10e Verordening tot wijziging van de verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015

Gelet op

artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 en 8.1.1 van de Jeugdwet, de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, en 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo, de artikelen 6, 8, 8a, 8b, 10b en 47 van de Participatiewet, artikel 35 van de IOAW/IOAZ en de Wet Inburgering 2021.

 

Besluit

Vast te stellen de 10e verordening tot wijziging van de Verordening Sociaal Domein gemeenteNieuwkoop 2015.

ARTIKEL I  

De Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015 wordt als volgt gewijzigd:

 

A

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    Lid 2 t/m 5 worden vernummerd naar lid 4 t/m 7

     

  • 2.

    De tekst van lid 2 gaat luiden: Het college neemt voor wat betreft de Jeugdwet, bij de beoordeling van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen zoals bedoeld in dit artikel onder lid 1 sub a, tot uitgangspunt dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders zelf ligt en dat de hulp die daarvoor nodig is in beginsel ook door hen geleverd kan worden. Dit is ook het geval als sprake is van psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of beperkingen. Dit uitgangspunt is gebaseerd op de artikelen 82 en 247, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. Uit het onderzoek kan blijken dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouders niet toereikend is, bijvoorbeeld omdat sprake is van:

    • a.

      (een) geobjectiveerde beperking(en) om noodzakelijke hulp te bieden;

    • b.

      een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden;

    • c.

      het op permanent toezicht aangewezen zijn van de jeugdige ter voorkoming van escalatie of ernstig nadeel en waarvoor geen Wlz -aanspraak bestaat of het op 24 uur per dag zorg in de nabijheid aangewezen zijn van de jeugdige, omdat de jeugdige zelf niet in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen om ernstig nadeel voor hem zelf te voorkomen en waarvoor geen Wlz -aanspraak bestaat;

    • d.

      overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht van de ouders of van het sociaal netwerk totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven.

  • 3.

    De tekst van lid 3 gaat luiden: Bij de beoordeling van de overbelasting, bedoeld in het tweede lid onder d, wordt ook vastgesteld welke mogelijkheden de ouders hebben om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen, waarbij redelijkerwijs verwacht mag worden dat de ouders maatschappelijke activiteiten beperken en betaalde arbeid verminderen of anders organiseren om overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Hierbij houdt het college ook rekening met:

    • a.

      de behoefte en mogelijkheden van de jeugdige;

    • b.

      de duur van de inzet;

    • c.

      de planbaarheid van de hulp;

    • d.

      de benodigde ondersteuningsintensiteit;

    • e.

      de samenstelling van het gezin en de woonsituatie;

    • f.

      de noodzaak van de ouders om in een inkomen te voorzien.

B

Artikel 5b wordt toegevoegd en luidt als volgt:

 

Artikel 5b. Kwaliteitseisen toegang

  • 1.

    Het college wint, met in achtneming van artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet, een specifiek deskundig oordeel en advies in, als het onderzoek of de beoordeling van een aanvraag dit vereist.

  • 2.

    Indien het college besluit over het verzoek om een individuele voorziening gelden de navolgende kwaliteitseisen:

    • a.

      Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door of onder verantwoordelijkheid van een geregistreerde professional.

    • b.

      De geregistreerde professional beschikt bij de aanvraag over de passende deskundigheid en/of ervaring.

    • c.

      Indien de geregistreerde professional deze kennis of ervaring niet zelf heeft, dient ten minste een andere geregistreerde professional te worden geraadpleegd en om advies te worden gevraagd over de aanvraag. Dit advies wordt opgenomen in het jeugdhulpplan.

  • 3.

    Om de deskundigheid van het besluit tot inzet van een voorziening te waarborgen geldt dat:

    • a.

      Bij het onderzoek gebruik wordt gemaakt van gevalideerde instrumenten door een daartoe opgeleide professional.

    • b.

      Indien er geen instrument beschikbaar is wordt een daartoe opgeleide professional met relevante kennis en kundigheid over de gestelde hulpvraag betrokken bij de advisering over, bepaling van en inzetten van voorzieningen.

    • c.

      Te allen tijde bij de vraag passende academisch opgeleide professionals beschikbaar zijn voor advisering en besluitvorming.

  • 4.

    Voor de besluitvorming kan informatie van gecontracteerde aanbieders worden gebruikt, de besluitvorming mag niet aan deze aanbieders worden overgedragen.

  • 5.

    Er dient te worden gehandeld conform de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming.

C.

Artikel 7 wordt als volgt gewijzigd:

 

  • 1.

    De tekst van lid 9, sub a wordt vervangen door:

    • a.

      De inwoner samen met een medewerker van het integraal ondersteuningsteam een verslag of integraal plan opgesteld heeft en een budgetplan, waarin benoemd is:

      • -

        dat een maatwerkvoorziening nodig is;

      • -

        hoe de inwoner het pgb gaat besteden;

      • -

        welke resultaten bereikt worden met het pgb en;

      • -

        hoe de kwaliteit van de geboden hulp gewaarborgd is;

      • -

        wanneer en hoe het plan, inclusief het gebruik van pgb door de inwoner en een medewerker van het team geëvalueerd wordt.

  • 2.

    De tekst van lid 9 sub b gaat luiden:

    • b.

      Voor de aanvraag van een Pgb moet gebruik gemaakt worden van het, door het college beschikbaar gestelde, format budgetplan.

  • 6.

    Lid 9 b t/m k wordt vernummerd naar c t/m l

D

Hoofdstuk 4

De titel van hoofdstuk 4 wordt gewijzigd in: Hoofdstuk 4 Specifieke bepalingen Jeugdwet en Wmo

 

E

Artikel 30

De tekst van Artikel 30 wordt vervangen door de volgende tekst:

 

Artikel 30 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning en jeugdwet

  • 1.

    Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de inwoner;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

    • d.

      De kwaliteitseisen waar zowel de maatwerkvoorzieningen in zorg in natura als in PGB aan moeten voldoen zijn opgenomen in bijlages 3 en 4 bij deze verordening en in de nadere regels jeugdhulp.

  • 2.

    In aanvulling op andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de inwoner ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 3.

    Het college kan een nader beleidskader voor toezicht en handhaving Wmo /Jeugdwet (het handhavingskader) vaststellen dat richting geeft aan de wijze waarop toezicht wordt gehouden, overtredingen worden beoordeeld en handhavingsinstrumenten worden ingezet.

F

Hoofdstuk 5 Specifieke bepalingen Wmo

Hoofdstuk 5 komt te vervallen

ARTIKEL II  

Deze 10e Verordening tot wijziging van de Verordening Sociaal Domein gemeente Nieuwkoop 2015 treedt in werking op 1 januari 2026.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Nieuwkoop van 18 december 2025, nummer 2025-095.

E.R. van Holthe

Griffier

R. van Duijn

Burgemeester

Naar boven