgroep.
4 Passend woonaanbod en geschikte leefomgeving
Met de huidige woningvoorraad in Kaag en Braassem is het niet mogelijk om de opgave langer en weer zelfstandig wonen op te vangen. De komende jaren vergrijst Kaag en Braassem enorm: de verwachting is dat het aantal “oudere” ouderenhuishoudens (85+ jaar) verdubbelt van 430 nu naar 850 in 2040. Deze ouderen zullen steeds langer zelfstandig wonen. Maar veel ouderen wonen in een grote (koop)woning die niet direct geschikt is om zware zorg in te ontvangen. Daarnaast is er relatief weinig aanbod aan goedkope, kleinere woningen. Hierdoor komen sommige doelgroepen extra in de knel om passende huisvesting te vinden, zoals aandachtsgroepen , starters en alleenstaanden. Daarom streven we ernaar om voor iedere doelgroep de juiste woning op de juiste plek te realiseren. Want naast de woning gaat het ook om een geschikte leefomgeving die veilig en toegankelijk is ingericht. Dit vraagt om samenwerking tussen gemeente, corporaties, zorg- en welzijnspartijen, ontwikkelaars en inwoners.
De gemeente stimuleert de bouw van voldoende ouderenwoningen in de komende jaren. Om aan de groeiende vraag te voldoen, zijn er tot 2040 ongeveer 480 woningen nodig in Kaag en Braassem: 240 nultredenwoningen, 210 geclusterde woningen en 30 zorggeschikte woningen (Woonzorganalyse gemeente Kaag en Braassem, 2025).
In de Woondeal Regio Holland Rijnland is afgesproken dat van de nieuwbouw tot 2030 30% in de sociale huur valt. Het ligt voor de hand om ditzelfde percentage ook aan te houden voor toe te voegen nultredenwoningen. In 2022 is in de Nationale Prestatieafspraken afgesproken dat corporaties aan de lat staan voor 50% van de toe te voegen geclusterde en zorggeschikte woningen voor ouderen. Dit betekent dat de woningbouwopgave voor de andere helft landt in de particuliere sector. Zorgaanbieders en corporaties kunnen daar eventueel in (beperkte) mate aan bijdragen. Corporaties passen sneller nieuwe woonconcepten toe dan de particuliere markt.
De verwachting is echter dat toekomstige generaties ouderen meer vermogen hebben opgebouwd en ook bij een verhuizing naar bijvoorbeeld een geclusterd hofje vaker in de koopsector zullen willen blijven. Daarin is momenteel nog erg weinig aanbod. Daarom zal de gemeente vanuit haar regierol in gesprek moeten gaat met marktpartijen om te sturen op voldoende bouwplannen voor nultreden, geclusterde en zorggeschikte woningen.
Het is niet realistisch en ook niet nodig om nultreden, geclusterde en zorggeschikte woningen uitsluitend door nieuwbouw te realiseren. Ook de bestaande woningvoorraad moet worden benut om aan de vraag te voldoen. Om te zorgen voor voldoende ouderenhuisvesting, onderzoeken we de mogelijkheden om geclusterd en zorggeschikt wonen in de bestaande woningvoorraad te realiseren, bijvoorbeeld door een ontmoetingsruimte toe te voegen of het transformeren van bestaand vastgoed, zoals leegstaande boerderijen.
Clustering woon(zorg)voorzieningen
Clustering van woonzorgvoorzieningen en geschikte woningen voor ouderen is noodzakelijk om zorg in de toekomst te kunnen blijven leveren. Als mensen met een zware (Wlz-)zorgvraag dichter bij elkaar wonen, heeft zorgpersoneel minder reistijd en daardoor meer tijd voor zorgverlening. Tegelijkertijd helpt geclusterd wonen eenzaamheid tegen te gaan en het onderlinge omzien naar elkaar te bevorderen.
Bij het bouwen van zorggeschikte woningen richten we ons op Roelofarendsveen, zodat ouderen met een zware zorgvraag dichtbij voorzieningen wonen en een woonzorgsteunpunt in de buurt is (waarvandaan zorg kan worden geleverd).
In de andere dorpen bieden we de ruimte aan (collectieve) woon(zorg)initiatieven die bijdragen aan het vervullen van de woonzorgopgaven. Voorbeelden zijn ‘hofjeswonen’ of gemengde woonvormen waar jongeren en ouderen zelfstandig wonen en iets voor elkaar kunnen betekenen. Op deze manier kunnen ouderen die ondersteuning of zorg nodig hebben, dicht bij hun sociale netwerk blijven wonen. Bij een Collectief Particulier Opdrachtgeverschap (CPO) initiatief in een dorp met weinig voorzieningen, is het van belang om aan de voorkant met elkaar af te spreken tot wanneer het verantwoord is om daar zelfstandig te blijven wonen. De inzet van domotica/EHealth kan hierbij interessant zijn voor het langer zelfstandig wonen, onder andere doordat zorg op afstand geleverd kan worden. Een oplossing zou ook kunnen zijn om op een centraal punt in het dorp (bijvoorbeeld dorpshuis) zorg te leveren. Dit kan gecombineerd worden met ontmoeting, zoals samen eten. Het vervoer kan zelf geregeld worden, of via de vrijwillige vervoerdiensten zoals ANWB AutoMaatje en de Combibus.
In onze dorpen wonen veel ouderen in grote eengezinswoningen. Deze woningen zijn zonder aanpassingen vaak niet geschikt om (zware) zorg in te ontvangen, bijvoorbeeld doordat er trapgelopen moet worden om de slaapkamer of badkamer te bereiken. Veel ouderen verhuizen niet naar een woning die beter bij hun levensfase past. Er ligt een opgave bij de gemeente en haar partners om te zorgen voor passend woonaanbod bij de levensfase van inwoners, zoals kleine aantrekkelijke woningen voor ouderen. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst gaven aanwezigen aan dat de woning niet te klein moet zijn, want dan worden ouderen alsnog niet verleid om te verhuizen. Een extra slaapkamer en/of groot balkon is bijvoorbeeld gewenst.
Enkel het toevoegen van geschikte woningen voor ouderen zal niet zorgen voor de gewenste doorstroming. Veel ouderen zien er tegenop om te verhuizen. Er ligt dus ook een opgave om hen te stimuleren te verhuizen. Als ouderen verhuizen, ontstaat er doorstroming voor gezinnen en starters.
Een ouderenadviseur en huis-aan-huis-gesprekken werken onvoldoende om doorstroming op gang te brengen, blijkt uit ervaringen van de corporatie(s) en welzijnspartijen. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst werd gesproken over financiële stimuli, zoals het behouden van de huidige huurprijs bij verhuizing of een verhuisvergoeding. Dit soort maatregelen kunnen worden overwogen. Gemeente, corporaties en welzijnspartijen bekijken samen hoe ze de doorstroming beter kunnen stimuleren; zowel voor de sociale als particuliere sector.
Daarnaast is voorlichting en bewustwording belangrijk. Dikwijls zien ouderen hun in de eigen woning opgebouwde overwaarde eerder als erfenis voor de kinderen dan als bron om woonlasten in een geschikte seniorenwoning mee te betalen. Hier is een andere manier van denken nodig, waarbij we het eerlijke verhaal zullen moeten vertellen in situaties waarin ouderen onrealistische beelden hebben van mogelijke geschikte woonvormen om in oud te worden.
Uitbreiding instellingsplekken
Uit de woonzorganalyse blijkt dat met name voor mensen die een Wlz-indicatie hebben vanwege een verstandelijke beperking en mensen die een beroep doen op de Maatschappelijke Opvang, een tekort is aan intramurale woonplekken (zie paragraaf “Samenvatting opgave aandachtsgroepen”). Mensen met een verstandelijke beperking staan op de wachtlijsten bij zorgaanbieders. De Binnenvest heeft mensen in hotels moeten plaatsen door een tekort aan Maatschappelijke Opvang plekken. Dit is niet wenselijk. De verwachting is dat er de komende jaren een nog groter beroep op instellingsplekken gedaan zal worden, vanwege demografische ontwikkelingen en de steeds hoger wordende levenskosten. De gemeente gaat met relevante partners nadenken over eventuele uitbreiding van woonplekken voor deze doelgroepen.
Ook is er behoefte aan een plek voor een ‘scheef huisje’, om een prikkelarme situatie te creëren voor mensen die dermate afwijkend woongedrag vertonen dat zij niet goed in een reguliere woonbuurt zijn te handhaven.
Op dit moment is de gemeente bezig met het voorbereiden van de procedure. Het gesprek met woningcorporatie WYwonen voor het exploiteren van de sociale huurwoning loopt. De Binnenvest is de zorgpartij die een scheef huisje toewijst en de bewoners begeleidt. De gemeente draagt de kosten voor de procedure, aanleggen van voorzieningen en het inrichten van het perceel. De woningbouw is verantwoordelijk voor de bouw/ plaatsing van de woning en de verhuur/ onderhoud.
Sociale huurwoningen voor aandachtsgroepen
Aandachtsgroepen gaan ook steeds vaker (weer) zelfstandig wonen, eventueel met ambulante zorg of begeleiding. Daarnaast willen we als gemeente voldoende betaalbare woningen voor onze jongeren en starters hebben, omdat zij onze dorpen vitaal houden. Bovendien zijn zij de vrijwilligers en mantelzorgers van de toekomst.
Er is een (groeiend) tekort aan betaalbare woonruimte voor aandachtsgroepen, starters en alleenstaanden. Zij zijn vaak aangewezen op een sociale huurwoning onder de eerste aftoppingsgrens 3 . Het gaat hierbij onder andere om kleine studio’s / woningen. Dit aanbod is in Kaag en Braassem beperkt aanwezig. Van de totale woningvoorraad bestaat ongeveer 26% uit corporatiewoningen (CBS Statline, Voorraad woningen, 2024). Met name het aanbod onder de eerste aftoppingsgrens is relatief laag: 68%. Voor Nederland ligt dit gemiddeld op 79%. De corporatiewoningen die er in Kaag en Braassem zijn, staan vooral in Roelofarendsveen Noord en Oude Wetering (Woningmarktonderzoek gemeente Kaag en Braassem, In.Fact.Research 2023). Zeker in de kleinste dorpen is het aandeel sociale huurwoningen zeer laag of afwezig. Tijdens de stakeholdersbijeenkomst werd aangegeven dat het wenselijk is om aandachtsgroepen te spreiden over de gemeente. Dit vraagt om uitbreiding van het aanbod sociale huurwoningen en gerichte toewijzing. De woningcorporaties zetten zich hier maximaal voor in, en de gemeente ondersteunt waar mogelijk. Waar nodig zal het van partijen vragen om soepel om te gaan met wensen en mogelijkheden (bij voorkeur biedt de corporatie een uitstromer een kleine, betaalbare woning aan, maar als die in de beoogde kern niet muteren, dan kan het ook niet zo zijn dat de wachttijd enorm oploopt, dan zal er zo nu en dan toch een grotere woningen toegewezen moeten worden of een woning in huur moeten worden verlaagd).
Voor een deel van deze doelgroep kunnen opties rond het delen van woningen interessant zijn, omdat dit zorgt voor gezelschap / gezelligheid en omdat dit een manier is om de woonlasten te beperken. Hier zijn in het land verschillende constructies voor bedacht, zoals Friendscontracten of Onder de Pannen. Om het delen van woningen breder mogelijk te maken is het wel nodig om binnen de gemeente te kijken naar het versoepelen van regels, bijvoorbeeld in het omgevingsplan, regels rond parkeernormen en ook regels in het sociaal domein (kostendelersnorm). Hierbij kan geleerd worden van gemeenten die ons hierin al voorgingen.
Een prettige leefomgeving is groen, veilig en goed toegankelijk voor iedereen. Kaag en Braassem is een groene gemeente. We streven ernaar de groenvoorzieningen optimaal te benutten om beweging en ontmoeting tussen inwoners te stimuleren.
Voor mensen met een mobiliteits- of visuele beperking is de leefomgeving vaak ontoegankelijk. Denk bijvoorbeeld aan stoepen die niet breed genoeg zijn of aan vervanging toe zijn. Ook voor de groeiende groep mensen met dementie is het van belang dat de openbare ruimte dementievriendelijker wordt ingericht. Denk hierbij aan looproutes of herkenningspunten. De gemeente gaat actief inzetten op het verbeteren van de toegankelijkheid voor kwetsbare mensen. We kunnen niet op alle plekken tegelijkertijd aan de slag. Daarom beginnen we met het toegankelijk inrichten van de gebieden waar relatief veel ouderen wonen, zoals in Roelofarendsveen, Rijnsaterwoude en Hoogmade.
Bereikbaarheid van voorzieningen
Voor kwetsbare mensen is het van belang dat voorzieningen, zoals huisarts en supermarkt, in de nabije omgeving zijn of bereikbaar zijn met het openbaar vervoer.
In sommige dorpen in de gemeente ontbreken belangrijke voorzieningen. Lang niet alle kwetsbare mensen die zelfstandig wonen, zullen dus dicht bij de belangrijkste voorzieningen wonen. Als het gaat om mobiliteit zijn de kleinere dorpen en het buitengebied niet goed bereikbaar met het openbaar vervoer. Mensen zullen dan een groter beroep moeten doen op elkaar. We stimuleren kleine initiatieven, zodat men onderling vervoer regelt als dat nodig is. Bijvoorbeeld door gebruik te maken van buren, deelauto’s of initiatieven zoals ANWB AutoMaatje en de Combibus. Op die manier kunnen kwetsbare mensen (blijven) wonen in hun eigen dorp.
Momenteel woont het grootste deel van de ouderen met een zware zorgvraag in één van de zes woonzorgcentra in Roelofarendsveen, Woubrugge, Oude Wetering en Leimuiden. Door groeiende personeelstekorten, een toenemende zorgvraag en het niet uitbreiden van woonzorgcentra volgens landelijk beleid 4 , is de zorg zoals die nu is ingericht niet houdbaar richting de toekomst. Dit betekent dat de beschikbare capaciteit optimaal moet worden ingezet, maar ook dat de wisselwerking met informele zorg steeds belangrijker wordt. Ook steeds meer aandachtsgroepen met een ondersteuningsvraag wonen zelfstandig. Een zachte landing in de wijk is daarbij van belang.
Toekomstbestendige zorg vraagt betere communicatie
In de toekomst woont een groter deel van de ouderen met een zware zorgvraag (oftewel Wlz-indicatie) in hun eigen woning in plaats van in een woonzorgcentrum. Ook mensen uit aandachtsgroepen zullen vaker weer zelfstandig wonen en ontvangen ambulante begeleiding. Hierdoor wordt een extra beroep gedaan op onder andere huisartsen, wijkverpleging en de woonomgeving. Intensieve samenwerking tussen gemeente, corporaties, zorg- en welzijnsorganisaties en inwoners is essentieel. Korte lijnen zijn nodig om snel te kunnen anticiperen. Doel is dat partijen elkaar makkelijk weten te vinden en informatie snel kunnen delen. Hierdoor blijft er meer tijd over om te besteden aan de cliënten. We willen dit bereiken door meer samen te werken op wijkniveau. Een voorbeeld van deze manier van werken gebeurt al in de eerstelijnszorg met een wijksamenwerkingsverband. De gemeente kan hier als verbindende partij een belangrijke rol spelen, door frequente wijkgerichte samenwerking te organiseren tussen de wonen-welzijn-zorgpartners.
Zachte landing in de wijk voor aandachtsgroepen
Extra aandacht is nodig voor de huisvesting van aandachtsgroepen. Voor deze inwoners is, naast een passende woning en zorg, een zachte landing in de wijk van belang. Zij hebben vaak een beperkt sociaal netwerk waar ze op kunnen terugvallen. De gemeente en haar partners zorgen ervoor dat ook zij zich verbonden voelen met de wijk, onder andere door in te zetten op wijken met een gevarieerde samenstelling van inwoners. Bovendien is voor een zachte landing in de wijk goede communicatie nodig tussen de begeleidende partijen.
Stakeholders geven aan dat dit beter kan, specifiek als het gaat om de contingent regeling. In de regio Holland Rijnland huisvesten de corporaties uitstromers uit Beschermd Wonen en Maatschappelijke Opvang via de regionale contingent regeling. Dit betreft een afspraak tussen de woningcorporaties, gemeenten en zorgaanbieders over het toewijzen van een vastgesteld aantal woningen aan uitstromers uit instellingen die dringend huisvesting en ondersteuning/zorgverlening nodig hebben. De ondersteuning/zorgverlening geldt voor ten minste 2 jaar. Partijen signaleren dat nazorg die geleverd wordt bij uitstroom bij een instelling niet altijd gegeven kan worden door de partij die de zorg in de instelling leverde. Dat wordt gesignaleerd als een gemiste kans. Deze nazorg wordt meestal geboden door Tom in de buurt.
Landelijk ondervindt 77% van de huisartsen problemen door ruimtegebrek (Notitie Referentiewaarden Sociaal domein, Gemeente Kaag en Braassem). 40% van de praktijken kan door ruimtegebrek geen extra personeel opleiden of aannemen. 45% ervaart een gebrek aan beschikbare panden. In onze gemeente is eenzelfde beeld zichtbaar, blijkt uit een enquête onder huisartsen (2023).
In de huidige situatie staan de huisartsen al behoorlijk onder druk. Een toename van inwoners, door het aanleggen van een nieuwe wijk, vraagt om een toename van zorgcapaciteit. Maar ook door het langer en weer zelfstandig wonen van ouderen en aandachtsgroepen wordt er een extra beroep gedaan op huisartsen. Ook extra instellingsplekken zullen de druk op de huisartsen nog verder vergroten. Het is de verwachting dat het aantal patiënten in 2030 28.730 is; dat zijn 870 patiënten meer dan in 2024. In 2040 is dit op basis van de huidige prognose 2.250 patiënten meer dan in 2024 (Regiobeeld.nl). De druk op de huisartsenzorg neemt verder toe.
Zorgaanbieders herkennen dat huisartsen vol zitten. Zij moeten bij een nieuwe patiënt huisartsen in de regio bellen om er één te vinden die nog ruimte heeft voor een nieuwe patiënt.
De gemeente vindt het belangrijk dat er een goed voorzieningenniveau voor iedereen beschikbaar is. Daarom wordt er gewerkt aan de Notitie Referentiewaarden Sociaal Domein, waarin referentiewaarden worden beschreven, die bij nieuwbouwprojecten gebruikt kunnen worden voor het bepalen van de ruimtebehoefte voor maatschappelijke voorzieningen.
Om efficiënter te werk te gaan, werd er tijdens de stakeholdersbijeenkomst gesproken over de mogelijkheid om één huisartsenpraktijk per instelling aan te wijzen. Dit is voor zowel de huisartsen als de instellingen overzichtelijker. Dit is een optie om verder te verkennen. Een andere genoemde suggestie om efficiënter te werk te gaan, is om zorgverleners met patiënten mee te laten gaan naar de afspraak met een huisarts, wat tijd zal schelen om de zorgvraag te achterhalen.
Verder geven huisartsen aan dat er voldoende rekening moet worden gehouden met de beschikbaarheid van zorg in nieuwe wijken, en dat huisartsen aan de voorkant al betrokken worden moeten worden bij een nieuw initiatief.
Zorgpartijen die aanwezig waren bij de stakeholdersbijeenkomst gaven aan dat ook zij te maken hebben met te weinig capaciteit voor de toenemende zorgvraag van inwoners. Er werd gesproken over creatieve oplossingen om zorgpersoneel aan te trekken of breder op te leiden. Zorgorganisaties willen samenwerken aan het opleiden van nieuw personeel en zij-instromers.
Inzet mantelzorg en informele netwerk
Mantelzorgers en het informele netwerk spelen een belangrijke rol bij het langer en weer thuis wonen van mensen met een zorg- of ondersteuningsvraag. Hun inzet wordt belangrijker dan ooit door het toenemende personeelstekort. Door de vergrijzing neemt het aantal mantelzorgers af ten opzichte van het aantal mensen dat zorg nodig heeft. De welzijnsorganisaties herkennen dit. Zij geven aan dat er al veel vrijwilligerswerk en mantelzorg wordt verricht in de gemeente, met name door ouderen – en dat hier weinig rek meer op zit.
Daarom zetten we in op het waarderen en ondersteunen van mantelzorgers. Een vorm van waardering voor mantelzorgers in de gemeente is het “Mantelzorgcompliment”. Daarnaast biedt Tom in de Buurt een mantelzorg steunpunt. Het steunpunt biedt mantelzorgers persoonlijke ondersteuning van ervaren mantelzorg-consulenten, die een luisterend oor, deskundig advies en begeleiding geven bij praktische en emotionele vragen rondom de zorg voor een naaste. Deze consulenten helpen mantelzorgers om een gezonde balans te vinden tussen zorg en eigen welzijn, onder andere via contact met lotgenoten, hulp bij regelzaken en het versterken van hun sociale netwerk.
De gemeente vindt het belangrijk dat mantelzorgers balans ervaren tussen hun eigen leven en de zorg die zij verlenen. Om deze reden geeft de gemeente een blijk van waardering in de vorm van een mantelzorgcompliment aan mantelzorgers. Mantelzorgcomplimenten kunnen worden aangevraagd bij Tom in de buurt. Het compliment is een eenmalige waardering in de vorm van een geldbedrag dat wordt uitgereikt rond de Dag van de Mantelzorg.
Mantelzorgondersteuning kan breder worden ingezet. Organisaties zoals scholen en huisartsen kunnen ook veel betekenen in mantelzorgondersteuning. Denk bijvoorbeeld aan een signaleringsfunctie van huisartsen: zij kunnen mantelzorgers tijdig herkennen, doorvragen over hun situatie en hen doorverwijzen naar passende ondersteuning. Verder kan de inzet op geclusterde woningen helpen om buren dichter bij elkaar te brengen en de drempel voor informele zorg/ mantelzorg lager te maken voor meer inwoners. Bovendien kan het bij mantelzorgondersteuning ook gaan over (pré-)mantelzorgwoningen en het bouwen van tijdelijke woningen op het eigen erf, zodat mantelzorger en mantelzorgontvanger dichter bij elkaar kunnen wonen. In het uitvoeringsprogramma werken we uit hoe we de ondersteuning van mantelzorgers vorm gaan geven.
De bereikbaarheid en kwaliteit van maatschappelijke voorzieningen staan onder druk. Zorgpersoneel is schaars en wordt de komende jaren nog schaarser. Zorg kan niet meer altijd en overal geleverd worden. Er zitten grenzen aan. Inwoners van onze gemeente moeten zelf een stap zetten om ervoor te zorgen dat zij ook op hun oude dag nog prettig kunnen wonen met de zorg en ondersteuning die daarbij komt kijken. Dit vraagt om meer bewustwording en zelf- en samenredzaamheid van onze inwoners.
Inwoners worden gestimuleerd om, met steun van hun netwerk, zelf voorbereid te zijn op hun toekomstige zorgbehoefte. Daarmee zorgen we er samen voor dat er voldoende ruimte voor ondersteuning en zorg overblijft om diegenen die echt niet mee kunnen komen, te blijven helpen.
Die bewustwording vragen we niet alleen van onze ouderen, maar juist van de brede samenleving: we zijn gezamenlijk verantwoordelijk. We willen dat inwoners meer naar elkaar omzien. Zodat een samenleving ontstaat waarin eigen kracht centraal staat, al dan niet met ondersteuning. En een samenleving waarin iedereen ertoe doet. Dit gaat echter niet vanzelf.
Uit het focusgesprek met (oudere) inwoners bleek dat een deel wel nadenkt over het wonen in de toekomst, maar dat zij daar niet altijd naar handelen. Sommige (oudere) inwoners denken nog helemaal niet na over het wonen in de toekomst en laten het op zich afkomen: “Als we zorg nodig hebben, dan zien we wel”. Als zij niet goed geïnformeerd worden, zullen zij mogelijk in hun grote eengezinswoning blijven wonen die niet geschikt is om bijvoorbeeld zware lichamelijke zorg in te ontvangen.
Er ligt dus een opgave om inwoners goed te informeren zodat zij weten welke keuzes ze kunnen maken en weten wat de consequenties van die keuzes zijn. Zodat ze keuzes maken die passen bij wie ze zijn. Hier ligt een opgave voor kinderen en naasten om het gesprek met hun ouder(s) aan te gaan over hun woonsituatie en hoe passend deze nog is bij de levensfase. Dit kan door gebruik te maken van natuurlijke momenten (kind uit huis, pensioen, overlijden, ziekte). Ook voor welzijnspartijen is een rol weggelegd om wonen in de toekomst een onderwerp van gesprek te maken tijdens natuurlijke contactmomenten. Ter ondersteuning van deze vormen van informeren, ziet de gemeente potentie voor het opzetten van een bewustwordingscampagne in samenwerking met welzijnspartijen. Hierbij kan gedacht worden aan het organiseren van een themabijeenkomst met een inspirerende spreker.
Omkijken naar elkaar gaat niet vanzelf
De dorpen in Kaag en Braassem zijn krachtige dorpen: met een sterk verenigingsleven en de welzijnsorganisaties De Spil en STIWO die veel activiteiten organiseren. Mensen kijken hier naar elkaar om: als iemand er een keer niet is, valt dat op.
Maar niet iedereen neemt deel aan activiteiten en heeft een (uitgebreid) sociaal netwerk om op terug te vallen. Wanneer we kijken naar de mate waarin inwoners naar elkaar omkijken, en daarmee ook de bereidheid om voor elkaar klaar te staan, verschilt dat sterk per dorp. In dorpen met veel nieuwkomers is sociale cohesie minder vanzelfsprekend. In gebieden met minder sociale cohesie wordt vaker een groter beroep gedaan op professionele zorg. Dat is een risico voor een aantal dorpen van Kaag en Braassem. Daarom is het belangrijk om hier aan de voorkant over na te denken. De gemeente pakt hierin de regierol door samen met de welzijnsorganisaties en inwoners te onderzoeken wat er nodig is om nieuwkomers goed te laten landen in de dorpen en de sociale netwerken te versterken. Hierbij maken we gebruik van inspirerende voorbeelden uit onze eigen dorpen, zoals Woubrugge.
Nog meer inzet op preventie en positieve gezondheid
Daarnaast omarmen we ‘positieve gezondheid’. Bij gezondheid gaat het niet alleen om de aan- of afwezigheid van ziekte, maar ook om het vermogen om zelf de regie te voeren over je leven en mee te doen in de maatschappij. We werken vanuit de waardes van positieve gezondheid, die uitgaan van de veerkracht van mensen en wat hun leven betekenisvol maakt. Veel (oudere) inwoners zijn wel degelijk in staat om zelf regie te hebben over hun leven, alleen moet dit soms nog wel gestimuleerd worden.
Zorgpartijen in Kaag en Braassem zetten hier al op in door het trainen van personeel, ook wel het “anders werken” genoemd. Het gaat dan om een verschuiving van gericht zijn op behandeling naar actief inzetten op preventie en het ondersteunen van positieve gezondheid. Personeel richt zich bijvoorbeeld niet alleen op lichamelijke aspecten, maar er is ook aandacht voor mentaal welzijn, meedoen en dagelijks functioneren. Of gezondheidsproblemen worden voorkomen door vroegtijdig signaleren en ondersteuning op alle levensdomeinen.
De inzet op preventie en positieve gezondheid kan breder worden toegepast, bijvoorbeeld in onderwijs en wijkinitiatieven.
In deze woonzorgvisie werkten we de belangrijkste opgaven, ambities en prioriteiten voor de komende jaren op het gebied van wonen, welzijn en zorg uit. Daarnaast bevatten de speerpunten een aanzet voor de uitvoering. Deze woonzorgvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad en vormt de basis voor het vervolg waarbij we het uitvoeringsprogramma verder uitwerken. Het uitvoeringsprogramma bevat concrete maatregelen/ actiepunten en wordt vastgesteld door het college.
Om daadwerkelijk aan de slag te gaan met de uitvoering, zal in de begroting opgenomen moeten worden dat de maatregelen/ actiepunten uit het uitvoeringsprogramma worden geborgd.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-575328.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.