Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2025

De raad van de gemeente Doesburg gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van [datum en nummer];

gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.11 en 8.1.1, derde lid, van de Jeugdwet;

gezien het advies van adviesraad sociaal domein dd 02-11-2025;

besluit vast te stellen de Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2025.

 

HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1. Definities

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemene voorziening: vrij toegankelijke voorzieningen die zonder indicatie beschikbaar zijn;

    • b.

      budgetbeheerder: wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde van de budgethouder;

    • c.

      budgethouder: de persoon die een pgb ontvangt op grond van de wet;

    • d.

      college: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Doesburg;

    • e.

      hulpvraag: behoefte van een jeugdige en/of zijn ouder(s) aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen;

    • f.

      individuele voorziening: voorziening als bedoeld in artikel 2, tweede lid;

    • g.

      lokaal team: team dat zelf ondersteuning biedt voor alle inwoners van –9 maanden tot 100 + jaar in Doesburg;

    • h.

      pgb: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1, van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige en/of zijn ouder(s), dan wel hun wettelijke vertegenwoordiger, dat hen in staat stelt de jeugdhulp in te kopen die tot de individuele voorziening behoort;

    • i.

      wet: Jeugdwet;

    • j.

      ouder(s): ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s);

    • k.

      zijn: zijn, haar of hen.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Besluit Jeugdwet en de Algemene wet bestuursrecht.

HOOFDSTUK 2. VORMEN VAN JEUGDHULP

Artikel 2. Vormen van jeugdhulp

  • 1.

    De volgende vormen van algemene voorzieningen (vrij toegankelijke voorzieningen) zijn zonder indicatie beschikbaar:

    • Voorzieningen die erop gericht zijn om de algemene ontwikkeling en ontplooiing van jeugdigen te stimuleren, zoals het peuterspeelzaalwerk, jongerenwerk en sportvoorzieningen, alsmede kunst- en cultuurvoorzieningen.

    • Preventieve voorzieningen die erop gericht zijn problemen tijdig te signaleren en informatie en advies te geven, zoals het welzijnswerk en sociaal raadsliedenwerk.

    • Ondersteuning die gericht is op het versterken van de draagkracht om zelf problemen op te kunnen lossen, zoals het sociaal team Doesburg en de praktijkondersteuner jeugd bij de huisartsen.

  • 2.

    De volgende vormen van individuele voorzieningen (voorzieningen waar een indicatie voor nodig is) zijn beschikbaar:

    • Ambulante trajecten jeugd op het gebied van begeleiding en jeugd- en opvoedhulp;

    • Ambulante trajecten jeugd op het gebied van behandeling, zoals basis- en specialistische jeugd GGZ, waaronder ook hulp bij enkelvoudige ernstige dyslexie;

    • Ambulante trajecten jeugd op het gebied van observatie en diagnostiek;

    • Crisishulp;

    • Ambulante spoedhulp;

    • Dagbesteding;

    • Kortdurend verblijf jeugd;

    • Pleegzorg;

    • Residentiële en semi-residentiële jeugdhulp;

    • Dagbehandeling;

    • Gesloten jeugdhulp;

    • Preventieve jeugdbescherming en beschermingsmaatregelen door gecertificeerde instellingen;

    • Essentiele Functies;

    • Buitenschoolse Opvang Plus;

    • Jeugdwetvervoer.

  • 3.

    Het college kan in nadere regels vaststellen welke individuele voorzieningen concreet op basis van het tweede lid beschikbaar zijn en toelichten wat ze inhouden.

HOOFDSTUK 3. TOEGANG TOT INDIVIDUELE VOORZIENINGEN/VOORZIENINGEN WAARVOOR EEN INDICATIE NODIG IS

Artikel 3. Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts

Het college zorgt, overeenkomstig artikel 2.6, eerste lid, aanhef en onder e, van de wet, voor de inzet van jeugdhulp na een verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts naar een jeugdhulpaanbieder, als en voor zover de jeugdhulpaanbieder van oordeel is dat inzet van jeugdhulp nodig is.

  • 1.

    Jeugdhulp die na verwijzing door de huisarts, medisch specialist of jeugdarts aan een jeugdige of zijn ouder(s) is verleend door een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, komt niet voor vergoeding door de gemeente in aanmerking als het college soortgelijke jeugdhulp kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee de gemeente wel een contract- of subsidierelatie heeft.

  • 2.

    Van het eerste lid kan uitsluitend worden afgeweken als het college daarmee schriftelijk heeft ingestemd voorafgaand aan de start van de zorgverlening op grond van bijzondere feiten of omstandigheden.

  • 3.

    De jeugdhulpaanbieder houdt zich bij het beoordelen van de hulpvraag na een verwijzing aan de regels in deze verordening en de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie.

Artikel 4. Toegang jeugdhulp via de gemeente

  • 1.

    Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen met hun hulpvraag terecht bij het college.

  • 2.

    Jeugdigen en/of ouder(s) kunnen een aanvraag voor jeugdhulp indienen met een daarvoor beschikbaar aanvraagformulier bij het college.

  • 3.

    Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) jeugdhulp zelf wenst in te kopen met een pgb, dient hij daartoe een pgb-plan in als bedoeld in artikel 14. Een door de jeugdige of zijn ouder(s) ondertekend pgb-plan wordt aangemerkt als aanvraag voor een pgb.

  • 4.

    Het college neemt het besluit op een aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag.

  • 5.

    Het college legt het besluit op een aanvraag voor een individuele voorziening vast in een beschikking.

  • 6.

    In spoedeisende gevallen treft het college zo spoedig mogelijk een passende individuele voorziening. Het college legt de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 4 weken na de start van de hulp, vast in een beschikking.

HOOFDSTUK 4. BEHANDELING VAN EEN AANVRAAG VOOR EEN INDIVIDUELE VOORZIENING; ONDERZOEK EN BESLUITVORMING VIA DE GEMEENTE

Artikel 5. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren

  • 1.

    Als bij het college een aanvraag voor een individuele voorziening wordt ingediend, voert het college in samenspraak met de jeugdige en/of zijn ouder(s) zo spoedig mogelijk een onderzoek uit overeenkomstig het tweede tot en met zevende lid en maakt zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek. In overleg met het college kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) de aanvraag lopende het onderzoek wijzigen.

  • 2.

    Het college wijst voor het onderzoek op de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon als bedoeld in artikel 2.5, van de wet en van gratis cliëntondersteuning als bedoeld in artikel 2.2.4, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 3.

    Voordat het onderzoek van start gaat, kunnen de jeugdige en/of zijn ouder(s) het college een familiegroepsplan verstrekken. Het college brengt hen van deze mogelijkheid op de hoogte en stelt hen gedurende twee weken na de aanvraag in de gelegenheid het plan te overhandigen. Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) daarom verzoeken, zorgt het college voor ondersteuning bij het opstellen van het familiegroepsplan.

  • 4.

    Het college kan in overleg met de jeugdige en/of zijn ouder(s) afzien van een onderzoek als de aanvraag wordt ingetrokken. Dat wordt schriftelijk bevestigd.

  • 5.

    Wanneer een jeugdige en/of zijn ouder(s) zich meldt met een aanvraag onderzoekt het college:

    • a.

      wat de hulpvraag van de jeugdige en/of zijn ouder(s) is en wat die hulpvraag heeft doen ontstaan;

    • b.

      de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de jeugdige en zijn ouder(s) de veiligheid en ontwikkeling van de jeugdige en de gezinssituatie;

    • c.

      of sprake is van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouder(s), en zo ja dan onderzoekt het college achtereenvolgens:

      • 1°.

        welke problemen of stoornissen dat zijn;

      • 2°.

        welke hulp naar aard en omvang nodig is voor de jeugdige om, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid en voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren;

      • 3°.

        of en in hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden; en

      • 4°.

        zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, de mogelijkheden om met de inzet van een voorziening op grond van andere wet- of regelgeving, algemene voorziening of individuele voorziening te voorzien in de nodige ondersteuning en hulp;

    • d.

      indien van toepassing, hoe de toekenning van een individuele voorziening zo goed mogelijk kan worden afgestemd op andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen.

  • 6.

    Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college hebben overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt de jeugdige betrokken.

  • 7.

    Bij het onderzoek wordt aan de jeugdige en zijn ouder(s) meegedeeld welke mogelijkheden er bestaan om te kiezen voor de verstrekking van een pgb. De jeugdige en zijn ouder(s) wordt in begrijpelijke bewoordingen ingelicht over de gevolgen van die keuze.

Artikel 6. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming

  • 1.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde advies wordt uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie als professional:

    • a.

      bij de Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd;

    • b.

      bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen; of

    • c.

      op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register.

Artikel 7. Identificatie

Het college stelt het burgerservicenummer van een jeugdige vast wanneer het voor de eerste maal contact met de jeugdige hebben in het kader van de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen.

Artikel 8. Verslag

  • 1.

    Binnen zeven werkdagen na afronding van het onderzoek verstrekt het college aan de jeugdige en/of zijn ouder(s) een schriftelijke weergave van het uitgevoerde onderzoek.

  • 2.

    Het college vergewist zich ervan dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek hebben begrepen.

  • 3.

    Als uit het verslag blijkt dat een individuele voorziening is aangewezen of gewenst is, wordt het verslag ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en door deze teruggestuurd. De manier waarop het resultaat wordt bereikt, wordt opgenomen in het ondersteuningsplan, dat onderdeel is van het onderzoeksverslag.

  • 4.

    Als uit het verslag blijkt dat gezamenlijke conclusie is dat de hulpvraag kan worden opgelost met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen, dan wel door gebruik van een andere voorziening op basis van andere wet- of regelgeving, dan wordt het verslag ondertekend door de jeugdige en/of zijn ouder(s) en door deze teruggestuurd. In dat geval geldt het ondertekende verslag voor zover er een aanvraag was ingediend als intrekking van die aanvraag voor een individuele voorziening. Als er geen gezamenlijke conclusie is, kan de jeugdige en/of zijn ouder(s) de aanvraag intrekken of neemt het college een besluit op de aanvraag.

Artikel 9. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening

  • 1.

    Onverminderd dat jeugdhulp toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, komt een jeugdige en/of zijn ouder(s) in aanmerking voor een door het college verleende individuele voorziening als het college van oordeel is dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn en gebruikmaking van een andere of overige voorziening deze noodzaak niet kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Overeenkomstig de definitie van jeugdhulp uit artikel 1.1, van de wet wordt geen individuele voorziening verstrekt voor hulp of ondersteuning aan een jeugdige en/of zijn ouders, dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger, die niet noodzakelijk is op grond van een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking, maar die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van de jeugdige van een bepaalde leeftijd. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg zoals uitgewerkt in de meest recent zijnde Beleidsregels indicatiestelling Wlz.

  • 3.

    Een algemene voorziening of een voorziening op basis van andere wet- of regelgeving kan de noodzaak verminderen of wegnemen als deze:

    • a.

      daadwerkelijk beschikbaar is; en

    • b.

      passend en toereikend is voor de hulpvraag.

  • 4.

    Als een individuele voorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst adequate en beschikbare voorziening.

  • 5.

    Een individuele voorziening jeugdhulp wordt toegekend als de inzet van de voorziening doeltreffend geacht kan worden. De doeltreffendheid beoordeelt het college door vast te stellen of de individuele voorziening wezenlijk bijdraagt aan het oplossen van de hulpvraag en waar beschikbaar er wordt gewerkt met een bewezen effectieve interventie en nooit met een bewezen niet effectieve interventie.

  • 6.

    Er is sprake van bewezen effectieve voorzieningen als de effectiviteit is vastgesteld in wetenschappelijk onderzoek en de interventie(s) zijn opgenomen als zijnde ‘erkend’ in:

    • a.

      de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut;

    • b.

      de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden;

    • c.

      de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (databank interventies gehandicaptenzorg);

  • 7.

    In situaties waarbij ouder(s) begeleiding, behandeling of ondersteuning ten gevolge van maatschappelijke of eigen psychische of relationele problemen nodig hebben en er naar het oordeel van het college geen sprake is van een hulpvraag als bedoeld in deze verordening, komt een ouder(s) niet in aanmerking voor een door het college te verlenen individuele voorziening als bedoeld in deze verordening.

Artikel 10. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen

  • 1.

    Een jeugdige en/of zijn ouder(s) komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder verstaan we in ieder geval:

    • Gebruikelijke hulp van ouder(s).

    • Bovengebruikelijke hulp van ouder(s) voor zover zij beschikbaar zijn en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, die geen (dreigende) overbelasting oplevert.

    • De ondersteuning vanuit het sociale netwerk.

    • Het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 2.

    Gebruikelijke hulp is de hulp waarvan naar algemeen aanvaarde maatstaven in redelijkheid mag worden verwacht dat ouder(s) die aan de jeugdige verlenen. Als gebruikelijke zorg van een ouder(s) aan een jeugdige moet worden aangemerkt al die hulp of ondersteuning die voortkomt uit een behoefte die past bij de normale ontwikkeling van een jeugdige met een bepaalde leeftijd. Het omvat mede het versterken van de weerbaarheid en de emotionele en sociale vaardigheden van de jeugdige. Bij de beoordeling hiervan wordt aangesloten bij de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg zoals uitgewerkt in de meest recent zijnde Beleidsregels indicatiestelling Wlz. Het college houdt bij het bepalen van wat gebruikelijke hulp is daarnaast rekening met de volgende factoren:

    • De leeftijd van de jeugdige;

    • De mate van zorg bij activiteiten en handelingen, de mate van toezicht en de mate van begeleiding/stimulans die een jeugdige nodig heeft;

    • De aard en duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit van de jeugdige;

    • De mate van planbaarheid van de hulp en

    • De behoeften en mogelijkheden van de jeugdige.

  • 3.

    Als er sprake is van gebruikelijke hulp verstrekt het college geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Hierop kan (tijdelijk) een uitzondering worden gemaakt als de ouder(s) door (dreigende) overbelasting de gebruikelijke hulp niet kunnen bieden. Van (dreigende) overbelasting is uitsluitend sprake als er geobjectiveerde redenen bestaan die maken dat een ouder(s) (tijdelijk) niet in staat is om de ondersteuning te verlenen, zoals gezondheidsproblemen of een combinatie met werkverplichtingen. Bij werkverplichtingen geldt dat eerst moet worden bezien of de (dreigende) overbelasting door het herinrichten of verminderen van het werk kan worden voorkomen of weggenomen.

  • 4.

    Als er sprake is van de ondersteuning door ouder(s) aan de jeugdige die, wat betreft de aard, frequentie en benodigde tijd voor deze ondersteuning, zwaarder is dan past bij de normale ontwikkeling van een jeugdige met een bepaalde leeftijd, wordt door het college de balans tussen de draaglast en de draagkracht van de ouder(s) vastgesteld.

  • 5.

    Bij de draagkracht geldt, gelet op het bepaalde in artikel 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als uitgangspunt dat ouder(s) primair zelf verantwoordelijk zijn voor het begeleiden, verzorgen, opvoeden van en het houden van toezicht op een minderjarig kind. Dit geldt ook als er sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dat betekent dat (ook) bovengebruikelijke hulp, in de vorm van in ieder geval begeleiding bij het dagelijks leven en persoonlijke verzorging, in beginsel door de ouder(s) zelf geleverd moet worden.

  • 6.

    In afwijking van lid 5 geldt dat de daar bedoelde ondersteuning niet door de ouder(s) hoeft te worden geleverd als de draaglast van de ouder(s) daaraan in de weg staat. Daarvan is sprake als de te leveren ondersteuning naar objectieve maatstaven groter is dan wat de ouder(s) aan kunnen.

  • 7.

    Als de ondersteuning gedurende een eenmalige periode van maximaal drie maanden moet worden geleverd, neemt het college aan dat de draaglast van de ouder(s) niet aan het leveren van die ondersteuning in de weg staat. De ondersteuning moet in dat geval door de ouder(s) zelf geleverd worden, tenzij dit gezien de aard en omvang van de benodigde ondersteuning niet van de ouder(s) mag worden verwacht.

  • 8.

    Als de ondersteuning langer dan drie maanden moet worden geleverd, onderzoekt het college de draaglast van de ouder(s) door in ieder geval onderzoek te doen naar de volgende omstandigheden:

    • a.

      De aard en de duur van de hulp en de benodigde ondersteuningsintensiteit aan de jeugdige;

    • b.

      De mate van planbaarheid van de hulp;

    • c.

      Het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouder(s);

    • d.

      De manier van omgaan van ouder(s) met de problemen van de jeugdige;

    • e.

      Vaardigheden van ouder(s) om zelf hulp te bieden;

    • f.

      Of er sprake is van problematiek bij de ouder(s), zoals relationele problemen of schulden;

    • g.

      Welke verplichtingen de ouder(s) hebben, bijvoorbeeld voor werk of sociale verplichtingen;

    • h.

      Het belang van ouder(s) om een inkomen uit arbeid te krijgen en het eventueel ontstaan van financiële problemen;

    • i.

      De woonsituatie;

    • j.

      De samenstelling van het gezin en de relatie tussen de gezinsleden (bijvoorbeeld of er sprake is van een wettelijk stiefouder of niet);

    • k.

      Of er sprake is van een sociaal netwerk en zo ja, wat de mogelijkheden en de bereidheid van het sociaal netwerk zijn om de jeugdige of zijn ouder(s) te ondersteunen en

    • l.

      Overige individuele omstandigheden die door de jeugdige en ouder(s) worden ingebracht.

  • 9.

    Als bovengenoemde factoren niet leiden tot problemen bij het kunnen verlenen van de hulp door de ouder(s) (beschikbaarheid van ouder(s), de belasting van ouder(s) en de financiële situatie van de ouder(s)) dan wordt van hen verwacht dat zij de bovengebruikelijke hulp (eventueel deels) verlenen. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening.

  • 10.

    Bij (dreigende) overbelasting gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      Er moet sprake zijn van een verband tussen de overbelasting en de ondersteuning aan de jeugdige;

    • b.

      Van ouder(s) mag worden verwacht dat zij zelf een redelijke afweging maken in hoe zij hun tijd en energie inzetten om zorg te dragen voor hun kind, ook in relatie tot werk, sociale en maatschappelijke verplichtingen;

    • c.

      Het verlenen van hulp aan het kind gaat in beginsel voor op andere sociale, economische of maatschappelijke activiteiten.

  • 11.

    Als ouder(s) een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp aan de jeugdige wordt van hen verwacht dat zij hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor dan geen individuele voorziening tot jeugdhulp. Tot het sociale netwerk behoren andere personen binnen de kring van familie, vrienden, kennissen en bekenden die van betekenis zijn voor en bijdragen aan het welzijn en welbevinden van de jeugdige en/of zijn ouder(s).

  • 12.

    Tot de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen behoort verder in elk geval het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering als die is afgesloten.

  • 13.

    Het college kan nadere regels stellen ter uitvoering van dit artikel.

Artikel 11. Algemene weigeringsgronden

  • 1.

    Een jeugdige en/of zijn ouder(s) komen niet in aanmerking voor een individuele voorziening als:

    • a.

      De jeugdige en/of zijn ouder(s) aanspraak maken op een andere- of overige voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, of de mogelijkheid bestaat dat zij aanspraak kunnen maken op een voorliggende voorziening die voorziet in de ondersteuningsbehoefte, maar zij hiervoor geen aanvraag wensen in te dienen. Voorziet de voorliggende voorziening gedeeltelijk in de ondersteuningsbehoefte dan kan aanvullend alsnog een individuele voorziening worden afgegeven;

    • b.

      De jeugdige en/of zijn ouder(s) onvoldoende meewerken aan het onderzoek waardoor de gemeente geen zorgvuldig onderzoek kan uitvoeren en hierdoor de ondersteuningsbehoefte niet op een zorgvuldige wijze kan vaststellen;

    • c.

      De individuele voorziening niet voldoet aan de eisen met betrekking tot kwaliteit zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de wet en artikel 5.1.1. Besluit Jeugdwet.

  • 2.

    Indien de aanvraag betrekking heeft op kosten voor jeugdhulp die de jeugdige en/of zijn ouder(s) voorafgaand aan de aanvraag heeft gemaakt dan worden deze kosten niet vergoed.

Artikel 12. Vervoer

  • 1.

    De voorziening vervoer is uitsluitend bedoeld voor vervoer van een jeugdige naar en van een locatie waar jeugdhulp geboden wordt. Uitgangspunt is dat ouder(s) zelf, al dan niet met gebruikmaking van het sociale netwerk, voor dit vervoer verantwoordelijk zijn.

  • 2.

    Als er volgens het college aantoonbaar sprake is van medische beperkingen of beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige die maken dat vervoer door of onder begeleiding van de ouder(s) niet passend is, kan een voorziening in het vervoer worden toegekend.

  • 3.

    In afwijking van de vorige lid kan de voorziening vervoer in bijzondere omstandigheden ook worden toegekend als de ouder(s) als gevolg van aantoonbare medische beperkingen of beperkingen in de zelfredzaamheid niet in staat zijn om voor het noodzakelijke vervoer zorg te dragen.

Artikel 13. Dyslexie

De zorg voor kinderen vanaf 7 jaar ingeschreven op de basisschool met ernstige dyslexie (ED), dyslexiezorg, valt onder de wet.

Artikel 14. Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een individuele voorziening wordt in ieder geval aangegeven of de voorziening in natura of in de vorm van een pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      wat de te verstrekken voorziening is en wat de omvang en het beoogde resultaat daarvan zijn;

    • b.

      wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; en

    • c.

      indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een voorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      voor welk resultaat het pgb moet worden aangewend;

    • b.

      welke voorziening wordt ingekocht;

    • c.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • d.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen;

    • e.

      welke voorwaarden aan het pgb verbonden zijn;

    • f.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • g.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en

    • h.

      wie de budgetbeheerder is.

  • 4.

    Het onderzoeksverslag, bedoeld in artikel 8, maakt in zijn geheel deel uit van de beschikking.

HOOFDSTUK 5. AANVULLENDE REGELS VOOR EEN INDIVIDUELE JEUGDHULPVOORZIENING IN DE VORM VAN EEN PGB

Artikel 15. Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb

  • 1.

    Als een jeugdige en zijn ouder(s) in aanmerking komen voor een individuele voorziening, maar de jeugdhulp zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de jeugdige en/of zijn ouder(s) daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format. In het pgb-plan is opgenomen:

    • a.

      de motivatie waarom het natura-aanbod van de gemeente volgens de jeugdige en zijn ouder(s) niet passend is en een pgb gewenst is;

    • b.

      welke jeugdhulp de jeugdige en zijn ouder(s) wil inkopen met een pgb, wat het beoogde resultaat is en wanneer en hoe wordt geëvalueerd;

    • c.

      de voorgenomen uitvoerder van de individuele voorziening en de wijze waarop de jeugdhulp georganiseerd wordt;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de in te kopen jeugdhulp is gewaarborgd;

    • e.

      de kosten van de uitvoering, uitgedrukt in aantal eenheden en tarief;

    • f.

      indien van toepassing, welke jeugdhulp de jeugdige en zijn ouder(s) wil betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk;

    • g.

      de motivatie aan de hand van de punten benoemd in artikel 15 waaruit blijkt dat de budgethouder of budgetbeheerder in staat is de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren.

  • 2.

    Het college verstrekt een pgb als:

    • a.

      de jeugdige en zijn ouder(s) zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een door het college gecontracteerde aanbieder, niet passend acht;

    • b.

      uit de beoordeling van de pgb-vaardigheid met inachtneming van artikel 15 blijkt dat de budgethouder of, indien van toepassing, de budgetbeheerder in staat is uitvoering te geven aan de eisen die het beheer van een pgb met zich meebrengt; en

    • c.

      naar het oordeel van het college met inachtneming van artikel 17 is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder(s) van het budget wil betrekken, van goede kwaliteit is en in voldoende mate zal bijdragen aan het bereiken van het in het pgb-plan opgenomen beoogde resultaat.

  • 3.

    Aanvullend op het bepaalde in lid 1 en lid 2 verstrekt het college alleen een pgb voor jeugdhulp vanuit het sociaal netwerk als:

    • de jeugdige en ouder(s) motiveert waarom dit tot hetzelfde of beter resultaat leidt dan de inzet van een professionele hulpverlener;

    • en de persoon uit het sociale netwerk die de hulp verleent, aangeeft dat de hulp aan de jeugdige en/of ouder(s) hem niet overbelast; en

    • de persoon uit het sociale netwerk geen handelingen doet die alleen een geregistreerde professional mag doen.

Artikel 16. Pgb-vaardigheid

  • 1.

    Om aan de voorwaarden voor pgb-vaardigheid te voldoen dient de beoogd budgethouder of zijn budgetbeheerder, in ieder geval:

    • a.

      een duidelijk beeld te hebben van de hulpvraag;

    • b.

      op de hoogte te zijn van de regels en verplichtingen die horen bij het pgb of deze zelf (online) weten te vinden;

    • c.

      in staat te zijn om een overzichtelijke pgb-administratie bij te houden;

    • d.

      voldoende vaardig te zijn om in de Nederlandse taal te communiceren met de gemeente, de SVB en de zorgverleners;

    • e.

      in staat te zijn zelfstandig te handelen en onafhankelijk voor een zorgverlener te kiezen;

    • f.

      in staat te zijn om afspraken te maken en vast te leggen en om dit te verantwoorden aan het college;

    • g.

      in staat te zijn om te beoordelen en te beargumenteren of de geleverde zorg passend en kwalitatief goed is;

    • h.

      in staat te zijn de inzet van zorgverleners te coördineren, waardoor de zorg door kan gaan, ook bij verlof en ziekte;

    • i.

      in staat te zijn om als werk- of opdrachtgever de zorgverleners aan te sturen en aan te spreken op hun functioneren; en

    • j.

      voldoende kennis te hebben over het werk- of opdrachtgeverschap of deze kennis weten te vinden.

Artikel 17. Onderscheid formeel en informeel pgb

  • 1.

    Van formeel pgb is sprake als de jeugdhulp verleend wordt door onderstaande personen:

    • a.

      personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister, conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007, en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken; of

    • b.

      personen die aangemerkt zijn als zelfstandige zonder personeel die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister conform artikel 5, van de Handelsregisterwet 2007 en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

  • 2.

    Formele hulp wordt geleverd door personen die ingeschreven staan in het register, bedoeld in artikel 3, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg of artikel 5.2.1, van het Besluit Jeugdwet, voor het uitoefenen van een beroep voor het verlenen van jeugdhulp.

  • 3.

    Als de jeugdhulp geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de eerste- of tweede graad van de budgethouder, is altijd sprake van informele hulp omdat zij onderdeel uitmaakt van het sociale netwerk.

  • 4.

    Als de hulp wordt verleend door een andere persoon dan beschreven in het eerste lid, onder a of b, en er niet voldaan is aan het tweede lid, is er eveneens sprake van informele hulp.

Artikel 18. Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb

  • 1.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van de jeugdhulp aan de volgende eisen:

    • beschikt over een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG) die niet ouder is dan drie maanden bij aanvang van de zorgovereenkomst en gedurende de hulpverlening niet ouder dan drie jaar, waaruit blijkt dat er geen bezwaren zijn voor de uitoefening van diens functie. Ouder(s) zijn uitgesloten van deze eis;

    • beschikt over de juiste vaardigheden en deskundigheid om verantwoorde hulp te bieden;

    • houdt een deugdelijke administratie bij met een registratie van de geleverde hulp;

    • is voldoende vaardig om in de Nederlandse taal te communiceren;

    • werkt volgens een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd;

    • voert de hulp uit in overeenstemming met de beschikking van het college;

    • stemt de hulp af op de persoonlijke situatie van de jeugdige en zijn ouder(s);

    • stemt de hulp af op andere voorzieningen, overige voorzieningen en individuele voorzieningen waar de jeugdige of zijn ouder(s) gebruik van maken;

    • respecteert de privacy van de jeugdige en/of zijn ouder(s) en gaat vertrouwelijk om met informatie over de persoonlijke situatie;

    • neemt bij vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling in het huishouden van de jeugdige en/of zijn ouder(s) voor advies of het doen van een melding contact op met Veilig Thuis;

    • meldt calamiteiten en geweldsincidenten bij de verlening van jeugdhulp aan het college;

    • werkt mee aan toezicht en aangekondigd en onaangekondigd onderzoek door het college of daartoe aangewezen derden op inhoudelijke kwaliteit en op rechtmatigheid;

    • en is of raakt door verlening van de jeugdhulp naar het oordeel van het college niet overbelast.

  • 2.

    Ter waarborging van de kwaliteit van de met een pgb in te kopen individuele voorziening voldoet de uitvoerder van formele jeugdhulp aan de volgende aanvullende eisen:

    • hetgeen is bepaald in artikel 16, eerste en tweede lid;

    • handelt in overeenstemming met de professionele standaard;

    • werkt op basis van een hulpverleningsplan;

    • werkt met een systeem voor kwaliteitsbewaking;

    • hanteert de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling, de meldplicht calamiteiten en de meldplicht geweld bij de verlening van jeugdhulp; en

    • stelt een vertrouwenspersoon in staat zijn taak uit te voeren.

Artikel 19. Hoogte pgb

  • 1.

    Het pgb wordt beheerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder dient zich te houden aan de regels die de SVB stelt.

  • 2.

    Voor personen die een pgb aanvragen wordt het tarief van een pgb voor professionele ondersteuning gebaseerd op een door de jeugdige en/of zijn ouder(s), opgesteld plan over hoe het pgb besteed gaat worden, waarbij de hoogte van het toegekende pgb maximaal de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopste adequate zorgvoorziening in natura bedraagt. De ingekochte producten voor Zorg in Natura zijn opgenomen in de raamcontracten van het Open House systeem van de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Sociaal Domein Centraal Gelderland. De hoogte van het pgb wordt afgeleid van de tarieven die in de regio zijn afgesproken en zijn vastgelegd in de regionale productendienstencatalogus van de Modulaire Gemeenschappelijke Regeling (MGR).

  • 3.

    Het tarief is lager als op basis van het door de jeugdige en zijn ouder(s), dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger(s) ingediende pgb-plan passende en toereikende formele jeugdhulp voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor informele jeugdhulp bedraagt:

  • indien er sprake is van een overeenkomst in het kader van een arbeidsovereenkomst of indien er sprake is van een zorgovereenkomst van een opdracht met een partner of een 1e of 2e graads-familielid:

  • 100% van het wettelijke minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 21 jaar of ouder met een 36-urige werkweek;

  • reiskosten hulpverlener op basis van het tarief van de belastingdienst woon-werkverkeer, met een maximum van twee maal 25 km enkele reis per werkdag);

  • vervanging hulpverlener bij ziekte/vakantie van hulpverlener.

  • Als de wet Rdah in werking treedt, dan wordt, indien van toepassing, het tarief verhoogd met de werkgeverslasten.

  • 5.

    Het pgb bevat geen vrij besteedbaar deel.

Artikel 20. Uitgesloten van pgb

  • 1.

    De volgende kosten zijn uitgesloten van vergoeding vanuit een pgb:

    • kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • kosten die worden gemaakt voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet toestemming is gegeven door het college;

    • kosten voor hulp die direct ingezet moet worden (crisishulp);

    • kosten voor een aanvraag van een Verklaring Omtrent het Gedrag;

    • kosten voor een feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering;

    • bloemetje/cadeau hulpverlener;

    • schoonmaakmiddelen;

    • loon aan mensen die gebruikelijke zorg leveren;

    • kledingvergoeding hulpverlener;

    • kosten die gemaakt zijn voor of na de indicatieperiode;

    • de eigen bijdrage.

Artikel 21: Opschorten pgb

  • 1.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken. Dit kan alleen gemotiveerd als er bij een jeugdige en zijn ouder(s), een gegrond vermoeden is dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1.4, eerste lid onder a, d of e van de wet.

  • 2.

    Het college kan de SVB gemotiveerd vragen om te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een opname in een Wet langdurige zorg (Wlz)- of Zorgverzekeringswet (Zvw)-instelling zoals in artikel 26 lid 1.a in deze verordening.

  • 3.

    Het college informeert de jeugdige en zijn ouder(s) schriftelijk over het verzoek op grond van het eerste en tweede lid.

Artikel 22: Weigeringsgronden pgb naast de algemene wijzigingsgronden in artikel 11

  • 1.

    Het college kan een pgb weigeren als er twijfels zijn over de integriteit van de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp, wat zich in ieder geval voordoet indien de voorgenomen uitvoerder van de jeugdhulp in de vier jaar voorafgaande aan de aanvraag:

    • a.

      fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, heeft gepleegd;

    • b.

      betrokken is geweest bij strafbare feiten of overtredingen heeft begaan die de veiligheid en de kwaliteit van de hulp in gevaar brengen;

    • c.

      veroordeeld is wegens het plegen van strafbare feiten tot een gevangenisstraf;

    • d.

      op basis van een Bibob-toets door het college is geweigerd als zorgaanbieder.

  • 2.

    Het college kan een pgb weigeren als een wettelijke weigeringsgrond als bedoeld in artikel 8.1.1, vierde lid, van de wet van toepassing is.

  • 3.

    Het college kan een pgb in ieder geval weigeren als een budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken verantwoord te kunnen uitvoeren als sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

    • het beheer wordt verricht door de persoon of organisatie die ook de jeugdhulp levert aan de budgethouder, tenzij hiervoor door het college toestemming is verleend;

    • er is sprake van één of meer van de volgende omstandigheden:

      • °

        schuldenproblematiek;

      • °

        ernstige verslavingsproblematiek;

      • °

        aangetoonde fraude, in de zin van opzettelijke misleiding om financieel voordeel te verkrijgen, begaan in de vier jaar voorafgaand aan de aanvraag;

      • °

        een aanmerkelijke verstandelijke beperking;

      • °

        een ernstig psychiatrisch ziektebeeld;

      • °

        een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis;

      • °

        het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal in woord en geschrift.

  • 4.

    Als iemand niet (voldoende) gemotiveerd heeft waarom zorg in natura aanbod van de gemeente niet passend is.

  • 5.

    Het college kan een pgb geheel of deels weigeren als:

    • als niet voldaan is aan de kwaliteitseisen van artikel 17

    • als de aanvraag tot gevolg heeft dat één persoon meer dan 48 uur per week moet werken.

  • 6.

    Er wordt geen pgb voor informele jeugdhulp verstrekt als, conform het geldende afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling zoals genoemd in het Kwaliteitskader Jeugd, formele jeugdhulp noodzakelijk is.

Artikel 23. Weigeringsgronden gelegen in de specifieke aanbieder van jeugdhulp voor pgb

  • 1.

    Het is niet toegestaan om jeugdhulp in te zetten van aanbieders:

    • a)

      Die buitenlands hulpaanbod hebben en niet voldoen aan het afsprakenkader buitenlands jeugdhulp.

    • b)

      Die alle zorg en ondersteuning aanbieden (door aanbieders) buiten EU-landen.

    • c)

      Die een actieve aanwijzing of herstelopdracht van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd heeft.

    • d)

      Waarvan in de voorgaande vijf jaar het contract met de regio is ontbonden wegens niet voldoen aan de contractuele voorwaarden.

    • e)

      Die geen gegevens heeft aangeleverd voor de jaarverantwoording in de zorg, tenzij wordt voldaan voor de uitzondering voor solistisch werkende jeugdhulpverleners.

    • f)

      Die niet voldoet aan de Wet normering topinkomens.

    • g)

      Waar geen SKJ of BIG geregistreerde professionals werkzaam zijn, met uitzondering van vervoer.

Artikel 24. Onkostenvergoeding en/of tegemoetkoming

Indien er geen sprake is van een zorgovereenkomst zoals bedoeld; zorgovereenkomst met partner of familielid, met een zorginstelling, arbeidsovereenkomst of zorgovereenkomst van opdracht bij de SVB, dan kan men mogelijk in aanmerking komen voor een tegemoetkoming en/of onkostenvergoeding.

Deze tegemoetkoming bedraagt maximaal € 141,- per kalendermaand, eventueel aangevuld met een tegemoetkoming voor schoonmaakmiddelen, levensmiddelen, kleding of reiskosten ten behoeve van de hulp.

De maximale bedragen die de budgethouder per maand aan de ondersteuning uit het eigen sociale netwerk mag vergoeden zijn:

  • Schoonmaakmiddelen: € 15,-

  • Eten/drinken: € 450,- (uitgaande van maximaal € 15,- per dag)

  • Kleding: € 30,-

  • Reiskosten: € 60,-

HOOFDSTUK 6. HERZIENING, INTREKKING, TERUGVORDERING EN BESTRIJDING MISBRUIK

Artikel 25. Inlichtingen

  • 1.

    Het college informeert de jeugdige en/of zijn ouder(s) in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 2.

    Mede overeenkomstig het bepaalde in artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet doen de jeugdige en/of zijn ouder(s) aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb.

Artikel 26. Niet meewerken ouder(s) en/of jeugdige

  • 1.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) is (zijn) verplicht om, binnen de eigen mogelijkheden, mee te werken aan onderzoek gericht op besluitvorming over en de doelmatige inzet van jeugdhulp.

  • 2.

    Als de jeugdige en/of zijn ouder(s) naar het oordeel van het college niet of onvoldoende meewerkt (meewerken), kan de omvang van de benodigde jeugdhulp niet worden vastgesteld of is de jeugdhulp niet effectief en kan door het college worden besloten geen individuele voorziening te verstrekken, een lagere omvang vast te stellen of een eerder toegekende individuele voorziening in te trekken. Indien de jeugdige en/of zijn ouders niet of onvoldoende meewerkt (meewerken) wordt er schriftelijk of en mondeling op de consequenties van het niet meewerken aan de medewerkingsplicht gewezen.

Artikel 27. Intrekking, herziening, opschorting en terugvordering

  • 1.

    Het college onderzoekt periodiek of er aanleiding is een beslissing aangaande een verstrekking van een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb te heroverwegen en kan hierover nadere regels stellen.

  • 2.

    Onverminderd artikel 8.1.4, van de wet kan het college een beslissing aangaande een individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • de jeugdige en/of zijn ouder(s) onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet langer op de individuele voorziening of het daarmee samenhangende pgb zijn aangewezen;

    • de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb niet meer toereikend is te achten;

    • de jeugdige en/of zijn ouder(s) niet voldoen aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele voorziening in natura of in de vorm van een pgb;

    • de jeugdige en/of zijn ouder(s) het pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is;

    • de jeugdige en/of zijn ouder(s) met het pgb jeugdhulp betrekken van een jeugdhulp-aanbieder tegen wie bezwaren zijn ontstaan, als bedoeld in artikel 17 en artikel 21, lid 1 en 2

    • de jeugdige verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de zorgverzekeringswet, tenzij er sprake is van een jeugdbeschermings- of reclasseringsmaatregel of met instemming van het college.

  • 3.

    Een beslissing tot verlening van een pgb kan worden ingetrokken als blijkt dat het pgb binnen drie maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 4.

    Een beslissing tot toekenning van een voorziening in natura kan worden ingetrokken als blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) zich niet binnen drie maanden na de besluitdatum hebben gemeld bij een jeugdhulpaanbieder.

  • 5.

    Als het college een beslissing heeft herzien of ingetrokken op grond van het tweede lid onder a, dan kan het college de geldschade vorderen van de te veel of ten onrechte genoten individuele voorziening in natura of het te veel of ten onrechte genoten pgb.

  • 6.

    Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken, kan het college bij dwangbevel geheel of gedeeltelijk het ten onrechte genoten pgb invorderen.

  • 7.

    Het college kan, bij een gegrond vermoeden van een omstandigheid als bedoeld in het tweede lid, onder a, d, e of f, de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke onderbreking van betalingen uit het pgb voor ten hoogste dertien weken.

  • 8.

    Herziening van besluit kan plaatsvinden als er een wijziging optreedt in de wet- en regelgeving; waaronder de verordening, besluit of nadere regels.

Artikel 28. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s

  • 1.

    Het college kan een toezichthouder aanwijzen die belast is met het toezicht op de naleving van de rechtmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college onderzoekt met inachtneming van de paragrafen 6a en 6b, van de Regeling Jeugdwet de rechtmatigheid en doelmatigheid van individuele voorzieningen.

  • 3.

    Het college onderzoekt periodiek, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van pgb’s met het oog op de beoordeling van de recht- en doelmatigheid daarvan.

Artikel 29. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik

  • 1.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over de facturatie, resultaatsturing en accountantscontroles, zodat declaraties en uitbetalingen in overeenstemming zijn met de contractuele afspraken, de leveringsopdracht, de prestatieafspraken en de feitelijk geleverde prestaties.

  • 2.

    Het college maakt met de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde jeugdhulpaanbieders afspraken over het monitoren van de gemiddelde trajectduur tijdens de looptijd van een contract.

HOOFDSTUK 7. AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 30. Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Het college verstrekt geen voorziening voor jeugdhulp als er:

    • met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of de Zorgverzekeringswet, tenzij er sprake is van een jeugdbeschermings- of reclasseringsmaatregel (zie artikel 2.4; lid 2.b van de wet);

    • naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • of gegronde redenen zijn voor het college om aan te nemen dat de jeugdige in aanmerking kan komen voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg en de jeugdige en/of zijn ouder(s), weigert mee te werken aan het verkrijgen van een besluit daartoe.

  • 2.

    Als er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wet langdurige zorg of een zorgverzekering als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van de wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van de wet te treffen.

  • 3.

    De jeugdige en/of zijn ouder(s) een aanvraag voor jeugdhulp doen en deze voorziening valt onder een andere wet, dan worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

  • 4.

    Bij een verwijzing als bedoeld in het vorige lid naar Wet langdurige zorg kan onafhankelijke cliëntondersteuning ingeschakeld worden.

Artikel 31. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning

  • 1.

    Het college stemt de jeugdhulp waaraan een jeugdige en/of een ouder(s) behoefte heeft, ten minste af op het aanbod van activiteiten, diensten of middelen op grond van:

    • de Leerplichtwet;

    • de Participatiewet;

    • de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening;

    • de Wet Inburgering 2021;

    • de Wet kinderopvang;

    • de Wet langdurige zorg;

    • de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • de Wet passend onderwijs;

    • de Wet publieke gezondheid;

    • de Wet tijdelijk huisverbod;

    • de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg; en

    • de Zorgverzekeringswet,

    • Leerlingenvervoer,

    • Sociaal Medische Indicatie

  • zodat deze zoveel mogelijk op elkaar aansluit en ondersteunt de jeugdige en/of zijn ouder(s) bij het verkrijgen van toegang tot de andere voorziening(en) of bij behoud van de continuïteit van de zorg op grond van de benodigde zorg.

  • 2.

    De afgestemde jeugdhulp wordt zodanig ingezet dat dit leidt tot:

    • a.

      het opheffen van een situatie die voor een jeugdige en/of zijn ouder(s) of diens omgeving levensbedreigend is, of met grote waarschijnlijkheid leidt tot ernstige gezondheidsschade;

    • b.

      stabilisatie van een crisissituatie, anders dan bedoeld onder a;

    • c.

      een voldoende mate van duurzame zelfredzaamheid van een jeugdige en/of een ouder(s), voor zover dat binnen het vermogen ligt.

  • 3.

    Het college weegt bij de afstemming van de jeugdhulp de volgende aspecten mee:

    • a.

      de behoefte aan hulp en ondersteuning van een jeugdige en/of zijn ouder(s);

    • b.

      de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van een jeugdige of een ouder zoals bedoeld in artikel 10 en de mogelijkheden van het sociale netwerk;

    • c.

      welke volgorde van inzet van hulp en ondersteuning naar verwachting het meeste effect sorteert en in hoeverre hulp en ondersteuning gelijktijdig kan of moet worden ingezet;

    • d.

      welke hulp en ondersteuning leidt tot de minste maatschappelijke kosten op lange termijn.

  • 4.

    Als een jeugdige en/of zijn ouder(s) weigert mee te werken aan ondersteuning als bedoeld in het eerste lid, kan het college het onderzoek beëindigen en een individuele voorziening weigeren.

  • 5.

    Bij een jeugdige van 16 jaar of ouder die hulp op grond van de wet ontvangt wordt een toekomstperspectiefplan opgesteld voordat zij de jeugdhulp op 18-jarige leeftijd verlaten. Dit is een persoonlijk ontwikkel- of perspectiefplan met niet-vrijblijvende afspraken waarin de Big Five (support, wonen, school en werk, inkomen en welzijn) leidend zijn. Als de jeugdige naar alle waarschijnlijkheid na het achttiende levensjaar hulp of ondersteuning nodig heeft vanuit een wettelijke kader als bedoeld in het eerste lid, is het college gehouden om:

  • voor het achttiende levensjaar zodanige hulp en ondersteuning te bieden dat de benodigde hulp en ondersteuning vanaf het achttiende jaar zo beperkt mogelijk kan zijn;

  • en de continuïteit van hulp en ondersteuning te waarborgen voor zover dat nodig is.

  • 6.

    Ter uitvoering van het vijfde lid, onderzoekt het college tijdig welke andere voorziening nodig is, vanaf de achttiende verjaardag en op welke wijze en vanuit welke andere voorzieningen (Wet maatschappelijke ondersteuning, Wet langdurige zorg, of de Zorgverzekeringswet) deze ondersteuning vanaf het achttiende levensjaar wordt ingezet.

HOOFDSTUK 8. WAARBORGEN VERHOUDING PRIJS EN KWALITEIT

Artikel 32. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering

  • 1.

    Het college baseert in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren jeugdhulp of uit te voeren kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering, op ten minste de volgende kostprijselementen:

    • cliëntgebonden en niet-cliëntgebonden kosten van beroepskrachten;

    • cliëntgebonden kosten anders dan van beroepskrachten;

    • overheadkosten;

    • kosten voor indexering.

  • 2.

    Het college bedingt bij de door hem gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieders van preventie, jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen dat zij het verlenen van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering alleen aan derden uitbesteden als zij die derden daarvoor een reële prijs betalen, die tot stand is met gebruikmaking van de kostprijselementen bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het eerste en tweede lid gelden voor subsidies slechts voor zover zij worden verstrekt voor de daadwerkelijke verlening van preventie, jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering aan jeugdigen of hun ouders en de omvang van de subsidie direct of indirect wordt gebaseerd op de hoeveelheid verrichte diensten.

HOOFDSTUK 9. MEDEZEGGENSCHAP

Artikel 33. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, onder andere via de Adviesraad sociaal beleid, bij de voorbereiding van het beleid betreffende jeugdhulp overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval jeugdigen of hun vertegenwoordigers, onder andere via de Adviesraad sociaal beleid, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Artikel 34. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige gemotiveerd afwijken van de bepalingen in deze verordening indien onverkorte toepassing daarvan leidt tot disproportionele onredelijkheid of onbillijkheid.

HOOFDSTUK 10. SLOTBEPALINGEN

Artikel 35. Overgangsrecht, intrekking oude verordening

  • 1.

    Een jeugdige en/of zijn ouder(s) houdt recht op een lopende voorziening, verstrekt op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 geldend vanaf 12-04-2023, totdat het college een nieuw of gewijzigd besluit heeft genomen ten aanzien van die voorziening.

  • 2.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 geldend vanaf 12-04-2023 waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze (nieuwe) verordening, worden afgehandeld krachtens deze (nieuwe) verordening.

  • 3.

    Bezwaarschriften gericht tegen besluiten die zijn genomen voor de inwerkingtreding van deze verordening, worden behandeld op grond van de Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 geldend vanaf 12-04-2023 die ten aanzien van de betreffende zaak zijn rechtskracht behoudt. Hier kan ten gunste van de jeugdige en/of zijn ouder(s) van worden afgeweken als de (nieuwe) Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2025 leidt tot een gunstiger uitkomst.

  • 4.

    Het college heeft de bevoegdheid om een pgb dat is verstrekt onder Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 geldend vanaf 12-04-2023, terug te vorderen op de in deze (nieuwe) Verordening genoemde gronden.

  • 5.

    De verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2019 wordt ingetrokken.

Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening jeugdhulp gemeente Doesburg 2025

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025.

De voorzitter,

A.C. Hofland

De griffier,

J.B. Voorhof

Naar boven