Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Bronckhorst 2025

De raad van de gemeente Bronckhorst;

 

gelezen het voorstel van de werkgroep Doorontwikkeling van 4 december 2025;

 

gelet op artikel 16, 82, 84 en 147 Gemeentewet;

 

Besluit:

 

  • 1.

    in te trekken het 'Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2020', de ‘Verordening op de raadscommissies 2014’ en de ‘Verordening fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid 2005’;

  • 2.

    vast te stellen het 'Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Bronckhorst 2025’.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 De Politieke Avond

  • 1.

    De Politieke Avond in Bronckhorst is een openbare bijeenkomst van de gemeenteraad van Bronckhorst.

  • 2.

    De Politieke Avond kan bestaan uit informerende, adviserende, beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken en de raadsvergadering.

  • 3.

    Een informerend tafelgesprek is een bijeenkomst met als doel informeren.

  • 4.

    Een adviserend tafelgesprek is een bijeenkomst met als doel het adviseren van het college door de gemeenteraad over een onderwerp.

  • 5.

    Een beeldvormend tafelgesprek is een bijeenkomst met als doel beeldvorming.

  • 6.

    Een oordeelvormend tafelgesprek is een bijeenkomst met als doel oordeelvormen.

  • 7.

    In de raadsvergadering vindt debat en besluitvorming plaats.

Artikel 2 Raadscommissies

Adviserende, beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken zijn (vergaderingen van) raadscommissies zoals bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet.

Artikel 3 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

 

  • raadsvoorzitter: de voorzitter van de raadsvergadering of diens plaatsvervanger;

  • voorzitter: de voorzitter van een tafelgesprek;

  • griffier: de griffier van de raad of diens plaatsvervanger;

  • fractievoorzittersoverleg: een commissie zoals bedoeld in artikel 6 van dit reglement en op grond van artikel 84 van de Gemeentewet;

  • presidium: een commissie zoals bedoeld in artikel 8 van dit reglement en op grond van artikel 84 van de Gemeentewet;

  • amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

  • subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

  • motie: verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens, verzoek of opdracht wordt uitgesproken;

  • initiatiefvoorstel: een voorstel van een raadslid voor een verordening of een ander voorstel;

  • voorstel van orde: voorstel over de orde van een tafelgesprek of de raadsvergadering;

  • interpellatie: het vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda;

  • commissielid: een niet-raadslid dat namens één van de fracties deelneemt aan een tafelgesprek;

  • het college: het college van burgemeester en wethouders;

  • website: de website van de gemeente Bronckhorst www.bronckhorst.nl/gemeenteraad

Artikel 4 Het voorzitterschap

  • 1.

    De raad wijst de voorzitters aan.

  • 2.

    De raadsvoorzitter en de voorzitters zijn belast met:

    • a.

      het leiden van de raadsvergadering respectievelijk de tafelgesprekken;

    • b.

      het handhaven van de orde;

    • c.

      het doen naleven van het reglement van orde;

    • d.

      hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hen verder opdraagt.

  • 3.

    De raad kiest uit zijn midden tenminste twee plaatsvervangend raadsvoorzitters.

  • 4.

    De raadsvoorzitter kan worden vervangen door de plaatsvervangend raadsvoorzitter indien hij dit wenst of de raad hiertoe besluit.

  • 5.

    Het voorzitterschap van een voorzitter eindigt door:

    • a.

      het einde van de zittingsperiode van de raad;

    • b.

      beëindiging van het lidmaatschap van de raad;

    • c.

      ontslag op eigen verzoek;

    • d.

      ontslag door de raad wanneer hij naar het oordeel van de raad door handelen of nalaten ernstig nadeel toebrengt aan het in hem gestelde vertrouwen.

Artikel 5 De griffier

  • 1.

    De griffier is in elke vergadering van de raad, het fractievoorzittersoverleg, de agendacommissie en het presidium aanwezig.

  • 2.

    Bij verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen plaatsvervanger.

  • 3.

    Bij elk tafelgesprek is de griffier of een medewerker van de griffie aanwezig.

  • 4.

    De griffier of medewerker van de griffie kan op uitnodiging van de raadsvoorzitter of voorzitter deelnemen aan beraadslagingen zoals bedoeld in dit reglement.

Artikel 6 Het fractievoorzittersoverleg

  • 1.

    Er is een fractievoorzittersoverleg dat bestaat uit de raadsvoorzitter en de fractievoorzitters.

  • 2.

    Fractievoorzitters wijzen elk een raadslid (of commissielid) aan dat hen bij afwezigheid in het fractievoorzittersoverleg vervangt.

  • 3.

    Het fractievoorzittersoverleg kan anderen uitnodigen deel te nemen aan zijn vergaderingen.

  • 4.

    Elke fractievoorzitter of diens vervanger heeft één stem in het fractievoorzittersoverleg.

  • 5.

    Het fractievoorzittersoverleg doet aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en functioneren van de raad in het algemeen en de Politieke Avond in het bijzonder.

  • 6.

    Het fractievoorzittersoverleg heeft taken en bevoegdheden die zijn opgenomen in de artikelen 13 lid 1 en 2, 21 lid 8, 23 lid 5 en 24 lid 6.

Artikel 7 De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen

  • 1.

    Er is een agendacommissie bestaande uit de raadsvoorzitter en de fractievoorzitters.

  • 2.

    De fractievoorzitters wijzen elk een raadslid aan die hen bij afwezigheid in de agendacommissie vervangt.

  • 3.

    De leden van de agendacommissie wijzen uit hun midden een voorzitter aan, niet zijnde de raadsvoorzitter.

  • 4.

    De taak van de agendacommissie is om de agenda van de Politieke Avond voor te bereiden en vast te stellen, en ook vergaderingen op grond van artikel 17 lid 2 van de Gemeentewet.

  • 5.

    De stukken voor de agendacommissie worden één week voor het overleg beschikbaar gesteld. Als daar van afgeweken moet worden stelt het college gemotiveerd de agendacommissie hiervan schriftelijk op de hoogte.

  • 6.

    De vergaderingen van de agendacommissie zijn in principe openbaar tenzij een lid of de raadsvoorzitter verzoekt om in beslotenheid te vergaderen.

Artikel 8 Het presidium

  • 1.

    De raad heeft een presidium bestaande uit de raadsvoorzitter en de fractievoorzitters.

  • 2.

    Het presidium heeft tot taak:

    • a.

      het bespreken van onderwerpen die gezien eventuele schade van openbaar overleg voor de gemeente Bronckhorst niet in een reguliere tafelgesprek of raadsvergadering besproken kunnen worden en onderwerpen die personele aangelegenheden betreffen;

    • b.

      het behandelen van een klacht over de gemeenteraad, een lid van de gemeenteraad, een commissie, een commissielid of de griffier. De raad stelt nadere regels over de behandeling van een klacht;

    • c.

      bij calamiteiten of vrees voor calamiteiten de voorliggende situatie te bespreken. Hiervan is tenminste sprake:

      • bij crisis of vrees voor crisis binnen de raad;

      • indien de raad het vertrouwen opgezegd heeft in de burgemeester en/of het vertrouwen opgezegd heeft in één of meerdere wethouders.

  • 3.

    Het presidium kiest uit haar midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter.

  • 4.

    De griffier is tijdens de vergaderingen van het presidium aanwezig.

  • 5.

    Als het presidium onderwerpen bespreekt over aangelegenheden ten aanzien van de voorzitter van de raad, onthoudt de voorzitter van de raad zich van deelname aan de vergadering van het presidium voor zover het deze aangelegenheden betreft.

  • 6.

    Het presidium komt op initiatief van de voorzitter of één van de fractievoorzitters bijeen.

  • 7.

    Elke fractievoorzitter heeft één stem in het presidium. Als de stemmen staken beslist de raadsvoorzitter.

  • 8.

    Het presidium kan derden uitnodigen om als adviseur bij een vergadering van het presidium aanwezig te zijn.

  • 9.

    De vergaderingen van het presidium zijn besloten.

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; fracties; benoeming wethouders

Artikel 9 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

  • 1.

    Bij de benoeming van nieuwe raadsleden stelt de raad op voordracht van de voorzitter een commissie in bestaande uit drie raadsleden.

  • 2.

    Deze commissie onderzoekt de geloofsbrieven en de daarop betrekking hebbende stukken van de nieuw benoemde raadsleden en brengt vervolgens advies uit aan de raad over de toelating van de nieuw benoemde raadsleden tot de raad. Indien van toepassing, wordt van een minderheidsstandpunt melding gemaakt in dit advies.

  • 3.

    Het onderzoek van het proces-verbaal van het centraal stembureau gebeurt in de laatste raadsvergadering in oude samenstelling na de raadsverkiezingen.

  • 4.

    Na de raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten raadsleden op om in de eerste raadsvergadering in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 5.

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter in afwijking van het voorgaande een nieuw benoemd raadslid op voor de raadsvergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 10 Benoeming wethouders

  • 1.

    Bij de benoeming van een wethouder stelt de raad een commissie in bestaande uit drie raadsleden.

  • 2.

    Deze onderzoekt of de benoeming van de kandidaat-wethouder voldoet aan de vereisen van de artikelen 36a, 36b, 41b, eerste, derde en vierde lid, en 41c, eerste lid van de Gemeentewet.

  • 3.

    De commissie brengt vervolgens advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder.

  • 4.

    De burgemeester kan voor de aanvang van iedere ambtstermijn opdracht geven om de kandidaat-wethouders aan een risicoanalyse integriteit te onderwerpen. De burgemeester brengt over het eindresultaat daarvan verslag uit aan de raad.

Artikel 11 Fracties

  • 1.

    Raadsleden die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2.

    Als boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Als daar geen aanduiding was geplaatst, deelt de fractie in de eerste raadsvergadering aan de raadsvoorzitter mee welke naam deze fractie in de vergadering zal voeren.

  • 3.

    De namen van de fractievoorzitter en diens plaatsvervanger worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de raadsvoorzitter.

  • 4.

    Als één of meer raadsleden van één of meer fracties als zelfstandige fractie gaan optreden of als één of meer raadsleden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie, wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de raadsvoorzitter.

  • 5.

    Een nieuwe naam van een fractie voldoet aan de eisen uit artikel G 3 lid 4 van de Kieswet en wordt gebruikt met ingang van de eerstvolgende raadsvergadering na naamswijziging.

Artikel 12 Commissieleden niet-zijnde raadsleden

  • 1.

    Commissieleden niet-zijnde raadsleden behoren tot een fractie die in de raad vertegenwoordigd is.

  • 2.

    Commissieleden niet-zijnde raadsleden worden op voordracht van een fractie door de raad benoemd.

  • 3.

    Iedere fractie heeft recht op maximaal 2 commissieleden niet-zijnde raadsleden.

  • 4.

    Het commissielid niet-zijnde raadslid legt bij de benoeming de eed of verklaring en belofte af in de raadsvergadering.

  • 5.

    De gedragscode voor de leden van de raad is van overeenkomstige toepassing op de commissieleden niet-zijnde raadsleden.

  • 6.

    De artikelen 10, 11, 12, 13 en 15 van de Gemeentewet zijn op hen van toepassing.

  • 7.

    De benoeming tot commissielid niet-zijnde raadslid eindigt:

    • a.

      indien de raadsperiode afloopt;

    • b.

      op eigen verzoek;

    • c.

      op verzoek van de betreffende fractievoorzitter of diens vervanger.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen, voorbereidingen, regels en verslaglegging

Artikel 13 Vergaderfrequentie

  • 1.

    De Politieke Avonden vinden plaats volgens het door het fractievoorzittersoverleg vastgestelde schema.

  • 2.

    De raadsvoorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met het fractievoorzittersoverleg.

  • 3.

    De raad kan besluiten via digitale weg te vergaderen binnen de daarvoor gestelde wettelijke mogelijkheden. Dit reglement van orde is op de digitale vergadering van overeenkomstige toepassing, tenzij de raadsvoorzitter in voorkomende gevallen anders beslist.

Artikel 14 Oproep en agenda

  • 1.

    De raadsvoorzitter plaatst tenminste zeven dagen voor de Politieke Avond een schriftelijke oproep op de website, onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

  • 2.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, worden tegelijkertijd met de schriftelijke oproep op de website geplaatst.

  • 3.

    De informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie waaromtrent op grond van artikel Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd plaatst de griffier ‘achter een slotje’ in het raadsinformatiesysteem, zodat alleen raadsleden en commissieleden deze informatie kunnen raadplegen.

  • 4.

    In spoedeisende gevallen kan de raadsvoorzitter na het plaatsen van de schriftelijke oproep tot uiterlijk twee werkdagen voor de aanvang van de Politieke Avond een aanvulling op de voorlopige agenda opstellen. Ook deze wordt met de daarbij behorende stukken op de website geplaatst.

  • 5.

    Van het plaatsen van de aanvulling wordt mededeling gedaan aan de raadsleden en de commissieleden.

  • 6.

    De agenda wordt bij aanvang van de raadsvergadering door de raad vastgesteld. Op voorstel van een raadslid of de raadsvoorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 7.

    Op voorstel van een raadslid of de raadsvoorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

  • 8.

    Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de raadsvergadering voorbereid acht kan hij het onderwerp verwijzen naar een tafelgesprek of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen.

Artikel 15 Deelname aan de beraadslagingen door anderen

Onverminderd artikel 21 van de Gemeentewet kan de raad besluiten anderen uit te nodigen en/of laten deelnemen aan de Politieke Avond.

Artikel 16 Openbare kennisgeving

  • 1.

    De Politieke Avond wordt op de voor de afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen kan de openbare kennisgeving uitsluitend langs elektronische weg plaatsvinden.

Artikel 17 Voorstellen van orde

  • 1.

    De (raads)voorzitter en ieder raadslid of commissielid kan tijdens de raadsvergadering of tafelgesprek mondeling een voorstel van orde doen over de vergadering of het tafelgesprek.

  • 2.

    Over een voorstel van orde beslist de raad of beslissen de deelnemers terstond.

Artikel 18 Handhaven orde en schorsing

Voor zowel de tafelgesprekken als de raadsvergadering gelden de volgende regels:

 

  • 1.

    Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij:

    • a.

      de (raads)voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

    • b.

      een ander hem interrumpeert. De (raads)voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

  • 2.

    Als een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de (raads)voorzitter tot de orde geroepen. Als de desbetreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de (raads)voorzitter hem gedurende de vergadering of het gesprek waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

  • 3.

    De (raads)voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering of het gesprek voor een door hem te bepalen tijd schorsen en – als na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord- de vergadering sluiten of het gesprek beëindigen.

Artikel 19 Verslaglegging van de tafelgesprekken

  • 1.

    Bij beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken worden openstaande vragen en toezeggingen schriftelijk vastgelegd en verwerkt in het tafelverslag.

  • 2.

    Dit tafelverslag is een korte weergave van het tafelgesprek.

  • 3.

    De griffier draagt na afloop van de gesprekken zorg voor het plaatsen van de verslaglegging op de website.

  • 4.

    Van de informerende en adviserende tafelgesprekken wordt geen verslag gemaakt.

Artikel 20 Verslaglegging van de raadsvergadering

  • 1.

    De griffier draagt zorg voor het bijhouden van een presentie- en een besluitenlijst.

  • 2.

    Voor zover de aard en de inhoud van de besluitvorming zich daartegen niet verzet, wordt de besluitenlijst zo spoedig mogelijk na de vergadering op de website geplaatst.

  • 3.

    De griffier draagt na afloop van de vergadering zorg voor het plaatsen van de verslaglegging op de website.

 

Paragraaf 2 Orde van de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken

Artikel 21 Deelnemers aan de tafelgesprekken en nadere regels

  • 1.

    Per beeldvormende of oordeelvormende tafel wijzen fracties in principe één lid als woordvoerder aan.

  • 2.

    Het college heeft een permanente uitnodiging voor de tafels. Wanneer het onderwerp daarom vraagt kan het college zich laten bijstaan door de ambtelijke organisatie.

  • 3.

    Geïnteresseerden kunnen inspreken over een onderwerp bij een beeldvormende tafel. Agendeert de Agendacommissie een onderwerp direct voor een oordeelvormende tafel dan kunnen geïnteresseerden ook inspreken.

  • 4.

    Insprekers kunnen zowel op uitnodiging als op eigen initiatief bij een tafel aanwezig zijn en melden zich uiterlijk 48 uur voor aanvang van het tafelgesprek schriftelijk bij de griffie wanneer zij van het spreekrecht gebruik willen maken.

  • 5.

    Bij een beeldvormende of oordeelvormende tafel nodigt de voorzitter de insprekers uit aan tafel. Bij de bespreking van een onderwerp komen eerst de insprekers aan het woord. Zij krijgen 3 minuten de tijd om in te spreken. In de verdere bespreking kunnen raads- en commissieleden en de voorzitter aanvullende informatie vragen aan de insprekers.

  • 6.

    Het streven is om één persoon per organisatie of vereniging te laten inspreken om herhaling te voorkomen.

  • 7.

    Wanneer insprekers hebben deelgenomen aan een beeldvormende tafel dan kunnen zij bij een volgende tafel over hetzelfde onderwerp niet nogmaals inspreken.

  • 8.

    Het fractievoorzittersoverleg kan nadere regels stellen over de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken.

Artikel 22 Conclusie naar aanleiding van een tafelgesprek

  • 1.

    Aan het eind van een tafelgesprek trekt de voorzitter een conclusie.

  • 2.

    Het concluderen gebeurt op basis van consensus. Wanneer dit niet mogelijk is wordt er gestemd waarbij iedere aanwezige fractie één stem heeft. Iedere stem telt even zwaar.

  • 3.

    Wanneer de stemmen staken wordt de langste route in het proces gevolgd.

  • 4.

    De conclusie is een advies aan de raad over de raadsagenda.

  • 5.

    Conclusies naar aanleiding van een beeldvormend of oordeelgevormd tafelgesprek kunnen zijn:

    • opnieuw agenderen;

    • oordeelvormend drie weken later;

    • debat in de raadsvergadering een week later. Wanneer één fractie verzoekt om een voorstel voor debat te agenderen in plaats van een hamerstuk dan wordt dit verzoek gehonoreerd;

    • hamerstuk in de raadsvergadering een week later

    • teruggeven aan het college. Om het besluitvormingsproces te stoppen is een meerderheid nodig.

  • 6.

    Wanneer de conclusie aan de tafel “teruggeven aan het college” is, wordt het voorstel vervolgens geagendeerd voor de raadsvergadering. Bij het vaststellen van de raadsagenda wordt via een ordevoorstel beargumenteerd aangegeven waarom het voorstel teruggegeven moet worden aan het college. De volledige raad stemt vervolgens over dit ordevoorstel.

 

Paragraaf 3 Orde van informerende, adviserende tafels en algemeen spreekrecht

Artikel 23 Informerende en adviserende tafels

  • 1.

    Per informerende of adviserende tafel wijzen de fracties in principe één lid als woordvoerder aan.

  • 2.

    Aan een informerende tafel geeft het college de raad informatie over een onderwerp.

  • 3.

    Het college kan zich daarin laten bijstaan door één of meerdere ambtenaren of externen.

  • 4.

    Aan een adviserende tafel vraagt het college de raad om advies in aanloop naar een raadsvoorstel of met betrekking tot een onderwerp waar het college bevoegd is en de mening van de raad wil meenemen.

  • 5.

    Het fractievoorzittersoverleg kan nadere regels stellen over informerende en adviserende tafels.

Artikel 24 Algemeen spreekrecht

  • 1.

    Tijdens de Politieke Avond kan ook worden ingesproken over niet-geagendeerde onderwerpen.

  • 2.

    Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, meldt dit uiterlijk 48 uur voor de aanvang van de vergadering aan de griffier onder vermelding van zijn naam en contactgegevens, en het onderwerp waarover het woord gevoerd wenst te worden.

  • 3.

    Insprekers krijgen 3 minuten de tijd om in te spreken.

  • 4.

    Inspreken kan niet over:

    • a.

      een onderwerp dat niet behoort tot de bevoegdheid van het gemeentebestuur;

    • b.

      een onderwerp waar al eerder over is ingesproken en waar geen nieuwe informatie wordt toegevoegd;

    • c.

      schriftelijke mededelingen van het college aan de raad;

    • d.

      een besluit van het gemeentebestuur waartegen een bezwaar- of beroepsprocedure loopt of heeft gelopen;

    • e.

      benoemingen, keuzes, voordrachten of aanbevelingen van personen;

    • f.

      een klacht tegen het gemeentebestuur als bedoeld in artikel 9:1 van de Algemene wet bestuursrecht;

    • g.

      de ingekomen stukken.

  • 5.

    Voor niet-geagendeerde onderwerpen geldt dat slechts één keer per drie maanden door dezelfde persoon kan worden ingesproken.

  • 6.

    Het fractievoorzittersoverleg kan nadere regels stellen over het algemeen spreekrecht.

 

Paragraaf 4 Orde van de raadsvergadering

Artikel 25 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekenen raadsleden de presentielijst, die aan het einde van elke raadsvergadering door de raadsvoorzitter en de griffier door ondertekening wordt vastgesteld.

Artikel 26 Ingekomen stukken

  • 1.

    Bij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de raad digitaal beschikbaar gesteld.

  • 2.

    Na de vaststelling van de besluitenlijst stelt de raad de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

Artikel 27 Aantal spreektermijnen

  • 1.

    De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Spreektermijnen worden door de voorzitter afgesloten.

  • 3.

    Raadsleden voeren in een termijn niet meer dan éénmaal het woord over hetzelfde onderwerp of voorstel.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing op een raadslid dat een amendement, een subamendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, ten aanzien van de beraadslaging daarover.

  • 5.

    Bij de bepaling hoeveel malen een raadslid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een voorstel van orde.

Artikel 28 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de raad tot stemming overgaat, kunnen raadsleden hun voorgenomen stemgedrag kort toelichten.

Artikel 29 Beslissing

  • 1.

    De raadsvoorzitter sluit de beraadslaging nadat hij vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist.

  • 2.

    Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel of een samenvatting van de te nemen eindbeslissing.

 

Paragraaf 5 Stemmingen

Artikel 30 Algemene bepalingen over stemming

  • 1.

    De raadsvoorzitter vraagt de raadsleden of zij stemming verlangen. Als dit niet het geval is stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

  • 2.

    Als een voorstel zonder stemming wordt aangenomen kunnen de in de raadsvergadering aanwezige raadsleden aantekening in de besluitenlijst vragen, dat zij geacht worden te hebben tegengestemd of overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming hebben deelgenomen.

  • 3.

    Als een raadslid om stemming of hoofdelijke stemming vraagt, doet de voorzitter daarvan mededeling aan de raad.

  • 4.

    Bij hoofdelijke stemming roept de raadsvoorzitter de raadsleden bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het daarvoor bij loting aangewezen raadslid en verloopt verder volgens de volgorde van de presentielijst.

  • 5.

    Bij hoofdelijke stemming brengen ter vergadering aanwezige raadsleden, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming deel behoren te nemen, hun stem uit door ‘voor’ of ‘tegen’ te verklaren, zonder enige toevoeging.

  • 6.

    Een raadslid dat zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, kan deze vergissing herstellen totdat het volgende raadslid heeft gestemd. Bemerkt het raadslid zijn vergissing pas later, dan kan deze nadat de raadsvoorzitter de uitslag bekend heeft gemaakt aantekening vragen van zijn vergissing. Dit brengt geen verandering in de uitslag van de stemming.

  • 7.

    De raadsvoorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mee en doet daarbij mededeling van het genomen besluit.

Artikel 31 Stemming over amendementen en moties

  • 1.

    Als een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd en vervolgens over het voorstel zoals het dan luidt in zijn geheel.

  • 2.

    Als een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement waarop dat betrekking heeft.

  • 3.

    Als meerdere amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, wordt, onverminderd het eerste en tweede lid, eerst over het meest verstrekkende amendement of subamendement gestemd. De raadsvoorzitter beslist welk amendement of subamendement het meest verstrekkend is.

  • 4.

    Als over een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over het voorstel gestemd en vervolgens over de motie. De raad kan besluiten van de volgorde af te wijken.

Artikel 32 Stemming over personen

  • 1.

    Bij stemming over personen voor benoemingen of het opstellen van voordrachten of aanbevelingen, benoemt de raadsvoorzitter drie raadsleden tot stembureau.

  • 2.

    Aanwezige raadsleden zijn verplicht een door het stembureau verstrekt stembriefje in te leveren, tenzij zij overeenkomstig artikel 28 van de Gemeentewet niet aan de stemming behoren deel te nemen.

  • 3.

    Er vinden zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van het stembureau beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

  • 4.

    Voor het bepalen van een volstrekte meerderheid, bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet, worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die raadsleden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk stembriefje wordt verstaan:

    • a.

      een blanco stembriefje

    • b.

      een ondertekend stembriefje of een stembriefje waaruit te herleiden is wie hem heeft ingevuld;

    • c.

      een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij bepaalde stemmingen zijn samengevat op één briefje;

    • d.

      een stembriefje waarbij, als het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen.

  • 5.

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad op voorstel van het stembureau.

  • 6.

    Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 33 Herstemming over personen

  • 1.

    Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2.

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand een volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3.

    Als bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 34 Beslissing door het lot

  • 1.

    Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de raadsvoorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke briefjes geschreven.

  • 2.

    Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3.

    Vervolgens neemt de raadsvoorzitter één van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Hoofdstuk 4 Bevoegdheden en instrumenten raadsleden

Artikel 35 Amendementen en subamendementen

  • 1.

    Raadsleden dienen amendementen en subamendementen voor het sluiten van de beraadslaging van het voorstel waarop deze betrekking hebben schriftelijk in bij de raadsvoorzitter tenzij de raadsvoorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2.

    Er wordt alleen beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst hebben getekend.

  • 3.

    Intrekking door de indiener van een amendement of subamendement is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 36 Moties

  • 1.

    Raadsleden dienen moties schriftelijk in bij de raadsvoorzitter, tenzij de raadsvoorzitter oordeelt dat mondelinge indiening volstaat.

  • 2.

    De behandeling van een motie vindt gelijktijdig plaats met de beraadslaging over het onderwerp of voorstel waarop het betrekking heeft.

  • 3.

    De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda opgenomen onderwerpen zijn behandeld.

  • 4.

    Intrekking door de indiener van een motie is mogelijk totdat de besluitvorming daarover door de raad is afgerond.

Artikel 37 Initiatiefvoorstel

  • 1.

    Raadslid dienen initiatiefvoorstellen schriftelijk in bij de raadsvoorzitter. Deze brengt een ingediend voorstel zo snel mogelijk ter kennis van het college en de raad.

  • 2.

    Het college kan binnen twee weken nadat het ter kennis is gesteld van het voorstel schriftelijk wensen en bedenkingen met betrekking tot het voorstel ter kennis van de raad brengen.

  • 3.

    Een voorstel wordt nadat het college schriftelijk wensen en bedenkingen ter kennis aan de raad heeft gebracht of kenbaar heeft gemaakt hiertoe niet te zullen overgaan, dan wel nadat de in het tweede lid gestelde termijn is verlopen op de agenda van de eerstvolgende raadsvergadering geplaatst. Als de schriftelijke oproep hiervoor al verzonden is wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende raadsvergadering geplaatst.

  • 4.

    De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen zijn behandeld, tenzij de raad oordeelt dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld, of het voorstel eerst dient te worden behandeld in een tafelgesprek.

Artikel 38 Raadsvoorstel

  • 1.

    Een voorstel van het college aan de raad dat vermeld staat op de voorlopige agenda van de raadsvergadering, kan niet worden ingetrokken zonder toestemming van de raad.

  • 2.

    Als de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 39 Interpellatie

  • 1.

    Het verzoek tot het houden van interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de raadsvoorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor aanvang van de vergadering schriftelijk bij de raadsvoorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd en ook de te stellen vragen.

  • 2.

    De raadsvoorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en de wethouders. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht.

  • 3.

    De raad bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  • 4.

    De interpellant voert het eerste het woord. Nadat het college de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt wordt de raadsleden gelegenheid geboden daarover kort te debatteren. Het college krijgt de mogelijkheid daarop te reageren. Het laatste woord is aan de interpellant.

Artikel 40 Schriftelijke vragen

  • 1.

    Raadsleden dienen schriftelijke vragen aan het college of de burgemeester in bij de griffier. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Vragen die niet voldoen aan het hiervoor gestelde worden per omgaande aan de indiener teruggestuurd.

  • 2.

    De griffier brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.

  • 3.

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen 30 dagen, nadat de vragen zijn binnengekomen. Als beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, stelt het verantwoordelijk lid van het college de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4.

    De antwoorden worden door tussenkomst van de griffier digitaal beschikbaar gesteld voor de overige leden van de raad.

  • 5.

    De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen over het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

Artikel 41 Inlichtingen

  • 1.

    Raadsleden dienen verzoeken tot inlichtingen als bedoeld in de artikelen 169, derde lid en 180, derde lid van de Gemeentewet schriftelijk in bij de griffier.

  • 2.

    De griffier brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige raadsleden en het college of de burgemeester.

  • 3.

    De verlangde inlichtingen worden zo spoedig mogelijk aan de raad verschaft, in ieder geval binnen 30 dagen nadat het verzoek is ingediend. Als de inlichtingen niet binnen deze termijn kunnen worden verstrekt, stelt het college de indiener hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt waarbinnen verstrekking van inlichtingen zal plaatsvinden.

Artikel 42 Vragenkwartier

  • 1.

    Na de vaststelling van de agenda is er een vragenkwartier, tenzij er bij de voorzitter geen vragen zijn ingediend. In bijzondere gevallen kan de agendacommissie bepalen dat het vragenkwartier op een ander tijdstip wordt gehouden. De raadsvoorzitter bepaalt op welk tijdstip het vragenkwartier eindigt.

  • 2.

    Een raadslid dat tijdens het vragenkwartier vragen wil stellen, meldt dit onder aanduiding van het onderwerp en 36 uur voor aanvang van het vragenkwartier bij de griffier. Een raadslid kan ten hoogste één onderwerp aanmelden waarover hij tijdens het vragenkwartier mondelinge vragen wil stellen aan het college of de burgemeester.

  • 3.

    De raadsvoorzitter beslist of een vraag voor het vragenkwartier actueel is, de vraag zich leent voor een directe en korte beantwoording en hoeveel onderwerpen en vragen behandeld worden. Er kunnen geen vragen gesteld worden tijdens het vragenkwartier met een verzoek om informatie en voortgang van een onderwerp of over onderwerpen die in de raadsvergadering van die dag aan de orde komen.

  • 4.

    De raadsvoorzitter bepaalt de volgorde waarin aangemelde onderwerpen tijdens het vragenkwartier aan de orde worden gesteld.

  • 5.

    De raadsvoorzitter bepaalt per onderwerp de spreektijd voor de vragensteller, voor het college, voor de burgemeester en voor de overige raadsleden.

  • 6.

    Per onderwerp wordt aan de vragensteller het woord verleend om één vraag aan het college of de burgemeester te stellen en een toelichting daarop te geven.

  • 7.

    Na de beantwoording door het college of de burgemeester krijgt de vragensteller desgewenst het woord om een aanvullende vraag te stellen.

  • 8.

    Tijdens het vragenkwartier kunnen geen moties worden ingediend en worden geen interrupties toegelaten.

  • 9.

    Vragen die niet behandeld worden in het vragenkwartier worden schriftelijk afgedaan door het college volgens artikel 40.

Hoofdstuk 5 Besloten vergadering en geheimhouding

Artikel 43 Algemeen

  • 1.

    Op besloten raadsvergaderingen is dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover dat niet strijdig is met het besloten karakter van de vergadering.

  • 2.

    Van besloten raadsvergaderingen worden geen geluids- en beeldopnamen gemaakt zoals bedoeld in artikel 47.

Artikel 44 Verslag

  • 1.

    Het verslag van een besloten raadsvergadering wordt niet openbaar gemaakt maar door de griffier ‘achter een slotje’ in het raadsinformatiesysteem geplaatst zodat alleen raadsleden en commissieleden deze informatie kunnen raadplegen.

  • 2.

    Het verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten raadsvergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet opheffen van de geheimhouding van het vastgestelde verslag.

  • 3.

    Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 45 Opheffing geheimhouding

Als de raad op grond van het gestelde in artikel 89 lid 4 van de Gemeentewet voornemens is geheimhouding van aan de raad verstrekte informatie op te heffen wordt, als daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

Hoofdstuk 6 Toehoorders en pers

Artikel 46 Toehoorders en pers

  • 1.

    Toehoorders en vertegenwoordigers van de pers wonen openbare raadsvergaderingen uitsluitend bij op de voor hen bestemde plaatsen.

  • 2.

    Het blijkgeven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is hen verboden.

Artikel 47 Geluid- en beeldregistraties

  • 1.

    Tijdens de Politieke Avond maakt de gemeente Bronckhorst (livestream) geluid- en beeldregistraties. Deze worden op de website geplaatst.

  • 2.

    Anderen die tijdens de Politieke Avond geluid- of beeldregistraties willen maken, doen hiervan mededeling aan de (raads)voorzitter en gedragen zich naar diens aanwijzingen.

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

Artikel 48 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslissen de deelnemers aan het tafelgesprek respectievelijk de raad op voorstel van de (raads)voorzitter.

Artikel 49 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Dit reglement treedt in werking op eerste dag na bekendmaking.

  • 2.

    Dit reglement kan worden aangehaald als ‘Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Bronckhorst 2025’.

  • 3.

    Op dat tijdstip vervalt zowel het Reglement van Orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Bronckhorst 2020, de Verordening op de raadscommissies 2014 en de Verordening fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid 2005.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Bronckhorst in zijn openbare vergadering van 18 december 2025,

de griffier,

M. Veenbergen

de voorzitter,

P.J.M. van Domburg

Toelichting en verantwoording Reglement van orde voor vergaderingen en andere werkzaamheden van de raad van de gemeente Bronckhorst 2025

Sinds maart 2023 werkt de gemeenteraad van Bronckhorst met een nieuw vergadermodel. In plaats van het organiseren van raadscommissievergaderingen is overgestapt op een werkwijze waarin de voorbereiding op de besluitvorming door de raad plaatsvindt tijdens beeldvormende- en oordeelvormende tafelgesprekken. Samen met de raadsvergadering, informerende en adviserende tafels vormen zij de Politieke Avond in Bronckhorst.

 

Het bestaande “Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2020”, de “Verordening op de raadscommissies 2014’ en de “Verordening fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid 2005“zijn vervangen door een compleet nieuw reglement van orde. Daartoe is rijkelijk geput uit het meest recente modelreglement van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inclusief toelichting en updates. Het oude reglement van orde (2020) en de verordening op de raadscommissies (2014) werden ingezien en zo nodig nog als input gebruikt. De uitgangspunten voor de Politieke Avond, zijn een belangrijke informatiebron, zowel in theorie (de 10 Spelregels Bronckhorster Politieke Avond) als in praktijk (feitelijke gang van zaken). De reglementen van de gemeenten Wageningen, Overbetuwe, Lochem en Rheden zorgden voor aanvullende inspiratie. Op de conceptversies is door een aantal leden van de raadswerkgroep Doorontwikkeling meegelezen en feedback geleverd.

 

Hieronder vindt u de artikelsgewijze toelichting.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

Artikel 1 De Politieke Avond

 

In dit artikel vindt u de opbouw van de Politieke Avond. Het model met tafelgesprekken en de raadsvergadering werd op 23 maart 2023 geïntroduceerd. Ieder onderdeel heeft zijn eigen doelstelling en alle onderdelen zijn (in principe) openbaar.

 

Artikel 2 Raadscommissies

 

Door dit artikel krijgen (vergaderingen van) de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken dezelfde status als de raadscommissies zoals bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet. Raadscommissies bereiden besluitvorming in de raad voor èn bieden gelegenheid met het college of de burgemeester te overleggen.

 

Artikel 82 van de Gemeentewet geeft aan dat burgemeester en wethouders geen lid van deze commissies zijn en dat de samenstelling ervan een evenwichtige moet zijn (in relatie tot de in de raad vertegenwoordigende groeperingen). Via het laatste lid van artikel 82 wordt verwezen naar andere artikelen in de Gemeentewet.

 

Daarmee worden twee belangrijke items geregeld: het vergaderen in beslotenheid en de niet vervolgbaarheid van de deelnemers aan de gesprekken (met betrekking tot hetgeen zij hebben gezegd of hetgeen zij schriftelijk hebben overgelegd). Ook is door de verwijzing de aanwezigheid en deelname van burgemeester en wethouders aan de commissies geregeld.

 

Artikel 3 Begripsbepalingen

 

Om verwarring te voorkomen is gekozen voor twee benamingen in het voorzitterschap. De raadsvoorzitter is voorzitter van de raad (en ook burgemeester, op basis van artikel 9 van de Gemeentewet). De voorzitter zit de tafelgesprekken voor.

 

Voor wat betreft de begrippen amendement, subamendement, motie, initiatiefvoorstel en griffier is aangesloten bij de tekst uit het modelreglement VNG.

 

Toegevoegd is de definitie van fractievoorzittersoverleg, presidium, commissielid, het college en website.

 

Artikel 4 Het voorzitterschap

 

Zie ook onder de toelichting onder artikel 3.

 

Artikel 5 De griffier

 

Deze bepaling is overgenomen uit het modelreglement VNG.

 

Artikel 6 Het fractievoorzittersoverleg

 

Naast haar algemene taken en verwijzingen naar artikelen in dit reglement waar het fractievoorzittersoverleg met naam wordt genoemd heeft het fractievoorzittersoverleg voornamelijk een algemeen adviserende rol (aanbevelingen aan de raad inzake de organisatie en het functioneren van de raad). Het fractievoorzittersoverleg dient voor wat betreft de inhoudelijke aspecten van het raadswerk een ondergeschikte rol te vervullen omdat anders het gevaar bestaat dat er binnen de raad een nieuw bestuursorgaan wordt gecreëerd, hetgeen niet strookt met de Grondwet die het primaat immers expliciet bij de raad legt (artikel 125 eerste lid van de Grondwet).

 

Het is van belang dat in het fractievoorzittersoverleg elke partij een stem heeft die even zwaar weegt. Op deze wijze wordt de positie van minderheidsfracties in een dualistisch stelsel versterkt. Daarnaast kan dit de betrokkenheid van alle fracties bij de raadsvergaderingen vergroten.

 

De griffier is bij elke vergadering van het presidium aanwezig omdat de griffier voor de ondersteuning van de raad zorgt. Hij moet weten hoe de agenda eruit komt te zien en welke punten besproken gaan worden. De aanwezigheid van de secretaris of een wethouder kan ook gewenst zijn, omdat zij aandacht moet kunnen vragen voor of een toelichting kan geven op onderwerpen die worden voorbereid door de ambtelijke organisatie.

 

Artikel 7 De agendacommissie en het vaststellen van vergaderingen

 

De agendacommissie bereidt voor en stelt vast alle reguliere vergaderingen van de Politieke Avond (zoals bedoeld in artikel 17 lid 1 van de Gemeentewet). Daarnaast geldt dit voor alle vergaderingen die de burgemeester als nodig beoordeelt, of een vergadering waartoe door ten minste een vijfde van het aantal raadsleden een schriftelijk verzoek is ingediend, met opgave van redenen (zoals aangegeven in artikel 17 lid 2 van de Gemeentewet).

 

Artikel 8 Presidium

 

Naast het fractievoorzittersoverleg bestaat het presidium. De taken van het presidium staan beschreven in dit artikel. Het presidium komt op initiatief van de voorzitter of één van de fractievoorzitters bijeen.

 

Gelet op de taken van het presidium bepaalt dit reglement van orde dat er in beslotenheid wordt vergaderd. Dat betekent dat er van rechtswege geheimhouding rust op hetgeen besproken dan wel vastgelegd wordt. Wanneer het presidium besluit dat hetgeen aan de orde is geweest in de vergadering gedeeld kan worden met de rest van de raads- en commissieleden, dan moet het presidium expliciet een besluit nemen om de geheimhouding op te heffen.

 

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden, fracties, benoeming wethouders

 

Artikel 9 Onderzoek geloofsbrieven en beëdiging raadsleden

 

In dit artikel is opgenomen dat er bij aanvang van een raadsperiode een commissie geloofsbrieven wordt ingesteld.

 

Artikel 10 Benoeming wethouders

 

De tekst in dit artikel is voor een groot deel overgenomen uit het modelreglement VNG. Ook hier is opgenomen dat de commissie geloofsbrieven het raadsbesluit over de benoeming van een wethouder voorbereid.

 

Artikel 10 geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrievenonderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden.

 

Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen (eerste lid). De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadlidmaatschap (artikelen 36a, 36b, 41b en 41c van de Gemeentewet). Voor wethouders is er de aanvullende verplichting om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) te kunnen overleggen (artikel 36a tweede lid van de Gemeentewet). De VOG kent een screeningsprofiel voor politieke ambtsdragers.

 

Bij de benoeming van een wethouder kan er een integriteitstoets plaatsvinden. De gedragscode integriteit speelt hierbij een rol (zie Model Gedragscode Integriteit volksvertegenwoordigers in gemeenten, provincies en waterschappen 2015). Na het onderzoek, bedoeld in het tweede lid, brengt de commissie advies uit aan de raad over de benoeming tot wethouder.

 

De kandidaat-wethouders kunnen in opdracht van de burgemeester voor aanvang van iedere ambtstermijn aan een integriteitstoets worden onderworpen. De burgemeester krijgt zicht op de volledige rapportage van de risicoanalyse. Zo heeft hij een goed beeld van de kandidaat en kan hij met de kandidaat een gesprek voeren over de uitkomsten. De burgemeester kan ten aanzien van de risicoanalyse en de conclusies geheimhouding opleggen aan de raad.

 

Met de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur (artikel 87 van de Gemeentewet) is de burgemeester hiertoe expliciet bevoegd gemaakt.

 

Artikel 10 is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd. De incompatibiliteiten en nevenfuncties dienen dan immers opnieuw beoordeeld te worden.

 

Een raadslid dat benoemd wordt tot wethouder mag raadslid blijven totdat de geloofsbrieven van zijn opvolger zijn goedgekeurd (artikel 36b, tweede lid, van de Gemeentewet).

 

Artikel 11 Fracties

 

De tekst van dit artikel is overgenomen uit het modelreglement VNG.

 

De Kieswet en de Gemeentewet kennen het begrip fractie niet. In artikel 33, tweede lid, van de Gemeentewet wordt wel uitgegaan van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractieondersteuning). Vanaf de aanvang van de eerste zitting van de nieuwe raad na de verkiezingen, worden de leden die op dezelfde lijst hebben gestaan als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fractie gebruikt in de vergadering van de raad de aanduiding die zij boven de kandidatenlijst had staan. Op deze wijze is de relatie tussen de fractie in de raad en de fractie op de kandidatenlijst voor de inwoner duidelijk. Het kan echter voorkomen dat een fractie geen aanduiding boven de kandidatenlijst heeft staan. In een dergelijk geval deelt de fractie in de eerste vergadering de aanduiding mee.

 

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats. Als dit het geval is, deelt de fractie dit aan de voorzitter mede. Het is ook mogelijk dat een raadslid zijn lidmaatschap niet opzegt maar uit een fractie stapt. Hij kan als zelfstandige fractie verdergaan of zich aansluiten bij een bestaande fractie.

 

Ook andere wijzigingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld een fusie van twee fracties. Een andere (tijdelijke) wisseling in een fractie kan het gevolg zijn van ziekte of zwangerschap van een raadslid. Voor deze gevallen is in de Kieswet een vervangingsregeling opgenomen.

 

Uitgangspunt van ons kiesstelsel is dat volksvertegenwoordigers op persoonlijke titel worden verkozen en benoemd. Dit uitgangspunt is gebaseerd op artikel 27 van de Gemeentewet en artikel 129 van de Grondwet, waarin is bepaald dat elk bindend mandaat van een lid van de raad nietig is. De volksvertegenwoordiger handelt naar eigen overtuiging en is bij stemmingen niet gebonden aan een lastgeving. Geen andere persoon of instantie kan hem rechtens bindende instructies opleggen met betrekking tot zijn stemgedrag. Het is de individuele volksvertegenwoordiger die een mandaat van de kiezer heeft gekregen. De volksvertegenwoordiger heeft daardoor ook de mogelijkheid om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan.

 

Ook de Kieswet gaat niet uit van politieke partijen. Een zetel 'hoort' dan ook niet bij een partij, maar is verbonden aan de volksvertegenwoordiger die daardoor ook de mogelijkheid heeft om tussentijds van fractie te veranderen of zelfstandig verder te gaan. Ook kan een fractie besluiten om haar naam te veranderen. Dit staat de fractie vrij om te doen.

 

Op grond van deze bepalingen heeft de raad geen zeggenschap over wijzigingen in de samenstelling, fusies en splitsingen van fracties en de naamvoering. De raad kan hier dus geen besluit over nemen. Een mededeling aan de voorzitter van de raad is voldoende. De raad is gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering nadat hiervan mededeling is gedaan rekening te houden met de nieuwe situatie.

 

Dit betekent ook dat:

 

  • kandidaten die van een kandidatenlijst deel uitmaken en binnen die lijst/partij een onderlinge schriftelijke (en soms notariële) afspraak maken, bijvoorbeeld dat men onder bepaalde voorwaarden zal afzien van aanvaarding van het raadslidmaatschap, zich dienen te realiseren dat dergelijke afspraken nietig zijn vanwege strijd met de Gemeentewet en de Kieswet;

  • personen die tussentijds van partij veranderen hun raadslidmaatschap niet verliezen;

  • als men uit een partij stapt en als eigen partij verder gaat, de verlatende partij geen middelen heeft om het raadslid uit de raad te weren.

Fractieafsplitsing en het ontstaan van een nieuwe fractie kan diverse praktische gevolgen hebben. Te denken valt aan: fractievergoedingen en -faciliteiten, fractievoorzitterschap dan wel vertegenwoordiging in het fractievoorzittersoverleg of presidium, zo nodig andere zitplaatsen in de raadszaal, bezetting in raadscommissies en eventueel de bezetting in raadscommissies door commissieleden.

 

Als moet worden voorzien in de vacature van een raadslid dat zich heeft afgesplitst, wordt teruggegrepen op de lijst waarop betrokkene oorspronkelijk was gekozen (artikel P 19 van de Kieswet).

 

De naam van de fractie dient getoetst te worden aan de afwijzingsgronden uit artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet. Dit is een logische voorwaarde; deze toetsing vindt immers ook plaats wanneer een politieke groepering zich voor het eerst wil laten registreren. Op grond van artikel G 3, vierde lid, van de Kieswet wordt de naam van de nieuwe fractie onder meer geweigerd als deze in strijd is met de openbare orde of als deze overeenkomt met of erg lijkt op de naam van een politieke groepering die al geregistreerd is voor de Tweede Kamer- of Statenverkiezingen, én daardoor verwarring te duchten is. Voor het overige is de nieuwe fractie vrij in het kiezen van een naam.

 

Artikel 12 Commissieleden niet-zijnde raadsleden

 

Dit artikel is nieuw in het reglement. Een vergelijkbare bepaling stond in de Verordening op de raadscommissies 2014 en de Verordening fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid 2005. In dit artikel zijn alle rechten en plichten van de commissieleden niet-zijnde raadsleden opgenomen.

 

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

 

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderingen, voorbereidingen, regels en verslaglegging

 

In deze paragraaf zijn vier artikelen over het tijdstip van vergaderen en de voorbereidingen beland: de artikelen 13 tot en met 16. Twee artikelen gaan over algemene regels tijdens de tafelgesprekken en de raadsvergadering: de artikelen 17 en 18. Twee artikelen over verslaglegging zijn aan deze paragraaf toegevoegd: de artikelen 19 en 20. De paragraaf als geheel kreeg een titel die de lading dekt.

 

De artikelen 13, 14, en 16 regelen de oproep voor de Politieke Avond (mede op grond van artikel 19 van de Gemeentewet), het vaststellen van de agenda, het plaatsen van stukken (inclusief die waarover geheimhouding is opgelegd) en de communicatie daarover.

 

Artikel 14 Oproep en agenda

 

In artikel 19, eerste lid, van de Gemeentewet is bepaald dat de burgemeester de leden van de raad schriftelijk uitnodigt voor de vergadering.

 

De agendacommissie bepaalt hoe de voorlopige agenda er uit ziet. Het eerste lid stelt verplicht dat de (raads)voorzitter ten minste zeven dagen voor de Politieke Avond een schriftelijke oproep, waarin de vergadering wordt aangekondigd, en de voorlopige agenda met de daarbij behorende stukken op de website plaats. De oproep vermeldt de dag, het tijdstip en de plaats van de vergadering.

 

In het tweede lid gaat het om een voorlopige agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om ruim voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de actualiteiten. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda en stukken rondsturen.

 

Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de mogelijkheid vervallen om individuele raadsleden te informeren. Als omtrent informatie van de raad of aan de raad verstrekte informatie op grond van hoofdstuk Va van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijft deze informatie onder berusting van de griffier. De griffier plaatst de informatie “achter een slotje” zodat alleen raadsleden en commissieleden deze informatie kunnen raadplegen. Van geheimhouding wordt melding gemaakt op de stukken. Als de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet).

 

Het zesde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Enerzijds kunnen individuele raadsleden via hun fractievoorzitter in de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Anderzijds kunnen zij echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

 

Als er een voorstel wordt gedaan om de agenda aan te passen, bijvoorbeeld het doorschuiven van een agendapunt naar de volgende raadsvergadering, en de stemmen staken, is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet logischerwijs niet van toepassing en geldt artikel 32, vijfde lid, van de Gemeentewet.

 

Geïnteresseerden moeten de mogelijkheid hebben om stukken in te zien. Daarom worden alle stukken gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep ter inzage aangeboden.

 

De stukken worden op elektronische wijze aangeboden. Dit gaat via de website van de gemeente en het digitale raadsinformatiesysteem.

 

Een stuk is een ‘document’ in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo). Een ‘document’ houdt in: een bij een bestuursorgaan berustend stuk of ander materiaal dat gegevens bevat. Onder documenten vallen niet alleen de door de overheidsorganen gecreëerde stukken of ander materiaal. Ook alle van buiten komende stukken en ander voor overheidsorganen bestemd materiaal zoals agenda’s, verslagen, (concept)adviezen, al dan niet in elektronische vorm, verkrijgen de status van ‘document’ in de zin van de Woo.

 

Bij de Wet bevorderen integriteit en functioneren decentraal bestuur is de reikwijdte van de Gemeentewet uitgebreid van ‘stukken’ naar ‘informatie’ (artikel 19, tweede lid, van de Gemeentewet). Verder hoeft de raad de geheimhouding niet meer te bekrachtigen (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). College, burgemeester en commissies mogen voortaan zelf geheimhouding opleggen (artikel 87 van de Gemeentewet).

 

Onder de ‘informatie’ wordt verstaan: informatie van de raad en aan de raad verstrekte informatie, waaronder de zogeheten ‘achterliggende’ stukken waarvan in raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota’s, etc.) waarop geheimhouding is gelegd.

 

Wanneer het gaat om geheime of vertrouwelijke stukken, waarop geheimhouding is gelegd door het bestuursorgaan dat het document aanbiedt aan de raad, dient dit duidelijk op het stuk te zijn aangegeven. Ook kan worden overwogen hiervan geen kopieën te laten maken, omdat het gevaar bestaat dat vaak gekopieerde stukken toch in de openbaarheid komen. Als de geheimhouding op informatie anders dan in schríftelijke vorm rust, moet de verplichting op een passende wijze kenbaar worden gemaakt (artikel 89, eerste lid, van de Gemeentewet).

 

De griffier vervult de secretariaatsfunctie ten dienste van de raad. Daarom worden stukken die betrekking hebben op de agenda en de voorstellen van de raadsvergadering en die geheim moeten blijven bij hem ter inzage gelegd voor raadsleden.

 

Artikel 15 biedt de mogelijkheid 'anderen' uit te nodigen voor de raadsvergadering en de tafelgesprekken. Waaronder de gemeentesecretaris en van belang zijnde derden. Op grond van artikel 21 van de Gemeentewet en artikel 21 van dit reglement zijn al uitgenodigd voor alle onderdelen van de Politieke Avond de burgemeester en de wethouders. Ook hun deelname aan de beraadslagingen is op grond van deze verwijzingen toegestaan. Daarnaast is deze bepaling noodzakelijk in verband met de in artikel 22 van de Gemeentewet geregelde immuniteit.

 

Artikel 17 Voorstellen van orde

 

De (raads)voorzitter legt aan de raadsleden en commissieleden ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt direct, zonder beraadslaging, besloten door de raad of tafeldeelnemers.

 

Bij staken van stemmen is het voorstel niet aangenomen (omdat het ordevoorstel betrekking heeft op de lopende vergadering is artikel 32, vierde lid, van de Gemeentewet hierop logischerwijs niet van toepassing). Een voorstel van orde betreft bijvoorbeeld het schorsen van de vergadering voor een pauze. Als het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 30 van de Gemeentewet).

 

Artikel 18 Handhaven orde en schorsing

 

De regels voor het handhaven van de orde en schorsing betreffen door opname in deze paragraaf zowel de tafelgesprekken als de raadsvergadering. Artikel 26 van de Gemeentewet gaat al over het handhaven van de orde, maar betreft alleen de raadsvergadering. Het was nodig een eensluidend artikel op te nemen voor de tafelgesprekken. Besloten is het artikel over handhaven hier op te nemen als (algemene) regel, als noodzaak maar ook als aanvulling op wat al geregeld is. Samen met artikel 4 (het voorzitterschap) en artikel 47 lid 2 (het verstoren van de orde door toehoorders) zijn er voldoende mogelijkheden om zowel de vergaderingen als de tafelgesprekken goed te leiden en daar - indien nodig - handhavend op te treden.

 

De artikelen over verslaglegging (19 en 20) zijn ook in deze paragraaf terecht gekomen. Ze betreffen de verslaglegging van de hele Politieke Avond.

 

Paragraaf 2 Orde van de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken

 

In deze paragraaf bevinden zich twee artikelen over de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken. Wat algemeen (voor de hele Politieke Avond) geregeld kon worden staat in paragraaf 1. Hier bevindt zich de specifieke informatie voor de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken.

 

Artikel 21 Deelnemers aan de tafelgesprekken en andere regels

 

Dit artikel benoemt de (mogelijke) deelnemers aan de gesprekken: de wethouder(s) en burgemeester als bestuursorgaan, insprekers uit de samenleving, raadsleden en commissieleden. Met lid 8 over de nadere regels wordt een flexibele doorontwikkeling van de tafelgesprekken beoogd.

 

Artikel 22 Conclusie naar aanleiding van een tafelgesprek

 

Dit artikel regelt de wijze waarop de voorzitter aan het eind van een tafelgesprek de conclusie trekt. Hiermee wordt één van de tot nu toe gebruikte spelregels geformaliseerd in het reglement van orde.

 

Paragraaf 3 Orde van informerende, adviserende tafels en algemeen spreekrecht

 

In deze paragraaf worden de informerende en adviserende en tafelgesprekken en het algemeen spreekrecht benoemd (artikelen 23 en 24).

 

Bij de informerende tafel is de mogelijkheid opgenomen zowel ambtenaren als externen informatie te laten geven.

 

Net als voor de beeldvormende en oordeelvormende tafelgesprekken is er voor gekozen de nadere regels voor deze onderdelen te laten bepalen door het fractievoorzittersoverleg. Evaluaties en verbeteringen zijn zo permanent mogelijk en sneller realiseerbaar.

 

Paragraaf 4 Orde van de raadsvergadering

 

In deze paragraaf is in hoofdlijnen de indeling van het modelreglement van de VNG gevolgd.

 

Artikel 25 Presentielijst

 

De verplichting tot het hebben van een presentielijst vloeit voort uit artikel 20 van de Gemeentewet. In dit artikel wordt de procedure vastgelegd. De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen dat het vergaderquorum bereikt is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 van de Gemeentewet.

 

De griffier geeft de ambtelijke ondersteuning die de raad nodig heeft. Daarom zorgt hij voor het bijhouden van de presentielijst en stelt hij samen met de voorzitter deze vast en ondertekent deze. Deze ondertekening dient te waarborgen dat de lijst volledig is en het quorum aanwezig was.

 

Artikel 26 Ingekomen stukken

 

Over aan de raad gerichte inkomende stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard, bijvoorbeeld voor kennisgeving aannemen, voor advies naar het college, ter afdoening aan het college of betrekken bij besluitvorming. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit op de gebruikelijke wijze te worden voorbereid. De actieve informatievoorzieningen van het college aan de raad komen in ook als ingekomen post bij de raad binnen. De raad stelt op voorstel van de griffie de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

 

Artikel 27 Aantal spreektermijnen

 

Standaard vindt de beraadslaging plaats in twee termijnen. Als de raad van mening is dat na de tweede termijn verdere beraadslaging nodig is, kan hij daartoe uitdrukkelijk besluiten. Het tweede lid benadrukt dat de voorzitter elke spreektermijn afsluit. Dit behoeft overigens niets te veranderen aan de praktijk dat een portefeuillehouder antwoordt na de inbreng van de raadsleden in de eerste en tweede termijn.

 

Het interrumperen dient niet als een spreektermijn beschouwd te worden. Een verzoek van een raadslid na afloop van de tweede termijn om nog een korte reactie te geven, dient de voorzitter niet te honoreren.

 

De beraadslaging over een motie vindt niet plaats in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het betreffende, aan de orde zijnde onderwerp (artikel 29 van de Gemeentewet).

 

Artikel 28 Stemverklaring

 

Stemverklaringen zijn kort en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden gegeven vóór de raad tot stemming overgaat.

 

Artikel 29 Beslissing

 

De voorzitter kan de beraadslaging sluiten als hij vaststelt dat een onderwerp voldoende is toegelicht, tenzij de raad anders beslist. De voorzitter formuleert daarna de te nemen eindbeslissing. Als er geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen op grond van artikel 32, derde lid, van de Gemeentewet.

 

Paragraaf 5 Stemmingen

 

De artikelen 30 tot en met 32 volgen de algemene lijn van het modelreglement VNG.

 

Artikel 30 Algemene bepalingen over stemming

 

Als een raadslid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 van de Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen. Wellicht ten overvloede wordt hierbij nog gewezen op artikel 209, tweede lid, van de Gemeentewet, dat tot hoofdelijke stemming verplicht bij het aangaan van een verplichting voordat de begroting is goedgekeurd.

 

De regeling in het eerste deel van het tweede lid kan toepassing krijgen, als de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele raadsleden zouden tegenstemmen. Een raadslid kan zich alleen onthouden van deelname aan stemming op grond van artikel 28 van de Gemeentewet. In alle andere gevallen is een raadslid verplicht stelling in te nemen en te stemmen. Stemmingen zijn in principe ook openbaar. Een volksvertegenwoordiger dient duidelijk te zijn in zijn of haar rol. Door de openbaarheid is het voor de achterban (kiezers) duidelijk hoe ze vertegenwoordigd worden.

 

In de Winsumuitspraak (ABRvS, 7 augustus 2002, uitspraak 200200897/1) is het hoger beroep op artikel 28 van de Gemeentewet afgewezen, maar heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) wel geconcludeerd dat het genomen besluit in strijd is met artikel 2:4 van de Awb omdat de schijn van belangenverstrengeling onvoldoende was vermeden. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er vragen gerezen over de mogelijke gevolgen voor stemprocedures en de verantwoordelijkheden in gemeenteraden.

 

In deze uitspraak geeft de Afdeling het rechtsbeginsel neergelegd in artikel 2:4 van de Awb voorrang boven hetgeen in artikel 28 van de Gemeentewet is bepaald. Over de mogelijke gevolgen van de uitspraak adviseerde de toenmalige minister van BZK het volgende:

 

"de beslissing over stemonthouding dient voorbehouden te blijven aan het individuele raadslid; bij stemming heeft de raad geen optie dan te waarschuwen dat het te nemen besluit wel eens aanvechtbaar zou kunnen zijn in een bezwaarschriftprocedure of bij de bestuursrechter of in het kader van een spontane vernietiging door de Kroon (artikel 268 van de Gemeentewet); de raad kan in dergelijke gevallen een belangrijke rol spelen door in algemene zin te bespreken, individuele raadsleden door hun handelen de schijn van belangenverstrengeling kunnen wekken en hoe dat voorkomen kan worden (en dit bijvoorbeeld opnemen in de gedragscode); uiteraard is de gedragscode in juridische zin niet bindend, dit is tevens niet wenselijk."

 

Er is echter inmiddels vervolgjurisprudentie beschikbaar:

 

  • In ABRvS 30 juni 2010, LJN BM9710, AB 2010/310 oordeelde de Afdeling dat in het midden kon blijven of twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de vaststelling van een bestemmingsplan, omdat het bestemmingsplan met de grootst mogelijke meerderheid door de raad was vastgesteld. Zelfs wanneer zou worden vastgesteld dat de twee raadsleden een persoonlijk belang hadden bij de planvaststelling, hebben zij geen beslissende stem in de uitkomst gehad;

  • In ABRvS 22 juni 2011, LJN BQ8863, AB 2011/261 overwoog de Afdeling dat een raadslid dat woonde en werkte op een bedrijventerrein een persoonlijk belang had bij de vaststelling van een bestemmingsplan voor dat bedrijventerrein. De Afdeling oordeelde dat in strijd was gehandeld met artikel 2:4 van de Awb omdat naar derden de schijn is gewekt dat het persoonlijke belang van invloed is geweest op de besluitvorming. Daarbij speelde een rol dat het raadslid tijdens de vergadering van de raad veelvuldig het woord heeft gevoerd en namens zijn fractie een aantal amendementen heeft ingediend en voorgelezen die in feite tot gevolg hebben dat een gunstiger woon- en leefklimaat ontstaat ter hoogte van gronden van het betreffende raadslid. De Afdeling achtte niet van belang of het raadslid daadwerkelijk het oogmerk had te bewerkstelligen een plan ten gunste van zijn leefklimaat vast te stellen. Ook als van de goede trouw van het raadslid kan worden uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt. Ook het gegeven dat het raadslid niet bij alle amendementen een doorslaggevende stem heeft gehad leidt niet een ander oordeel, omdat gelet op het feit dat het raadslid veelvuldig het woord heeft gevoerd niet kan worden gesteld dat niet de schijn is gewekt dat hij invloed heeft gehad op de besluitvorming;

  • In ABRvS 6 februari 2013, LJN BZ0796 preciseert de Afdeling haar hiervoor vermelde uitspraak van 22 juni 2011. In de zaak die tot de uitspraak van 6 februari 2013 heeft geleid ging het om een besluit van een gemeenteraad om een bestemmingsplan niet vast te stellen. Dat besluit was genomen met de kleinst mogelijke meerderheid, waarbij een raadslid die mogelijk belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb was, tegen de vaststelling van het plan had gestemd. De Afdeling overwoog dat, in aanmerking genomen dat het hier gaat om besluitvorming door de gemeenteraad die een belangenafweging vergt waarbij politieke inzichten een belangrijke rol spelen, het in de rede ligt voor de invulling van het begrip ‘persoonlijk belang’ in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb aansluiting te zoeken bij artikel 28, eerste lid, onder a, van de Gemeentewet. Deze bepaling dient strikt te worden uitgelegd, nu daarbij het fundamentele recht van een raadslid om deel te nemen aan een stemming wordt ingeperkt. Uit artikel 2:4 van de Awb volgt dus — en de Afdeling preciseert hiermee haar (hiervoor vermelde) uitspraak van 22 juni 2011 — in het algemeen niet dat een persoon die deel uitmaakt van een democratisch gekozen bestuursorgaan zoals de gemeenteraad en die bij een besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, zich zou moeten onthouden van deelname aan de besluitvorming. Dit zou afbreuk doen aan de taak en de fundamentele rechten van een gekozen volksvertegenwoordiger en daarmee aan het democratisch proces.

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 6 februari 2013 in aanvulling op het voorgaande overwogen dat er zich evenwel bijkomende omstandigheden kunnen voordoen die maken dat de behartiging van het persoonlijk belang van een raadslid zodanig aan de orde is bij het onderwerp van de besluitvorming dat hij daaraan niet behoort deel te nemen. Weliswaar kan de gemeenteraad niet verhinderen dat een lid deelneemt aan de besluitvorming en aan stemmingen, maar deelname van een lid kan er bij aanwezigheid van zo’n persoonlijk belang wel toe leiden dat de bestuursrechter tot het oordeel moet komen dat het desbetreffende besluit is genomen in strijd met artikel 2:4 van de Awb. De conclusie dat het betrokken bestuursorgaan in strijd met deze bepaling een besluit heeft genomen, kan echter pas worden getrokken wanneer aannemelijk is dat het betrokken raadslid de besluitvorming daadwerkelijk heeft beïnvloed.

 

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 van de Gemeentewet van toepassing. Als de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

 

In gemeenten kan een elektronisch stemsysteem gebruikt worden waarbij de openbaarheid gewaarborgd wordt doordat de naam van het raadslid gekoppeld wordt aan het voor of tegen. Dit is te lezen op een scherm, de afdruk ervan wordt meegenomen in de verslaglegging. Deze manier van stemmen is mogelijk op grond van de Gemeentewet.

 

In het vierde lid wordt ingegaan op de procedure van hoofdelijke stemming. Praktisch gezien verdient het aanbeveling de volgorde van stemmen te bepalen aan het begin van de vergadering; deze volgorde geldt dan voor de gehele vergadering.

 

In het vijfde lid is de term ‘uitspreken’ vervangen door de term ‘verklaren’, waarmee buiten twijfel staat dat dit artikellid ook van toepassing is op digitale stemmingen.

 

Artikel 31 Stemming over amendementen en moties

 

Voor alle duidelijkheid wordt hier een verschil in procedure aangegeven tussen een motie en een amendement. Een amendement strekt tot wijziging van een voorstel en komt daarom in stemming voorafgaand aan de stemming over dat voorstel. Een motie strekt niet tot wijziging van een voorgesteld besluit; over een motie wordt een apart besluit genomen, nadat de besluitvorming over het aanhangige voorstel is afgerond. Bij een motie over een afzonderlijk onderwerp geldt dit uiteraard niet en is het vierde lid niet van toepassing. Bovendien kan de raad besluiten af te wijken van deze stemvolgorde.

 

Artikel 32 Stemming over personen

 

Artikel 31, eerste lid, van de Gemeentewet geeft aan dat de stemming over personen geheim dient te zijn. Sinds 1 februari 2016 is artikel 31 ook van toepassing op de stemming over de benoeming van een wethouder (artikel 35, eerste lid, van de Gemeentewet). Datzelfde geldt voor de stemming over het ontslag van een wethouder in het geval een motie van wantrouwen niet tot onmiddellijk aftreden leidt (artikel 49 van de Gemeentewet). Ook dat gebeurt schriftelijk en is daarmee geheim. Het is mogelijk om met elektronische stemsystemen te werken, maar dit reglement van orde gaat vooralsnog uit van een stemming door middel van behoorlijk ingevulde stembriefjes. Een blanco stembriefje wordt niet aangemerkt als een behoorlijk ingevuld stembriefje (Kamerstukken II 1985/86, 19 403, nr. 3, blz. 86). In geval van een schriftelijke stemming wordt dan ook geen rekening gehouden met blanco stembriefjes. Een blanco of verkeerd ingevuld stembriefje telt wel mee bij de bepaling van het quorum. De raad oordeelt of een stembriefje behoorlijk is ingevuld. Wat onder een (niet) behoorlijk ingevuld stembriefje moet worden verstaan, is in de Gemeentewet niet geregeld.

 

Bij de benoeming van wethouders is er sprake van een vrije stemming. Dat is dus anders dan bij een voordracht, waarbij de keus beperkt is tot twee of meer kandidaten.

 

Bij een vrije stemming is artikel 28, eerste lid, onder a, en derde lid, van de Gemeentewet niet van toepassing. Daarin is bepaald dat een raadslid zich van stemming onthoudt wanneer hij “behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt". Zoals vermeld is dat bij de benoeming van wethouders niet aan de orde. Een raadslid kan op het stembriefje de naam van elke kandidaat die zijn voorkeur heeft invullen: die van de voorgestelde perso(o)n(en), of die van een ander. Dat geldt dus ook voor raadsleden die zelf genomineerd zijn; die kunnen op zichzelf stemmen als ze dat willen.

 

De wetgever heeft nooit de bedoeling gehad de politieke verhoudingen in de raad te beïnvloeden door middel van een verbod op het meestemmen van de kandidaat-wethouder. Los van de formeel-juridische context pleiten de volgende argumenten nog voor bovenstaande zienswijze:

 

  • Een democratisch gekozen vertegenwoordiger mag niet te snel het recht op stemming worden ontnomen. Stel: partij X beveelt meneer Janse en mevrouw Pieterse aan als wethouders.

Als deze personen in de raad zitting hebben en niet mee mogen stemmen houdt dit in dat de partij ineens twee stemmen in de raad minder heeft. Dat is onaanvaardbaar in het licht van de politieke verhoudingen;

 

  • Een aanbeveling is geen voordracht. Het spraakgebruik heeft het vaak over voordracht, maar een persoon nomineren als wethouder staat niet gelijk aan een voordracht;

  • Het is denkbaar dat een kandidaat-wethouder die voor benoeming wordt aanbevolen, uit moreel-politieke overwegingen en om iedere schijn van belangenverstrengeling te vermijden op eigen initiatief afziet van het meestemmen over de benoeming. Alhoewel het uitgangspunt is dat zeer terughoudend moet worden omgegaan met het inperken van het stemrecht van gekozen volksvertegenwoordigers, laat de Gemeentewet de betrokkenen de ruimte daarin een eigen afweging te maken.

De artikelen 33 (Herstemming over personen) en 34 (Beslissing door het lot) zijn blijven staan. Weglating onder verwijzing naar artikel 31 van de Gemeentewet zou te beperkend zijn: in het Bronckhorster reglement staan drie in plaats van twee stemrondes. De 'beslissing door het lot' is specifieker omschreven dan in de Gemeentewet.

 

Hoofdstuk 4 Bevoegdheden en instrumenten raadsleden

 

Artikel 35 Amendementen en subamendementen

 

Elk lid van de raad kan wijzigingen op het voorstel van het college of op initiatiefvoorstellen indienen ter behandeling in de raad, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement nog weer een wijziging voor te stellen, het subamendement. Een (sub)amendement kan ingediend worden op een voorgesteld besluit, dat aanhangig is. De beraadslaging over het (sub)amendement vindt plaats in ten hoogste twee termijnen. Als (in uitzonderlijke situaties) een ingediend amendement verdere beraadslaging noodzakelijk maakt, kan de raad besluiten tot een derde termijn.

 

Het recht van amendement is neergelegd in artikel 147b van de Gemeentewet. Dit artikel verplicht de raad nadere regels te stellen. Deze nadere regels staan in artikel 35. Op basis van artikel 147b, tweede lid, juncto artikel 147a, tweede lid, van de Gemeentewet is de raad verplicht een amendement te behandelen, overeenkomstig de door de raad vastgestelde regels. Uit de bewoordingen van artikel 147b, tweede lid, van de Gemeentewet blijkt dat het recht om amendementen in te dienen aan elk individueel raadslid toekomt; drempelsteun is derhalve niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

 

Het is praktisch dat een raadslid aanwezig is voor de behandeling van zijn (sub)amendement. Dit omdat doorgaans een (sub)amendement toegelicht wordt door de indiener.

 

Daarom is bepaald dat er alleen wordt beraadslaagd over amendementen en subamendementen die ingediend zijn door raadsleden die de presentielijst getekend hebben.

 

Artikel 36 Moties

 

In artikel 3 is de definitie van het begrip ‘motie’ gegeven. Een ‘motie’ is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke of procedurele aard), het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen of om het doen van een verzoek of opdracht. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom is het college formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

 

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure over een motie wordt opgemerkt dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp waarop de motie betrekking heeft.

 

Een besluit over een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt aan het einde van de vergadering plaats. Dergelijke moties benaderen de in artikel 38 geregelde initiatiefvoorstellen. Dualisering veronderstelt versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Dat wil zeggen dat het voor een effectief gebruik van deze instrumenten wenselijk is dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. De mogelijkheid om zonder drempelsteun een motie in te dienen staat dan ook ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad.

 

In de Gemeentewet wordt één specifieke motie uitgewerkt, namelijk in artikel 49. Dit betreft de “motie van wantrouwen” waarbij de raad uitspreekt het vertrouwen in een wethouder te hebben verloren. Het is een wethouder niet toegestaan om na een aangenomen motie van wantrouwen aan te blijven. Als hij zelf niet opstapt, dient de raad actie te ondernemen.

 

Artikel 37 Initiatiefvoorstel

 

Het is de taak van het college aan de raad de nodige voorstellen te doen, maar de raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een verordening of beslissing ter behandeling bij de raad indienen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend.

 

In artikel 147a, eerste lid, van de Gemeentewet is dit uitgewerkt. Hier is bepaald dat een lid van de raad een initiatiefvoorstel kan indienen; met deze formulering wordt tot uitdrukking gebracht dat dit recht aan elk individueel raadslid toekomt, drempelsteun is dus niet vereist (MvT, Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 109).

 

Het tweede en derde lid van artikel 147a van de Gemeentewet bepalen dat de raad regelt op welke wijze een initiatiefvoorstel voor een verordening of beslissing wordt ingediend en behandeld.

 

Algemeen uitgangspunt is dat dualisering de versterking van de vertegenwoordigende en controlerende functie van de raadsleden inhoudt. Hiervoor dienen ook individuele raadsleden en kleine fracties te beschikken over adequate instrumenten. Voor een effectief gebruik van deze instrumenten is het wenselijk dat ook het individuele raadslid zonder belemmeringen toegang tot het gebruik daarvan heeft. Het ontbreken van de eis van drempelsteun bij het recht van initiatief staat ten dienste van een effectieve uitoefening van de inkadering en controle door de raad. Ook kleine fracties en individuele raadsleden worden zo in staat gesteld actief deel te nemen aan de controlerende, vertegenwoordigende en budgettaire functie.

 

De Gemeentewet maakt onderscheid tussen initiatiefvoorstellen voor verordeningen en overige initiatiefvoorstellen. Ieder raadslid kan een initiatiefvoorstel voor een verordening indienen. Een dergelijk voorstel moet aanhangig worden gemaakt door het schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter te zenden. De verdere wijze van behandeling moet de raad zelf regelen.

 

De raad moet ook regelen op welke wijze en onder welke voorwaarden overige initiatiefvoorstellen (voorstellen die betrekking hebben op iets anders dan een verordening) in behandeling worden genomen. Ook dit initiatiefrecht komt toe aan individuele raadsleden, hetgeen inhoudt dat geen drempels mogen worden opgeworpen.

In het tweede lid is een termijn gesteld van twee weken om het college in de gelegenheid te stellen zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen.

 

In het vierde lid van artikel 147a van de Gemeentewet is sinds 1 februari 2016 bepaald dat het college de gelegenheid moet krijgen om wensen en bedenkingen naar voren te brengen. Het college moet immers de besluiten van de raad uitvoeren (artikel 160, eerste lid, onder b, van de Gemeentewet). Deze zgn. voorhangregeling is uitgewerkt in het tweede lid van dit artikel. Het is in eerste instantie aan de indiener om te beslissen wat hij met die inbreng doet en uiteindelijk beslist de raad over het al dan niet gewijzigde voorstel (MvT, Kamerstukken II 2012/13, 33691, 3, p. 2-3).

 

Het derde lid houdt in dat de voorzitter het initiatiefvoorstel zo spoedig mogelijk op de agenda plaatst nadat het college in de gelegenheid is gesteld om zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Als de oproep voor die vergadering echter al verzonden is, dan plaatst de voorzitter het niet op de agenda van eerstvolgende, maar daaropvolgende raadsvergadering. Dit laat de mogelijkheid onverlet voor het individuele raadslid om op grond van artikel 14, vierde lid, voor te stellen het initiatiefvoorstel toch aan de agenda toe te voegen. Voor zover de in het vierde lid gestelde termijn dan nog niet verlopen is zal er echter niet over het voorstel besloten kunnen worden (artikel 147a, van de Gemeentewet, juncto tweede lid van artikel 30).

 

Dit staat er weliswaar niet aan in de weg dat er al over wordt beraadslaagd in de raadsvergadering, maar de voorzitter van de raad zal dan vervolgens de stemming over het voorstel aan moeten houden totdat het college in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van de raad te brengen. Ook kan nadere beraadslaging op dat moment wenselijk worden geacht.

 

Voor het overige is het aan de raad om vervolgens te bepalen hoe het initiatiefvoorstel verder wordt behandeld als het op de agenda staat. Als de wensen of bedenkingen van het college daar aanleiding toe geven kan de indiener van het voorstel eventuele wijzigingen doorvoeren. Hij of zij is daartoe echter niet verplicht, omdat de Gemeentewet alleen aangeeft dat het college de mogelijkheid moet hebben om een visie op het initiatiefvoorstel te hebben. Er is geen verplichting om de wensen of bedenkingen ook daadwerkelijk in het voorstel te verwerken.

 

Artikel 38 Raadsvoorstel

 

Dit artikel heeft betrekking op het agenderingsrecht van de raad. De raad is de enige die een voorstel voor een verordening of een ander voorstel dat het college heeft voorbereid kan agenderen. Als het college het voorstel heeft voorbereid, betekent dit niet dat het college het door hen voorbereide voorstel kan intrekken indien het college van oordeel is dat verdere behandeling van het voorstel niet wenselijk is (bijvoorbeeld omdat zij een voorstel willen wijzigen). De raad moet hier toestemming voor geven.

 

Als de raad van oordeel is dat een voorstel voor een verordening of een ander voorstel niet voldoende is voorbereid, kan de raad het voorstel voor een verordening of een ander voorstel op grond van het tweede lid nogmaals voor advies aan het college zenden.

 

De raad kan het college bijvoorbeeld verzoeken het voorstel voor een verordening of ander voorstel nader te onderbouwen. De raad bepaalt echter wanneer het voorstel voor een verordening of ander voorstel, dat door het college verder voorbereid is, opnieuw wordt behandeld. De raad kan dit in dezelfde raadsvergadering regelen, maar de raad kan dit ook aan de agendacommissie overlaten.

 

Artikel 39 Interpellatie

 

Dit artikel stelt nadere regels bij artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht en is een zwaarder instrument. Het gaat om het recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad nodig, omdat de vergaderorde wordt doorbroken.

 

Artikel 40 Schriftelijke vragen

 

Het vragenrecht stelt de leden van de raad in staat informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking. Op grond van deze bepaling kan een raadslid schriftelijke vragen stellen aan het college of de burgemeester, al naar gelang wie verantwoordelijk is.

 

Deze dient de vragensteller gemotiveerd in kennis te stellen als de beantwoording niet binnen de gestelde termijnen kan plaatsvinden. Niet de voorzitter, maar het college of de burgemeester geeft daarom het schriftelijke antwoord. In de praktijk zal een schriftelijk antwoord van het college vaak door de desbetreffende portefeuillehouder gegeven worden (artikel 168 van de Gemeentewet).

 

Artikel 41 Inlichtingen

 

In dit artikel wordt een procedurele uitwerking gegeven van de inlichtingenplicht die het college en de burgemeester hebben ten opzichte van de raad. De passieve inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 169, derde lid, van de Gemeentewet is de klassieke informatieplicht die het college opdraagt de door de raad gevraagde inlichtingen te verstrekken, tenzij het openbare belang zich daartegen verzet. Dit recht om inlichtingen te vragen komt eveneens toe aan individuele raadsleden. Daarmee wordt voorkomen dat een raadsmeerderheid om (partij)politieke redenen belemmeringen opwerpt tegen het vragen van inlichtingen door een raadslid of raadsminderheid. Wel kan de raad via het reglement van orde op grond van doelmatigheidsoverwegingen een zekere ordening aanbrengen in de wijze waarop het inlichtingenrecht wordt uitgeoefend. De raad gaat immers over de agenda en de vergaderorde.

 

De weigeringsgrond ‘strijd met het openbaar belang’ is, zo blijkt uit de bewoordingen van artikel 169 van de Gemeentewet, wettelijk objectief en algemeen omschreven. Het moet dan gaan om zwaarwegende belangen.

 

In de praktijk bestaan verschillende wettelijke en politieke figuren om als de raad en het college met elkaar te communiceren buiten de openbaarheid. De openbaarheid van stukken en vergaderingen bijvoorbeeld kan al dan niet tijdelijk worden opgeheven. Vervolgens kent de Gemeentewet een algemene actieve inlichtingenplicht. Artikel 169, tweede lid, van de Gemeentewet verplicht het college uit eigen beweging de raad alle inlichtingen te verstrekken die de raad nodig heeft voor de uitoefening van zijn taak.

 

Het college moet permanent nagaan welke informatie de raad behoeft voor een goede taakvervulling. Hier liggen grote politieke risico’s als de raad het college in het ongewisse laat over de aard en omvang van de gewenste informatie. In het geval dat raad en college daarover geen afspraken maken is de kans groot dat het college de raad veiligheidshalve overstelpt met papier. Van controleren komt dan weinig terecht.

 

Dezelfde risico’s doen zich voor met betrekking tot een tweede actieve, meer specifieke inlichtingenplicht. Artikel 169, vierde lid, van de Gemeentewet verplicht het college de raad vooraf te informeren over de voorgenomen uitoefening van een gemeentewettelijke bestuursbevoegdheid als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder e, f, g en h, van de Gemeentewet indien de toepassing daarvan ingrijpende gevolgen kan hebben voor de gemeente of indien de raad daarom verzoekt. Het college mag dan niet eerder een besluit nemen dan nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen naar voren te brengen. De term ‘ingrijpend’ is in de Gemeentewet niet nader omschreven. De raad en het college dienen, op basis van de situatie in de eigen gemeente, tot een afbakening te komen.

 

De wetgever heeft destijds het oog gehad op substantiële financiële gevolgen van privaatrechtelijke overeenkomsten. De raad en het college moeten hier daarom zelf een modus in vinden.

 

Artikel 42 Vragenkwartier

 

Deze bepaling vormt een invulling van artikel 155, eerste lid, van de Gemeentewet met betrekking tot het vragenrecht.

 

Vaak fungeert de rondvraag in de raadsvergadering als een mogelijkheid tot het stellen van vragen. In een dualistisch stelsel is het echter niet meer vanzelfsprekend dat de ter zake kundige wethouder aanwezig is. Om die reden en omdat het de herkenbaarheid van de controlerende taak van de raad ten goede komt, kan hiervoor een aparte gelegenheid gecreëerd worden. De drempel om vragen te stellen wordt verlaagd en de media-aandacht voor de lokale politiek kan worden vergroot. In het vragenkwartier krijgt de raad de mogelijkheid over vooraf ingebrachte onderwerpen (leden van) het college aan de tand te voelen.

 

Het karakter van het vragenkwartier verschilt dan ook van het recht van interpellatie. Het recht van interpellatie heeft als instrument een zwaarder politiek karakter. Leden van de raad kunnen aan het college inlichtingen vragen over het door hem gevoerde bestuur, voor zover dat niet bij geagendeerde onderwerpen aan de orde komt.

 

Raadsleden vragen daarmee leden van het college zich te verantwoorden voor het door hen gevoerde bestuur. Het vragenkwartier kan bijvoorbeeld voorafgaand aan de raadsvergadering worden gehouden. Wel is het voor de herkenbaarheid voor de burgers raadzaam om het vragenkwartier op een vast tijdstip te houden. Daarom is ervoor gekozen het vragenkwartier te laten plaatsvinden na de vaststelling van de raadsagenda.

 

In het tweede lid is een aanmeldingstermijn voor vragen opgenomen vanwege het feit dat de wethouders moeten worden uitgenodigd om antwoord te kunnen geven op de vragen van de raadsleden.

 

Hoofdstuk 5 Besloten vergadering en geheimhouding

 

Artikel 43 Algemeen

 

Dit artikel bepaalt dat de bepalingen van het reglement van orde van overeenkomstige toepassing zijn op een raadsvergadering achter gesloten deuren. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de bepalingen over het tijdig verzenden van stukken, het recht van amendement, het recht van motie en het maken van het verslag.

 

De bepalingen van het reglement van orde zijn echter niet van toepassing, voor zover het toepassen van die bepalingen strijdig is met het besloten karakter van de vergadering. Zo zullen er bijvoorbeeld geen beeld- en geluidsregistraties voor openbaar gebruik gemaakt kunnen worden.

 

Ten aanzien van de stukken die betrekking hebben op een besloten vergadering en het behandelde zal de raad moeten besluiten of geheimhouding als bedoeld in de artikelen 23, vierde lid 25, 55 en 86 van de Gemeentewet wordt opgelegd dan wel bekrachtigd of opgeheven.

 

In artikel 23 van de Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor 'het sluiten van de deuren', de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

 

Artikel 44 Verslag

 

In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde vierde lid, van de Gemeentewet. In overeenstemming met de bepaling over het verslag van de raadsvergadering is de griffier ook verantwoordelijk voor het verslag van een besloten vergadering.

 

Artikel 45 Opheffing geheimhouding

 

Op grond van artikel 87 van de Gemeentewet kan geheimhouding op informatie worden opgelegd door de raad, het college, de burgemeester en een commissie. De opgelegde geheimhouding met betrekking tot aan de raad verstrekte informatie vervalt, als de raad de verplichting tot geheimhouding opheft (artikel 89, vierde lid, van de Gemeentewet). Wel bestaat er een overlegverplichting, waarmee recht wordt gedaan aan het principe van hoor en wederhoor.

 

Als de raad een opgelegde geheimhouding opheft wil dat niet zeggen dat de desbetreffende stukken informatie dan actief openbaar gemaakt moet worden. De Wet open overheid is nog steeds op deze informatie van toepassing. Wanneer om openbaarmaking wordt verzocht moet dat verzoek dus aan de uitzonderingsgronden in de Woo worden getoetst om tot een besluit te komen over het al dan niet openbaar maken van de betreffende informatie. Dan kan uiteraard blijken dat er inmiddels geen grond meer is om openbaarmaking te weigeren.

 

Hoofdstuk 6 Toehoorders en pers

 

Artikel 46 Toehoorders en pers

 

De in dit artikel aangegeven bepalingen worden wat betreft het handhaven van de orde aangevuld door artikel 26 van de Gemeentewet. De voorzitter heeft de bevoegdheid om toehoorders die de orde verstoren te doen vertrekken en bij volharding in hun gedrag de toegang te ontzeggen.

 

Artikel 47 Geluid- en beeldregistraties

 

Aangezien de vergaderingen van de raad in principe openbaar zijn, kunnen radio- en tv-stations geluid- en beeldregistraties maken. Dit is uiteraard niet het geval als het een besloten vergadering betreft. Wel dient rekening gehouden te worden met de privacy van insprekers of publiek. Raadsleden daarentegen hebben een publieke functie.

 

Het is mogelijk om een aanwijzing te geven dat publiek slechts vanaf een bepaalde afstand in beeld mag worden gebracht. Ook kan een aanwijzing zijn dat burgers die inspreken niet gefilmd mogen worden, uiteraard in overleg met de insprekers. Mogelijk hebben zij geen probleem met beeldregistraties.

 

Hoofdstuk 7 Slotbepalingen

 

Artikel 48 Uitleg reglement

 

Geen enkel reglement van orde beschrijft uitputtend alle situaties die zich kunnen voordoen tijdens (de voorbereiding van) een vergadering.

 

Als een situatie valt te voorzien wordt overleg gevoerd met de leden van het fractievoorzittersoverleg indien het reglement van orde niet voorziet in een situatie die zich voordoet.

 

Artikel 49 Inwerkingtreding en citeertitel

 

Met dit artikel worden het Reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad 2020, de Verordening op de raadscommissies 2014 en de Verordening fungeren als commissielid niet-zijnde raadslid 2005 ingetrokken en treedt het nieuwe reglement van orde in werking op de eerste dag na bekendmaking.

Naar boven