Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;

 

gelet op artikel 27 van de Participatiewet;

 

gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

overwegende dat het wenselijk is regels te stellen over het beleid ten aanzien van het verlagen van de uitkering in verband met de woonsituatie;

 

besluit:

 

vast te stellen de Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026

 

Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon 2026

  • 1.

    Artikel 27 Participatiewet geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier wordt bedoeld de situatie waarbij:

    • a.

      een woning wordt bewoond waaraan geen woonkosten zijn verbonden;

    • b.

      een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten (deels) door derden worden voldaan;

    • c.

      geen woning wordt bewoond.

  • Onder woning wordt verstaan een woning zoals bedoeld in artikel 1, onderdeel c van de Wet op de huurtoeslag, alsmede woonwagen of woonschip, zoals bedoeld in artikel 3 lid 6 Participatiewet.

  • 2.

    De verlaging zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt maximaal 15 procent van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm 21-pensioengerechtigde leeftijd), indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen of weinig woonkosten zijn verbonden, een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten (deels) door derden wordt voldaan of geen woning wordt bewoond.

  • 3.

    Als de woonkosten die een derde betaalt lager zijn dan 15 % van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet, dan wordt het bedrag dat deze persoon betaalt onder toepassing van artikel van de Participatiewet op de uitkering in mindering gebracht.

  • 4.

    Woonkosten:

    Onder woonkosten wordt het navolgende verstaan:

    • a.

      bij een huurwoning: rekenhuur als bedoeld in de Wet op de huurtoeslag;

    • b.

      bij een eigen woning: de verschuldigde hypotheekrente, de als eigenaar te betalen zakelijke lasten en een vast bedrag voor onderhoud.

  • De rekenhuur bestaat uit:

    • a.

      de kale huur: dit is de huurprijs van de woning zónder bijkomende kosten zoals gas, water, licht of internet.

    • b.

      subsidiabele servicekosten: maximaal € 48 per maand, verdeeld over vier categorieën:

      • schoonmaakkosten van gemeenschappelijke ruimten (zoals trappenhuis, lift);

      • energiekosten voor gemeenschappelijke ruimten;

      • kosten voor een huismeester of conciërge;

      • kosten voor onderhoud aan dienst- en recreatieruimten (bijv. bij seniorenwoningen).

  • Voor elk van deze vier categorieën mag maximaal € 12 worden meegeteld, ongeacht iemand meer betaalt.

    Bij een eigen woning wordt een vast bedrag voor onderhoud gehanteerd. Dit bedrag bedraagt € 50,- per maand. :

  • 5.

    Indien een belanghebbende dak- en thuisloos is maar wel woonkosten heeft, zoals kosten voor opvang, is het aan belanghebbende om dit aan te tonen via bewijsstukken. Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan met toepassing van artikel 18 Participatiewet de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten.

  • 6.

    Deze beleidsregel geldt niet voor:

    • a.

      een belanghebbende met een uitkering op grond van de IOAW en IOAZ;

    • b.

      een belanghebbende die een uitkering ontvangen naar de norm van een verblijf in een inrichting, als bedoeld in artikel 23 Participatiewet.

  • 7.

    Deze beleidsregel geldt alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.

  • 8.

    Deze beleidsregel laat de toepassing van artikel 18, eerste lid van de wet onverlet.

  • 9.

    Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

  • 10.

    Deze beleidsregel wordt aangehaald als: “Beleidsregel verlaging uitkering in verband woonsituatie Hollands Kroon 2026”.

  • 11.

    Deze beleidsregel treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon van 16 december 2025.

Het college van burgemeester en wethouders,

secretaris,

H. van der Woude

burgemeester,

A. van Dam

Toelichting op beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026

Lid 1

Artikel 27 van de wet is bedoeld om rekening te kunnen houden met het ontbreken van (een deel van) de woonkosten bij belanghebbende, anders dan als gevolg van het (kosten)delen van de woning.

Artikel 27 is van toepassing:

  • als de kostendelersnorm niet van toepassing is,

  • de bijstandsgerechtigde niet pensioengerechtigd is, en

  • er aanzienlijk minder of in het geheel geen woonlasten zijn.

Lid 2

Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt er een verlaging van maximaal 15 % toegepast in de volgende drie situaties:

  • 1.

    bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden, bijvoorbeeld krakers;

  • 2.

    betaling (geheel of gedeeltelijk) van de woonlasten door een derde;

  • 3.

    het niet aanhouden van een woning (daklozen).

Lid 3

Indien de woonkosten die een derde betaalt lager zijn dan 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm), dan wordt het bedrag dat deze persoon betaalt onder toepassing van artikel 27 van de Participatiewet op de uitkering in mindering gebracht

 

Lid 2 en 5

Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten, zulks op grond van artikel 18 van de wet.

 

Lid 6

In artikel 8 lid 1 van de IOAW en IOAZ wordt onder inkomen verstaan het inkomen uit arbeid of overig inkomen. In deze wetten is geen vergelijkbaar artikel 27 Participatiewet.

Naar boven