Wijziging Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg

De raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg,

 

gezien het voorstel van het college d.d. 14 oktober 2025 (4432),

 

besluit:

  • I.

    De Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg te actualiseren door vaststelling van bijgevoegde was-wordt-lijst.

  • II.

    Het besluit in werking te laten treden op de dag na die van de bekendmaking.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Leidschendam-Voorburg van 9 december 2025.

de griffier,

R.G.R. Jeene

de voorzitter,

M.W. Vroom

Bijlage Was-wordt-lijst Actualisatie Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg 2026

 

Was

Wordt

Artikel 1:1 Definities

  • -

    openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan;

Artikel 1:1 Definities

  • -

    openbare plaats: hetgeen in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties daaronder wordt verstaan en de weg;

Artikel 1:8 Weigeringsgrond

  • 1.

    Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      de volksgezondheid;

    • d.

      de bescherming van het milieu

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan 3 weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Artikel 1:8 Weigeringsgrond

  • 1.

    Een vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:

    • e.

      de openbare orde;

    • f.

      de openbare veiligheid;

    • g.

      de volksgezondheid;

    • h.

      de bescherming van het milieu

  • 2.

    Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de beoogde datum van de aangevraagde activiteit binnen de beslistermijn valt, zoals bedoeld in artikel 1:2 en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  • 3.

    Een vergunning voor een evenement kan ook worden geweigerd indien de aanvraag niet tijdig, zoals aangegeven in artikel 1:3, leden 1 en 2, is ingediend.

Artikel 2:10, leden 1 en 2 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats

  • 1.

    Het is verboden zonder voorafgaande vergunning van het college de weg of een openbare plaats of gedeelte daarvan anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg of openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg of openbare plaats;

    • b.

      indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Artikel 2:10, leden 1 en 2 Vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op een openbare plaats

  • 1.

    Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college een voorwerp op, in, over of boven een openbare plaats of gedeelte daarvan te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2.

    Een vergunning bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    • b.

      indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

Artikel 2:14, lid 1 Winkelwagentjes

De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

Artikel 2:14, lid 1 Winkelwagentjes

De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over een openbare plaats, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    • a.

      de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; of

    • b.

      de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4.

    Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van en ondersteunend zijn aan de winkelactiviteit;

    • b.

      een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, educatieve, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;

    • c.

      in of behorend bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines);

    • d.

      scholen, musea, verzorging- en verpleeghuizen, ziekenhuizen;

    • e.

      rouwcentra en crematoria;

    • f.

      een hotel of een pension;

    • g.

      een ijssalon.

  • 5.

    Indien een vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen op de weg, beslist de burgemeester over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  • 6.

    De burgemeester kan de ingebruikneming van de weg als bedoeld in het vijfde lid weigeren:

    • a.

      als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het terras of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  • 7.

    Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:28 Exploitatie openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3.

    De burgemeester weigert de vergunning als voor de exploitatie van de openbare inrichting ook een alcoholwetvergunning vereist is en deze niet wordt verleend.

  • 4.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    • a.

      de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met het karakter van de straat en de wijk, waarin de openbare inrichting is gelegen of zal zijn gelegen, de aard van de openbare inrichting en de spanning, waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie; of

    • b.

      de exploitant of leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 5.

    Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet met een detailhandelondersteunende horecavoorziening die naar zijn aard en omvang ondergeschikt is aan de hoofdfunctie detailhandel en voldoet aan de regels gesteld in de gemeentelijke beleidsregels met betrekking tot ondersteunende horeca in detailhandel;

    • b.

      een rechtspersoon niet zijnde een naamloze vennootschap of besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die zich richt op activiteiten van recreatieve, sportieve, educatieve, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke of godsdienstige aard;

    • c.

      in of behorend bij logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines);

    • d.

      scholen, musea, verzorging- en verpleeghuizen, ziekenhuizen;

    • e.

      rouwcentra en crematoria;

    • f.

      een hotel of een pension;

    • g.

      een ijssalon.

  • 6.

    Indien een vergunningaanvraag mede betrekking heeft op één of meer bij de openbare inrichting behorende terrassen op een openbare plaats, beslist de burgemeester ook op deze aanvraag.

  • 7.

    De burgemeester kan de vergunning voor een terras als bedoeld in het vijfde lid weigeren:

    • a.

      als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats;

    • b.

      als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het terras of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed.

  • 8.

    Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Artikel 2:43, lid 1 Vervoer plakgereedschap e.d.

Het is verboden op de weg of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

Artikel 2:43, lid 1 Vervoer plakgereedschap e.d.

Het is verboden op een openbare plaats of openbaar water enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

Artikel 2:50a, lid 1 Messen en steekwapens

Het is verboden op de weg of in voor publieke toegankelijke gebouwen messen die niet vallen onder de Wwm (hierna te noemen gebruiksmessen) zonder duidelijk en legitiem doel bij zich te hebben.

Artikel 2:50a, lid 1 Messen en steekwapens

Het is verboden op een openbare plaats of in voor publieke toegankelijke gebouwen messen die niet vallen onder de Wwm (hierna te noemen gebruiksmessen) zonder duidelijk en legitiem doel bij zich te hebben.

Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:65 Bedelarij

Het is verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

Artikel 2:68, onder d Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:68, onder d Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht

een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2:74a Openlijke drugsgebruik

Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74a Openlijke drugsgebruik

Het is verboden op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

-

Artikel 2:80 Gebiedsontzegging

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste veertien dagen in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste acht weken in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  • 4.

    Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

  • 5.

    Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, onderdeel a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

Artikel 3:19 Straatprostitutie

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere vanaf de openbare plaats zichtbare plaats zich op te houden met het kennelijke doel prostitutie of het verrichten van seksuele handelingen in het kader van prostitutie.

Artikel 3:19 Straatprostitutie

Het is verboden op een openbare plaats of op, aan of in een andere vanaf de openbare plaats zichtbare plaats zich op te houden met het kennelijke doel te prostitueren of seksuele handelingen te verrichten in het kader van prostitutie.

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten

Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

Artikel 3:21 Verbodsbepalingen klanten

Het is verboden op een openbare plaats of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

Artikel 4:6a (geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting in de zin van de wet milieubeheer de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 4:6a (geluid)hinder door dieren

Degene die buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder veroorzaakt.

Artikel 5:18, lid 3 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

  • a.

    de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

  • b.

    een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang.

Artikel 5:18, lid 3 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden

Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd als:

  • a.

    de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van redelijke welstand;

  • b.

    en kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang;

  • c.

    niet is voldaan aan de voorwaarden voor het indienen van een aanvraag voor een vrijkomende standplaats;

  • d.

    de vrijkomende standplaats wordt verdeeld aan een ander dan de aanvrager.

Artikel 5:24a, lid 3 Het openbaar water als werkplaats

  • 1.

    Het is verboden het openbaar water als werkplaats te gebruiken.

  • 2.

    Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 3.

    Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer en de hierop gebaseerde voorschriften, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale Vaarwegenverordening, de Provinciale landschapsverordening, of de Havenverordening Leidschendam- Voorburg 2004.

Artikel 5:24a, lid 3 Het openbaar water als werkplaats

  • 4.

    Het is verboden het openbaar water als werkplaats te gebruiken.

  • 5.

    Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

  • 6.

    Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de provinciale omgevingsverordening of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt voorzien door de Wet Milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, of de Havenverordening Leidschendam- Voorburg 2004.

Artikel 5:30a, lid 2 Gezonken vaartuigen

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:30a, lid 2 Gezonken vaartuigen

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 5:31a, lid 5 Grote vaartuigen op de tot het recreatiegebied Vlietland behorende plassen

Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:31a, lid 5 Grote vaartuigen op de tot het recreatiegebied Vlietland behorende plassen

Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de provinciale omgevingsverordening of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Leidschendam-Voorburg.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening Leidschendam-Voorburg.

 

Daarnaast is in de toelichting van de APV het volgende gewijzigd:

 

a. Afkorting APV

 

De citeertitel van deze verordening, artikel 6:6, is aangepast naar hoofdletters conform VNG-model. Dit betekent dat de afkorting ook geheel in hoofdletters is: APV. In de toelichting wordt APV en Apv door elkaar gebruikt. De toelichting is hierop aangepast, overal wordt nu de afkorting APV gebruikt.

 

b. Toelichting op artikel 1:8

 

De toelichting is aangepast zodat het aansluit op het gewijzigde lid 2 en nieuw toegevoegde lid 3.

 

c. Het begrip ‘weg’ vervangen door ‘openbare plaats’

 

Vanwege de aanpassing van de begripsbepaling ‘openbare plaats’, is dit ook aangepast in de toelichting op de artikelen 2:10 en 2:28 APV. Een weg valt uitdrukkelijk ook onder het begrip ‘openbare plaats’ zodat het begrip ‘weg’ achterwege kan blijven.

 

d. Bewaartermijn artikel 2:68

 

Ook in de toelichting op dit artikel is de bewaartermijn aangepast van ‘drie’ naar ‘vijf’ dagen.

 

e. Toelichting op nieuw artikel 2:80 Gebiedsontzegging

 

Artikel 2:80 Gebiedsontzegging

Algemeen

In het geval van een openbare ordeverstoring of overlastgevend gedrag kan een burgemeester een gebiedsontzegging opleggen aan personen, die overlast veroorzaken in de openbare ruimte.

 

De gebiedsontzegging wordt opgelegd aan personen die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verrichten. Voor het toepassen ervan moet aan een aantal voorwaarden zijn voldaan. Er moet zijn voldaan aan het situatievereiste, dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van omstandigheden die tot ingrijpen ter handhaving van de openbare orde kunnen noodzaken. Daarnaast moet zijn voldaan aan het doelcriterium: de maatregel moet zijn gericht op het beëindigen of voorkomen van (verdere) ordeverstoringen of overlast of het beperken van de gevolgen daarvan.

 

De duur van deze concrete maatregel moet direct gekoppeld zijn aan de situatie dat er gevaar dreigt voor de openbare orde. Hierdoor kan de duur van de maatregel niet onevenredig lang zijn.

 

Bij de toepassing van de maatregel mag niet worden afgeweken van wettelijke voorschriften. Daarbij moet de maatregel voldoen aan de eisen van subsidiariteit (er is geen minder zwaar middel voorhanden) en proportionaliteit (het bevel moet in verhouding staan tot de te bestrijden problematiek of het te bereiken doel).

 

Van belang is dat voor dit besluit het bestuursrechtelijk bewijsstelsel geldt. De overtreding zal dus voldoende aannemelijk moeten zijn en behoeft niet – zoals in het strafrecht – wettig en overtuigend te worden bewezen.

 

Bij verstoringen van de openbare orde of bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, kan de burgemeester op grond van artikel 172, derde lid, van de Gemeentewet, bevelen geven die noodzakelijk zijn ter handhaving van de openbare orde. In artikel 172a van de Gemeentewet wordt aan de burgemeester de bevoegdheid gegeven om een gebiedsverbod op te leggen voor een langere periode; drie maanden met verlengingsmogelijkheid.

 

Eerste lid

De burgemeester is het bevoegde bestuursorgaan dat de gebiedsontzegging kan opleggen. In de regel zal, alvorens over te gaan tot oplegging van een dergelijke gebiedsontzegging, eerst een waarschuwing worden gegeven.

 

In het eerste lid is bepaald in welke gevallen een gebiedsontzegging kan worden ingezet. Verder is in het eerste lid is opgenomen, dat de kortdurende gebiedsontzegging ten hoogste veertien dagen duurt.

 

Tweede lid

Het tweede lid ziet op de situatie dat een openbare-ordeverstoorder opnieuw een misstap begaat met betrekking tot strafbare feiten of de openbare orde in een bepaald gebied. In dit geval is het gelegitimeerd om een gebiedsontzegging van meerdere weken op te leggen. Immers zal veelal eerst een waarschuwing hebben plaatsgevonden, vervolgens de oplegging van een kortdurende gebiedsontzegging en pas daarna een gebiedsontzegging in de zin van het tweede lid. Er is aldus een dusdanige voorgeschiedenis dat proportionaliteit en subsidiariteit niet aan een langdurig gebiedsontzegging in de weg staan.

 

Het is in het licht van proportionaliteit en subsidiariteit geboden om slechts tot oplegging van een langdurige gebiedsontzegging over te gaan, wanneer de gedraging waarop deze oplegging betrekking heeft binnen een bepaalde periode na oplegging van de eerste gebiedsontzegging plaatsvindt. Vindt de gedraging aldus na deze periode plaats, dan wordt een langdurige gebiedsontzegging niet gelegitimeerd geacht.

 

Derde lid

Dit lid geeft de burgemeester de bevoegdheid om, wanneer hij dat noodzakelijk acht in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene, het bevel te beperken. Hierbij zal rekening gehouden worden met de noodzaak zich in het aangewezen gebied te bevinden in een middel van openbaar vervoer, het aldaar werkzaam of woonachtig zijn, een (ander) aantoonbaar redelijk belang om zich aldaar op te houden, zoals religieuze vrijheid en het familieleven.

 

De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een bevel.

 

Vierde lid

Met dit verbod is het mogelijk om, in combinatie met strafbaarstelling in artikel 6.1 APV, een boete op te leggen aan degene die een gebiedsontzegging overtreedt.

 

Jurisprudentie

HR 10-12-2013, ECLI:NL:HR:2013:1742. Artikel 184 van het WvSr, “krachtens wettelijk voorschrift”. Artikelen 172 en 177 Gemeentewet, artikelen 2.8 en 2.9.1 APV Amsterdam 2008, Mandaatbesluit verwijderingsbevelen burgemeester Amsterdam d.d. 31 oktober 2008. Het hof heeft met juistheid vastgesteld dat artikel 2.9 APV niet uitdrukkelijk inhoudt dat de burgemeester gerechtigd is tot het geven van een bevel als waarvan te dezen sprake is. Ingevolge artikel 172 derde lid Gemeentewet is de burgemeester evenwel bevoegd aan personen bevelen te geven die noodzakelijk zijn voor de handhaving van de openbare orde. Een zodanig bevel is aan te merken als een wettelijk voorschrift in materiële zin. De burgemeester kan bij de uitvoering van deze bevelsbevoegdheid politieambtenaren betrekken, mits hij daarbij met voldoende nauwkeurigheid aangeeft in welke omstandigheden de politieambtenaren de door hem omschreven handelingen en beslissingen moet nemen. De burgemeester heeft door het uitvaardigen van het Mandaatbesluit verwijderingsbevelen kennelijk de hem in artikel 172, derde lid Gemeentewet toegekende bevelsbevoegdheid uitgeoefend en gelet op de inhoud van dat besluit daarbij bepaald dat zijn bevel is gegeven voor de in artikel 2.9 APV nauwkeurig omschreven gevallen. Het voorgaande brengt mee dat een in overeenstemming met het Mandaatbesluit door een politieambtenaar namens de burgemeester gegeven verwijderingsbevel kan worden aangemerkt als een krachtens wettelijk voorschrift gegeven bevel als bedoeld in artikel 184 van het WvSr. Het andersluidende oordeel van het hof is derhalve onjuist.

 

Conclusie A-G Spronken 07-07-2015, ECLI:NL:PHR:2015:2409, behorend bij HR 17-11-2015, ECLI:NL:HR:2015:3325: “Artikel 2:78 model-APV bevat een uitdrukkelijke bepalingen dat de burgemeester gerechtigd is gebiedsverboden op te leggen, zodat het niet nakomen van een dergelijk bevel voldoet aan de eisen die de Hoge Raad hieraan in het kader van artikel 184 Sr in de hiervoor aangehaalde jurisprudentie stelt. Ook de overtreding van de gebiedsverboden die door de burgemeester worden gegeven op grond van artikel 172, derde lid en 172a Gemeentewet vallen onder het bereik van artikel 184 Sr. Voor het uitoefenen van de bevoegdheden die zijn toegekend in de Gemeentewet geldt echter een mandaatverbod ingevolge artikel 177, tweede lid Gemeentewet en op dit snijvlak van bevoegdheidstoedelingen in APV’s en de Gemeentewet doen zich problemen voor.”

Naar boven