Gemeenteblad van Haarlemmermeer
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2025, 571989 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Haarlemmermeer | Gemeenteblad 2025, 571989 | beleidsregel |
Beleidsregels uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Haarlemmermeer 2025
Hieronder vindt u definities van de belangrijkste in dit beleid voorkomende termen. Voor alle (overige) definities wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet Kinderopvang en onderliggende regelgeving.
Allereerst wordt de gemeentelijke integrale visie op handhaving toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende mogelijkheden binnen het toezicht, waaronder het herstelaanbod en risico gestuurd toezicht. Daarna wordt uitgelegd hoe een aanvraag tot exploitatie afgehandeld wordt. Als laatste gaan wij in op de verschillende mogelijkheden voor handhaving bij het niet naleven van de kwaliteitseisen. Hierin wordt aangegeven welke strategie gevolgd wordt. Daarbij wordt per niet nageleefde kwaliteitseis bepaald welke handhavingsmaatregel daarop volgt, waarbij het afwegingsmodel richting geeft.
In het afwegingsmodel (bijlage 1) is vastgelegd:
2.3. Landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen
De Wet kinderopvang is sinds 2005 van toepassing. Sindsdien is het speelveld volop in beweging. Zo bestaan er sinds 2018 geen peuterspeelzalen meer. Ook is er in datzelfde jaar een personenregister kinderopvang ingevoerd om continue screening in de kinderopvang te versterken. Daarnaast is in 2018 en 2019 de wetgeving dankzij de (wijzigings-) Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang behoorlijk aangepast. Met ingang van 2022 is het voor gemeenten en GGD’en in de uitvoering van het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus mogelijk om keuzes te maken in de per inspectie te onderzoeken onderwerpen (de flexibele inspectieactiviteit). In onze regio zijn we daar eind 2022 mee gestart. Waar de toezichthouder eerder verplicht was om minimaal een vooraf landelijk bepaald aantal onderwerpen mee te nemen in het onderzoek, is er door de invoering van deze flexibele inspectieactiviteit meer ruimte voor de gemeente en de toezichthouder om variatie hierin aan te brengen.
Dit heeft ertoe geleid dat wij het beleid kinderopvang hebben herzien en vastgesteld.
3. Kader, visie, ambitie en speerpunten
Aan kinderopvang worden kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen staan in de Wet kinderopvang (Wko) en in de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen en aanverwante regelingen.
De regelgeving stelt kwaliteitseisen aan de volgende onderwerpen (in de GGD rapportages ook wel domeinen genoemd):
De Wko bepaalt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor toezicht op en handhaving van deze eisen. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. Het college heeft de directeur publieke gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder.
De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeente haar wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht, goed uitvoert.
Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en zorgt ervoor dat ouders met een gerust hart hun kind naar de kinderopvangvoorziening brengen als zij gaan werken.
Kwalitatief goede kinderopvang:
Wanneer geconstateerd wordt dat een kwaliteitseis niet nageleefd wordt grijpt het college actief in met een handhavingsmaatregel. Uitgangspunt is dat overtredingen snel beëindigd moeten worden. Feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden daarbij meegenomen in de afweging hoe er gehandhaafd wordt. Het doel van het handhavend optreden is de overtreding te laten herstellen en te bestraffen indien nodig.
De wet- en regelgeving rondom kinderopvang is continu in ontwikkeling en aan aanpassingen onderhevig. De afgelopen jaren zijn bewogen geweest en hebben helaas ook laten zien dat een waarschuwing niet langer een voldoende prikkel is om geconstateerde overtredingen te herstellen of te beëindigen en ook beëindigd te houden. Vanwege deze ontwikkeling en in navolging van andere gemeenten binnen de regio Kennemerland zullen ook wij niet langer met de waarschuwing werken. Bij een eerste overtreding kiezen wij er in beginsel dan ook voor om een schriftelijke aanwijzing te geven. Bij kinderopvangvoorzieningen met een oranje of rood risicoprofiel leggen wij direct een last onder dwangsom op.
Wij vinden kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Toezicht en handhaving worden passend ingezet. Wij streven een goede relatie met de houder na en werken vanuit vertrouwen. Eind 2022 zijn wij begonnen met flexibel inspecteren. Hierdoor kunnen wij meer (risico gestuurd) maatwerk leveren. Wij willen hiermee een hogere kwaliteit kinderopvang bewerkstelligen.
Bij de flexibele inspectieactiviteit kiest de toezichthouder per kinderopvangvoorziening een basisset regels die worden geïnspecteerd. Waar het zwaartepunt van de inspectie ligt is afhankelijk van de inspectiehistorie van de kinderopvangvoorziening en eventuele zorgen over de kinderopvangvoorziening. Een aantal items moet op grond van de Beleidsregel werkwijze toezichthouder kinderopvang altijd worden gecontroleerd:
De toezichthouder kinderopvang van de GGD komt jaarlijks op alle kindercentra en gastouderbureaus en ziet wat daar in de dagelijkse praktijk gebeurt. Daarnaast onderzoekt de toezichthouder via een steekproef van de in het LRK geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, een deel van deze voorzieningen. De toezichthouder fungeert daarmee als de ogen en oren van de gemeente. Hij onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en rapporteert zijn bevindingen.
De toezichthouder geeft geen advies aan de houder, maar kan wel toelichten wat er wordt getoetst en waarom.
De toezichthouder deelt ook actief signalen met andere toezichthoudende instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit of toezichthouders kinderopvang in andere gemeenten. Op die manier stemmen wij het toezicht en de handhaving af, missen wij geen signalen en verbeteren wij de kwaliteit van het toezicht en de handhaving.
De toezichthouder van de GGD voert de volgende onderzoeken voor ons uit:
Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) kan de toezichthouder onderzoeken of de overtreding hersteld is en hersteld blijft. Wanneer er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn is verstreken of de overtreding is hersteld en de handhavingsmaatregel is opgevolgd.
4.2. Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht
Om een goed beeld te krijgen van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats.
Daarnaast wordt het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus vanaf het tweede kalenderjaar dat zij geregistreerd zijn, risico gestuurd uitgevoerd. Dit betekent meer toezicht waar het nodig is, minder waar het kan. Om hier invulling aan te geven wordt door de toezichthouder een risicoprofiel opgesteld of aangepast na ieder (daarvoor relevant) onderzoek. De risicoprofielen geven de gradatie aan van zorgen over de locatie. Aan de hand hiervan wordt de intensiviteit van het daarna volgende jaarlijks inspectieonderzoek bepaald. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij het toezicht op de gastouders betrekt de toezichthouder ook het risicoprofiel van het gastouderbureau.
4.3. Gastouderopvang en toezicht
Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind en is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. In onze gemeente zijn veel gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten onze GGD-regio. Hierdoor heeft GGD Kennemerland minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector.
De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. De inspecties zijn indien mogelijk onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Als het college handhavend optreedt tegen een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het college van de andere gemeente. Signalen die de GGD Kennemerland ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.
Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken.
4.4. Voorschoolse educatie en toezicht
Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente. Hier valt ook de vroegschoolse educatie onder: het aanbod aan kleuters in groep 1 en 2.
Diverse kinderdagverblijven in onze gemeente bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB).
Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).
De aanvullende wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.
Wij hebben met de GGD afgesproken dat, waar passend, gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om een herstelaanbod aan te bieden. Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder vaan de houder om binnen de door de toezichthouder gestelde termijn een geconstateerde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport wordt opgesteld. De ervaring leert dat veel overtredingen waarvoor een herstelaanbod wordt aangeboden, binnen de door de toezichthouder gestelde termijn worden beëindigd.
Het herstelaanbod kan aangeboden worden bij alle typen voorzieningen, bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het wordt niet aangeboden bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek. Ook wordt in beginsel geen herstelaanbod gegeven bij recidive.
Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod. De toezichthouder beoordeelt of de aard en omstandigheid zich lenen voor herstelaanbod. De periode tot herstel is maximaal 4 weken. De toezichthouder schrijft in het inspectierapport het verloop van het aanbod. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken. Ons doel is dat de overtreding beëindigd wordt. Dit betekent dat als de houder gebruik maakt van het herstelaanbod en de overtreding daarmee beëindigd is, wij niet handhaven op die overtreding.
Als de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan leiden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit is een door de wetgever aan de toezichthouder geattribueerde bevoegdheid. Dit bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn en welke actie de houder moet ondernemen en binnen welke termijn dit dient te gebeuren.
De toezichthouder informeert ons over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor zijn wij tijdig op de hoogte om eventueel vervolgstappen (zoals verlenging van het schriftelijk bevel) te nemen.
In de volgende gevallen spreken wij wettelijk gezien van een aanvraag tot exploitatie:
In tegenstelling tot een aanvraag voor een nieuwe voorziening en een verhuizing, dient voor een houderwijziging een wijzigingsverzoek ingediend te worden.
Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas in exploitatie genomen worden nadat schriftelijke toestemming daartoe is verleend door het college, op een in dat besluit vastgestelde specifieke datum. Als er toestemming is gegeven wordt de voorziening vervolgens in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerd. Om deze toestemming te verkrijgen dient de houder een aanvraag tot exploitatie in bij de gemeente waar de beoogd te exploiteren kinderopvangvoorziening zich bevindt. De beslistermijn is 10 weken. Deze termijn kan in bepaalde situaties nog verlengd worden. Het is dus van belang dat de houder een aanvraag tijdig, ruim voor de gewenste startdatum indient. Een aanvraag wordt ingediend via een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier, te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening, worden leges in rekening gebracht.
5.1.1. Niet gemelde kinderopvang
Het zonder toestemming van het college exploiteren van een kinderopvangvoorziening is een strafbaar feit op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de economische delicten. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid als illegale kinderopvang. Wij treden streng op tegen niet gemelde kinderopvang en doen aangifte bij het Openbaar Ministerie of leggen een bestuurlijke boete op.
Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van niet gemelde opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.
Wij willen dat direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang geboden wordt. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders, aan de kwaliteitseisen voldoen. Wij laten daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.
De toezichthouder zal bij het onderzoek voor registratie toetsen of er voldoende aannemelijk is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding geboden wordt. Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen beoordeeld worden. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven of hij ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen’ zal gaan voldoen. Op basis van dit totaalonderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie.
Wij nemen in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.
Het college kijkt naast de toetsing van de eisen uit de Wet kinderopvang, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Wij vinden het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren, ook aan de andere benodigde eisen zoals bijvoorbeeld het brandveilig gebruik en eventuele omgevingsvergunningen is voldaan.
Op basis van het onderzoek voor registratie nemen wij een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie op grond van de Wet kinderopvang mag starten.
5.1.4. Onderzoek na registratie
Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.
5.1.5. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie
Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.
Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen, is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Een houderwijziging wordt ingediend 1via een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier. Deze formulieren zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl.
Wij hanteren de volgende uitgangspunten bij een overname:
5.3.1. Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang
Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag. Dit betekent onder meer dat de toezichthouder een onderzoek op locatie uitvoert.
Bij de gemeente wordt ingediend:
5.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau
Wanneer een gastouderbureau verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een gastouderbureau geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres wijzigt. Het gastouderbureau dient bij de gemeente een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres in te dienen.
Als de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.
Naast nieuwe aanvragen tot exploitatie kan een houder ook een wijzigingsverzoek doen voor bijvoorbeeld het aanpassen van het aantal kindplaatsen of registratie als Voorschoolse Educatie locatie. De GGD voert dan een incidenteel onderzoek uit om te kijken of de wijziging kan worden doorgevoerd in het LRK.
Het college is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving en kan een handhavingsbesluit nemen, als is geconstateerd dat de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Dit zal doorgaans blijken uit de inspectierapporten van de GGD. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door de gemeente zelf worden geconstateerd. In beide gevallen zal de gemeente in principe handhaven.
Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties.
De Wko verplicht gemeenten om na het onherroepelijk worden van een handhavingsbesluit, deze te publiceren in het LRK. Een handhavingsbesluit is pas onherroepelijk wanneer de procedures met betrekking tot bezwaar en beroep ten aanzien van dat besluit zijn afgerond. Hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden, wordt bij ieder besluit bekend gemaakt aan de ontvanger.
De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaven. De wet- en regelgeving is hiervoor de basis en in dit gemeentelijk beleid wordt hier invulling aan gegeven. Goed handhaven betekent echter ook dat het college oog heeft voor de specifieke situatie van het geval. Individuele omstandigheden – verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet opleggen van een maatregel nadat geconstateerd is dat een kwaliteitseis niet is nageleefd. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhaven is maatwerk.
Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:
6.1.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven
Wij hebben de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven:
Een herstellende en bestraffende sanctie kunnen naast elkaar worden ingezet omdat het doel van de sanctie verschillend is. In paragraaf 3.2 van dit beleid is al aangegeven dat ons primaire doel is dat de overtreding wordt opgeheven en dat wij daarom in beginsel een herstelmaatregel opleggen. Een bestraffende sanctie wordt slechts dan ingezet als de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven.
Een herstellend handhavingstraject start met een aanwijzing met een hersteltermijn. Met de aanwijzing zetten wij in op structurele verbetering.
Na afloop van de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaatst. Als uit de inspectie blijkt dat de overtreding niet is opgeheven en dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd, wordt een last onder dwangsom opgelegd. Als er een last onder dwangsom wordt opgelegd zal - na afloop van de begunstigingstermijn door de GGD wederom een inspectie worden gedaan om te kijken of de overtreding is opgeheven. Als dat niet het geval is, vorderen wij de van rechtswege verbeurde dwangsom in.
Als bij een volgend onderzoek weer wordt geconstateerd dat de overtreding niet is opgeheven, wordt een verhoogde last onder dwangsom of een exploitatieverbod opgelegd. Een exploitatieverbod houdt in dat de kinderopvangvoorziening niet in exploitatie mag zijn, zolang de overtreding voortduurt. Ook bij direct gevaar voor de kinderen kunnen wij een exploitatieverbod opleggen.
Als ook het exploitatieverbod onvoldoende effect heeft gehad en de overtreding weer wordt begaan, schrijven wij de kinderopvangvoorziening uit het LRK.
Naast de handhavingsmogelijkheden van het college heeft de toezichthouder van de GGD de mogelijkheid om een bevel uit te vaardigen. De toezichthouder kan de houder een schriftelijk bevel geven als de kwaliteit van de kinderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen geen uitstel kan leiden.
Naast een herstellend traject kan er zoals in paragraaf 6.1.1 beschreven, ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het niet naleven van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan de boete worden opgelegd voor het niet opvolgen van een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, niet gemelde opvang of het niet tijd doorgeven van een wijziging.
Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of, en zo ja, welke actie nodig is. Deze beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.
Voor de herstellende handhaving zijn dit onder andere de volgende afwegingen:
Wij maken daarbij gebruik van de Denklijn verzachtende en verzwarende omstandigheden van GGD GHOR en VNG.
De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder ook de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.
Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.
Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete, dan legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.
Als binnen een tijdsbestek van drie jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met een exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.
Bij het opleggen van een last onder dwangsom geven wij de houder een termijn waarbinnen de overtreding beëindigd moet zijn, de begunstigingstermijn. Deze termijn mag niet wezenlijk langer of korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De lengte van de termijn zal per overtreding verschillen maar wij hechten veel waarde aan een snel en structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet. Als uitgangspunt hanteren wij de volgende termijnen:
Wij kunnen de volgende handhavingsmiddelen inzetten:
Niet ieder middel is in ieder situatie geschikt; wij kiezen altijd het meest passende middel. Veel van deze handhavingsmiddelen vloeien rechtstreeks uit de Awb voort en behoeven geen toelichting. Hieronder volgt per handhavingsmiddel een toelichting. Voor zover het handhavingsmiddel rechtstreeks uit de Awb voortvloeit geven wij slechts de bijzonderheden die spelen bij het inzetten van dit middel in de context van de kinderopvang.
De aanwijzing zal doorgaans ingezet worden als eerste middel in het handhavingstraject. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan de voorschriften moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.
In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Ook zal in de aanwijzing een hersteltermijn worden opgenomen. Een aanwijzing kan daarnaast ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor een specifieke situatie.
Na afloop van de hersteltermijn kunnen wij de GGD opdracht geven om een nader onderzoek uit te voeren. Tijdens het nader onderzoek zal worden beoordeeld of er aan de opgelegde maatregel is voldaan en daarmee de overtreding is beëindigd.
De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.
De last onder dwangsom wordt doorgaans ingezet na het niet voldoen van de maatregel(en) in een aanwijzing of bij recidive. Door middel van een last onder dwangsom krijgt de houder (wederom) de plicht opgelegd om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Voor het beëindigen van de overtreding wordt in de last onder dwangsom een begunstigingstermijn opgenomen. De dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om de overtreding daadwerkelijk te beëindigen en beëindigd te houden. Wij hanteren voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boetebedrag. Als de overtreding niet wordt genoemd in het afwegingsmodel, wordt aangesloten bij de overtreding die er het dichtst bij in de buurt komt.
Na afloop van de begunstigingstermijn voert de GGD een nader onderzoek uit. Als wordt vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, verbeurt de dwangsom en moet de houder de dwangsom betalen. Daarnaast kan ervoor worden gekozen om een tweede last onder dwangsom op te leggen. Bij een tweede last onder dwangsom wordt het dwangsombedrag verhoogd ten opzichte van de eerste last onder dwangsom.
Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.
6.3.3. De last onder bestuursdwang
Bij een last onder bestuursdwang zullen wij de overtreding zelf (laten) beëindigen als de houder dit na afloop van de begunstigingstermijn niet heeft gedaan. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor de houder. Slechts een beperkt aantal voorschriften uit de Wko leent zich voor het toepassen van bestuursdwang. Dit passen wij toe wanneer de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening niet aan de eisen voldoet, er direct en acuut gevaar dreigt voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen en de overtreding zich leent om door een derde partij te worden opgeheven.
De bevoegdheid om een exploitatieverbod op te leggen vloeit voort uit artikel 1.66 Wko. Bij een exploitatieverbod verbieden wij de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.
Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Wij kunnen de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeren wij de houder of het verbod nog blijft gelden.
Als bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie.
Een exploitatieverbod kan geïndiceerd zijn als:
Bij gastouderopvang gaan wij sneller over tot een exploitatieverbod, omdat de kwaliteit van de opvang onlosmakelijk verbonden is aan de gastouder. Bij herhaling van overtredingen daalt het vertrouwen dat de gastouder de kwaliteit van de opvang verbetert en behoudt.
6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving
Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:
Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een waarschuwing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.
Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot niet gemelde opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.
De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).
Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een waarschuwing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.
Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.
Een boete kan worden opgelegd bij:
Hoogte van een boete en grootte van de organisatie
De Wet kinderopvang geeft ons de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal € 45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het Afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld. Als een overtreding niet genoemd staat in het afwegingsmodel wordt aangesloten bij de categorie die er het dichtst bij in de buurt komt. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Wij hanteren daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:
Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving.
Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.
Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.
Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.
Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.
Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval en de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.
6.4. Handhaving na herstelaanbod
Wanneer sprake is van herstelaanbod, kan dit van invloed zijn op de handhaving die de gemeente inzet op de overtredingen die primair door de toezichthouder geconstateerd zijn.
6.4.3. Herstelaanbod wordt niet aangenomen door de houder
Wij zien dit niet als verzwarende omstandigheid. Het reguliere handhavingstraject zoals genoemd onder paragraaf 6.1.2 wordt ingezet.
Bijlage 1 Afwegingsmodel handhaving kwaliteit kinderopvang
Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. De genoemde bedragen zijn een richtlijn. De boetes moeten proportioneel zijn en worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de omstandigheden van de overtreder.
De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.
Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.
Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.
Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.
Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.
Bij enkele ernstige overtredingen legt het college altijd een boete op. Voor andere overtredingen kan het college een boete opleggen via het niet opvolgen van een aanwijzing.
De hier opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.
Voor de bedragen sluit het college, voor zover mogelijk, aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.
In de tabel is het maximale sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive zal dit bedrag met 50% worden verhoogd.
Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd.
Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld.
Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld.
Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is.
Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang |
de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling |
|
Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs |
|
Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
|
Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang |
de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling |
Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben Lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.
Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.
Het maximale dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.
Dwangsommen Ouderparticipatieopvang
Het maximale dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.
Voor enkele overtredingen kan het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een boete opleggen. Deze overtredingen staan in de eerste tabel: Directe boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximale boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximale boetebedrag.
Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.
Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.
Hiervoor kan, bij recidive, een boete worden opgelegd
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-571989.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.