Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

De gemeenteraad van de gemeente Capelle aan den IJssel,

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid; 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

gezien het advies van de commissie Samenleving en Economie;

 

overwegende dat:

  • -

    burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • -

    van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • -

    burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • -

    het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en

  • -

    het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving.

B E S L U I T:

 

vast te stellen de ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026’.

 

HOOFDSTUK 1: Begrippen

Artikel 1. Definities

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

 

  • 1.

    Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

  • 2.

    Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening die:

    • a.

      niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

    • b.

      daadwerkelijk beschikbaar is;

    • c.

      een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en;

    • d.

      financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau;

  • 3.

    Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang;

  • 4.

    Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026;

  • 5.

    Bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in de artikelen 2.1.4 en 2.1.4a van de wet;

  • 6.

    Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt of door namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

  • 7.

    Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlenging op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

  • 8.

    College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

  • 9.

    Eigen kracht: het vermogen van de cliënt om zelf tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie of tot een oplossing voor zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang te komen;

  • 10.

    Forfaitaire financiële tegemoetkoming: Een bijdrage in de kosten, die ongeacht het inkomen van de aanvrager en los van de werkelijke/feitelijke kosten van een voorziening, wordt verstrekt;

  • 11.

    Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgeno(o)t(e), ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

  • 12.

    Goedkoopst adequaat: een oplossing biedend voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart tegen de voordeligste prijs;

  • 13.

    Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

    • a.

      in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel

    • b.

      zal staan ingeschreven; dan wel

    • c.

      het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven;

  • 14.

    Ingezetene: een cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Capelle aan den IJssel, tenzij een maatwerkvoorziening wordt geboden op het gebied van beschermd wonen of opvang als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van de wet;

  • 15.

    Langdurig noodzakelijk: voor langere tijd aangewezen op de desbetreffende maatwerkvoorziening voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart;

  • 16.

    Maatschappelijke ondersteuning:

    • 1.

      bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

    • 2.

      ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

    • 3.

      bieden van beschermd wonen en opvang;

  • 17.

    Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

    • 1.

      ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

    • 2.

      ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

    • 3.

      ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

  • 18.

    Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

  • 19.

    Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015;

  • 20.

    Nadere regels mo: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026;

  • 21.

    Nadere regels pgb: Nadere regels maatschappelijke ondersteuning persoonsgebonden budget Capelle aan den IJssel 2026;

  • 22.

    Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

  • 23.

    Pgb: persoonsgebonden budget is een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

  • 24.

    Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

  • 25.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

  • 26.

    Sportvoorziening: een voorziening voor sportbeoefening die wordt toegekend om de participatie van de cliënt te bevorderen;

  • 27.

    Vertegenwoordiger: meerderjarig persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Personen of rechtspersonen die als vertegenwoordiger kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt, dan wel, indien zodanige persoon of rechtspersoon ontbreekt, diens echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, diens ouder, kind, broer of zus, tenzij deze persoon dat niet wenst;

  • 28.

    Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de behoefte aan ondersteuning wordt tegemoetgekomen;

  • 29.

    Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

  • 30.

    Woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

  • 31.

    Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld. Als de cliënt daarom verzoekt, zorgt het college voor ondersteuning bij het verhelderen van de ondersteuningsbehoefte, zoals bedoeld in artikel 4 van de Verordening.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

Artikel 3. Spoedeisende gevallen

In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.

Artikel 4. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 5. Persoonlijk plan

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Het college onderzoekt of de cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening. Het college verricht het onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel zijn vertegenwoordiger en desgewenst familie.

  • 2.

    Het college beantwoordt in het onderzoek de volgende vragen:

    • I.

      Wat is de hulpvraag van cliënt?

    • II.

      Wat zijn de belemmeringen van cliënt in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in samenleving?

    • III.

      Wat is de aard en omvang van de door het college te organiseren noodzakelijke maatschappelijke ondersteuning? Hierbij moet het college rekening houden met de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van cliënt.

    • IV.

      In hoeverre zijn bij cliënt de eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg, hulp uit het sociaal netwerk en algemene voorzieningen aanwezig?

  • 3.

    De cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, als na het beantwoorden van de vragen uit het tweede lid blijkt dat:

    • a.

      er sprake is van een hulpvraag die betrekking heeft op belemmeringen van cliënt in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving en;

    • b.

      de weigeringsgronden uit artikel 11 niet van toepassing zijn.

  • 4.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 5, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

  • 5.

    Het college informeert de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.

Artikel 7. Verslag

Binnen 6 weken na melding verstrekt het college aan de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek (het gespreksverslag).

Artikel 8. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd, of na 6 weken na datum van ontvangst van de melding.

  • 2.

    Een cliënt of zijn gemachtigde of vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk indienen bij het college. Een aanvraag wordt ingediend door middel van:

    • a.

      een door het college vastgesteld aanvraagformulier;

    • b.

      een door de cliënt ondertekend gespreksverslag als bedoeld in artikel 7, of;

    • c.

      een door client zelf opgestelde schriftelijke aanvraag wanneer 6 weken na ontvangst van de melding zijn verstreken en het college geen aanvraagformulier of gespreksverslag heeft verstrekt aan client.

  • 3.

    Als er overeenstemming is met de client over de inzet van de maatwerkvoorziening en als dit ook de door de client gewenste maatwerkvoorziening betreft, wordt automatisch de melding aangemerkt als aanvraag.

  • 4.

    Het college besluit binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag, of binnen twee weken na overeenstemming als bedoeld in het derde lid.

Artikel 9. Advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek naar aanleiding van de melding en/of de aanvraag, degene die of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

    • a.

      Op te roepen in persoon te verschijnen;

    • b.

      Zich te laten bevragen en onderzoek te laten verrichten door een of meer daartoe aangewezen specifiek onafhankelijk deskundigen.

  • 2.

    Het college wint een specifiek onafhankelijk deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit naar het oordeel van het college vereist.

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Als het uit het onderzoek, bedoeld in artikel 6, tweede lid, blijkt dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, dan verstrekt het college de goedkoopst adequate beschikbare voorziening.

  • 2.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maakt.

  • 3.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een forfaitaire financiële tegemoetkoming voor een individuele vervoersvoorziening of voor verhuis- en (her)inrichtingskosten voor zover hiermee naar oordeel van het college een passende bijdrage wordt geleverd aan het bevorderen van diens zelfredzaamheid en/of participatie.

  • 4.

    Het college stelt de hoogte voor de forfaitaire financiële tegemoetkoming vast in het Besluit.

Artikel 11. Weigeringsgronden

  • 1.

    Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren:

    • a.

      voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de belemmeringen kan wegnemen;

    • b.

      als de cliënt een indicatie heeft voor zorg met verblijf op grond van de Wet langdurige zorg of er redenen zijn om aan te nemen dat de cliënt daarvoor in aanmerking komt, maar weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit hierover;

    • c.

      als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • d.

      voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de belemmeringen kan wegnemen;

    • e.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • f.

      als de voorziening als gevolg van de beperkingen van de cliënt voor zichzelf of voor derden onveilig is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, of niet bevorderlijk is voor de gezondheid, of het functioneren van de cliënt;

    • g.

      als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase;

    • h.

      als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak en adequaatheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • i.

      als de cliënt de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen en de noodzaak en passendheid van de voorziening en gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld en de voorziening niet langer dan twee weken voor de melding is gerealiseerd of geaccepteerd;

    • j.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen of de cliënt de restwaarde van de voorziening die verloren is gegaan geheel of gedeeltelijk vergoedt.

  • 2.

    Het college kan een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie weigeren:

    • a.

      als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Capelle aan den IJssel;

    • b.

      als deze niet langdurig noodzakelijk is tenzij het gaat om huishoudelijke ondersteuning of een vorm van begeleiding;

    • c.

      als de voorziening niet gericht is op ondersteuning in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.

  • 3.

    Het college kan een woonvoorziening weigeren:

    • a.

      als de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Capelle aan den IJssel;

    • b.

      als de woonvoorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau in het vigerend Besluit bouwwerken leefomgeving;

    • c.

      voor zover de ondervonden belemmeringen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of opgelost kunnen worden door algemeen gebruikelijk onderhoud;

    • d.

      als de cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen;

    • e.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL- clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

    • f.

      voor zover het woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

    • g.

      als de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding was op grond van het normale gebruik van de woning en er geen belangrijke reden voor de verhuizing is;

    • h.

      als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn belemmeringen op dat moment meest geschikte en beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • i.

      als de voorziening in het geval van nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kan worden;

    • j.

      wanneer er geen sprake is van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij het wonen in de woning;

    • k.

      om te komen tot het basisuitrustingsniveau van een zogenoemde doelgroepenwoning.

Artikel 12. Aanpalende wetgeving

  • 1.

    In afwijking van artikel 11, derde lid, onderdeel d en artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet kan voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen één woning bezoekbaar gemaakt worden.

  • 2.

    In afwijking van artikel 11, derde lid, onderdeel d en artikel 2.3.5, zesde lid, van de wet blijft het recht bestaan op het gebruik van woonvoorzieningen die op het moment van de verhuizing naar een Wlz-instelling in het hoofdverblijf voor opname aanwezig zijn die logeren mogelijk maken, als de client de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar in het hoofdverblijf voor opname te logeren en de woonvoorzieningen niet mee te nemen zijn naar huis op moment van logeren.

  • 3.

    In afwijking van artikel 11, eerste lid, onderdeel b wordt wel een maatwerkvoorziening verstrekt door het college als artikel 8.6a van de wet van toepassing is en de hulpvraag niet opgelost kan worden met de geïndiceerde Wlz-zorg en de inzet niet anderszins opgelost kan worden.

Artikel 13. Inhoud beschikking

  • 1.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is en indien noodzakelijk de taken, frequentie en omvang in minuten;

    • b.

      indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn;

    • c.

      wat de duur van de verstrekking is en indien van toepassing de ingangsdatum;

    • d.

      of de voorziening in eigendom of bruikleen wordt verstrekt;

    • e.

      of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;

    • f.

      of een bijdrage in de kosten wordt opgelegd voor de voorziening en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening;

    • g.

      hoe bezwaar tegen het besluit kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt aanvullend vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe daartoe is gekomen;

    • d.

      wat de omvang van de eventuele vergoeding voor de instandhoudingskosten is en hoe daartoe is gekomen;

    • e.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • f.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst.

Artikel 14. Regels voor een pgb

  • 1.

    Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening en de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, verstrekt het college een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van wet als:

    • a.

      de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en;

    • b.

      de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen, en;

    • c.

      naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • 2.

    Voor de toets van het college of voldaan wordt aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden dient client een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is in elk geval opgenomen:

    • a.

      hoe de cliënt zelf of met hulp van iemand uit het sociale netwerk of zijn vertegenwoordiger de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze gaat uitvoeren;

    • b.

      wat de motivatie is om de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb te ontvangen;

    • c.

      welke voorziening de cliënt met het pgb zou willen inkopen en bij welke uitvoerder;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de voorziening is gewaarborgd en duidelijk is dat de voorziening geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt;

    • e.

      de kosten van de voorziening, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief.

  • 3.

    Het pgb-plan wordt ook voorzien van een schriftelijke machtiging en verklaring van de cliënt en zijn vertegenwoordiger, waaruit blijkt dat het beheer op verantwoorde wijze wordt doorgevoerd.

  • 4.

    Een vertegenwoordiger wordt alleen geacht de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren als:

    • a.

      deze niet ook uitvoerder is van de ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht, tot het sociale netwerk van de uitvoerder van de ondersteuning behoort of een financiële relatie heeft met de uitvoerder van de ondersteuning, tenzij dit gezien de situatie van de cliënt, de aard van de ingekochte ondersteuning en de waarborgen waarmee een verantwoorde besteding en verantwoording van het pgb is omgeven, naar het oordeel van het college passend wordt bevonden, en;

    • b.

      deze hier met voldoende afstand en kritisch invulling aan kan geven, en;

    • c.

      er sprake is van voldoende nabijheid in de vorm van fysieke aanwezigheid en tijd.

  • 5.

    Het pgb mag alleen worden besteed aan de maatwerkvoorziening en indien van toepassing aan de instandhoudingskosten van de maatwerkvoorziening.

  • 6.

    Voor cliënten met meerdere pgb’s geldt dat het niet is toegestaan om te schuiven tussen verschillende budgetten, tenzij hierover schriftelijke afspraken zijn gemaakt met het college.

  • 7.

    Betalingen van diensten geschiedt op declaratiebasis. Vaste, maandelijkse betalingen zijn niet toegestaan, tenzij er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen cliënt en zorgverlener.

  • 8.

    Het college kan de Sociale verzekeringsbank (Svb) gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien eken geheel of gedeeltelijk op te schorten als duidelijk is dat de cliënt het pgb in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

  • 9.

    Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college.

  • 10.

    Als er sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie, zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet, verstrekt het college geen pgb.

Artikel 15. Hoogte van een pgb

  • 1.

    De hoogte van een pgb wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan waarin in ieder geval uiteen is gezet:

    • a.

      welke diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren de cliënt van het budget wil betrekken, en

    • b.

      indien van toepassing, welke hiervan de cliënt wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk en of deze persoon gekenmerkt kan worden als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 en opteert voor een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand, en voor zover van toepassing een tegemoetkoming per kalendermaand voor reiskosten.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor een voorziening wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf en de instandhoudingskosten daarvan.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt bepaald aan de hand van het maximum van de kostprijs van de in de situatie van cliënt goedkoopste adequate voorziening in natura en de leeftijd van de tweedehandsvoorziening. De omvang van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt naar rato berekend op de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven (gebruiksduur).

  • 4.

    Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb voor diensten wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor professionele hulp en hulp van het sociaal netwerk.

    • a.

      Van het tarief voor professionele hulp is sprake als uit het onderzoek in de zin van artikel 2.3.2 van de wet blijkt dat:

      • i.

        professionele hulp noodzakelijk is of

      • ii.

        professionele hulp niet noodzakelijk is, maar cliënt geen sociaal netwerk heeft om de hulp te bieden.

    • Professionele hulp kan niet worden verleend door iemand uit het sociaal netwerk van cliënt.

    • b.

      Van het tarief voor hulp van het sociaal netwerk is sprake als uit het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet, blijkt dat professionele hulp niet noodzakelijk is en cliënt iemand uit het sociaal netwerk heeft om de hulp te bieden.

  • 5.

    Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door personen die:

    • a.

      werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 van het Handelsregisterwet 2007), die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen conform artikel 18 lid 4, of;

    • b.

      aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten zij ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van het Handelsregisterwet 2007), beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken en voldoen aan de kwaliteitseisen conform artikel 18 lid 4.

  • 6.

    Het pgb voor personen als bedoeld in het vierde lid onder a bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend.

  • 7.

    Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld in vierde lid onder b (sociaal netwerk) is:

    • a.

      het wettelijke minimum(uur)loon, of;

    • b.

      een tegemoetkoming van € 141,- per kalendermaand, voor zover van toepassing aangevuld met een tegemoetkoming voor reiskosten ten behoeve van de hulp waarbij de hoogte van de tegemoetkoming voor reiskosten wordt vastgesteld op grond van de volgende berekening: 156 x de dagelijkse reisafstand x belastingvrije kilometervergoeding x deeltijdfactor, gedeeld door 12 maanden.

Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing genomen op grond van deze verordening of diens rechtsvoorganger op basis van een heronderzoek herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of;

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt of heeft gebruikt.

    Het college bepaalt in de beslissing, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.

  • 3.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

  • 4.

    Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen.

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 17. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Het college legt een bijdrage in de kosten op voor een maatwerkvoorziening of pgb, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt;

  • 2.

    De hoogte van de bijdragen voor een of meerdere maatwerkvoorzieningen of pgb’s is samen gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste het landelijk vastgestelde bedrag zoals genoemd in artikel 2.1.4 derde lid en artikel 2.1.4a vierde lid Wmo 2015 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4a, vijfde lid, van de wet of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 3.

    De kostprijs van een

    • a.

      maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de kosten die het college voor de goedkoopste variant van de desbetreffende maatwerkvoorziening zelf maakt;

    • b.

      maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is gelijk aan de hoogte van het pgb.

  • 4.

    In afwijking van het eerste lid

    • a.

      kunnen zorgmijders geen bijdrage verschuldigd zijn de eerste zes maanden van zorgverlening, of langer wanneer dat noodzakelijk is naar oordeel van het college;

    • b.

      zijn cliënten die in een hospice verblijven geen bijdrage verschuldigd voor de huishoudelijke ondersteuning die ze ontvangen tijdens het verblijf in het hospice;

    • c.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor individuele begeleiding categorie waakvlamcontact;

    • d.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing/ woonvoorziening van/in een gemeenschappelijke ruimte in een wooncomplex;

    • e.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening die is verstrekt ten behoeve van een jeugdige die op dat moment minderjarig was;

    • f.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een tegemoetkoming;

    • g.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening;

    • h.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd als het resultaat behaald kan worden door een voorziening in de vorm van aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen;

    • i.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor het onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van een voorziening;

    • j.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd voor een sportvoorziening;

    • k.

      is geen eigen bijdrage verschuldigd als het woningaanpassingen zijn die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning.

  • 5.

    De eigen bijdrage pauzeert:

    • a.

      indien op de eerste dag van een kalendermaand de onderbreking aanvangt: gedurende de periode met ingang van die eerste dag tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de onderbreking van de voorziening eindigt;

    • b.

      indien na de eerste dag van een kalendermaand de onderbreking aanvangt: gedurende de periode met ingang van de eerste dag van de daaropvolgende kalendermaand tot de eerste dag van de kalendermaand volgende op de maand waarin de onderbreking van de voorziening eindigt.

  • 6.

    De eigen bijdrage pauzeert niet als de onderbreking minder dan 31 opeenvolgende dagen bedraagt of een volledige kalendermaand.

  • 7.

    In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet bedraagt de hoogte van de bijdrage in de kosten voor de maatwerkvoorziening voor vervoer (collectief aanvullend vervoer) voor:

    • a.

      1 zone € 1,38 per rit;

    • b.

      2 zones € 2,06 per rit;

    • c.

      3 zones € 2,75 per rit;

    • d.

      4 zones € 3,43 per rit

    • e.

      5 zones € 4,12 per rit.

  • 8.

    De bedragen genoemd in het vierde lid worden met ingang van 1 januari 2027 jaarlijks aangepast aan de wijziging die het LTI-indexcijfer heeft ondergaan ten opzichte van 1 januari van het voorafgaande jaar.

  • 9.

    Indien medische begeleiding tijdens het collectief aanvullend vervoer verplicht is, is de verplichte begeleider geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor de kosten voor het gebruik van het collectief aanvullend vervoer.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid

Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Gecontracteerde aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van tijdig beschikbare maatwerkvoorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      inzet van de juiste deskundigheid;

    • d.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van maatwerkvoorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard en conform vastgestelde eisen opgenomen in het inkooptraject dienstverlening of bij een ander lid als toevoeging;

    • e.

      voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen zoals genoemd in het eerste lid, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen benoemd in het tweede lid door periodieke overleggen met de gecontracteerde aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de adequaatheid van de geleverde maatwerkvoorzieningen als ook de prestatielevering in relatie tot de maatwerkvoorzieningen.

  • 4.

    Het college kan nadere regels stellen inzake de kwaliteit van ondersteuning bij het in artikel 13 genoemde pgb.

  • 5.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de eisen zoals benoemd in het vierde lid met behulp van een pgb-kwaliteitstoets, en zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de adequaatheid van de geleverde maatwerkvoorzieningen als ook de prestatielevering in relatie tot de maatwerkvoorzieningen.

Artikel 19. Toezicht kwaliteit

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders doen onverwijld melding van calamiteiten en geweld bij de daarvoor aangewezen toezichthouder;

  • 3.

    Aanbieders verlenen alle medewerking aan de toezichthouder, die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

  • 4.

    Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de door het college gecontracteerde aanbieders en aanbieders die via een pgb worden betaald.

Artikel 20. Toezicht en handhaving rechtmatigheid

  • 1.

    Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet en wijst daarvoor een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Ter uitvoering van het eerste lid stelt het college periodiek een handhavingsuitvoeringsplan vast. Het handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval hoe het proces van toezicht en handhaving is ingericht en de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet.

  • 3.

    Het college kan nadere regels opstellen voor het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid en het voorkomen van zorgfraude, waaronder welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de inkoopprocedure open-house en het aangaan van een overkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs conform Algemene maatregel van Bestuur (AMvB) (besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de zorgverlening tussen de cliënt en de zorgverlener) voor die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde; en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de zorgverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken zorgverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen en baseert zich op de eisen zoals gesteld in de AMvB:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis- en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • i.

        een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

      • ii.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die voorziening, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet;

  • 3.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang

Artikel 23. Beschermd wonen en opvang

  • 1.

    Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid van de wet zijn de artikelen 2.3, tweede lid, onderdeel a; 3.2.1, eerste lid, onderdeel f, g, h en i; 3.2.10; 3.2.11; 3.2.12; 3.2.13; 3.3.7, eerste lid, onderdeel a, sub 6°, 7°, 8° en 9°; 3.3.7, tweede lid, onderdeel a, sub 6°, 7°, 8° en 9°; hoofdstuk 4, 5.1.3 en 5.1.5 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2025 van toepassing zoals die op 1 januari 2025 luiden.

  • 2.

    Voor zover bepalingen in deze verordening in strijd zijn met de in het eerste lid bedoelde bepalingen, zijn uitsluitend de in het eerste lid genoemde bepalingen van toepassing en blijven de desbetreffende bepalingen uit deze verordening buiten toepassing.

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit het beschikbaar stellen van een waardebon.

Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

  • 1.

    Een financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie wordt niet verstrekt als maatwerkvoorziening;

  • 2.

    Personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie kunnen aanspraak maken op de collectieve aanvullende zorgverzekering van de IJsselgemeenten;

  • 3.

    De vigerende criteria van de IJsselgemeenten zijn van toepassing op de aanvraag.

HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 26. Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Ingezetenen worden bij de uitvoering van de wet betrokken op de wijze die is bepaald in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018, of diens rechtsopvolger.

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 29. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    Voor zover in deze Verordening niet anders is bepaald is het college belast met de uitvoering van deze Verordening en alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet.

  • 2.

    Ter uitvoering van deze Verordening stelt het college in ieder geval het Besluit en de Nadere regels maatschappelijke ondersteuning en Nadere regels maatschappelijke ondersteuning pgb vast.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze Verordening indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsrecht

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 wordt op 1 januari 2026 ingetrokken.

  • 3.

    Een cliënt houdt recht op een lopende maatwerkvoorziening of pgb, verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 of daaraan voorafgaande verordeningen, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 4.

    Een melding voor een maatwerkvoorziening of pgb die is ingediend voor inwerkingtreding van deze verordening en waarop het college nog geen besluit heeft genomen, wordt door het college beoordeeld op basis van deze verordening, tenzij de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2023 gunstiger is voor cliënt.

  • 5.

    De hoogte van een toegekend pgb voor een dienst, verleend door persoon die behoort tot het sociaal netwerk, die uiterlijk 31 december 2025 is afgegeven en tot na 1 januari 2027 blijft doorlopen, wordt vanaf 1 januari 2027 bepaald op basis van artikel 15, zevende lid.

Artikel 31. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026.

Vastgesteld in de openbare vergadering van 15 december 2025

De griffier,

de voorzitter,

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2026

ALGEMEEN

 

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De verordening kenmerkt zich door te kijken naar wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

 

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de behoefte aan ondersteuning van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

 

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

 

HOOFDSTUK 1: Begrippen

 

Artikel 1. Definities

In verband met de leesbaarheid van deze verordening zijn voor de duidelijkheid belangrijke begrippen opgenomen. De definities spreken voor zich en behoeven geen verdere uitleg.

 

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 2. Melding behoefte aan maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een vraag voor maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.

 

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

Wanneer een persoon zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Als de persoon alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Een persoon met een behoefte aan ondersteuning die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Als de persoon aangeeft behoefte te hebben aan maatschappelijke ondersteuning, is het van belang dat wordt onderzocht wat de behoefte aan ondersteuning van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet is noodzakelijk.

 

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet). Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, wordt dit ook schriftelijk bevestigd aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet). Registratie en een schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding is in het kader van deze termijn van belang.

 

Artikel 3. Spoedeisende gevallen

In dit artikel is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

 

Artikel 4. Cliëntondersteuning

Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos en onafhankelijk (amendement TK 2013-2014, 33841, nr. 68 Waarborgen onafhankelijke cliëntondersteuning) is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

 

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de behoefte aan ondersteuning inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De cliënt kan dan gedurende het onderzoek er gebruik van maken. Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn behoefte aan ondersteuning te verwoorden en keuzes te maken. 

Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van (artikel 1.1.1 Wmo 2015):

  • -

    maatschappelijke ondersteuning

  • -

    preventieve zorg

  • -

    zorg

  • -

    jeugdhulp

  • -

    onderwijs

  • -

    welzijn

  • -

    wonen

  • -

    werk en inkomen

Daarmee wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 118). Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een vraag of een situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen (toelichting bij artikel 1.1.1 Wmo 2015 / 33 841, nr. 3, blz. 113). In de Wmo 2015 is dus de cliëntondersteuning voor het gehele sociale domein en andere levensdomeinen geregeld (dus ook Jeugdwet, Participatiewet en Zorgverzekeringswet).

 

De cliënt kan er ook voor kiezen zijn ondersteuning zelf te organiseren. Indien de cliënt zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente niet de kosten daarvan aan de cliënt te vergoeden (TK 2013-2014, 33 841, J, blz. 13).

 

Artikel 5. Persoonlijk plan

Overeenkomstig artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet is de verplichting opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 6, tweede lid.

 

Artikel 6. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen. De nadruk ligt op het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij elkaar, de mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning of daar waar mogelijk met behulp van vrijwilligers of andere voorliggende voorzieningen. De inzet van een maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

 

Het eerste lid komt voor uit artikel 2.3.2, eerste lid van de Wmo waarin is vastgelegd dat “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. De vorm van het onderzoek is vrij, zolang het stappenplan van de CRvB gevolgd wordt. Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is. Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

 

In het tweede lid is vastgelegd hoe het college een zorgvuldig onderzoek uitvoerd. De CRvB heeft in een aantal uitspraken uitgelegd welke stappen de gemeente moet zetten in een Wmo-onderzoek (zie CRvB 11-4-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113 en CRvB 11-7-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2182). Wanneer een cliënt een melding doet, moet de gemeente vaststellen:

  • -

    Wat de hulpvraag is;

  • -

    Welke problemen ondervonden worden bij de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving;

  • -

    Welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de zelfredzaamheid of participatie of het zich kunnen handhaven in de samenleving;

  • -

    In hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en algemene voorzieningen kunnen helpen;

In artikel 2.1.3 tweede lid onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In het derde lid en in artikel 10 en 11 is deze verplichting uitgewerkt.

 

Het derde lid bepaalt dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, als uit het onderzoek blijkt dat hij een hulpvraag heeft die betrekking heeft op belemmeringen in zijn zelfredzaamheid, participatie dan wel het zich kunnen handhaven in de samenleving. Voldoet de hulpvraag van cliënt daar niet aan? Dan valt de hulpvraag niet onder de reikwijdte van de compensatieplicht van de Wmo 2015. Valt de hulpvraag wel onder de reikwijdte van de compensatieplicht van de Wmo 2015? Dan moet het college onderzoeken of sprake is van één van de weigeringsgronden uit artikel 11 van de verordening. Is daar sprake van? Dan komt cliënt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening, tenzij het college besluit de weigeringsgrond(en) niet toe te passen. Voorzieningen met primair een therapeutisch doel vallen ook niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015, omdat ze als zodanig niet zijn gericht op het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie.

 

In het vierde lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek.

 

Artikel 7. Verslag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen.

 

Het artikel borgt dat er een verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.

 

In het verslag worden alleen gegevens opgenomen die noodzakelijk zijn om te kunnen voorzien in de behoefte van de cliënt. Indien een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 5, is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

Als er overeenstemming is met client over de inzet van de maatwerkvoorziening en als deze maatwerkvoorziening ook de gewenst maatwerkvoorziening betreft voor client, dan kan een verslag al direct worden meegegeven of kan het verslag in zijn geheel worden overgeslagen zoals in artikel 8 derde lid. Soms zal het verslag toch nog moeten worden uitgewerkt. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft. Dit wordt dan in het verslag verwerkt.

 

Artikel 8. Aanvraag

In het eerste lid is conform artikel 2.3.2 lid 9 van de Wmo2015 vastgelegd dat een aanvraag kan niet worden ingediend voordat het onderzoek is uitgevoerd. Mocht het college het onderzoek niet binnen de termijn van zes weken uitvoeren, mag een aanvraag worden ingediend zonder dat het onderzoek is uitgevoerd.

 

In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of zijn vertegenwoordiger een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld. In het tweede lid is ook vastgelegd dat een aanvraag kan worden ingediend door een ondertekend verslag zoals bedoeld in artikel 7 of door een aanvraagformulier. Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk dan wel elektronisch ingediend bij het college. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden, tenzij het college niet binnen 6 weken na datum van melding een aanvraagformulier of gespreksverslag heeft toegestuurd aan cliënt. Dan kan cliënt zelf een schriftelijke aanvraag opstellen en indienen bij de gemeente.

 

In het derde lid is vastgelegd dat als overeenstemming is tussen de client en het college over de inzet van de maatwerkvoorziening en als dit ook de maatwerkvoorziening is die de cliënt wenst, wordt de melding automatisch als aanvraag aangemerkt. Een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft dan niet meer ondertekend retour gestuurd te worden aan het college. In de onderzoeksfase, die voorafgaand aan de aanvraag plaatsvindt leert het college de client uitgebreid kennen door middel van het stappenplan uit artikel 6. Daarnaast stelt het college de identiteit van de cliënt vast tijdens het onderzoek. Er hoeft dus bij het college geen twijfel te zijn over de identiteit van de cliënt en diens wens om een aanvraag in te dienen. Als er geen ruis of enige twijfel is tussen het college en client kan zonder twijfel door gegaan worden naar de aanvraag.

 

De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet afgeven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af. Als het derde lid van dit artikel van toepassing besluit het college binnen twee weken nadat er in gezamenlijkheid wordt beoordeeld dat er sprake is van een aanvraag.

 

Artikel 9. Advisering

In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

 

Het eerste lid van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de degene die of namens wie een melding is gedaan of die of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3.5 eerste lid Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

 

In het tweede lid is vastgelegd dat voor zover het onderzoek naar de nodige hulp specifieke deskundigheid vereist zal een specifiek deskundig oordeel en advies niet mogen ontbreken (CRvB 21-03-2018 ECLI;NL;CRVB2018:819). De verschillende stadia van het onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid. Het college dient ervoor zorg te dragen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager.

 

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

 

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

De criteria voor de maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en opvang zijn in dit artikel niet opgenomen, De gemeente volgt hiervoor de regels van de centrumgemeente Rotterdam. Dit is verder uitgewerkt in artikel Beschermd wonen en opvang.

 

In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

 

In het tweede lid is opgenomen dat binnen de maatwerkvoorzieningen de ‘collectief aangeboden maatwerkvoorzieningen’ nog kunnen worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Een voorbeeld hiervan is het collectief aanvullend vervoer.

 

In het derde lid is opgenomen met als doel specifieke criteria vast te stellen om de inzet van forfaitaire financiële tegemoetkomingen te beperken tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. Dit, in aanvulling op hetgeen al bepaald is, ter uitvoering van artikel 2.1.3, tweede lid, onder a, van de wet. Daarin is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, of opvang in aanmerking komt. Dat kan ook met een forfaitaire financiële tegemoetkoming (CRvB 12-02-2018 ECLI:NL:CRVB2018:395 en 396).

 

In het vierde lid is vastgesteld dat in het Besluit de hoogte van de forfaitaire financiële tegemoetkomingen wordt bepaald.

 

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.

 

Artikel 11, eerste lid:

 

Ad a.

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Indien een persoon zijn belemmeringen kan compenseren op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van een ander persoon uit zijn sociale netwerk dan is dit een voorbeeld van eigen kracht en is dus de verstrekking van een maatwerkvoorziening niet aan de orde. Onder eigen kracht valt ook het anders organiseren van zijn leven en/of huishouden onder, waarbij gedacht kan worden aan herindeling van de ruimte en herschikking van inrichtingselementen (CrvB25-05-2005 nr 03/2188 LJN AT6661 en CrvB 19-04-2006 nr 04/1650 LJN AW2344). Ook het gebruik maken van een reeds verkregen maatwerkvoorziening valt onder eigen kracht. Dit kan een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo zijn, maar ook een maatwerkvoorziening vanuit een andere wettelijke regeling, zoals de Jeugdwet, de Zorgverzekeringswet en de Wlz.

 

Ook het te gelde maken van aanspraken op grond van andere wettelijke regelingen wordt gezien als een vorm van eigen kracht. De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09‐11‐2011, nr. 11/3583 Wmo en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 Wmo). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 Wmo) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 Wmo).

Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk

voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een passende en toereikende voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 Wmo). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.

 

Mantelzorg is de hulp bij zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen en/of opvang die direct het gevolg is van een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt gegeven vanuit een hulpverlenend beroep. Vaak zijn mantelzorgers mensen met wie een cliënt regelmatig contact heeft en behoren tot het sociale netwerk van cliënt. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg. Mantelzorg is dus niet verplicht (CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17, CRvB 3-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3108 en CRvB 24-01-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:368). Wil een hulpverlener betaald worden voor zijn inspanningen dan is er geen sprake van mantelzorg (CRvB 25-11-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4317, CRvB 11-01-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:17 en CRvB 24-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3348). Maar geeft de hulpverlener uit het sociale netwerk aan dat hij zonder vergoeding de hulp ook blijft verlenen dan is er wel sprake van mantelzorg (CRvB 6-9-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3209, CRvB 7-6-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1068).

 

Ad b.

Dit betreft de herhaling van artikel 2.3.5 zesde lid van de wet.

 

Ad c.

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid maatwerkvoorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad.

Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535):

  • -

    niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking;

  • -

    daadwerkelijk beschikbaar is;

  • -

    een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en;

  • -

    financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

De vraag of een voorziening financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau moet volgens de CRvB zo worden begrepen dat een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten.

 

Ad d.

Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.

 

Ad e.

Hier wordt bepaald dat de maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Het betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt, die voor hem of haar ook noodzakelijk moet zijn in de zin van de Wmo. De voorziening moet specifiek op de persoon van de aanvrager gericht zijn (Rechtbank Maastricht 07-04-2000, nr. 99/379 WVG Z BUC). Artikel 2.3.5, vijfde lid onder a, van de wet bepaalt dat de maatwerkvoorziening zover daartoe aanleiding bestaat is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt. Er is per definitie pas sprake van een maatwerkvoorziening indien deze zorgvuldig is afgestemd op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon.

 

Ad f.

Als een maatwerkvoorziening onveilig is voor de cliënt zelf of voor derden, of het de gezondheid of het functioneren van de cliënt niet ten goede komt wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand beschikt over te weinig verkeersinzicht om zich veilig in het verkeer te begeven, of als iemand een maatwerkvoorziening wil op het gebied van mobiliteit terwijl hij op medische gronden zoveel als mogelijk moet bewegen.

 

Ad g.

Verwacht mag worden dat een cliënt bij keuzes die gemaakt worden rekening houdt met zijn beperkingen. Er zullen geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt bij situaties die het gevolg zijn van keuzes die gemaakt zijn maar niet passen bij de individuele omstandigheden waarin de cliënt zich bevindt. Een voorbeeld is een verhuizing naar een niet geschikte woning indien de beperkingen al aanwezig zijn.

 

Ad h en i.

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een maatwerkvoorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen belemmeringen meer die het college moet compenseren. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente. Is de maatwerkvoorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de maatwerkvoorziening weigeren als de noodzaak en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als van tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisatie van de gevraagde maatwerkvoorziening.

 

Ad j.

Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus indien de cliënt schuld treft. Dus niet als de cliënt geen schuld treft. Hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt ook een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een dure voorziening, zoals een aanbouw, is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

 

Artikel 11, tweede lid:

 

Ad b.

Onder b wordt bepaald dat een maatwerkvoorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Dit geldt niet voor huishoudelijke ondersteuning en begeleiding (begeleiding individueel, groep, bij hoarding en bij zelfzorg). Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit twee onderdelen die los van elkaar bezien kunnen worden. De maatwerkvoorziening moet:

  • -

    noodzakelijk zijn om de belemmeringen te compenseren;

  • -

    langdurig noodzakelijk zijn.

Wat langdurig noodzakelijk is, is afhankelijk van de concrete situatie. Het kan gaan om twee maanden, bijvoorbeeld bij mensen die in een terminaal ziektestadium verkeren. Het kan ook gaan om veertig jaar, in situaties waarin de beperking bijvoorbeeld aangeboren is en stabiel van aard is. Kenmerkend is in beide situaties dat de ondervonden beperking, naar de stand van de medische wetenschap, op het moment van de aanvraag onomkeerbaar is. Er is dus redelijkerwijs geen verbetering te verwachten in de situatie van de cliënt. Hierbij is de prognose van ziektebeeld en daaruit voortvloeiende beperkingen dus van groot belang. Zegt de prognose dat de cliënt na enige tijd zonder de benodigde hulpmiddelen of aanpassingen kan functioneren, dan mag het college van een kortdurende noodzaak uitgaan. Bij een wisselend beeld, waarbij verbetering in de toestand periodes van terugval opvolgen, kan echter uitgegaan worden van een langdurige noodzaak. De medisch adviseur speelt een belangrijke rol bij het antwoord op de vraag of al dan niet sprake is van een langdurige noodzaak voor de betreffende voorziening. Voor langere tijd betekent in ieder geval dat wie tijdelijke beperkingen heeft, bijvoorbeeld door een ongeluk, terwijl vaststaat dat de handicap van voorbijgaande aard is, niet voor bepaalde voorzieningen in het kader van deze verordening in aanmerking komt. Cliënt kan dan meestal een beroep doen op hulpmiddelen via de zorgverzekeraar in het kader van de Zorgverzekeringswet. Waar precies de grens ligt tussen kortdurend en langdurig verschilt per situatie. Het is, afhankelijk van de situatie, wel mogelijk om kortdurend huishoudelijke ondersteuning of begeleiding in te zetten. Naast het vereiste dat de maatwerkvoorziening langdurig nodig moet zijn, moet uit het de uitkomsten van het onderzoek blijken dat de voorziening ook noodzakelijk is om de belemmeringen die voortkomen uit de beperkingen te compenseren. De beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de belemmeringen te compenseren, is niet altijd beperkt tot het moment van de aanvraag.

Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn de belemmeringen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd zullen optreden (CRvB 13-06-2012, nr. 10/3307 Wmo).

 

Ad c.

Dit lid is gebaseerd op jurisprudentie die tot op heden onder de Wvg en Wmo naar voren is gekomen waaruit blijkt dat voor bovenregionaal verplaatsen per vervoermiddel geen resultaatsverplichting bestaat. (CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 Wmo en CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 Wmo). De CRvB oordeelt in CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 W dat het college niet is gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een cliënt in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Het begrip verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving moet uitgelegd worden als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998).

Het is vaste jurisprudentie van de CRvB dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor een maatwerkvoorziening voor wat het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, het betreft immers het lokaal verplaatsen per vervoermiddel waar de gemeente compensatie voor dient te bieden. Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN:BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN: BQ 1738 09/3844 Wmo).

 

Als cliënten op vakantie zijn (langdurig of slechts een aantal dagen/weken) dan hoeft gedurende die vakantie geen huishoudelijke ondersteuning ingezet te worden. Maatschappelijke ondersteuning dient op grond van de Wmo 2015 namelijk zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving plaats te vinden. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever met de woorden ‘zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving’ bedoelt dat het doel van de Wmo 2015 is dat mensen zo lang als mogelijk thuis kunnen blijven wonen. Om dit doel te verwezenlijken, kan het college op grond van de Wmo 2015 maatwerkvoorzieningen verstrekken. Huishoudelijke ondersteuning op de camping draagt niet direct bij aan het doel dat mensen in hun eigen leefomgeving kunnen blijven wonen.

 

Artikel 11, derde lid:

In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek toezien op woonvoorzieningen.

 

Ad b. verwijst naar het minimale uitrustingsniveau voor een woning in Nederland, zowel in de sociale woningbouw als vrije sector. Deze normering is vastgelegd in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

 

Ad c.

Onder c wordt met de aard van de materialen bijvoorbeeld bedoeld het aanpassen van de woning in verband met allergene factoren en vocht- en tochtproblemen. Bij allergene factoren kan veelal een oplossing gezocht worden in algemeen gebruikelijke voorzieningen, bijvoorbeeld laminaat of lamellen of andere zaken in het kader van allergeenarm wonen. Bij vocht- en tochtproblemen is de eigenaar van de woning de eerst aangewezene om oplossingen aan te dragen.

 

Ad d.

Dit lid is opgenomen om te bepalen dat alleen personen die ingezetene zijn van de gemeente Capelle aan den IJssel en daar dus hoofdverblijf hebben, in aanmerking kunnen komen voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van belemmeringen in de zelfredzaamheid en participatie.

 

In het geval van co-ouderschap ligt het vaststellen van de woonplaats ingewikkelder. De jurisprudentie hierover is verdeeld. De rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat bij co-ouderschap een kind in twee woningen zijn hoofdverblijf kan hebben (Rechtbank Noord-Holland 25-11-2013, ECLI:NL:RBNHO:2013:11535 ). De rechtbank Gelderland concludeert echter dat ook bij co-ouderschap sprake is van één hoofdverblijfplaats (Rechtbank Gelderland 16-6-2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:3589).

 

Op grond van artikel 1:12 BW volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over het kind uitoefent. Dit heet ook wel ‘afgeleide woonplaats’. Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. De CRvB heeft echter geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben (CRvB 22-9-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285).

Het juridische hoofdverblijf wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld. Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, geeft de inschrijving van het kind in het BRP de doorslag.

Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. Het is de vraag of dit niet in strijd is met artikel 1:247 lid 4 BW en artikel 3 IVRK. In artikel 1:247 lid 4 BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Het is in het belang van het kind om bij co-ouderschap zowel in een (aangepaste) woning van de moeder als in een (aangepaste) woning van de vader te kunnen wonen. Daarom kan zowel bij moeder als bij vader een woningaanpassing worden aangebracht.

 

Ad e.

Onder e worden bepaalde woonruimten uitgesloten, wat betekent dat voor deze woonruimten geen woonvoorzieningen worden verstrekt, met uitzondering van verhuis- en (her)inrichtingskosten. Individuele woningaanpassingen in ADL-clusters worden sinds 1 januari 2009 wel verstrekt op grond van de Wmo behalve collectieve voorzieningen in het ADL-cluster zoals het alarmintercomsysteem en aangepast bad/douche gelegenheid.

 

Ad f.

Onder f bepaalt dat de aanvraag die betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan worden geweigerd, tenzij het gaat om:

  • -

    het verbreden van toegangsdeuren;

  • -

    het aanbrengen van elektrische deuropeners;

  • -

    de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot het wooncomplex;

  • -

    drempelhulpen en vlonders;

  • -

    het aanbrengen van een extra trapleuning;

  • -

    een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw, mits passend bij het Bouwbesluit.

Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in de Wmo neergelegde compensatieplicht (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 Wmo-T). Als het college een aanvraag op grond van deze bepaling afwijst, moet het college nog wel compenseren, het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, een financiële tegemoetkoming in de verhuis- en (her)inrichtingskosten verstrekken (CRvB 10-03-2004, nr. 02/4460 WVG).

 

Ad g.

Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is. Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Er is alleen sprake van een belangrijke reden die aanleiding vormt voor toewijzing van de voorziening als de cliënt geen in redelijkheid van hem te vragen mogelijkheden heeft om zelf voor een passende oplossing te zorgen (CRvB 21-05-2012, nr. 11/5321 Wmo). Dit heeft de CRvB geoordeeld onder de Wmo 2007 (ECLI:NL:CRVB:2012:BW6810). Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden, is dus van belang of de cliënt mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen.

 

Ad h.

Onder h bepaalt dat van personen met beperkingen verlangd mag worden dat zij inspanningen verrichten op het verkrijgen van een woning die zoveel als mogelijk is aangepast aan zijn beperkingen (CRvB 20-02-2002 LJN AE 3414 nr.00/5063), tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Van cliënt wordt verwacht dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente zodat de gemeente de mogelijkheid krijgt om na te gaan of er voor cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is (CRvB 25-01-2006 LJN AV:1177 nr. 03/5232). Er kan sprake zijn dat ten tijde van binnenkomst van de melding of aanvraag alternatieve adequate woningen beschikbaar waren (CRvB 16-02-2005, LJN: AS7560, nr. 03/455 en CRvB 28-04-2008, LJN: AO8762, nr. 02/3254).

 

Ad i.

Er worden geen voorzieningen verstrekt die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen. Hierbij wordt noemenswaardig gedefinieerd als dat het financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau, zoals in de definitie van algemeen gebruikelijk.

 

Ad j.

Onder j bepaalt dat er sprake moet zijn van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van de cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij bewoning van de woning.

Het ligt hierbij op de weg van cliënt dit verband door middel van objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken (CRvB 10-10-2012, nr. 11-5873 LJN BY0324).

Onder de Wmo kan er ook een resultaatsverplichting zijn, wanneer er sprake is van een causaal verband tussen de belemmeringen en omgevingsfactoren. Ook hier dient dit causale verband echter wel aannemelijk gemaakt te worden. (CRvB 12-02-2014, nr. 12/3394 Wmo).

 

Ad k.

Onder k bepaalt dat geen woonvoorziening kan worden getroffen in zogenoemde doelgroepenwoningen. Hierbij kan gedacht worden aan specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw) bouw, verbouw of renovatie. De CRvB stelt vast dat de verordeningsbepaling waarin woonvoorzieningen uitgesloten worden in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen, een verbijzondering is van de bepaling dat geen voorziening wordt toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is aan het college om aan te tonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld woongebouw is in principe algemeen gebruikelijk als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning:

  • -

    op grond van wettelijke voorschriften,

  • -

    algemeen aanvaarbare regels of

  • -

    contractuele bepalingen.

Artikel 12. Aanpalende wetgeving

In dit artikel is aanpalende wetgeving vastgelegd die invloed heeft op de uitvoering of toepassing van de Wmo2015.

 

Om vast te kunnen stellen of de Wlz al dan niet voorliggend is op de Wmo, is het noodzakelijk dat het college onderzoek heeft gedaan naar de ondersteuningsbehoefte van de cliënt (zie CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933, CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4226 en CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4305).

 

Als een cliënt met een Wlz-indicatie verzoekt om Wmo ondersteuning, moet het college dus een onderzoek uitvoeren (overeenkomstig artikel 2.3.2 Wmo 2015). Het college moet hierbij de ondersteuningsvraag van de cliënt in kaart brengen en onderzoeken welke mogelijkheden er zijn voor de inzet van eigen zelfredzaamheid, het sociale netwerk, algemene voorzieningen en voorliggende voorzieningen zoals ondersteuning op grond van de Wlz.

 

In het eerste lid is vastgelegd dat ondanks dat het bezoekbaar maken van een woning voor een Wlz-cliënt die in een instelling woont in beginsel niet onder de compensatieplicht van het college valt hier wel een uitzondering op gemaakt kan worden.

In artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015 is bepaald dat het college een maatwerkvoorziening kan weigeren als een cliënt een Wlz-indicatie heeft. In lid c is bepaald dat ondanks deze wettelijke bepaling dat ook voor cliënten die in een Wlz-instelling wonen wel een woning bezoekbaar gemaakt kan worden. Ondanks dat het college voor Wlz-cliënten meestal geen compensatieplicht heeft, is het college immers wel bevoegd om een voorziening toe te kennen.

Dit betekent dat het college na een verzoek van een Wlz-cliënt altijd onderzoek naar de eventuele noodzaak om van die bevoegdheid gebruik te maken (zie hierover CRvB 19-12-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3933). Als uit dit (verplicht) onderzoek volgt dat het in het kader van de participatie van de Wlz-cliënt noodzakelijk is dat hij de woning van bijvoorbeeld ouders kan bezoeken, dan wordt deze ondersteuningsbehoefte niet gedekt vanuit de Wlz. Het college moet dan afwegen of de omstandigheden van het geval aanleiding geven om hierin te voorzien door toekenning van een maatwerkvoorziening.

 

De gemeente waarin de Wlz-instelling zich bevindt, is verantwoordelijk voor het bezoekbaar maken van een woning. De CRvB oordeelt dat het college uitsluitend personen moet compenseren die in de betreffende gemeente woonplaats hebben. Bovendien kan een persoon niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats hebben. De vraag waar iemand woonplaats heeft, is afhankelijk van concrete feiten en omstandigheden. Doorgaans zal een bewoner van een Wlz-instelling woonplaats hebben in de gemeente waar de Wlz-instelling staat. Deze gemeente is dan verantwoordelijk voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening (zie CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285 voor een voorbeeld uit de Wmo 2007).

 

De verordeningsbepaling dat een woonvoorziening kan worden getroffen voor het bezoekbaar maken van één woonruimte indien de cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een Wlz-instelling, biedt volgens de CRvB geen ruimte om het wonen in een gewone woning op één lijn te stellen met verblijf in een Wlz-instelling (CRvB 22-09-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO0285). De CRvB vindt in de Wmo geen aanknopingspunten om daar anders over te denken dan onder de WVG en verwijst daarvoor naar CRvB 18-04-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA5310.

 

Tweede lid: Brancheorganisaties, patiëntenorganisaties en de VNG hebben afspraken gemaakt over het houden van hulpmiddelen die een client vanuit de Wmo thuis heeft en gaat verhuizen naar een Wlz-instelling en indien gewenst, thuis kunnen blijven staan. Deze hulpmiddelen blijven thuis staan voor zover zij redelijkerwijs niet vanuit de zorginstelling mee te nemen zijn naar huis wanneer iemand thuis logeert, bijvoorbeeld een tillift. De afspraken zijn d.d. 1 juli 2023 zijn dat hulpmiddelen thuis blijven staan als de client de intentie heeft minimaal 18 dagen per jaar thuis te logeren. Het betreft uitsluitend Wmo- hulpmiddelen die client reeds thuis heeft (in natura of pgb) op moment van verhuizing en redelijkerwijs vanuit zorginstelling niet mee te nemen zijn naar huis op moment van logeren. Het wel of niet kunnen meenemen beoordeelt de zorginstelling met de cliënt/vertegenwoordig, waar de woonsituatie wordt meegewogen. Een traplift is in feite geen hulpmiddel maar een woningaanpassing, maar ook hiervoor geldt dat deze nodig kan zijn om thuis te logeren. De traplift valt dan ook onder de regeling. Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen, scootmobielen en aangepaste fietsen) vallen niet onder deze landelijke afspraken. Onderhoud, reparatie en het vervangen van verstrekte hulpmiddelen thuis worden uitgevoerd door de Wmo.

 

Het derde lid is ook een uitzondering op artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Hierbij wordt ook verwezen naar artikel 8.6a van de wet. Hierin is opgenomen dat deze weigeringsgrond in 2015 niet bedoeld was voor Wlz-cliënten:

  • a.

    die thuis wonen en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel of een woningaanpassing hebben aangevraagd;

  • b.

    die zonder behandeling in een instelling verblijven en een maatwerkvoorziening inhoudende een hulpmiddel ter verbetering van hun mobiliteit hebben aangevraagd.

Het was bij inwerkingtreden van de Wmo2015 de bedoeling dat dat alleen in het jaar 2015 zou gelden. Het eerste lid is nog steeds van toepassing en deze uitzondering geldt nog steeds. Er is ook geen aanwijzing dat de wetgever deze zal intrekken. Als inzet van geïndiceerde Wlz-hulp de hulpvraag kan oplossen, hoeft er geen maatwerkvoorziening worden ingezet. Uit jurisprudentie ECLI:NL:RBNNE:2018:1358) blijkt dat ook onder de Wmo2015 verwacht mag worden dat gebruik gemaakt wordt van een bestaande voorziening waarop aanspraak bestaat. Uit een uitspraak van de CRvB (ECLI:NL:CRVB:2020:1747) blijkt dat dit zo ver gaat dat als de client aanspraak maakt op de inzet van zorgverleners bij bepaalde handelingen, hij niet in aanmerking komt voor voor een Wmo-voorziening waarmee hij deze handelingen weer zelfstandig zou kunnen verrichten.

Uit de uitspraak blijkt namelijk dat het college zicht rechtstreeks kan beroepen op artikel 2.3.5 derde lid van de wet, door te stellen dat er geen te compenseren belemmeringen zijn.

 

Tot slot moet worden opgemerkt dat het voor de Wlz-gerechtigden die zonder behandeling in een Wlz-instelling verblijven, hulpmiddelen ter verbetering van de mobiliteit vanaf 2020 onder de Wlz vallen (Koninklijk Besluit (Staatsblad 2019, nr. 438)).

 

Artikel 13. Inhoud beschikking

De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Uit de uitspraak van de CRvB (CRvB 8-10-2018 ECLI:NL:CRVB:2018:3241) volgt dat de beschikking voldoende geconcretiseerd moet zijn. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. In de beschikking voor een maatwerkvoorziening in pgb is aanvullende informatie vastgelegd, zoals gesteld in het tweede lid.

 

Eerste lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 6, eerste lid, onder b. Indien noodzakelijk worden ook de frequentie, taken en omvang in minuten opgenomen in de beschikking.

Eerste lid, onder c: onder ‘duur’ valt de termijn waarvoor is vastgesteld dat de maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de cliënt ter compensatie van de belemmeringen die cliënt ondervindt.

Eerste lid onder f: als een eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening geldt, neemt het college, indien van toepassing, ook de kostprijs van de maatwerkvoorziening in de beschikking op.

 

In het vierde lid wordt gesteld dat cliënten die een voorziening in bruikleen krijgen verstrekt, zich dienen te houden aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze in bruikleenovereenkomst zijn vastgelegd. De CRvB stelt (CRvB 17-05-2017, nr. 15/7135 Wmo) dat als dit in de Wmo-verordening is vastgelegd, dan is het niet nakomen van de verplichtingen uit een bruikleenovereenkomst, of beëindiging hiervan door de leverancier, een grond voor intrekking.

 

Artikel 14. Regels voor pgb

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In het eerste lid zijn de in artikel 2.3.6. lid 2 van de wet vastgestelde voorwaarden opgenomen waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze voorwaarden uit de wet zijn in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. In onderdeel b is vastgelegd dat het van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

 

In het tweede lid is vastgelegd welke informatie de cliënt moet opnemen in pgb-plan dat hij dient op te stellen bij de aanvraag van een persoonsgebonden budget. Het college gebruikt het pgb-plan om de aanvraag voor een pgb te toetsen. Een aantal zaken in het pgb-plan volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo2015 noemt in artikel 2.3.6 een aantal criteria om in aanmerking te komen voor een pgb. Door middel van het pgb-plan kan het college deze zaken toetsen.

 

In het derde lid is opgenomen dat onderdeel van het pgb-plan een schriftelijke machtiging en een verklaring van de cliënt en zijn vertegenwoordiger zijn. Hieruit moet blijken dat het beheer op een verantwoorde manier wordt uitgevoerd. De Wmo biedt de mogelijkheid om de ondersteuning zelf te regelen met een persoonsgebonden budget. Hierdoor is de cliënt in de mogelijkheid om zelf te bepalen wie de ondersteuning levert en onder welke voorwaarden. Het ontvangen van een pgb brengt ook verplichtingen met zich mee. De cliënt dient ervoor te zorgen dat de onderliggende administratie aan een pgb op orde is. Ook de zorgverlener dient zich ervan te vergewissen welke plichten het werken als pgb-zorgverlener met zich meebrengt. Bijvoorbeeld het opgeven van de inkomsten bij de belastingdienst.

In het vierde lid zijn voorwaarden vastgelegd waar een vertegenwoordiger aan moet voldoen om op verantwoorde wijze de aan het pgb verbonden taken te kunnen uitvoeren. Het college mag zich op het standpunt stellen dat een beoogde zorgverlener niet het pgb van de cliënt kan beheren omdat hij niet met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken zal kunnen vervullen (CRvB 27-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3761). .

Daarnaast is het van belang dat er bij de vertegenwoordiger geen sprake is van belangenverstrengeling (ECLI:NL:CRVB:2024:1557)en dat de vertegenwoordiger voldoende betrokken is bij cliënt om zicht te hebben op situatie.

 

In het vijfde lid is vastgelegd dat het pgb enkel en alleen is bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening en de eventuele instandhoudingskosten bij een voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel. Voorbeelden van kosten die niet gefinancierd mogen worden vanuit het pgb zijn opgenomen in onderstaande lijst:

  • a.

    kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

  • b.

    kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

  • c.

    kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

  • d.

    feestdagenuitkering;

  • e.

    reiskosten voor een zorgverlener;

  • f.

    bijkomende zorgkosten (ECLI:NL:CRVB:2021:269);

  • g.

    eenmalige uitkering;

  • h.

    kosten voor het aanvragen van een Verklaring Omtrent Gedrag;

  • i.

    kosten voor het lidmaatschap van Per Saldo;

  • j.

    kosten voor het volgen van cursussen over het pgb;

  • k.

    alle zorg en ondersteuning die onder een andere wet dan de Wmo valt;

  • l.

    alle zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorzieningen vallen;

  • m.

    eigen bijdragen;

  • n.

    mogelijk bijkomstige zorgkosten zoals,

    • I.

      een cursus die de zorgverlener volgt;

    • II.

      entreegeld, wanneer de zorgverlener de budgethouder begeleid bij bijvoorbeeld een bezoek aan een museum;

    • III.

      maaltijden/consumpties van de zorgverlener bij overwerk;

    • IV.

      wooninitiatief zorg, voor de woonkosten wanneer een aantal budgethouders samenwonen en er centraal zorg wordt ingekocht en/of geboden;

    • V.

      wooninitiatief enkel huis, voor de woonkosten als een aantal budgethouders samenwonen, maar de budgethouders zelf hun zorg regelen.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem ondersteunt bij het beheer van het pgb. Ook mogen er vanuit het pgb geen administratiekosten worden betaald. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wmo 2015. Hierin staat dat de eerste voorwaarde is dat het college de aanvrager in staat acht de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de zorgverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Uit het onderzoek zal moeten blijken of de budgethouder aan deze voorwaarde voldoet. De aanvrager kan zich laten vertegenwoordigen door iemand uit zijn sociale netwerk, een curator, een mentor of een gemachtigde. Het is niet de bedoeling dat de gemeente de kosten van de vertegenwoordiger, zoals een bemiddelingsbureau, financiert; het persoonsgebonden budget is daar niet voor bedoeld.

 

In het zevende lid is vastgelegd dat het niet mogelijk is om een pgb voor diensten via een vast maandbedrag uit te betalen aan de zorgverlener. Een pgb kan alleen op declaratiebasis worden uitbetaald. Hiermee wordt voorkomen dat een pgb ten onrechte maandelijks automatisch wordt uitbetaald terwijl er geen of minder ondersteuning is geleverd door bijv. vakantie of ziekte van de zorgverlener of cliënt.

 

In het achtste lid is vastgelegd dat als een cliënt budgetten heeft voor verschillende maatwerkvoorzieningen, hij niet op eigen initiatief tussen deze budgetten mag schuiven. Bijvoorbeeld door extra individuele begeleiding in te kopen vanuit het budget voor groepsbegeleiding. Wanneer cliënt wenst te schuiven tussen budgetten dient hiervoor toestemming te zijn van het college. Het college zal beoordelen of dit passend is en of de geïndiceerde ondersteuning nog passend is.

 

Op basis van het achtste lid is het mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stopgezet.

 

In het negende lid is vastgelegd dat het pgb binnen zes maanden moet worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt. Mocht dit niet haalbaar zijn, bijvoorbeeld als gevolg van lange levertijden, dient hiervoor vooraf toestemming te worden gevraagd aan het college. Wanneer het pgb niet binnen zes maanden wordt aangewend kan het pgb worden teruggevorderd door het college.

 

In het tiende lid is vastgelegd dat in spoedeisende gevallen conform artikel 2.3.3 van de Wet het verstrekken van een pgb niet mogelijk is. In artikel 2.3.3 van de wet is bepaald dat in spoedeisende gevallen alvast een voorlopige maatwerkvoorziening kan worden verstrekt in afwachting van het onderzoek. Omdat er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden is het niet mogelijk om in deze gevallen een pgb te verstrekken. Tijdens het onderzoek heeft het college immers pas de plicht de betrokkene te informeren over de mogelijkheid om voor een pgb te kiezen en over de gevolgen van die keuze. En tijdens het onderzoek zal het college bepalen of de betrokkene die een pgb wenst, aan de gestelde voorwaarden voor een pgb kan voldoen.

 

Artikel 15. Hoogte van een pgb

Dit artikel berust op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn (ECLI:NL:CRVB:2017:1803 en ECLI:NL:CRVB:2020:2975). Het betreft de substantiële materiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s, die iedere keer als uitgangspunt genomen wordt. Een op basis van deze berekeningswijze vastgesteld budget moet de cliënt in staat stellen de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren van derden te betrekken (artikel 2.3.6, eerste lid, van de wet).

 

In het tweede lid is vastgelegd dat de maximale hoogte van een pgb is begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Een pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of een andere maatregel die tot een maatwerkvoorziening behoren, wordt indien nodig aangevuld met een budget voor onderhoud, reparatie en verzekering, de instandhoudingskosten. De hoogte van het pgb hoeft niet toereikend te zijn om de maatwerkvoorziening aan te kunnen schaffen bij een andere aanbieder dan de door de gemeente gecontracteerde aanbieder (ECLI:NL:CRVB:2020:456)

 

In het derde lid is vastgesteld hoe wordt bepaald wat de maximale hoogte van een pgb is voor een tweedehandsvoorziening. De maximale hoogte hangt af van de kostprijs van de in de situatie van client goedkoopst adequate voorziening en de leeftijd van de voorziening. De omvang van een pgb voor een tweedehands voorziening wordt gebaseerd op de goedkoopst adequate individuele voorziening in natura, mits de cliënt met dit bedrag dan ook daadwerkelijk de voorziening kan aanschaffen bij een leverancier. De maximale omvang van het pgb voor een tweedehandsvoorziening wordt naar rato berekend op de verkorte termijn waarop de zaak technisch is afgeschreven (gebruiksduur). Deze termijn wordt gebaseerd op het door cliënt aangetoonde bouwjaar.

 

In het vierde lid is bepaald dat voor diensten onderscheid wordt gemaakt in de tarifering tussen professionele hulp en hulp uit het sociaal netwerk. Het uitgangspunt is dat bij het vaststellen van de hoogte van het pgb eerst wordt vastgesteld of inzet van professionele hulp noodzakelijk is. Als dat het geval is wordt altijd het tarief voor professionele hulp toegekend. Dit kan vanwege de ondersteuningsbehoefte van client of omdat hulp uit het sociaal netwerk niet beschikbaar is. Als inzet van professionele hulp niet noodzakelijk is en er is hulp uit het sociaal netwerk beschikbaar, niet zijnde mantelzorg, dan wordt het tarief voor hulp uit het sociaal netwerk toegekend. Bij hulpverlening door een persoon uit het sociaal netwerk, is altijd sprake van informele hulp en het daarbij behorende tarief. Ook al gaat het om een zorgverlener die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals vastgesteld in de nadere regels pgb. De achtergrond daarvan is dat ook bijvoorbeeld familieleden of vrienden met een zorggerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder (ECLI:NL:CRVB:2021:2175). Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Hulp uit het informele netwerk is alle hulp die geboden wordt door personen uit het sociaal netwerk van de cliënt of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen (ECLI:NL:CRVB:2021:1999).

 

Ten aanzien van het vierde lid onder b is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Vaak is er bij hulp door het sociale netwerk sprake van mantelzorg. Mantelzorg is vrijwillige, onbetaalde zorg. Mantelzorg is dus niet verplicht. Als een hulpverlener betaald wil worden voor zijn inspanningen is er geen sprake van mantelzorg. Maar geeft de hulpverlener uit het sociale netwerk aan dat hij zonder vergoeding de hulp ook blijft verlenen, dan is er wel sprake van mantelzorg. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot hulp uit het sociale netwerk wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten. Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is het van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet).

 

In het vijfde lid is gedefinieerd wat onder professionele hulp wordt verstaan.

 

Het zesde en zevende lid onder a bepalen de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het sociale netwerk. Voor professionele hulp geldt het hogere pgb-tarief gebaseerd op de kostprijs van vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura. Voor hulp uit het sociale netwerk geldt het wettelijk minimum(uur)loon (Wml). Dit is conform een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep d.d. 30 september 2025. De Raad oordeelt dat het gebruik van het wettelijk minimumloon als norm voor het inkopen van ondersteuning bij een persoon die tot het sociale netwerk behoort is toegestaan (ECLI:NL:CRVB:2025:1380 en ECLI:NL:CRVB:2025:1276).

 

In lid 7 onder b is vastgelegd dat de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor het sociale netwerk ook kan bestaan uit een tegemoetkoming, al dan niet aangevuld met een onkostenvergoeding. Dit betreft de ministeriële regeling voor hulp uit het sociale netwerk (te betalen uit een pgb) als bedoeld in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015. De hoogte van de onkostenvergoeding is gebaseerd op belastingvrije reiskosten over een maximum van 156 dagen (3 dagen per week over een periode van 52 weken per jaar) en is gelinkt naar de dagelijkse reisafstand met een maximum van 150 kilometer per dag. De maandelijkse onbelaste reiskostenvergoeding wordt op de volgende manier berekend: 156 x de dagelijkse reisafstand x belastingvrije reiskosten x deeltijdfactor, gedeeld door 12 maanden. 156 is het aantal werkdagen per jaar waarover de cliënt reiskosten mag vergoeden. De dagelijkse reisafstand (heen- en terugreis bij elkaar opgeteld) mag maximaal 150 kilometer zijn. De deeltijdfactor hangt af van het aantal dagen dat de zorgverlener bij de cliënt werkt. Het aantal werkdagen per week is maximaal 3.

 

Artikel 16. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.

 

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

 

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

 

Artikel 17. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.

 

In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in de verordening passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt.

 

In het eerste lid is vastgelegd voor welke maatwerkvoorziening een eigen bijdrage wordt opgelegd, te weten alle maatwerkvoorzieningen en pgb’s.

 

In het tweede lid is de hoogte van de eigen bijdrage vastgelegd. Hierbij wordt verwezen naar de artikelen in de wet waar dit is vastgelegd.

 

De wet verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet). In het derde lid is uitgelegd hoe de kostprijs tot stand komt.

 

In het vierde lid is vastgelegd in welke situaties en welke voorzieningen zijn vrijgesteld van de bijdrage:

  • -

    Voor zorgmijders bestaat de mogelijkheid de eigen bijdrage de eerste zes maanden van zorgverlening niet te innen. Dit is vastgelegd in het vierde lid onder a. Deze periode kan worden verlengd wanneer de situatie hierom vraagt, bijvoorbeeld wanneer inzet van bemoeizorg noodzakelijk is om verdere zorgmijding te voorkomen. Dit betreft zorgmijdende cliënten waarvoor bemoeizorg om Wmo-ondersteuning vraagt en waarvan zij het nodig acht dat het niet innen van de eigen bijdrage noodzakelijk is. Dit volgt uit het Besluit van 6 december 2017 (Stb. 2017, nr. 481) waarin een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen voor een verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte bij het opleggen van de bijdrage voor een cliënt. In de toelichting op het wijzigingsbesluit is opgenomen dat middels dit besluit o.a. wordt geregeld dat het college de bevoegdheid heeft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (niet zijnde opvang en beschermd wonen in natura) in een individueel geval op nihil te laten vaststellen in situaties dat wanneer de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving.

    Indien gewenst kan vanaf 1 januari 2023 de vrijstelling van de eigen bijdrage voor zorgmijders met terugwerkende kracht (tot maximaal 36 maanden) ingaan (wijzigingsbesluit van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, Staatsblad 2022/346).

  • -

    Daarnaast is in het derde lid onder b opgenomen dat cliënten die in een hospice verblijven geen eigen bijdrage voor de huishoudelijke ondersteuning betalen die zij in het hospice ontvangen gedurende hun verblijf in het hospice. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten in hun laatste levensfase moeten worden onderworpen aan een toetsing voor de noodzaak van de inzet van de ondersteuning door het college.

  • -

    Woningaanpassingen voor jeugdigen zijn eveneens vrijgesteld, omdat deze kosten door de ouder(s)/verzorger(s) betaald dienen de te worden. Zij hebben vaak al hogere kosten voor hun kinderen als gevolg van hun beperking.

  • -

    Voorzieningen in een algemene ruimte, zoals deurdrangers in de hal van een wooncomplex, zijn vrijgesteld, omdat van dergelijke voorzieningen door meerdere bewoners gebruik wordt gemaakt.

  • -

    tegemoetkomingen zijn vrijgesteld, zoals verhuis- en inrichtingskosten, omdat dit niet past bij het karakter van een tegemoetkoming, die niet persé kostendekkend hoeft te zijn.

  • -

    rij- of gewenningslessen voor scootmobiel of rolstoelvoorziening zijn vrijgesteld, omdat deze worden uitgevoerd voorafgaand aan de verstrekking van een maatwerkvoorziening. Kosten die bijkomstig zijn aan een rolstoelvoorziening zijn daarnaast wettelijk uitgesloten van het innen van een eigen bijdrage.

  • -

    aanpassingen aan eerder verstrekte woonvoorzieningen en vervoersvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat de kosten van de aanpassingen al zijn opgenomen in de oorspronkelijke aanschafprijs;

  • -

    onderhoud, reparatie, keuring en verzekering van voorzieningen zijn ook vrijgesteld, omdat de kostprijs alleen bepaald wordt aan de hand van de aanschafprijs;

  • -

    Sportvoorzieningen zijn vrijgesteld, omdat deze voorzieningen ook een positieve bijdrage leveren aan een gezondere leefstijl;

  • -

    Tot slot zijn de woningaanpassingen die behoren tot de standaarduitrusting van een ADL-clusterwoning uitgesloten, omdat deze woningaanpassingen in de woning aanwezig dienen te zijn. Als deze vervangen moeten worden, omdat ze technisch afgeschreven zijn, hoeft hier geen eigen bijdrage door de bewoner van de ADL-cluster-woning te worden betaald.

In het vijfde en zesde lid is vastgelegd wanneer de eigen bijdrage gepauzeerd kan worden. Om de eigen bijdrage te kunnen pauzeren dient de onderbreking van ondersteuning tenminste 31 dagen of een volledige kalendermaand te bedragen. Als de onderbreking korter is wordt de eigen bijdrage niet gepauzeerd.

 

In het zevende lid is bepaald dat bij het collectief aanvullend vervoer voor sociaal recreatief vervoer een bijdrage in de kosten gevraagd wordt voor algemeen gebruikelijke kosten. In artikel 2.1.4a van de wet is de maximale bijdrage die voor een maatwerkvoorziening gevraagd mag worden bepaald. Hiervan mag echter worden afgeweken als het gaat om een vervoersvoorziening. Dat moet dan wel in een verordening worden vastgelegd (artikel 3.8, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). De hoogte van de bijdrage in de kosten voor het collectief aanvullend vervoer is vergelijkbaar met de kosten voor het regionale openbaar vervoer voor de afgelegde ritten.

 

In het achtste lid is bepaald dat de bedragen voor de bijdragen in de kosten voor collectief aanvullend vervoer jaarlijks worden geïndexeerd aan de hand van de LTI-index. Dit is de Landelijke Tarief Index (LTI) die wordt gebruikt om tarieven in het OV aan te passen.

 

In het negende lid is vastgelegd dat wanneer tijdens de rit medische begeleiding vereist is, de cliënt één begeleider gratis kan mee laten reizen. De criteria voor noodzakelijke medische en (psycho)sociale begeleiding tijdens de rit zijn:

  • -

    er is medische zorg noodzakelijk tijdens de rit, bijvoorbeeld het moeten toedienen van medicatie (oraal) of het bedienen van medische apparatuur, en/of;

  • -

    er sprake is van aantoonbare gedragsproblemen of angst bij de cliënt die door de begeleiding weggenomen of verminderd wordt, en/of;

  • -

    er is tijdens de rit ADL- hulp noodzakelijk; dit zijn eenvoudige verzorgende handelingen, zoals bijvoorbeeld het afvegen van mond en neus bij een gestoorde handfunctie.

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit, veiligheid en rechtmatigheid

 

Artikel 18. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. Dit artikel geldt voor zowel gecontracteerde ondersteuning als ondersteuning die door cliënt wordt ingekocht met een pgb.

 

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Overige eisen zijn gewaarborgd in het inkooptraject voor de maatwerkvoorzieningen.

 

In het tweede lid is vastgelegd dat het college nog nadere regels kan vaststellen met verdere eisen aan de kwaliteit van voorzieningen in natura, waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

 

Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.

 

In het vierde lid is dit vastgelegd voor ondersteuning die wordt ingekocht door cliënten met een pgb. Dit lid vloeit voort uit de wet waarin is vastgelegd dat een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Het college kan in de nadere regels kwaliteitseisen vastleggen voor een pgb. Zo weet een budgethouder beter wat de toetsingscriteria van de gemeente zijn.

 

Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

 

Artikel 19. Toezicht kwaliteit

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de wet, heeft het college een toezichthouder kwaliteit aangewezen die belast is met het houden van toezicht en de naleving van het bepaalde bij de Wmo, te weten GGD Rotterdam.

 

Om de toezichthouder in staat te stellen meldingen goed te onderzoeken en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld effectief te doen zijn, worden regels gesteld over het bij de toezichthouders melden van calamiteiten en geweld jegens cliënten; in die regels zal het met name gaan om het ‘handen en voeten’ geven aan de meldplicht. In aanvulling hierop is in het tweede lid vastgelegd dat aanbieders actief melding maken bij deze toezichthouder in het geval van calamiteiten en geweld.

 

Aanbieders dienen aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening zijn bevoegdheden. In artikel 6.1, tweede lid, van de wet, is vastgelegd dat de toezichthouder voor zover de vervulling van zijn taak dit noodzakelijk maakt, bevoegd is tot inzage van dossiers. Indien de verkregen informatie gegevens bevat waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt deze geheimhoudingsverplichting ook voor de toezichthouder, zoals opgenomen in artikel 6.1, derde lid, van de wet.

 

Artikel 20. Toezicht en handhaving rechtmatigheid

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels gesteld moeten worden voor de bestrijding of ter voorkoming van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

 

Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.

 

In het eerste lid is vastgelegd dat het college een toezichthouder aanwijst die zorgdraagt voor de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo-gelden.

 

In het tweede lid is vastgelegd dat er periodiek een uitvoeringsplan wordt vastgesteld door het college dat in elk geval omvat de wijze waarop het proces van toezicht en handhaving is ingericht en de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet. De reden dat gekozen is voor de term “periodiek” is dat op dit moment het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid nog in ontwikkeling zijn. Daardoor wordt er op dit moment nog ieder jaar een nieuw uitvoeringsplan opgesteld. De verwachting is dat als er een solide basis is, het uitvoeringsplan voor langere termijn kan worden vastgesteld.

 

In het derde lid is vastgelegd dat het college nadere regels kan opstellen voor het toezicht en de handhaving op rechtmatigheid en het voorkomen van zorgfraude, waaronder welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast. Dit behoort niet tot de essentialia die vastgelegd dienen te worden in de Verordening.

 

Artikel 21. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Het college kan besluiten de uitvoering van de Wmo 2015 door derden te laten verrichten. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening, verplicht artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 de gemeenteraad hierover regels te stellen in de verordening. Bij het stellen van die regels moet door de gemeenteraad rekening worden gehouden met de vereiste deskundigheid van het in te schakelen personeel en de arbeidsvoorwaarden van dat personeel. De Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad tot het stellen van regels voor een goede verhouding tussen de prijs en de kwaliteit van een voorziening. De AMvB ‘reële prijs Wmo 2015’ regelt nader hoe een reëel kostprijs moet worden vastgesteld. Doel van de AMvB is dat het college een reële prijs vaststelt voor diensten die in opdracht van het college door derden worden verleend, zodat de kwaliteit en continuïteit van deze diensten kunnen worden gewaarborgd door het gemeentebestuur en de gecontracteerde aanbieders. De AMvB stelt hiertoe nadere regels aan de al in de Wmo opgenomen verplichtingen om een reële prijs te hanteren. De bepaling van een reële prijs voor een voorziening wordt met dit- besluit geregeld door de kostprijselementen waar het college een reële prijs op moet baseren, vast te leggen. In het tweede lid van artikel 2.6.6 is vastgelegd dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld om deze verplichting van de gemeenteraad en het college nader te kunnen concretiseren.

 

De gemeente dient een reële prijs te betalen voor een Wmo-dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen aan de kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de aanbieder kan voldoen aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. De prijs die het college betaalt voor een dienst moet het ten minste mogelijk maken dat een aanbieder kan voldoen aan de door de gemeenteraad gestelde eisen aan de kwaliteit en deskundigheid en continuïteit kan leveren in de dienstverlening aan de cliënt en kan voldoen aan de kwaliteitseisen die op grond van artikel 3.1 van de Wmo 2015 op de aanbieder zien, zoals het veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht werken, afgestemd op de behoeften van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt.

 

De gemeenteraad dient in ieder geval in de verordening vast te leggen dat het college een reële prijs vaststelt voor Wmo-diensten. De reële prijs geldt als ondergrens voor het geval het college een vaste prijs hanteert voor aanmeldingen en dienstverlening van aanbieders of als het college een minimumprijs instelt voor aanmelding en dienstverlening van aanbieders.

Het college dient een reële prijs vast te stellen overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst. Het college dient tevens bij de vaststelling van een reële prijs rekening te houden met de continuïteit in de zorgverlening. Dit met het oog op de effectiviteit van de inzet van maatschappelijke hulp en de resultaten op het gebied van versterking van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.

 

Een reële prijs bestaat uit zogenoemde kostprijselementen. Een reële prijs wordt gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs.

 

Het college kent een contractvrijheid. Het college dient toe te zien op alle opdrachten die door hen worden verleend voor diensten door derden in het kader van de Wmo 2015 (zie Gemeentewet). De bestaande praktijk bestaat uit aanbieders die medewerkers in dienst hebben, beroepskrachten die als zelfstandigen zonder personeel diensten verrichten voor aanbieders en zelfstandigen zonder personeel die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het verlenen van een dienst hebben verbonden. In het laatste geval is de zelfstandige de aanbieder.

 

Het college is verantwoordelijk voor een gelijk speelveld voor aanbieders en een eerlijke kans voor aanbieders op het verkrijgen van opdrachten voor het verlenen van diensten van maatschappelijke ondersteuning. Dit is gewaarborgd in het inkooptraject open-house voor de Wmo-diensten alsook de Europese aanbesteding voor Wmo-voorzieningen.

 

Een zorgvuldig inkoopproces vraagt inzicht in de reële kosten die aanbieders van maatschappelijke ondersteuning maken bij het verlenen van diensten die voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van kwaliteit van de voorziening en de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Van aanbieders wordt verwacht dat zij kwalitatief goede hulp bieden, rekening houden met de continuïteit van de ondersteuning, handelen in lijn met de uitgangspunten van goed werkgeverschap, de Wet werk en zekerheid, de Wet normering topinkomens en handelen naar de afspraken die zijn gemaakt in het sociaal akkoord tussen werkgevers, werknemers en de regering. Aanbieders zijn tevens gehouden aan de regels van de Mededingingswet. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) controleert of aanbieders de concurrentie beperken. Bij overtreding kan de ACM een boete of andere straf opleggen.

 

In hoofdzaak gaat het erom dat het college tot een reële prijs komt in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid. Dit vraagt om een zorgvuldig proces van de zijde van de gemeente en openheid van aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst.

Het toepassen van innovatie om nieuwe ondersteuningsvormen voor cliënten mogelijk te maken is een belangrijke opdracht voor gemeenten die voortvloeit uit de Wmo 2015. Bij het vaststellen van de kwaliteitseisen voor een voorziening, waarop de reële prijs is gebaseerd, wordt het kostprijselement «loon», gebaseerd op de geldende arbeidsvoorwaarden. Met overige kostprijselementen, zoals «overhead», kan het college de beleidsruimte benutten om te komen tot innovatie (zowel kwalitatief als kwantitatief).

Hierbij valt te denken aan het samenstellen van nieuwe innovatieve diensten. De keuzes die gemeenten maken op het gebied van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe ondersteuningsvormen verschillen van gemeente tot gemeente. Differentiatie in het ondersteuningsaanbod is beoogd met de Wmo 2015 en leidt tot verschillende prijzen voor verschillende voorzieningen/diensten. Op basis van een reële prijs kunnen ook andere financieringsvormen overeengekomen worden, zoals resultaatfinanciering of populatiebekostiging. Ook in die gevallen zal een prijs moeten worden vastgesteld op basis van reële kostprijselementen.

 

Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

 

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.

 

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang

 

Artikel 23. Beschermd wonen en opvang

De gemeente heeft gelet op de bepalingen in artikel 10 van de Algemene wet bestuursrecht en in de Wmo 2015, in het bijzonder de bepalingen inzake de afhandeling van aanvragen voor beschermd wonen als gedefinieerd omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid van de wet (en de geldende verordening) besloten dat de gemeente Rotterdam Centrumgemeente in het kader van de wet de taken op het gebied van beschermd wonen uitvoert voor inwoners van Rotterdam en de gemeente Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk en Lansingerland (hierna: de regiogemeenten). De gemeente Rotterdam ontvangt als Centrumgemeente middelen van de regiogemeenten om samen met de regiogemeenten in deze gemeenten te zorgen voor de invulling van beschermd wonen en opvang voor die burgers die daarvoor in aanmerking komen in het kader van de wet.

De regiogemeenten en de Centrumgemeente hebben hiervoor de nodige samenwerkingsafspraken gemaakt, die voor de periode 2022-2026 zijn vastgelegd in een regionaal beleidsplan. Op basis van deze samenwerkingsafspraken en de door de regiogemeenten genomen mandaat- en machtingsbesluiten voert het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in mandaat het beleid en de regels voor toekenning van de voorzieningen op het gebied van beschermd wonen uit. Onderdeel van die samenwerkingsafspraken is dat bij de afhandeling van de aanvragen voor beschermd wonen in de regiogemeenten, zo veel mogelijk het beleid van de gemeente Rotterdam wordt gevolgd om zo de rechtsgelijkheid te bevorderen en te vermijden dat gelijke gevallen leiden tot verschillende uitkomsten per gemeente. Het wordt beoogd deze praktijk te formaliseren door in de verordeningen van de regiogemeenten de relevante bepalingen uit de Rotterdamse regelgeving over beschermd wonen op te nemen.

 

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

 

Artikel 24. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorgdraagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een behoefte aan ondersteuning hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

 

De Stichting Welzijn Capelle (SWC) heeft van de gemeente de opdracht gekregen uitvoering te geven aan de mantelzorgwaardering in onze gemeente. De waardering bestaat uit het beschikbaar stellen van een VVV-cadeaukaart.

 

Artikel 25. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Deze bepaling betreft de uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet waarin ter gedeeltelijke vervanging van de voormalige Wtcg en CER is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat het college kan besluiten aan een persoon met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen en noodzakelijke meerkosten hebben in deze meerkosten tegemoet te komen.

In het eerste lid is opgenomen dat er geen financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt aan personen met een beperking of chronisch probleem. Om personen met een beperking of chronisch probleem toch tegemoet te komen is in het tweede lid opgenomen dat zij (deels) kunnen worden gecompenseerd in de meerkosten door de aanvullende collectieve zorgverzekering van de IJsselgemeenten. Om hiervoor in aanmerking te komen gelden criteria die door de IJsselgemeenten zijn opgesteld.

 

HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

Artikel 26. Klachtregeling

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

 

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald datin de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot naleving van de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 27. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3., tweede lid onder e van de wet, waarin is vastgelegd dat in iedere geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de cliënten van belang zijn. In dit artikel gaat het dus over medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels voor welke voorzieningen dit geldt aan de gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is opgenomen dat dit geldt voor alle voorzieningen en in het tweede lid zijn een tweetal instrumenten opgenomen waarmee het college kan toezien op de naleving van de verplichting tot medezeggenschap.

 

Artikel 28. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

 

Er is verwezen naar de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen binnen het sociaal domein. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

 

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

 

Artikel 29. Nadere regels en hardheidsclausule

Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden.

 

Artikel 30. Inwerkingtreding en overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. Daarnaast is er een overgangsregeling voor pgb’s voor een dienst, verleend door een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Deze overgangsregeling zorgt ervoor dat de hoogte van een pgb voor op 1 januari 2026 reeds lopende indicaties wordt bepaald op basis van deze verordening.

Naar boven