1e wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand Helmond 2023

Het college van de gemeente Helmond;

 

Gelet op:

  • -

    artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    artikel 35, 48 en 55 van de Participatiewet;

B e s l u i t:

Vast te stellen de 1e wijziging van de Beleidsregels bijzondere bijstand Helmond 2023.

Artikel I Inhoud van de wijziging

  • A.

    B014 - Bijstand voor reiskosten bezoek gedetineerde wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje: “Hoogte en vorm bijzondere bijstand” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Het college gaat uit van de goedkoopste en adequate manier van reizen. Dit kan het Openbaar Vervoer 2de klas zijn of het reizen per auto op basis van een kilometervergoeding zoals de Belastingdienst deze kent in de Wet op de Loonbelasting.

     

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt verder vastgesteld op één bezoek per week voor één persoon. De bijzondere bijstand kan naar keuze ook worden besteed aan één bezoek per twee weken door twee personen, één bezoek per drie weken door drie personen, enzovoort. De bijzondere bijstand wordt volgens de hoofdregel, om niet (art. 48 lid 1 van de Participatiewet), verleend.

    In afwijking van het voorgaande, mogen minderjarige kinderen wekelijks met de bezoekende persoon meereizen om hun gedetineerde ouder(s) te bezoeken.

  • B.

    B063 - Draagkrachtpercentages wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje “Draagkracht uit inkomen” wordt de tekst als volgt aangepast:

     

    Om de draagkracht uit het inkomen vast te stellen wordt uitgegaan van de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag. De kostendelersnorm als bedoeld in artikel 22a van de Participatiewet is bij het vaststellen van de draagkracht niet van toepassing. De volgende percentages zijn in beginsel van toepassing:

    • Een inkomen tot 130% van de toepasselijke bijstandsnorm (sociaal minimum) wordt als draagkrachtloos inkomen beschouwd.

    • Bij een inkomen boven 130% van de toepasselijke bijstandsnorm wordt 100% van het inkomen boven 130% van de toepasselijke bijstandsnorm als draagkracht beschouwd.

  • Let op: Het kan zijn dat voor een bepaalde kostensoort een afwijkend draagkrachtpercentage geldt. Is dat het geval dan is dat vastgelegd is de betreffende beleidsregel over deze kostensoort. In dat geval geldt het percentage voor die desbetreffende kostensoort in afwijking van voornoemde percentages.

  • C.

    B064 - Draagkrachtperiode bijzondere bijstand wordt als volgt gewijzigd:

    De tekst onder het kopje “Afwijkende draagkrachtperiode doelgroepen” komt als volgt te luiden:

     

    In beginsel geldt als hoofdregel dat; “de draagkracht wordt vastgesteld voor een periode van 12 maanden” als er sprake is van aanwezige draagkracht uit inkomen of vermogen.

     

    Het college kan ten aanzien van de volgende personen afwijkende regels hanteren bij het vaststellen van de draagkrachtperiode.

    • 1)

      Personen met (aanvullende) bijstand voor de kosten van het levensonderhoud op grond van de Participatiewet: Voor deze groep wordt de draagkrachtperiode in beginsel vastgesteld voor onbepaalde tijd indien en zolang zij recht hebben op de bijstandsuitkering én zich naar verwachting geen wijzigingen (zullen) voordoen die dat recht beïnvloeden. Denk bijvoorbeeld aan: een verhuizing, een samenwoning of het bijna bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Er zijn meer voorbeelden denkbaar. Het kan dus voorkomen dat op grond van voorzienbare omstandigheden geen draagkrachtperiode voor onbepaalde tijd wordt toegekend.

    • 2)

      Voor personen die een uitkering ontvangen op grond van de IOAW, IOAZ, IOW, Bbz, Wajong, WIA, WAZ, WAO, Anw en/of AOW, die niet over draagkracht beschikken, wordt de draagkrachtperiode in principe vastgesteld voor de duur van drie jaar. Deze periode begint op de eerste van de maand waarin de kosten opkomen. Ook voor deze personen geldt dat er een afwijkende draagkrachtperiode kan worden vastgesteld als dit nodig is vanwege voorzienbare omstandigheden.

  • D.

    B079 - Hoogte bijzondere bijstand 18 t/m 20-jarigen niet in inrichting

    Deze richtlijn komt in zijn geheel te vervallen.

  • E.

    B085 – Maaltijdvoorziening wordt als volgt gewijzigd:

    Het gestelde onder het kopje “hoogte bijzondere bijstand” komt te luiden:

     

    De hoogte van de bijzondere bijstand bedraagt € 0,66 voor een voorgerecht, € 5,10 voor een hoofdgerecht en € 0,66 voor een nagerecht.

  • F.

    B085 – Maaltijdvoorziening wordt als volgt gewijzigd:

    Het kopje 'overgangsrecht' alsmede de tekst daaronder, komt te vervallen.

  • G.

    B089 - Reiskostenvergoeding bij uitstroom naar arbeid (einde uitkering Werkbedrijf Senzer ) wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje: “Hoogte van de bijzondere bijstand” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    De bijzondere bijstand bedraagt de reiskosten woon-werk onder aftrek van de vergoeding door de werkgever. Uitgegaan wordt van de goedkoopst adequate voorziening. Dit kan het Openbaar Vervoer 2e klas zijn of het reizen per auto op basis van een vergoeding zoals de Belastingdienst deze kent in de Wet op de Loonbelasting.

  • H.

    B091 – Reiskostenbezoek zieke familieleden wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje ‘Hoogte en vorm bijzondere bijstand’ komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Het college gaat uit van de goedkoopst adequate voorziening. Dit kan reizen met het Openbaar Vervoer 2e klas zijn of het reizen per auto op basis van een vergoeding conform vergoeding zoals de Belastingdienst deze kent in de Wet op de Loonbelasting.

     

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt in principe vastgesteld op één bezoek per week voor één persoon. Let wel er kunnen bijzondere omstandigheden zijn waardoor hiervan kan worden afgeweken. Denk bijvoorbeeld aan een terminaal ziek kind waar de ouders op bezoek willen. De vaststelling van de frequentie van het aantal bezoeken is een maatwerkbeoordeling.

  • I.

    B101 - Duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje “Hoogte bijzondere bijstand” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Het college mag in beginsel uitgaan van de goedkoopst adequate voorziening (CRvB 04-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BO9899).

     

    De volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

    • Voor de hoogte van de bijzondere bijstand voor een complete woninginrichting wordt uitgegaan van geïndexeerde bedragen. Hieraan ligt het idee ten grondslag dat niet alle gebruiksgoederen - zoals dat bij de Nibud-Prijzengids wel gebeurt - deel uit hoeven te maken van een complete woninginrichting. Tevens kan van belanghebbende verwacht worden dat sommige goederen tweedehands aangeschaft worden.

      Bedragen complete woninginrichting bij bewoning door:

      • o

        Alleenstaande kamerbewoner € 2.220,-

      • o

        Alleenstaande zelfstandig gehuisvest € 4.266,-

      • o

        Gehuwden/samenwonenden of alleenstaande met 1 kind € 7.164,-

      • o

        Per extra kind € 1.079,-

      • o

        Maximale vergoeding voor een complete inrichting € 10.542,-

    • Aandachtspunt bij het gebruik van deze richtprijzen is dat het college zich er in voorkomende gevallen wel van moet vergewissen dat de gehanteerde richtprijzen in het concrete geval een reëel bedrag aan bijzondere bijstand oplevert.

    • Indien het niet gaat om een complete woninginrichting, dan kan het college de hoogte van de bijzondere bijstand vaststellen op basis van:

      • o

        de Nibud richtprijzen; of

      • o

        Afwijken van de Nibud richtprijzen door tweede handsrichtprijzen te hanteren. Denk aan een regulier winkelaanbod zoals Ikea of tweedehands bij de Kringloop of op internet via bijvoorbeeld Markplaats. Wel moet in die gevallen duidelijk zijn dat het betreffende duurzame gebruiksgoed in ieder geval beschikbaar is voor een bepaalde prijs. Omdat de bijzondere bijstand in het algemeen als lening wordt verstrekt, is het belangrijk dat belanghebbenden zich nog beter realiseren dat deze bijstand ook moet worden terugbetaald. Eenvoudig gezegd: hoe lager de bijzondere bijstand hoe sneller deze kan worden terugbetaald. Naast dit financiële aspect kan het college zo nodig voorlichting geven over de wijze waarop de tweedehands goederen gekocht kunnen worden.

    • Nibud richtprijzen: Indien belanghebbende kan aantonen dat de richtprijs voor het duurzame gebruiksgoed niet toereikend is, kan aanvullende bijzondere bijstand worden bezien. Wordt de noodzaak van de meerkosten ten opzichte van de richtprijzen niet door belanghebbende aangetoond, dan is het college niet gehouden een hogere vergoeding te verstrekken dan de vergoeding conform de richtprijzen (zie CRvB 19-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6011).

  • J.

    B137 - In aanmerking te nemen middelen voor draagkracht wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje “Hoogte bijzondere bijstand” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Bijzonderheden

    Er kunnen nog andere vrijlatingen van toepassing zijn. Die worden hierna genoemd.

     

    Saldo lopende rekening bij vermogensvaststelling

    De saldi op alle lopende rekeningen van belanghebbende, eventuele echtgenoot of partner en eventuele minderjarige kinderen op de datum waarop het recht op bijstand aanvangt, behoren tot het vermogen. Dit geldt ook voor tegoeden op spaarrekeningen. Bij de vaststelling van het vermogen bij een aanvraag om bijzondere bijstand wordt, van het saldo van alle lopende betaal- en spaarrekeningen, éénmaal de van toepassing zijnde bijstandsnorm vrijgelaten, waarbij geldt dat:

    • -

      Als de saldi negatief zijn, er geen vrijlating plaatsvindt;

    • -

      Als de saldi lager zijn dan de van toepassing zijnde bijstandsnorm, de saldi op € 0,00 worden gesteld.

  • Wijze van korten van inkomsten i.v.m. kamerhuurders/kostgangers

    In beleidsregel B063 is vastgesteld dat, bij de bepaling van het recht op bijzondere bijstand, geen rekening wordt gehouden met de kostendelersnorm. Is echter sprake van kamerverhuur of kostgangers (commerciële relatie), dan worden de inkomsten die hieruit voortvloeien in aanmerking genomen als inkomen.

     

    Van een commerciële relatie is sprake als bij de huisvesting én bij het zorgdragen voor elkaar, geen financiële verstrengeling optreedt. Dit omdat aan zowel het gebruik van de woonruimte als bij het voeren van de huishouding een zakelijke relatie ten grondslag ligt. Er moet voor beide te leveren prestaties een prijs afgesproken zijn én worden betaald. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Dit laatste houdt ook in dat de prijs hiervoor periodiek wordt aangepast. De betaling van de commerciële prijs moet kunnen worden aangetoond. Verder kan alleen sprake zijn van een commerciële relatie als de kostganger of (kamer)huurder beschikt over minimaal één ruimte die geschikt is voor afzonderlijke, zelfstandige bewoning.

     

    Bij tijdelijk verblijf in opvanginstellingen en beschermde woonvormen wordt geacht sprake te zijn van een commerciële relatie.

    Als er sprake is van een commerciële relatie wordt met de inkomsten hieruit als volgt rekening gehouden:

    • 1.

      De inkomsten uit kamerverhuur worden maandelijks vermindert met het bedrag voor de kosten van de nutsvoorzieningen voor een kostganger, omgerekend naar een maandbedrag per persoon. Het restant van de inkomsten uit kamerhuur wordt als inkomen in aanmerking genomen.

    • 2.

      De inkomsten uit kostgangerschap worden maandelijks vermindert met het normbedrag voor de kosten van de nutsvoorzieningen en voor de maaltijden voor kostgangers omgerekend naar een maandbedrag per persoon.

    • 3.

      Het restant van de inkomsten uit kamerhuur wordt als inkomen in aanmerking genomen. Het normbedrag voor nutsvoorzieningen voor kostgangers is opgenomen in de bijlage normbedragen van de Recofa-richtlijnen. De Recofa-richtlijnen zijn de richtlijnen voor faillissementen en surseances van betaling, opgesteld door het landelijk overlegorgaan van rechters-commissaris (Recofa).

  • Vrijlaten giften

    Giften voor bijzondere kosten en schulden:

    • 1.

      Giften worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt voor zover deze worden verstrekt voor kosten waarvoor anders bijzondere bijstand verstrekt had kunnen worden.

    • 2.

      Giften worden niet als middelen voor de bijstand aangemerkt voor zover deze worden verstrekt voor noodzakelijke kosten dan wel uit medisch oogpunt wenselijke kosten. Dit voor zover de levensstandaard hierdoor niet wordt verhoogd.

    • 3.

      Giften van werkgevers ten behoeve van werknemers worden niet in aanmerking genomen als middel voor de bijstand, voor zover en in zoverre deze onbelast zijn.

    • 4.

      Giften in de vorm van verstrekkingen van de voedselbank, kledingbank, speelgoedbank en dergelijke charitatieve instellingen worden niet als middel voor de bijstand beschouwd.

    • 5.

      Een gift die wordt verstrekt ter aflossing van een problematische schuld, ontstaan in een periode voor aanvang van de bijstandsverlening, wordt niet in aanmerking genomen als middel voor de bijstand. Een schuld is in ieder geval problematisch als op het moment van aanvang van de bijstandsverlening het vermogen negatief was en er een terugbetalingsverplichting rust op deze schulden, waarvan de termijn is overschreden.

  • De giften als bedoeld onder 1 t/m 5 tellen niet mee voor de maximale bedragen zoals verderop genoemd in het onderdeel ‘Andere giften’.

     

    Giften of geldleningen in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag:

    Een gift of geldlening die wordt verstrekt in afwachting van de afhandeling van de bijstandsaanvraag en die niet meer bedraagt dan de voor de belanghebbende geldende norm, wordt niet in aanmerking genomen als middel voor de bijstand.

    Andere giften:

    • a)

      Giften worden niet tot de middelen voor de bijstand gerekend, voor zover de ontvangen giften niet meer bedragen dan € 1.200 per kalenderjaar. Als de bijzondere bijstand gedurende het kalenderjaar is toegekend, geldt het bedrag van € 1.200 voor de periode vanaf datum toekenning tot en met 31 december van het betreffende kalenderjaar.

    • b)

      Voor zover periodieke giften hoger zijn dan het onder a genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als inkomen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te beoordelen of de gift uit een oogpunt van bijstandsverlening toch verantwoord is. Onder ‘periodiek’ wordt verstaan: de ontvangst van twee of meer giften in een kalenderjaar.

    • c)

      Voor zover een eenmalige gift hoger is dan het in sub a genoemde bedrag, wordt het meerdere in beginsel als vermogen aangemerkt, maar blijft een specifieke afweging noodzakelijk om te beoordelen of de gift uit een oogpunt van bijstandsverlening toch verantwoord is. Onder ‘eenmalig’ wordt verstaan: de ontvangst van één gift in een kalenderjaar.

    • d)

      Giften zoals genoemd onder de vrijlatingen punt 3 en 4 en giften van minder dan het bedrag zoals bedoeld in artikel 31, lid 2 sub m van de Participatiewet per kalenderjaar hoeven niet onmiddellijk en uit eigen beweging gemeld te worden.

  • Besparingsbijdragen

    Hieronder wordt verstaan een periodieke bijdrage voor algemene kosten. Structurele betalingen van een derde die rechtstreeks voldaan worden en niet ‘over de kas’ van de bijstandsgerechtigde van 18 jaar of ouder loopt;

    • a)

      Besparingsbijdragen worden vrijgelaten voor zover deze het bedrag zoals bedoeld in artikel 31 lid 2 sub m van de Participatiewet niet overschrijden.

    • b)

      Giften en besparingsbijdragen moeten in samenhang worden gezien. Het bedrag bedoeld in artikel 31 lid 2 sub m van de Participatiewet geldt voor zover de som van de giften en besparingsbijdragen niet wordt overschreden.

  • Woonkosten worden door een ander voldaan

    Situaties waarop dit van toepassing is:

    Het college stelt de bijstandsnorm waarmee de draagkracht wordt berekend (zie ook de artikelen 20, 21 en 27 van de Participatiewet), lager vast voor zover de aanvrager lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin deze norm voorziet als gevolg van zijn woonsituatie. Hieronder valt ook het niet hebben van een woning. Ook is dit van toepassing in situaties waarin de woonkosten door een ander worden voldaan.

     

    Hoogte verlaging

    De verlaging bedraagt een bedrag gelijk aan het bedrag van de basishuur zoals genoemd in de Wet op de huurtoeslag. Indien een dak- en thuisloze kosten moet maken voor zijn opvang wordt hiermee rekening gehouden met de hoogte van de verlaging. De verlaging wordt verminderd met een bedrag dat met die extra kosten overeenkomt.

  • K.

    B145 - Berekening woonkostentoeslag huurders wordt als volgt gewijzigd:

    Onder het kopje “Algemeen” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Als belanghebbende weet dat er geen recht op volledige huurtoeslag bestaat vanwege een te hoge huur, maar desondanks toch de woning accepteert, dan is er geen sprake van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten (CRvB 27-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5039 en vergelijk CRvB 04- 08-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2626).

     

    Onder het kopje “Activiteiten rondom de verhuisplicht” komt de tekst als volgt te luiden:

     

    Deze activiteiten moeten aantoonbaar en verifieerbaar zijn zodat het college daaruit af kan leiden of is voldaan aan de voorwaarden van de verhuisplicht. Dat is van groot belang indien belanghebbende een verlenging aanvraagt van de woonkostentoeslag. Ook is vereist dat op passende woningen of woonruimten wordt gereageerd. In eerste instantie is daarbij de hoogte van de woonkosten van belang. De hoogte van de woonkosten moeten in principe lager zijn dan de subsidiabele huurgrens zodat over het hele huurbedrag huurtoeslag kan worden verkregen. Verder heeft het criterium ‘passend’ betrekking op de gezinssituatie. Afhankelijk daarvan kan een kleinere of andersoortige woonruimte, dan die belanghebbende wenst, in de ogen van het college toch passend zijn.

  • L.

    B178 Bankkosten wordt aan de set beleidsregels toegevoegd:

    De tekst van deze beleidsregel komt als volgt te luiden:

     

    Omschrijving van de kosten:

    De gemeente Helmond vergoed een bedrag aan bankkosten wanneer er sprake is van bewind.

    Onder bewind wordt verstaan:

    • a.

      curatele;

    • b.

      beschermingsbewind.

  • Aard van de kosten

    Aan de taakomschrijving van een bewindvoerder is toegevoegd dat hij voor de rechthebbende alle handelingen kan uitvoeren die bijdragen aan een goede uitvoering van zijn taken. Die bestaan in ieder geval uit het beheer en de beschikking van de onder bewind staande goederen. Problematische schulden en verkwisting kunnen redenen zijn om beschermingsbewind uit te spreken. Het spreekt voor zich dat bewind alleen mogelijk is indien de Kantonrechter een beschikking heeft afgegeven voor een dergelijke beschermingsmaatregel.

     

    Wanneer door de bewindvoerder een extra bankrekening geopend dient te worden voor de uitvoering van zijn taken betekent dit dat er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Er wordt een beheerrekening (waar inkomen binnenkomt en vaste lasten worden afgeschreven) en een tweede rekening, de leefgeldrekening, geopend waarop de klant zijn weekgeld ontvangt. De gemeente Helmond is van mening dat deze leefgeldrekening de rekening is die voor iemand onder bewind extra wordt geopend. Iedereen heeft een rekening waar zijn inkomen op binnenkomen en zijn lasten van worden betaald. Meestal wordt hier ook van gepind. Omdat dit, bij iemand die onder bewind staat, moeilijk is, wordt voor hem een extra rekening geopend, de leefgeldrekening. Deze wordt als extra rekening gezien. Het aanhouden van deze twee rekeningen door de onder bewind gestelde brengt extra kosten met zich mee.

     

    Voorliggende voorziening

    Voor de maandelijkse kosten van het aanhouden van 2 lopende rekeningen, noodzakelijk geworden door het aanstellen door de kantonrechter van een bewindvoerder, is geen voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet.

     

    Beoordelingskader

    Met het onder bewind gesteld worden door de Kantonrechter staat vast dat de daaraan verbonden maandelijkse kosten voor het openen van een extra bankrekening ten behoeve van dit bewind, uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten zijn. De kosten die we vergoeden zijn de kosten voor het aanhouden van de leefgeldrekening. Waarbij we de meest goedkoop adequate oplossing vergoeden.

     

    Hoogte en vorm bijzondere bijstand

    De hoogte van de bijzondere bijstand wordt gebaseerd op de goedkoopst adequate oplossing. Hierin wordt jaarlijks gekeken naar de ontwikkelingen op dit gebied. We vergoeden de kosten van de goedkoopste leefgeldrekening. Deze kan door alle onder bewind gestelde worden gebruikt als tegemoetkoming in de totale particuliere bankkosten. Het is een bedrag van € 1,90 per maand (bedrag 2025) dit bedrag komt overeen met de kosten van de goedkoopst adequate leefgeldrekening.

     

    Draagkracht

    Bepaal de draagkracht aan de hand van het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen. Zie beleidsregels draagkrachtpercentages (B063) en in aanmerking te nemen middelen (B137).

     

    Aan de bijstand verbonden verplichtingen

    Aan de (individuele) bijzondere bijstand is een bestedingsverplichting verbonden. Dit betekent dat in het toekenningbesluit wordt opgenomen dat:

    • De toegekende bijzondere bijstand moet worden besteed aan de betreffende kosten.

    • Belanghebbende stelt het college op de hoogte van de definitieve vaststelling van de Rekening en verantwoording door de Kantonrechter en overlegd hiervan, op verzoek, bewijsstukken.

    • Belanghebbende daarvan desgevraagd betalingsbewijzen moet kunnen overleggen.

    • Er kunnen ook specifieke verplichtingen gelden als de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verleend.

Artikel II. Overgangsrecht

  • 1.

    Besluiten die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze beleidsregels, blijven van kracht tot aan het moment dat zij van rechtswege vervallen of worden ingetrokken, herzien of beëindigd.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit en waarop nog niet is beslist bij de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, worden:

    • a.

      Ten aanzien van kosten ten behoeve van de periode voor 1 januari 2026, afgehandeld volgens de beleidsregels bijzondere bijstand Helmond 2023 zoals deze voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit luiden.

    • b.

      Ten aanzien van de kosten ten behoeve van de periode na 1 januari 2026, afgehandeld volgens de beleidsregels bijzondere bijstand Helmond 2023 zoals deze na de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit luiden.

  • 3.

    Op een aanhangig bezwaar- of beroepschrift tegen een besluit dat is genomen naar aanleiding van een aanvraag die is ingediend voor de inwerkingtreding van dit wijzigingsbesluit, wordt beslist met inachtneming van de regels die op het bestreden besluit van toepassing zijn verklaard.

Artikel III. Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2026.

Besloten in de vergadering van 16 december 2025.

Burgemeester en wethouders van Helmond,

De heer S. Potters

de burgemeester

De heer E. Koop

secretaris

Naar boven