Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden
Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.
- 2.
Degene die op een openbare plaats:
- a.
aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;
- b.
aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of
- c.
zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing.
is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.
- 3.
Het is verboden zich te begeven naar of zich te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegde bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.
- 4.
De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het derde lid.
- 5.
Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.
Artikel 2:1a Beperkte verblijfsmogelijkheid op aangewezen plaatsen
- 1.
Het college kan met inachtneming van het krachtens deze verordening door de gemeenteraad vastgestelde beleid beperkte openbare plaatsen binnen de gemeente aanwijzen, waar het in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu, verboden is zich te begeven of te verblijven binnen de door het college aangewezen tijden.
- 2.
Het is verboden te verblijven op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats binnen de aangewezen tijden.
- 3.
Het college kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.
- 4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:2 Vermomming
- 1.
Het is verboden zich gemaskerd, vermomd of op een andere wijze onherkenbaar gemaakt op de weg of op een openbare plaats te bevinden.
- 2.
Eenieder die zich gemaskerd, vermomd of op andere wijze onherkenbaar vertoont en zich op of aan de weg of op een openbare plaats bevindt, is op eerste vordering van een politieambtenaar of toezichthouder van de gemeente verplicht zich onmiddellijk van zijn masker en/of vermomming te ontdoen of zich op andere wijze duidelijk herkenbaar te maken.
- 3.
Het eerste lid is niet van toepassing in de volgende gevallen:
- a.
gedurende de dagen in de carnavalsperiode en de dagen rondom Halloween;
- b.
in situaties waarin wordt voorzien door de Wet gedeeltelijk verbod gezicht bedekkende kleding; en
- c.
indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat het masker en/of de vermomming niet geschiedt met het doel de openbare orde te verstoren.
Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen
- 1.
Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uren voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.
- 2.
De kennisgeving bevat:
- a.
naam en adres van degene die de betoging houdt;
- b.
het doel van de betoging;
- c.
de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;
- d.
de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;
- e.
voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en
- f.
maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.
- 3.
Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.
- 4.
Als het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12:00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk op de werkdag die aan de dag van dat tijdstip voorafgaat voor 12:00 uur.
- 5.
De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden op verzoek een kennisgeving in behandeling nemen buiten deze termijn.
Artikel 2:6 (Gereserveerd)
Artikel 2:9 (Gereserveerd)
Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen
Artikel 2:10 Het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg
- 1.
Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik:
- a.
schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of
- b.
niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.
- 2.
Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet ten minste een vrije doorgang van 90cm wordt gelaten op voetpaden en van 5m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.
- 3.
Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op tijdelijke spandoeken of aankondigingsborden voor ideële reclame of voor de aankondiging van een evenement indien aan alle hiernavolgende algemene regels in acht worden genomen:
- a.
het voornemen van het plaatsen van een tijdelijk spandoek of aankondigingsbord met ideële reclame dient minimaal twee weken voor de plaatsing schriftelijk te worden gemeld aan het college met vermelding van de locatie en de periode;
- b.
de spandoeken of aankondigingsborden mogen alleen worden geplaatst op de door het college aangewezen plaatsen;
- c.
het is verboden de spandoeken of aankondigingsborden te gebruiken voor het uiten van handelsreclame;
- d.
spandoeken of aankondigingsborden moeten voorbedrukt en vervaardigd zijn van sterk en weerbestendig materiaal;
- e.
spandoeken of aankondigingsborden mogen maximaal voor een periode van twee aaneengesloten weken worden geplaatst;
- f.
spandoeken of aankondigingsborden mogen de verkeersveiligheid op geen enkele wijze in gevaar brengen;
- g.
spandoeken of aankondigingsborden mogen niet direct of indirect kunstmatig worden verlicht en ook niet van fluorescerend of reflecterend materiaal zijn voorzien.
- 4.
Eventuele beschadigingen van gemeentelijke eigendommen of aan eigendommen van derden, die zijn ontstaan door het aanbrengen, de aanwezigheid of het verwijderen van spandoeken (liever: voorwerpen), zijn voor rekening van de degene die verantwoordelijk is voor de plaatsing van een spandoek (liever: het voorwerp).
- 5.
Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen en reclameborden.
- 6.
Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod.
- 7.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
evenementen als bedoeld in artikel 2:24;
- b.
standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17; en
- c.
overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.
- 8.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg
- 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.
- 3.
Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het Wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 2:12 Aanleggen of veranderen van een uitweg
- 1.
Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg aan te leggen naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.
- 2.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:
- a.
Ter bescherming van de veiligheid en doelmatig gebruik van de weg;
- b.
Als de uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;
- c.
Ter bescherming van de openbare groenvoorzieningen;
- d.
Ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;
- e.
Als het perceel al ontsloten wordt door een uitweg en de aanleg van de tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbare groenvoorzieningen.
- 3.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening
Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (Gereserveerd)
Artikel 2:14 Winkelwagentjes (Gereserveerd)
Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp
Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.
Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.
Artikel 2:17 Kelderingangen (Gereserveerd)
Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen
- 1.
Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan:
- a.
- b.
voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3°, van het Wetboek van Strafrecht.
- 3.
Het verbod in het eerste lid, onder a, is voorts niet van toepassing voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.
Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp (Vervallen)
Artikel 2:20 Vallende voorwerpen (Gereserveerd)
Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting
- 1.
De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.
Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (Gereserveerd)
Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs
- 1.
Het is verboden:
- a.
voor het publieke toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;
- b.
bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening.
Afdeling 3. Evenementen
Artikel 2:24 Definities
- 1.
In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:
- a.
bioscoop- en theatervoorstellingen;
- b.
markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder g, van de Gemeentewet;
- c.
kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;
- d.
het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;
- e.
betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;
- f.
activiteiten als bedoeld in artikel 2:39 van deze verordening;
- g.
reguliere wedstrijden van sportverenigingen, daaronder begrepen jaarlijkse toernooien, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid onder e.
- 2.
Onder evenement wordt mede verstaan:
- a.
een herdenkingsplechtigheid;
- b.
- c.
een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3;
- d.
een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;
- e.
vechtsportwedstrijd/gala;
- f.
een voetbalwedstrijd of -toernooi waarbij één of meer betaald voetbalorganisaties betrokken zijn.
- 3.
In deze afdeling worden de volgende evenementen onderscheiden:
- a.
A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving, openbare orde en het verkeer;
- b.
B-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een impact op de omgeving, openbare orde en het verkeer;
- c.
C-evenement: hoog risico evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de omgeving, openbare orde en/of regionale gevolgen voor het verkeer.
Artikel 2:25 Evenement
- 1.
Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
- 2.
Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen.
- 3.
Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, als aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:
- a.
het aantal aanwezigen bedraagt niet meer dan 150 personen tegelijkertijd;
- b.
het evenement vindt plaats op zondag tussen 13.00 uur en 22.00 uur of op maandag tot en met zaterdag tussen 07:00 en 24:00 uur;
- c.
er geen ontheffing artikel 35 van de Alcoholwet benodigd is;
- d.
geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 09.00 uur of na 23.30 uur (op maandag tot en met zaterdag), voor 13.00 uur of na 22.00 uur (op zondag);
- e.
bij gebruik van een gebouw wordt er voldaan aan de gebruiksvoorwaarden voortvloeiende uit de gebruiksmelding behorend bij het gebouw;
- f.
er worden slechts kleine objecten (in zijn totaliteit max. 25m2) geplaatst, zoals een luchtkussen, marktkraam, partytent of objecten van gelijksoortige omvang;
- g.
bij plaatsing van meerdere marktkramen en/of innemen van standplaatsen wordt er een minimale vrije doorloop (looppad) tussen de objecten van minimaal 2 meter gerealiseerd;
- h.
de activiteiten geschieden zodanig dat de toegang tot de weg(en) voor de hulpverleningsvoertuigen gewaarborgd blijft door een minimale vrije strook rijbaan van tenminste 4 meter breed en 4,20 meter hoog vrij te houden;
- i.
brandkranen, brandputten en nooduitgangen worden vrijgehouden
- j.
activiteiten niet plaatsvinden op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats of anderszins een belemmering vormen voor het verkeer;
- k.
deelnemers aan een wandel en/of fietsactiviteit zijn reguliere verkeersdeelnemers en wijken niet af van bestaande wegen en paden;
- l.
het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994;
- m.
er is toestemming van de rechthebbende/eigenaar van de gebruikte ruimte c.q. grond;
- n.
er worden de noodzakelijke maatregelen genomen om te voorkomen dat de gemeente Twenterand dan wel een derde, ten gevolge van het evenement schade lijdt;
- o.
er worden aan aanwezige bomen of ander groen geen materialen bevestigd;
- p.
na afloop van het evenement wordt de openbare ruimte geheel schoon en in de oorspronkelijke staat opgeleverd;
- q.
er sprake is van een aanwijsbare organisator.
- 4.
De burgemeester kan nadere regels stellen voor evenementen.
Artikel 2:25a Aanvraag en procedure vergunning
- 1.
Een aanvraag om een vergunning voor een evenement wordt ingediend met gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier.
- 2.
Bij de aanvraag van een vergunning voor een evenement wordt vermeld voor welk evenement een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:
- a.
de persoonsgegevens van de organisator;
- b.
de contactgegevens van de organisator;
- c.
een geldig legitimatiebewijs van de organisator;
- d.
de locatie waar het evenement wordt georganiseerd;
- e.
de datum waarop het evenement wordt georganiseerd;
- f.
het tijdstip waarop het evenement wordt georganiseerd;
- g.
een bewijs waaruit blijkt dat de organisator gerechtigd is tot gebruik van de locatie waar het evenement wordt georganiseerd;
- h.
een plattegrond van het evenement;
- i.
- j.
met welke onderaannemers de organisator samenwerkt ten behoeve van het evenement.
- 3.
De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 2:25b Beslistermijnen
- 1.
De burgemeester beslist op de aanvraag van een vergunning voor een evenement:
- a.
binnen acht weken bij een A-evenement;
- b.
binnen acht weken bij een B-evenement; en
- c.
binnen twaalf weken bij een C-evenement.
- 2.
De in het eerste lid gestelde termijnen kunnen door de burgemeester met ten hoogste vier weken worden verlengd.
- 3.
Als naast een aanvraag om een vergunning voor een evenement ook een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt ingediend, is afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing op de behandeling van de aanvragen om een vergunning. De burgemeester is het coördinerend bestuursorgaan.
- 4.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2:25c Gegevens vergunning
- 1.
De vergunning voor een evenement vermeldt in ieder geval:
- a.
- b.
de contactgegevens van de organisator;
- c.
voor welk evenement de vergunning is verleend;
- d.
de locatie van het evenement waarvoor de vergunning is verleend;
- e.
de datum van het evenement waarvoor de vergunning is verleend;
- f.
het tijdstip van het evenement waarvoor de vergunning is verleend; en
- g.
de voorschriften of beperkingen die aan het evenement zijn verbonden.
- 2.
De organisator dient de vergunning of een afschrift daarvan voorhanden te hebben tijdens het evenement.
- 3.
De organisator meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien het evenement (nog steeds) aan het in deze afdeling bepaalde voldoet.
Artikel 2:25d Aanwijzingen
De burgemeester kan, in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid, het milieu of ter bevordering van een ordelijk verloop van het evenement, voorafgaand, tijdens en na afloop van het evenement aanwijzingen geven, die de organisator terstond moet opvolgen.
Artikel 2:25e Weigeringsgronden
- 1.
Een vergunning voor een evenement wordt geweigerd indien:
- a.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de organisator in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen.
- 2.
Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:8 kan een vergunning voor een evenement worden geweigerd indien:
- a.
de betrokken hulpdiensten negatief hebben geadviseerd op het evenement; of
Artikel 2:25f Intrekkingsgronden
- 1.
De vergunning voor een evenement wordt ingetrokken indien:
- a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;
- b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven; of
- c.
in het geval er sprake is van een langdurend of meerdaags evenement, zich tijdens het evenement feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.
- 2.
Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 1:6 kan de vergunning voor een evenement worden ingetrokken indien:
- a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
- b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop een vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
- c.
de organisator het toezicht op het evenement belemmert of bemoeilijkt;
- d.
de organisator de door de burgemeester gestelde aanwijzingen, als bedoeld in artikel 2:25de, niet terstond of volledig heeft opgevolgd; of
- e.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens deze afdeling gestelde bepalingen.
Artikel 2:25g Vervallen vergunning
- 1.
De vergunning voor een evenement vervalt indien:
- a.
de organisator heeft aangegeven dat het evenement niet zal gaan plaatsvinden;
- b.
is gebleken dat een niet in de vergunning vermeld persoon (feitelijk) organisator is geworden; of
- c.
de organisator is overleden.
Artikel 2:25h Openbare ordeverstoring bij evenementen
- 1.
Het is verboden bij een evenement de openbare orde te verstoren.
- 2.
Het is verboden enig gereedschap, voorwerp of middel te vervoeren of bij zich te hebben met de kennelijke bedoeling daarmee bij een evenement de openbare orde te verstoren.
Artikel 2:26 Ordeverstoring (Vervallen)
Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen
Artikel 2:27 Begripsbepalingen
In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
- 1.
Openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin als hoofdactiviteit bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse of consumptie elders worden bereid of verstrekt. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, ijssalon, discotheek, afhaal- en bezorgrestaurant, broodjeszaak, lunchroom of grillroom. Onder een openbare inrichting wordt tevens verstaan: een bij deze openbare inrichting behorend terras en andere aanhorigheden.
- 2.
Exploitant: de natuurlijke persoon of bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend.
- 3.
Leidinggevende:
- a.
de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden voor wiens rekening en risico de openbare inrichting wordt uitgeoefend; of
- b.
de natuurlijke persoon die algemene of onmiddellijke leiding geeft aan/in een openbare inrichting.
- 4.
Para commerciële rechtspersoon: een rechtspersoon, niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap, met beperkte aansprakelijkheid, die zich naast activiteiten van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard richt op de exploitatie in eigen beheer van een openbare inrichting.
- 5.
Terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel van de openbare inrichting waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Een terras maakt, voor de toepassing van deze afdeling, deel uit van de besloten ruimte.
- 6.
Barvrijwilliger: de natuurlijke persoon die, niet in dienstverband, dranken schenkt of spijzen bereidt of verstrekt in een openbare inrichting in beheer van een paracommerciële rechtspersoon.
Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting
- 1.
Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.
- 2.
Indien een terras onderdeel is van een openbare inrichting wordt voor het exploiteren van het terras slechts een vergunning verleend, indien het terras onmiddellijk aansluit aan de gevel van het pand waarin zich de openbare inrichting bevindt. Voor de overige terrassen kan slechts een vergunning worden verleend, indien zij in de onmiddellijke nabijheid van een openbare inrichting zijn gelegen.
- 3.
De vergunning wordt verleend aan de exploitant en op diens naam gesteld. De vergunning is locatie gebonden.
- 4.
In afwijking van hetgeen is bepaald in het derde lid en in artikel 1:5, eerste lid, is een vergunning voor een openbare inrichting die verleend is aan een paracommerciële rechtspersoon niet persoonsgebonden. De vergunning kan op naam worden gesteld van de paracommerciële rechtspersoon.
- 5.
De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan (beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit).
- 6.
Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in:
- a.
een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;
- b.
- c.
- d.
een bedrijfskantine of – restaurant;
- e.
een para commerciële instelling zoals vernoemd in artikel 4 van de Alcoholwet.
- 7.
Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 2:28a Aanvraag en procedure vergunning
- 1.
Bij de aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting wordt vermeld voor welke activiteit een vergunning wordt gevraagd en wordt opgave gedaan van in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden:
- a.
de persoonsgegevens van de exploitant(en);
- b.
de contactgegevens van de exploitant(en);
- c.
een geldig legitimatiebewijs van de exploitant(en);
- d.
het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend;
- e.
de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- f.
of in de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag reeds eerder een aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting door de exploitant is geweigerd of een aan de exploitant verleende vergunning voor een openbare inrichting is ingetrokken;
- g.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimtes bestemd voor de uitoefening van de openbare inrichting;
- h.
een beschrijving en plattegrond van de indeling (lokaliteiten en afmetingen) van de openbare inrichting en voor zover van toepassing een beschrijving en plattegrond van de ligging en omvang (afmetingen) van het terras;en
- i.
de beoogde openingstijden.
- 2.
Indien een leidinggevende is aangesteld, is het eerste lid, onder a, b, c en f van overeenkomstige toepassing op de leidinggevende.
- 3.
De burgemeester kan aanvullende gegevens of bescheiden verlangen.
Artikel 2:28b Beslistermijnen
- 1.
De burgemeester beslist binnen acht weken op de aanvraag van een vergunning voor een openbare inrichting.
- 2.
De in het eerste lid gestelde termijn kan door de burgemeester met ten hoogste acht weken worden verlengd.
- 3.
Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Artikel 2:28c Gegevens vergunning openbare inrichting
- 1.
De vergunning voor een openbare inrichting vermeldt in ieder geval:
- a.
- b.
de leidinggevende(n), die vermeld worden op een bij de vergunning behorend aanhangsel, die onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van de vergunning;
- c.
tot welke bedrijfsuitoefening de vergunning strekt;
- d.
het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend;
- e.
de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- f.
in het geval de vergunning niet voor onbepaalde tijd wordt verleend, de geldigheidsduur van de vergunning;
- g.
de lokaliteiten en afmetingen van de openbare inrichting;
- h.
de openingstijden van de openbare inrichting;
- i.
de voorschriften of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden; en
- j.
het nummer van de vergunning; en
- k.
indien er (tevens) een terras is vergund, de afmetingen, oppervlakte en situering van het terras, inclusief een tekening/plattegrond van het terras (met details zoals bomen, parkeerplaatsen, verkeershinderingen, bebouwing, lichtmasten, et cetera).
- 2.
De exploitant draagt er zorg voor dat de vergunning en het daarbij behorende aanhangsel of een afschrift daarvan aanwezig is in de openbare inrichting waarvoor de vergunning (mede) is verleend.
- 3.
De exploitant meldt iedere verandering waardoor zijn openbare inrichting niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in het eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, indien de openbare inrichting (nog steeds) aan de vereisten voldoet.
Artikel 2:28d Melden wijzigingen en verlenen gewijzigde of nieuwe vergunning
- 1.
De exploitant meldt iedere verandering waardoor de feitelijke situatie niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onmiddellijk aan de burgemeester. De burgemeester beoordeelt vervolgens of een gewijzigde vergunning kan worden verleend of dat een nieuwe vergunning moet worden verleend.
- 2.
Nadat de burgemeester de melding, als bedoeld in het eerste lid, heeft ontvangen, ontvangt de exploitant een door de burgemeester vastgesteld aanvraagformulier tot wijziging van de vergunning of een aanvraagformulier voor een nieuwe vergunning. Er is pas sprake van een aanvraag als de exploitant het aanvraagformulier heeft ingediend.
Wijziging vergunning
- 3.
De burgemeester wijzigt de vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van:
- a.
de handelsnaam waaronder wordt geëxploiteerd en het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;
- b.
de lokaliteiten en afmetingen van de openbare inrichting;
- c.
de afmetingen, oppervlakte en situering van een terras;
- d.
de openingstijden van de openbare inrichting en/of het terras;
- e.
de bedrijfsuitoefening waartoe de vergunning strekt; en
- f.
de voorschriften en/of beperkingen die aan de vergunning zijn verbonden,
- g.
mits de openbare inrichting voldoet aan het bepaalde in deze afdeling. Op het moment dat de openbare inrichting niet aan het bepaalde in deze afdeling voldoet, wordt de aanvraag geweigerd.
- 4.
De wijziging, als bedoeld in het derde lid, ziet slechts op de onderdelen waarop de aanvraag tot wijziging betrekking heeft. Voor de overige onderdelen blijft de bestaande vergunning onverminderd van kracht. Bij het besluit tot wijziging van de vergunning ontvangt de exploitant een aan de gewijzigde situatie aangepast exemplaar van de vergunning.
Nieuwe vergunning
- 5.
De burgemeester verleent een nieuwe vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op het wijzigen van:
- a.
- b.
het adres waar de openbare inrichting wordt uitgeoefend.
- 6.
Een vergunning vervalt wanneer de verlening van een vergunning strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, als bedoeld in het vijfde lid, van kracht is geworden.
Artikel 2:28e Melden wijziging leidinggevende(n) en verlenen gewijzigd aanhangsel
- 1.
De exploitant meldt iedere wijziging in leidinggevende(n), als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onder b, onmiddellijk aan de burgemeester.
- 2.
De burgemeester verleent een gewijzigd aanhangsel bij de vergunning in het geval de aanvraag betrekking heeft op:
- a.
een persoon als leidinggevende te laten bijschrijven; en
- b.
een persoon als leidinggevende te laten doorhalen, omdat de leidinggevende niet langer werkzaam is in of voor de openbare inrichting en/of geen bemoeienis meer heeft met de bedrijfsvoering en/of exploitatie van de openbare inrichting.
- 3.
De in het eerste lid bedoelde melding geldt als een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning, als bedoeld in artikel 2:28c, eerste lid, onder b.
- 4.
De burgemeester weigert de aanvraag tot wijziging van het aanhangsel bij de vergunning in het geval:
- a.
een persoon, als bedoeld in het eerste en tweede lid, niet voldoet aan het bij of krachtens artikel 2:28d, eerste lid, onder a, b, of c gestelde; en
- b.
in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordeling door het openbaar bestuur.
- 5.
Alvorens te beslissen op een aanvraag tot wijziging van het aanhangsel kan het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen, bedoeld in artikel 8 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen, door het openbaar bestuur om een advies als bedoeld in artikel 9 van die wet worden gevraagd.
Artikel 2:28f Weigeringsgronden
- 1.
Een vergunning voor een openbare inrichting wordt geweigerd indien:
- a.
de exploitant of de leidinggevende onder curatele staat;
- b.
de exploitant of de leidinggevende in enig ander opzicht van slecht levensgedrag is;
- c.
de leidinggevende de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt;
- d.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;
- e.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; of
- f.
de voorgenomen uitoefening van de openbare inrichting strijd zal opleveren met een geldend omgevingsplan, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.
- 2.
De burgemeester kan nadere regels stellen met betrekking tot hetgeen onder slecht levensgedrag, als bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt verstaan.
- 3.
Onverminderd hetgeen bepaald is in artikel 1:8, kan een vergunning voor een openbare inrichting worden geweigerd indien:
- a.
voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken op grond van artikel 2:28g, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning;
- b.
voor de openbare inrichting reeds eerder een vergunning is ingetrokken onder de voorwaarden, bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, gedurende een periode van vijf jaar na de intrekking van de vergunning; of
- c.
de openbare orde, de openbare veiligheid of de woon- en leefomgeving nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van de openbare inrichting waarvoor de vergunning is aangevraagd.
Artikel 2:28g Intrekkingsgronden
- 1.
De vergunning voor een openbare inrichting wordt ingetrokken indien:
- a.
de verstrekte gegevens zodanig onjuist of onvolledig blijken te zijn dat op de aanvraag een andere beslissing zou zijn genomen indien bij de beoordeling daarvan de juiste of volledige gegevens bekend waren geweest;
- b.
de vergunning in strijd met een wettelijk voorschrift is gegeven;
- c.
zich binnen de openbare inrichting feiten hebben voorgedaan die de vrees rechtvaardigen dat het van kracht blijven van de vergunning gevaar oplevert voor de openbare orde of openbare veiligheid;
- d.
zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in artikel 2:28f, eerste lid;
- e.
de uitoefening van de openbare inrichting strijd oplevert met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan, voorbereidingsbesluit of omgevingsplan.
- 2.
De vergunning voor een openbare inrichting kan worden geschorst of ingetrokken indien:
- a.
is gehandeld in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
- b.
in verband met gewijzigde wettelijke voorschriften, gewijzigde omstandigheden of gewijzigde inzichten de bescherming van de belangen met het oog waarop het vergunningsvereiste is gesteld, zwaarder wegen dan het belang van de vergunninghouder bij behoud van de vergunning;
- c.
een niet in de vergunning vermelde persoon (feitelijk) exploitant of leidinggevende is geworden;
- d.
is gehandeld in strijd met een of meer van de bij of krachtens dit hoofdstuk gestelde bepalingen.
Artikel 2:28h Vervallen vergunning
De vergunning voor een openbare inrichting vervalt indien:
- a.
de exploitatie van openbare inrichting feitelijk is beëindigd;
- b.
de openbare inrichting geheel of gedeeltelijk is overgedragen;
- c.
de exploitant is overleden; of
- d.
gedurende zes aaneengesloten maanden, anders dan wegens overmacht, geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Artikel 2.28i Experiment tijdelijk afwijken
- 1.
Onder experiment wordt in dit artikel verstaan: het tijdelijk afwijken van een of meer bepalingen in deze verordening met het oog op het verzamelen van gegevens om te beoordelen of de afwijking permanent kan worden gemaakt.
- 2.
Het college of de burgemeester kan, ieder voor zover hem deze bevoegdheid toekomt, bij wijze van experiment besluiten om af te wijken van de volgende onderdelen in deze verordening:
- a.
Artikel 2:29 Sluitingstijden terrassen
- 3.
In het besluit, bedoeld in het vorige lid, wordt in ieder geval vermeld:
- a.
Van welke bepaling of bepalingen in deze verordening wordt afgemeld;
- b.
Het doel van het experiment;
- c.
de voorwaarden die het college of de burgemeester verbindt aan het experiment;
- d.
de tijdsduur van het experiment, welke maximaal een jaar bedraagt;
- e.
het gebied waarin het experiment geldt.
- 4.
Het experiment wordt na beëindiging van het experiment geëvalueerd. Indien de evaluatie leidt tot aanpassing van deze verordening in overeenstemming met de wijze waarop het experiment is uitgevoerd, kan het college of de burgemeester besluiten om het experiment met maximaal een jaar te verlengen.
Artikel 2:29 Sluitingstijd
- 1.
Het is de exploitant en de leidinggevende verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 01:00 en 06:00 uur.
- 2.
Bezoekers die om 01:00 uur nog aanwezig zijn mogen het verblijf tot uiterlijk 03:00 uur verlengen. Tussen 01:00 en 06:00 uur mogen geen nieuwe bezoekers meer worden toegelaten.
- 3.
In afwijking van het eerste lid is het de exploitant en de leidinggevende verboden een bij de openbare inrichting behorend terras voor bezoekers geopend te hebben of bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23:00 uur en 11:00 uur.
- 4.
In afwijking van het eerste lid is het de exploitant en de leidinggevende verboden een paracommerciële rechtspersoon voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 00.00 uur en 07.00 uur.
- 5.
In afwijking van het eerste lid gelden de sluitingstijden niet op 1 januari voor openbare inrichtingen met een alcoholvergunning.
- 6.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de zedelijkheid, de gezondheid of ter voorkoming of beperking van overlast andere sluitingstijden vaststellen dan de sluitingstijden als bedoeld in het eerste, tweede, derde, vierde en vijfde lid.
Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor één of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
Artikel 2:31 Verboden gedragingen
Het is verboden in een openbare inrichting:
- 1.
- 2.
Zich te bevinden na sluitingstijd, tenzij het personeel betreft, of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30, eerste lid.
- 3.
Op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van het terras.
Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen
De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enige andere wijze overdraagt.
Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan
Als een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.
Afdeling 5. Regulering paracommerciële rechtspersonen en overige aangelegenheden uit de Alcoholwet
Artikel 2:34a Definities
In deze afdeling wordt verstaan onder:
- -
- -
- -
- -
- -
paracommerciële rechtspersoon;
- -
- -
- -
zwak-alcoholhoudende drank;
dat wat daaronder wordt verstaan in de Alcoholwet.
Artikel 2:34b Regulering para commerciële rechtspersonen
- 1.
Een para commercieel rechtspersoon kan alcoholhoudende drank uitsluitend verstrekken op:
- a.
maandag tot en met donderdag vanaf 16.00 uur tot 24.00 uur;
- b.
vrijdag, zaterdag en zondag vanaf 12.00 uur tot 24.00 uur.
- 2.
Er wordt geen alcoholhoudende drank verstrekt tijdens bijeenkomsten van persoonlijke aard en bijeenkomsten die gericht zijn op personen welke niet of niet rechtstreeks bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, als dit zou leiden tot oneerlijke mededinging.
- 3.
Een para commercieel rechtspersoon kan tijdens maximaal 6 bijeenkomsten per jaar van persoonlijke aard die gericht zijn op personen welke bij de activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon betrokken zijn, in afwijking van het tweede lid alcoholhouden drank verstrekken.
- 4.
Een para commercieel rechtspersoon doet uiterlijk twee weken voor een bijeenkomst als bedoeld in het derde lid melding hiervan aan de burgemeester.
- a.
De melding moet 2 weken voor aanvang van de bijeenkomst, schriftelijk of digitaal bij de burgemeester zijn doorgegeven.
- b.
In de melding moeten de volgende gegevens staan
- 1.
adresgegevens van de inrichting;
- 2.
- 3.
- 4.
- c.
De burgemeester kan aan de gemelde bijeenkomst nadere voorschriften en/of beperkingen verbinden.
- 5.
Er mag uitsluitend zwak alcoholhoudende drank worden verstrekt.
Artikel 2:34c Verbod ‘happy hours’
Het is verboden in een horecalokaliteit of op een terras bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende drank te verstrekken voor gebruik ter plaatse tegen een prijs die voor een periode van 24 uur of korter lager is dan 60% van de prijs die daar gewoonlijk wordt gevraagd.
Afdeling 5. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf
Artikel 2:35 Definitie
In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.
Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie
Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.
Artikel 2:37 Nachtregister (Vervallen)
Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister
Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.
Afdeling 7. Maatregelen ter voorkoming van overlast, gevaar of schade
Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal
- 1.
Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.
- 2.
Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.
- 3.
Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende reden noodzakelijk is.
Artikel 2:42 Plakken en kladden
- 1.
Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.
- 2.
Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:
- a.
een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;
- b.
met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.
- 3.
Het verbod, bedoeld in het tweede lid, is niet van toepassing voor zover gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.
- 4.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.
- 5.
Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.
- 6.
Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.
- 7.
Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.
- 8.
De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. (is dubbel opgenomen: zie lid 4)
Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.
- 1.
Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing als de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.
Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.
Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d. (Gereserveerd)
Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d. (Gereserveerd)
Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen
- 1.
Het is verboden op een openbare plaats:
- a.
te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemt straatmeubilair;
- b.
zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.
- 2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de artikelen 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.
Artikel 2:48 Verboden drankgebruik
- 1.
Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod is niet van toepassing op:
- a.
een terras dat behoort bij een horecabedrijf als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;
- b.
een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.
Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen
- 1.
Het is verboden zonder redelijk doel:
- a.
zich in een portiek of poort op te houden;
- b.
in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.
- 2.
Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van een flatgebouw, appartementsgebouw of een soortgelijke meergezinswoning of van een gebouw dat voor publiek toegankelijk is, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van dat gebouw.
Artikel 2:49a Sluiting van voor publiek openstaande gebouwen
De burgemeester kan een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf als bedoeld in artikel 174 Gemeentewet, of voor het publiek openstaande gebouwen en/of daarbij behorende erven in bepaald gebied, in het belang van de openbare orde, veiligheid, gezondheid of zedelijkheid of als er naar zijn oordeel sprake is van bijzondere omstandigheden voor een bepaalde duur geheel of gedeeltelijk sluiten.
Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten
Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval verstaan portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.
Artikel 2:50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen
- 1.
Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of op bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zich te hebben.
- 2.
Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.
- 3.
Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.
Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.
Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek als dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek of als daardoor die ingang versperd wordt.
Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. (Gereserveerd)
Artikel 2:53 Bespieden van personen
- 1.
Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt, te bespieden.
- 2.
Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.
Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur (Gereserveerd)
Artikel 2:55 Nodeloos alarmeren (Gereserveerd)
Artikel 2:56 Alarminstallaties (Gereserveerd)
Artikel 2:57 Loslopende honden
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:
- a.
op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;
- b.
binnen de bebouwde kom op een openbare plaats als de hond niet is aangelijnd;
- c.
buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd;
- d.
op de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.
- 2.
Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.
- 3.
Het eerste lid aanhef en onder a tot en met c is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.
Artikel 2:58 Verontreiniging door honden
- 1.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op een openbare plaats.
- 2.
De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien:
- a.
de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd;
- b.
de hond zich van uitwerpselen ontdoet op plaatsen die door het college zijn aangewezen als hondenuitlaatplaats.
- 3.
De eigenaar of houder van een hond is verplicht, indien hij zich met een hond op een openbare plaats bevindt, een daartoe geëigend hulpmiddel bij zich te hebben dat dient tot het opruimen van hondenuitwerpselen. Onder geëigend opruimmiddel wordt verstaan: een hondenpoepschep, wegwerpzakje of een plastic (brood)zakje.
- 4.
De geboden genoemd in het eerste en derde lid gelden niet voorzover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden.
Artikel 2:59 Gevaarlijke honden
- 1.
Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.
- 2.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond kort aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.
- 3.
De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond voorzien te houden van een muilkorf die:
- a.
vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;
- b.
door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is; en
- c.
zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.
- 4.
Onverminderd artikel 2:57, eerste lid, aanhef en onder d, dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.
Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein
- 1.
Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, eerste lid of heeft meegedeeld dat hij de hond gevaarlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.
- 2.
Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:
- a.
op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;
- b.
het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden; en
- c.
het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.
Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren (Gereserveerd)
Artikel 2:61 Wilde dieren (Gereserveerd)
Artikel 2:62 Loslopend vee (Gereserveerd)
Artikel 2:63 Duiven (Gereserveerd)
Artikel 2:64 Bijen (Gereserveerd)
Artikel 2:65 Bedelarij (Gereserveerd)
Afdeling 8. Bestrijding van heling van goederen
Artikel 2:66 Definitie
In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister
- 1.
De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:
- a.
het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;
- b.
de datum van verkoop of overdracht van het goed;
- c.
een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;
- d.
de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en
- e.
de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.
- 2.
De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.
- 3.
Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht
De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:
- 1.
De burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:
- a.
dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;
- b.
van een verandering van de onder a bedoelde adressen;
- c.
dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;
- d.
dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.
- 2.
De burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven.
- 3.
Aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn.
- 4.
Een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.
Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen (Gereserveerd)
Afdeling 9. Vuurwerk en Carbidschieten
Artikel 2:71 Definitie
In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld
Artikel 2:72 (Gereserveerd)
Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling
- 1.
Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.
- 2.
Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.
- 3.
De verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1˚, van het Wetboek van Strafrecht.
Artikel 2:73a Definities
- 1.
Bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor openbare vermakelijkheden als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
- 2.
Bus: een (originele)(melk)bus van staal/ijzer, container, opslagvat of ander daarmee gelijk te stellen voorwerp.
- 3.
Klaphamer: een installatie met een hamer, waarbij door middel van een poeder (bijvoorbeeld een mengsel van zwavel en natriumchloraat) een explosie (oftewel ’een klap’) kan worden veroorzaakt.
- 4.
Carbidschieten: het in een (melk) bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.
Artikel 2:73b Verbod carbid en klaphamers
- 1.
Het is verboden carbid te schieten.
- 2.
Het is verboden om met een klaphamer een explosie te veroorzaken
Artikel 2:73c Vrijstelling verbod carbid
Carbid schieten (acetyleengas of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze tot verbranding te brengen) is uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:
- 1.
Het schieten met carbid vindt plaats tijdens de jaarwisseling op 31 december en wanneer oudejaarsdag valt op een zondag ook plaats mag vinden op de zaterdag voor 31 december;
- 2.
Er wordt gebruik gemaakt van (melk-)bussen tot een maximuminhoud van 60 liter per bus;
- 3.
De plaats van waar geschoten wordt, is gelegen:
- i.
Op een afstand van ten minste 100 meter van woonbebouwing;
- ii.
Op een afstand van ten minste 300 meter van zorg instellingen;
- iii.
Op een afstand van ten minste 300 meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;
- iv.
Op een afstand van ten minste 500 meter van een vogelbeschermingsgebied.
- 4.
Het terrein dient zodanig te zijn ingericht dat toeschouwers niet in de schietrichting kunnen komen;
- 5.
De organisator van het carbid schieten is 18 jaar of ouder en is verantwoordelijk voor de naleving van de in deze bepaling gestelde voorwaarden en is tijdens het carbid schieten als zodanig aanspreekbaar voor toezichthouders en/of politieagenten;
- 6.
Uiterlijk 15 december van het betreffende jaar wordt het terrein, van waar wordt carbid geschoten onder bovenstaande voorwaarden, schriftelijk of digitaal doorgegeven aan het college met gegevens van de organisator ten einde efficiënt en effectief toezichthoudende taken te kunnen uitvoeren;
- 7.
In geval van een situatie als bedoeld in het eerste lid, is het verbod als bedoeld in artikel 4:4, tweede lid, niet van toepassing.
Artikel 2:73d Bevoegd gezag
Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in artikel 2:73c niet van toepassing is.
Artikel 2:73e Toepasselijkheid
Artikel 2:73c is niet van toepassing, als de Wet milieubeheer, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.
Afdeling 10. Drugsoverlast
Artikel 2:74 Drugshandel op straat
Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.
Artikel 2:74a (Vervallen)
Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik
Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.
Afdeling 11. Bijzondere bevoegdheden van de burgemeester
Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding (Gereserveerd)
Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.
Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen
- 1.
De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.
- 2.
De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van de volgende andere plaatsen:
- a.
(Door de gemeenteraad aan te wijzen plaatsen die voor het publiek toegankelijk zijn).
Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten een bevel geven zich gedurende ten hoogste 48 uur niet in één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
- 2.
Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een bevel als bedoeld in dat lid is gegeven en die opnieuw strafbare feiten of openbare verstorende handelingen verricht een bevel geven voor gedurende ten hoogste 8 weken niet één of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats op te houden.
- 3.
De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.
- 4.
Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.
- 5.
Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.
Artikel 2:79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet
- 1.
Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.
- 2.
De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:
- a.
- b.
- c.
hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;
- d.
overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;
- e.
intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.
Artikel 2:80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf
- 1.
De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.
- 2.
Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel [2:30], eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.
- 3.
De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.
- 4.
Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.
- 5.
Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.
- 6.
De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.