Gemeenteblad van Hollands Kroon
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hollands Kroon | Gemeenteblad 2025, 574387 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Hollands Kroon | Gemeenteblad 2025, 574387 | beleidsregel |
Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon
gelet op de artikelen 27, 28, 31, 32, 33 en 34 van de Participatiewet,
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
vast te stellen het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon.
De Participatiewet in Balans wil de huidige Participatiewet verbeteren door meer menselijke maat en vertrouwen in te bouwen, regels te vereenvoudigen, en hardheden weg te nemen. Gemeenten krijgen meer ruimte voor maatwerk, zodat oplossingen beter aansluiten bij persoonlijke situaties. Het doel is een rechtvaardiger en eenvoudiger stelsel, waarin rechten en plichten in balans zijn en iedereen kan rekenen op een toereikend bestaansminimum en wordt gestimuleerd om naar vermogen mee te doen in arbeid en samenleving.
Deze herziening van de Participatiewet markeert een fundamentele koerswijziging. De regels rond middelen, vermogen en inkomen worden ingrijpend aangepast. Nieuwe definities en verruimde kaders voor giften, bijverdienmogelijkheden en bufferbudgetten vragen om een andere interpretatie van bestaanszekerheid. Daarnaast komen er aangepaste verrekeningsregels en beleidsinstrumenten die meer ruimte bieden voor maatwerk en menselijke maat, maar tegelijkertijd een uniforme toepassing vereisen om rechtsgelijkheid te waarborgen. Voor uitvoeringsprofessionals betekent dit een omslag naar meer discretionaire bevoegdheden, gecombineerd met een scherp oog voor consistentie en transparantie.
Dit handboek, genaamd het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon, is opgesteld met als doel de uitvoeringspraktijk optimaal te ondersteunen bij de toepassing van de gewijzigde regelgeving. Het biedt een gestructureerde en toegankelijke toelichting op de nieuwe regels met betrekking tot onder meer vermogensvaststelling, inkomstenverrekening en giften. Daarnaast worden actuele en maatschappelijk relevante thema’s behandeld, zoals het bezit van cryptovaluta (bijvoorbeeld bitcoins) en inkomsten uit online kansspelen. Ook de regels die in het kader van de Participatiewet in Balans niet zijn gewijzigd worden uitgebreid toegelicht.
Het handboek bevat tevens beleidsmatige kaders met betrekking tot onder meer giften, crowdfunding, het bufferbudget en de bijverdienregeling. Deze instrumenten bieden ruimte voor maatwerk, maar vragen tegelijkertijd om zorgvuldige afwegingen en een consistente toepassing binnen de uitvoeringspraktijk.
Een belangrijk uitgangspunt bij de totstandkoming van dit handboek is de integratie van beleidsregels in één samenhangend document. Er is bewust gekozen om geen afzonderlijke beleidsregels te hanteren, maar deze te verwerken in de toelichtingen binnen dit handboek. Hiermee wordt beoogd om in circa 90% van de gevallen een eenduidige en zelfstandige uitvoering mogelijk te maken. Voor meer complexe of uitzonderlijke situaties kan de consulent gebruikmaken van aanvullende bronnen, zoals GRIP Schulinck.
Met dit handboek wordt – zoals reeds vermeld- beoogd bij te dragen aan een professionele, rechtmatige en doelmatige uitvoering van de Participatiewet. Het biedt houvast aan uitvoerende professionals en draagt bij aan een uniforme werkwijze binnen de organisatie, waarbij zowel de belangen van de burger als de uitvoerbaarheid van de wet centraal staan.
1.1. Wat verstaan we onder middelen en de middelentoets
Het begrip middelen staat centraal in de bijstandsverlening. Er bestaat geen recht op bijstand als er voldoende middelen zijn om zelf de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen betalen (artikel 11 lid 1 Participatiewet). De Participatiewet heeft een aanvullend karakter. Dit betekent dat de Participatiewet alleen als dat nodig is een tekort aan middelen aanvult tot een bepaald minimum.
Bij een aanvraag of heronderzoek zal dus altijd beoordeeld moeten worden:
De beantwoording van bovenstaande vragen wordt ook wel de "middelentoets" genoemd.
Tot de middelen worden alle vermogens- en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Tot de middelen worden ook gerekend de middelen die voor het levensonderhoud van de belanghebbende door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen. Denk aan kinderbijslag die de ouders nog ontvangen voor een 18-jarige bijstandsaanvrager. In elk geval behoort tot de middelen de ten aanzien van de alleenstaande of het gezin toepasselijke heffingskorting.
Onderstaande beslisboom kan helpen om te bepalen of een middel onder de Participatiewet als inkomen of vermogen moet worden aangemerkt. Dit is belangrijk omdat de Participatiewet (art. 31 en 34) onderscheid maakt tussen:
Stap 2 – Is het een betaling of ontvangst?
Stap 3 – Is het een bezitting of tegoed?
Stap 4 – Is er een wettelijke uitzondering of vrijlating?
Verschil tussen algemene en bijzondere bijstand
Hoofdregel is dat alle middelen meetellen voor de beantwoording van de vraag of er recht op algemene bijstand bestaat. Artikel 31 lid 2 Participatiewet somt echter een aantal middelen op die bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand worden vrijgelaten. Deze vrijlating geldt in beginsel niet bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand. Het college kan hier toch van afwijken. Dit kan door in de draagkrachtregels te bepalen dat een of meer van de middelen uit de lijst van artikel 31 lid 2 Participatiewet ook bij de vaststelling van het recht op bijzondere bijstand worden vrijgelaten.
Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 2 van de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon.
De Participatiewet hanteert een netto-systematiek: alle bijstandsnormen zijn netto. Dit brengt onder andere met zich mee dat ook bij de inkomstenkorting rekening moet worden gehouden met het netto-inkomen. Onder netto-inkomen wordt in dit verband verstaan: het inkomen na aftrek van belastingen, sociale premies, verplichte pensioenpremies en andere verplichte inhoudingen.
Het komt wel voor dat er inkomen bruto wordt uitbetaald. De betrokkene moet dan zelf zorgen voor afdracht van belastingen en premies. Is dit het geval dan wordt het daadwerkelijk uitbetaalde bruto-inkomen volledig gekort op de bijstand. Later kan dan voor belastingaanslagen en naheffingen met terugwerkende kracht bijstand worden verleend.
Iedere belastingbetaler kan een voorlopige teruggaaf aanvragen. Wordt de aanvraag toegekend dan betekent dit dat de betrokkene iedere maand een bedrag van de belastingdienst ontvangt, waardoor zijn maandelijkse netto-inkomen stijgt.
1.2. Redelijkerwijs kunnen beschikken
Alleen inkomen en vermogen waarover de belanghebbende beschikt of redelijkerwijs kan beschikken wordt als middel gezien (artikel 31 lid 1 eerste volzin Participatiewet). Hiermee worden de middelen bedoeld waarover de alleenstaande of het gezin feitelijk de beschikking heeft (zie CRvB 14-05-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE3939 en CRvB 09-07-2013, nr. 10/3394 WWB).
Het begrip 'beschikken' ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om geld feitelijk te kunnen gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (zie CRvB 20-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:468).
In GRIP van Schulinck wordt een opsomming gegeven van middelen waarover wel en waarover niet redelijkerwijs over kan worden beschikt.
Als een belanghebbende is toegelaten tot de WSNP, kan de belanghebbende alleen beschikken over middelen die buiten te boedel vallen. Een belanghebbende kan dus alleen over betalingen beschikken als deze buiten de boedel vallen.
Achteraf beschikken over middelen
Wanneer een bijstandsgerechtigde pas achteraf kan beschikken over in aanmerking te nemen middelen dan is dit een grond voor terugvordering.
Bij gezinnen worden niet alleen de middelen van de aanvrager(s)/ouder(s) meegeteld. Ook de middelen van de kinderen worden in beginsel meegeteld in de bijstand. Inkomsten, anders dan uit arbeid, die worden ontvangen op de bankrekening van de minderjarige, kunnen als inkomen gekort worden. De ouders(s) moeten dan wel over deze inkomsten kunnen beschikken. Zie CRvB 5-7-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1638. Hierin ontving het ten laste komende kind bijschrijvingen van haar andere ouder op haar rekening. In Rechtbank Rotterdam 12-1-2022, ECLI:NL:RBROT:2022:215 heeft de rechter aangegeven dat de vraag of de ouder(s) erover kan beschikken onder andere afhankelijk is van:
Inkomsten die een ten laste komend kind uit arbeid krijgt, tellen niet mee als middel (artikel 31 lid 2 onderdeel h Participatiewet).
Heeft een ten laste komend kind een veel spaartegoed? Dan zal het gezin niet in aanmerking komen voor bijstand als daardoor de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden (zie CRvB 15-6-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AP4471 en CRvB 24-1-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:293).
Middelen van het pleegkind behoren niet tot de middelen van het gezin (zie Rechtbank Zutphen 29-11-2005, nr. 05/1833). Met andere woorden, de pleegvergoeding behoort niet tot de middelen van het pleeggezin. Deze uitspraak dat middelen van het pleegkind niet tot de middelen van het pleeggezin behoren (en dus ook de pleegvergoeding niet) is gebaseerd op artikel 31, tweede lid, onderdeel a van de Participatiewet.
“Niet tot de middelen van de belanghebbende worden gerekend: de middelen die deze ontvangt ten behoeve van het levensonderhoud van een niet in de bijstand begrepen persoon.”
Pleegvergoeding voor meerderjarige pleegkinderen
Pleegouders ontvangen ook na de 18e verjaardag van het pleegkind een pleegvergoeding, zolang er sprake is van pleegzorg. Deze vergoeding loopt standaard door tot het 21e levensjaar en kan in bijzondere gevallen worden verlengd tot 23 jaar (voortgezette pleegzorg op basis van de Jeugdwet)
De pleegvergoeding is een kostenvergoeding voor verzorging en opvoeding, niet een inkomen. Voor 18 jaar en ouder bedraagt deze in 2025 ongeveer €29,76 per dag (circa €905 per maand). De vergoeding is belastingvrij en heeft geen invloed op de uitkering van de pleegouder of op toeslagen zoals huurtoeslag.
Een pleegkind van 18 jaar of ouder kan zelfstandig bijstand aanvragen op grond van de Participatiewet. Daarbij geldt:
De pleegvergoeding behoort dus niet tot de middelen van het pleeggezin (zoals ook bij minderjarige pleegkinderen), maar speelt wél een rol bij de beoordeling van het recht op bijstand van het pleegkind zelf.
Middelen voor levensonderhoud bijstandsgerechtigde die door derde worden ontvangen
Ook middelen voor het levensonderhoud van een belanghebbende die door een niet in de bijstand begrepen persoon worden ontvangen, worden tot de middelen van belanghebbende gerekend. Dit volgt uit artikel 31 lid 1 tweede volzin Participatiewet.
De fiscale heffingskortingen behoren ook tot de middelen (artikel 31 lid 1 derde volzin Participatiewet). De invloed van heffingskortingen op het recht op en de hoogte van bijstand wordt behandeld in paragraaf 1.17 van dit handboek.
In afwijking van het voorgaande is de jonggehandicaptenkorting vrijgelaten (artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). In de Participatiewet in Balans blijft dezelfde uitzondering gelden. Artikel 31 lid 2 onderdeel c PW: De jonggehandicaptenkorting wordt niet tot de middelen gerekend (dus vrijgelaten). Artikel 31 lid 5 PW: Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar.
Dit is ook in de nieuwe systematiek van de Participatiewet in Balans bevestigd: de leeftijdsgrens van 27 jaar blijft van toepassing voor deze specifieke vrijlating, ondanks dat andere vrijlatingsregels (zoals bijverdienregeling) wél voor jongeren onder 27 jaar gaan gelden.
De hoofdregel is dat alle middelen meetellen om te bepalen of iemand recht heeft op algemene bijstand en hoeveel bijstand diegene krijgt (artikel 19 lid 1 Participatiewet). In artikel 31 lid 2 Participatiewet staat een lijst met uitzonderingen (Lijst met vrij te laten middelen). Hierin staan inkomsten die niet meetellen bij het bepalen van het recht op en de hoogte van de bijstand. Bij de vaststelling van het recht op algemene bijstand geldt ook een vermogensvrijlating.
De lijst met vrij te laten middelen van artikel 31 lid 2 Participatiewet geldt niet bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand. Dit staat in artikel 35 lid 1 eerste volzin Participatiewet. Dit betekent dat de middelen die worden genoemd in artikel 31 lid 2 Participatiewet in principe meetellen bij het berekenen van het recht op en de hoogte van de bijzondere bijstand.
Het college kan van deze regel afwijken. Het college kan in de draagkrachtregels opnemen dat sommige middelen in artikel 31 lid 2 Participatiewet niet meetellen voor de bijzondere bijstand. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar de Beleidsregels Bijzondere Bijstand Gemeente Hollands Kroon 2026.
1.4. Giften en kostenbesparingen
In de nieuwe Participatiewet in Balans wordt de regeling voor giften en kostenbesparingen (zoals boodschappen in natura) expliciet vastgelegd:
Ontvangsten uit giften en kostenbesparingen
Giften én bijdragen die leiden tot kostenbesparing – bijvoorbeeld ouders die boodschappen verzorgen – worden vrijgesteld tot maximaal € 1.200 per kalenderjaar.
Deze bedragen tellen niet mee als inkomen of vermogen in de bijstandsberekening.
2. Hoge giften en besparingen boven de € 1.200
Giften en besparingen boven de vrijstellingsgrens van € 1.200 worden met terughoudendheid meegenomen.
Gemeenten moeten per individueel geval beoordelen of hoger vrijlaten wenselijk en verantwoord is: het college kan besluiten ook een deel boven de grens vrij te laten, indien dit bijstandsgericht is.
3. Melden is niet nodig tot de grens
Tot de € 1.200-grens geldt een noodzaak om geen melding te doen aan de gemeente.
Pas bij bedragen boven de grens is melding en nadere beoordeling relevant, terwijl vrijlaten in voorkomende gevallen mogelijk blijft.
Giften zijn in het kader van de Participatiewet ‘ondeelbaar.’ Dit betekent dat een gift in zijn geheel moet worden beoordeeld en niet in delen mag worden opgesplitst om onder de vrijlatingsgrens te blijven.
Als een gift boven de € 1.200 uitkomt, mag deze niet worden opgesplitst in kleinere delen om alsnog onder de grens te blijven. De gift moet als één geheel worden beoordeeld. De gemeente moet dan kijken of het verantwoord is om de gift (deels of geheel) vrij te laten, bijvoorbeeld als het gaat om een gift voor noodzakelijke kosten die niet uit de bijstand kunnen worden betaald.
Het voorkomt dat mensen strategisch giften opdelen om onder de vrijlatingsgrens te blijven. Tegelijk biedt het ruimte voor maatwerk: ook hogere giften kunnen worden vrijgelaten als dat uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is.
De definitie van een gift kan worden omschreven als ‘een betaling uit vrijgevigheid door een natuurlijk persoon of een instelling, waarvoor niets wordt terug verlangd’. Daarbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen giften van instellingen en giften van personen. Door giften niet volledig in aanmerking te nemen, wordt voorkomen dat de Participatiewet een ontmoediging vormt voor de vrijgevigheid van instellingen of personen. Het uitgangspunt hierbij is dat kerkelijke, particuliere en maatschappelijke initiatieven zoveel mogelijk worden gerespecteerd. Wanneer deze giften niet leiden tot een duidelijke besparing op de kosten van levensonderhoud, zal vrijlating in beginsel mogelijk moeten zijn. Echter het mag niet leiden tot een bestedingsniveau dat onverenigbaar is met wat op bijstandsniveau gebruikelijk is. Gezien het minimumbehoeftekarakter van de bijstand kan de vrijlating daarom niet onbeperkt zijn.
1.4.2. Giften tot € 1.200,- per kalenderjaar worden vrijgelaten en er is geen meldingsplicht
In de nieuwe Participatiewet is aan artikel 31, tweede lid, onderdeel m, Participatiewet een vrijlatingsbedrag van € 1.200 per kalenderjaar toegevoegd. Hiermee wordt een norm gesteld op basis waarvan het totaal aan giften tot in ieder geval € 1.200 per kalenderjaar wordt vrijgelaten. De vrijlatingen gelden per uitkering, niet per persoon. Dit houdt in dat voor een alleenstaande ouder en gehuwden (en daarmee gelijkgestelden) dezelfde vrijlating van toepassing is als voor een alleenstaande.
Het drempelbedrag ad € 1.200,00 wordt toegerekend aan een kalenderjaar (1 januari tot en met 31 december). Wanneer iemand minder dan het drempelbedrag aan giften heeft ontvangen, mag het restant niet mee worden genomen naar het volgend jaar. Voor mensen die gedurende het jaar een uitkering toegekend hebben gekregen, geldt dat de drempel van € 1.200,00 geldt voor de periode van de aanvraag van de bijstandsuitkering tot en met 31 december van dat jaar.
Er geldt geen meldingsplicht voor het ontvangen van giften tot een bedrag van € 1.200,--.
Als het bedrag hoger is dan € 1.200,-- moet dit wel gemeld worden.
De bijstandsgerechtigde wordt met deze maatregel enerzijds het voordeel gegund van vrijgevigheid, zoals ook degenen die niet op bijstand aangewezen zijn van een gift kunnen profiteren. Anderzijds wordt, gelet op het minimumbehoefte-karakter, de vrijlating beperkt tot € 1.200. Een grensbedrag biedt de bijstandsgerechtigde, meer dan de vroegere abstracte formulering, rechtszekerheid. Voor giften die cumulatief boven de vrijlatingsgrens terecht komen, geldt dat zij voor het meerdere in beginsel als middelen moeten worden aangemerkt. Op individuele basis kan de gemeente echter ook hogere giften buiten beschouwing laten indien deze – met name in verband met hun doel – nog verantwoord zijn met het oog op bijstandsverlening. Verderop in deze paragraaf worden hierover beleidsregels geformuleerd.
Van de bijstandsgerechtigde wordt verwacht dat wordt bijgehouden welke giften worden ontvangen, ook voor giften onder de € 1.200. Dat is niet anders dan de bestaande praktijk. Op dit moment wordt van een bijstandsgerechtigde gevraagd dat elke gift, hoe klein ook, wordt gemeld. In de nieuwe Pwet behoeven alleen giften die cumulatief boven de € 1.200 uitkomen te worden gemeld. Dit betekent dat de bijstandsgerechtigde zelf moet bijhouden welke giften worden ontvangen en wanneer deze boven de € 1.200 uitkomen en dus gemeld moeten worden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden.
1.4.3. Giften versus schenkingen
Hoewel beide begrippen gaan over het overdragen van vermogen zonder tegenprestatie, is er een belangrijk juridisch onderscheid. Een schenking is een overeenkomst waarbij de schenker, ten koste van zijn eigen vermogen, een ander bewust verrijkt. Het is een rechtshandeling die onder het civiele recht valt en vereist wilsovereenstemming. Voorbeelden van schenkingen:
Een gift is een ruimer begrip: elke overdracht van vermogen zonder tegenprestatie. Dit omvat niet alleen schenkingen, maar ook andere vormen van vermogensoverdracht.
De giftenvrijlating ziet op middelen en geldt zowel voor giften die als inkomen worden aangemerkt (bijvoorbeeld geld voor boodschappen) als voor giften die als vermogen worden beschouwd (bijvoorbeeld een spaardeposito of auto).
1.4.4. Natuurlijke verbintenis
Een natuurlijke verbintenis is een verplichting die niet juridisch afdwingbaar is, maar wel voortkomt uit maatschappelijke normen of persoonlijke relaties (bijvoorbeeld ouders die hun kind financieel ondersteunen). Als iemand vrijwillig aan zo’n verbintenis voldoet, wordt dat vaak gezien als een gift.
In de oude Participatiewet keken gemeenten of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders of familie). Als de gift werd aangewend voor algemene kosten van levensonderhoud, werd deze meestal als inkomen aangemerkt en verrekend met de uitkering. Alleen giften met een specifieke bestemming (bijvoorbeeld voor een koelkast of begrafeniskosten) konden worden vrijgelaten.
Met de invoering van Participatiewet in Balans is de beoordeling van giften sterk vereenvoudigd. Tot € 1.200 per kalenderjaar worden giften altijd vrijgelaten en hoeven niet gemeld te worden. Dit geldt ook voor kostenbesparingen, zoals boodschappen die door familie worden betaald. Voor hogere bedragen beoordeelt de gemeente of vrijlaten verantwoord is vanuit bijstandsverlening. De juridische constructie van een natuurlijke verbintenis (bijvoorbeeld structurele steun van ouders) speelt hierbij geen rol meer.
Onder de oude wet moesten gemeenten beoordelen of een gift voortkwam uit een natuurlijke verbintenis. Dit leidde tot veel discussie en strenge handhaving. De nieuwe regels leggen de nadruk op bedrag en redelijkheid, niet op de juridische achtergrond.
Ouders betalen maandelijks € 50 aan boodschappen voor hun kind dat bijstand ontvangt.
Jaarbedrag: € 600 → valt binnen de vrijlatingsgrens van € 1.200.
Gemeente hoeft dit niet te onderzoeken of te registreren.
Onder de oude wet moest worden beoordeeld of dit een gift of een natuurlijke verbintenis was.
1.4.5. Giften in relatie tot inkomen en vermogen
Of een gift als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt, speelt pas indien het totaal aan giften binnen een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200,- overschrijdt. Wordt een gift aangemerkt als vermogen, dan zal moeten worden bezien of het totale vermogen van bijstandsgerechtigde door het bedrag waarmee de gift de € 1.200 grens ontstijgt, boven de voor bijstandsgerechtigde geldende vermogensvrijlating uitkomt. Is dit laatste het geval dan zal de bijstand moeten worden beëindigd. Is daarentegen sprake van een gift die als inkomen kan worden gekwalificeerd, dan betreft dit inkomen in de maand van ontvangst en zal dit alsnog op de verstrekte bijstand in mindering moeten worden gebracht. Giften in de vorm van geld of bijdragen in het levensonderhoud hebben een direct effect op het bestedingsniveau en vallen daarom in beginsel binnen het inkomensbegrip. Dat geldt in veel mindere mate voor giften in de vorm van duurzame gebruiksgoederen. Deze zullen in beginsel als vermogen kunnen worden gekwalificeerd.
Beslisregel: kwalificatie van giften in relatie tot bijstand
Stap 1: Bepaal of de giftenvrijlatingsgrens is overschreden
Totaal aan giften in geld of natura binnen één kalenderjaar ≤ €1.200 → geen verdere beoordeling nodig.
Gift in geld of bijdrage in levensonderhoud → inkomen in de maand van ontvangst.
→ Trek af van bijstand in die maand.
Gift in de vorm van duurzame gebruiksgoederen of vermogensbestanddelen → vermogen.
Tel gift op bij het bestaande vermogen van belanghebbende.
Komt totaal boven de vermogensvrijlating?
→ Nee: geen gevolgen voor bijstand.
Direct effect op bestedingsniveau (geld, boodschappen, vaste lasten) → inkomen.
Geen direct effect, maar bezit toeneemt (auto, spaardeposito, wasmachine) → vermogen.
1.4.6. Beleidsregels hoe om te gaan met giften die boven de vrijlatingsgrens van € 1.200 komen?
Vanaf het moment dat er meer dan € 1.200,- aan giften is ontvangen, zijn de giften van invloed op de bijstandsuitkering. Ze worden dan als volgt aangemerkt als inkomen of vermogen:
Extra vrijlating van giften boven € 1.200 – Participatiewet in Balans
Indien het totaal aan giften in een kalenderjaar de vrijlatingsgrens van € 1.200 overschrijdt, moet de gemeente beoordelen of de gift uit oogpunt van bijstandsverlening verantwoord is. Daarbij geldt dat bepaalde giften volledig kunnen worden vrijgelaten, mits zij aantoonbaar worden aangewend voor een specifieke noodzakelijke bestemming.
Categorieën van volledig vrij te laten giften:
Voorwaarde voor volledige vrijlating:
De gift moet aantoonbaar worden besteed aan de specifieke bestemming (bijvoorbeeld via factuur, betalingsbewijs of verklaring).
Giften van charitatieve instellingen
Giften vanuit de volgende charitatieve instellingen worden in ieder geval vrijgelaten: de Voedselbank, Kledingbank, Fonds Bijzondere Noden, Stichting Leergelden, Jeugdfonds Sport & Cultuur. Dergelijke giften worden dus buiten beschouwing gelaten.
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van de Participatiewet in balans het amendement van het lid Ceder c.s. aangenomen. Dit amendement bepaalt dat bijdragen van een voedselbank niet van invloed zijn op de hoogte van de bijstandsuitkering.
Verstrekkingen vanuit de gemeente in de vorm van het maatwerkbudget worden ook vrijgelaten.
1.4.7. Beleidsregels inzake Crowdfunding
Crowdfunding is het inzamelen van geld via een online platform of netwerk om een bepaald doel te bereiken, bijvoorbeeld medische kosten of een hulpmiddel. De opbrengst wordt beschouwd als een gift in de zin van artikel 31 Participatiewet.
Vrijlatingsregels onder Participatiewet in balans
Gemeente beoordeelt of vrijlaten verantwoord is vanuit het oogpunt van bijstandsverlening.
Factoren: doel van de gift (bijzondere kosten), redelijkheid, menselijke maat.
De volgende giften uit crowfunding met een specifieke noodzakelijke bestemming worden in ieder geval vrijgelaten:
Een gift in natura is een schenking van goederen of een andere vorm, niet zijnde geld. Denk bijvoorbeeld aan het krijgen van een wasmachine, een auto of boodschappen. Giften in natura worden op dezelfde manier beoordeeld als een gift voor een specifieke bestemming, behalve als over de ontvangst in natura niet vrijelijk kan worden beschikt. In het laatste geval gaat het om kostenbesparingen.
Giften in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt (kostenbesparingen)
Een voorbeeld van een ontvangst in natura waar niet vrijelijk over kan worden beschikt, zijn boodschappen. Dit is geen middel zoals bedoeld in artikel 31, lid 1 Participatiewet. De boodschappen worden daadwerkelijk ontvangen en de ontvanger kan niet zelf over het – met de ontvangen boodschappen gemoeide – bedrag beschikken en kan deze ook niet alsnog te gelde maken. Zij kunnen daarom worden aangemerkt als een gift in natura waarover niet kan worden beschikt.
Een gift in natura waarover niet kan worden beschikt, kan ook zijn een gekregen vliegticket dat rechtstreeks door een derde aan het reisbureau is betaald. Het gaat hier om een geldbedrag waarover niet kan worden beschikt. Het is daarom geen middel en kan niet worden aangemerkt als een gift in geld.
Beoordeling van kostenbesparingen
Als er giften in natura worden ontvangen waarover niet vrijelijk kan worden beschikt, moet worden beoordeeld of deze leiden tot een (meer dan marginaal) hoger besteedbaar inkomen dan bij een ander met een bijstandsuitkering. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als structureel boodschappen, huur of de zorgverzekering wordt betaald door iemand anders. De maandelijkse bijstand kan dan hierop worden afgestemd. Het moet gaan om een substantiële besparing (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918). Het eenmalig ontvangen van een tas met boodschappen is niet structureel en zal niet leiden tot een afstemming van de uitkering.
Nieuwe regels onder Participatiewet in Balans
Vanaf de invoering van de Participatiewet in Balans geldt dat kostenbesparingen en giften (in geld of natura) tot een bedrag van € 1.200 per kalenderjaar per huishouden automatisch worden vrijgelaten. Tot deze grens hoeft de bijstandsgerechtigde niets te melden. Pas wanneer de cumulatieve waarde van giften en kostenbesparingen boven € 1.200 uitkomt, geldt de inlichtingenplicht. De bijstandsgerechtigde moet zelf bijhouden welke giften en besparingen hij in een kalenderjaar heeft ontvangen en melden zodra de grens wordt overschreden. Dit past bij de beweging die de nieuwe Participatiewet maakt om meer uit te gaan van vertrouwen. De inlichtingenplicht blijft onverkort gelden, maar wordt toegepast vanaf overschrijding van de vrijlatingsgrens.
De vraag die zich nu aandient is of bovenstaande jurisprudentie (CRvB 23-8-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1918) onder de nieuwe Participatiewet nog actueel is.
De ratio blijft relevant, maar de toepassing verandert. De uitspraak ging over structurele boodschappen als kostenbesparing en afstemming van de uitkering. Dat principe (afstemming bij substantiële besparing) blijft bestaan, maar onder nieuwe wet wordt tot € 1.200 per jaar wordt niet afgestemd en hoeft niet gemeld te worden. Pas boven die grens kan afstemming spelen. De uitspraak blijft nuttig als achtergrond voor het begrip “kostenbesparing” en “substantiële besparing”, maar moet worden voorzien van een waarschuwing: “Let op: deze uitspraak is gedaan onder oude wetgeving; relevantie kan wijzigen door invoering Participatiewet in Balans.”.
Giften in natura waar wel vrijelijk over kan worden beschikt
Kostbare roerende en onroerende zaken kunnen wel te gelde worden gemaakt en met de opbrengst daarvan kan worden voorzien in de kosten van levensonderhoud. Denk daarbij aan een auto. Iemand kan dan zelf bepalen of hij de auto houdt of hem te gelde maakt. Daarom kunnen ontvangsten van kostbare en roerende zaken, waar vrijelijk over kan worden beschikt, aangemerkt worden als vermogensbestanddeel. Een gift in de vorm van een kostbare roerende of onroerende zaak (met een waarde van meer dan € 1.200,-) wordt dus aangemerkt als vermogen, behalve als er bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan wordt geoordeeld dat de gift uit oogpunt van bijstand verantwoord is en dus wordt vrijgelaten.
Giften in de vorm van algemeen gebruikelijke, dan wel in het specifieke geval noodzakelijke, gebruiksgoederen (denk bijvoorbeeld aan een wasmachine) worden vrijgelaten. Een dergelijk gebruiksgoed kan wel worden verkocht, maar moet daarna weer worden vervangen. De verkoopopbrengst van deze gebruiksgoederen is dan ook niet beschikbaar om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Voor meer informatie hierover worden jullie verwezen naar hoofdstuk 3 van dit handboek.
Periodieke betalingen van derden
Periodieke betalingen van derden waarover een belanghebbende vrijelijk kan beschikken en die betrekking hebben op een periode waarover een beroep op bijstand is gedaan moeten als inkomen worden aangemerkt. Dat volgt uit vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138 en ECLI:NL:CRVB: 2013:1106. Dat geldt ook voor eenmalige betalingen / bijschrijvingen van derden (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2018:2241 en ECLI:NL:CRVB:2017:1055).
Als de belanghebbende stelt dat deze bijschrijvingen giften of leningen zijn. Hoe zit het dan?
De bewijslast ligt bij de belanghebbende als hij stelt dat een betaling géén inkomen is, maar een gift of lening.
Als belanghebbende stelt dat het een gift is, dan moet hij aantonen dat het een gift betreft (bijvoorbeeld via verklaring van de gever, omstandigheden, geen terugbetalingsverplichting). Let op: ook giften kunnen als inkomen gelden als ze betrekking hebben op levensonderhoud en structureel zijn.
Als belanghebbende stelt dat het een lening is, dan moet hij bewijzen dat er een afdwingbare terugbetalingsverplichting bestaat. Schriftelijke overeenkomst, duidelijke voorwaarden, terugbetalingsschema. Ontbreekt dit? Dan wordt het niet als lening, maar als inkomen aangemerkt.
Bepaalde uitkeringen en vergoedingen voor materiële en immateriële schade worden vrijgelaten. Dit betekent dat deze niet meetellen bij de vaststelling van het recht op bijstand. En ook niet voor de hoogte van de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet). Welke uitkeringen en vergoedingen dit zijn staat in Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ (hierna: Ministeriele regeling.
In deze Ministeriele regeling zijn bijvoorbeeld de volgende uitkeringen en vergoedingen vrijgelaten voor de algemene bijstand:
Uitkeringen en vergoedingen die niet zijn genoemd in de Ministeriele regeling kunnen soms helemaal of voor een deel worden vrijgelaten. Dit kan alleen als dit volgens het college verantwoord is uit een oogpunt van bijstandsverlening (artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet). Het is aan het college om de grenzen te bepalen van wat uit het oogpunt van bijstandsverlening nog wel en wat niet verantwoord is. De rechter kan deze keuze alleen terughoudend toetsen.
Materiële schadevergoeding is een vergoeding voor schade die direct in geld is uit te drukken. Het gaat om een vergoeding voor schade of verlies van iets dat belanghebbende al had. Bijvoorbeeld vervanging van een kapotte auto of brandschade in huis. Het kunnen reeds gemaakt kosten zijn of kosten die nog gemaakt moeten worden. Bij immateriële schadevergoeding, ook wel smartengeld genoemd, gaat het om een vergoeding voor gederfde levensvreugde. Deze vergoeding is bedoeld voor geleden emotionele schade, waarvan de hoogte door een rechter of schadeverzekeraar is bepaald. Binnen de bijstandsuitkering moet worden gekeken naar de hoogte van de immateriële schadevergoeding. Is de vergoeding exorbitant hoog, of heeft deze een loon dervend karakter, dan kan dat deel wel als middel in aanmerking worden genomen. Voor het gedeelte van de immateriële schadevergoeding dat door de gemeente wordt vrijgelaten, is het aan de belanghebbende om te bepalen waar de vrijgelaten immateriële schadevergoeding voor wordt gebruikt. Invulling geven aan het hervinden van levensvreugde is immers een persoonlijke kwestie.
Het is de verantwoordelijkheid van belanghebbende om documenten aan te leveren waaruit blijkt op welke grond aan hem een schadevergoeding is toegekend. Dit kan bijvoorbeeld een besluit van een verzekeringsmaatschappij of rechtbank zijn. De bewijslast ligt bij de belanghebbende zelf; hij/zij zal zelf de schade aannemelijk moeten maken.
De schadevergoeding die de belanghebbende ontvangt voor materiële schade wordt niet als vermogen aangemerkt, tenzij de schadevergoeding niet wordt gebruikt voor het wegnemen van de schade.
Wanneer er sprake is van ontvangst van een materiële schadevergoeding door belanghebbende, zal beoordeeld moeten worden of de vergoeding is gebruikt voor het wegnemen van de schade. Indien dit niet (helemaal) het geval is, wordt het deel dat niet is aangewend om de geleden schade weg te nemen als vermogen in aanmerking genomen. Hierbij moet rekening worden gehouden met eventuele kosten die in de toekomst nog gemaakt moeten worden, zoals fysiotherapie. Indien hier sprake van is, kan de vergoeding niet als vermogen worden aangemerkt.
Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen
Schadevergoeding die is bedoeld ter compensatie van het verlies van arbeidsvermogen, wordt aangemerkt als inkomen voor de periode waarop de vergoeding betrekking heeft.
Door tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid kan iemand zijn baan verliezen. Het gevolg zal in veel gevallen zijn dat het inkomen van iemand voor een bepaalde periode, of zelfs helemaal, weg valt. Een vergoeding voor loonderving is bestemd voor de kosten van levensonderhoud en wordt daarom beschouwd als inkomen binnen de bijstand (zie CRvB 10-09-2012, nr. 10/679). Het proces van afhandelen van de schade kan lange tijd duren. De uiteindelijk toegekende schadevergoeding kan dan ook over een periode gaan die in het verleden ligt. Er zal daarom beoordeeld moeten worden op welke periode de vergoeding precies betrekking heeft. Het bedrag van de toegekende schadevergoeding wordt vervolgens gedeeld door het aantal maanden waarop deze vergoeding betrekking heeft en maandelijks gekort als inkomen. In de meeste gevallen gaat het om één bedrag, waarbij het bedrag per maand niet duidelijk is. De belanghebbende zal moeten aantonen om welk verlies van arbeidsvermogen het gaat. Dit kan bijvoorbeeld door middel van salarisspecificaties of jaaropgaven, maar ook door een overzicht van de nog te lijden schade opgemaakt door een letstelschadespecialist.
De schadevergoeding die de uitkeringsgerechtigde ontvangt voor immateriële schade wordt voor 1/3e deel vrijgelaten. De resterende schadevergoeding (2/3e deel) wordt als vermogen in aanmerking genomen.
Een vrijlating van 1/3e deel van de immateriële schadevergoeding is gebaseerd op een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep: CRvB 02-12-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AO1106 en CRvB 22-02-2011, nrs. 08/6919 WWB e.a. Het overige deel van de schadevergoeding zal als vermogen in aanmerking worden genomen op basis van artikel 34 lid 1 onder b Participatiewet.
Overigens: Een besluit om een verdeling van 1/3e deel - 2/3e deel te hanteren inzake een schade-uitkering is onvoldoende gemotiveerd als enkel verwezen wordt naar de jurisprudentie met betrekking tot een redelijke verdeling van het vrij te laten en het niet vrij te laten deel van een immateriële schadevergoeding, omdat ieder geval anders is en maatwerk geboden is (Rechtbank Oost-Brabant 30-11-2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:6641). Daarbij kan gedacht worden aan de situatie dat een belanghebbende in de toekomst nog voor extra hoge (zorg) kosten komt te staan of dat een schade-uitkering ziet op iemands hele verdere leven.
Beslisboom immateriële schadevergoeding.
Hieronder treffen jullie een beslisboom aan voor de beoordeling van een immateriële schadevergoeding.
Stap 1: Is er sprake van een immateriële schadevergoeding?
Stap 2: Is er een ministeriële vrijstelling van toepassing?
Ja → Volledige vrijlating (wordt niet als middel aangemerkt).
Stap 3: Heeft de vergoeding een aantoonbare specifieke bestemming?
Ja → Gemeente beoordeelt of volledige of gedeeltelijke vrijlating verantwoord is (maatwerk).
Stap 4: Pas standaardregel toe
1/3e deel vrijlaten (smartengeld voor persoonlijke schade)
2/3e deel als vermogen (art. 34 lid 1 onder b PW)
→ Toets of het totale vermogen boven de vermogensgrens uitkomt.
Ja → Bijstand beëindigen of herzien.
Motivering: Een standaardverdeling 1/3 – 2/3 zonder individuele beoordeling is onvoldoende (Rb Oost-Brabant 2016).
Maatwerk: Houd rekening met toekomstige kosten, levenslange schade, sociaal functioneren.
Bewijs: Belanghebbende moet aantonen dat de vergoeding een specifieke bestemming heeft (facturen, offertes, medische verklaringen).
Voorbeeld 1: Smartengeld van €15.000 na verkeersongeval → 1/3 (€5.000) vrijlaten, 2/3 (€10.000) vermogenstoets.
Voorbeeld 2: Schadevergoeding van €20.000 voor medische fout → aantoonbare toekomstige zorgkosten → mogelijk volledige vrijlating.
Voorbeeld 3: Uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven van €7.500 → volledig vrijgesteld.
Voorbeeld 4: Vergoeding van €10.000 zonder specifieke bestemming → standaardregel toepassen.
1.6a. Eigen bijdrage Wlz/ eigen bijdrage Wet forensische zorg
Forensische zorg is voor mensen met een psychische of psychiatrische stoornis die een strafbaar feit hebben gepleegd en bij wie het risico hoog is dat zij opnieuw een strafbaar feit gaan plegen. Een rechter kan dan een justitiabele veroordelen tot het ondergaan van zorg. Forensische zorg is geestelijke gezondheidszorg, verslavingszorg en verstandelijk gehandicaptenzorg die onderdeel zijn van een straf of maatregel. Tbs met dwangverpleging is de zwaarste vorm van forensische zorg. Alle andere vormen heten overige forensische zorg.
Per 1 januari 2015 is de Wet langdurige zorg (Wlz) in werking getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Vanuit de Wlz wordt zorg geleverd voor mensen die fors in hun mogelijkheden zijn beperkt en die blijvend zijn aangewezen op permanent toezicht of 24-uurs zorg in de nabijheid. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) beoordeelt of iemand recht heeft op Wlz-zorg. De uitvoering ligt bij de zorgkantoren.
Eigen bijdrage inkomen waarover redelijkerwijs kan worden beschikt
De vraag is nu of de eigen bijdrage Wlz en de eigen bijdrage forensische zorg als middelen (in dit geval inkomen) kunnen worden beschouwd waarover redelijkerwijs kan worden beschikt. Een eigen bijdrage op grond van de Wet langdurige zorg of de Wet forensische zorg is een betalingsverplichting waardoor betrokkene over dit deel van zijn inkomen niet kan beschikken. Dit betekent dus dat wij de eigen bijdrage niet rekenen tot het inkomen. Bij een draagkrachtberekening in het kader van de bijzondere bijstand bijvoorbeeld wordt voornoemde eigen bijdrage dan ook buiten beschouwing gelaten.
Het kan voorkomen dat een belanghebbende in een inrichting voedingsgeld ontvangt. Dit is ter compensatie voor eten, drinken en wassen waar iemand op grond van de Wlz recht op kan hebben. Dit wordt niet altijd in natura verstrekt. Over of het voedingsgeld voor de bijstand als inkomen moet worden aangemerkt, kunnen meerdere visies worden verdedigd.
|
Voedingsgeld van een Wlz-instelling dat rechtstreeks aan een belanghebbende wordt overgemaakt, moet als inkomen worden aangemerkt als het voedingsgeld:
Vergelijk Rechtbank Noord-Holland 3-11-2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:8773. Dit is in lijn met de vaste rechtspraak van de CRvB. In deze zaak ging het om een beoordeling over het recht op individuele inkomenstoeslag voor een persoon in een instelling met een Wajong-uitkering. Weliswaar gaat het in deze zaak niet om een persoon die recht op bijstand naar de norm van een inrichting heeft. Maar de rechtbank overweegt in zijn uitspraak ook dat de hoogte van de bijstandsnorm niet bepalend kan zijn voor de vraag of een storting als een middel kan worden aangemerkt. Alleen doet de rechtbank over het geval van een bijstandsgerechtigde in een instelling geen uitspraak omdat dat in het geschil niet aan de orde is. Voor de stelling dat voedingsgeld als inkomen in aanmerking moet worden genomen pleit ook dat het in principe gaat om periodieke stortingen en de Participatiewet niet voorziet in een specifieke vrijlating voor voedingsgeld. Ook de rechtbank Amsterdam komt tot de conclusie dat voedingsgeld inkomen is. Maar oordeelt voor de bijzondere bijstand wel dat het voedingsgeld meenemen bij de draagkracht tot onevenredige gevolgen leidt. Het grootste bezwaar is 2 zaken was dat toepassing van het gemeentelijk beleid ertoe leidt dat bewoners van een instelling de mogelijkheid wordt ontnomen om enige zelfstandigheid te ontwikkelen. Dit is in tegenspraak met de doelstelling van de instelling om bewoners waar mogelijk te ondersteunen in een ontwikkeling naar een meer zelfstandig bestaan. Zie Rechtbank Amsterdam 28-7-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4310 en Rechtbank Amsterdam 28-7-2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:4311 |
|
|
De auteurs van Schulinck Participatiewet menen dat het ook verdedigbaar is om (zo nodig begunstigend) het voedingsgeld niet als middel in aanmerking te nemen. Uitgangspunt bij de inrichtingsnorm is dat de inrichting voorziet in de voedingskosten. In dit geval heeft de inrichting hier een bedrag voor beschikbaar gesteld aan de belanghebbende. Als de inrichting wel zou voorzien in voeding werd dat ook niet aangemerkt als inkomen in natura. Betoogd kan worden dat in het geval er niet wordt voorzien in voeding maar er wel voedingsgeld beschikbaar wordt gesteld, dit dan ook geen middel is voor de bijstand. |
De gemeente Hollands Kroon heeft besloten optie 2 te omarmen. Dit betekent dat voedingsgeld niet als middel in aanmerking wordt genomen.
Crypto is een verzamelnaam voor virtuele munten. Een van de bekendste is de bitcoin. De waarde van deze virtuele munten fluctueren sterk. Indien iemand crypto bezit, zijn dat middelen waarover hij kan beschikken (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Crypto vertegenwoordigen namelijk een waarde in het economisch verkeer, kunnen te allen tijde te gelde worden gemaakt en een belanghebbende heeft de mogelijkheid om dit geld feitelijk te kunnen aanwenden om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Met de waarde van crypto moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het vermogen (artikel 34 lid 1 Participatiewet).
Onder de waarde moet dan worden verstaan de actuele waarde van de desbetreffende digitale munt. Zowel bij aanvang van de bijstand als tijdens de bijstandsverlening moet een belanghebbende op grond van de inlichtingenplicht inzage kunnen geven in (de actuele waarde van) crypto die hij bezit. Crypto worden verhandeld via speciale accounts; hiervan kan belanghebbende transactieoverzichten laten zien waarop de transacties en saldi te zien zijn.
Cryptovaluta kunnen op twee manieren worden verkregen: via een broker of een cryptocurrency exchange.
Een broker fungeert als tussenpersoon, vergelijkbaar met een wisselkantoor. Hier kunnen gebruikers betalingen doen en wordt de aangekochte cryptovaluta direct in hun eigen wallet geplaatst. Het is belangrijk om te weten dat een crypto wallet geen fysieke opslagplaats is voor cryptovaluta, maar een digitale tool om crypto te versturen en te ontvangen. Elke wallet heeft een unieke reeks cijfers en letters: de public key en private key.
De public key is het adres waar je cryptovaluta naartoe kunt sturen, terwijl de private key wordt gebruikt om toegang te krijgen tot de crypto die aan dat adres gekoppeld is. Een belanghebbende moet als dat door het college wordt gevraagd inzage geven in de wallet zodat kan worden vastgesteld welke transacties met de crypto zijn verricht. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Den Haag 5-2-2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:917.
Een cryptocurrency exchange is een online platform waar je traditionele valuta, zoals euro’s, kunt omzetten in cryptovaluta. Sinds 2021 zijn cryptocurrency exchanges verplicht om gebruikers te identificeren met een geldig identiteitsbewijs. Deze informatie wordt gedeeld met de Belastingdienst, waardoor deze inzicht krijgt in de verhandelde crypto-activa en het bezit van de gebruiker. Dit is een maatregel ter bestrijding van witwassen en belastingontduiking en maakt deel uit van de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft). In sommige gevallen moet er over de crypto’s belasting worden betaald. Cryptovaluta behoren tot de overige bezittingen in box 3, waarbij de waarde op 1 januari van het belastingjaar bepalend is.
Hoe stel je het bezit van cryptovaluta vast?
Er zijn meerdere manieren om te achterhalen of een belanghebbende cryptovaluta bezit:
Bankafschriften kunnen indicaties geven dat een belanghebbende actief is in cryptovaluta. Bijvoorbeeld door overschrijvingen naar bekende handelsplatforms zoals Binance, Coinbase of Bitvavo. Ook betalingen met creditcards of andere betaalmethoden kunnen informatie bieden.
Niet alle transacties zijn eenvoudig te herleiden. Sommige aanbieders bieden mogelijkheden om anoniem cryptovaluta te kopen. Bijvoorbeeld prepaid-diensten. P2P-platforms (peer-to-peer) maken het mogelijk direct van andere gebruikers te kopen. Dit zonder tussenkomst van een bank of gereguleerd platform. Het is daarom raadzaam om de herkomst van de middelen waarmee het crypto account gevoed is, goed te onderzoeken.
Waardevermeerdering van crypto tijdens de periode waarin bijstand wordt verleend, leidt tot een stijging van het vermogen als bedoeld in artikel 34 lid 1 Participatiewet (vergelijk CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676 (waardevermeerdering aandelen). Dit vermogen telt mee bij de vermogensvaststelling en is dus niet vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet. Alleen voor zover een waardestijging het gevolg is van door belanghebbende tijdens bijstand gedane stortingen in het crypto-account, moet de waardestijging buiten beschouwing blijven. Tijdens de bijstand gespaarde gelden zijn immers vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet.
Een bijzondere situatie kan zich voordoen wanneer een belanghebbende actief handelt in crypto. Van actieve handel in vermogensbestanddelen is sprake als de handel het normale, actieve vermogensbeheer te buiten gaat. Handel in crypto is dan een vorm van inkomstenverwerving en is dan aan te merken als werkzaamheden die op geld waardeerbaar zijn. Dit betekent dat de inkomsten uit de handel in crypto moeten worden aangemerkt als inkomsten in de zin van artikel 32 Participatiewet en dus in mindering worden gebracht op de bijstand (vergelijk CRvB 2-1-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:7 (inkomsten uit poker). Belanghebbende zal hierover verantwoording moeten afleggen middels een deugdelijke en verifieerbare boekhouding met ondersteunende bewijsstukken.
Crypto staking is het proces waarbij cryptomunten worden vastgezet in een blockchain-netwerk om transacties te valideren en het netwerk te ondersteunen. In ruil daarvoor ontvangen gebruikers beloningen in de vorm van extra cryptomunten.
De experts van Schulinck Participatiewet vinden het verdedigbaar om de beloning bij crypto staking gelijk te stellen met rente op spaargeld. Spaargeld en rente zijn niet gedefinieerd. In algemeen spraakgebruik houdt rente in “vergoeding die wordt ontvangen voor het uitlenen van geld en die betaald wordt door degene die het geld leent.” Dat is ook zo bij staking.
Spaargeld kan geld op een spaarrekening zijn, maar ook geld op een depositorekening of uitgeleend aan vrienden. Niet valt in te zien waarom crypto staking daar niet onder valt. Dat de beloning bij crypto staking kan worden vergeleken met rente op spaargeld, betekent dat deze beloning voor het recht op bijstand is vrijgelaten. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel i Participatiewet).
Indien een klant in bezit is van crypto dient er beoordeeld te worden of er enkel sprake is van bezit van crypto of dat er sprake is van een actieve handel.
Indien er enkel sprake is van bezit dan dient de klant (na de vaststelling van de waarde) in het kader van de inlichtingenplicht elk half jaar de actuele waarde hiervan door te geven. Mocht tussentijds de waardevermeerdering ertoe leiden dan de vermogensgrens wordt bereikt dan dient de klant dit binnen 7 dagen door te geven aan de gemeente.
Indien er sprake is van actieve handel dan dienen de inkomsten maandelijks in mindering te worden gebracht op de uitkering.
1.8. Aandelen, obligaties opties en futures
Een aandeel is een eigendomsaandeel in een bedrijf. Als je een aandeel koopt, word je mede-eigenaar van dat bedrijf. Je kunt winst maken als de waarde van het aandeel stijgt of via dividend (een winstuitkering).
Een obligatie is een lening aan een bedrijf of overheid. Jij leent geld uit, en in ruil daarvoor krijg je rente (couponrente) en op de einddatum je inleg terug. Obligaties zijn meestal minder risicovol dan aandelen.
Een optie is een recht om een aandeel te kopen of verkopen tegen een vooraf bepaalde prijs, binnen een bepaalde periode. Er zijn twee soorten:
Opties worden vaak gebruikt om te speculeren of risico’s af te dekken.
Futures zijn verplichte contracten om een bepaald goed (zoals aandelen, olie of graan) op een vast moment in de toekomst te kopen of verkopen tegen een afgesproken prijs. Ze worden veel gebruikt in de handel en zijn risicovoller dan opties, omdat je verplicht bent tot levering of afname.
Opbrengst van aandelen, obligaties, opties, futures, etc.
De opbrengst van aandelen is een vermogensbestanddeel waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:200). Beursgenoteerde aandelen kunnen te allen tijde te gelde worden gemaakt.
Als een belanghebbende de (beursgenoteerde) aandelen daadwerkelijk verkoopt, dan moet onder de opbrengst van aandelen worden verstaan: de actuele waarde van de aandelen, verminderd met de aan de verkoop daarvan verbonden kosten (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159).
Als het gaat om een (spaarlease)aandelenpakket dat pas een tijd na het sluiten van de overeenkomst kan worden verkocht, dan moet onder de opbrengst van de aandelen worden verstaan:
de actuele waarde van de aandelen (zie CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676).
Waardevermeerdering/-vermindering
Waardevermeerdering van aandelen tijdens de periode waarin bijstand wordt verleend, leidt tot een stijging van het vermogen. Dit vermogen telt mee bij de vermogensvaststelling en is dus niet vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet (spaargelden opgebouwd tijdens de bijstand) (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159 en CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676).
Waardevermindering van aandelen leidt tot een daling van het vermogen.
Waardevermeerdering/-vermindering op of na verkoopmoment
Als de opbrengst van aandelen op het moment van de daadwerkelijke verkoop als gevolg van een verandering van de koers hoger of lager uitvalt, zal hiermee bij de vaststelling van het vermogen rekening gehouden moeten worden (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159). Een waardedaling na de daadwerkelijke verkoop is daarentegen niet relevant. Ook een waardedaling na het moment waarop het aandelenpakket verkocht kon worden, is niet relevant (zie CRvB 24-05-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT6676). Aandelen in beleggingsfondsen die niet aan de beurs zijn genoteerd, kunnen doorgaans worden verkocht aan het betreffende beleggingsfonds die daarvoor dagelijks prijzen afgeeft. De redactie van Grip op neemt aan dat hetgeen de CRvB in de hiervoor aangehaalde uitspraken heeft bepaald ook geldt voor andere beleggingsinstrumenten dan aandelen, zoals obligaties, opties, futures, etc.
NB In de nieuwe Participatiewet is bovengenoemde jurisprudentie met betrekking tot waardedaling van aandelen na verkoop onzes inziens niet meer relevant. In de oude Participatiewet werd gewerkt met een vermogensaanwasruimte per aangesloten bijstandsperiode. Bij aanvang van de bijstand diende de gemeente de zogenaamde vermogensaanwasruimte vast te stellen: hoeveel het feitelijke vermogen bij aanvang van de bijstand gedurende de bijstand nog kan groeien. Daarna nam de gemeente gedurende de bijstandsafhankelijkheid enkel toenames in bezittingen in aanmerking. Op het moment dat de aanwasruimte wordt overschrijden stopte in principe het recht op bijstand. In de nieuwe Participatiewet wordt het werken met een vermogensaanwasruimte losgelaten. In plaats daarvan dient de gemeente steeds het daadwerkelijke actuele vermogen van betrokkene vast te stellen voor de bepaling van (continuering van) het recht op bijstand.
1.9. De afkoopwaarde van kapitaalverzekeringen, levensverzekeringen, beleggingsspaarplannen
De afkoopwaarde van kapitaalverzekeringen, levensverzekeringen, beleggingsspaarplannen, etc., moet als vermogen in aanmerking worden genomen (zie CRvB 08-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6150, CRvB 31-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3358 en CRvB 24-11-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4211). Dit omdat aan de Participatiewet en de daarop gebaseerde regelgeving het beginsel ten grondslag ligt dat een belanghebbende in de eerste plaats zelf verantwoordelijk is voor de voorziening in het bestaan.
Hetzelfde geldt voor lijfrentes die niet voldoen aan de voorwaarden die gesteld zijn in artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet en artikel 15 lid 3 Participatiewet en om die reden naar het oordeel van het college kunnen worden gezien als een voorliggende voorziening waarop een beroep moet worden gedaan. Deze lijfrentes vallen hierdoor ook niet onder de vrijlating van artikel 31 lid 6 onderdeel b Participatiewet. Let op: onder de bescherming van artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet kunnen ook zogenaamde "gemengde polissen" vallen waarin een oudedagsvoorziening en een nabestaandenpensioen gecombineerd worden. Zie hierover verder het onderdeel Bescherming van het pensioenvermogen. Hieronder wordt de regeling kort toegelicht.
Bij het vaststellen van de afkoopwaarde is niet relevant dat de afkoopwaarde lager is dan hetgeen is ingelegd. Het enkele feit dat er hoge kosten met de afkoop zijn gemoeid, maakt niet dat eventuele afkoop niet van een belanghebbende kan worden gevergd (zie CRvB 18-06-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:709).
Waardevermeerdering/-vermindering
Net als bij de waarde van aandelen geldt dat stijging of daling van de afkoopwaarde gevolgen heeft voor het vermogen van belanghebbende (zie CRvB 27-08-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159). Alleen voor zover een waardestijging het gevolg is van door belanghebbende tijdens bijstand gedane stortingen, moet de waardestijging buiten beschouwing blijven. Tijdens de bijstand gespaarde gelden zijn immers vrijgelaten op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel c Participatiewet. Het rendement moet wel worden meegeteld als vermogen.
Bij het vaststellen van de afkoopwaarde van bijvoorbeeld een lijfrenteverzekering gaat het om de netto waarde, dus het bedrag waarover belanghebbende bij afkoop daadwerkelijk de beschikking krijgt; de netto waarde. Alleen deze waarde wordt als vermogen in aanmerking genomen omdat belanghebbende over dit bedrag daadwerkelijk kan beschikken (zie Rechtbank Den Haag 18-02-2016, nr. SGR 15/6179).
Doel van deze regeling (artikel 15 lid 2 aanhef onder b van de Participatiewet) is om zelfstandigen (zzp’ers) in staat te stellen een toereikende oudedagsvoorziening op te bouwen.
De oudedagsvoorziening is gebouwd op drie pijlers. De eerste pijler is het ouderdomspensioen van de AOW. De tweede pijler is het pensioen voor werknemers binnen een door de werkgever aangeboden regeling op grond van de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling. Dit opgebouwde pensioen kan niet worden afgekocht. De derde pijler bestaat uit lijfrentevoorzieningen, zoals lijfrenteverzekeringen, lijfrentespaarrekeningen en lijfrentebeleggingsrechten. Die kunnen in de regel wel worden afgekocht. De afkoopwaarde wordt door de gemeenten bij de aanvraag van bijstand doorgaans als vermogen waarover men redelijkerwijs kan beschikken in aanmerking genomen. Het gevolg hiervan kan zijn dat de belanghebbende feitelijk worden gedwongen op dit vermogen in te teren tot aan de voor hem geldende vermogensgrens in de Participatiewet, alvorens hij voor bijstand in aanmerking komt. Dat vermogen komt dus niet ten goede aan de oudedagsvoorziening. De regeling strekt ertoe de lijfrentevoorzieningen niet als een aan de bijstand voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet te beschouwen.
De voorwaarden en grenzen in de nieuwe regeling worden hieronder besproken (zie ook artikel 15 lid 2 aanhef onder b Participatiewet)
De totale waarde van de lijfrente mag niet hoger zijn dan € 319.861,-. Dit is de waarde zonder de kosten van de financiële instelling in mindering te brengen en zonder aftrek van ingehouden belasting en premies. Als de totale waarde van de lijfrente hoger is dan wordt alleen het meerdere als vermogen in aanmerking genomen. Het maximale bedrag van € 319.861,-,-. wordt dus altijd vrijgelaten. Deze vrijlating acht de regering in overeenstemming met het vangnetkarakter van de Participatiewet.
Om voor de bescherming voor de vermogenstoets in aanmerking te komen dient de pensioenvoorziening ten minste 5 jaar voor de datum van aanvraag van bijstand te zijn getroffen. Deze periode wordt de toetsingsperiode genoemd. Deze voorwaarde wordt gesteld om te voorkomen dat de belanghebbende in het zicht van een bijstandsaanvraag een lijfrentevoorziening treft om langs die weg nog vermogen veilig te stellen.
De inleg in het kader van de lijfrente
De inleg die tijdens de toetsingsperiode van 5 jaar plaatsvindt dient in elk jaar van de toetsingsperiode te geschieden. Anders is er volgens de regering geen sprake van daadwerkelijke opbouw van pensioen. Mocht de inleg in enig jaar echter niet zijn gelukt, bijvoorbeeld vanwege een bedrijfsinvestering of privéuitgaven, dan is het college bevoegd het individualiseringsbeginsel toe te passen en de belanghebbende het niet voldoen aan deze voorwaarde niet aan te rekenen.
Aan de inleg die elk jaar tijdens de toetsingsperiode in principe dient plaats te vinden is een maximum verbonden van € 7.677,- - per jaar. Als in enig jaar de inleg hoger is, dan wordt alleen het meerdere als voorliggende voorziening beschouwd en dus als vermogen in aanmerking genomen. Middeling vindt niet plaats.
Uitstel van de ingangsdatum tijdens de toetsingsperiode
In de regeling word tevens de voorwaarde gesteld dat tijdens de toetsingsperiode de ingangsdatum van de lijfrente niet wordt uitgesteld. Wel is het college bevoegd ook hier het individualiseringsbeginsel toe te passen als voor het uitstel van de ingangsdatum een bijzondere rechtvaardiging bestaat. In dit verband kunnen worden genoemd een aanpassing van de ingangsdatum van 65 jaar naar de nu op belanghebbende van toepassing zijnde pensioengerechtigde leeftijd of in verband met het niet meer van toepassing zijn van een VUT-regeling.
Voor meer informatie over deze regeling worden jullie verwezen naar GRIP op Participatiewet van Schulinck.
Alleen de pensioenopbouw wordt beschermd
Afgezien van de mogelijkheid van een gerechtvaardigd uitstel van de ingangsdatum van de lijfrente, eindigt de bescherming op de dag waarop de lijfrente tot uitbetaling kan komen. Hierbij wordt uitgegaan van de ingangsdatum die gold bij aanvang van de toetsingsperiode. De uitgekeerde periodieke lijfrente wordt voor de bijstand gewoon als inkomen in aanmerking genomen. Als de belanghebbende het pensioen op eigen initiatief heeft afgekocht of zelf eerder heeft laten ingaan, dan geldt ook geen bescherming en wordt de lijfrente in aanmerking genomen als middel waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.
1.10. Uitkeringen kapitaalverzekeringen e.d.
Na afloop van de looptijd van de kapitaalverzekering, levensverzekering, etc. ontvangt een belanghebbende een bedrag ineens of een periodieke uitkering. Betreft het een bedrag ineens dan is dit vrijgelaten voor zover het bedrag niet hoger is dan de afkoopwaarde die al bij het vermogen is meegeteld. De reden is dat tijdens de bijstandsverlening reeds rekening is gehouden met de afkoopwaarde en deze dus kennelijk op geen enkel moment heeft geleid tot een overschrijding van de vermogensgrens. Ontvangt belanghebbende na afloop echter een periodieke uitkering, dan betreft deze uitkering inkomen dat op de bijstandsuitkering in mindering moet worden gebracht (zie CRvB 24-02-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO4954).
Het voorgaande geldt ook voor de uitgekeerde periodieke lijfrente. De uitkering zelf wordt niet beschermd door artikel 15 lid 2 onderdeel b Participatiewet. Als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan, is alleen de opbouw van het pensioenvermogen niet aan te merken als een voorliggende voorziening. Ook de vrijlating van artikel 31 lid 6 onderdeel b Participatiewet geldt niet in geval van periodieke uitkering van lijfrente.
Als de een belanghebbende een éénmalige pensioenuitkering bij wijze van afkoop ontvangt, dan moet het college beoordelen of het pensioen als inkomen of als vermogen moet worden aangemerkt. De criteria hiervoor zijn opgenomen in artikel 32 lid 1 Participatiewet: de bestemming van de inkomsten en de periode waarop de inkomsten betrekking hebben. Betreft het pensioen inkomen, dan dient het college dit te korten op de algemene bijstand.
Verplichte of vrijwillige vroegtijdige afkoop ouderdomspensioen
Afkoop ouderdomspensioen door pensioenuitvoerder
Kleine pensioenen kunnen door de pensioenuitvoerder in één keer worden afgekocht. De pensioengerechtigde ontvangt dan een bedrag ineens in plaats van een (zeer lage) periodieke pensioenuitkering. Op die manier kan de pensioenuitvoerder zijn administratieve lasten beperken. Het bedrag dat wordt ontvangen, moet als vermogen worden aangemerkt.
Als een belanghebbende vrijwillig zelf zijn ouderdomspensioen vroegtijdig laat afkopen, kan de afkoopsom als inkomen worden beschouwd.
College kan vroegtijdige afkoop ouderdomspensioen niet verplichten
Het college kan een belanghebbende niet verplichten een ouderdomspensioen vroegtijdig af te laten kopen als bedoeld in artikel 1 Pensioenwet en artikel 1 Wet verplichte beroepspensioenregeling.
Afkoop ouderdomspensioen personen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hebben bereikt
Als de afkoop van een klein ouderdomspensioen plaatsvindt voordat de belanghebbende de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, dan heeft het pensioen doorgaans betrekking op een toekomstige periode. In dat geval moet het ontvangen bedrag niet als inkomen worden gekort op de bijstandsuitkering, maar worden toegerekend aan het vermogen (zie CRvB 14-12-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO8851, CRvB 25-01-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP2458 en CRvB 31-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX3329). Het middel ziet dan namelijk niet op een periode waarin bijstand is ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b Participatiewet).
Periodieke ontvangst ouderdomspensioen voor bereiken AOW-leeftijd
Als geen sprake is van afkoop en een belanghebbende ontvangt periodiek (maandelijks) pensioen terwijl hij de AOW-leeftijd nog niet heeft bereikt, dan is dat pensioen inkomen dat maandelijks op de uitkering in mindering moet worden gebracht op grond van artikel 32 lid 1 Participatiewet. Omdat de belanghebbende de AOW-leeftijd nog niet heeft bereik is de pensioenvrijlating van artikel 33 lid 5 Participatiewet niet van toepassing (zie CRvB 25-04-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2088).
Let op: de belanghebbende heeft wel het recht ervoor te kiezen dat het afgekochte ouderdomspensioen pas ingaat op de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop het ouderdomspensioen op grond van de AOW ingaat (artikel 66 lid 10 Pensioenwet).
De pensioenuitvoerder heeft tegen de nabestaanden van een overledene het recht om partnerpensioen of wezenpensioen ten behoeve van de nabestaanden van een overleden deelnemer af te kopen. Afkoop geschiedt dan als het recht op dit pensioen is ingegaan. In deze gevallen wordt het afkoopbedrag als middel aangemerkt en toegerekend aan het inkomen van belanghebbende.
Let op: als een belanghebbende het nabestaandenpensioen afkoopt, terwijl de (ex-)echtgenoot nog niet is overleden, dan heeft het afkoopbedrag betrekking op een toekomstige periode. Dit betekent dat het afkoopbedrag als middel moet worden aangemerkt en moet worden toegerekend aan het vermogen van de belanghebbende. Indien de (ex-)echtgenoot na het toerekenen komt te overlijden, dan kan het afkoopbedrag niet daarna alsnog worden toegerekend aan het inkomen.
De afkoopwaarde van een levensverzekering moet worden aangemerkt als uitgesteld vermogen en kan niet als pensioenvoorziening worden beschouwd. Een levensverzekering heeft een ander karakter dan pensioenopbouw van werknemers omdat het doel daarvan, anders dan het geval is bij een werknemerspensioen, niet vastligt (zie CRvB 12-01-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:43).
Met andere woorden, afkoopwaarde levensverzekering wordt dus gezien als uitgesteld vermogen (dus vermogen dat beschikbaar komt bij afkoop).Kan niet worden aangemerkt als pensioenvoorziening, omdat:
Vermogen wordt in beginsel meegenomen bij de bijstandsverlening (art. 34 Pw). Afkoopwaarde telt dus wél mee als vermogen bij de bijstand, omdat het beschikbaar is. Alleen zolang het niet is afgekocht, kan het als niet-direct beschikbaar worden gezien, maar bij afkoop is het vrij besteedbaar.
Wijze van korten pensioenafkopen
Voor de wijze waarop pensioenafkoopsommen moeten worden gekort op de bijstand geldt het volgende. Het college moet vaststellen voor welke periode het pensioen is bestemd. Daarbij is het redelijk om bij die vaststelling uit te gaan van de gemiddelde levensverwachting van de groep personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt waartoe betrokkene bij de aanvang van de aanspraak op pensioen behoorde (zie CRvB 13-05-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845 en CRvB 13-12-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4757). De afkoopsom zal over de periode van de vastgestelde gemiddelde levensverwachting verdeeld moeten worden. De gemiddelde levensverwachting is te vinden in de overlevingstafels van het Centraal Bureau voor de Statistiek.
Voor het berekenen van de gemiddelde levensverwachting is een handige rekentool beschikbaar.
Ook rekening houden met de pensioenvrijlating
Daarnaast moet rekening worden gehouden met het bedrag van de pensioenvrijlating als het gaat om een persoon die de AOW-leeftijd heeft bereikt (artikel 33 lid 5 Participatiewet)
Een vrouw die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, alleenstaande is en een bijstandsuitkering via de SVB ontvangt (artikel 47a lid 1 Participatiewet), heeft recht op een maandelijks particulier pensioen van € 25,00. De pensioenverzekeraar besluit dit af te kopen voor een eenmalig bedrag van € 3.250,00. De pensioenvrijlating bedraagt per maand € 25,70.
De levensverwachting van deze vrouw bedraagt 19 jaar, zodat het pensioen geacht moet worden voor deze periode bestemd te zijn. Dit betekent per jaar een bedrag van € 171,00 (€ 3.250,00 gedeeld door 19). Maandelijks kan dan een bedrag van € 14,25 (€ 171,00 gedeeld door 12) als inkomsten worden aangemerkt. Dit bedrag ligt beneden de pensioenvrijlating van € 25,70, zodat geen korting op de uitkering algemene bijstand plaatsvindt.
Betalingen uit pensioen ex-partner
Pensioenbetalingen die de belanghebbende van de partner, van wie belanghebbende is gescheiden, ontvangt wanneer die partner de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, moeten worden aangemerkt als inkomen dat naar zijn aard overeenkomt met inkomsten in verband met arbeid op grond van een pensioenregeling (zie CRvB 23-11-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR6149 en CRvB 21-12-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AS2426).
Een loterijwinst roept de vraag op of deze moet worden gezien als inkomen of als vermogen. Er zit namelijk een verschil tussen het ontvangen van een geldbedrag uit een loterij, of het ontvangen van een geldbedrag op basis van gokactiviteiten.
Bij gokken, bijvoorbeeld in een casino of online, verricht iemand actieve handelingen die kunnen leiden tot inkomsten. Dergelijke opbrengsten vallen onder het begrip inkomsten. Zie artikel 32 Participatiewet. Bovendien is het mogelijk om van gokken, zoals pokeren, een beroep te maken.
Bij het kopen van een lot is daar geen sprake van. Het is een eenmalige handeling, gebaseerd op geluk, en niet op inspanning of structurele deelname. Winst uit een loterij heeft niet de kenmerken van inkomsten uit arbeid of gokken en voldoet niet aan de definitie van inkomen. Daarom kan een loterijwinst worden gezien als een toename van het vermogen en niet als inkomen. Op dit punt biedt de rechtspraak nog geen duidelijkheid.
1.13. Rente over vermogen beneden de vermogensgrens en bijstandsspaargeld
Rente-inkomsten zijn vrijgelaten als zij betrekking hebben op:
spaargelden die zijn opgebouwd tijdens de periode waarin bijstand wordt ontvangen. Het gaat hierbij alleen om echte spaargelden. De waardestijging van vermogensbestanddelen tijdens de bijstand kan hiermee niet op een lijn worden gesteld. Zie CRvB 16-6-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BI9813en CRvB 27-8-2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE7159.
Gaat het om aanzienlijke bedragen dan moet worden gekeken voor welk deel de bijstandsuitkering noodzakelijk is. Het is mogelijk de bijstand lager vast te stellen op grond van de algemene individualiseringsbepaling. Dit volgt uit artikel 18 lid 1 Participatiewet. Het sparen van aanzienlijke bedragen uit de bijstandsuitkering kan een aanwijzing zijn dat er wordt gefraudeerd.
1.14. (on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
1.14.1 Algemene informatie over (on)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk
Sommige organisaties geven een vrijwilligersvergoeding voor je inzet. Dit is niet verplicht, maar natuurlijk wel een fijn extraatje. Je krijgt dan bijvoorbeeld een vaste vergoeding per uur, dag(deel) of maand. Een vrijwilligersvergoeding is niet hetzelfde als salaris, daarvoor is het bedrag dat je krijgt te laag. Dat is meteen een belangrijk kenmerk van deze vergoeding: de hoogte staat eigenlijk niet in verhouding met wat je ervoor doet en hoeveel tijd het werk je kost. Zie het meer als een bedankje. Soms zit is het ook gelijk een vergoeding voor de kosten die je maakt. Je krijgt dan eigenlijk een vrijwilligers- en onkostenvergoeding ineen.
Vrijwilligersvergoeding aanvragen
Niet alle vrijwilligersorganisaties bieden een vrijwilligersvergoeding aan. Men kan dan ook niet zomaar een vrijwilligersvergoeding aanvragen. Je kunt natuurlijk wel altijd aangeven dat je graag een vergoeding ontvangt, bijvoorbeeld voor de onkosten die je maakt. Soms biedt een organisatie zelf een vergoeding aan. De organisatie en vrijwilliger spreken dan samen een vaste vergoeding af, bijvoorbeeld per uur. In Nederland kun je een vrijwilligersvergoeding krijgen als je vrijwilligerswerk doet voor:
Hoeveel is een vrijwilligersvergoeding in 2025?
De organisatie waar men vrijwilligerswerk doet, bepaalt zelf of iemand een vergoeding krijgt en wat de hoogte van de vrijwilligersvergoeding dan is. Boven een bepaald bedrag moet men wel belasting betalen over de vergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2025 € 5,60 per uur, € 210 per maand en € 2.100 per jaar. Ben je jonger dan 21 jaar en krijg je een vaste vergoeding per uur? Dan betaal je geen belasting bij een vergoeding tot € 3,30 per uur, tot een maximum van € 210 per maand en een maximum van € 2.100 per jaar.
Onkostenvergoeding vrijwilligerswerk
Naast een vrijwilligersvergoeding bestaat er ook een onkostenvergoeding voor vrijwilligers. Zoals de naam al aangeeft, dekt deze vergoeding de kosten die men maakt voor het vrijwilligerswerk. Denk aan reiskosten. Ook deze vergoeding is niet verplicht, maar veel organisaties vinden het belangrijk dat het vrijwilligerswerk je niets kost. Hoeveel je krijgt? Dat hangt af van hoeveel het vrijwilligerswerk je kost. Deze vergoeding dekt namelijk precies de door jou gemaakte kosten.
Vrijwilligersvergoeding en de Belastingdienst
De Belastingdienst kijkt mee als je vrijwilligerswerk doet. Of je daadwerkelijk belasting betaalt, hangt af van de hoogte van de vrijwilligersvergoeding. De maximale onbelaste vrijwilligersvergoeding is in 2024 € 5,50 per uur en in 2025 € 5,60 per uur. De maximale vergoedingen per maand en per jaar zijn in 2024 en 2025 hetzelfde, namelijk € 210,- per maand en € 2.100 per jaar. Krijg je een hogere vergoeding? Dan betaal je daar belasting over. De organisatie waar je vrijwilligerswerk voor doet, houdt deze belasting in op je vrijwilligersvergoeding.
Krijg je een onkostenvergoeding voor het vrijwilligerswerk? Zolang iemand alleen een vergoeding krijgt voor de kosten die je daadwerkelijk hebt gemaakt, betaal hij hier geen belasting over. Let op als je een onkostenvergoeding én een vrijwilligersvergoeding krijgt. De Belastingdienst telt deze bedragen bij elkaar op. Komt het totaal uit boven de € 210,- per maand of € 2.100 per jaar? Dan houdt de vrijwilligersorganisatie belasting in op je vergoeding. Meestal zorgen organisaties er daarom voor dat de vergoeding net onder deze grens blijft.
Wanneer wordt de vrijwilligersvergoeding belast als loon?
Het kan zijn dat een vrijwilliger meer ontvangt dan bovengenoemde vergoedingen. En dat het bedrag ook hoger is dan de door u gemaakte kosten. De hele vergoeding is dan belast voor de inkomstenbelasting. De vrijwilliger geeft deze inkomsten op in zijn aangifte inkomstenbelasting.
Werkt de vrijwilliger bij verschillende organisaties als vrijwilliger? En krijgt hij per organisatie niet meer dan de maximumvergoeding, maar alles bij elkaar opgeteld wel? Dan moet hij de vergoedingen opgeven in zijn aangifte inkomstenbelasting. De vergoeding is belast met inkomstenbelasting tenzij deze zijn kosten dekt.
1.14.2. (On)kostenvergoeding voor vrijwilligerswerk en bijstand
Een belanghebbende kan voor het verrichten van vrijwilligerswerk een (on)kostenvergoeding ontvangen. Dit wordt voor de algemene bijstand vrijgelaten. Dat wil zeggen bij de vaststelling van het recht op bijstand. En ook voor de hoogte van de algemene bijstand. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel k Participatiewet.
Personen jonger dan 27 jaar: vrijlating niet van toepassing
Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet). Van jongeren wordt verwacht dat ze op eigen kracht uitstromen. Daar is volgens de wetgever geen extra activerend instrument voor nodig (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 11). Gelet op deze specifieke situatie van jongeren, is het onderscheid naar leeftijd gerechtvaardigd. Er is dus geen sprake van leeftijdsdiscriminatie. Zie ook: CRvB 16-11-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2841.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans van kracht.
Het vrijlaten van de (on)kostenvergoeding is bedoeld voor de arbeidsinschakeling van een belanghebbende van 27 jaar of ouder. Er is geen verband met de aard en de omvang van het vrijwilligerswerk. Ook is het niet belangrijk of de belanghebbende daadwerkelijk onkosten heeft gemaakt met het vrijwilligerswerk. Het is wel aan de belanghebbende om aan te tonen dat hij vrijwilligerswerk verricht. En daarvoor de kostenvergoeding ontvangt.
De vrijlating geldt voor een kostenvergoeding die wordt verstrekt door de organisatie waarbij de belanghebbende vrijwilligerswerk verricht. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 56-58. De experts van Schulinck denken dat daaronder ook wordt begrepen een kostenvergoeding die door een derde wordt verstrekt. Bijvoorbeeld de gemeente zelf.
Onder een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk kan niet automatisch elk bedrag worden begrepen dat een belanghebbende in dat verband van de verstrekker ontvangt (zie CRvB 4-8-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2617). Dit betekent dat het bedrag toch wordt meegeteld bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand als het bedrag niet kan worden begrepen onder de kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk.
De hoogte van de vrijlating van een kostenvergoeding voor het verrichten van vrijwilligerswerk naast een uitkering bedraagt in 2025 ten hoogste € 210,00 per maand met een maximum van € 2.100,00 per jaar. Dit volgt uit artikel 7 onderdeel h Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ en artikel 2 lid 6 van de Wet op de loonbelasting 1964.
Vrijwilligersvergoeding belastingvrij
Een vrijwilligersvergoeding is onbelast als de vergoeding niet boven de hiervoor genoemde bedragen uitkomt.
Productieve arbeid in plaats van vrijwilligerswerk
Het is mogelijk dat een belanghebbende werkzaamheden verricht die niet als vrijwilligerswerk maar als productieve arbeid moeten worden aangemerkt. Deze werkzaamheden hebben een economische waarde. Er zal dan een inkomstenkorting plaats moeten vinden op basis van een fictief inkomen.
Met het bovenstaande wordt het volgende bedoeld. Onder vrijwilligerswerk worden werkzaamheden geschaard zonder economische waarde, vaak bij maatschappelijke organisaties, zonder loon of winstdoel. Onder productieve arbeid vallen werkzaamheden die een economische waarde vertegenwoordigen, ook als er geen loon wordt betaald. Als iemand productieve arbeid verricht, moet op grond van art. 31 Participatiewet een fictief inkomen worden toegerekend, omdat de belanghebbende in feite een voordeel geniet dat vergelijkbaar is met loon. De CRvB heeft meerdere keren geoordeeld dat het niet uitmaakt of er feitelijk loon wordt betaald; als de werkzaamheden normaal gesproken tegen betaling worden verricht, is er sprake van economische waarde. Het doel is te voorkomen dat bijstand wordt verstrekt terwijl iemand in feite een verdiencapaciteit benut.
Voorbeeld 1 – Vrijwilligerswerk
Een belanghebbende helpt één keer per week in een buurthuis koffie schenken. Dit levert geen economische waarde op (geen vervanging van betaalde arbeid).
Voorbeeld 2 – Productieve arbeid
Een belanghebbende werkt 20 uur per week in een kringloopwinkel, verricht kassawerk en sorteert goederen. Normaal gesproken zou dit tegen betaling gebeuren.
→ Fictief inkomen toerekenen op basis van het minimumloon voor 20 uur.
Voorbeeld 3 – Meewerken in bedrijf van partner
Een belanghebbende helpt structureel mee in het bedrijf van de partner (bijv. administratie, klantencontact).→ Economische waarde aanwezig → fictief inkomen.
Hoe bereken je fictief inkomen?
Uitgangspunt: minimumloon voor het aantal gewerkte uren.
Dit wordt als inkomen in mindering gebracht op de bijstand (art. 32 Participatiewet).
De belanghebbende is verplicht om het verrichten van vrijwilligerswerk te melden aan het college.
1.14.3. Samenvatting kostenvergoeding vrijwilligerswerk
Wanneer is een vrijwilligersvergoeding onbelast?
Voor 2025 gelden de volgende maximumbedragen:
De vergoeding wordt belast als:
Bijstandsuitkering en vrijwilligersvergoeding
Als iemand een bijstandsuitkering ontvangt, dan geldt:
Tot € 210 per maand en € 2.100 per jaar: géén invloed op de uitkering.
Boven deze bedragen: de vergoeding wordt als inkomen gezien en kan leiden tot een verlaging of beëindiging van de uitkering.
1.15 Vergoedingen en verstrekkingen (verwervingskosten)
Bepaalde vergoedingen en verstrekkingen voor verwervingskosten worden vrijgelaten voor de algemene bijstand. Deze vrijlating geldt alleen als er geen bijzondere bijstand voor de verwervingskosten is verleend. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet.
Een ander vraagstuk is of inkomsten mogen worden verminderd met de kosten die zijn gemaakt om dit inkomen te verkrijgen. Denk bijvoorbeeld aan reiskosten of andere onkosten. Deze verwervingskosten mogen niet in mindering worden gebracht op het inkomen. Zie CRvB 20-06-2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AJ9668, CRvB 27-06-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2320 en CRvB 25-2-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:446).
Gok- en spelinkomsten worden ook als verwervingskosten in aanmerking genomen. Zie bijvoorbeeld over de kosten van deelname en inzet van een online pokerspel: CRvB 2-1-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:7. Dit geldt evenzeer voor eenmalig ontvangen gokinkomsten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-10-2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:6247).
Als de opbrengsten uit onderhuur volledig worden gebruikt om contractuele verplichtingen na te komen zoals de huur en nutsvoorzieningen, kan er niet redelijkerwijs over deze inkomsten worden beschikt. Er is dan geen middel in de zin van artikel 31 lid 1 Participatiewet. Dit volgt uit Rechtbank Oost-Brabant 16-12-2021, ECLI:NL:RBOBR:2021:6502.
Dit blijft ook in Participatiewet in balans hetzelfde. De wetgever heeft op dit punt niets gewijzigd.
Onkostenvergoedingen zijn vrijgelaten als deze reëel zijn. Dit betekent dat de vergoeding niet hoger mag zijn dan de werkelijke kosten. In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat iemand een vergoeding krijgt voor werkzaamheden die voor een deel bestaat uit een onkostenvergoeding. Dit deel is dan vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet. Voor de rest moet het college de vergoeding korten als inkomsten.
Dit geldt ook als het deel dat is bedoeld als onkostenvergoeding onvoldoende is om de feitelijke verwervingskosten te bestrijden (zie CRvB 16-01-2001, nr. 99/606 NABW). Als de verwervingskosten niet worden gedekt door de onkostenvergoeding kan de belanghebbende een aanvraag bijzondere bijstand indienen. Zie CRvB 27-06-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY3569.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd..
Een bruto reiskostenvergoeding die met loonheffing belast is, is géén eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 aanhef en onder f Wet op de loonbelasting 1964. Dit kan dus niet worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onder g Participatiewet (CRvB 30-10-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3513).
Stel een belanghebbende valt onder de regeling voor artiesten en beroepssporters. Dan hoeft dat niet te betekenen dat de inhoudsplichtige de bedragen die belanghebbende heeft ontvangen voor de optredens als eindhefffingsbestanddeel heeft aangemerkt als bedoeld in artikel 31 aanhef en onder f Wet op de loonbelasting 1964 (zie CRvB 16-07-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2313). Eindheffingsloon wordt van de werkgever geheven. Dit hoort dus niet tot het loon van een werknemer en hoort dus ook niet tot zijn verzamelinkomen voor de inkomstenbelasting.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd..
Een ontvangen aanbrengbonus kan soms worden vrijgelaten. Dit is het geval als de aanbrengbonus door de werkgever is ondergebracht in de vrije ruimte van de werkkostenregeling. De bonus is dan onbelast. In dat geval is de bonus een eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31 lid 1 onderdeel f Wet op de loonbelasting 1964. Daarmee valt de bonus onder artikel 31 lid 2 onderdeel g Participatiewet en telt niet mee als middel.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd
Zorgprofessionals die zich tussen 1 maart tot 1 september 2020 hebben ingezet voor patiënten en cliënten met COVID-19 of hebben bijgedragen aan de strijd tegen corona, of beide, hebben mogelijk recht op de zorgbonus. De zorgbonus 2021 is voor zorgprofessionals die dat hebben gedaan tussen 1 oktober 2020 tot 15 juni 2021. Deze bonus wordt vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onder g Participatiewet.
Deze regel blijft ook in Participatiewet in balans ongewijzigd
1.16. Schadevergoeding gedupeerden kinderopvangtoeslagaffaire
De schadevergoeding die een belanghebbende ontvangt in verband met het herstel van toeslagen (toeslagenaffaire) zoals hieronder opgesomd mag niet worden meegeteld als middel voor de algemene bijstand. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
Een deel van de hersteloperatie vindt plaats binnen het reguliere regime van tegemoetkomingen in de zin van de Awir. Globaal kan binnen dat regime tot 5 jaar geleden zaken worden hersteld. Denk aan het opnieuw vaststellen van het recht op kinderopvangtoeslag. De betaling die daaruit volgt is vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel d Participatiewet.
Geld dat wordt ontvangen op grond van de kindregeling - als onderdeel van het inmiddels aangenomen Wetsvoorstel hersteloperatie toeslagen - is geen middel. De kindregeling is een herstelregeling voor kinderen van vastgesteld gedupeerde ouder(s)/verzorger(s). Deze vrijlating wordt opgenomen in artikel 7 onderdeel p van de Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
Invloed compensatie op bijzondere bijstand
Voor de bijzondere bijstand kan de compensatie wel worden meegeteld als middel. Dat is afhankelijk van wat in het gemeentelijk beleid is bepaald. Echter, In het geldende bijzondere bijstandsbeleid van Hollands Kroon is hierover niets opgenomen. Voorgesteld wordt om in afwachting van eventueel nieuwe beleid dienaangaande de compensatie niet mee te tellen als middel.
Vrijgelaten compensaties voor de algemene bijstand
Welke compensaties in verband met het herstel van toeslagen worden vrijgelaten voor de algemene bijstand? Het betreft:
de tegemoetkoming voor kind, bedoeld in artikel 2.10 of artikel 2.11a van de Wet hersteloperatie toeslagen, of de tegemoetkoming voor pleegkind of voormalig pleegkind, bedoeld in artikel 2.11 of artikel 2.11b van de Wet hersteloperatie toeslagen. Dit geldt ook voor het kind en (voormalig) pleegkind van de ex-partner;
Hoe werkt het vrijlaten van de schadevergoeding in de praktijk?
Er kunnen twee situaties worden onderscheiden. Het gaat daarbij om het moment waarop de schadevergoeding is ontvangen:
De schadevergoeding is ontvangen tijdens de lopende bijstandsperiode
Als de schadevergoeding wordt ontvangen tijdens de lopende periode van bijstandsverlening geldt sowieso dat deze wordt vrijgelaten. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
Worden met de schadevergoeding spullen gekocht? Dan heeft dat in principe geen gevolgen voor het recht op bijstand. Er is namelijk slechts sprake van een verandering van de vorm van het vermogen. De vrijgelaten schadevergoeding wordt namelijk slechts omgezet in een goed. Er is dus geen sprake van vermogenstoename. Het is wel van belang dat te herleiden is dat het goed is gekocht met de schadevergoeding.
Wordt het met de schadevergoeding gekochte goed verkocht? Dan zal dat vaak ook geen gevolgen hebben voor de bijstandsverlening. Denk aan een aangeschafte auto die weer wordt verkocht. In die gevallen geldt namelijk het ‘vervangingsvermoeden’. Dat betekent dat bij verkoop van een bezitting in natura, het vermoeden gerechtvaardigd is dat zo'n gebruiksgoed wordt vervangen. En dat met de opbrengst van de verkoop een nieuw vergelijkbaar goed wordt aangeschaft. Het geld is dan niet beschikbaar om in andere noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.
De schadevergoeding is ontvangen voorafgaande aan de lopende bijstandsperiode
Er kunnen 2 situaties worden onderscheiden:
De schadevergoeding staat nog op een bankrekening
Staat de schadevergoeding op een aparte bankrekening? Dan is duidelijk dat dit bedrag afkomstig is van de schadevergoeding. Dan kan dat geld worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet samen met artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ.
Staat de schadevergoeding samen op een bankrekening met eigen geld? Dan heeft er vermenging van eigen geld met de schadevergoeding plaatsgevonden. Het is dan lastig om te achterhalen wat is betaald met het eigen geld en wat is betaald met de schadevergoeding. En in hoeverre de schadevergoeding nog op de bankrekening staat. In deze gevallen kan eventueel als richtlijn worden gesteld dat lopende zaken vaak geacht kunnen worden te zijn betaald met het eigen geld. Dit omdat die kosten er ook zouden zijn als geen schadevergoeding is ontvangen. Denk aan boodschappen en vaste lasten. Bijzondere uitgaven zouden in beginsel kunnen worden geacht te zijn betaald met de schadevergoeding. Denk aan de koop van een auto. Dit omdat het verdedigbaar is te stellen dat deze betalingen misschien niet mogelijk zouden zijn geweest zonder de schadevergoeding.
De schadevergoeding is helemaal of voor een deel besteed aan spullen
In dat geval geldt de vrijlating formeel niet. Artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ laten alleen de schadevergoeding vrij. De schadevergoeding is er niet meer als belanghebbende het geld al voor de lopende bijstand heeft uitgegeven. De gekochte zaken - bijvoorbeeld een woning of een auto - vallen officieel niet onder de vrijlating.
Wel kan verdedigd worden dat het college de vrijlating van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ oprekt. De bepaling moet dan zo worden gelezen dat ook zaken die voorafgaand aan de bijstand met de schadevergoeding zijn gekocht zijn vrijgelaten met toepassing van artikel 31 lid 2 onderdeel l Participatiewet en artikel 7 onderdeel p Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ. Wel is het dan nodig dat te herleiden is dat de zaak is gekocht met de schadevergoeding. Met deze lezing voorkomt het college dat gedupeerden zich beperkt zouden voelen om de schadevergoeding uit te geven uit angst later geen recht op bijstand te hebben. Ook wordt hiermee voorkomen dat deze gedupeerden nadeliger af zijn dan gedupeerden die pas in de bijstand de schadevergoeding gaan uitgeven.
De gemeente Hollands Kroon heeft besloten deze lijn te volgen.
Voornoemde problematiek kan zich ook voordoen als iemand meer dan 30 dagen geen recht heeft op bijstand en daarna weer wel recht heeft op bijstand. Dan ontstaat er een nieuwe periode van recht op bijstand. En dat betekent onder andere dat het vermogen opnieuw moet worden vastgesteld. Dan moet formeel opnieuw beoordeeld worden wat met de schadevergoeding is gekocht en wat eventueel nog moet worden vrijgelaten.
Om een zaak die is gekocht met de schadevergoeding vrij te laten bij het vaststellen van het recht op bijstand, is het nodig dat herleidbaar is dat de zaak is gekocht met het geld van de schadevergoeding. Daarom is het handig als belanghebbende hiervan een administratie heeft bijgehouden.
Door uitgaven eerder een beroep op bijstand
Stel: een belanghebbende heeft voorafgaande aan de bijstand veel geld uitgegeven waardoor hij (mogelijk) eerder een beroep op bijstand moet doen. Als iemand te snel zijn eigen geld opmaakt, kan dit wijzen op een gebrek aan verantwoordelijkheid voor het voorzien in zijn eigen bestaan. Dit wordt het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan genoemd. Het is dan mogelijk de bijstand af te stemmen. Of de bijstand in de vorm van een geldlening toe te kennen. In de gemeente Hollands Kroon is gekozen voor de tweede optie. .
Maar stel dat iemand zijn schadevergoeding snel heeft opgemaakt? In dat geval is er geen sprake van een gebrek aan verantwoordelijkheid. De schadevergoeding is vrij te besteden en heeft geen invloed op de bijstand. Dit mag een belanghebbende dus snel opmaken.
Als een woning voor een deel is betaald met de schadevergoeding, kan het vermogen dat in de woning zit, lager uitvallen door het deel dat met de schadevergoeding is betaald. Er kan toch verwarring ontstaan over hoe de betaling is gedaan. Bijvoorbeeld, het is niet altijd duidelijk of de kosten voor de woning zijn betaald met eigen geld of met de schadevergoeding. Ook kan de vraag gesteld worden of het deel van de woning dat zelf is gefinancierd, met eigen geld of met de schadevergoeding is betaald.
Een belangrijk aspect van de relatie tussen de Participatiewet en de heffingskortingen is dat de heffingskortingen (deels) tot de middelen van belanghebbende behoren (artikel 31 lid 1 Participatiewet). Dit geldt zowel voor de heffingskortingen die via de voorlopige teruggaaf lopen (zie CRvB 16-02-2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL6380) als de loonheffingskortingen. De volgende heffingskortingen moeten als middel worden aangemerkt en derhalve worden gekort op de uitkering:
Voor de volgende heffingskortingen moet bij de belastingdienst een (voorlopige) teruggave worden aangevraagd indien men ervoor in aanmerking wil komen:
Ook indien de belanghebbende één van bovengenoemde heffingskortingen (via voorlopige teruggaaf of verrekening bij loon) niet ontvangt, maar wel recht heeft op de heffingskorting, moet het college deze heffingskortingen korten op de uitkering. Een voorlopige teruggave behoort ook tot de middelen van een belanghebbende, ook indien die door een verrekening met schulden aan de Belastingdienst niet of niet volledig wordt uitbetaald (zie CRvB 26-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0219 en CRvB 12-12-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2471). Een belanghebbende kan ook beschikken over de heffingskorting waar beslag op rust. Dat de heffingskorting niet tot uitbetaling komt maar wordt besteed aan de aflossing van schulden maakt dit niet anders. Het zijn middelen waarover een belanghebbende op grond van artikel 31 lid 1 Participatiewet redelijkerwijs kan beschikken .
De keuze voor het fiscaal partnerschap is per 1 januari 2011 vervallen. Iemand is verplicht fiscaal partner of niet, er is geen keuze meer. Middelen waarop geen recht bestaat kunnen niet worden gekort op de uitkering. Het is niet mogelijk om belanghebbenden op grond van artikel 55 Participatiewet te verplichten te voldoen aan een of meer voorwaarden voor fiscaal partnerschap waardoor er wel een mogelijk recht op heffingskorting minstverdienende partner zou kunnen bestaan.
Het is ook in het voordeel van belanghebbende om een voorlopige teruggave van de heffingskorting aan te vragen als hij daar recht op heeft. Maakt belanghebbende geen gebruik van de voorlopige teruggave, dan loopt hij het risico dat hij geconfronteerd kan worden met een bruto-terugvordering (als de jaargrens wordt overschreden).
De jonggehandicaptenkorting is vrijgelaten en wordt niet tot de middelen van een belanghebbende gerekend (artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet). Deze vrijlating is niet van toepassing ten aanzien van personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 5 Participatiewet).
In de praktijk doet zich soms de situatie voor dat de minstverdienende partner in het buitenland verblijft en alleen over een buitenlandse bankrekening beschikt. Hij kan in dat geval zijn heffingskorting laten overmaken aan zijn in Nederland verblijvende belastingplichtige partner (overmaken naar het buitenland is sinds 2002 echter ook mogelijk). Indien die partner in Nederland bijstand ontvangt als alleenstaande of alleenstaande ouder dan is de vraag of de heffingskorting van de buitenlandse partner gekort moet worden. Het antwoord luidt als volgt:
De heffingskorting voor een in het buitenland verblijvende persoon die aan een in Nederland verblijvende bijstandsgerechtigde partner wordt uitbetaald, komt toe aan de in het buitenland verblijvende persoon en kan derhalve niet op de bijstandsuitkering voor een alleenstaande of alleenstaande ouder worden gekort. Dit volgt uit artikel 32 lid 4 Participatiewet.
Deze praktijkregel – dat de heffingskorting van een buitenlandse partner niet op de bijstand wordt gekort – blijft ook onder de Participatiewet in Balans van kracht. Gemeenten moeten dit blijven toepassen.
Gemeentelijk beleid inzake heffingskortingen
Op grond van artikel 19 lid 2 Participatiewet is de hoogte van bijstandsuitkering het verschil tussen het inkomen en de van toepassing zijnde bijstandsnorm. Artikel 31 lid 1 Participatiewet jo. artikel 32 lid 1 onderdeel a Participatiewet bepaalt dat een teruggave en een voorlopige teruggave van inkomstenbelasting in verband met de toepasselijke heffingskorting van hoofdstuk 8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 geldt als inkomen. Gezien het feit dat artikel 31 lid 1 Participatiewet niet alleen ziet op middelen waarover daadwerkelijk wordt beschikt, maar ook op middelen waarover redelijkerwijs beschikt kan worden, betekent dit dat indien belanghebbende geen (voorlopige) teruggave aanvraagt het college de daardoor niet ontvangen heffingskorting toch als inkomen in aanmerking neemt.
Vanwege het bepaalde in artikel 31 lid 2 onderdeel c Participatiewet wordt de jonggehandicaptenkorting niet tot de middelen gerekend en is dus geen in aanmerking te nemen inkomen. Deze vrijlating geldt niet voor personen jonger dan 27 jaar (artikel 31 lid 7 Participatiewet).
Op grond van artikel 55 Participatiewet kan het college belanghebbende verplichten om, indien hij daar recht op heeft, een aanvraag voor (voorlopige) teruggave in te dienen. Hierdoor wordt de bijstand immers verminderd. Indien belanghebbende deze verplichting schendt, kan het college, mits de afstemmingsverordening daarin voor ziet, het recht op bijstand verlagen. Uiteraard komt een verplichting om een voorlopige teruggave aan te vragen niet meer aan de orde als het college reeds heeft geoordeeld dat het bedrag aan voorlopige teruggave beschouwd kan worden als middelen waarover belanghebbende redelijkerwijze kan beschikken en dit bedrag reeds heeft gekort op de uitkering van belanghebbende. De ontvangst van de teruggave leidt in dat geval immers niet tot een verminderde behoefte aan bijstand.
NB: de heffingskorting geldt alleen maar als inkomen voor zover deze betrekking heeft op een periode waarin bijstand wordt ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b Participatiewet).
De kan-bepaling in artikel 55 blijft in de Participatiewet in Balans bestaan: het college kan belanghebbende verplichten om een aanvraag voor (voorlopige) teruggave in te dienen als hij daar recht op heeft. Het doel blijft hetzelfde: vermindering van de bijstand door benutting van voorliggende voorzieningen. Er is dus geen inhoudelijke wijziging in de Participatiewet in Balans die deze verplichting opheft of fundamenteel verandert. Gemeenten kunnen dit dus blijven opleggen.
Nieuwkomers algemene heffingskorting verplichting opleggen tot belastingaangifte
Nieuwkomers die een bijstandsuitkering ontvangen, kunnen via de belastingaangifte recht hebben op (een deel van) de algemene heffingskorting. De vraag is of je hen verplicht kunt stellen om aangifte te doen. En zo ja, is het opportuun nieuwkomers deze verplichting op te leggen?
Volgens de Belastingdienst geldt:
Waarom aangifte doen toch zinvol is:
“Naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk 2 in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door het college verbonden worden, kan het college verplichtingen opleggen die:
Pro: Als de belastingaangifte aantoonbaar leidt tot een lagere bijstandsbehoefte, zou het opleggen van deze verplichting verdedigbaar zijn.
Contra: De belastingaangifte is een bevoegdheid van de Belastingdienst, en het afdwingen daarvan door de gemeente kan worden gezien als een overschrijding van bevoegdheden.
Uit een analyse van Berenschot in opdracht van de VNG blijkt dat gemeenten al kampen met structurele tekorten op de uitvoering van de Participatiewet.
In 2026 wordt een tekort van €86 miljoen verwacht voor de begeleiding van de nieuwe doelgroep.
De gemiddelde kosten voor begeleiding van een persoon uit de nieuwe doelgroep liggen tussen de €6.500 en €11.000 per jaar.
Ja, je kunt het opleggen. Maar of het verstandig is, hangt af van:
De uitvoeringscapaciteit: heeft de gemeente voldoende mensen en middelen? Gelet op alle ontwikkeling in de sociale zekerheid (Participatiewet in Balans, wetsvoorstel maatwerk terugvordering etc.), staat de personele capaciteit al behoorlijk onder druk. Deze exercitie zal de druk op de ambtelijk capaciteit die al groot is alleen maar doen toenemen.
Na alle belangen tegen elkaar te hebben afgewogen wordt het niet opportuun geacht om nieuwkomers te verplichten belastingaangifte te doen.
1.18. Tegemoetkoming jonggehandicapten op grond van de Wajong
Wajong’ers onder de 21 jaar ontvangen een tegemoetkoming. De tegemoetkoming is een aanvulling op de inkomensvoorziening of de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit is geregeld in artikel 1a:12 lid 1 onderdeel f Wajong, artikel 2:52 Wajong, artikel 3:10 Wajong en de Regeling tegemoetkoming Wajong-ers.
De tegemoetkoming wordt uitgevoerd door het UWV. De tegemoetkomingen worden maandelijks verstrekt. Dit samen met de uitkeringen op grond van de Wajong.
De tegemoetkoming wordt vrijgelaten bij het vaststellen van het recht op en de hoogte van de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel q Participatiewet). Of deze tegemoetkoming tevens een vrijgelaten middel is als het gaat om de draagkracht bij de bijzondere bijstand hangt van het gemeentelijk beleid. NB Volgens het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon wordt deze tegemoetkoming vrijgelaten.
De jonggehandicapte die op 1 januari van een kalenderjaar de leeftijd van 18, 19 of 20 jaar heeft bereikt, heeft met ingang van 1 januari van dat jaar gedurende dat jaar recht op een maandelijkse tegemoetkoming. Met ingang van 1 januari 2025 bedraagt de bruto tegemoetkoming bedraagt per maand:
Uit de beschikbare informatie blijkt dat de tegemoetkoming voor Wajong-gerechtigden onder de 21 jaar zoals geregeld in:
artikel 1a:12 lid 1 onderdeel f Wajong,
artikel 2:52 en 3:10 Wajong, en
de Regeling tegemoetkoming Wajongers
niet is gewijzigd onder de nieuwe Participatiewet in balans.
Een tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 29a Anw moet worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 onderdeel p Participatiewet.
Mensen met een nabestaandenuitkering of met een wezenuitkering kunnen een tegemoetkoming ontvangen. Deze tegemoetkoming vult de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering aan. Dit is geregeld in artikel 29a Anw. Regels over de hoogte, de indexering en de wijze van betaling van de tegemoetkoming staan in het Besluit tegemoetkoming Anw’ers .
De tegemoetkoming zoals bedoeld in artikel 29a Anw wordt vrijgelaten voor de algemene bijstand (artikel 31 lid 2 onderdeel p Participatiewet). Of deze tegemoetkoming tevens een vrijgelaten middel is als het gaat om de draagkracht bij de bijzondere bijstand hangt af van het gemeentelijk beleid. NB Volgens het bijzondere bijstandsbeleid van de gemeente Hollands Kroon wordt deze tegemoetkoming vrijgelaten.
De tegemoetkoming bedraagt vanaf 1 januari 2025 € 21,16 per maand per uitkeringsgerechtigde (artikel 2 lid 1 Besluit tegemoetkoming Anw’ers). Dit resulteert in een netto hoger bedrag van € 13,75 per maand. De betaling van de tegemoetkoming geschiedt maandelijks tezamen met de betaling van de nabestaandenuitkering en de wezenuitkering (artikel 3 Besluit tegemoetkoming Anw’ers).
De tegemoetkoming op grond van artikel 29a Anw blijft vrijgelaten bij de toepassing van de Participatiewet, ook onder de nieuwe Participatiewet in balans. Er is geen inhoudelijke wijziging doorgevoerd op dit punt.
1.20. Uitkering voor levensonderhoud voor personen jonger dan 21 jaar
Een uitkering voor levensonderhoud die een belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder(s) ontvangt op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan worden vrijgelaten. Dit is de verplichte ouderlijke onderhoudsbijdrage. Vrijlaten is alleen mogelijk als deze uitkering op grond van artikel 12 Participatiewet al is meegenomen bij het bepalen van het recht op bijzondere bijstand voor het levensonderhoud. Dit volgt uit artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet). Bijzondere bijstand op grond van artikel 12 Participatiewet is voor jongeren van 18 t/m 20 jaar onder omstandigheden mogelijk om de (lagere jongerennorm aan te vullen.
Bijzondere bijstand voor levensonderhoud is mogelijk als de noodzakelijke kosten van het bestaan van de jongere uitgaan boven de bijstandsnorm. En hij voor deze kosten geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat:
Vanaf 1 januari 2026 verandert de manier waarop jongeren tussen de 18 en 21 jaar ondersteuning krijgen via de bijstand. Deze wijziging is onderdeel van de Participatiewet in Balans en zorgt voor meer gelijkheid en duidelijkheid.
Ook in de nieuwe wetgeving geldt dat een jongere in aanmerking voor de aanvulling van € 634 als:
Aan artikel 20 van de Participatiewet zijn twee leden toegevoegd, namelijk lid 3 en lid 4.
Artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet is te beschouwen als de uitzondering op de hoofdregel. Alleen dan wordt een bijdrage in het levensonderhoud niet als middel aangemerkt.
In de Participatiewet in Balans blijft artikel 31 lid 2 sub v grotendeels hetzelfde qua strekking, maar er is geen inhoudelijke wijziging aangekondigd voor dit onderdeel. Het blijft dus:
“een uitkering tot levensonderhoud op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek die de belanghebbende jonger dan 21 jaar van zijn ouder of ouders ontvangt, voor zover deze uitkering op grond van artikel 12 reeds in aanmerking is genomen bij de vaststelling van het recht op aanvullende algemene bijstand.” De zinsnede “aanvullende algemene bijstand” is nieuw. Vroeger stond daar “bijzondere bijstand”.
Met andere woorden, is bij de verstrekking van de aanvullende algemene bijstand op grond van artikel 20 lid 3 en lid 4 Participatiewet geen rekening gehouden met een dergelijke bijdrage? Dan is artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet niet van toepassing.
NB De bedragen die in de onderstaande praktijkvoorbeelden worden genoemd zijn fictief.
X (18 jaar) is uitwonend en ontvangt sinds een half jaar algemene bijstand naar de jongerennorm tot 21 jaar. Deze is € 300,- per maand. Doordat X niet thuis woont is deze norm te laag om van rond te komen. Daarom heeft het college algemene aanvullende bijstand voor de algemene kosten van bestaan (artikel 20 Participatiewet) toegekend. Deze is in totaal € 700,-. Hiermee heeft X even veel als een persoon van 21 jaar of ouder die alleen algemene bijstand ontvangt. Die norm is namelijk € 1.000,-.
Van zijn vader ontvangt hij sinds 2 maanden een maandelijkse bijdrage van € 200,-. Is de bijdrage van de vader van X inkomen? En zo ja, hoe moet deze in mindering worden gebracht op de bijstand?
Ja, de bijdrage is inkomen. Dit inkomen moet in mindering worden gebracht op de bijstand. Er zijn twee opties:
X (18 jaar) is uitwonend en ontvangt sinds een half jaar algemene bijstand naar de jongerennorm tot 21 jaar. Deze is € 300,- per maand. Doordat X niet thuis woont is deze norm te laag om van rond te komen. Daarom heeft het college aanvullende algemene bijstand voor de algemene kosten van bestaan (artikel 20 Participatiewet) toegekend. Deze is in totaal € 700,-. Hiermee heeft X even veel als een persoon van 21 jaar of ouder die alleen algemene bijstand ontvangt. Die norm is namelijk € 1.000,-.
Van zijn vader ontvangt hij sinds 2 maanden een maandelijkse bijdrage van € 800,-. Is de bijdrage van de vader van Milan inkomen? En zo ja, hoe moet deze in mindering worden gebracht op de bijstand? Ja, de bijdrage is inkomen. De € 800,- is minder dan het totaal aan bijstand dat Milan ontvangt. Er moet eerst worden gekort op de algemene bijstand. Vervolgens moet het meerdere in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de hoogte van de aanvullende algemene bijstand (artikel 20 Participatiewet).
Algemene bijstand € 300 - inkomsten € 800 = boven norm € 500,-.
Norm aanvulling algemene bijstand € 700 - inkomsten boven algemene bijstand jongerennorm € 500 = € 200,- recht op aanvullende algemene bijstand.
Onderhoudsbijdrage vrijlaten als er geen recht op aanvullende algemene bijstand bestaat vanwege die bijdrage
Ontvangt een jongere algemene bijstand, maar geen aanvullende algemene bijstand voor het levensonderhoud? Dan kan onder omstandigheden de onderhoudsbijdrage toch worden vrijgelaten. De experts van Schulinck denken dat de werking van artikel 31 lid 2 onderdeel v Participatiewet moet worden opgerekt in gevallen waarin een jongere geen recht heeft op aanvullende algemene bijstand op grond van artikel 20 Participatiewet vanwege de onderhoudsbijdrage.
Let op: woont de jongere nog thuis? Dan geldt dat op die manier al wordt voldaan aan de onderhoudsplicht. Als de jongere daarnaast nog een geldbedrag als onderhoudsbijdrage ontvangt, kan dit bedrag niet worden vrijgelaten. Dit bedrag moet in dat geval worden gekort op de algemene bijstand. Dit omdat met dit bedrag de onderhoudsplicht wordt overschreden.
X (18 jaar) is thuiswonend bij zijn vader en moeder en ontvangt bijstand naar de jongerennorm tot 21 jaar. Deze is € 300,- per maand. Daarnaast ontvangt hij van zijn ouders een maandelijkse bijdrage van € 200,-. Is de bijdrage van € 200,- van X inkomen? En zo ja, hoe moet deze in mindering worden gebracht op de bijstand? Ja, de bijdrage is aan te merken als inkomen. X woont thuis en daarom is al voldaan aan de onderhoudsplicht van de ouders. De bijdrage moet in mindering worden gebracht op de algemene bijstand, de jongerennorm. De algemene bijstand voor X bedraagt dan: € 300 - € 200 = € 100,- per maand.
X (18 jaar) heeft gescheiden ouders. Hij woont bij zijn moeder. Op deze manier voldoet moeder aan haar onderhoudsplicht. Milan ontvangt bijstand naar de jongerennorm tot 21 jaar. Deze is € 300,- per maand. Daarnaast ontvangt hij van zijn vader een maandelijkse bijdrage van € 200,-. Is de bijdrage van € 200,- van X inkomen? En zo ja, hoe moet deze in mindering worden gebracht op de bijstand? Ja, de bijdrage is aan te merken als inkomen. De bijdrage moet in mindering worden gebracht op de algemene bijstand, de jongerennorm. De algemene bijstand voor X bedraagt dan: € 300 - € 200 =€ 100,- per maand.
Y. (19 jaar) ontvangt van zijn ouders een bijschrijving van €15 met de omschrijving “Kapper”. Een paar weken later pint hij het bedrag van €15 bij een kapperszaak. Kan het bedrag van €15 worden aangemerkt als gift of zijn de kosten voor de kapper algemeen gebruikelijk en vallen ze om die reden onder de onderhoudsplicht? Het minimale bedrag van €15 valt volgens de experts van Schulinck onder de onderhoudsplicht van de ouders. Korting kan wel plaatsvinden voor zover de bijstand (algemene en aanvullende algemene bijstand - artikel 20 Participatiewet) vermeerderd met de ontvangen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud meer bedraagt dan de norm zoals die zou gelden als de jongmeerderjarige 21 jaar of ouder zou zijn.
1.21. Structurele vrijlating voor mensen met een medische urenbeperking
In artikel 31 lid 2 onderdeel y Participatiewet staat dat inkomsten uit arbeid van een persoon met een medische urenbeperking structureel kunnen worden vrijgelaten. Dit tot 15% van deze inkomsten, met een maximum van € 173,04 per maand (bedrag geldt per 1 januari 2025). Deze inkomsten worden niet tot de middelen gerekend als deze persoon:
Een belanghebbende is medisch urenbeperkt als hij minder uren kan werken dan normaal gesproken verwacht wordt voor een volledige dienstbetrekking. De medische urenbeperking moet daarnaast een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling. Een medische urenbeperking hoeft dus niet voor altijd te zijn. Dit staat in artikel 6b lid 1 Participatiewet.
Het college kan ambtshalve vaststellen of een belanghebbende die algemene bijstand ontvangt medisch urenbeperkt is (artikel 6b lid 2 onderdeel a Participatiewet). Maar dit is geen verplichting. Als het college daar niet toe over gaat, dan is het de verantwoordelijkheid van de belanghebbende zelf om hiervoor een schriftelijke aanvraag in te dienen op grond van artikel 6b lid 2 onderdeel b Participatiewet (zie Rechtbank Midden-Nederland 19-10-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5092). Het initiatief voor de vaststelling van een medische urenbeperking kan dus zowel van het college als van een belanghebbende komen. Een belanghebbende kan een aanvraag daartoe niet meer dan één keer per 12 maanden indienen (artikel 6b lid 3 Participatiewet).
Het UWV verricht voor het college de werkzaamheden ten behoeve van de vaststelling of een belanghebbende medisch urenbeperkt is en adviseert het college hierover (artikel 6b lid 4 Participatiewet). Dit zowel bij een aanvraag door belanghebbende als een vaststelling op initiatief van het college.
Is het college het op basis van een andere adviseur niet eens met het advies van het UWV?
Het UWV heeft de expertise om de medische urenbeperking (medisch en arbeidsdeskundig) te beoordelen. Het is dan ook niet zonder reden dat de wetgever precies het UWV aanwijst om een advies uit te brengen. Het college stelt de medische urenbeperking vast. Hierbij hoort een beoordeling of het gegeven advies consistent en deugdelijk is. Is dit niet het geval kan het college verzoeken nog een keer naar het gegeven advies te kijken. Mogelijk dat het UWV op basis van de huidige medische situatie tot een ander standpunt komen. Al zal het UWV niet heel snel terugkomen op een gegeven advies.
In de IOAW en de IOAZ is een vergelijkbare regeling opgenomen.
Medisch urenbeperking en de Participatiewet in balans
De regeling voor structurele vrijlating van inkomsten bij een medische urenbeperking blijft in de nieuwe Participatiewet (Participatiewet in Balans) behouden, met enkele verduidelijkingen en aanpassingen in de systematiek.
Wat verandert er in de nieuwe Participatiewet?
Voor meer informatie zie paragraaf 2.6 van dit handboek (bijverdienregeling).
2.1. Wat verstaan we onder inkomen
De Participatiewet kent geen inkomensbegrip. In artikel 32 lid 1 onderdeel a Participatiewet staan de relevante inkomensbronnen. Het gaat om:
Voorlopige teruggave of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen. Dit geldt alleen als die teruggave niet het gevolg is van specifieke kosten en inkomensafhankelijke bijdragen zoals bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet, waarmee in de bijstandsverlening geen rekening wordt gehouden;
Dit blijft ook in Participatiewet in balans hetzelfde. De wetgever heeft op dit punt niets gewijzigd. Het uitgangspunt blijft:
De Participatiewet kent geen algemeen inkomensbegrip zoals de belastingwetgeving.
Artikel 32 lid 1 PW somt de inkomensbronnen op die relevant zijn voor de bijstandsverlening. Deze categorieën blijven ongewijzigd in de nieuwe wet:
Jurisprudentie blijft leidend:
Verrekenen inkomsten is intensief proces
Het verrekenen van inkomsten uit arbeid met de bijstandsuitkering is voor gemeenten een intensief administratief proces. In de vroegere situatie vormde de loonstrook de basis voor de inkomstenverrekening, sommige gemeenten sturen de bijstandsgerechtigde ook een inkomstenformulier toe dat ze moeten invullen. De bijstandsgerechtigde leverde de loonstrook in bij de gemeente (per post, digitaal of aan de balie) en de gemeente verwerkte de gegevens op de loonstrook. Op basis van de loonstrook en eventueel het inkomstenformulier bepaalde de gemeente welk deel van het salarisbedrag moet worden verrekend met de uitkering. Daarvoor hield de gemeente rekening met de salarisperiode, de toepassing van loonheffingskorting, reserveringen en losse vergoedingen en/of beloningen. Gemeenten maakten bij het verrekenen eigen keuzes, bijvoorbeeld over hoe de eindejaarsuitkering en het IKB worden verrekend, of hoe omgegaan moet worden met bepaalde (on)belaste vergoedingen, zoals de uitruil van reiskostenvergoeding. Dit kan ervoor zorgen dat er verschillen ontstaan tussen gemeenten. In het kader van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde, maar ook voor een overzichtelijk en eenduidig verrekenproces binnen gemeenten is het wenselijk om het verrekenproces zoveel mogelijk te uniformeren. Dit is gedaan in de Participatiewet in Balans (de nieuwe Pwet).
Verrekenen van inkomsten met behulp van polisadministratie
In de nieuwe Pwet is het mogelijk gemaakt dat gemeenten de inkomsten van een bijstandsgerechtigde kunnen verrekenen met behulp van gegevens uit de Polisadministratie, zodat de bijstandsgerechtigde geen loonstroken hoeft aan te leveren. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het product Ondersteuning Inkomstenverrekening Bijstand (hierna: OIB) dat door het Inlichtingenbureau is ontwikkeld. Door verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken, kan met behulp van de gegevens uit het product OIB ook automatisch verrekend worden zonder tussenkomst van een medewerker van de gemeente. Dat betekent een administratieve ontlasting van burger en gemeente en een sneller verrekenproces.
De Polisadministratie is een register dat beheerd wordt door het UWV. In dit register worden de meeste Nederlandse inkomstengegevens opgeslagen. Hieronder vallen de arbeidsvergoedingen van werkgevers aan werknemers, maar ook bijvoorbeeld sociale uitkeringen, lijfrentes en pensioenen. Al deze gegevens worden ontleend aan de gegevens uit de loonaangifte.
Niet in de Polisadministratie opgenomen zijn inkomsten als zelfstandige, alimentatiebetalingen en buitenlands inkomen. Voor deze vormen van inkomen blijft gelden dat de bijstandsgerechtigde de gemeente dient te informeren over deze inkomsten en dat deze dus ook door een medewerker van de gemeente moeten worden verwerkt.
De Polisadministratie wordt gebruikt voor het berekenen van de hoogte van uitkeringen. Op verzoek wisselt UWV via de Gegevensservice ook informatie uit met verschillende organisaties. Denk aan de Belastingdienst, het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zorgverzekeraars, de SVB, de Gemeentelijke Sociale Diensten en de Pensioenfondsen.
Suwinet is het systeem waarin gemeenten met overheidsinstanties informatie over burgers delen. Via Suwinet worden ook gegevens vanuit de Polisadministratie gedeeld. Een gemeente heeft gegevens nodig van andere partijen voor de uitvoering van de Participatiewet, IOAW of IOAZ. Voor de uitvoering van deze taak bestaat een wettelijke grondslag tot het raadplegen van gegevens.
Wat moest worden geregeld om verrekenen van inkomsten met behulp van polisadministratie mogelijk te maken
Om dit mogelijk te maken waren de volgende aanpassingen noodzakelijk om gebruik te kunnen maken van de in de Polisadministratie aanwezige informatie:
Het resultaat is een uniform verrekenproces en administratieve voordelen voor bijstandsgerechtigden en gemeenten. Voor een flink deel van de verrekeningen betekent dit een versnelling en kan het aandeel automatisch te verrekenen inkomsten voor gemeenten naar verwachting uitkomen op de helft tot driekwart van de mensen voor wie verrekend moet worden. Voor de resterende groep blijft de mogelijkheid bestaan om de loonstrook als bron te gebruiken voor het verrekenen, waarbij de uniformiteit van het verrekenproces wordt bereikt doordat onderstaande maatregelen ook gelden voor de wijze van verrekenen op basis van loonstroken.
Hoe gaat verrekenen op basis van OIB in zijn werk
De werkgever of uitkeringsinstantie doet binnen de wettelijke aangiftetermijn aangifte loonheffingen bij de Belastingdienst. Dit houdt in dat uiterlijk voor het einde van de maand volgend op het loontijdvak aangifte gedaan moet zijn. Deze informatie wordt vrijwel direct opgenomen in de Polisadministratie die wordt beheerd door het UWV.
Voordelen voor bijstandsgerechtigde en gemeenten
Verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie levert zowel voor de bijstandsgerechtigde als voor de gemeenten voordelen op.
Voordelen voor bijstandsgerechtigden
De druk voor het tijdig aanleveren van de loonstrook ligt niet langer bij de bijstandsontvanger, die daarvoor afhankelijk was van het moment van beschikbaar stellen van een loonspecificatie door de werkgever. Dit is al helemaal relevant als de gemeente de uitkering pas uitbetaalt na ontvangst van de inkomstenspecificatie (op de maand verrekenen).
Er zijn minder stappen in het proces van aanleveren van de informatie, waardoor de kans op fouten kleiner wordt. Een handmatig proces is foutgevoeliger. De gemeente beschikt op deze manier altijd over de actuele looninformatie en gebruikt dezelfde gegevens als UWV en de Belastingdienst. Door gebruik van de gegevens uit de Polisadministratie zullen minder herberekeningen en terugvorderingen nodig zijn omdat correcties en veranderingen die met terugwerkende kracht door de werkgever worden doorgevoerd via de polisgegevens sneller in beeld komen.
In de Pwet zijn in artikel 32, eerste en tweede lid, Pw bepalingen opgenomen waaruit volgt dat inkomen wordt verrekend als zij betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Ook volgt daaruit dat inkomen uit een bepaalde periode met de bijstandsuitkering van die betreffende periode moeten worden verrekend. Dit zogenoemde transactiesysteem bepaalt dat gemeenten inkomen zoveel mogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop ze betrekking hebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend (of teruggevorderd) als die ook echt zijn ontvangen.
De regels van het vroegere transactiesysteem
Voor de manier waarop bij bijstandsverlening rekening moet worden gehouden met voor, tijdens of na de bijstandsverlening verkregen inkomen gold het transactiesysteem. Dit transactiesysteem is in de vroegere situatie opgebouwd vanuit een aantal regels:
Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover de bijstandsgerechtigde erover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Deze regel houdt in dat alleen nadat de bijstandsgerechtigde het inkomen ook daadwerkelijk heeft ontvangen (of hier redelijkerwijs over kan beschikken), dit op de bijstand in mindering kan worden gebracht. Deze regel is essentieel voor de bestaanszekerheid van de bijstandsgerechtigde. Het in mindering brengen van inkomen waarover de bijstandsgerechtigde niet of niet volledig beschikt, brengt een bijstandsgerechtigde onder het bestaansminimum. Het verhoogt daarmee het risico dat de bijstandsgerechtigde in de desbetreffende maand niet over voldoende inkomen beschikt om in het levensonderhoud te kunnen voorzien.
Inkomen wordt alleen in aanmerking genomen voor zover het betrekking heeft op de periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan. Meestal zal het inkomen dat iemand tijdens de bijstandsafhankelijkheid verwerft, betrekking hebben op de bijstandsperiode. Maar inkomen dat iemand tijdens de bijstandsperiode ontvangt, kan ook betrekking hebben op de periode voor bijstandsaanvraag. Denk bijvoorbeeld aan vakantiebijslag die is opgebouwd in de periode voordat iemand bijstand ontvangt. Deze betaling moet dan niet als inkomen op de bijstand in mindering worden gebracht omdat zij ziet op een periode die voor bijstandsverlening is gelegen. Ook kan iemand inkomen ontvangen na bijstandsbeëindiging, dat uiteindelijk wel betrekking heeft op de bijstandsperiode. Denk aan een gedurende de bijstand (deels) opgebouwd keuzebudget of de hierboven onder «voorbeeld bij werkaanvaarding» beschreven situatie. Dit inkomen zal dan alsnog bij de bijstandsverlening moeten worden betrokken, wat uiteindelijk zal resulteren in een terugvordering van achteraf te veel verstrekte bijstand.
Achteraf over een voorgaande periode ontvangen inkomen wordt toegerekend naar de periode waarin dit is verworven. De regel is dat het inkomen waarover bijstandsgerechtigde (redelijkerwijs) beschikt in mindering wordt gebracht op de bijstand (zie onder a). Dit principe heeft als uitgangspunt dat inkomen wordt uitbetaald in de maand van verwerving. Als op het moment van uitbetaling (het moment dat bijstandsgerechtigde redelijkerwijs over het inkomen kan beschikken) blijkt dat het uitbetaalde inkomen in een eerdere periode is verworven, dan moet dit toegerekend worden aan die eerdere periode. Dit betekent veelal dat bijstandsgerechtigde over die eerdere maand te veel bijstand heeft ontvangen. De te veel ontvangen bijstand kan worden verrekend met een latere verstrekking. Mocht verrekening binnen zes maanden na ontvangst niet mogelijk blijken, dan kan dit alsnog resulteren in een terugvordering.
F. heeft in maart € 800 aan inkomen ontvangen en ontvangt in april nog een nabetaling van toen gemaakte overuren van € 400. Uitgaande van een fictieve bijstandsnorm van € 1.100 heeft F. in de maand maart in totaal € 300 te veel aan bijstand ontvangen (regel c). Deze € 300 kunnen vervolgens in de maand dat F. daadwerkelijk over het met de overuren verworven inkomen beschikt (april) met de bijstand worden verrekend.
Een vereenvoudig transactiesysteem in de nieuwe Participatiewet
In nieuwe Participatiewet zijn de regels m.b.t. het transactiesysteem vereenvoudigd, om zo eraan bij te dragen dat bijstandsgerechtigden maandelijks over het bestaansminimum kunnen beschikken. Hiermee wordt voorkomen dat inkomen dat nog niet is ontvangen al verrekend kan worden met de bijstandsuitkering.
Om dat te realiseren zijn de volgende aanpassingen doorgevoerd:
Hoofdregel 1: Inkomen wordt met de bijstand verrekend in de periode dat hierover daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan worden beschikt. Door deze hoofdregel is niet langer de verwervingsperiode, maar de periode bepalend dat daadwerkelijk (redelijkerwijs) kan worden beschikt over het inkomen. Gedurende de bijstandsafhankelijkheid wordt zo gegarandeerd dat de bijstand het inkomen maandelijks aanvult tot het niveau van het bestaansminimum. Dit betekent dat inkomen wordt verrekend met de bijstandsuitkering van de maand waarin daadwerkelijk (redelijkerwijs) over dit inkomen kan worden beschikt.
Inkomen wordt dus alleen in aanmerking genomen voor zover de bijstandsgerechtigde erover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit kan gaan om de eindejaarsuitkering, keuzebudget of vakantiebijslag, maar ook bijvoorbeeld om nabetalingen van loon of een dertiende periode.
V. ontvangt in januari € 400 aan inkomen. Bij een fictieve bijstandsnorm van € 1.000, bedraagt V.’s aanvullende bijstand in januari € 600. In februari ontvangt V. € 700 aan inkomen, waarvan € 200 een nabetaling is over januari. Gekeken wordt naar wat V. in februari aan inkomen heeft ontvangen (€ 700) en dus bedraagt de aanvullende bijstand: € 300.
Hoofdregel 2: Inkomen wordt enkel in aanmerking genomen voor zover het betrekking heeft op de bijstandsperiode. Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw is in de nieuwe Pwet ongewijzigd gebleven. Uit deze hoofdregel volgt dat gedurende de bijstandsperiode ontvangen inkomen dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan bijstandsverlening, buiten beschouwing wordt gelaten. Artikel 32, eerste lid, onder b, Pw doet nadrukkelijk niet af aan de hoofdregel in de aanhef van artikel 32 Pw dat inkomen in aanmerking wordt genomen naar de periode waarin de belanghebbende hierover beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Zoals nu gebruikelijk is, zal inkomen uit de periode van voor de bijstandsverlening tot het vermogen van de bijstandsgerechtigde worden gerekend.
Voorbeeld R. ontvangt sinds 1 maart een bijstandsuitkering. In april worden zijn in februari gemaakte overuren alsnog uitbetaald ad € 800. Deze € 800 ziet op inkomen dat buiten de bijstandsperiode is verworven, waardoor dit bedrag niet als inkomen in aanmerking wordt genomen. De verkregen € 800 dient te worden aangemerkt als vermogen.
Afwijkende regel 1: Inkomen dat is ontvangen in een periode dat er geen bijstandsrecht (meer) is, wordt alsnog in aanmerking genomen als het in de bijstandsperiode is verworven, maar pas nadat hier daadwerkelijk (redelijkerwijs) over kan worden beschikt. Het inkomen wordt in aanmerking genomen naar de periode waarop dit inkomen betrekking heeft. Dit uitgangspunt wordt aan artikel 32, tweede lid, Pw toegevoegd. De te veel verstrekte bijstand kan met latere bijstandsverlening worden verrekend of als verrekening binnen zes maanden na ontvangst niet mogelijk is, worden teruggevorderd.
Voorbeeld B. ontvangt maandelijks € 600 aan inkomen uit arbeid, daarnaast is sprake van een maandelijkse opbouw van een keuzebudget. Het maandelijks inkomen wordt elke maand vanuit de bijstand (uitgaande van een fictieve norm van € 1.000) met € 400 aangevuld. Vanaf de maand juli gaat B. meer uren werken en ontvangt B. maandelijks inkomen uit arbeid ter hoogte van € 1.100. B. ontvangt vanaf de maand juli geen aanvullende bijstand meer. In november komt het keuzebudget tot uitbetaling. Het uitbetaalde keuzebudget (€ 600) is gedeeltelijk in een periode van bijstandsverlening verworven. Daarom wordt het bedrag, voor zover dit betrekking heeft op de periode tot en met de maand juni, in of na november, de maand van uitbetaling van het keuzebudget, alsnog in aanmerking genomen als gedurende de bijstand verworven inkomen.
Afwijkende regel 2: Betalingen die bedoeld zijn als inkomen voor de toekomst en dus niet alleen voor de maand van ontvangst, worden toegerekend naar de periode waar zij voor bedoeld zijn. Aan artikel 32, tweede lid, Pw wordt toegevoegd dat inkomen dat wordt ontvangen en betrekking heeft op een toekomstige periode, in aanmerking genomen wordt naar de periode van bijstand die volgt na ontvangst van dit inkomen. Het gaat hier vaak om situaties dat de bijstandsgerechtigde een bedrag in een keer heeft ontvangen ter afkoop van een periodieke aanspraak op inkomen. Denk bijvoorbeeld aan een afgekochte alimentatieverplichting of een afgekocht pensioenrecht.
Voorbeeld Q’s partner koopt zijn alimentatieplicht af met een eenmalige betaling van € 16.000. In beginsel zou Q’s partner nog 2 jaren alimentatieplichtig zijn. De € 16.000 zijn met andere woorden bedoeld voor het levensonderhoud in de komende 2 jaren. Reden waarom maandelijks € 666 op Q’s uitkering in mindering moet worden gebracht, als de voor die maanden al ontvangen alimentatie.
Bovengenoemde aanpassingen gelden niet t.a.v. AIO
De aanpassingen zoals voorgesteld in deze paragraaf gelden niet ten aanzien van de AIO, nu door SVB in de Uitvoeringstoets nadrukkelijk is gesteld dat deze werkwijze voor SVB onuitvoerbaar is, en ook dat de doelgroep van de SVB de problematiek die met deze verduidelijking wordt weggenomen, niet lijkt te ervaren. Voor de AIO blijven de uitgangspunten 130 Op basis van artikel 58, vierde lid, Pw. Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 582, nr. 3 78 zoals genoemd onder het kopje «het huidige transactiestelsel» dan ook onverkort van kracht. Hiervoor wordt een nieuw lid aan artikel 47d Pw toegevoegd.
2.2.3. Niet verrekenen van onbelaste vergoedingen (aanpassing artikel 31, tweede lid, onder g, Pw)
Werkgevers betalen allerlei onbelaste vergoedingen uit zoals een telefoonvergoeding, postbezorgersvergoeding, fietsvergoeding of reiskostenvergoeding. Insteek is dat onbelaste vergoedingen niet worden verrekend met de uitkering. Dit is echter niet vastgelegd in de wet, waardoor het nu nog voor kan komen dat gemeenten zelf een beoordeling maken of een onbelaste vergoeding echt nodig is voor het uitoefenen van de functie, en sommige vergoedingen wel verrekenen en sommige niet. Hierdoor ontstaan verschillen die onwenselijk zijn. Het is wenselijk om onbelaste vergoedingen verstrekt door de werkgever op een eenduidige wijze te verrekenen. De Belastingdienst oordeelt dat bij onbelaste vergoedingen geen sprake is van inkomen. Het ligt in de rede om binnen de Participatiewet ook deze keuze te maken. Daarom wordt de Participatiewet aangepast zodat onbelaste vergoedingen die door de werkgever worden verstrekt in geen enkel geval door gemeenten worden verrekend. Het principe van een onbelaste vergoeding is immers dat de werkgever bepaalde kosten vergoedt die men moet maken om de functie te kunnen uitoefenen. Hiertoe wordt artikel 31, tweede lid, onder g, Pw gewijzigd zodat onkostenvergoedingen niet tot de middelen behoren, tenzij deze tot het fiscaal loon worden gerekend.
Met andere woorden, werkgevers geven soms onbelaste vergoedingen aan werknemers, zoals een vergoeding voor een telefoon, een fiets of reiskosten. Deze vergoedingen zijn bedoeld om kosten te vergoeden die je maakt om je werk te doen. Tot nu toe stond niet duidelijk in de wet of gemeenten deze vergoedingen wel of niet mogen aftrekken van de bijstandsuitkering. Daardoor doen gemeenten dit soms verschillend: de ene gemeente rekent het wel mee, de andere niet.
De Belastingdienst zegt: een onbelaste vergoeding is geen inkomen. Daarom wordt de Participatiewet aangepast. In de nieuwe wet staat dat gemeenten deze vergoedingen nooit mogen aftrekken van de uitkering, behalve als de vergoeding wordt gezien als fiscaal loon.
Kort gezegd: als een werkgever kosten vergoedt die nodig zijn voor je werk, telt dat niet mee als inkomen voor de bijstand.
Sanne werkt als postbezorger en krijgt van haar werkgever € 15 per maand als vergoeding voor het gebruik van haar fiets. Deze vergoeding is onbelast. Oude situatie: sommige gemeenten trokken dit bedrag af van haar bijstandsuitkering. Nieuwe situatie: dit mag niet meer. De € 15 blijft buiten beschouwing.
Ali werkt parttime en krijgt een vergoeding voor zijn mobiele telefoon, zodat hij bereikbaar is voor zijn werk. Deze vergoeding is onbelast en hoort niet bij zijn loon. Nieuwe regel: de gemeente mag deze vergoeding niet aftrekken van zijn bijstandsuitkering.
Onbelaste vergoedingen en Polisadministratie
Onbelaste vergoedingen (behalve de reiskostenvergoeding) zijn niet zichtbaar in de Polisadministratie. Ook voor het goed kunnen uitvoeren van het verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie is het nodig dat in de Participatiewet wordt verduidelijkt dat onbelaste vergoedingen, waaronder de uitruil van reiskostenvergoeding, in de verrekening in alle gevallen buiten beschouwing moeten worden gelaten.
2.2.4. Vaststellen netto-inkomen op uniforme wijze (artikel 32, tweede en vijfde lid, van de Participatiewet)
Gemeenten stellen nu het te verrekenen netto-inkomen vast aan de hand van de gegevens op de loonstrook. Om verrekening op basis van gegevens uit de Polisadministratie mogelijk te maken en het verrekenproces te uniformeren moet een uniforme manier van het berekenen van het netto-inkomen worden vastgesteld. De maatregel houdt in dat gemeenten verplicht zijn het netto-inkomen vast te stellen op een bij AMvB vast te stellen wijze. De wijze om het netto-inkomen vast te stellen geldt zowel voor verrekenen op basis van gegevens uit de Polisadministratie als voor verrekenen op basis van aangeleverde loonstroken. Door vast te leggen op welke wijze het te verrekenen netto-inkomens wordt vastgesteld, wordt meer eenduidigheid gecreëerd in het verrekenproces en meer gelijkheid voor bijstandsgerechtigden. Het netto verrekenbaar inkomen wordt gebaseerd op het bruto-inkomen (belastbaar inkomen), waarop de ingehouden loonheffingen en de WGA/WHK heffingen in mindering worden gebracht.
Bovengenoemde AMVB regelt hoe het netto-inkomen wordt berekend, inclusief vakantiegeld, eindejaarsuitkering en keuzebudget. De regels gelden zowel bij verrekening op basis van loonstroken als bij gebruik van gegevens uit de Polisadministratie. Onkostenvergoedingen worden buiten beschouwing gelaten, tenzij ze als fiscaal loon worden aangemerkt. De regeling sluit aan op het transactiebeginsel: inkomen wordt pas verrekend als de betrokkene er redelijkerwijs over kan beschikken. De AMvB maakt dus het verrekenen van inkomsten eenvoudiger, eerlijker en uniform. Het voorkomt dat mensen die werken en bijstand ontvangen onder het bestaansminimum komen door ingewikkelde verrekenregels.
De AMvB wordt vanaf 1 januari 2027 van kracht (fase 3 van de Participatiewet in Balans). Gemeenten mogen 2026 gebruiken als transitiejaar om zich voor te bereiden op de nieuwe werkwijze. Gemeenten mogen dus in 2026 al starten met het toepassen van de nieuwe werkwijze (zoals verrekening via de Polisadministratie), maar zijn daar nog niet toe verplicht. De verplichting gaat pas in op 1 januari 2027, zodra de AMvB van kracht wordt. Het transitiejaar biedt dus ruimte om:
NB De gemeente Hollands Kroon heeft besloten niet in 2026 al te starten met het toepassen van de nieuwe werkwijze (zoals verrekening via de Polisadministratie).
In bovengenoemde AMvB wordt ook vastgelegd dat de WGA/WHK heffing op een uniforme wijze wordt verrekend. Werkgevers kunnen de WGA/WHK heffing deels doorbelasten aan werknemers voor maximaal 50%. Bij het bepalen van het te verrekenen inkomen corrigeren gemeenten het te verrekenen inkomen met deze WGA/WHK-heffing: deze wordt niet verrekend en dus van het brutoloon afgehaald. Deze component is geen onderdeel van de Polisadministratie dus onder andere daarvoor is het nodig dat bijstandsgerechtigden hun loonstrook inleveren. Deze administratieve druk voor zowel de bijstandsgerechtigde als de gemeenten kan worden teruggebracht door te verrekenen met een standaardpercentage. Daarbij wordt het niet verrekende bedrag aan WGA/WHK-heffing niet meer individueel bepaald, maar vervangen door een generiek standaardpercentage dat jaarlijks wordt vastgesteld. Ook als een verrekening plaatsvindt op basis van de gegevens op de ingeleverde loonstrook, betekent dit een vereenvoudiging van het verrekenproces voor de gemeente doordat het standaardpercentage WGA/WHA-heffing in de systeemberekening kan worden meegenomen.
Deze wijziging is een harmonisatie met de werkwijze van UWV, waar eveneens een standaardpercentage wordt gebruikt voor de verrekening van inkomsten met bijvoorbeeld de WW of de Wajong. Voor de jaarlijkse vaststelling van het standaardpercentage wordt een werkwijze gekozen analoog aan de werkwijze van UWV. UWV stelt elk jaar het gemiddelde heffingspercentage vast. Voor de onderhavige berekening wordt het percentage vastgesteld op drie keer het gemiddelde heffingspercentage. Door uit te gaan van drie keer het gemiddelde heffingspercentage, worden bijstandsgerechtigden door deze rekenwijze niet financieel benadeeld en heeft een eventueel verschil tussen de daadwerkelijke ingehouden WGA/WHK heffing op individueel niveau en het nieuwe standaardpercentage geen gevolgen voor de afbouw van de toeslagen. Het hanteren van één standaard percentage voor alle deeltijd werkenden vergroot de uitvoerbaarheid voor gemeenten, ook wanneer zij voor de verrekening geen gebruik maken van de gegevens uit de OIB-bestanden. Mocht in een uitzonderlijk geval door het hanteren van een standaardpercentage een nadelig financieel gevolg voor de bijstandsgerechtigde ontstaan doordat de werkgever een hoger percentage WGA/WHK-heffing doorberekent, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeente. Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze systematiek een negatief financieel gevolg heeft voor de bijstandsgerechtigde.
2.2.5. Vereenvoudiging verrekenen vakantiebijslag, keuzebudget en eindejaarsuitkering (artikel 32 Pw)
Uit het vroegere transactiesysteem volgt dat gemeenten inkomen zoveel mogelijk moeten toerekenen aan de periode waarop ze betrekking hebben. Tegelijkertijd mag inkomen alleen worden verrekend (of teruggevorderd) als hier ook redelijkerwijs over wordt beschikt. Dit zorgt ervoor dat gemeenten, zoals al beschreven, op verschillende manieren omgaan met het verrekenen van vakantiebijslag, eindejaarsuitkering en het keuzebudget.
2.2.5a. Vakantiebijslag verrekenen (artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw)
In de nieuwe Participatiewet is besloten de verrekening van de vakantiebijslag te standaardiseren. Door de wijze van het verrekenen van vakantiebijslag aan te passen, wordt het voor de bijstandsgerechtigde en de gemeente eenvoudiger te begrijpen en uit te leggen. Zo lopen mensen niet het risico dat zij op maandbasis op achteruit gaan doordat de (maandelijks gereserveerde) vakantiebijslag van de werkgever of uitkeringsinstantie alvast verrekend wordt met de uitkering terwijl die feitelijk nog niet is ontvangen. Door deze manier van verrekenen te standaardiseren ontstaat meer rechtszekerheid en rechtsgelijkheid voor de bijstandsgerechtigde. Daarom is besloten om in artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Participatiewet een grondslag op te nemen voor het bij regeling vaststellen van de wijze waarop omgegaan moet worden met de verrekening van opgebouwd vakantiebijslag bij de werkgever. Gemeenten zijn gehouden op deze wijze vakantiebijslag te verrekenen.
De standaardwerkwijze houdt in dat het netto-inkomen in een periode wordt verrekend met het recht op bijstand exclusief vakantiebijslag in dezelfde periode. Eventueel opgebouwd recht op vakantiebijslag over dit inkomen wordt verrekend met de reservering vakantiebijslag over de bijstandsuitkering. Dit waarborgt de bijstandsnorm zonder vakantiebijslag als het bestaansminimum, en geeft meer duidelijkheid en transparantie over de wijze van verrekening bij de eindafrekening van vakantiebijslag in mei/juni. In de regeling1 wordt uitgewerkt dat deze voorgestelde wijze van verrekening, gelet op het belang van het bieden van financiële zekerheid voor de bijstandsgerechtigde, niet mag leiden tot een nadelig financieel gevolg. Mocht hiervan in een incidenteel geval toch sprake zijn, kan de bijstandsgerechtigde zich wenden tot de gemeente.
2.2.5b. Eindejaarsuitkering en keuzebudget verrekenen (artikel 32, vijfde lid, onderdeel c, Pw)
Uit de aanpassing van artikel 32, tweede lid, Participatiewet volgt dat de hoofdregel is dat de eindejaarsuitkering en het keuzebudget worden verrekend in de periode waarin ze worden uitbetaald. Net als voor vakantiebijslag wordt voorgesteld een grondslag op te nemen voor een bij regeling vast te stellen standaardwijze van verrekenen van het keuzebudget. Anders dan vakantiebijslag, wordt het keuzebudget niet volledig tot de middelen gerekend. Immers, een keuzebudget kan door de bijstandsgerechtigde ook worden ingezet voor bijvoorbeeld een opleiding of extra vakantiedagen, dat deel van het keuzebudget wordt niet aangemerkt als belastbaar loon en dus niet verrekend met de bijstand. Waar wordt gesproken over keuzebudget geldt dit ook voor soortgelijke cafetariaregelingen. Vakantiebijslag is een wettelijk recht. Als iemand alleen keuzebudget ontvangt en geen vakantiebijslag betekent dit dat de vakantiebijslag onderdeel uitmaakt van het keuzebudget. Om te voorkomen dat voor de bijstandsgerechtigde te grote schommelingen in inkomen ontstaan, doordat bij uitbetaling van het keuzebudget het bedrag te groot is, wordt de eerste 8% over het brutoloon dat aan keuzebudget wordt opgebouwd verrekend volgens de nieuwe systematiek voor het verrekenen van vakantiebijslag (zie hierboven). Dat betekent dat 8% over het brutoloon dat aan keuzebudget wordt opgebouwd verrekend wordt met de reservering van de vakantiebijslag over de bijstandsuitkering. De uitwerking hiervan wordt meegenomen in de regeling2 over de standaardwerkwijze van de vakantiebijslag zoals hiervoor beschreven. Het restant van het gedeelte van het keuzebudget dat tot de middelen behoort wordt verrekend met de lopende uitkering op het moment dat het wordt uitgekeerd. Ook zal in de regeling nader worden uitgewerkt dat bij het verrekenen op basis van de gegevens uit de Polisadministratie en het (automatisch) verrekenen voor het verrekenen van het keuzebudget gebruik wordt gemaakt van gegevens die in de polis staan met betrekking tot het arbeidsvoorwaardenbedrag (AVWB).
B. is alleenstaand en heeft een baan. Van januari 2022 tot en met juni 2022 verdient hij hiermee een inkomen boven de bijstandsnorm. Over deze maanden bouwt hij in totaal € 540 aan eindejaarsuitkering op (netto € 495). Vanaf juli 2022 is zijn inkomen lager dan de bijstandsnorm. Hij verdient € 500 per maand, en bouwt hierover € 30 per maand eindejaarsuitkering op (netto is dat ongeveer € 27). In november 2022 wordt de eindejaarsuitkering uitbetaald. B. ontvangt in totaal € 690 bruto aan eindejaarsuitkering, netto ongeveer € 630.
In de vroegere situatie zou B. in de maanden juli t/m november een bijstandsuitkering hebben die ongeveer € 27 onder bijstandsniveau uitkomt, omdat de reservering van de eindejaarsuitkering elke maand wordt verrekend met de uitkering. De eindejaarsuitkering wordt dan in november niet meer verrekend. B. komt hier niet op maandbasis onder bijstandsniveau, omdat de eindejaarsuitkering niet maandelijks wordt verrekend, maar op het moment van uitbetalen. Op het moment van uitbetalen in november (dit is ook zichtbaar in de OIB-bestanden) geldt dat € 495 netto wordt vrijgelaten (want dit heeft betrekking op de periode vóór het recht op bijstand), en er wordt een bedrag van € 135 verrekend. Als de aanvullende uitkering niet hoog genoeg is om dit bedrag te verrekenen, dan kan de gemeente het resterende bedrag verrekenen in de daaropvolgende maand of maanden. In de voorgestelde situatie kan de gemeente dan in december besluiten om, als B. in december door deze verrekening onder het bijstandsniveau terecht komt, dat te compenseren vanuit het bufferbudget. Ook zal bij regeling worden bepaald hoe wordt omgegaan met technische mankementen bij het verrekenen op basis van de polisadministratie, zodat dit niet ten koste gaat van de bijstandsgerechtigde.
Ook de aanpassingen in deze paragraaf vergen goede communicatie van de gemeente naar de bijstandsgerechtigde: wat gebeurt er als iemand gaat werken naast de uitkering? Hoe vindt het verrekenproces plaats en welke gevolgen heeft dit voor de bijstandsgerechtigde?
Tot slot wordt opgemerkt dat deze wijziging niet geldt voor de AIO vanwege de afwijkende werkwijze van de SVB.
2.3. Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg en inkomsten uit verhuur en kostgangersschap
Deze paragraaf behandelt twee belangrijke onderwerpen:
Tijdelijk verblijf op een ander adres in verband met het verlenen van mantelzorg
Hierbij gaat het om situaties waarin een belanghebbende tijdelijk niet op het eigen woonadres verblijft, maar elders verblijft om mantelzorg te bieden. We bespreken welke gevolgen dit heeft voor het recht op bijstand en hoe gemeenten hiermee om moeten gaan.
2.3.1. Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg in relatie tot kostendelersnorm
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van het wetsvoorstel Participatiewet in Balans een amendement aangenomen van het lid Flach. Dit amendement houdt het volgende in. Aan artikel 22a Participatiewet wordt een lid toegevoegd, luidende:
“4. Dit artikel is niet van toepassing op de belanghebbende die voor het leveren van mantelzorg bij een intensieve zorgbehoefte tijdelijk gebruikmaakt van een hoofdverblijf elders.”
Aan dit amendement liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
“Op dit moment geldt dat er een uitzondering mogelijk is op de kostendelersnorm wanneer sprake is van tijdelijke bijzondere individuele omstandigheden. Dit is ook herhaaldelijk richting gemeenten gecommuniceerd, en vanuit het ministerie is, onder andere via Gemeentenieuws3, opgeroepen gebruik te maken van deze uitzonderingsmogelijkheid bij knellende gevallen. Hierbij werd onder andere gewezen op tijdelijke mantelzorgsituaties naar aanleiding tijdelijke zorgbehoeften van derden uit het sociaal netwerk. Bijvoorbeeld tijdelijke mantelzorg door een bijstandsgerechtigde aan een goede vriend of familierelatie na een ziekenhuisopname of tijdelijke mantelzorg door een zoon of dochter aan een zorgbehoeftige ouder, vooruitlopend op een toekomstige verhuizing naar een zorginstelling. Indiener vindt het van belang dat de ruimte voor tijdelijke mantelzorg wordt geëxpliciteerd in de wet, zodat eenduidige uitvoering van deze uitzonderingsmogelijkheid wordt bevorderd. Nu informele zorg steeds belangrijker wordt, zijn heldere randvoorwaarden van belang. Dit amendement voorziet daarom in een uitzondering op de kostendelersnorm wegens tijdelijke mantelzorgactiviteiten in situaties van intensieve zorgbehoefte. Deze uitzonderingsmogelijkheid expliciet opnemen in de wet zorgt ervoor dat voortzetting van het huidige beleid door middel van verspreiding van periodieke, ministeriële circulaires niet langer noodzakelijk is. Met de huidige ontwikkelingen in de zorg en toenemende druk op het sociaal netwerk van mensen en een terugtredende overheid in de formele zorgondersteuning, is het aangewezen dat de tijdelijke uitzondering op de kostendelersnorm niet langer bij circulaire wordt geregeld maar bij wet. “
Impact amendement voor uitvoering
Dit amendement betekent dat tijdelijk verblijf elders in het kader van mantelzorg geen gevolgen mag hebben voor het recht op bijstand. Gemeenten dienen dit expliciet te verwerken in hun uitvoeringsbeleid en werkinstructies, zodat:
Consulenten dienen bij de beoordeling van de woonsituatie rekening te houden met de uitzondering voor tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg. Daarbij is het van belang zorgvuldig vast te stellen of sprake is van mantelzorg bij een aantoonbare, intensieve zorgbehoefte. Indien er twijfel bestaat, kan het college aanvullende bewijsstukken opvragen, zoals een verklaring van een zorginstelling, een indicatiebesluit of een verklaring van de behandelend arts.
Ter waarborging van consistentie, rechtszekerheid en gelijke behandeling zijn voor deze situaties beleidsregels vastgesteld. Deze regels bieden een uniforme grondslag voor besluitvorming en voorkomen willekeur.
Beleidsregel Tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 22a lid 4 en 40 lid 3 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
vast te stellen de Beleidsregel tijdelijk verblijf elders in verband met mantelzorg Hollands Kroon Participatiewet 2026
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
mantelzorg: onbetaalde, niet-professionele zorg die langdurig en intensief wordt verleend aan een hulpbehoevende door iemand uit diens sociale omgeving (familie, vriend, buur), waarbij de zorg rechtstreeks voortvloeit uit een bestaande sociale relatie en de gebruikelijke zorg overstijgt, en waarbij zonder deze mantelzorg opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare intramurale voorziening aan de orde zou zijn;
Artikel 2. Doel van de beleidsregels
Het doel van deze beleidsregels is te voorkomen dat tijdelijk verblijf elders in het kader van mantelzorg leidt tot:
Artikel 4. Duur van het tijdelijk verblijf
Artikel 5. Gevolgen voor het recht op bijstand
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 7 Inwerkingtreding en citeertitel
Toelichting op de beleidsregels Tijdelijk Verblijf Mantelzorg
De Participatiewet is per 1 januari 2026 aangepast om te voorkomen dat bijstandsgerechtigden die tijdelijk elders verblijven voor mantelzorg, hun uitkering verliezen of te maken krijgen met de kostendelersnorm. Deze beleidsregels geven uitvoering aan die wettelijke bepaling.
Mantelzorg is intensieve, onbetaalde zorg door iemand uit de sociale omgeving van de hulpbehoevende (familie, vriend, buur). Het gaat om zorg die verder gaat dan gebruikelijke hulp en waarbij zonder deze mantelzorg opname in een Wlz-instelling of vergelijkbare voorziening nodig zou zijn.
Wat is tijdelijk verblijf elders?
Dit is een situatie waarin de belanghebbende tijdelijk op een ander adres verblijft, uitsluitend om mantelzorg te verlenen of te ontvangen.
Toestemming voor onbepaalde tijd is niet mogelijk, omdat mantelzorg in de context van deze regeling per definitie tijdelijk is.
Risico bij onbepaalde toestemming
De regels gelden vanaf 1 januari 2026 en blijven van kracht zolang de wettelijke bepaling geldt.
2.3.2. Inkomsten uit huur en kostgangersschap algemene informatie
Inkomsten uit verhuur, onderverhuur moeten op de bijstand worden gekort. Dit kan ook gelden voor de kostenvoordelen die het hebben van een of meer kostgangers met zich meebrengen. Dit volgt uit artikel 32 lid 1 Participatiewet.
Het staat bijstandsontvangers in beginsel vrij kamers te verhuren en kostgangers in huis te nemen. Met de inkomsten die hieruit voortvloeien moet rekening worden gehouden bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand. De middelen ontvangen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers gelden op grond van artikel 32 lid 1 Participatiewet als inkomen.
Woont een belanghebbende samen met een of meer huurders, onderhuurders of kostgangers? Dan worden de daaruit voortvloeiende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan als inkomen in aanmerking genomen. Zie artikel 33 lid 4 Participatiewet. Dit geldt alleen voor zover daarmee nog geen rekening is gehouden bij de vaststelling van de kostendelersnorm.
De kostendelersnorm betekent dat als de bijstandsgerechtigde samenwoont met meer volwassenen, de gemeente zijn bijstandsuitkering daarop aanpast. Hoe meer volwassen personen in zijn huis wonen, hoe lager zijn uitkering. Niet alle huisgenoten tellen mee voor de kostendelersnorm. Uitgezonderd zijn:
Woont de bijstandsgerechtigde samen met huisgenoten en is er sprake van de kostendelersnorm? Dan tellen de inkomsten en het vermogen van zijn huisgenoten niet mee voor het recht op bijstand.
2.3.3. Hoe wordt in uitvoeringspraktijk rekening gehouden met inkomsten uit huur en kostgangersschap
In de praktijk kan dus op de volgende manier rekening worden gehouden met inkomsten uit verhuur, onderhuur en kostgangersschap:
Ad 1 Kostendelersnorm is van toepassing.
Is de kostendelersnorm van toepassing, dan wordt op grond daarvan al (deels) rekening gehouden met de lagere algemeen noodzakelijke kosten (artikel 22a Participatiewet). Korten van de inkomsten is dan alleen mogelijk voor zover daarmee geen rekening is gehouden bij de kostendelersnorm. Vaak is de kostendelersnorm niet van toepassing bij verhuur, onderhuur of het hebben van kostgangers, omdat personen met een commerciële relatie niet aangemerkt worden als kostendelende medebewoners. Betreft het verhuur, onderhuur of kostgangerschap zonder een commerciële relatie, dan zal de kostendelersnorm wel onverkort moeten worden toegepast. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn bij een zeer lage huurprijs. Onverkorte toepassing van de kostendelersnorm is ook aan de orde bij bloed- of aanverwanten in de eerste en tweede graad die aan elkaar verhuren, ongeacht of zij een commerciële prijs zijn overeengekomen.
Geldt de kostendelersnorm onverkort, dan kunnen niet de volledige inkomsten uit kostgeld worden gekort, omdat de kostendelersnorm al rekening houdt met het delen van de kosten. De kostendelersnorm moet dan worden afgezet tegen de norm. Het verschil is het bedrag wat al in de norm is verdisconteerd en wat dus niet in mindering mag worden gebracht op de bijstandsnorm.
Stel een alleenstaande heeft een kostendelende medewoner die per maand € 150,- kostgeld betaald. De berekening is dan als volgt:
We gaan (fictief) uit van de bedragen per 1 januari 2020:
norm alleenstaande (21 jaar en ouder) € 1.052,32
minus kostendelersnorm € 751,66 = € 300,66.
Tot het bedrag van € 300,66 heeft kostgeld dus geen gevolgen voor de bijstand. Het kostgeld is lager dan dit bedrag.
Conclusie: kostgeld in dit geval niet korten. Alleen wanneer het kostgeld meer bedraagt dan € 300,66 dient het meerdere boven het bedrag van € 300,66 op de uitkering gekort te worden.
Stel een alleenstaande heeft een kostendelende medewoner die per maand € 350,- kostgeld betaald. De berekening is dan als volgt:
We gaan (fictief) uit van de bedragen per 1 januari 2020:
norm alleenstaande € 1.052,32.
Norm alleenstaande (21 jaar en ouder) € 1.052,32 minus kostendelersnorm € 751,66 = € 300,66. Nu het bedrag aan kostgeld hoger is dan € 300,66 dient het meerdere, dus € 350,- minus € 300,66 =
€ 49,34 te worden gekort op de uitkering.
Conclusie: van het kostgeld dient € 49,34 te worden gekort.
Betalen eigen deel vaste lasten kostendelende medebewoners via bankrekening belanghebbende
De situatie kan zich voordoen dat medebewoners hun aandeel in de woonkosten voldoen door dat op de rekening van belanghebbende te storten. De hiervoor genoemde methode van toepassing van de kostendelersnorm en het korten van de stortingen minus het verschil tussen de toepasselijke norm zonder kostendelers (bijvoorbeeld alleenstaande) en de verstrekte norm kostendeler, levert dan niet altijd een rechtvaardig resultaat op.
De rechtbank Rotterdam heeft in een dergelijk geval geoordeeld dat de stortingen in dat geval hun bijdragen aan de redelijke gezamenlijke vaste lasten betreffen en daarom niet als inkomen kunnen worden aangemerkt. De rechtbank vindt dat belanghebbende de bedragen, ook al zijn die hoger dan het bedrag waarmee belanghebbende in verband met de kostendelersnorm wordt gekort, niet vrij kan besteden in deze omstandigheden. Hierbij nam de rechtbank wel in overweging dat de woonkosten niet onredelijk hoog waren en dat het zeer de vraag is of belanghebbende lagere vaste lasten verkrijgt als hij anders zou gaan wonen, gelet op de relatief lage vaste lasten voor 3 personen en de huidige schaarste van goedkopere woningen (zie Rechtbank Rotterdam 21-4-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3527).
Hoewel kan worden betwist dat belanghebbende niet redelijkerwijs over de stortingen kan beschikken is de benadering om deze middelen niet in aanmerking te nemen wel redelijk. Immers, het betreft het deel van de vaste lasten van de medebewoners en strekt niet tot voordeel van belanghebbende. Stel dat de vaste lasten aan de leveranciers wordt voldaan door een van de medebewoners van belanghebbende en belanghebbende maakt zijn deel over naar de bankrekening van die medebewoner. Dan is er ineens niets meer aan de hand, want belanghebbende heeft de bijdragen van de anderen in dat geval niet meer op zijn bankrekening staan. Via wiens bankrekening de betaling van de vaste lasten ook lopen, dat mag niet uit maken. Het gaat immers om niets anders dan het delen van reële kosten en niet om in aanmerking te nemen inkomen (zie hierover de noot van mr. andre Pepers bij Rechtbank Rotterdam 21-4-2021, ECLI:NL:RBROT:2021:3527
Indien een belanghebbende de woning deelt met meerdere huurders, onderhuurders of kostgangers, kan de vraag zich voordoen of er sprake is van bedrijfsmatige activiteiten. In dat geval is het Bbz 2004 op hem van toepassing. Het enkele feit dat iemand behoorlijk wat inkomsten uit kamerhuur ontvangt maakt hem overigens niet zonder meer tot een zelfstandige (zie CRvB 02-03-2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AO5073 .Onderzocht zal moeten worden of belanghebbende voldoet aan de criteria van artikel 1 onderdeel b Bbz 2004.
Ad 2 Kostendelersnorm is niet van toepassing
In het geval de kostendelersnorm niet geldt worden inkomsten (ook) in aanmerking genomen. De werkelijke inkomsten uit huur of kostgeld worden gekort op de uitkering.
De inkomsten uit verhuur hoeven naar de mening van de experts van Schulinck niet altijd volledig gekort te worden. Vaak zit in de huur een bepaalde vergoeding begrepen voor energie- en internetgebruik. Een commercieel huurder zal moeten kunnen aangeven welk deel van de huuropbrengst de kale huur is en welk deel van de huuropbrengst betrekking heeft op een kostenvergoeding. De kale huur moet dan in mindering worden gebracht op de bijstand.
In de volgende paragraaf worden beleidsregels geformuleerd over hoe invulling te geven aan het begrip ‘commerciële huurprijs’ en de wijze waarop inkomsten uit commerciële verhuur en kostgangerschap bij de bijstandsverlening in aanmerking worden genomen.
2.3.4. Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
overwegende dat het wenselijk is regels te stellen over het beleid ten aanzien van het verlagen van de uitkering bij commerciële huurprijs en bij inkomsten uit verhuur en kostgeld;
gelet op 19a, eerste lid, onderdeel b of c, artikel 20a en artikel 33 lid 4 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
vast te stellen de Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) en de Algemene wet bestuursrecht.
De beleidsregels gelden alleen voor belanghebbenden van 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. In geval van gehuwden gelden de bepalingen van deze beleidsregels alleen als beide echtgenoten 21 jaar of ouder maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd zijn.
Artikel 3. Zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder
De belanghebbende moet de schriftelijke overeenkomst, bedoeld in artikel 19a, eerste lid, onderdeel b of c, van de wet, bij het college inleveren. Het college beoordeelt of sprake is van een zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder aan de hand van de volgende criteria:
Artikel 4a. De commerciële huurprijs voor een zelfstandige woning in de sociale woningbouw
Er is in principe sprake van een commerciële prijs bij (onder-) (ver-)huur als de huurprijs minimaal de basishuur bedraagt. Als de huurprijs inclusief de water- en energielasten is (all-in huur), wordt in principe onder de commerciële prijs verstaan een bedrag van ten minste 100/60 x de basishuur.
Artikel 4b. De commerciële huurprijs in alle overige huursituaties
Het college beoordeelt in de overige huursituaties (zoals kamerhuur) de vraag of sprake is van een zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder aan de hand van de volgende uitgangspunten:
Artikel 5. De commerciële huurprijs bij kostgangers
Bij het bedrag voor de maaltijden dient uitgegaan te worden van de normbedragen voor voeding in het Vtlb rapport van de werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa , omgerekend naar een bedrag per maand. Het maandbedrag voor de maaltijden wordt jaarlijks opnieuw berekend op basis van het meest recente Vtlb rapport en naar boven afgerond op hele euro’s.
Bij levering van andere diensten door de kostgever dan enkel maaltijden, dient bij bepaling van de commerciële prijs uitgegaan te worden van de voor die diensten geldende Nibud prijzen. Bij bepaling van de commerciële prijs dient de verhouding tot zowel de geleverde prestaties als hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in de beoordeling meegenomen te worden.
Artikel 6. Verrekenen van inkomsten ingeval van commerciële verhuur en kostgangers
De inkomsten uit commerciële verhuur worden op grond van artikel 33 lid 4 van de wet op de uitkering van belanghebbende in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de verhuurder in verband met de verhuur maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke).
De inkomsten van een of meerdere kostganger(s), worden op grond van artikel 33 lid 4 van de wet op de uitkering in mindering gebracht onder aftrek van een forfaitair bedrag per maand voor de kosten die de kostgever in verband met het kostgeverschap maakt (kosten voor energie, afschrijving van meubilair en dergelijke alsmede kosten voor de maaltijden).
Voor de kosten (forfaitair bedrag) die de verhuurder maakt in verband met verhuur en kostgeverschap, zoals aangegeven in het eerste en tweede lid, dienen normbedragen uit het in het Vtlb rapport van de werkgroep Rekenmethode vtlb van Recofa met betrekking tot het verhuurde en de maaltijden als uitgangspunt te worden genomen, omgerekend naar een bedrag per maand.
Artikel 7. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen
Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels Commerciële huurprijs en inkomsten uit verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026”.
2.3.5. Toelichting op Beleidsregels commerciële huurprijs en inkomsten uit commerciële verhuur en kostgeld Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het Vtlb-rapport (Vrij te laten bedrag) is een door de Werkgroep Rekenmethode Vtlb van Recofa (Rechters-commissarissen in faillissementen) vastgestelde richtlijn die de berekeningsmethode van het vrij te laten bedrag regelt bij toepassing van de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp).
Het rapport vormt een landelijke standaard en is gebaseerd op:
De werking van het Vtlb-calculatieprogramma, dat verplicht wordt gebruikt door bewindvoerders.
Het rapport heeft juridische status als richtlijn binnen de Wsnp en wordt door de rechtspraak en bewindvoerders gehanteerd om rechtsgelijkheid en consistentie te waarborgen.
Deze beleidsregels gelden alleen voor personen van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd. Bij gehuwden geldt: beide partners moeten binnen deze leeftijdscategorie vallen. Dit sluit aan bij de leeftijdsgrenzen van de Participatiewet voor de algemene bijstand.
Artikel 3. Zakelijke relatie tussen verhuurder en huurder
Het college moet beoordelen of er sprake is van een zakelijke relatie. Dit is belangrijk om te voorkomen dat schijnconstructies (bijvoorbeeld familieverhuur tegen lage prijzen) leiden tot een hogere bijstandsuitkering.
De beoordeling gebeurt op basis van deze criteria:
Artikel 4a. De commerciële prijs voor een zelfstandige woning in de sociale woningbouw
Bij (onder)huur van een zelfstandige sociale huurwoning geldt een huurprijs als commercieel wanneer deze minimaal gelijk is aan de basishuur. Bij een all-in huur (inclusief water en energie) wordt een commerciële prijs berekend als 100/60 × basishuur. Dit voorkomt dat een te lage huur wordt opgegeven om het recht op bijstand te beïnvloeden.
De belastingdienst hanteert als bedrag voor commerciële huur een bedrag inclusief kosten van water en energie. 60% van dit bedrag komt overeen met de basishuur. 40% komt overeen met de som van de bedragen die de belastingdienst hanteert voor de waarde die waterverbruik en energieverbruik voor verschillende doeleinden in het economische verkeer vertegenwoordigen. Hieruit blijkt in de eerste plaats eveneens dat de basishuur als ondergrens voor de commerciële huur kan worden gehanteerd. In de tweede plaats blijkt dat een commerciële all-in huur is af te leiden op de wijze zoals in dit artikelonderdeel is aangegeven.
De 'basishuur' is een begrip uit de huurtoeslag. Het is de eigen bijdrage die een huurtoeslaggerechtigde hoe dan ook zelf moet bekostigen. De overheid stelt jaarlijks een 'minimum basishuur' vast. Die geldt als norm voor huurtoeslaggerechtigden met een minimuminkomen. In deze huur zijn begrepen de elementen die voor het bepalen van het recht op huurtoeslag meetellen.
Met andere woorden, de basishuur is het bedrag dat een huurder altijd zelf moet betalen als eigen bijdrage, ongeacht de hoogte van de huur of de huurtoeslag. Het is inkomensafhankelijk en wordt jaarlijks vastgesteld door de overheid.
In 2025 is de minimum basishuur:
Bij een hoger inkomen stijgt de basishuur geleidelijk.
De basishuur vormt de ondergrens van de huurtoeslagberekening.
We kennen ook nog het begrip ‘normhuur’. Normhuur is een vast referentiebedrag dat vanaf 2026 wordt gebruikt bij de berekening van huurtoeslag. De overheid kijkt niet meer naar de daadwerkelijke huurprijs, maar naar dit standaardbedrag. Dit zorgt voor een eenvoudiger systeem en maakt het recht op huurtoeslag minder afhankelijk van de hoogte van de huur. Het normbedrag wordt jaarlijks vastgesteld en sluit aan bij het minimum-inkomensijkpunt van artikel 17 van de Wet op de huurtoeslag.
Belangrijkste kenmerken van het nieuwe stelsel (vanaf 2026):
De normhuur wordt jaarlijks vastgesteld (bijvoorbeeld € 548 per maand). Of je nu een woning huurt van € 400 of € 700, de toeslag wordt berekend alsof je € 548 huur betaalt. Je betaalt altijd een eigen bijdrage (basishuur), afhankelijk van jouw inkomen.
Basishuur (eigen bijdrage) = € 250.
Jouw inkomen = bijstandsniveau.
Je huurt een woning van € 700 per maand.
De overheid kijkt niet naar € 700, maar naar € 548.
Je betaalt zelf € 250 (basishuur).
Huurtoeslag = € 548 – € 250 = € 298 per maand.
Als je een woning van € 400 huurt:
De toeslag wordt nog steeds berekend op € 548.
Huurtoeslag = € 298 (maar jouw totale woonlasten zijn lager, dus je houdt meer over).
Artikel 4b. Commerciële huurprijs overige huursituaties
Voor andere situaties, zoals kamerhuur, beoordeelt het college of sprake is van een zakelijke relatie. Daarbij kijkt men naar:
Een commerciële prijs voor kostgangers bestaat uit:
Bij extra diensten (bijvoorbeeld schoonmaak) worden Nibud-prijzen als uitgangspunt genomen.
Artikel 6. Verrekening van inkomsten
Inkomsten uit verhuur of kostgangers worden op grond van artikel 33 lid 4 Participatiewet verrekend met de uitkering. Er wordt een forfaitair bedrag afgetrokken voor kosten van verhuur of kostgangerschap (energie, meubilair, maaltijden). Deze normbedragen komen uit het Vtlb-rapport en worden jaarlijks aangepast.
Zijn er meerdere huurders of kostgangers, dan moet een schaalverdeling worden gemaakt. Voor de tweede inwoner wordt dan 80% van het forfaitaire bedrag genomen, voor de derde 70% en zo verder (deze percentages zijn berekend met behulp van de uitgaven aan voeding en budgetonderzoeken van het CBS).
2.3.6. Korting inkomsten uit verhuur en kostgeversschap in relatie tot de huurtoeslag
In de uitvoeringspraktijk doet zich bij inwonende kinderen wel eens het volgende probleem voor. Een moeder ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande. Zij ontvangt naast deze uitkering zorg- en huurtoeslag. Op een gegeven moment komt haar meerderjarige dochter van 28 jaar oud bij haar inwonen. Haar dochter heeft een redelijk salaris (anderhalf maal modaal). De belastingdienst zet, zodra de dochter bij haar komt inwonen, de huurtoeslag stop. Bij de moeder wordt als gevolg van deze wijziging de kostendelersnorm toegepast. De dochter betaalt naast het kostgeld haar moeder ook een bedrag dat als compensatie dient voor het wegvallen van de huurtoeslag. De moeder verzoekt de gemeente om de ontvangen compensatie voor het wegvallen van de huurtoeslag vrij te laten en dus niet op de uitkering te korten.
Hoe nu te handelen? Volgens artikel 33 lid 4 van de Participatiewet worden de inkomsten van een kostganger op de uitkering van de moeder in mindering gebracht. Aangezien sprake is van bloed- of aanverwanten in de eerste graad, is de kostendelersnorm onverkort van toepassing. Ongeacht of zij een commerciële prijs zijn overeengekomen. Geldt de kostendelersnorm onverkort, dan kunnen niet de volledige inkomsten uit kostgeld worden gekort, omdat de kostendelersnorm al rekening houdt met het delen van de kosten. De kostendelersnorm moet dan worden afgezet tegen de norm. Het verschil is het bedrag wat al in de norm is verdisconteerd en wat dus niet in mindering mag worden gebracht op de bijstandsnorm.
De compensatie voor het gemis van de huurtoeslag dient op haar uitkering in mindering te gebracht. Dit volgt uit artikel 32 lid 1 van de Participatiewet, waarin is bepaald dat alle inkomsten die de belanghebbende ontvangt als middel worden aangemerkt, tenzij deze inkomsten zijn uitgezonderd op grond van artikel 31 lid 2 Participatiewet. De compensatie voor het gemis van de huurtoeslag is echter niet uitgezonderd op grond van voormeld artikel. Ook al is het ontvangen bedrag geen extra inkomen vanuit het perspectief van de moeder, volgens de Participatiewet wordt het wel als zodanig beschouwd.
Het college zou in dit geval op grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet de bijstand kunnen afstemmen op de bijzondere omstandigheden van de moeder. Dit artikel biedt de mogelijkheid tot individualisering in gevallen waarin strikte toepassing van de wet tot onbillijkheden zou leiden.
2.4. Verlaging bijstand wegens woonsituatie (artikel 27 PW)
Artikel 27 PW geeft het college de mogelijkheid om de norm te verlagen in het geval de woonsituatie van belanghebbende met zich meebrengt dat hij daardoor lagere noodzakelijke kosten van bestaan heeft. Hier is nadrukkelijk ook onder begrepen de situatie waarin belanghebbende geen woning bewoont.
Bij de bijstandsverlening moet met deze lagere bestaanskosten rekening kunnen worden gehouden. De wetgever heeft hiertoe in artikel 27 Participatiewet een aparte rechtsgrond opgenomen
Wanneer sprake van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie
Van lagere bestaanskosten als gevolg van de woonsituatie kan sprake zijn bij de bewoning van een woning waaraan geen woonlasten zijn verbonden, bijvoorbeeld in het geval van krakers of in het geval waarin de belanghebbende anderszins geen huurder of eigenaar van de woning is (zie CRvB 3-1-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AU9217). Hiervan is echter ook sprake in geval een derde, bijvoorbeeld een onderhoudsplichtige, de woonlasten betaalt van de woning. Er wordt dan een woning bewoond waaraan voor belanghebbende geen woonkosten zijn verbonden. Het financiële voordeel van het niet verschuldigd zijn van woonkosten rechtvaardigt een lager bedrag aan algemene bijstand.
NB Een verlaging op grond van artikel 27 Participatiewet kan als er geen woonkosten/lasten verschuldigd zijn. Bij (achterstallige) huurlasten is hiervan geen sprake. Zie Rechtbank Midden-Nederland 20-10-2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:5482.
De woonkosten kunnen verder opgesplitst worden. Naast huur en hypotheek, kunnen er ook andere kosten onder vallen, zoals in verband met het in eigendom hebben van de woning te betalen zakelijke lasten, bijvoorbeeld het eigenaarsdeel van de onroerendzaakbelasting en reserveringen voor onderhoud. Het ontbreken van welke van deze kosten rechtvaardigen een lager bedrag aan algemene bijstand. Uitgangspunt is dat het college in beleidsregels kan opnemen welke woonkosten moeten ontbreken om voor een verlaging van de bijstandsnorm in aanmerking te kunnen komen. Woonkosten die niet zijn opgenomen in de beleidsregels kunnen eventueel afgestemd worden op grond van artikel 18 lid 1 van de Participatiewet.
Als in een bepaald geval geen huur- of hypotheeklasten verschuldigd zijn, is dat niet in alle gevallen zonder meer voldoende reden voor de verlaging, omdat er ook andere jegens een derde verschuldigde woonlasten kunnen zijn. Als de beleidsregels in een verlaging voorschrijft wegens het ontbreken van de kosten van huur of hypotheek, zal het college in voorkomende gevallen zo nodig met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet de hoogte van de bijstand afwijkend moeten vaststellen (vergelijk Rechtbank 's-Hertogenbosch 30-8-2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BN5850).
Afzonderlijke aandacht verdient de situatie van dak- en thuislozen. In de regel zullen zij geen kosten hebben voor het aanhouden van woonruimte. De wetgever heeft echter met artikel 27 Participatiewet niet beoogd, dat gemeenten kunnen volstaan met het verstrekken van een lager bedrag aan bijstand vanwege het enkele feit van het ontbreken van woonruimte. Daarmee zou het voorzieningenniveau voor deze kwetsbare groep tekortschieten. Het college dient zorg te dragen voor een adequaat voorzieningenniveau voor dak- en thuislozen.
Artikel 27 Participatiewet biedt, in combinatie met artikel 57 Participatiewet, daartoe de mogelijkheden. Tegenover het ontbreken van kosten omdat geen woonruimte wordt aangehouden, staat dat dak- en thuislozen regelmatig kosten zullen moeten maken voor dak- en thuislozenopvang. Dit dient bij de vaststelling van de uitkeringshoogte te worden betrokken.
Indien de belanghebbende er blijk van heeft gegeven de kosten van de dak- en thuislozenopvang stelselmatig niet te betalen, heeft het college de bevoegdheid om aan de bijstand de verplichting te verbinden dat de belanghebbende eraan meewerkt dat deze kosten rechtstreeks worden overgemaakt aan de betreffende instantie.
Voorts heeft het college de bevoegdheid om de bijstand in de vorm van dag/nachtverblijf aan te bieden door middel van bijstand in natura als bedoeld in artikel 57 onderdeel b Participatiewet.
2.4.2. Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 27 van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
overwegende dat het wenselijk is regels te stellen over het beleid ten aanzien van het verlagen van de uitkering in verband met de woonsituatie;
vast te stellen Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon 2026
De verlaging zoals bedoeld in artikel 27 Participatiewet bedraagt maximaal 15 procent van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm 21-pensioengerechtigde leeftijd), indien een woning wordt bewoond waaraan voor belanghebbende geen of weinig woonkosten zijn verbonden, een woning wordt bewoond waarvan de woonkosten (deels) door derden wordt voldaan of geen woning wordt bewoond.
Indien een belanghebbende dak- en thuisloos is maar wel woonkosten heeft, zoals kosten voor opvang, is het aan belanghebbende om dit aan te tonen via bewijsstukken. Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan met toepassing van artikel 18 Participatiewet de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b, Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten.
2.4.3. Toelichting op beleidsregel verlaging uitkering in verband met woonsituatie Hollands Kroon Participatiewet 2026
Artikel 27 van de wet is bedoeld om rekening te kunnen houden met het ontbreken van (een deel van) de woonkosten bij belanghebbende, anders dan als gevolg van het (kosten)delen van de woning.
Als aan deze voorwaarden wordt voldaan, wordt er een verlaging van maximaal 15 % toegepast in de volgende drie situaties:
Indien de woonkosten die een derde betaalt lager zijn dan 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet (gehuwdennorm), dan wordt het bedrag dat deze persoon betaalt onder toepassing van artikel 27 van de Participatiewet op de uitkering in mindering gebracht
Als de dakloze kan aantonen dat hij kosten maakt voor opvang (niet zijnde eten), dan kan de verlaging worden vastgesteld op 15% van de norm als bedoeld in artikel 21 onderdeel b Participatiewet minus de maandelijkse opvangkosten, zulks op grond van artikel 18 van de wet.
In artikel 8 lid 1 van de IOAW en IOAZ wordt onder inkomen verstaan het inkomen uit arbeid of overig inkomen. In deze wetten is geen vergelijkbaar artikel 27 Pwet.
2.5. Verlaging norm schoolverlater
Het college kan voor 6 maanden de norm verlagen als belanghebbende recent zijn onderwijs of beroepsopleiding heeft beëindigd. Dit staat in artikel 28 Participatiewet.
De bijstandsuitkering ligt hoger dan de bedragen voor levensonderhoud die bij de studiefinanciering gelden. De noodzakelijke bestaanskosten nemen niet gelijk toe als de belanghebbende zijn studie beëindigt. Zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54. De schoolverlaterskorting kan daarom (ook) gelden voor personen die een studie of opleiding met succes hebben afgemaakt.
De gemeente Hollands Kroon past geen verlaging van de bijstandsnorm toe voor belanghebbenden die recent hun onderwijs of beroepsopleiding hebben beëindigd, waarvoor aanspraak bestond op studiefinanciering of een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage. Deze keuze is gebaseerd op de volgende overwegingen:
Voorkomen van financiële problemen en schulden
De ratio van artikel 28 Participatiewet is dat de bijstandsnorm hoger ligt dan de bedragen voor levensonderhoud bij studiefinanciering, terwijl de noodzakelijke bestaanskosten niet direct stijgen na beëindiging van de studie (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 54). In de praktijk blijkt echter dat schoolverlaters vaak direct hogere kosten hebben, zoals volledige huur, zorgverzekering en vervoer. Een verlaging van de norm kan leiden tot een armoedeval en vergroot het risico op schulden.
Het toepassen van een tijdelijke verlaging vereist een beoordeling van het moment van beëindiging van onderwijs en de duur van de verlaging (maximaal zes maanden). Dit brengt extra uitvoeringslasten en onzekerheid voor cliënten met zich mee. Door geen verlaging toe te passen, is het beleid eenvoudig, transparant en voorspelbaar.
Op grond van bovenstaande argumenten kiest de gemeente Hollands Kroon ervoor om artikel 28 Participatiewet niet toe te passen. Schoolverlaters ontvangen de volledige bijstandsnorm conform artikel 21 Participatiewet.
2.6. Bijverdienregeling (inkomstenvrijlating)
2.6.1 Verruiming bijverdienregeling in de nieuwe Pwet
In de nieuwe Participatiewet is besloten om voor alle bijstandsgerechtigden tussen de 18 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd één bijverdienregeling te introduceren voor de duur van één jaar. Ook wordt het mogelijk om de regeling te verlengen voor mensen voor wie het wegens individuele omstandigheden niet of nauwelijks mogelijk is om meer uren te gaan werken (nieuw artikel 34a Pw). Doel van het verruimen van de bijverdienregeling is om werken meer lonend te maken voor mensen die (deeltijd) werken met aanvulling vanuit de bijstand.
2.6.2. Bijverdienregelingen in de oude Pwet
De vorige wet kende de volgende inkomstenvrijlatingen:
De algemene tijdelijke gedeeltelijke inkomstenvrijlating
Het ging om 25% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 215,– per maand. Deze vrijlating gold voor een periode van maximaal 6 maanden. Voorwaarde was dat de werkzaamheden naar het oordeel van de gemeente bijdragen aan de arbeidsinschakeling van de bijstandsgerechtigde. Deze vrijlating gold niet voor personen jonger dan 27 jaar.
De structurele inkomstenvrijlating medisch uren beperkt
Het ging om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 136,26 per maand. De gemeente moest op grond van een advies van UWV hebben vastgesteld dat de bijstandsgerechtigde een medische urenbeperking heeft. Deze vrijlating was structureel en was ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar.
De tijdelijke inkomensvrijlating bij werken met loonkostensubsidie
Het ging om 15% van de inkomsten uit arbeid tot maximaal € 155,56 per maand. Deze vrijlatingsregeling was specifiek van toepassing op inkomsten uit werkzaamheden die met toepassing van loonkostensubsidie worden verricht. Het ging om een tijdelijke vrijlating met de mogelijkheid van verlenging van deze vrijlatingsduur wanneer er naar het oordeel van de gemeente in de persoon gelegen omstandigheden zijn, die uitbreiding van de uren (vrijwel) onmogelijk maakt. Deze vrijlating was ook van toepassing op bijstandsgerechtigden jonger dan 27 jaar.
Naast bovenstaande vrijlatingsregelingen kende de wet ook nog de mogelijkheid om via een zogenaamde stimuleringspremie de werkaanvaarding te bevorderen. De gemeente kan een- of tweemaal per jaar deze premie verstrekken. De totale premie kan jaarlijks maximaal € 2.570 bedragen. Vrijlating en premie kunnen los van elkaar worden ingezet. De vrijlating wordt belast. De premie is onbelast voor zover niet structureel ingezet en niet gecombineerd met een vrijwilligersvergoeding. Voor de premie gold dat deze voor personen jonger dan 27 jaar als uitzondering op de vrijlatingen is opgenomen.
2.6.3. Bijverdienregeling in de nieuwe Pwet
De vroegere vier vrijlatingen worden geharmoniseerd tot één bijverdienregeling. Die harmonisering heeft betrekking op verschillende onderdelen:
Bij vrijlating van inkomen kan 15% van het netto inkomen uit arbeid in de desbetreffende maand (exclusief de reservering voor vakantiebijslag of keuzebudget), buiten beschouwing worden gelaten. Naast het reguliere inkomen uit arbeid, vallen ook inkomensbestanddelen zoals gratificaties, dertiende maand, bonussen e.d. onder inkomen uit arbeid en dus óók onder de vrijlatingsregeling op het moment van uitbetaling.
Er is geen specifiek maximum aan de bijverdienregeling gekoppeld. Maar indien bijstandsgerechtigde over een inkomen beschikt boven de bijstandsnorm, is diegene, door het hoger inkomen, niet langer bijstandsafhankelijk (geen bijstandsrecht) en kan dus ook geen sprake meer zijn van op de bijstand in mindering te brengen inkomen of bij verrekening buiten beschouwing te laten inkomen.
NB De CRvB ( uitspraak ECLI:NL:CRVB:2021:2146, 24 augustus 2021) oordeelde dat wanneer een bijstandsgerechtigde naast bijstand ook inkomsten heeft, eerst de inkomstenvrijlating (art. 31 lid 2 sub n PW) wordt toegepast op die inkomsten. Daarna wordt beoordeeld of het resterende inkomen (na vrijlating) nog steeds beneden de bijstandsnorm ligt. Is dat het geval, dan blijft het recht op bijstand bestaan. Pas bij een overschrijding wordt het recht beëindigd. De nieuwe bijverdienregeling bepaalt dat vrijlating alleen van toepassing is indien het totale inkomen mét vrijlating onder of gelijk aan de bijstandsnorm blijft. Is het volledige inkomen boven de norm, dan vervalt direct het recht op bijstand en er is geen sprake meer van ‘verrekenen’ of ‘vrijlaten’. De nieuwe regeling schuift dus de vrijlating naar de achtergrond en keert de volgorde om. Daarmee wijkt zij fundamenteel af van de CRvB-logica, die stelt dat eerst de vrijlating toegepast moet worden en daarna getoetst aan de norm.
De bijverdienregeling geldt voor 12 aaneengesloten maanden en kent een eenduidig afwegingskader voor eventuele verlenging, met dien verstande dat de structurele regeling voor medisch uren beperkten behouden blijft. Door de vrijlating wordt meer bijstand verstrekt. Rekening houdend met de huidige normen, betekent dit dat een alleenwonende alleenstaande max 15% van € 1.135,88 = € 170,38 per maand aan vrijlating kan ontvangen.
De Tweede Kamer heeft in het kader van de behandeling van de Participatiewet in balans het amendement van het lid De Kort aangenomen. In dit amendement wordt bepaald dat de premie arbeidsinschakeling ook beschikbaar wordt voor jongeren onder de leeftijd van 27 jaar.
In Hollands Kroon kent men de uitstroompremie. De voorwaarden waaronder deze premie wordt toegekend, is geregeld in de re-integratieverordening. Deze premie wordt dus ook beschikbaar voor jongeren tot 27 jaar. Dit betekent dat genoemde verordening op dit punt moet worden aangepast.
NB Voor personen die pensioengerechtigd zijn blijft de huidige 25%-regeling binnen de AIO behouden.
Er is één standaardpercentage van 15%. Er geldt geen maximumbedrag meer. Voorwaarde voor de bijverdienregeling is dat bijstandsgerechtigde bijstandsafhankelijk is, wat inhoudt dat het inkomen – als de bijverdienregeling niet van toepassing is – lager is dan de voor hem geldende bijstandsnorm. De regeling kan in die zin maximaal 15% bedragen van de voor de bijstandsgerechtigde geldende bijstandsnorm. Door het percentage van 15% heeft de bijverdienregeling niet of nauwelijks effect op de toeslagen van de bijstandsgerechtigde. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk.
De huidige vrijlating voor mensen met een medische urenbeperking is – zij het als bijverdienregeling – gehandhaafd en wordt na vaststelling van een medische urenbeperking structureel toegekend. Mensen met een medische urenbeperking zijn vanwege medische belemmeringen alleen in staat tot werken in deeltijd.
Bij personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd die bijstand in de vorm van AIO ontvangen (AIO-gerechtigden) werd vroeger 25% van de inkomsten uit arbeid in de middelentoets vrijgelaten. Dit percentage blijft in de nieuwe wet ongewijzigd. De regering heeft ervoor dit percentage niet aan te passen, omdat de toeslagen voor mensen boven de pensioengerechtigde leeftijd zodanig werken dat het percentage van 25% niet zorgt voor verminderd recht op toeslagen.
De oude, specifieke vrijlatingsregeling voor loonkostensubsidie blijft gehandhaafd — maar wordt hergewaardeerd en geïntegreerd binnen de nieuwe, generieke bijverdienregeling. Hierdoor ontstaat uniformiteit: iedereen – inclusief loonkostensubsidiewerkers – heeft nu recht op 15% vrijlating voor 12 maanden, met mogelijkheid tot verlenging.
De regeling is vereenvoudigd én ruimhartiger, aangezien deze geldt ongeacht leeftijd of soort arbeid. Door de verruiming van bijverdienregeling op deze manier in te richten ontstaat er in de nieuwe over de hele linie een verruiming en dus een stimulans om vanuit de uitkering te gaan werken en mogelijk meer te gaan werken.
2.6.4. Wettekst bijverdienregeling Participatiewet en toelichting
Artikel 34 a PWet luidt als volgt:
Nadat de periode, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, is verstreken kan het college de periode waarin de inkomsten uit arbeid niet worden verrekend verlengen met een door het college te bepalen periode, indien het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
Het is aan de gemeente om te beoordelen of in de individuele situatie de deeltijdarbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt.
In de constante jurisprudentie wordt bevestigd dat de vrijlating is bedoeld om mensen uit de bijstand te helpen, niet om tijdelijk of onzeker werk te ondersteunen. Als de baan geen vaste werkgelegenheid biedt, heeft de vrijlating geen nut en zorgt het alleen voor een tijdelijke verbetering van het inkomen zonder blijvend resultaat. De gemeente moet per persoon kijken naar het soort werk en hoe lang het duurt. Als de gemeente vindt dat het werk geen realistische kans biedt op volledige uitstroom, kan dit reden zijn om de vrijlating niet toe te passen. Bijvoorbeeld bij tijdelijke klusjes zonder kans op groei.
In de nieuwe Participatiewet lijkt de regering deze standpunten uit de rechtspraak te volgen. In de Memorie van Toelichting staat: “Het is uiteindelijk aan de gemeente om te beoordelen of in de individuele situatie de deeltijdarbeid aan de arbeidsinschakeling bijdraagt. De situatie kan zich echter voordoen dat sprake is van bijvoorbeeld een te beperkte bijdrage. Denk aan de situatie dat de bijstandsgerechtigde gezien zijn mogelijkheden meer arbeid zou kunnen verrichten dan via de door hem gekozen deeltijdarbeid. In die gevallen zou toepassing van de bijverdienregeling averechts werken. Op gelijke wijze is de gemeente niet gehouden de regeling toe te passen op niet of te laat gemelde inkomsten”.
Na afloop van de 12 maanden kan de gemeente de regeling ook verlengen, als het college een uitbreiding van de arbeidsomvang gelet op de individuele omstandigheden niet mogelijk acht.
In dit verband kan nog worden gewezen op een uitspraak van de CRvB. De Raad bepaalde dat een vrijlating bij voortzetting van dezelfde reeds jarenlange verrichte deeltijdarbeid ook niet bijdraagt aan arbeidsinschakeling (ECLI:NL:CRVB:2015:1470, ECLI:NL:CRVB:2017:1552) .
2.6.5. Veel gestelde vragen met betrekking tot bijverdienregeling
Vraag1 Mag gemeente in het kader van de nieuwe bijverdienregeling tussentijds de vrijlating intrekken?
Ja, de gemeente mag de vrijlating intrekken wanneer blijkt dat het gedrag of werk van de belanghebbende niet langer bijdraagt aan arbeidsinschakeling. Onder meer situaties zoals langdurige dezelfde deeltijdbaan of onvoldoende realistisch perspectief kunnen hiervoor aanleiding geven, in lijn met jurisprudentie ( CRvB ) én de toelichting op de Participatiewet.
Vraag 2 Heeft klant recht op vrijlating in het kader van bijverdienregeling als hij ziek wordt en ziektewet uitkering krijgt
Nee, als de werknemer ziek wordt en een ziekte ‑ /hersteluitkering ontvangt, dan vervalt de bijverdienregeling — inclusief de vrijlatingsconstructie onder artikel 34a Pw.
Enkel voor mensen die met ziektebeperkingen parttime blijven werken en nog steeds participatiewetgerechtigd zijn, blijft de medische vrijlatingsvorm gelden, en dat onbeperkt zolang de urenbeperking bestaat.
Vraag 3 Geldt de bijverdienregeling ook voor IOAW’ers en IOAZ’ers ?
De Regeling Participatiewet, IOAW en IOAZ is per 1 januari 2026 aangepast om uniforme regels te bieden voor vrijlatingen en verrekeningen van inkomsten voor alle typen uitkeringen, inclusief IOAW en IOAZ. Bij de update via internetconsultatie in september 2024 is expliciet opgenomen dat de nieuw vormgegeven bijverdienregeling binnen de Participatiewet ook toegepast gaat worden op vangnetuitkeringen zoals IOAW en IOAZ.
Vraag 4 Hoe zit het overgangsecht in elkaar?
Overgangsrecht inkomensvrijlatingen
Er geldt bij inwerkingtreding van de nieuwe bijverdienregeling in 2 situaties overgangsrecht:
Als de alleenstaande ouder nog één of meer maanden recht heeft op de inkomstenvrijlating van 12,5%, dan wordt dit percentage verhoogd naar 15% en loopt de regeling door voor de resterende duur (maximaal 30 maanden).
Voor de inkomensvrijlating voor bijstandsgerechtigden die werken met loonkostensubsidie geldt dat deze regeling zonder aanpassingen voor de resterende duur door kan lopen.
Vraag 5 Geldt bijverdienregeling ook voor inkomsten als zelfstandige?
De wet stelt dat "inkomsten uit arbeid" voor bijverdienvrijlating niet met de bijstand worden verrekend. De formulering is generiek gekozen en specifiek niet beperkt tot loondienst, zodat zelfstandig ondernemers – die werken op hun eigen bedrijf – er ook onder vallen. Artikel 34a Participatiewet bepaalt dat de gemeentelijke vrijlating geldt voor 15% van het netto-arbeidsinkomen, gedurende maximaal 12 maanden, voor iedereen jonger dan AOW‑leeftijd. Divosa benadrukt in de toelichting dat het gaat om “arbeidsinkomsten” in algemene zin – inclusief inkomsten uit zelfstandigheid.
Vraag 6 Vereist een bijverdienregeling een aanvraag?
De regeling is onderdeel van gemeentelijk maatwerk. De gemeente beslist, op individu‑niveau, of de bijverdienregeling passend is — ze moet vaststellen dat deze bijdraagt aan verdere arbeidsinschakeling. Er is geen sprake van ambtshalve toekenning (in tegenstelling tot de ambtshalve individuele inkomenstoeslag die vanaf 2027 mogelijk wordt, maar dat is een andere regeling)
Een bijverdienregeling wordt dus alleen toegepast na aanvraag én beoordeling. De gemeente neemt deze maatregel dus niet automatisch zonder initiatief van de cliënt. Ambtshalve toekenning is alleen mogelijk als de wet dit expliciet vermeld.
Vraag 7 Kan de bijverdienregeling achteraf (bijvoorbeeld bij uitstroom) nog toegepast worden?
Nee. De regeling is volgens Schulinck , Divosa en VNG niet retroactief toepasbaar, om meerdere redenen:
Vraag 8 Waarom is de vrijlating van inkomen vastgesteld op 15%.
De 15% vrijlating is zo gekozen dat mensen die gebruikmaken van de bijverdienregeling hun recht op huurtoeslag en zorgtoeslag niet verliezen. Toeslagen zijn inkomensafhankelijk. Als iemand te veel verdient, vervallen huur- en zorgtoeslag. Met een vrijlating van 15% blijft het extra inkomen beperkt, zodat het totale inkomen nagenoeg altijd onder de toeslaggrenzen blijft. Dit voorkomt dat mensen die gaan werken er financieel op achteruitgaan door verlies van toeslagen. De 15% is dus een balans: genoeg om werken aantrekkelijk te maken, maar niet zo hoog dat mensen hun toeslagen kwijtraken. Dit sluit aan bij het doel van de Participatiewet in Balans: werken moet altijd lonen.
2.6.6. Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 34a van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
vast te stellen Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Betaalde werkzaamheden worden geacht aanwezig te zijn zodra sprake is van een tegenprestatie in geld, ongeacht de hoogte van het bedrag of de frequentie van betaling. Vrijwillige of onbetaalde werkzaamheden vallen niet onder deze definitie, tenzij er sprake is van een vergoeding die als inkomen wordt aangemerkt op grond van de Participatiewet.
De bijverdienregeling heeft als doel om bijstandsgerechtigden te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun arbeidsinkomsten tijdelijk niet te verrekenen met de bijstandsuitkering. Hiermee wordt de stap naar werk financieel aantrekkelijker gemaakt en wordt duurzame arbeidsinschakeling bevorderd.
Artikel 4. Procedure en toetsing
Artikel 5. Voorwaarden voor toepassing
Onverminderd het bepaalde in artikel 10, past het college de bijverdienregeling in ieder geval wel toe, indien:
Artikel 6. Beoordeling arbeidsinschakeling
Onder de in het eerste lid genoemde aspecten wordt het navolgende verstaan:
Het gaat om de inhoud van het werk en de mate van continuïteit. Werk dat structureel is en aansluit bij de capaciteiten van de betrokkene draagt eerder bij aan arbeidsinschakeling dan incidenteel of seizoensgebonden werk.
Voorbeeld: Een bijstandsgerechtigde werkt 8 uur per week als vakkenvuller op oproepbasis. Dit werk is tijdelijk en zonder perspectief op uitbreiding. Het college kan oordelen dat dit onvoldoende bijdraagt aan duurzame arbeidsinschakeling.
Mogelijkheid tot uitbreiding van uren of doorgroei
Werk moet perspectief bieden op meer uren, een vast contract of doorgroei naar een hoger functieniveau.
Voorbeeld: Iemand werkt 16 uur per week in de thuiszorg met uitzicht op een opleiding tot verzorgende IG. Dit werk biedt doorgroeimogelijkheden en draagt bij aan arbeidsinschakeling.
Persoonlijke omstandigheden van betrokkene
Factoren zoals gezondheid, mantelzorgtaken, opvoeding, of taalbeheersing kunnen van invloed zijn op de mogelijkheid om meer te werken.
Voorbeeld: Een alleenstaande ouder met jonge kinderen werkt 12 uur per week in de horeca. Vanwege beperkte kinderopvang is uitbreiding niet mogelijk. Het college kan dit meewegen bij de beoordeling.
Stabiliteit van het dienstverband
Een stabiel dienstverband (bijvoorbeeld met vaste uren en contractduur) draagt meer bij aan arbeidsinschakeling dan een wisselend of onzeker dienstverband.
Voorbeeld: Een betrokkene werkt via een uitzendbureau met wekelijkse wisseling van werkplek en uren. Het college kan oordelen dat dit onvoldoende stabiel is om als arbeidsinschakeling te gelden.
Motivatie en inzet van de betrokkene
De houding van de betrokkene ten opzichte van werk, zoals bereidheid tot scholing, flexibiliteit en initiatief, is relevant.
Voorbeeld: Een betrokkene volgt vrijwillig een taalcursus naast parttime werk en zoekt actief naar uitbreiding van uren. Dit toont inzet en motivatie, wat positief meeweegt.
Artikel 7. Vrijlatingspercentage en duur
Artikel 8. Verlengingsmogelijkheid
Het college past de bijverdienregeling in ieder geval niet toe, indien:
Er sprake is van niet of te laat gemelde inkomsten. De inkomsten uit arbeid moeten namelijk bijdragen aan de arbeidsinschakeling en dit vraagt om een individuele beoordeling die vooraf of bij aanvang van de werkzaamheden plaatsvindt. De bijverdienregeling kan dus niet achteraf, bijvoorbeeld bij uitstroom, worden toegepast.
Artikel 11. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 12. Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsrecht
Dit artikel legt uit wat de belangrijkste termen betekenen:
Algemene bijstand: De standaarduitkering volgens de Participatiewet.
Betaalde werkzaamheden: Alle vormen van werk waarvoor je geld krijgt, zoals:
Belangrijk: Zodra er een geldelijke tegenprestatie is, telt het als betaald werk. Vrijwilligerswerk telt alleen mee als er een vergoeding is die als inkomen geldt.
Bijstandsgerechtigden: Iedereen met een uitkering op basis van Participatiewet, IOAW, IOAZ of Bbz.
Bijverdienregeling: De regeling uit artikel 34a Participatiewet die tijdelijk toestaat dat een deel van inkomsten niet verrekend wordt.
Netto inkomen: Het bedrag na aftrek van belastingen en premies.
Uitkering: Levensonderhoud op basis van genoemde wetten.
De bijverdienregeling wil mensen in de bijstand stimuleren om (meer) te gaan werken. Door een deel van hun inkomsten tijdelijk niet te verrekenen, wordt werken financieel aantrekkelijker en bevordert het duurzame uitstroom naar werk.
Geldt voor alle bijstandsgerechtigden van 18 jaar tot AOW-leeftijd.
Toepasbaar op inkomsten uit loondienst of zelfstandig werk, mits dit bijdraagt aan arbeidsinschakeling.
Het netto-inkomen uit werk is bepalend, volgens Participatiewet-regels.
Artikel 4. Procedure en toetsing
Aanvraag verloopt digitaal, tenzij bijzondere omstandigheden een schriftelijke aanvraag rechtvaardigen.
Het college beoordeelt de aanvraag en kan extra informatie opvragen.
De beslissing wordt schriftelijk bevestigd.
Artikel 5. Voorwaarden voor toepassing
De bijverdienregeling wordt toegepast als aan deze voorwaarden is voldaan:
Artikel 6. Beoordeling arbeidsinschakeling
Het college kijkt naar vijf aspecten om te bepalen of werk bijdraagt aan arbeidsinschakeling:
Structureel werk dat aansluit bij capaciteiten telt zwaarder dan tijdelijk of seizoenswerk.
Voorbeeld: Oproepwerk zonder perspectief draagt minder bij.
Mogelijkheid tot uitbreiding of doorgroei
Werk met kans op meer uren, vast contract of opleiding is positief.
Voorbeeld: Thuiszorg met opleidingskans is gunstig.
Gezondheid, zorgtaken of taalbeheersing kunnen invloed hebben.
Voorbeeld: Alleenstaande ouder met beperkte kinderopvang kan niet uitbreiden.
Stabiliteit van het dienstverband
Vaste uren en contractduur wegen zwaarder dan wisselende uitzendbanen.
Voorbeeld: Wekelijks wisselende werkplekken zijn minder stabiel.
Bereidheid tot scholing, flexibiliteit en actief zoeken naar werk tellen mee.
Voorbeeld: Vrijwillige taalcursus naast werk toont inzet.
Artikel 7. Kern van de bijverdienregeling
Maximaal 15% vrijlating: Van het netto-inkomen uit arbeid wordt 15% per maand niet verrekend met de bijstandsuitkering. Dit maakt werken financieel aantrekkelijker.
Duur: De regeling geldt maximaal 12 maanden vanaf de start van toepassing.
Artikel 8. Verlengingsmogelijkheid
Extra 12 maanden mogelijk: Het college kan verlengen tot in totaal 24 maanden, als uitbreiding van werkuren niet haalbaar is door persoonlijke of externe omstandigheden.
Verzoek indienen 1 maand vóór einde van de eerste periode, met bewijsstukken.
College beslist binnen 4 weken.
Verlenging stopt automatisch na afloop, maar kan tussentijds worden beëindigd als omstandigheden veranderen.
Melding vooraf verplicht: Werk en verwachte inkomsten moeten vooraf gemeld worden (Participatiewet art. 17).
Geen terugwerkende kracht: De regeling geldt alleen vanaf het moment van melding.
Schending inlichtingenplicht: Dan vervalt het recht op toepassing van de regeling.
De bijverdienregeling wordt niet toegepast in de volgende gevallen:
Niet of te laat gemelde inkomsten: De regeling kan alleen vooraf of bij aanvang van werkzaamheden worden beoordeeld, niet achteraf (bijvoorbeeld bij uitstroom).
Inkomsten uit criminele activiteiten of prostitutie: Deze worden uitgesloten.
Inkomsten uit vermogen of overige niet-arbeidsgerelateerde bronnen: Alleen inkomsten uit arbeid komen in aanmerking.
Artikel 11. Bijzondere omstandigheden
Het college volgt deze beleidsregels, tenzij toepassing in een individueel geval tot onevenredige gevolgen zou leiden. Dit biedt ruimte voor maatwerk bij uitzonderlijke situaties.
Artikel 12. Inwerkingtreding en overgangsrecht
Startdatum: Beleidsregels gelden vanaf 1 januari 2027 voor nieuwe aanvragen.
Citeertitel: Beleidsregels Bijverdienregeling Participatiewet 2027 Hollands Kroon.
Lopende vrijlatingen blijven gelden tot einde van de oorspronkelijke periode (max. 12 maanden na 1 januari 2027).
Voor alleenstaande ouders blijft de huidige vrijlating (tot 30 maanden of tot jongste kind 12 jaar) doorlopen als deze vóór 1 januari 2027 is toegekend.
Voor vrijlating bij loonkostensubsidie blijft de regeling ongewijzigd tot einde van de oorspronkelijke termijn.
2.6.7. Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
Het college heeft besloten om vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027 de bijverdienregeling voor jongeren tot 27 jaar al per 1 januari 2026 in te voeren. Aan dit besluit liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
Het college heeft hiertoe tijdelijke beleidsregels opgesteld. Zie hieronder.
Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hollands Kroon;
gelet op artikel 34a van de Participatiewet;
gelet op artikel 1:3 lid 4 en 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;
vast te stellen Beleidsregels bijverdienregeling jongeren Participatiewet – vooruitlopend op wetswijziging Participatiewet in Balans.
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel van deze beleidsregels is om jongeren tot 27 jaar te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun inkomsten uit arbeid te mogen behouden, vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027.
Artikel 3. Voorwaarden voor toepassing
Artikel 4. Omvang van de vrijlating
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college handelt overeenkomstig deze beleidsregels, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.
Artikel 7. Inwerkingtreding, duur en citeertitel
Indien een verzoek om toepassing van de bijverdienregeling vóór 1 januari 2027 is ingediend, wordt dit verzoek afgehandeld conform deze beleidsregels, ook indien de beslissing op het verzoek plaatsvindt na 1 januari 2027.
Artikel 9. Voortzetting van toegekende vrijlating
Indien een vrijlating op grond van deze beleidsregels is toegekend, blijft deze van toepassing tot het einde van de toegekende termijn, ook indien de landelijke regeling op 1 januari 2027 in werking treedt.
Deze beleidsregels zijn gebaseerd op artikel 34a Participatiewet (vrijlating van inkomsten) en de bevoegdheid van het college om beleidsregels vast te stellen op grond van artikel 1:3 lid 4 en 4:81 Awb. De regeling wordt vooruitlopend op de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027 toegepast, zodat jongeren al eerder kunnen profiteren van deze stimulans.
Dit artikel verduidelijkt de kernbegrippen:
Jongere: belanghebbende tot 27 jaar, conform de doelgroep van de landelijke regeling.
Bijverdienregeling: het buiten beschouwing laten van een deel van inkomsten uit arbeid bij de vaststelling van de bijstandsuitkering.
Bijstandsgerechtigden: opgenomen voor volledigheid, omdat jongeren onder de Participatiewet vallen, maar ook IOAW, IOAZ en Bbz worden genoemd voor consistentie.
Artikel 2. Doel van de regeling
Het doel is om jongeren te stimuleren om (meer) te gaan werken door een deel van hun inkomsten te mogen behouden. Dit bevordert arbeidsinschakeling en voorkomt dat werken financieel onaantrekkelijk is. De regeling sluit aan bij de landelijke beleidswijziging in Participatiewet in balans.
Artikel 3. Voorwaarden voor toepassing
De voorwaarden waarborgen dat de regeling doelgericht wordt toegepast. Alleen jongeren die bijstand ontvangen komen in aanmerking. De inkomsten moeten uit arbeid komen (loondienst of zelfstandig). Het college beoordeelt of de regeling bijdraagt aan arbeidsinschakeling, zodat het instrument niet willekeurig wordt toegepast. Het totale inkomen mag niet boven de bijstandsnorm uitkomen, om te voorkomen dat er sprake is van overschrijding van het bestaansminimum.
Artikel 4. Omvang van de vrijlating
De vrijlating bedraagt 15% van het netto-inkomen uit arbeid per maand, voor maximaal 12 maanden. Dit percentage is gekozen om een merkbare stimulans te bieden, maar niet zodanig dat het een structurele inkomensvoorziening wordt. De termijn van 12 maanden sluit aan bij de landelijke regeling.
De aanvraag verloopt in principe digitaal, maar er is ruimte voor een schriftelijke aanvraag bij bijzondere omstandigheden. Dit biedt flexibiliteit en sluit aan bij de menselijke maat. Het college kan aanvullende informatie opvragen om een zorgvuldige beoordeling te waarborgen.
Artikel 6. Bijzondere omstandigheden
Het college kan afwijken van de beleidsregels als toepassing ervan leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Dit voorkomt dat de regeling in uitzonderlijke situaties onredelijk uitpakt.
Artikel 7. Inwerkingtreding, duur en citeertitel
De regeling geldt tot de landelijke invoering van de bijverdienregeling per 1 januari 2027. Daarna vervalt zij van rechtswege. Dit voorkomt dubbele regelgeving en biedt duidelijkheid over de tijdelijke aard van deze beleidsregels.
Verzoeken die vóór 1 januari 2027 zijn ingediend, worden afgehandeld volgens deze beleidsregels, ook als de beslissing na die datum plaatsvindt. Dit waarborgt rechtszekerheid voor de aanvrager.
Artikel 9. Voortzetting van toegekende vrijlating
Als een vrijlating al is toegekend, blijft deze gelden tot het einde van de toegekende termijn, ook als de landelijke regeling in werking treedt. Dit voorkomt dat lopende rechten tussentijds worden beëindigd.
Op grond van artikel 33 lid 1 Participatiewet dienen inkomsten in natura (bijvoorbeeld voeding, kost en inwoning, etc.) te worden gewaardeerd op de hoogte van het daarvoor door belanghebbende opgeofferde bedrag. De situatie die de wetgever daarbij met name voor ogen heeft gestaan is die waarin belanghebbende een deel van zijn arbeidsbeloning heeft aangewend ter verkrijging van het inkomen in natura. Voorts heeft de wetgever gedacht aan de situatie waarin (een deel van) de geldswaarde van alimentatie is aangewend ter verkrijging van een inkomen in natura in de vorm van woongenot. Het college kan in deze tweede situatie overigens kiezen tussen toepassing van artikel 33 lid 1 Participatiewet of artikel 27 Participatiewet.
Voorbeeld 1: Arbeidsbeloning in natura
Een belanghebbende werkt parttime in een biologische winkel. In plaats van een volledige loonbetaling ontvangt hij deels voeding als beloning: elke week een boodschappenpakket ter waarde van €50. Hij heeft hiervoor een deel van zijn brutoloon ingeleverd.
De waarde van het boodschappenpakket wordt vastgesteld op het bedrag dat hij heeft opgeofferd uit zijn loon. Stel dat hij €200 minder loon ontvangt per maand vanwege het pakket, dan wordt het inkomen in natura gewaardeerd op €200.
Voorbeeld 2: Alimentatie omgezet in woongenot
Een gescheiden vrouw ontvangt alimentatie van haar ex-partner. In plaats van een geldbedrag betaalt haar ex de huur van haar woning rechtstreeks aan de verhuurder.
Toepassing artikel 33 lid 1 of artikel 27:
Artikel 33 lid 1: De waarde van het woongenot wordt gesteld op het bedrag dat is opgeofferd uit de alimentatie (bijvoorbeeld €600 huur).
Artikel 27: De gemeente kan de uitkering conform haar beleid verlagen met 15% van de gehuwdennorm .
In de gemeente Hollands Kroon wordt de tweede optie gekozen.
Een belanghebbende werkt 10 uur per week bij een boer. Normaal loon voor deze werkzaamheden: € 12 per uur → € 120 per week. In plaats van loon krijgt hij een pakket met groente en vlees ter waarde van € 80 per week. Het opgeofferde bedrag is € 120 (het loon dat hij had kunnen ontvangen).
De waarde van de inkomsten in natura wordt vastgesteld op € 120 per week, niet op € 80, omdat de Participatiewet uitgaat van het bedrag dat is opgeofferd om het voordeel te krijgen.
Opgeofferd bedrag kan niet worden vastgesteld
In de praktijk zal lang niet in alle gevallen waarin sprake is van inkomsten in natura ook een opgeofferd bedrag kunnen worden vastgesteld. Als bijvoorbeeld een belanghebbende dagelijks mag mee-eten bij zijn ouders, kan niet gesteld worden dat hij daarvoor een bedrag heeft opgeofferd. Het is immers niet waarschijnlijk dat zijn ouders hem, als hij niet komt eten, een bepaald geldbedrag zullen geven. Ook indien er wel een arbeidsprestatie door belanghebbende wordt geleverd voor de inkomsten in natura, zal lang niet altijd kunnen worden vastgesteld welk geldbedrag belanghebbende gekregen zou hebben als de inkomsten niet in natura zouden worden verkregen. Is er geen opgeofferd bedrag of kan dit niet worden vastgesteld, dan is de waarde van de inkomsten in natura die met toepassing van artikel 33 lid 1 Participatiewet in aanmerking kunnen worden genomen nul.
Een belanghebbende mag dagelijks mee-eten bij zijn ouders. Hij betaalt niets voor het eten.
Zijn ouders zouden hem ook geen geldbedrag geven als hij niet mee-eet. Er is geen sprake van een opgeofferd bedrag, omdat belanghebbende niets inlevert om deze voorziening te krijgen.
Ook kan niet worden vastgesteld welk geldbedrag hij zou hebben ontvangen als hij niet mee-at.
De waarde van deze inkomsten in natura wordt op grond van artikel 33 lid 1 Participatiewet vastgesteld op € 0. Dit volgt uit de regel: als er geen opgeofferd bedrag is of dit niet kan worden vastgesteld, is de waarde nul.
Een belanghebbende helpt incidenteel een vriend met klusjes in huis. Als dank krijgt hij af en toe een warme maaltijd. Er is geen opgeofferd bedrag en ook geen vergelijkbare geldelijke tegenprestatie vast te stellen. De waarde van deze inkomsten in natura wordt daarom vastgesteld op € 0.
Het kan voorkomen dat er disproportionaliteit bestaat tussen de objectieve waarde van de inkomsten in natura en de hoogte van het opgeofferde bedrag. In de toelichting bij artikel 33 Participatiewet wordt hier aandacht aan besteed: "Een uitzondering hierop geldt echter bij disproportionaliteit tussen het opgeofferde bedrag en de waarde van het inkomen in natura in het economische verkeer. Bestaat de disproportionaliteit uit een objectief bezien aanmerkelijk hogere waarde van het inkomen in natura dan het opgeofferde bedrag, dan kan sprake zijn van een gift, die beoordeeld dient te worden aan de hand van artikel 31 lid 2 onderdeel m Participatiewet." Dit is echter niet zonder meer een goed begaanbare weg. Want ook als het een gift betreft die niet vrijgelaten kan worden, blijft het inkomen in natura. Eerst voor zover belanghebbende daadwerkelijk de mogelijkheid heeft om ook over de objectieve geldwaarde ervan te beschikken, is er ruimte om het verschil tussen de objectieve waarde van het inkomen in natura en het opgeofferde bedrag als inkomen in aanmerking te nemen.
Een bijstandsgerechtigde woont kosteloos in een woning van een kennis. In ruil daarvoor doet hij één keer per week boodschappen en helpt af en toe met klusjes in huis. Er is geen sprake van een formele huurbetaling. De belanghebbende stelt dat hij hiervoor ongeveer €50 per maand aan kosten maakt (bijvoorbeeld reiskosten en tijdsinvestering).
Analyse volgens artikel 33 lid 1 Participatiewet
Het opgeofferde bedrag is €50 per maand.
De objectieve waarde van het woongenot (huurwaarde van de woning) is bijvoorbeeld €800 per maand. Er is dus sprake van een aanmerkelijke disproportionaliteit tussen het opgeofferde bedrag en de waarde van het inkomen in natura.
De gemeente kan het verschil van €750 niet zomaar als inkomen aanmerken.
Alleen als de belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft over de geldswaarde van het woongenot (bijvoorbeeld als hij het zou kunnen verhuren of anderszins te gelde maken), kan het verschil als inkomen worden beschouwd. In dit geval is dat niet aannemelijk, dus het woongenot wordt mogelijk aangemerkt als een gift. Dan volgt beoordeling op grond van artikel 31 lid 2 onder m: is het een gift die vrijgelaten kan worden?
Als het woongenot wordt aangemerkt als een gift en niet vrijgelaten kan worden, blijft het formeel inkomen in natura. De gemeente kan dan alsnog besluiten tot verrekening of verlaging van de uitkering, bijvoorbeeld via artikel 27 (15%-regel), mits dit proportioneel is.
Een aanmerkelijk hogere opgeofferde waarde dan de objectieve waarde van het inkomen in natura
De disproportionaliteit kan ook bestaan uit een aanmerkelijk lagere objectieve waarde van de prestatie in natura dan de hoogte van het opgeofferde bedrag. Hierover merkt de wetgever op in de toelichting: "Bestaat de disproportionaliteit uit een objectief bezien aanmerkelijk lagere waarde van het inkomen in natura dan het opgeofferde bedrag, dan kan in de opgeofferde waarde een inkomen zijn besloten waarover betrokkene redelijkerwijs kan beschikken. Ter zake is artikel 31 lid 1 Participatiewet van toepassing." Deze opmerking van de wetgever is echter niet juist. Door in een dergelijk geval met toepassing van artikel 33 lid 1 Participatiewet de inkomsten in natura in aanmerking te nemen naar de waarde van het aanmerkelijk hogere opgeofferde bedrag, is feitelijk al het gehele inkomen waarover belanghebbende redelijker wijze over zou kunnen beschikken in aanmerking genomen. Door nogmaals dit verschil met toepassing van artikel 31 lid 1 Participatiewet in aanmerking te nemen, zou hetzelfde bedrag tweemaal gekort worden. Dat is natuurlijk niet de bedoeling. In voorkomende gevallen dient dus te worden volstaan met het op de uitkering in mindering brengen van het opgeofferde bedrag.
Een bijstandsgerechtigde betaalt maandelijks €300 aan een organisatie die warme maaltijden aan huis levert. De maaltijden bestaan uit eenvoudige gerechten met een marktwaarde van ongeveer €150 per maand. De belanghebbende heeft dus €300 opgeofferd voor een prestatie in natura met een objectieve waarde van €150.
Toepassing artikel 33 lid 1 Participatiewet
Volgens artikel 33 lid 1 wordt het inkomen in natura gewaardeerd op het opgeofferde bedrag, dus in dit geval €300. Dit bedrag wordt op de uitkering in mindering gebracht.
Geen toepassing van artikel 31 lid 1 Participatiewet
Hoewel er een disproportionaliteit bestaat (de opgeofferde waarde is veel hoger dan de objectieve waarde), mag het verschil van €150 niet nogmaals als inkomen worden aangemerkt via artikel 31 lid 1. Dat zou leiden tot dubbele korting: eerst op basis van het opgeofferde bedrag, en dan nog eens op basis van het verschil in waarde. Dat is niet toegestaan.
De gemeente brengt alleen het opgeofferde bedrag van €300 in mindering op de uitkering. Het verschil tussen de werkelijke waarde van de maaltijden en het betaalde bedrag wordt niet afzonderlijk als inkomen aangemerkt.
Inkomsten in natura kunnen ook worden verkregen via een zogenaamde LETS-kringen. LETS-kringen zijn plaatselijke ruilhandelverenigingen (de afkorting LETS staat voor Local Exchange Trading System). Via eigen krantjes worden vraag en aanbod bij elkaar gebracht. Het ruilen gebeurt met behulp van LETS (ook andere namen komen voor), een soort cheques. Het aantal LETS dat per persoon kan worden “verdiend” is doorgaans aan een maximum gebonden.
De belastingdienst heeft ten aanzien van de vraag of belasting betaald moet worden over inkomsten verkregen uit deelname aan een LETS-systeem een aantal standpunten ingenomen (zie besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 1 november 2001, nr. CPP2001/2832M). Gelet hierop en op de beperkte omvang die de ruilhandel in de praktijk heeft, is in Hollands Kroon besloten om de inkomsten in natura die via ruilhandel worden verkregen in voorkomende gevallen vrij te laten.
Ook kan, in het geval een belanghebbende een prestatie in natura ontvangt en dit leidt tot lagere algemene kosten van het bestaan, het college, in plaats van artikel 33 lid 1 Participatiewet toepassen, de hoogte van de bijstand bij wijze van individualisering afstemmen met toepassing van artikel 18 lid 1 Participatiewet.
Zie voor een voorbeeld in de jurisprudentie waarin sprake is van inkomen in natura in de vorm van kleding en boodschappen, verstrekt door de ex-echtgenoot van belanghebbende CRvB 8-3-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT0352. Het doel van de verstrekkingen, te weten de voorziening in het levensonderhoud, en het periodieke karakter daarvan maken dat die verstrekkingen overeenkomen met uitkeringen tot levensonderhoud op grond van boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
Als sprake is van zakelijke lease (iemand heeft een auto van de zaak) en de auto wordt ook privé gebruikt (meer dan 500 kilometer per jaar) ziet de Belastingdienst de zakelijke leaseauto als inkomen. Er wordt een percentage van de waarde van de auto bij het inkomen opgeteld. Over het totaal aan inkomen wordt belasting betaald. Zo iemand heeft hierdoor netto minder inkomen dan iemand met hetzelfde salaris, zonder leaseauto. De extra belasting die een werknemer met een lease auto verschuldigd is over het brutosalaris is het opgeofferde bedrag. Dit opgeofferde bedrag wordt als middel (inkomen) in aanmerking genomen. De reden is dat iemand zonder lease auto over een hoger netto inkomen kan beschikken. Let op: vaak is de werknemer een eigen bijdrage verschuldigd voor de auto. De eigen bijdrage moet van de bijtelling (het opgeofferde bedrag) worden afgetrokken.
Een werknemer heeft een auto van de zaak en rijdt privé meer dan 500 km per jaar. De Belastingdienst ziet dit als een voordeel in natura en past een bijtelling toe. Stel: cataloguswaarde auto = € 30.000, bijtellingspercentage = 22%.Bijtelling = € 6.600 per jaar → dit wordt bij het belastbaar inkomen opgeteld. Door deze bijtelling betaalt de werknemer extra belasting, bijvoorbeeld € 2.000 per jaar. Dit extra belastingbedrag is het opgeofferde bedrag: hij offert netto inkomen op om het voordeel van de leaseauto te krijgen. Het opgeofferde bedrag (€ 2.000) wordt als inkomen in aanmerking genomen, omdat iemand zonder leaseauto over een hoger netto inkomen zou beschikken. Let op: Als de werknemer een eigen bijdrage voor de auto betaalt (bijv. € 50 per maand), dan wordt deze eigen bijdrage van het opgeofferde bedrag afgetrokken.
Gokken is het deelnemen aan een kansspel. Een kansspel is een spel, waarbij je de kans loopt iets te winnen of te verliezen: de uitkomst is onzeker. Je zet geld in bij een kansspel en krijgt uitbetaald in geld (als je krijgt uitbetaald) of in fiches of tegoeden die kunnen worden omgezet in geld. Als je alleen extra ‘levens’ kunt winnen, is het geen spel dat onder de Wet Kansspelen valt.
Als een belanghebbende voorafgaand aan de bijstandsverlening heeft gegokt, dan kan dat van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand. Zo moet worden beoordeeld of belanghebbende in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. En of het college dat wel kan beoordelen. Ook kan de vraag aan de orde zijn of belanghebbende verantwoord heeft ingeteerd op zijn vermogen en inkomsten uit gokken.
Kan het recht op bijstand worden vastgesteld?
Bij (verzwegen) gokinkomsten kan de vraag beantwoord moeten worden of het recht op bijstand kan worden vastgesteld.
Met fysiek gokken wordt meestal het bezoeken van een casino bedoeld. Maar het kan ook een speelhal of een gokautomaat zijn. In de Primera een kraslot kopen valt niet onder fysiek gokken.
Het recht op bijstand kan bij inkomsten uit gokken bij een gokinstelling schattenderwijs worden vastgesteld ondanks dat een administratie van het gokken ontbreekt. De schatting wordt gedaan aan de hand van een vooronderstelling: inkomsten uit gokactiviteiten in een gokinstelling gelijk zijn aan de ingelegde bedragen. De ingelegde bedragen kunnen worden herleid aan de hand van pinopnames in de gokinstelling. Zie CRvB 4-4-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:482 met noot van mr. Juul Jeurissen. De vooronderstelling kan wel worden weerlegd.
Het voorgaande geldt voor gokken in een gokinstelling. Betwijfeld kan worden of dit ook per definitie geldt bij online gokken.
Met online gokken wordt het digitaal (via een site of een app) spelen van gokspellen bedoeld. Sinds 1 oktober 2021 is online gokken gelegaliseerd. Met de bedoeling de gokker beter te beschermen tegen oplichting, maar ook tegen zichzelf. Door bijvoorbeeld de leeftijd te controleren, een speellimiet te hanteren én een persoonlijk contactmoment bij het verhogen van de speellimiet in te voeren. Naast het uitsluiten van illegale aanbieders was het inrichten van een gokstop een belangrijk punt bij het legaliseren van online gokken. Als een speler ervaart dat hij geen controle meer heeft over zijn gokgedrag, kan hij zich inschrijven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen (Cruks). Dan kan iemand zowel fysiek als online niet meer gokken. De standaardduur is 6 maanden, maar men kan ook een andere periode instellen, tot maximaal 99 jaar. Ook een ander, zoals een bewindvoerder, kan iemand (al dan niet vrijwillig) inschrijven in het Cruks.
Bij online gokken is het - anders dan bij offline gokken - wel mogelijk om een controleerbare administratie in te leveren van de gokactiviteiten. Mr. Lance op den Camp merkt in zijn annotatie bij Rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2024:4616) het volgende op over online gokken en bijstand:
“Bij online gokken gaat het in principe niet op om inkomsten te schatten aan de hand van de inleg, omdat doorgaans de inkomsten gereconstrueerd kunnen worden.” Bij offline gokken (zoals in een fysiek casino) is het vaak lastig om een sluitende administratie te verkrijgen. Daarom wordt in de rechtspraak soms aangenomen dat de inkomsten gelijk zijn aan de inleg. Bij online gokken is dat anders: daar is het meestal wel mogelijk om een controleerbare administratie te overleggen, bijvoorbeeld via:
Volgens mr. Op den Camp is dit een belangrijk verschil, omdat het bij online gokken mogelijk is om exact te bepalen of iemand daadwerkelijk inkomsten heeft genoten, en zo ja, hoeveel. Dit maakt een zorgvuldige beoordeling van het recht op bijstand beter mogelijk.
Gokken is een bezigheid waarvan belanghebbende mededeling moet doen bij het college. Bij uitbetalingen van gokactiviteiten is er sprake van in aanmerking te nemen inkomen. Zijn de gokinkomsten die tijdens de bijstand zijn behaald duidelijk? Dan is het inkomen gelijk aan de opbrengst. De reden hiervoor is dat het gaat om ontvangen middelen die kunnen worden ingezet voor de voorziening van het levensonderhoud. De belanghebbende heeft immers de vrije beschikking over deze bedragen, die op de bankrekening zijn bijgeschreven.
Bij het bepalen van de hoogte van het inkomen is niet van belang welk bedrag belanghebbende heeft ingezet om te gokken en wat daarmee is verloren. Ook met de kosten van deelname hoeft geen rekening gehouden te worden. Deze kosten zijn namelijk gelijk te stellen met verwervingskosten. En de wetgever heeft heel duidelijk voor ogen gehad dat inkomsten tijdens de bijstand niet kunnen worden verminderd met verwervingskosten.
Dergelijke kosten worden dus niet op het inkomen in mindering gebracht. De bijgeschreven bedragen worden geheel in aanmerking genomen, ook al stelt de belanghebbende met dit gokken meer geld te hebben verloren dan gewonnen, zie CRvB 29-5-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1612 en CRvB 12-9-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1798.
Vaste rechtspraak is dat als belanghebbende de inlichtingenplicht schendt, belanghebbende moet aantonen dat hij toch recht op bijstand heeft. Lukt, dit niet dan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Dit geldt in principe ook voor gokken.
Bij gokken moet als een administratie ontbreekt, het recht op bijstand schattenderwijs worden vastgesteld aan de hand van een vooronderstelling. Dit werkt als volgt:
Aan de hand van pinopnames in een gokinstelling kan belanghebbende de omvang van de door hem verrichte gokactiviteiten en de daarmee verkregen bedragen aannemelijk maken. Als een belanghebbende heeft gegokt in een gokinstelling en er is geen administratie voor handen moet het college het recht op bijstand schatten aan de hand van de ingelegde bedragen.
Maar het college kan de inleg ook schatten. Dat kan op basis van de opgenomen bedragen en gekochte gokproducten. Maar ook op basis van wat een belanghebbende over de inleg heeft verklaard. Zie CRvB 30-4-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:928.
De vooronderstelling kan wel worden weerlegd.
Partijen kunnen stellen en proberen aannemelijk te maken dat belanghebbende meer of juist minder dan 100% van de ingelegde bedragen heeft ontvangen uit de gokactiviteiten. Dit kan als er concrete aanwijzingen zijn dat de bedragen die belanghebbende met gokken heeft ontvangen hoger of lager zijn dan de ingelegde bedragen.
De belangrijkste jurisprudentie op een rijtje
1.Gokwinsten zijn inkomen (art. 32 PW)
CRvB 12 september 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:1798)
Gokwinsten tijdens bijstand zijn inkomen en moeten volledig worden verrekend met de uitkering.
Inlegkosten (verwervingskosten) mogen niet worden afgetrokken, omdat de Participatiewet geen ruimte biedt voor aftrek van kosten om inkomen te verwerven. Dit is vaste rechtspraak.
→ Ook als iemand per saldo verlies lijdt, telt elke ontvangen uitbetaling als inkomen.
2.Schending inlichtingenplicht → intrekking en terugvordering
CRvB 26 oktober 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:2617)
Bijstandsgerechtigden moeten gokactiviteiten en inkomsten melden. Niet melden = schending van art. 17 PW.
Als geen inzicht wordt gegeven in omvang van gokactiviteiten, kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld → intrekking en volledige terugvordering.
Evenredigheidsbeginsel speelt hier geen rol, omdat intrekking en terugvordering gebonden bevoegdheden zijn.
3.Nieuwe lijn sinds 4 april 2023: schattenderwijs vaststellen
CRvB 4 april 2023 (ECLI:NL:CRVB:2023:499)
Voor fysieke gokinstellingen (casino’s) geldt nu een vuistregel: inkomsten uit gokken worden gelijkgesteld aan de ingelegde bedragen.
→ Recht op bijstand kan worden vastgesteld op basis van pinopnames en gekochte gokproducten.
Dit voorkomt dat bij gebrek aan administratie altijd volledige terugvordering volgt.
4. Uitwerking van de vuistregel
CRvB 30 april 2024 (ECLI:NL:CRVB:2024:1789)
Gemeente mag schattenderwijs vaststellen wat is ingelegd, bijvoorbeeld €10 per dag, als betrokkene geen exacte administratie heeft.
→ Dit is toegestaan op basis van verklaringen en pinopnames.
https://www.avdr.nl/jurisprudentie/centrale-raad-van-beroep-30-april-2024/
5. Online gokken: strengere eisen
Bij online gokken geldt de vuistregel niet. Recht op bijstand kan alleen worden vastgesteld als er een volledige administratie is (inleg, uitbetalingen, saldo).
Bij ontbreken daarvan → intrekking, omdat recht niet vast te stellen is.
6. Gokverslaving geen bijzondere omstandigheid
CRvB 16 september 2025 (ECLI:NL:CRVB:2025:1383)
Gokverslaving is geen bijzondere omstandigheid die recht geeft op bijzondere bijstand of afzien van terugvordering. → Alleen bij uitzonderlijke onredelijkheid kan wet buiten toepassing blijven, maar dat is zelden het geval.
Kernpunten voor beleid en uitvoering
Alimentatie die een belanghebbende ontvangt voor zichzelf en zijn of haar ten laste komende kinderen wordt aangemerkt als inkomen. Dit geldt ook voor een alimentatieafkoopsom (zie TK 2002-2003, 28 870, nr.3, p. 58-60). De bijstand wordt immers als gezinsbijstand verstrekt en de middelen van alle gezinsleden moeten in beginsel in aanmerking worden genomen (zie Rechtbank Overijssel, 05-04-2016, nr. 15/1929 en CRvB 11-7-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2496).
Alimentatie die de belanghebbende ontvangt voor kinderen van 18 jaar of ouder, geldt niet als inkomen van belanghebbende (artikel 31 lid 2 onderdeel a Participatiewet). Deze kinderen behoren namelijk niet meer tot het gezin van de belanghebbende. Inkomstenkorting blijft dan achterwege.
Op periodieke alimentatie wordt geen vakantiegeld betaald. Korting vindt daarom in beginsel plaats zonder de fictieve vt-verhoging toe te passen.
Als de belanghebbende tijdens de bijstandsverlening een alimentatieafkoopsom ontvangt, moet deze in aanmerking worden genomen naar de periode waarop zij geacht moet worden betrekking te hebben (vergelijk TK 2002-2003, 28 870, nr.3, p. 58-60). Deze periode kan worden bepaald op de resterende duur van de oorspronkelijke alimentatieplicht in maanden (zie in dit verband ook CRvB 13-5-2003, ECLI:NL:CRVB:2003:AF8845: in deze zaak ging het weliswaar om een pensioenafkoopsom, doch aangenomen moet worden dat de overwegingen van de CRvB in deze ook gelden ten aanzien van de alimentatieafkoopsom).
Het betreffende bruto bedrag van de afkoopsom moet worden uitgesmeerd in maandelijkse bedragen. Op grond van een later opgelegde belastingaanslag vindt de definitieve vaststelling van het bedrag plaats. Dit kan dan leiden tot een nabetaling. De maandelijkse inkomstenkorting is gelijk aan het bedrag van de alimentatieafkoopsom gedeeld door de resterende duur van de oorspronkelijke alimentatieplicht in maanden. Als dit leidt tot een maandinkomen dat hoger is dan de bijstandsnorm, dan wordt de bijstandsverlening beëindigd.
Een bijstandsgerechtigde ontvangt in maart 2025 een alimentatieafkoopsom van €18.000 bruto van haar ex-partner. De oorspronkelijke alimentatieverplichting zou nog 36 maanden hebben geduurd.
De afkoopsom wordt beschouwd als inkomen en moet worden toegerekend aan de periode waarop zij geacht wordt betrekking te hebben. Die periode is de resterende duur van de oorspronkelijke alimentatieplicht: 36 maanden.
Berekening van het maandinkomen: €18.000 gedeeld door 36 maanden = €500 bruto per maand. Dit bedrag wordt gedurende 36 maanden als maandinkomen in aanmerking genomen bij de bijstandsverlening. Als de bijstandsnorm (bijvoorbeeld €1.200 per maand) lager is dan het berekende maandinkomen van €500 plus eventuele andere inkomsten, dan wordt de uitkering gedeeltelijk verlaagd. Als het totale maandinkomen boven de bijstandsnorm uitkomt, dan wordt de uitkering beëindigd. Als later blijkt dat de belastingdruk op de afkoopsom hoger is dan verwacht (bijvoorbeeld door een belastingaanslag), dan kan het netto-inkomen lager uitvallen. In dat geval kan de gemeente een herberekening doen en eventueel een nabetaling van bijstand toekennen.
Een alimentatieafkoopsom, of wat daarvan resteert, moet daarentegen worden aangemerkt als vermogen voor zover de afgekochte alimentatie betrekking heeft op een periode voorafgaand aan de bijstandsverlening. Zo nodig moet daarop worden ingeteerd.
Ontbreken wettelijke alimentatieverplichting
Met het ontbreken van een wettelijke alimentatieverplichting wordt het volgende bedoeld. Artikel 1:392 BW bepaalt dat verplichting tot levensonderhoud bestaat tussen:
De omvang en duur van deze verplichting wordt meestal vastgesteld door de rechter (alimentatiebeschikking) of via een overeenkomst die juridisch afdwingbaar is. Als er géén rechterlijke uitspraak of afdwingbare overeenkomst is, ontbreekt een wettelijke alimentatieplicht. Betalingen van een ex-partner zonder zo’n verplichting zijn geen alimentatie, maar kunnen als gift worden aangemerkt (art. 31 lid 2 sub m Participatiewet).
Gelden die een ex-echtgenoot of ex-partner betaalt aan een bijstandsgerechtigde kunnen dus alleen als alimentatie worden aangemerkt indien deze strekken ter voldoening van een wettelijke alimentatieverplichting. Ontbreekt een dergelijke verplichting (bijvoorbeeld omdat de alimentatie door de rechter op nihil is gesteld) dan kan het college betalingen door een ex-echtgenoot of ex-partner niet als alimentatie op het inkomen korten (of terugvorderen als het college hier pas later van op de hoogte raakt). Mogelijk kunnen dergelijke betalingen als gift worden aangemerkt. Wat betreft de wijze waarop met deze gift in het kader van de Participatiewet dient te worden omgegaan, worden jullie verwezen naar beleidsregels giften in hoofdstuk 1 van dit Handboek.
Een ex-partner betaalt maandelijks € 150 aan de bijstandsgerechtigde, terwijl de rechter alimentatie op nihil heeft gesteld. Er is geen wettelijke verplichting tot alimentatie.
Deze betalingen kunnen niet als alimentatie worden aangemerkt en dus niet op het inkomen worden gekort. Het college kan deze betalingen wel beoordelen als gift (art. 31 lid 2 sub m Pw), mits het bedrag niet boven de vrijlatingsgrens uitkomt.
Alimentatieverplichting ontbreekt door beëindiging huwelijk zonder uitspraak. Een ex-partner geeft incidenteel € 200 voor schoolkosten van het kind, maar er is geen rechterlijke uitspraak over alimentatie en geen overeenkomst. Omdat er geen wettelijke alimentatieverplichting bestaat, is dit geen alimentatie. Ook hier kan het college dit zien als een gift en beoordelen of het invloed heeft op de bijstand.
2.10. Vermindering of restitutie van belasting en premies
Een voorlopige teruggaaf of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting, premies volksverzekeringen en inkomensafhankelijke bijdragen als bedoeld in artikel 43 van de Zorgverzekeringswet wordt als inkomen aangemerkt (artikel 32 lid 1 Participatiewet). Het moet wel gaan om een teruggave die geen verband houdt met specifieke aftrekposten (d.w.z. kosten die niet kunnen worden geacht tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten te behoren). Teruggaven die verband houden met specifieke aftrekposten zijn immers ingevolge artikel 31 lid 2 onderdeel f en g Participatiewet vrijgelaten, tenzij voor die kosten bijstand is verstrekt.
Ook voor de voorlopige teruggaaf of teruggave van inkomstenbelasting, loonbelasting en premies volksverzekeringen geldt het transactiesysteem. Dit betekent dat alleen dat deel van de teruggave in aanmerking mag worden genomen dat betrekking heeft op de bijstandsperiode. Een en ander dient dus nauwkeurig te worden nagegaan. Aan iedere maand waarover bijstand is verleend moet 1/12e van de teruggave als inkomen worden toegerekend. Het bedrag van de teruggave dient naar evenredigheid te worden toegerekend aan het aantal maanden waarop de teruggave betrekking heeft en waarin bijstand is ontvangen, Zie CRvB 26-10-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BU1590. Zie ook CRvB 21-7-2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1537.
Pensioenen worden in beginsel aangemerkt als inkomsten (artikel 32 lid 1 Participatiewet). Er zijn 3 uitzonderingen:
Het inkomen uit een particuliere oudedagsvoorziening van personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt tot een bepaald bedrag vrijgelaten bij de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand (artikel 33 lid 5 Participatiewet).
Pensioenvrijlating personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt
Het inkomen uit een particuliere oudedagsvoorziening van personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt tot een bepaald bedrag vrijgelaten. De vrijlating geldt alleen voor de vaststelling van de hoogte van de algemene bijstand (artikel 33 lid 5 Participatiewet).
Het inkomen uit een particuliere oudedagsvoorziening van personen die de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, wordt vrijgelaten tot een bedrag van € 25,70 netto per kalendermaand voor een alleenstaande en alleenstaande ouder en tot € 51,40 voor gehuwden samen (artikel 33 lid 5 Participatiewet). Zie de overzichtspagina voor de historische bedragen.
Particuliere oudedagsvoorziening
De wetgever maakt een onderscheid tussen particuliere oudedagsvoorzieningen en pensioenen opgebouwd via de werkgever, omdat particuliere oudedagsvoorzieningen individuele, vrijwillige aanvullende pensioenregelingen zijn waarvoor men zelf bewust kiest en betaalt. Deze voorzieningen dienen als extra aanvulling op het inkomen naast de AOW en eventuele bedrijfspensioenen. Vaak hebben personen met een particuliere oudedagsvoorziening geen of beperkt pensioen opgebouwd via een werkgever, bijvoorbeeld omdat zij als zelfstandige hebben gewerkt. Hieronder vallen ook buitenlandse pensioenuitkeringen van bedrijfs(tak)pensioenfondsen of op basis van buitenlandse lijfrenteovereenkomsten.
Buitenlands pensioen (ouderdomsuitkering)
Een buitenlands pensioen is geen particuliere oudedagsvoorziening als het gaat om een ouderdomsuitkering ingevolge de sociale wetgeving van dat land. De pensioenvrijlating is dan niet van toepassing.
Pensioenen opgebouwd via de werkgever zijn collectieve regelingen die vaak verplicht zijn gesteld via een cao of bedrijfsregeling en worden gezien als reguliere inkomsten bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Om deze reden tellen bedrijfspensioenen volledig mee bij de middelentoets en komen zij niet in aanmerking voor de vrijlating van artikel 33, lid 5 Participatiewet.
2.12. Inkomen partner zonder recht
Volgens de oude Participatiewet heeft een bijstandsgerechtigde met een partner die bij werkloosheid geen recht heeft op algemene bijstand en op wie de kostendelersnorm niet van toepassing is, recht op 50% van de gehuwde norm voor bijstand. Denk hierbij aan een partner die voor langere tijd in het buitenland verblijft, niet de Nederlandse nationaliteit heeft, gedetineerd is, studeert of aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Indien nodig kan de gemeente in individuele gevallen de algemene bijstand afstemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Het is inmiddels vaste jurisprudentie van de CRvB dat, tenzij er sprake is van ander inkomen, gemeenten op individuele basis de bijstand afstemmen en ophogen tot 70% van de gehuwde norm in verschillende situaties waarbij sprake is van een niet-rechthebbende partner.
Deze afstemming vergde een individuele beoordeling en leidde tot verschillen tussen gemeenten. Ook was het juridisch niet altijd duidelijk wanneer verhoging gerechtvaardigd was.
De nieuwe situatie vanaf 1 januari 2026
De Participatiewet in Balans codificeert (legt vast in de wet) wat eerder via jurisprudentie werd toegestaan:
Jongmeerderjarigen (18 tot 21 jaar)
Voor jongmeerderjarigen met een niet-rechthebbende partner blijft de norm in beginsel 50% van de gehuwdennorm, tenzij er sprake is van een alleenstaande ouder of aanvullende individuele omstandigheden. De bijstandsnorm wordt in deze situatie in de nieuwe Participatiewet 70% van de gehuwdennorm.
Voor jongmeerderjarigen (jonger dan 21 jaar) blijft de norm in beginsel dus 50% van de bijstandsnorm voor gehuwden zonder kinderen.
Voorbeelden partners zonder recht
Voorbeelden van partners zonder recht op algemene bijstand zijn:
Zijn er wel kostendelende medebewoners, dan geldt de kostendelersnorm
Met het vermogen van de niet-rechthebbende partner moet, ondanks toepassing van artikel 32 lid 3 en 4 Participatiewet, altijd rekening worden gehouden.
Inlichtingenplicht partner met recht
Het feit dat de partner niet is begrepen in de bijstand ontslaat belanghebbende niet van zijn plicht inlichtingen te verstrekken omtrent het inkomen en/of vermogen van de niet-rechthebbende partner. Deze gegevens zijn immers van belang voor het recht op bijstand van belanghebbende (zie CRvB 13-9-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU2710, CRvB 6-6-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AX6773 en CRvB 10-4-2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2797).
Gehuwden voeren samen een huishouding
Als de gehuwden samen een huishouding voeren, dan wordt het inkomen van de partner zonder recht in aanmerking genomen voor zover het inkomen van beide partners samen meer bedraagt dan de bijstandsnorm voor gehuwden. Leven de gehuwden tijdelijk gescheiden, dan wordt het inkomen van de partner zonder recht in aanmerking genomen voor zover deze inkomsten de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden. Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende partner gelden dezelfde regels als voor de vaststelling van het inkomen van bijstandsgerechtigden.
Als de gehuwden samen een huishouding voeren, dan wordt het inkomen van de niet-rechthebbende partner in aanmerking genomen voor zover het inkomen van beide partners samen meer bedraagt dan de toepasselijke gehuwdennorm als beide partners rechthebbend zouden zijn (artikel 32 lid 3 Participatiewet). Anders gezegd: de niet-rechthebbende partner mag met zijn inkomen de bijstandsnorm van de rechthebbende partner aanvullen tot de van toepassing zijnde bijstandsnorm voor gehuwden (basisnorm - eventuele verlagingen). Alleen het meerdere wordt gekort op de uitkering van de rechthebbende partner. Op die manier wordt voorkomen dat indirect bijstand wordt verstrekt aan de niet-rechthebbende partner (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 56-57 en TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 58-60).
Een vrouw ontvangt bijstand. Haar echtgenoot woont bij haar en heeft een parttime baan met een netto inkomen van €1.200 per maand. De bijstandsnorm voor gehuwden is €1.800 per maand.
De bijstandsnorm voor gehuwden geldt als referentie, ook al heeft slechts één van hen recht op bijstand. Het inkomen van de niet-rechthebbende partner mag worden gebruikt om de uitkering van de rechthebbende partner aan te vullen tot de gehuwdennorm. Alleen het meerdere boven de gehuwdennorm wordt op de uitkering in mindering gebracht.
Gezamenlijk inkomen: €1.200 (partner) + €0 (rechthebbende) = €1.200
Tekort: €600. Dit bedrag wordt als bijstand toegekend aan de rechthebbende partner. De vrouw ontvangt een bijstandsuitkering van €600 per maand. Het inkomen van haar partner wordt niet volledig gekort, maar alleen voor zover het de gezamenlijke norm overschrijdt — wat hier niet het geval is.
Vaststelling inkomen partner zonder recht
Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende partner gelden dezelfde regels als voor de vaststelling van het inkomen van bijstandsgerechtigden (artikel 32 lid 3 tweede volzin Participatiewet).
Gehuwden die tijdelijk gescheiden leven
Als de gehuwden tijdelijk (lees: niet duurzaam) gescheiden leven, kan niet worden uitgegaan van de regels die gelden voor gehuwden die samen een huishouding voeren. Beide echtgenoten voeren immers een eigen huishouding en hebben daardoor hogere bestaanskosten. Met de inkomsten van de partner wordt daarom slechts rekening gehouden voor zover deze inkomsten de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden (artikel 32 lid 4 Participatiewet). Met "bijstandsnorm" genoemd in artikel 32 lid 4 Participatiewet wordt de alleenstaandennorm bedoeld (zie CRvB 26-04-2022, ECLI:NL:CRVB:2022:946).
Onder bijstandsnorm wordt verstaan: norm – verlagingen (artikel 5 onderdeel c Participatiewet). Dit wordt gezien als een wijze waarop rekening wordt gehouden met de onderhoudsplicht die bestaat tussen gehuwden De toets op het gezamenlijke vermogen blijft echter onverkort van toepassing (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 57 en TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 58-60).
Een gehuwd stel woont tijdelijk apart vanwege spanningen in de relatie. Ze zijn niet duurzaam gescheiden, maar voeren ieder een eigen huishouding. De vrouw vraagt bijstand aan. Omdat ze tijdelijk gescheiden leven, wordt niet uitgegaan van de gehuwdennorm. De vrouw voert een eigen huishouding en heeft daardoor hogere bestaanskosten. De inkomsten van haar echtgenoot worden alleen in aanmerking genomen voor zover deze de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden.
In dit geval is dat de alleenstaandennorm, inclusief eventuele verlagingen (artikel 5 onderdeel c Participatiewet). Stel dat de man een netto inkomen heeft van €1.400 per maand en de alleenstaandennorm is €1.200, dan wordt €200 als inkomen van de vrouw in aanmerking genomen.
Ondanks het gescheiden leven blijft de gezamenlijke vermogenstoets van toepassing.
Als het gezamenlijke vermogen boven de grens voor gehuwden ligt, kan dit gevolgen hebben voor het recht op bijstand.
Vaststelling inkomen partner zonder recht
Voor de vaststelling van het inkomen van de niet-rechthebbende partner gelden ook in het geval van gehuwden die tijdelijk gescheiden leven dezelfde regels als voor de vaststelling van het inkomen van bijstandsgerechtigden (artikel 32 lid 3 tweede volzin Participatiewet). Uitzondering hierop is de inkomstenvrijlating. Deze geldt immers alleen voor personen die ook daadwerkelijk algemene bijstand ontvangen. Bij de niet-rechthebbende partner is dat niet het geval.
Niet-rechthebbende partner woont in het buitenland
Bij toepassing van artikel 32 lid 4 Participatiewet wordt met de inkomsten van de niet-rechthebbende echtgenoot in beginsel slechts rekening gehouden voor zover deze inkomsten de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijden. Als voor de partner de bijstandsnorm zoals bedoeld in artikel 5 onderdeel c Participatiewet niet kan worden vastgesteld omdat geen verlaging kan worden bepaald doordat de partner in het buitenland woont, kan hiervan worden afgeweken. Het college kan in dat geval een bedrag vaststellen waarmee de niet-rechthebbende echtgenoot kan voorzien in de kosten van het voeren van een zelfstandige huishouding in het buitenland (zie CRvB 16-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR5726). Om de zelfstandige bestaanskosten van de niet-rechthebbende partner in het buitenland te bepalen, kan het college kiezen voor aansluiting bij de woonlandfactoren - ondanks dat het woonlandbeginsel niet geldt voor de Participatiewet - en dit vastleggen als beleidsregel. Het kostenniveau van de niet-rechthebbende partner in het buitenland is dan: woonlandfactor voor dat land x de hoogte van de bijstandsnorm die voor de niet-rechthebbende zou gelden in Nederland (zie punt 19 Verzamelbrief december 2012). Zie voor de woonlandfactor de bijlage bij de Regeling woonlandbeginsel in de sociale zekerheid 2012 zoals die geldt per 1 januari 2025. Let op! voor een aantal landen wordt de woonlandfactor - tot nadere berichtgeving - niet toegepast naar aanleiding van een uitspraak van de CRvB. Zie hiervoor de Kamerbrief van 24 mei 2017.
Een vrouw woont in Nederland en ontvangt bijstand. Haar echtgenoot woont tijdelijk in Marokko en heeft daar een eigen huishouding. Hij heeft geen recht op bijstand in Nederland. De gemeente moet bepalen in hoeverre zijn inkomen meetelt bij de beoordeling van het recht op bijstand van de vrouw.
Normaal wordt het inkomen van de partner alleen in aanmerking genomen voor zover het de voor hem geldende bijstandsnorm overschrijdt. Maar omdat hij in het buitenland woont, kan de verlaging op grond van artikel 5 onderdeel c Participatiewet niet worden vastgesteld. De gemeente mag dan een bedrag vaststellen waarmee de partner in het buitenland redelijkerwijs in zijn eigen bestaanskosten kan voorzien. De gemeente kiest ervoor om aan te sluiten bij de woonlandfactor voor Marokko: 12,5% (volgens bijlage bij de Regeling woonlandbeginsel 2025). De bijstandsnorm voor een alleenstaande in Nederland is bijvoorbeeld €1.200 per maand. De aangepaste norm voor de partner in Marokko wordt dan: €1.200 × 0,125 = €150 per maand. Stel dat de partner in Marokko een inkomen heeft van €300 per maand. Het inkomen dat boven de aangepaste norm van €150 uitkomt, dus €150, wordt in aanmerking genomen bij de bijstandsverlening aan de vrouw.
Je kunt de woonlandfactoren raadplegen via de officiële bijlage bij de:
2.13 Inkomen uit de Wet studiefinanciering 2000 en Inkomen uit de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Inkomen uit studiefinanciering
Personen die studiefinanciering ontvangen, hebben in beginsel geen recht op algemene bijstand. Personen jonger dan 27 jaar die regulier onderwijs kunnen volgen en in verband daarmee aanspraak hebben op studiefinanciering, zijn uitgesloten van het recht op algemene bijstand (artikel 13 lid 2 onderdeel c Participatiewet; zie ook Jongeren tussen 18 en 27 jaar). Personen van 27 jaar of ouder hebben in beginsel evenmin recht op algemene bijstand indien zij studiefinanciering ontvangen omdat de WSF 2000 een toereikende en passende voorliggende voorziening is (artikel 15 lid 1 Participatiewet; zie ook Wet studiefinanciering 2000).
Het inkomen uit studiefinanciering is om die reden dan ook alleen van belang voor de draagkrachtberekening in het kader van de bijzondere bijstand en voor gehuwden waarvan één partner studeert met recht op studiefinanciering (zie CRvB 27-03-2007, nrs. 06/1980 WWB e.a.; zie ook Studerende partner met studiefinanciering).
Het inkomen uit studiefinanciering op grond van de WSF 2000 wordt op grond van artikel 33 lid 2 Participatiewet in aanmerking genomen naar het normbedrag voor levensonderhoud (zie ook CRvB 24-05-2011, nr. 09/2782 WWB, CRvB 10-07-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX2133 CRvB 09-06-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1787 en CRvB 03-07-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2033).
Bij de vaststelling van normbedrag is reeds rekening gehouden met de (eventuele) rentedragende lening en de ouderlijke bijdrage. Daarom mag de ouderlijke bijdrage niet als inkomen in aanmerking worden genomen bij de berekening van de hoogte van de bijstand voor de studerende met studiefinanciering (CRvB 08-12-2015, nrs. 14/2068 WWB e.a.).
In bovenstaande bedragen is rekening gehouden met de middelen die beschikbaar komen door het afsluiten van een studielening. Het is voor de bijstandsverlening niet van belang of een dergelijke lening ook daadwerkelijk is afgesloten. Het niet afsluiten van een studielening terwijl daar wel recht op bestaat, leidt volgens de CRvB niet tot hogere bijstand (zie CRvB 09-06-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1787).
Let op! De Rechtbank Noord-Holland zag aanleiding om artikel 33 lid 2 Participatiewet in een specifiek geval niet toe te passen voor zover daarmee de studielening als draagkracht in aanmerking wordt genomen. Het college mag de mogelijkheid om een studielening bij het DUO af te sluiten namelijk niet als draagkracht voor de kosten van curatele in aanmerking nemen. Dit als dat ertoe leidt dat de curator voor belanghebbende een studielening bij DUO moet aanvragen om de beloning voor de werkzaamheden zoveel mogelijk voldaan te krijgen. Door bij de draagkrachtberekening rekening te houden met de aanspraak op de studielening wordt de bescherming van belanghebbende als onder curatele gestelde in ernstige mate tekort gedaan. Zie Rechtbank Noord-Holland 14-4-2023, ECLI:NL:RBNHO:2023:3412. Deze uitspraak is vernietigd door de CRvB, omdat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden. Het college heeft het beleid goed toegepast en de lening van DUO terecht als inkomen aangemerkt. Het feit dat iemand onder curatele staat is geen bijzondere omstandigheid om af te wijken van het beleid ( Zie CRvB 26-11-2024,ECLI:NL:CRVB:2024:2327).
Als een student met studiefinanciering ook andere inkomsten (bijvoorbeeld uit arbeid) heeft, moeten deze inkomsten voor het recht op bijstand in aanmerking worden genomen. Dit betekent dat voor het recht op bijstand van de rechthebbende partner bij gehuwden de inkomsten van de student worden opgeteld bij het normbedrag levensonderhoud. Zie hierover verder Inkomen partner zonder recht.
Als de student geen partner heeft, maar wel inwonende kinderen onder de 18 jaar, dan kan hij in aanmerking komen voor de toeslag éénoudergezin (zie WSF 2000). Deze toeslag wordt op grond van artikel 33 lid 2 Participatiewet als inkomen uit studiefinanciering in aanmerking genomen.
Vergoedingen voor directe studiekosten
Vergoedingen of tegemoetkomingen voor directe studiekosten worden niet gerekend tot de middelen van een belanghebbende, tenzij hiervoor bijzondere bijstand is verleend (zie artikel 31 lid 2 onderdeel f Participatiewet en Vergoedingen voor specifieke kosten). Onder directe studiekosten worden begrepen les- of cursus- of collegegeld, studieboeken, lesmaterialen, werk- en of veiligheidskleding en reiskosten (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 47).
Per 1 september 2017 is het levenlanglerenkrediet ingevoerd. Groepen die nu geen recht op studiefinanciering hebben, kunnen onder bepaalde voorwaarden aanspraak maken op een krediet bij het DUO. Dit krediet is volgens de wetgever uitsluitend bedoeld ter betaling van het college- of lesgeld. Daarbij is uitdrukkelijk bepaald dat hier geen component levensonderhoud in zit (TK 2014-2015, 34 035, nr. 3, p. 28-29). Dit is anders dan bij studiefinanciering op grond van de Wsf 2000.
Het levenlanglerenkrediet kan voor de kosten van algemene bijstand niet worden aangemerkt als een voorliggende voorziening. Het krediet bevat immers geen component levensonderhoud. Het krediet kan wel worden aangemerkt als een middel, maar dat betekent niet dat het levenlanglerenkrediet ook gekort moet worden op de bijstandsuitkering. Het krediet is immers bedoeld voor de betaling van het collegegeld en de hoogte van het krediet is hier ook op afgestemd. Zodoende moet deze vergoeding voor specifieke kosten worden vrijgelaten op grond van artikel 31 lid 2 aanhef en onderdeel f Participatiewet.
STAP staat voor Stimulering Arbeidmarkt Positie. De STAP-regeling is door de overheid in het leven geroepen om mensen te helpen zich te ontwikkelen in hun loopbaan. Zowel werkenden als werkzoekenden kunnen jaarlijks maximaal € 1.000 subsidie aanvragen voor het bekostigen van een opleiding. Er is sprake van een budgetplafond. Dat wil zeggen dat er geen subsidie meer kan worden ontvangen als het budget op is. Ook deze subsidie is geen voorliggende voorziening voor de algemene kosten van het levensonderhoud.
Inkomen uit de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten
Het bedrag dat als inkomen uit de Wtos in aanmerking wordt genomen is, op grond van artikel 33 lid 3 Participatiewet, gelijk aan het normbedrag voor de basistoelage als bedoeld in artikel 4.3 Wtos, te weten:
Dit is het bedrag dat de belanghebbende maandelijks ontvangt (zie hiervoor de toekenningsbeschikking in het kader van de Wtos). De hoogte van de basistoelage Wtos is afhankelijk van de woonsituatie. Voor de draagkrachtberekening bijzondere bijstand dient met de bovenstaande basistoelage rekening te worden gehouden. Als een belanghebbende daarnaast nog andere inkomsten heeft, worden die apart meegenomen bij de draagkrachtberekening. Bij de vaststelling van de basistoelage wordt door DUO namelijk geen rekening gehouden met eventuele andere inkomsten van de belanghebbende. Alleen de woonsituatie is van betekenis voor de bepaling van de hoogte van de basistoelage.
Aan leerlingen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar kan op grond van artikel 12 Participatiewet eventueel bijzondere bijstand worden verstrekt (zie Jongeren van 18 t/m 20 jaar). Vanaf 1 januari 2026 dit is aanvullende algemene bijstand op grond van artikel 20 Participatiewet.
Tijdelijke tegemoetkoming voor wegvallen beurs
Er is een groep studenten die door corona studievertraging hebben gekregen. Er is een eenmalige (tijdelijke) tegemoetkoming voor het wegvallen van de basisbeurs en/of de aanvullende beurs. De tegemoetkoming bedraagt ongeveer 3 maanden van de financiering die wordt gemist door de betreffende student. Zie de website van DUO voor meer informatie. Zie ook de Tijdelijke regeling tegemoetkoming studenten in verband met de uitbraak van COVID-19.
Het gaat hier om ondersteuning in de kosten voor levensonderhoud door de overheid aan studenten in het mbo en ho. Deze groep studenten ondervindt grote gevolgen van de studievertraging doordat zij niet langer aanspraak kunnen maken op de financiële middelen van de basisbeurs en/of de aanvullende beurs. Het betreft hier een eenmalige vergoeding in verband met vertraging in de studie door corona, terwijl de maximumtermijn studiefinanciering is bereikt. Zie Strct. 2000, 38900.
De tegemoetkoming voor wegvallen beurs is een middel waarover een belanghebbende kan beschikken. De vergoeding heeft betrekking op een periode na de laatste maand waarin studiefinanciering is ontvangen.
De tegemoetkoming moet volgens de experts van Schulinck worden toegerekend aan de maand waarin de vergoeding is ontvangen. Het gaat namelijk om vaste bedragen, ongeacht de resterende duur van de opleiding.
Het gaat dan om inkomsten in die maand. Is er in die maand geen bijstand ontvangen, dan moet het bedrag worden toegerekend aan het vermogen.
2.14.1. Wat is een bufferbudget?
Het bufferbudget beoogt financiële problemen te voorkomen door financiële stabiliteit te creëren voor wie in deeltijd werkt naast een aanvullende bijstandsuitkering, zodat er een stabiel maandinkomen ontstaat dat niet lager is dat het sociaal minimum. Met het bufferbudget kunnen inkomstenschommelingen die ontstaan door het verrekenen van inkomsten zoveel mogelijk worden voorkomen zodat dit geen financiële problemen en betaalproblemen tot gevolg heeft. Met het bufferbudget beschikt de gemeente over een instrument om hiermee bij te kunnen dragen aan het creëren van bestaanszekerheid voor mensen met een bijstandsuitkering. Het bufferbudget is niet als generiek instrument bedoeld.
Het bufferbudget is als instrument toegevoegd aan de Participatiewet in een nieuw artikel 34b en maakt onderdeel uit van de gebundelde uitkering die gemeenten ontvangen van het Rijk zoals bedoeld in artikel 69 van de Participatiewet.
2.14.2. Het bufferbudget is geen bijzondere bijstand
De inzet van het bufferbudget is niet vergelijkbaar met de bijzondere bijstand. Het doel van het bufferbudget onderscheidt zich van het recht van de burger op bijzondere bijstand. Bijzondere bijstand kan immers worden verleend als gevolg iemand niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, waarin de algemene bijstand niet voorziet.
2.14.3. Het bufferbudget is vatbaar voor beslag
Het bufferbudget is vatbaar voor beslag en de beslagvrije voet ex. artikel 475c, eerste lid, onder a, Rv is van toepassing.
2.14.4. Welke regels gelden er bij toepassing van het bufferbudget
Voor de inzet van het bufferbudget gelden de volgende regels:
Het bufferbudget betreft een budget dat belast wordt via een eindheffing. Dat betekent dat gemeenten belasting afdragen over het bufferbudget en niet de bijstandsgerechtigde, waardoor het bufferbudget voor de bijstandsgerechtigde geen gevolgen heeft voor het belastbaar inkomen en de afbouw van toeslagen. Dit draagt bij aan het creëren van financiële zekerheid voor de bijstandsgerechtigde.
De gemeente kan besluiten het bufferbudget voor een nieuwe periode van 12 maanden toe te kennen op het moment dat de noodzaak daartoe bestaat. Het bufferbudget kan in ongelijke delen periodiek uitgekeerd worden bij het ontstaan van inkomenshiaten waardoor bijstandsgerechtigden op maandbasis onder bijstandsniveau komen en financiële problemen (dreigen te) ontstaan. Ook kan het aangewend worden om bijstandsvorderingen die het gevolg zijn van (te lage of latere) inkomstenverrekening te voldoen via het bufferbudget.
Het bufferbudget wordt niet eenmalig in één keer uitbetaald aan de bijstandsgerechtigde, maar alleen ingezet als dit naar het oordeel van de gemeente nodig is. Hiermee draagt het bij aan het stimuleren van de arbeidsinschakeling én het voorkomen dat bijstandsgerechtigden op maandbasis niet onder het sociaal minimum terecht komen en daardoor financieel in de problemen komen.
Omdat het bufferbudget een instrument is dat door gemeenten ingezet kan worden, maar ook niet bedoeld is als generiek instrument, heeft dit tot gevolg dat er uitvoeringsverschillen kunnen ontstaan. Het instrument heeft een specifiek doel en het is aan gemeenten om het instrument toe te passen in de gevallen dat het nodig is. Dit levert een ongelijke situatie op tussen bijstandsgerechtigden met onwenselijke schommelingen in inkomen en bijstandsgerechtigden met een stabiel inkomen. De regering is van mening dat het creëren van een stabiel inkomen voor zoveel mogelijk bijstandsgerechtigden hiertegen opweegt. het bufferbudget door de gemeente wordt vastgesteld (zie onder het kopje ‘het uitvoeren van het bufferbudget’). De regeling van het bufferbudget kan eenvoudig bestaan naast een gemeentelijk ‘doorbraakbudget' dat aangewend kan worden voor (bestaanszekerheids)problemen van andere aard of van andere doelgroepen (zoals niet-werkenden).
2.14.5.Beleidsregels (In welke gevallen wordt het bufferbudget ingezet)
De gemeente beoordeelt wie in aanmerking komt voor een bufferbudget en of er noodzaak is om het bufferbudget in te zetten. Het bufferbudget wordt niet generiek ingezet, de gemeente kan het bufferbudget inzetten als individuele omstandigheden daartoe nopen bij:
bijstandsgerechtigden die inkomen uit arbeid ontvangen en daarnaast een aanvullende bijstandsuitkering, waarbij er financiële instabiliteit in het inkomen is ontstaan of dreigt te ontstaan als gevolg van de inkomstenverrekening; en
Financiële instabiliteit in het inkomen kan bijvoorbeeld ontstaan doordat het inkomen van mensen maandelijks kan schommelen, een uitkering te laat wordt betaald door te late loongegevens vanuit de werkgever of door correcties op het inkomen achteraf door bijvoorbeeld overwerkuren. Anderzijds kan het bufferbudget worden ingezet om vorderingen die ontstaan door het verrekenen van inkomen te vereffenen. De vordering wordt dus niet kwijtgescholden, maar voldaan vanuit het bufferbudget. Vorderingen kunnen bijvoorbeeld ontstaan doordat iemand de uitkering verlaat en er nog inkomen uit arbeid verrekend moet worden. Door deze verrekening van inkomen, dat ontvangen is nadat iemand uit de uitkering is gestroomd maar dat betrekking heeft op de bijstandsperiode, ontstaat een vordering.
Het bufferbudget wordt alleen ingezet als andere instrumenten of oplossingen, zoals de bijverdienregeling en de premie voor arbeidsinschakeling of een betalingsregeling, niet toepasbaar zijn of het probleem niet oplossen in de individuele situatie van de bijstandsgerechtigde.
In de nieuwe Participatiewet wordt bij vaststelling van het vermogen niet langer uitgegaan van de zogenaamde «vermogensaanwasruimte», maar van het daadwerkelijk vermogen van een bijstandsgerechtigde.
Onder vermogen verstaat de Participatiewet:
Bovenstaande omschrijving is opgenomen in artikel 34 lid 1 Participatiewet. De leden 2, 3 en 4 van dit artikel geven aan welk deel van het vermogen voor de vaststelling van het recht op bijstand niet in aanmerking wordt genomen.
1. De waarde van de bezittingen
De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met aanwezige schulden, wordt aangemerkt als vermogen (artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet). Het vermogensbegrip in de Participatiewet doelt dus op het saldo van de waarde van de bezittingen en de schulden.
2. Middelen, voor zover het geen inkomsten betreffen
Alle middelen die geen inkomsten zijn, en die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, worden aangemerkt als vermogen (artikel 34 lid 1 onderdeel b Participatiewet).
Een nabetaling van een WW-uitkering die betrekking heeft op een periode vóór de bijstandsperiode, wordt niet als inkomen aangemerkt, omdat deze aanspraak buiten de bijstandsperiode valt (art. 32 lid 2 Participatiewet).Tijdens de bijstandsperiode ontvangen middelen die niet als inkomen gelden, moeten op grond van art. 34 lid 1 sub b Participatiewet als vermogen worden beschouwd. Met andere woorden: ontvang je tijdens bijstand een betaling (zoals een nabetaling of heffingskorting) die betrekking heeft op een eerdere periode waarin je géén bijstand had, dan telt dit niet als inkomen, maar als vermogen (CRvB van 4 mei 2021 (ECLI:NL:CRVB:2021:1020).
De terugleververgoeding bij zonnepanelen is geen inkomen in de zin van de Participatiewet, omdat het niet voortkomt uit arbeid of een inkomensvervangende uitkering. Het is een vergoeding voor geleverde energie, vergelijkbaar met een verkoopopbrengst. Omdat het bedrag op de bankrekening van belanghebbende wordt gestort, kan hij er redelijkerwijs over beschikken, waardoor het als vermogen kwalificeert (art. 34 lid 1 Participatiewet).Gemeenten kiezen vaak voor een beleidsmatige uitzondering om kleine bedragen buiten beschouwing te laten, vanwege praktische uitvoerbaarheid en geringe financiële impact.
Een geldbedrag dat afkomstig is uit de verkoop van een vermogensbestanddeel, moet als vermogen worden aangemerkt. Ook als ter voldoening van de koopsom is afgesproken dat belanghebbende een geldlening verstrekt die in maandelijkse termijnen wordt afgelost. Dat daarmee feitelijk sprake is van betalen in termijnen brengt niet met zich dat de aard van de betalingen daarmee wijzigt van vermogen naar inkomen. CRvB 7-12-2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3063
Periodieke betaling hoeft geen inkomen te zijn
De kern van de uitspraak van de CRvB (7 december 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:3063) is dat:
Komt het voort uit arbeid, uitkering, alimentatie of een vergelijkbare bron? Dan is het inkomen.
Is het een uitkering uit vermogen (bijvoorbeeld rente, dividend) of een periodieke schenking zonder tegenprestatie? Dan kan het vermogen zijn.
Praktische toelichting voor uitvoerders:
Stap 1: Kijk niet alleen naar de frequentie (maandelijks, jaarlijks), maar naar waarom iemand het ontvangt.
Stap 2: Als de bron niet overeenkomt met de inkomensbronnen in art. 32 lid 1, dan is het geen inkomen maar vermogen.
Maandelijkse rente-uitkering uit spaargeld → vermogen
Maandelijkse uitbetaling van een pensioen → inkomen
Beslisregel: Is een periodieke betaling inkomen of vermogen?
Stap 1: Is het middel een betaling in geld of natura?
Nee: Niet relevant voor deze toets.
Stap 2: Komt de bron van het middel naar zijn aard overeen met de inkomensbronnen in art. 32 lid 1 Participatiewet?
(Bijv. loon, uitkering, alimentatie, pensioen, vergelijkbare periodieke inkomsten)
Stap 3: Is het middel afkomstig uit vermogen of schenking zonder tegenprestatie?
Ja: Het is vermogen (ook als het periodiek wordt uitgekeerd, zoals rente of dividend).
Nee: Onderzoek verdere context (bijv. incidentele betalingen).
Positief saldo op bankrekening vrijlaten tot geldende bijstandsnorm
Een positief saldo op bank- en spaarrekening wordt maximaal vrijgelaten tot het bedrag dat gelijk is aan de voor belanghebbende geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag). Het is niet redelijk om een bedrag dat noodzakelijk is voor gangbare uitgaven tot het vermogen te rekenen. Als het saldo op de rekeningen minder is dan het normbedrag dan wordt het saldo buiten beschouwing gelaten.
Belanghebbende heeft op de peildatum een positief saldo van € 850 op zijn bankrekening.
De voor hem geldende bijstandsnorm (exclusief vakantietoeslag) bedraagt € 1.150.
Stel dat het saldo € 1.400 bedraagt en de bijstandsnorm is € 1.150. Het verschil (€ 250) wordt wel als vermogen meegenomen.
Het vermogen dat vastzit in de eigen, door belanghebbende bewoonde woning, wordt apart behandeld en staat los van het overige vermogen. Voor dit vermogen geldt een extra vrijlating (artikel 34 lid 2 sub d Participatiewet). De hoogte van het vermogen in de woning bepaalt of de bijstand om niet wordt verstrekt of als geldlening.
Belangrijk: dit vermogen is niet van invloed op het recht op bijstand. Ook als de woning meer schulden heeft dan waarde, kan het recht op bijstand ontbreken wanneer het overige vermogen (zoals spaargeld) hoger is dan de vermogensgrens van artikel 34 lid 3 Participatiewet.
Belanghebbende woont in een eigen woning met een WOZ-waarde van € 200.000 en een hypotheek van € 210.000. Er is dus geen overwaarde. Daarnaast heeft belanghebbende € 8.000 spaargeld.
Het vermogen in de woning speelt geen rol bij het recht op bijstand. Het spaargeld (€ 8.000) wordt vergeleken met de vermogensgrens (bijvoorbeeld € 7.575 voor een alleenstaande).Omdat het spaargeld hoger is dan de vermogensgrens, bestaat geen recht op bijstand, ondanks dat de woning “onder water” staat.
NB In de gemeente Hollands Kroon wordt de waarde van de woning vastgesteld op de WOZ-waarde.
Bij de vaststelling van het vermogen moeten alle vermogensbestanddelen van personen die tot het gezin behoren worden meegeteld. Onder gezinsleden in de zin van de Participatiewet vallen de echtgenoot of partner en de ten laste komende minderjarige kinderen. Vermogen van een minderjarig kind telt dus mee bij het gezinsvermogen (zie CRvB 26 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5514 en CRvB 23 april 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1534).
Let op: deze hoofdregel geldt niet zonder meer voor echtgenoten die duurzaam gescheiden leven. In dat geval moet worden beoordeeld hoe het vermogen juridisch is verdeeld op basis van het geldende huwelijksvermogensregime, zoals gemeenschap van goederen of huwelijkse voorwaarden (zie Rechtbank Noord-Nederland 25 mei 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:2054).
Belanghebbende vraagt bijstand aan. Hij is gehuwd, maar leeft al geruime tijd duurzaam gescheiden van zijn echtgenote. De echtgenote woont elders en heeft een eigen bankrekening met € 15.000 spaargeld.
Hoofdregel: Bijstand is gezinsbijstand → vermogen van beide echtgenoten telt mee.
Uitzondering: Bij duurzaam gescheiden leven moet worden gekeken naar het huwelijksvermogensregime.
Scenario 1: Gemeenschap van goederen
Het spaargeld van de echtgenote behoort tot de gemeenschap. Het vermogen telt mee bij de vermogensvaststelling.
Scenario 2: Huwelijkse voorwaarden (scheiding van vermogen)
Het spaargeld van de echtgenote behoort niet tot het vermogen van belanghebbende. Het telt niet mee.
Vermogen niet-rechthebbende partner
Ook indien de echtgenoot of partner van de bijstandsgerechtigde geen recht heeft op bijstand telt zijn vermogen mee. Op grond van artikel 4 lid 1 onderdeel c Participatiewet behoort een niet-rechthebbende echtgenoot of partner immers tot het gezin van de bijstandsgerechtigde. Heeft één van beide partners geen recht op bijstand dan telt zijn vermogen dus mee en geldt de vermogensgrens voor gehuwden.
Ook bij het bestaan van huwelijkse voorwaarden dient het vermogen van de (niet-rechthebbende) echtgenoot of partner bij de beoordeling van het vermogen te worden betrokken.
Inlichtingenplicht en beschikking
Aangezien het vermogen van belang is voor de bepaling van het recht op bijstand zal de belanghebbende hierover inlichtingen moeten verstrekken.
3.2. Hoe ging de vermogenstoets (artikel 34 Pw) vroeger?
Artikel 34 Pw regelt de vermogenstoets. De vermogenstoets kan op twee momenten plaatsvinden: (1) bij de beoordeling van de aanvraag van de bijstand en (2) bij vermogensmutaties. Bij aanvang van de bijstand wordt altijd het vermogen getoetst. De waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken wordt verminderd met de aanwezige schulden. Oftewel: vermogen = bezit minus schuld (artikel 34, eerste lid, Pw).
In de Participatiewet wordt een klein vermogen toegestaan. Bij aanvang van de bijstand geldt daarom een vermogensvrijlating. Niet als vermogen wordt in aanmerking genomen het bij aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de van toepassing zijnde grens van het vrij te laten vermogen (artikel 34, tweede lid, onderdeel b,Pw jo. artikel 34, derde lid, Pw).
Indien het vastgestelde vermogen uitkomt boven deze vrijlating, bestaat er geen recht op bijstand en moet de bijstandsgerechtigde eerst het vermogen boven de toepasselijke vrijlating aanwenden om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Valt het vastgestelde vermogen onder de vrijlatingsgrens, dan is er sprake van bijstandsrecht.
Na de vaststelling van het vermogen, worden gedurende de bijstandsafhankelijkheid echter enkel toenames in bezittingen in aanmerking genomen. Nieuwe schulden hebben met andere woorden geen invloed op het in aanmerking te nemen vermogen, zolang de bijstand voortduurt.
In de praktijk houdt dit in dat de gemeente bij bijstandsaanvraag eenmalig de ruimte bepaalt in hoeverre het vermogen gedurende de bijstand nog kan groeien. Dit wordt het «resterend vrij te laten vermogen» of de «vermogensaanwasruimte» genoemd. De vermogensaanwasruimte is gelijk aan de toepasselijke vermogensvrijlating minus het bij bijstandsaanvraag aanwezige positieve vermogen (artikel 34, derde lid, Pw). Is enkel sprake van negatief vermogen dan is de vermogensaanwasruimte gelijk aan de toepasselijke vermogensvrijlating.
J. vraagt bijstand aan. Hij heeft nog een klein spaartegoed van € 2.000 als bezit. Er zijn geen schulden. De voor hem geldende vermogensvrijlating is € 6.000. De vermogensaanwas ruimte is voor J. daarom € 4.000. Bij een eventuele toename van bezittingen wordt het vermogen van bijstandsgerechtigde – zolang sprake is van een doorlopend bijstandsrecht – niet opnieuw vastgesteld, maar er wordt enkel gekeken of de toename aan bezittingen nog binnen de gestelde grenzen is gebleven.
J. ontvangt een prijs in een loterij van € 1.000. J’s vermogensaanwasruimte was (zie vorige voorbeeld) € 4.000. Door de prijs wordt deze ruimte opnieuw vastgesteld op € 3.000. De vermogensaanwasruimte wordt niet overschreden en de bijstandsverlening kan dus worden voortgezet. Overschrijdt de bijstandsgerechtigde door een eventuele toename in bezit
de vermogensaanwasruimte dan eindigt het bijstandsrecht. De bijstandsgerechtigde wordt vervolgens geacht vanuit zijn vermogen in zijn levensonderhoud te voorzien. Pas wanneer hij voldoende op zijn vermogen heeft ingeteerd, komt hij weer voor bijstandsverlening in aanmerking.
J. ontvangt in plaats van € 1.000, € 10.000 als prijs in een loterij. J’s vermogensaanwasruimte was € 4.000 (zie het eerste voorbeeld). Door de prijs is zijn groei aan bezittingen groter dan de aanwasruimte, namelijk € 6.000. De bijstand kan worden beëindigd. J. kan een nieuwe aanvraag indienen zodra zijn daadwerkelijke vermogen lager is dan de geldende vermogensvrijlating. Op zichzelf is dit een helder systeem waarbinnen van de uitvoering enkel actie wordt gevraagd indien sprake is van een toename in bezittingen. Alleen vindt er geen tussentijdse saldering met eventuele schulden plaats. Dat kan ertoe leiden dat iemand – ondanks een toename in bezittingen – feitelijk over een vermogen onder de vermogensgrens beschikt. De wet schrijft dan voor dat de bijstand moet worden beëindigd, terwijl bijstandsgerechtigde nog steeds in bijstand behoevende omstandigheden verkeert.
J. uit het eerdere voorbeeld is gedurende de bijstandsverlening enkele kleinere leningen aangegaan (van € 6.000) en daarnaast heeft hij de bij bijstandsaanvang bij de vermogensvaststelling in aanmerking genomen € 2.000 moeten inzetten voor enkele vervangingsuitgaven. Wanneer hij nu de eerder genoemde € 10.000 ontvangt, overschrijdt hij met de huidige wijze van het vermogen vaststellen weliswaar de voor hem geldende vermogensaanwasruimte, maar in feite heeft hij na saldering met de openstaande schulden (van € 6.000) nog slechts € 4.000 aan vermogen over. Ruim onder de voor hem geldende vermogensgrens. De bovenbeschreven situatie houdt in bijstandsrechtelijke termen in dat J’s recht op bijstand beëindigd dient te worden en dat er op de 31ste dag na de beëindiging (ex. artikel 45, derde lid, onder a, Pw) een nieuw bijstandsrecht kan ontstaan met een daarbij horende nieuwe vermogensvaststelling.
3.3. Hoe gaat de vermogenstoets in de nieuwe Pwet
In de nieuwe Pwet is besloten om niet langer met de zogenaamde vermogensaanwasruimte te werken, maar juist steeds het daadwerkelijke vermogen van bijstandsgerechtigde te nemen voor de bepaling of het recht op bijstand gecontinueerd kan worden. Bij het vaststellen van het daadwerkelijk vermogen wordt niet alleen gekeken naar de aanwas van het vermogen maar ook naar de schulden van de bijstandsgerechtigde. Het daadwerkelijke vermogen wordt vastgesteld bij aanvang van de bijstand. Slechts op het moment dat er melding wordt gemaakt van een vermogenstoename of er een vermoeden is van een vermogenstoename, is er aanleiding om het daadwerkelijke vermogen opnieuw te onderzoeken. Dit is in overeenstemming met de huidige praktijk. Dit nieuwe Pwet beoogt daar niets in te wijzigen.
Ook versoepelt de inlichtingenplicht: een toename in bezit tot de vermogensgrens hoeft niet langer gemeld te worden.
J. uit het eerdere voorbeeld is gedurende de bijstandsverlening enkele kleinere leningen aangegaan (van € 6.000) en daarnaast heeft hij de bij bijstandsaanvang bij de vermogensvaststelling in aanmerking genomen € 2.000 moeten inzetten voor enkele vervangingsuitgaven. Wanneer hij nu de eerder genoemde € 10.000 ontvangt, heeft hij in feite na saldering met de openstaande schulden (van € 6.000) nog slechts € 4.000 aan vermogen over. Op basis van de nieuwe vermogensvaststelling blijkt dat zijn vermogen onder de voor hem geldende vermogensgrens blijft, waardoor het recht op bijstand blijft bestaan. De op dit moment al geldende vermogensvrijlatingen blijven ongewijzigd.
Belanghebbende start op 1 januari 2026 met bijstand. Bij aanvang heeft hij € 4.000 spaargeld en een schuld van € 1.000.Het daadwerkelijke vermogen is € 3.000. Dit ligt onder de vermogensgrens (bijv. € 7.575 voor een alleenstaande), dus er is recht op bijstand. In juni ontvangt hij een belastingteruggave van € 2.000.Zijn vermogen stijgt naar € 5.000. Dit is nog steeds onder de vermogensgrens, dus hij hoeft dit niet te melden. In november ontvangt hij een erfenis van € 10.000.Zijn vermogen stijgt naar € 15.000. Dit is boven de vermogensgrens. Hij moet dit wel melden, en de gemeente beoordeelt opnieuw of bijstand kan worden voortgezet.
Als iemand tijdens de bijstandsperiode geld opzij zet en daardoor een hoger saldo heeft, telt deze toename door sparen niet automatisch mee bij de vermogensvaststelling. Komt het vermogen op een bepaald moment boven de vermogensgrens, dan moet de bijstandsgerechtigde aannemelijk maken dat dit komt door spaarzaamheid. In die gevallen kan de gemeente – net als nu – tussentijdse vermogensvaststellingen doen om te voorkomen dat later een uitgebreid onderzoek nodig is.
Door deze wetswijziging moet de gemeente bij heronderzoek niet alleen kijken naar een toename van bezittingen, maar naar de ontwikkeling van het totale vermogen. Het gaat niet om een exacte berekening tot op de euro, maar om vast te stellen of het vermogen onder de vermogensgrens blijft.
Bij heronderzoeken krijgt vooral de ontwikkeling van het vermogen meer aandacht. Dit is wenselijk, omdat een duidelijke daling van het vermogen kan wijzen op ontluikende schuldenproblematiek. Als dat vroeg wordt gesignaleerd, kan de medewerker de bijstandsgerechtigde wijzen op hulpverlening en hoe deze kan worden aangevraagd. Vroegtijdige signalering maakt het mogelijk om tijdig ondersteuning te bieden, wat de effectiviteit van de dienstverlening vergroot.
Mevrouw Jansen ontvangt sinds januari 2026 bijstand. Bij de start is haar vermogen € 2.500, ruim onder de vermogensgrens van € 7.575.Bij een heronderzoek in november 2026 blijkt haar saldo nog maar € 500 te zijn. Ze geeft aan dat ze moeite heeft om vaste lasten te betalen en heeft inmiddels achterstanden bij de zorgverzekering en huur. De medewerker constateert een duidelijke vermogensafname. Dit kan wijzen op ontluikende schuldenproblematiek. De medewerker bespreekt dit met mevrouw Jansen en wijst haar op schuldhulpverlening en hoe ze dit kan aanvragen. Door vroegtijdig te signaleren dat het vermogen daalt, kan de gemeente hulp bieden voordat de schulden verder oplopen. Dit vergroot de kans op een succesvolle oplossing.
Door de nieuwe regeling hoeft een bijstandsgerechtigde een toename van bezit niet meer te melden, zolang het totale vermogen onder de vermogensgrens blijft. Dit vraagt wel dat de bijstandsgerechtigde zelf in de gaten houdt dat zijn vermogen die grens niet overschrijdt.
Voor mensen die al enig vermogen hebben, is extra oplettendheid nodig, omdat zij sneller de vermogensgrens bereiken. Volgens de regering is deze nieuwe regeling minder belastend dan de huidige verplichting om elke toename te melden.
De vermogensgrens voor een alleenstaande is € 7.575.
Belanghebbende start met bijstand en heeft € 2.000 spaargeld.
Hij ontvangt een belastingteruggave van € 1.500. Zijn vermogen is nu € 3.500.
→ Dit blijft onder de vermogensgrens, dus hij hoeft dit niet te melden.
Hij ontvangt een erfenis van € 8.000. Zijn vermogen is nu € 10.000.
→ Dit is boven de vermogensgrens, dus hij moet dit wel melden. De gemeente beoordeelt opnieuw of bijstand kan worden voortgezet.
Adviseer bijstandsgerechtigden om bij grote toenames contact op te nemen met de gemeente. Zo voorkomen ze schending van de inlichtingenplicht en terugvordering.
Bovengenoemde wetswijziging heeft impact op de handhavingsplicht van gemeenten:
De nieuwe werkwijze is eenvoudiger voor de gemeente en eenvoudiger is uit te leggen aan de inwoner, zowel bij aanvang van de bijstand als tijdens de bijstandsperiode. Het onderzoek zelf kost structureel iets meer tijd: er zijn meer gegevens nodig om vermogen vast te stellen. Daar staat tegenover dat dreigende schulden sneller in beeld komen.
Met deze wetswijziging zal echter ook handhaving van de vermogensgrens voor gemeenten moeilijker worden. De versoepeling van de inlichtingenplicht vraagt veel van bijstandsgerechtigden. Het risico is aanzienlijk dat deze onbedoeld de vermogensgrens overschrijden zonder dit te melden. Daarnaast geldt ook hier: in veel gevallen zal de gemeente niet hard kunnen maken of de overschrijding onbedoeld is of dat er sprake is van moedwillige fraude.
3.4. Waardebepaling auto’s, caravans, motoren, etc.
Op grond van artikel 34 lid 2 onderdeel a Participatiewet worden bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, alsook bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt.
Daarbij bepaalt artikel 34 lid 1 onderdeel a Participatiewet dat de waarde van de bezittingen (in natura) waarvan de tegeldemaking wordt gevergd, moet worden vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.
Huishoudelijke en dagelijkse gebruiksvoorwerpen
3.4.2. Richtlijnen waardebepaling auto’s.
De waarde van een auto telt mee bij de vermogensvaststelling. Van dit uitgangspunt wordt afgeweken, indien:
De auto (niet ouder dan 10 jaar) wordt gewaardeerd aan de hand van de ANWB/BOVAG autokoerslijst op internet: http://www.anwb.nl/auto/koerslijst
Als richtlijn voor de waardebepaling van een auto kan dus worden gebruikt:
Hoewel Suwinet een tellerstand toont, gebruiken we die voorlopig niet als uitgangspunt. De reden: deze stand komt van de laatste APK-keuring en kan verouderd zijn. Bij auto’s van 4 tot 8 jaar kan dit al 2 jaar geleden zijn. Bij auto’s ouder dan 8 jaar meestal 1 jaar geleden. Is de exacte kilometerstand belangrijk voor het recht op uitkering of betwist de klant de waarde? Dan kan altijd de actuele kilometerstand worden gecontroleerd en gebruikt.
Indien de auto niet is opgenomen in de koerslijst en bij een vermoedelijke aanzienlijke waarde (old- timers) kan een auto-taxateur worden ingeschakeld.
NB: het is niet algemeen gebruikelijk meer dan één auto te hebben, dus bij het in het bezit/op naam hebben van meer dan één auto, maar eenmalig € 3.350,00 aan waarde vrij laten.
Als iemand een auto krijgt als gift dan geldt de "vrijlating" van € 3.350,00 van de waarde niet.
Ingeval een auto niet (meer) is opgenomen in de ANWB/BOVAG -autokoerslijst is het toelaatbaar de waarde ervan vast te stellen op basis van bij een erkende dealer per telefoon ingewonnen toereikende informatie. Is de auto recent aangeschaft, dan kan voor de waardebepaling uitgegaan worden van de recent betaalde aankoopprijs, indien niet gesteld of gebleken is dat die prijs niet reëel zou zijn.
3.4.3. Richtlijnen waardebepaling motoren, boten, campers, caravans, scooter, bromfietsen, e-bike en fiets
Motoren, boten, campers en caravans
Voor motoren, caravans, campers en boten kan een taxatie, verkoopadvertentie of marktvergelijking worden gebruikt.
Motoren, caravans, campers, boten en vergelijkbare recreatiemiddelen worden in beginsel volledig als vermogen aangemerkt.
Echter, op grond van artikel 34, tweede lid, onderdeel a, Participatiewet worden bezittingen in natura die, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn, alsmede bezittingen die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn, niet als vermogen aangemerkt.
Een eenvoudige caravan die algemeen gebruikelijk is voor recreatie en past bij de omstandigheden van het gezin. Deze wordt niet als vermogen gezien.
Een motor voor woon-werkverkeer die noodzakelijk is om naar werk of afspraken te gaan, bijvoorbeeld omdat er geen goed openbaar vervoer beschikbaar is. Deze valt onder noodzakelijke bezittingen.
Een bescheiden camper die algemeen gebruikelijk is voor vakanties en niet luxe of uitzonderlijk van waarde. Ook deze wordt niet als vermogen aangemerkt. Het gaat om gebruikelijke of noodzakelijke bezittingen, niet om luxe varianten (bijvoorbeeld een zeer dure camper van € 150.000 kan wél als vermogen worden gezien). De beoordeling gebeurt altijd gelet op de omstandigheden van persoon en gezin.
Een kleine roeiboot die wordt gebruikt om vanaf een eilandwoning naar het vasteland te komen, omdat er geen brug of veerdienst is. Deze boot is noodzakelijk voor het dagelijks leven van het gezin en wordt daarom niet als vermogen gezien.
Een eenvoudige tweedehands motorboot van geringe waarde (bijvoorbeeld € 1.500) die wordt gebruikt voor recreatie in een regio waar waterrecreatie normaal is, zoals Friesland. Deze boot is algemeen gebruikelijk en niet luxe, dus wordt niet als vermogen aangemerkt.
Luxe jachten of boten van hoge waarde vallen hier niet onder en worden wél als vermogen aangemerkt (waarde in economisch verkeer). De beoordeling gebeurt altijd op basis van aard, waarde en omstandigheden van persoon en gezin.
Indien de waarde van boten, campers, caravans en motoren ertoe leidt dat de vermogensgrens wordt overschreden, kan de gemeente een verplichting tot verkoop opleggen, tenzij sprake is van zwaarwegende omstandigheden die zich daartegen verzetten.
Voorbeelden van zwaarwegende omstandigheden:
Het recreatiemiddel is aangepast voor een lichamelijke beperking (bijv. een camper met speciale voorzieningen voor rolstoelgebruik).
Sociale of zorggerelateerde noodzaak
Het middel wordt gebruikt om mantelzorg te verlenen, bijvoorbeeld een camper die dient als tijdelijk verblijf bij een zorgbehoevend familielid.
Beperkte verkoopbaarheid / disproportionele gevolgen
Het recreatiemiddel heeft een zeer lage marktwaarde, waardoor verkoop nauwelijks bijdraagt aan het vermogen, maar wel grote praktische gevolgen heeft.
Tijdelijke situatie met uitzicht op beëindiging van bijstand
Belanghebbende heeft aantoonbaar uitzicht op werk of inkomen binnen korte termijn, waardoor verkoop niet proportioneel is.
Emotionele of culturele binding in uitzonderlijke gevallen
Bijvoorbeeld een erfstuk met bijzondere betekenis, mits de waarde niet extreem hoog is.
Scooter, bromfiets, e-bike en fiets
De scooter, bromfiets, e-bike en fiets worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De waarde wordt niet tot het vermogen gerekend.
3.4.4. Auto, motor, camper, boot of caravan geleased
Als een motor, auto, boot, caravan of camper is geleased, dan is het voertuig niet direct eigendom van de cliënt. In het kader van de Participatiewet moet je dan zorgvuldig bepalen of en in hoeverre het voertuig als vermogen moet worden aangemerkt. Hier volgt een overzicht van hoe je dit kunt beoordelen:
Type lease: operationeel vs. financieel
2. Netto vermogenswaarde bepalen
Alleen deze netto waarde telt mee als vermogen.
3.4.5. Richtlijnen waardebepaling antiek, kunst, juwelen en sieraden
Bij de vaststelling van het vermogen op grond van artikel 34 Participatiewet moeten alle bezittingen worden gewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering. Dit geldt ook voor juwelen, antiek en kunstvoorwerpen. Omdat deze objecten vaak een bijzondere waarde hebben en niet eenvoudig op geld waardeerbaar zijn, gelden de volgende richtlijnen:
De waarde wordt vastgesteld op basis van de verkoopwaarde bij vrije oplevering (marktwaarde), niet op basis van emotionele waarde of verzekeringswaarde.
De waardebepaling is een momentopname en kan fluctueren door trends, vraag en aanbod.
Waarde wordt bepaald op basis van materiaal (goud, zilver, edelstenen), gewicht, merk en staat van onderhoud. Indien het gaat om standaard sieraden zonder bijzondere kenmerken, kan een indicatieve waarde worden vastgesteld op basis van goud- of zilverprijs. Bij bijzondere of exclusieve sieraden (design, antiek, merkhorloges) is een taxatie door een erkend taxateur noodzakelijk.
Voorwerpen ouder dan 100 jaar of met een bijzondere kunstwaarde moeten worden getaxeerd door een gecertificeerd registertaxateur (TMV of RICS-norm). Bij twijfel over authenticiteit of waarde: altijd een deskundige inschakelen.
Bij een geschatte waarde boven € 500 per object of bij twijfel over de waarde:
Vraag een schriftelijk taxatierapport van een erkend taxateur.
Het rapport moet de waarde in het economisch verkeer vermelden en voorzien zijn van foto’s en een beschrijving. Gemeente kan bij twijfel een contra-expertise laten uitvoeren.
Bewaar deze gegevens in het dossier van de belanghebbende.
3.5. Richtlijnen vermogensvaststelling uitvaartvoorzieningen
Een ieder wordt geacht een verzekering af te hebben gesloten voor de kosten van begrafenis of crematie. Dit kan zijn een verzekering in natura zijn (bijvoorbeeld Dela), een levensverzekering die in contanten uitkeert of een eigen reservering voor die kosten.
Bij een verzekering in natura doen wij niets. Wij nemen deze verzekering niet in aanmerking.
Bij een levensverzekering die is afgesloten om de kosten van een begrafenis of crematie te kunnen dekken geldt dat deze kan worden vrijgelaten indien de levensverzekering alleen bij overlijden wordt uitgekeerd en niet tussentijds afkoopbaar is. Als deze levensverzekering tussentijds afkoopbaar is en de afkoopwaarde gelijk is aan of lager is dan de gemiddelde kosten voor een uitvaart zoals die door het CBS zijn vastgesteld, dan wordt deze afkoopwaarde vrijgelaten.
Wanneer in plaats van een verzekering een bedrag in contanten is gereserveerd voor begrafeniskosten wordt dit alleen onder de volgende voorwaarden niet als vermogen aangemerkt:
In de Participatiewet is het strikt genomen niet mogelijk om reserveringen voor kosten van begrafenis of crematie buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling. Als het college er toch voor kiest om deze kosten buiten beschouwing te laten bij de vermogensvaststelling is sprake van buitenwettelijk begunstigend beleid (zie CRvB 31-05-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ7907). In de praktijk hebben echter veel gemeenten toch een dergelijke regeling. Deze is ontleend aan de niet meer van kracht zijnde Wet op de bejaardenoorden, waarin voorzien werd in een vrijlating van het vermogen in verband met reserveringen voor begrafenis- of crematiekosten.
Hoofdstuk 4 Inwerkingtreding en intrekking
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon treedt gefaseerd in werking:
Toelichting op inwerkingtreding handboek
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon treedt -zoals vermeld-gefaseerd in werking, in lijn met de gefaseerde invoering van de Participatiewet in Balans. Het gelijktijdig doorvoeren van 23 wetswijzigingen is voor gemeenten complex en tijdrovend. Daarom verloopt de invoering van de Participatiewet in Balans in drie stappen:
Fase 1: Inwerking per 1 januari 2026
Fase 2: Gedoogjaar in 2026, verplicht per 1 januari 2027
Fase 3: Inwerking per 1 januari 2027
De zes volgende wijzigingen binnen de Participatiewet in Balans hebben betrekking op vermogen, inkomen en middelen:
Wijzigingen 1, 2 en 3 treden in werking op 1 januari 2026; wijzigingen 4, 5 en 6 op 1 januari 2027.
Bovengenoemd handboek sluit hierop aan:
Aan het voorstel om het beleid voor de bijverdienregeling voor jongeren tot 27 jaar al per 1 januari 2026 in te voeren, liggen de volgende overwegingen ten grondslag:
Het Handboek Middelen, Inkomen en Vermogen Participatiewet 2026 Hollands Kroon wordt vastgesteld, onder gelijktijdige intrekking van de Beleidsregel commerciële huur en lage woonlasten Pwet HK 2016, Beleidsregel Vermogen P-wet HK 2015, Beleidsregel bijstand aan minderjarigen HK 2015 en Beleidsregel Premie en vrijlating HK 2015.
De Beleidsregel commerciële huur en lage woonlasten Pwet HK 2016, Beleidsregel bijstand aan minderjarigen Pwet HK 2015 en Beleidsregel Vermogen P-wet HK 2025 worden ingetrokken op 1 januari 2026.
De Beleidsregel Premie en vrijlating HK 2015 wordt ingetrokken op 1 januari 2027.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-574387.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.