Beleidsregels uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang Haarlemmermeer 2025

College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer:

 

gelet op;

  • -

    artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht;

  • -

    artikel 1.61 lid 1, 1.65 lid 1 en 4, 1.66 en 1.72 lid 1 Wet kinderopvang

Besluiten de volgende beleidsregels vast te stellen:

 

1. Toepassing en definities

1.1 Toepassing

Dit beleid is van toepassing op de gemeentelijke inzet om:

  • -

    toezicht te houden op de kwaliteit van de kinderopvang;

  • -

    aanvragen tot exploitatie en wijzigingsverzoeken voor kinderopvang af te handelen;

  • -

    te handhaven naar aanleiding van het niet naleven van voorschriften van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gestelde regelgeving.

1.2 Definities

Hieronder vindt u definities van de belangrijkste in dit beleid voorkomende termen. Voor alle (overige) definities wordt aangesloten bij de definities zoals deze zijn gegeven in de Wet Kinderopvang en onderliggende regelgeving.

 

Afwegingsmodel

Het Afwegingsmodel handhaving kwaliteit kinderopvang, opgenomen als bijlage 1 bij dit beleid.

Awb

Algemene wet bestuursrecht

College

Het college van burgemeester en wethouders

Gemeente

Gemeente Haarlemmermeer

GGD

GGD Kennemerland

Kinderopvangvoorziening

Buitenschoolse opvang op een specifiek adres, dagopvang op een specifiek adres, een gastouderbureau of een voorziening voor gastouderopvang

Kwaliteitseisen

De kwaliteitseisen welke door de houder nageleefd moeten worden, zoals genoemd in de Wet kinderopvang en alle onderliggende regelgeving

LRK

Landelijk Register Kinderopvang

Recidive

Dezelfde of soortgelijke overtreding van een kwaliteitseis begaan door dezelfde kinderopvangvoorziening binnen drie jaar

Toezichthouder

De aangewezen toezichthouder van de GGD. De toezichthouder kinderopvang onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en legt de bevindingen vast in een inspectierapport.

Wko

Wet kinderopvang

2. Inleiding

2.1. Waarom beleid?

In deze beleidsregels is vastgelegd hoe wij de gemeentelijke taken die voortvloeien uit de Wet kinderopvang uitvoeren.

 

Het vastleggen van dit beleid draagt bij aan:

 

  • -

    een transparante werkwijze, omdat houders, ouders, toezichthouders en andere belanghebbenden vooraf geïnformeerd zijn over de mogelijkheden en bevoegdheden van het college;

  • -

    rechtsgelijkheid, door het vastleggen van beleid wat voor alle houders van toepassing is;

  • -

    het stimuleren van kwalitatief goede kinderopvang.

2.2. Wat komt aan de orde?

Allereerst wordt de gemeentelijke integrale visie op handhaving toegelicht. Vervolgens wordt ingegaan op de verschillende mogelijkheden binnen het toezicht, waaronder het herstelaanbod en risico gestuurd toezicht. Daarna wordt uitgelegd hoe een aanvraag tot exploitatie afgehandeld wordt. Als laatste gaan wij in op de verschillende mogelijkheden voor handhaving bij het niet naleven van de kwaliteitseisen. Hierin wordt aangegeven welke strategie gevolgd wordt. Daarbij wordt per niet nageleefde kwaliteitseis bepaald welke handhavingsmaatregel daarop volgt, waarbij het afwegingsmodel richting geeft.

In het afwegingsmodel (bijlage 1) is vastgelegd:

 

  • -

    of er een boete kan worden opgelegd en de hoogte daarvan;

  • -

    de hoogte van een last onder dwangsom;

  • -

    de maximale hersteltermijn.

2.3. Landelijke en gemeentelijke ontwikkelingen

De Wet kinderopvang is sinds 2005 van toepassing. Sindsdien is het speelveld volop in beweging. Zo bestaan er sinds 2018 geen peuterspeelzalen meer. Ook is er in datzelfde jaar een personenregister kinderopvang ingevoerd om continue screening in de kinderopvang te versterken. Daarnaast is in 2018 en 2019 de wetgeving dankzij de (wijzigings-) Wet innovatie en kwaliteit kinderopvang behoorlijk aangepast. Met ingang van 2022 is het voor gemeenten en GGD’en in de uitvoering van het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus mogelijk om keuzes te maken in de per inspectie te onderzoeken onderwerpen (de flexibele inspectieactiviteit). In onze regio zijn we daar eind 2022 mee gestart. Waar de toezichthouder eerder verplicht was om minimaal een vooraf landelijk bepaald aantal onderwerpen mee te nemen in het onderzoek, is er door de invoering van deze flexibele inspectieactiviteit meer ruimte voor de gemeente en de toezichthouder om variatie hierin aan te brengen.

 

Dit heeft ertoe geleid dat wij het beleid kinderopvang hebben herzien en vastgesteld.

3. Kader, visie, ambitie en speerpunten

3.1. Kader

Aan kinderopvang worden kwaliteitseisen gesteld. Deze kwaliteitseisen staan in de Wet kinderopvang (Wko) en in de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen en aanverwante regelingen.

 

 

De regelgeving stelt kwaliteitseisen aan de volgende onderwerpen (in de GGD rapportages ook wel domeinen genoemd):

  • -

    registratie, wijzigingen en administratie;

  • -

    het pedagogisch klimaat;

  • -

    personeel en groepen;

  • -

    veiligheid en gezondheid;

  • -

    accommodatie;

  • -

    ouderrecht.

De Wko bepaalt dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor toezicht op en handhaving van deze eisen. De GGD is bij wet de aangewezen toezichthouder voor kinderopvang. Het college heeft de directeur publieke gezondheid van de GGD aangewezen als toezichthouder.

 

De Inspectie van het Onderwijs is de tweedelijns toezichthouder en controleert jaarlijks of de gemeente haar wettelijke taken met betrekking tot de registervoering en de uitvoering van het toezicht, goed uitvoert.

 

3.2. Visie op handhaving

Kinderopvang heeft een belangrijke plaats in onze samenleving. Kwalitatief goede kinderopvang draagt bij aan een goede start voor kinderen in de maatschappij en zorgt ervoor dat ouders met een gerust hart hun kind naar de kinderopvangvoorziening brengen als zij gaan werken.

 

Kwalitatief goede kinderopvang:

  • voldoet structureel aan de gestelde kwaliteitseisen;

  • vindt plaats in een veilige en gezonde omgeving;

  • wordt geboden door vaste en vertrouwde personen in vaste groepen;

  • draagt bij aan de persoonlijke en sociale ontwikkeling van kinderen;

  • geeft belangrijke normen en waarden mee aan kinderen.

Wanneer geconstateerd wordt dat een kwaliteitseis niet nageleefd wordt grijpt het college actief in met een handhavingsmaatregel. Uitgangspunt is dat overtredingen snel beëindigd moeten worden. Feiten en omstandigheden waaronder de overtreding is begaan worden daarbij meegenomen in de afweging hoe er gehandhaafd wordt. Het doel van het handhavend optreden is de overtreding te laten herstellen en te bestraffen indien nodig.

 

De wet- en regelgeving rondom kinderopvang is continu in ontwikkeling en aan aanpassingen onderhevig. De afgelopen jaren zijn bewogen geweest en hebben helaas ook laten zien dat een waarschuwing niet langer een voldoende prikkel is om geconstateerde overtredingen te herstellen of te beëindigen en ook beëindigd te houden. Vanwege deze ontwikkeling en in navolging van andere gemeenten binnen de regio Kennemerland zullen ook wij niet langer met de waarschuwing werken. Bij een eerste overtreding kiezen wij er in beginsel dan ook voor om een schriftelijke aanwijzing te geven. Bij kinderopvangvoorzieningen met een oranje of rood risicoprofiel leggen wij direct een last onder dwangsom op.

 

3.3. Ambitie

Wij vinden kwalitatief goede kinderopvang zeer belangrijk. Toezicht en handhaving worden passend ingezet. Wij streven een goede relatie met de houder na en werken vanuit vertrouwen. Eind 2022 zijn wij begonnen met flexibel inspecteren. Hierdoor kunnen wij meer (risico gestuurd) maatwerk leveren. Wij willen hiermee een hogere kwaliteit kinderopvang bewerkstelligen.

 

Bij de flexibele inspectieactiviteit kiest de toezichthouder per kinderopvangvoorziening een basisset regels die worden geïnspecteerd. Waar het zwaartepunt van de inspectie ligt is afhankelijk van de inspectiehistorie van de kinderopvangvoorziening en eventuele zorgen over de kinderopvangvoorziening. Een aantal items moet op grond van de Beleidsregel werkwijze toezichthouder kinderopvang altijd worden gecontroleerd:

 

  • -

    De pedagogische kwaliteit. Dit kan een observatie van de pedagogische praktijk zijn, maar ook de uitvoering van specifieke onderdelen uit het pedagogisch beleid van de organisatie betreffen;

  • -

    Inschrijving en koppeling verklaring over het gedrag in het Personenregister kinderopvang;

  • -

    De VE-voorwaarden bij kinderopvangvoorzieningen die met voorschoolse educatie (VE) geregistreerd zijn in het LRK.

4. Toezicht

De toezichthouder kinderopvang van de GGD komt jaarlijks op alle kindercentra en gastouderbureaus en ziet wat daar in de dagelijkse praktijk gebeurt. Daarnaast onderzoekt de toezichthouder via een steekproef van de in het LRK geregistreerde voorzieningen voor gastouderopvang, een deel van deze voorzieningen. De toezichthouder fungeert daarmee als de ogen en oren van de gemeente. Hij onderzoekt de naleving van de kwaliteitseisen en rapporteert zijn bevindingen.

De toezichthouder geeft geen advies aan de houder, maar kan wel toelichten wat er wordt getoetst en waarom.

 

De toezichthouder deelt ook actief signalen met andere toezichthoudende instanties zoals de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit of toezichthouders kinderopvang in andere gemeenten. Op die manier stemmen wij het toezicht en de handhaving af, missen wij geen signalen en verbeteren wij de kwaliteit van het toezicht en de handhaving.

 

4.1. Onderzoeken

De toezichthouder van de GGD voert de volgende onderzoeken voor ons uit:

 

  • -

    Onderzoek voor registratie: naar aanleiding van een ingediende aanvraag tot exploitatie onderzoekt de toezichthouder of de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden volgens de voorschriften van de Wko en onderliggende regelgeving.

  • -

    Onderzoek na registratie: binnen 3 maanden na registratie in het LRK vindt een onderzoek plaats (dit onderzoek vindt niet plaats bij voorzieningen voor gastouderopvang).

  • -

    Jaarlijks onderzoek: alle kindercentra en gastouderbureaus worden jaarlijks onderzocht. Wanneer voor het kindercentrum of gastouderbureau een risicoprofiel is opgesteld, wordt het jaarlijks onderzoek volgens de flexibele inspectieactiviteit ingericht.

  • -

    Onderzoek voorziening voor gastouderopvang: jaarlijks op basis van een steekproef. Wij laten jaarlijks minimaal 50% van de voorzieningen voor gastouderopvang onderzoeken.

  • -

    Nader onderzoek: naar aanleiding van eerder geconstateerde overtreding(en) kan de toezichthouder onderzoeken of de overtreding hersteld is en hersteld blijft. Wanneer er een handhavingsmaatregel is ingezet, onderzoekt de toezichthouder nadat de hersteltermijn is verstreken of de overtreding is hersteld en de handhavingsmaatregel is opgevolgd.

  • -

    Incidenteel onderzoek: een onderzoek naar aanleiding van onder meer een incident, een signaal of een wijzigingsverzoek ingediend door een houder.

  • -

    De bevindingen tijdens een onderzoek en het oordeel van de toezichthouder worden in een inspectierapport vastgelegd. Deze inspectierapporten geven een beeld van de kwaliteit van de voorziening. De rapporten worden openbaar gemaakt in het LRK.

4.2. Risicogestuurd en onaangekondigd toezicht

Om een goed beeld te krijgen van een kindercentrum, gastouderbureau of voorziening voor gastouderopvang, vinden de onderzoeken (met uitzondering van het onderzoek voor registratie) in principe onaangekondigd plaats.

 

Daarnaast wordt het toezicht op kindercentra en gastouderbureaus vanaf het tweede kalenderjaar dat zij geregistreerd zijn, risico gestuurd uitgevoerd. Dit betekent meer toezicht waar het nodig is, minder waar het kan. Om hier invulling aan te geven wordt door de toezichthouder een risicoprofiel opgesteld of aangepast na ieder (daarvoor relevant) onderzoek. De risicoprofielen geven de gradatie aan van zorgen over de locatie. Aan de hand hiervan wordt de intensiviteit van het daarna volgende jaarlijks inspectieonderzoek bepaald. Overtredingen bij een of meerdere kindercentra van een houder kunnen ook leiden tot verscherpt toezicht bij andere kindercentra van dezelfde houder. Bij het toezicht op de gastouders betrekt de toezichthouder ook het risicoprofiel van het gastouderbureau.

 

4.3. Gastouderopvang en toezicht

Gastouderopvang vindt plaats in de woning van de gastouder of van het kind en is kleinschalig en persoonlijk. Ook de gastouderopvang moet een veilige en gezonde omgeving zijn voor kinderen. De wettelijke kwaliteits- en toezichteisen wijken op enkele punten af van die voor kindercentra. In onze gemeente zijn veel gastouders actief die worden bemiddeld door een gastouderbureau buiten onze GGD-regio. Hierdoor heeft GGD Kennemerland minder zicht op de kwaliteit van deze gastouderbureaus. Dit alles maakt de gastouderopvang een kwetsbare sector.

 

De toezichthouder kan binnen het inspectieonderzoek bij een gastouderbureau contact opnemen met de aangesloten gastouders, ook als hun voorziening voor gastouderopvang is gevestigd buiten onze gemeente. De inspecties zijn indien mogelijk onaangekondigd. Wanneer de toezichthouder tijdens een inspectieonderzoek bij een gastouder een overtreding van het gastouderbureau vaststelt dan legt de toezichthouder deze overtreding ook vast in een inspectierapport. Daarnaast kan de toezichthouder zorgen over een gastouderbureau en signalen uit inspectieonderzoeken delen met de toezichthouder die toezicht houdt op het gastouderbureau. Als het college handhavend optreedt tegen een gastouderbureau in een andere gemeente, informeert zij het college van de andere gemeente. Signalen die de GGD Kennemerland ontvangt van andere toezichthouders over gastouderbureaus worden altijd onderzocht.

 

Gastouderbureaus dragen direct bij aan de kwaliteit van de gastouderopvang door goede begeleiding en bemiddeling. Zij zijn verplicht hun gastouders meerdere keren per jaar te bezoeken.

 

4.4. Voorschoolse educatie en toezicht

Het college is verantwoordelijk voor voldoende aanbod en een goede spreiding van de voorschoolse educatie. Zij doet dit via subsidie aan kinderopvangorganisaties voor het realiseren van dit aanbod in de gemeente. Hier valt ook de vroegschoolse educatie onder: het aanbod aan kleuters in groep 1 en 2.

 

Diverse kinderdagverblijven in onze gemeente bieden voorschoolse educatie aan. Welke kinderdagverblijven dat zijn is vermeld in het LRK. Deze kinderdagverblijven hebben een educatief aanbod om peuters te stimuleren in hun ontwikkeling, met een focus op de taalontwikkeling, en voor te bereiden op de basisschool. De voorschoolse educatie is onderdeel van het Onderwijsachterstandenbeleid (OAB).

 

Voor voorschoolse educatie gelden aanvullende wettelijke kwaliteitseisen, waar de toezichthouder toezicht op houdt. De toezichthouder heeft hierbij een signaalfunctie richting de Inspectie van het Onderwijs die toezicht houdt op de gehele voor- en vroegschoolse educatie (vve).

 

De aanvullende wettelijke kwaliteitseisen maken standaard onderdeel uit van het jaarlijks onderzoek. Dit zijn bijvoorbeeld eisen aan het minimaal aantal uur aanbod, de opleidingseisen van de beroepskrachten en het vastleggen van de werkwijze in het pedagogisch beleidsplan en de uitvoering van het beleid.

 

4.5. Herstelaanbod

Wij hebben met de GGD afgesproken dat, waar passend, gebruik kan worden gemaakt van de mogelijkheid om een herstelaanbod aan te bieden. Een herstelaanbod is het aanbod van de toezichthouder vaan de houder om binnen de door de toezichthouder gestelde termijn een geconstateerde overtreding te herstellen. Dit gebeurt vóórdat het conceptrapport wordt opgesteld. De ervaring leert dat veel overtredingen waarvoor een herstelaanbod wordt aangeboden, binnen de door de toezichthouder gestelde termijn worden beëindigd.

 

Het herstelaanbod kan aangeboden worden bij alle typen voorzieningen, bij een onderzoek na registratie, een jaarlijks onderzoek en een incidenteel onderzoek. Het wordt niet aangeboden bij een onderzoek voor registratie of bij een nader onderzoek. Ook wordt in beginsel geen herstelaanbod gegeven bij recidive.

Elke overtreding kan in aanmerking komen voor herstelaanbod. De toezichthouder beoordeelt of de aard en omstandigheid zich lenen voor herstelaanbod. De periode tot herstel is maximaal 4 weken. De toezichthouder schrijft in het inspectierapport het verloop van het aanbod. De houder is niet verplicht om van het aanbod gebruik te maken. Ons doel is dat de overtreding beëindigd wordt. Dit betekent dat als de houder gebruik maakt van het herstelaanbod en de overtreding daarmee beëindigd is, wij niet handhaven op die overtreding.

 

4.6. Schriftelijk bevel

Als de toezichthouder tijdens een onderzoek een situatie tegenkomt waarin het nemen van maatregelen redelijkerwijs geen uitstel kan leiden, kan de toezichthouder zelf ingrijpen. Dit gebeurt met een schriftelijk bevel. Dit is een door de wetgever aan de toezichthouder geattribueerde bevoegdheid. Dit bevel heeft een geldigheidsduur van 7 dagen. In het bevel geeft de toezichthouder aan wat de overtreding(en) is/zijn en welke actie de houder moet ondernemen en binnen welke termijn dit dient te gebeuren.

De toezichthouder informeert ons over het opgelegde schriftelijk bevel. Hierdoor zijn wij tijdig op de hoogte om eventueel vervolgstappen (zoals verlenging van het schriftelijk bevel) te nemen.

5. Aanvraag tot exploitatie

In de volgende gevallen spreken wij wettelijk gezien van een aanvraag tot exploitatie:

  • -

    Nieuwe voorziening

  • -

    Houderwijziging

  • -

    Verhuizing

In tegenstelling tot een aanvraag voor een nieuwe voorziening en een verhuizing, dient voor een houderwijziging een wijzigingsverzoek ingediend te worden.

 

5.1. Nieuwe voorziening

Een nieuwe kinderopvangvoorziening mag pas in exploitatie genomen worden nadat schriftelijke toestemming daartoe is verleend door het college, op een in dat besluit vastgestelde specifieke datum. Als er toestemming is gegeven wordt de voorziening vervolgens in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) geregistreerd. Om deze toestemming te verkrijgen dient de houder een aanvraag tot exploitatie in bij de gemeente waar de beoogd te exploiteren kinderopvangvoorziening zich bevindt. De beslistermijn is 10 weken. Deze termijn kan in bepaalde situaties nog verlengd worden. Het is dus van belang dat de houder een aanvraag tijdig, ruim voor de gewenste startdatum indient. Een aanvraag wordt ingediend via een door de rijksoverheid vastgesteld aanvraagformulier, te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl. Bij het indienen van een aanvraag voor een nieuwe kinderopvangvoorziening, worden leges in rekening gebracht.

5.1.1. Niet gemelde kinderopvang

Het zonder toestemming van het college exploiteren van een kinderopvangvoorziening is een strafbaar feit op grond van artikel 1, tweede lid, van de Wet op de economische delicten. Indien dit toch gebeurt, wordt dit ook wel aangeduid als illegale kinderopvang. Wij treden streng op tegen niet gemelde kinderopvang en doen aangifte bij het Openbaar Ministerie of leggen een bestuurlijke boete op.

 

Ook bij een kinderopvangvoorziening waarvan de toestemming tot exploitatie is ingetrokken en die desondanks in exploitatie blijft, is sprake van niet gemelde opvang met dezelfde gevolgen als hiervoor beschreven.

5.1.2. Streng aan de poort

Wij willen dat direct vanaf de start van de exploitatie van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verantwoorde en kwalitatief goede opvang geboden wordt. Voor een gastouderbureau geldt dat deze direct vanaf de start de werkzaamheden zo moet kunnen uitvoeren dat zowel het gastouderbureau als de door het gastouderbureau te begeleiden gastouders, aan de kwaliteitseisen voldoen. Wij laten daarom alle nieuwe aanvragen tot exploitatie uitgebreid toetsen door de GGD.

 

De toezichthouder zal bij het onderzoek voor registratie toetsen of er voldoende aannemelijk is dat er vanaf datum van exploitatie kwalitatief goede opvang of begeleiding geboden wordt. Uitgangspunt hierbij is dat al bij de aanvraag tot exploitatie (voor zover mogelijk) alle eisen beoordeeld worden. Aanvullend kan een gesprek met de houder duidelijkheid geven of hij ‘redelijkerwijs aan de kwaliteitseisen’ zal gaan voldoen. Op basis van dit totaalonderzoek vormt de toezichthouder een oordeel over de aanvraag tot exploitatie.

 

Wij nemen in de beoordeling van de aanvraag de kwaliteit van andere kinderopvangvoorzieningen van de houder en de daarbij behorende handhavingshistorie mee. Voortdurende, ernstige en/of vele overtredingen op deze voorzieningen vormen een indicatie voor de naleving van de kwaliteitseisen op een nieuwe voorziening. Signalen buiten het advies van de toezichthouder kunnen eveneens meewegen in de beoordeling van de aanvraag.

 

Het college kijkt naast de toetsing van de eisen uit de Wet kinderopvang, bij een nieuwe aanvraag ook naar andere vergunningen die van belang zijn voor de veiligheid en gezondheid van de op te vangen kinderen. Wij vinden het van groot belang dat wanneer een kinderopvangvoorziening start met exploiteren, ook aan de andere benodigde eisen zoals bijvoorbeeld het brandveilig gebruik en eventuele omgevingsvergunningen is voldaan.

5.1.3. Startdatum exploitatie

Op basis van het onderzoek voor registratie nemen wij een beslissing op de aanvraag. In de beslissing op de aanvraag wordt aangegeven vanaf welke datum de exploitatie op grond van de Wet kinderopvang mag starten.

5.1.4. Onderzoek na registratie

Binnen drie maanden na de registratiedatum beoordeelt de toezichthouder of de kinderopvangvoorziening (niet zijnde een voorziening voor gastouderopvang) in de praktijk aan de kwaliteitseisen voldoet. Hierbij wordt met name gekeken naar de uitvoeringspraktijk van het veiligheids-, gezondheids- en pedagogisch beleid, de inzet van het personeel en de wijze waarop de kinderen worden opgevangen.

5.1.5. Mogelijkheden na afwijzing aanvraag tot exploitatie

Wanneer een aanvraag tot exploitatie is afgewezen, kan de houder een nieuwe aanvraag indienen. Om een nieuwe aanvraag te kunnen indienen, moet er sprake zijn van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze moeten door de houder bij de nieuwe aanvraag worden vermeld. Alleen als dat het geval is, wordt een nieuwe aanvraag in behandeling genomen.

 

5.2. Houderwijziging

Een kindercentrum of gastouderbureau dat wordt overgenomen, is veelal al in exploitatie en er worden kinderen opgevangen/bemiddeld. Het is voor de continuïteit daarom van groot belang dat de oude en nieuwe eigenaar samen een overname goed regelen. Een houderwijziging wordt ingediend 1via een door de rijksoverheid vastgesteld wijzigingsformulier. Deze formulieren zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl en www.landelijkregisterkinderopvang.nl.

 

Wij hanteren de volgende uitgangspunten bij een overname:

  • -

    Een overname moet worden behandeld als een nieuwe aanvraag. Dat betekent dat ook bij een overname streng wordt getoetst. Naleving van de kwaliteitseisen bij andere kinderopvangvoorzieningen en de handhavingshistorie van de nieuwe houder wordt meegewogen.

  • -

    Bij een overname worden leges in rekening gebracht, omdat de overname wordt behandeld als een nieuwe aanvraag, met bijbehorend onderzoek.

  • -

    De nieuwe houder heeft redelijkerwijs tijd nodig om eventuele bestaande tekortkomingen op te heffen. Daar wordt rekening mee gehouden.

5.3. Verhuizing

5.3.1. Verhuizing van een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang

Wanneer een kindercentrum of voorziening voor gastouderopvang verhuist moet dit in behandeling worden genomen als zijnde een nieuwe aanvraag. Dit betekent onder meer dat de toezichthouder een onderzoek op locatie uitvoert.

Bij de gemeente wordt ingediend:

 

  • -

    Voor de oude kinderopvangvoorziening een wijzigingsverzoek tot intrekken toestemming exploitatie (uitschrijving). Hierbij moet de aanvrager op het wijzigingsformulier vermelden dat het een verhuizing betreft.

  • -

    Voor de nieuwe kinderopvangvoorziening een aanvraag tot exploitatie (inschrijving).

5.3.2. Verhuizing van een gastouderbureau

Wanneer een gastouderbureau verhuist, geldt een andere procedure. Wettelijk is vastgelegd dat een gastouderbureau geen nieuwe aanvraag tot exploitatie hoeft in te dienen wanneer het adres wijzigt. Het gastouderbureau dient bij de gemeente een wijzigingsverzoek tot wijziging van het vestigingsadres in te dienen.

 

Als de verhuizing naar een andere gemeente is, moet het wijzigingsverzoek gestuurd worden naar de huidige gemeente van vestiging. Deze stuurt het verzoek door (na verwerking in het LRK), waarna de beoogde gemeente van vestiging een besluit zal nemen over het verzoek. Die gemeente kan de GGD vragen advies uit te brengen over het verzoek alvorens dat besluit te nemen.

 

5.4. Wijzigingsverzoeken

Naast nieuwe aanvragen tot exploitatie kan een houder ook een wijzigingsverzoek doen voor bijvoorbeeld het aanpassen van het aantal kindplaatsen of registratie als Voorschoolse Educatie locatie. De GGD voert dan een incidenteel onderzoek uit om te kijken of de wijziging kan worden doorgevoerd in het LRK.

6. Handhaving

Het college is verantwoordelijk voor toezicht en handhaving en kan een handhavingsbesluit nemen, als is geconstateerd dat de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Dit zal doorgaans blijken uit de inspectierapporten van de GGD. Het niet naleven van de kwaliteitseisen kan echter ook door de gemeente zelf worden geconstateerd. In beide gevallen zal de gemeente in principe handhaven.

 

Het college verwacht van houders in de kinderopvang dat zij verantwoorde en kwalitatief goede kinderopvang aanbieden en structurele maatregelen nemen om incidentele overtredingen op te heffen en voorkomen. Daarnaast verwacht het college van houders met meerdere locaties dat zij maatregelen op organisatieniveau doorvoeren. Daarmee is gewaarborgd dat een vastgestelde overtreding ook niet wordt herhaald op één van de andere locaties.

 

De Wko verplicht gemeenten om na het onherroepelijk worden van een handhavingsbesluit, deze te publiceren in het LRK. Een handhavingsbesluit is pas onherroepelijk wanneer de procedures met betrekking tot bezwaar en beroep ten aanzien van dat besluit zijn afgerond. Hoe in bezwaar en/of beroep gegaan kan worden, wordt bij ieder besluit bekend gemaakt aan de ontvanger.

 

6.1. Maatwerk in handhaving

De gemeente heeft een beginselplicht tot handhaven. De wet- en regelgeving is hiervoor de basis en in dit gemeentelijk beleid wordt hier invulling aan gegeven. Goed handhaven betekent echter ook dat het college oog heeft voor de specifieke situatie van het geval. Individuele omstandigheden – verzwarend of verzachtend – kunnen van invloed zijn op het wel of juist niet opleggen van een maatregel nadat geconstateerd is dat een kwaliteitseis niet is nageleefd. Dat doet recht aan het feit dat niet alle situaties ‘standaard’ zijn. Handhaven is maatwerk.

 

Bij de besluitvorming betrekt het college in elk geval:

  • het inspectierapport, met daarin:

    • gerapporteerde overtreding(en);

    • bevindingen en conclusies van de toezichthouder;

    • indien van toepassing, de beschrijving van de omstandigheden;

    • het advies van de toezichthouder;

    • de reactie van de houder in het inspectierapport;

  • reacties van de houder aan het college;

  • de handhavingsgeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • de inspectiegeschiedenis op locatieniveau en organisatieniveau;

  • alle betrokken belangen waaronder het zwaarwegende belang van ouders en kinderen.

6.1.1. Herstellend en/of bestraffend handhaven

Wij hebben de mogelijkheid om zowel herstellend als bestraffend te handhaven:

  • Herstellend betekent dat de gemeente de houder ertoe aanzet de overtreding van een kwaliteitseis op te heffen en opgeheven te houden;

  • Bestraffend betekent dat de gemeente een bestuurlijke boete geeft voor bepaalde overtredingen.

Een herstellende en bestraffende sanctie kunnen naast elkaar worden ingezet omdat het doel van de sanctie verschillend is. In paragraaf 3.2 van dit beleid is al aangegeven dat ons primaire doel is dat de overtreding wordt opgeheven en dat wij daarom in beginsel een herstelmaatregel opleggen. Een bestraffende sanctie wordt slechts dan ingezet als de feiten en omstandigheden daar aanleiding toe geven.

6.1.2. Escalatieladder

Herstellend traject

Een herstellend handhavingstraject start met een aanwijzing met een hersteltermijn. Met de aanwijzing zetten wij in op structurele verbetering.

 

Na afloop van de hersteltermijn vindt een nader onderzoek plaatst. Als uit de inspectie blijkt dat de overtreding niet is opgeheven en dat de kwaliteitseis(en) nog niet of niet volledig worden nageleefd, wordt een last onder dwangsom opgelegd. Als er een last onder dwangsom wordt opgelegd zal - na afloop van de begunstigingstermijn door de GGD wederom een inspectie worden gedaan om te kijken of de overtreding is opgeheven. Als dat niet het geval is, vorderen wij de van rechtswege verbeurde dwangsom in.

 

Als bij een volgend onderzoek weer wordt geconstateerd dat de overtreding niet is opgeheven, wordt een verhoogde last onder dwangsom of een exploitatieverbod opgelegd. Een exploitatieverbod houdt in dat de kinderopvangvoorziening niet in exploitatie mag zijn, zolang de overtreding voortduurt. Ook bij direct gevaar voor de kinderen kunnen wij een exploitatieverbod opleggen.

 

Als ook het exploitatieverbod onvoldoende effect heeft gehad en de overtreding weer wordt begaan, schrijven wij de kinderopvangvoorziening uit het LRK.

 

Naast de handhavingsmogelijkheden van het college heeft de toezichthouder van de GGD de mogelijkheid om een bevel uit te vaardigen. De toezichthouder kan de houder een schriftelijk bevel geven als de kwaliteit van de kinderopvang zodanig tekortschiet dat het nemen van maatregelen geen uitstel kan leiden.

 

Bestraffend traject

Naast een herstellend traject kan er zoals in paragraaf 6.1.1 beschreven, ook een bestraffend traject worden ingezet. Dit is een bestuurlijke boete. De boete kan opgelegd worden voor het niet naleven van een bepaalde kwaliteitseis. Ook kan de boete worden opgelegd voor het niet opvolgen van een bevel of exploitatieverbod, het niet meewerken aan een vordering van de toezichthouder, niet gemelde opvang of het niet tijd doorgeven van een wijziging.

6.1.3. Handhavingsafwegingen

Om te komen tot de uiteindelijke beoordeling van de situatie en de in te zetten handhaving worden meerdere afwegingen gemaakt om te bepalen of, en zo ja, welke actie nodig is. Deze beoordeling van deze afwegingen kan leiden tot gemotiveerd afwijken van de reguliere escalatieladder.

 

Voor de herstellende handhaving zijn dit onder andere de volgende afwegingen:

 

Vraag

Toelichting/voorbeelden

Is er herstelaanbod geweest?

Als eerder herstelaanbod is geweest voor dezelfde overtreding, zal niet nogmaals een herstelaanbod worden gedaan.

Wat is de aard van de overtreding?

Is het handhavingsmiddel geschikt gezien de aard van de overtreding?

Wat is de ernst van de overtreding?

Heeft de overtreding direct gevolg voor de kwaliteit van de opvangpraktijk?

Hoeveel overtredingen zijn er in totaal?

Als een overtreding nog niet eerder is voorgekomen maar er tijdens een inspectie een veelvoud aan overtredingen wordt geconstateerd, kan een of meer stappen van de escalatieladder worden overgeslagen. Dit geldt ook als tijdens meerdere inspecties (meerdere), telkens wisselende overtredingen worden geconstateerd.

Wat zijn de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan?

Hebben de kinderen hinder ondervonden van de overtreding? Is de stabiliteit en kwaliteit van de opvang geborgd?

Komt de overtreding voort uit economisch belang?

Een economisch belang is een verzwarende factor.

Hoe is de handhaving op organisatieniveau?

Hoewel wij de handhaving in beginsel op locatieniveau uitvoeren, houden wij wel rekening met overtredingen bij andere locaties van dezelfde houder. Het doel is om de houder te stimuleren zijn brede verantwoordelijkheid te nemen.

 

Wij maken daarbij gebruik van de Denklijn verzachtende en verzwarende omstandigheden van GGD GHOR en VNG.

6.1.4. Recidive

De houder is verantwoordelijk voor de naleving van de kwaliteitseisen. Daarmee is de houder ook de overtreder als de kwaliteitseisen niet zijn nageleefd. Elke herhaling van een overtreding van een voorschrift, waarvoor eerder een herstelaanbod is gedaan of handhaving is ingezet, is recidive.

 

Bij recidive zet het college doorgaans direct een zwaarder handhavingsmiddel in.

 

Wanneer een houder een overtreding binnen 3 jaar na het opleggen van een aanwijzing herhaalt, dan legt het college voor nieuwe overtredingen een last onder dwangsom op. Wordt een overtreding herhaalt na het opleggen en invorderen van een last onder dwangsom of het opleggen van een bestuurlijke boete, dan legt het college een hogere dwangsom of boete op. In beginsel wordt het bedrag uit het afwegingsmodel bij iedere herhaling van een overtreding met 50% verhoogd.

 

Als binnen een tijdsbestek van drie jaar twee keer voor dezelfde overtreding een last onder dwangsom is opgelegd en ingevorderd, vervolgt het college de handhaving doorgaans met een exploitatieverbod. De houder voldoet immers langere tijd niet aan de minimale kwaliteitseisen; de kwaliteit van opvang schiet structureel tekort. Het belang van ouders en kinderen bij kwalitatief goede kinderopvang gaat voor het (financiële) belang van de houder en het personeel.

 

6.2. Begunstigingstermijn

Bij het opleggen van een last onder dwangsom geven wij de houder een termijn waarbinnen de overtreding beëindigd moet zijn, de begunstigingstermijn. Deze termijn mag niet wezenlijk langer of korter worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. De lengte van de termijn zal per overtreding verschillen maar wij hechten veel waarde aan een snel en structureel herstel daar waar de kwaliteit tekortschiet. Als uitgangspunt hanteren wij de volgende termijnen:

 

  • A.

    Maximaal twee weken voor herstel van overtredingen met gevolgen voor de directe veiligheid, gezondheid of pedagogisch welbevinden van de kinderen in de dagelijkse opvangpraktijk;

  • B.

    Maximaal twee maanden voor herstel of wijziging van beleidsvoering en administratieve vereisten die redelijkerwijs moeten leiden tot verantwoorde kinderopvang;

  • C.

    Maximaal drie maanden voor herstel van andere overtredingen die geen directe gevolgen hebben voor de veilige en gezonde omgeving van de kinderen.

6.3. Handhavingsmiddelen

Wij kunnen de volgende handhavingsmiddelen inzetten:

 

Traject

Handhavingsmiddel

Formeel herstellend

Aanwijzing

Last onder dwangsom

Last onder bestuursdwang

Exploitatieverbod

Uitschrijven uit LRK (intrekken toestemming tot exploitatie)

Formeel bestraffend

Bestuurlijke boete

 

Niet ieder middel is in ieder situatie geschikt; wij kiezen altijd het meest passende middel. Veel van deze handhavingsmiddelen vloeien rechtstreeks uit de Awb voort en behoeven geen toelichting. Hieronder volgt per handhavingsmiddel een toelichting. Voor zover het handhavingsmiddel rechtstreeks uit de Awb voortvloeit geven wij slechts de bijzonderheden die spelen bij het inzetten van dit middel in de context van de kinderopvang.

6.3.1. De aanwijzing

De aanwijzing zal doorgaans ingezet worden als eerste middel in het handhavingstraject. Met de aanwijzing zet het college in op structurele verbetering. Dat betekent dat de overtreding niet alleen moet worden opgeheven, maar dat een houder ook maatregelen moet nemen om te voorkomen dat hij de overtreding opnieuw begaat. Met de aanwijzing maakt het college aan een overtreder duidelijk dat die te allen tijde aan de voorschriften moet voldoen. Daarmee is de aanwijzing in de eerste plaats ook de minst ingrijpende handhavingsmaatregel waarvan het college gebruik kan maken.

 

In de aanwijzing staat welke maatregelen de houder, binnen welke termijn, moet nemen om de wettelijke voorwaarden na te leven. Ook zal in de aanwijzing een hersteltermijn worden opgenomen. Een aanwijzing kan daarnaast ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor een specifieke situatie.

 

Na afloop van de hersteltermijn kunnen wij de GGD opdracht geven om een nader onderzoek uit te voeren. Tijdens het nader onderzoek zal worden beoordeeld of er aan de opgelegde maatregel is voldaan en daarmee de overtreding is beëindigd.

 

De aanwijzing blijft geldig, ook nadat de overtreding is hersteld. Het college betrekt deze aanwijzing bij handhavingsbesluiten in de opvolgende 3 jaar.

6.3.2. De last onder dwangsom

De last onder dwangsom wordt doorgaans ingezet na het niet voldoen van de maatregel(en) in een aanwijzing of bij recidive. Door middel van een last onder dwangsom krijgt de houder (wederom) de plicht opgelegd om de overtreding te beëindigen en beëindigd te houden. Voor het beëindigen van de overtreding wordt in de last onder dwangsom een begunstigingstermijn opgenomen. De dwangsom moet een voldoende prikkel zijn om de overtreding daadwerkelijk te beëindigen en beëindigd te houden. Wij hanteren voor het vaststellen van de hoogte van de dwangsom het bedrag dat in het afwegingsmodel staat genoemd als boetebedrag. Als de overtreding niet wordt genoemd in het afwegingsmodel, wordt aangesloten bij de overtreding die er het dichtst bij in de buurt komt.

 

Na afloop van de begunstigingstermijn voert de GGD een nader onderzoek uit. Als wordt vastgesteld dat een overtreding niet is opgeheven of is herhaald, verbeurt de dwangsom en moet de houder de dwangsom betalen. Daarnaast kan ervoor worden gekozen om een tweede last onder dwangsom op te leggen. Bij een tweede last onder dwangsom wordt het dwangsombedrag verhoogd ten opzichte van de eerste last onder dwangsom.

 

Als er binnen 3 jaar, sinds de laatste opgelegde aanwijzing, een overtreding van dezelfde kwaliteitseis is vastgesteld legt het college doorgaans een last onder dwangsom op. Ook als de kwaliteitseis in de tussenliggende periode is beoordeeld en er geen overtreding is vastgesteld.

6.3.3. De last onder bestuursdwang

Bij een last onder bestuursdwang zullen wij de overtreding zelf (laten) beëindigen als de houder dit na afloop van de begunstigingstermijn niet heeft gedaan. De kosten die hierbij gemaakt worden zijn voor de houder. Slechts een beperkt aantal voorschriften uit de Wko leent zich voor het toepassen van bestuursdwang. Dit passen wij toe wanneer de kwaliteit van de kinderopvangvoorziening niet aan de eisen voldoet, er direct en acuut gevaar dreigt voor de veiligheid en gezondheid van de kinderen en de overtreding zich leent om door een derde partij te worden opgeheven.

6.3.4. Het exploitatieverbod

De bevoegdheid om een exploitatieverbod op te leggen vloeit voort uit artikel 1.66 Wko. Bij een exploitatieverbod verbieden wij de houder om de voorziening in exploitatie te nemen of te houden. Dit is een zwaar handhavingsmiddel vanwege de verstrekkende gevolgen voor de houder, de ouders en de kinderen.

 

Zodra de houder de maatregelen uit het exploitatieverbod of het eventueel daaraan voorafgaande bevel of de aanwijzing heeft opgevolgd, dient hij de gemeente daarover schriftelijk te berichten. De houder geeft in dat bericht een opsomming van de genomen maatregelen waaruit moet blijken dat hij aan de kwaliteitseisen zal gaan voldoen. Wij kunnen de GGD opdracht geven om naar aanleiding van deze melding op korte termijn te onderzoeken of de kinderopvangvoorziening voldoet aan de kwaliteitseisen van de Wko en onderliggende regelgeving. Hierna informeren wij de houder of het verbod nog blijft gelden.

 

Als bij het verstrijken van de gestelde termijn de kwaliteitseisen niet voldoende worden nageleefd, volgt het besluit tot intrekken van de toestemming tot exploitatie.

 

Een exploitatieverbod kan geïndiceerd zijn als:

  • -

    er veel overtredingen ineens worden geconstateerd;

  • -

    na langdurige handhaving waarbij de verbetering uitblijft, minimaal is of wanneer steeds andersoortige overtredingen worden geconstateerd;

  • -

    er niet meer gesproken kan worden van verantwoorde kinderopvang;

  • -

    de houder een bevel van de toezichthouder niet opvolgt.

Bij gastouderopvang gaan wij sneller over tot een exploitatieverbod, omdat de kwaliteit van de opvang onlosmakelijk verbonden is aan de gastouder. Bij herhaling van overtredingen daalt het vertrouwen dat de gastouder de kwaliteit van de opvang verbetert en behoudt.

6.3.5. Intrekken toestemming tot exploitatie in vervolg op handhaving

Er zijn verschillende gronden waarop, in het kader van handhaving, de toestemming tot exploitatie kan worden ingetrokken:

  • -

    als is gebleken dat de houder de kinderopvangvoorziening niet langer exploiteert;

  • -

    als de exploitatie van de voorziening drie maanden na de inschrijving in het LRK niet daadwerkelijk is aangevangen;

  • -

    als uit een GGD-onderzoek of anderszins is gebleken dat de houder niet of niet langer zal voldoen aan de bij en krachtens hoofdstuk 1, afdeling 3, paragrafen 2 en 3 gegeven voorschriften van de Wet kinderopvang.

Het intrekken van de toestemming tot exploitatie is een uiterste handhavingsmiddel. De gemeente zal in de basis een zo licht mogelijk handhavingsmiddel inzetten om het doel (herstel) te bereiken (subsidiariteits- en proportionaliteitsbeginsel). Het intrekken van de toestemming tot exploitatie vanwege het niet of niet langer voldoen aan de wettelijke voorschriften wordt ingezet wanneer eerder ingezette handhavingsmiddelen zoals een waarschuwing, last onder dwangsom of een exploitatieverbod niet het beoogde (blijvende) herstellende effect hebben.

 

Wanneer de toestemming tot exploitatie is ingetrokken, wordt de voorziening uit het LRK verwijderd. Dit betekent dat er geen sprake meer is van kinderopvang in de zin van de wet. Er mag geen opvang of bemiddeling meer plaatsvinden. Voortzetten van exploitatie leidt tot niet gemelde opvang en tot een boete of vervolging door het Openbaar Ministerie op basis van overtreding van de Wet Economische Delicten.

De gemeente publiceert het intrekken van de toestemming tot exploitatie en de uitschrijving uit het LRK in de gemeenteberichten (niet wanneer dit een voorziening voor gastouderopvang betreft).

6.3.6. De bestuurlijke boete

Een boete bestraft een overtreding die in het verleden begaan is. Er is dus een overtreding geconstateerd en dat feit wordt bestraft. Een boete kan gelijktijdig opgelegd worden met een waarschuwing, een last onder dwangsom of een exploitatieverbod.

 

Een boete is onvoorwaardelijk en moet altijd worden betaald. Het is, in tegenstelling tot de andere hierboven behandelde maatregelen, een punitieve (bestraffende) sanctie. De boete verschilt daarin van de dwangsom. Bij de dwangsom kan het betalen van het bedrag namelijk worden voorkomen door de overtreding tijdig te herstellen en hersteld te houden. Bij de boete is dat niet het geval.

 

Een boete kan worden opgelegd bij:

  • -

    Het overtreden van de kwaliteitseisen uit de Wet kinderopvang en aanverwante regelgeving.

  • -

    Het niet opvolgen van een bevel.

  • -

    Niet meewerken aan een verzoek van een toezichthouder of het bewust verkeerd informeren van een toezichthouder.

  • -

    Het starten van de exploitatie, voor de datum van ingang van de toestemming tot exploitatie.

  • -

    Het niet tijdig melden van wijzigingen van de in het LRK geregistreerde gegevens;

  • -

    Het overtreden van een exploitatieverbod.

  • -

    Notoire overtreders.

  • -

    Kinderopvangvoorzieningen met een oranje of rood risicoprofiel als de betreffende overtreding in de afgelopen 3 jaar ook al is begaan (recidive).

Hoogte van een boete en grootte van de organisatie

De Wet kinderopvang geeft ons de bevoegdheid om voor een overtreding/ het niet naleven van een kwaliteitseis uit de Wko een boete op te leggen van maximaal € 45.000. Voor de hoogte van boetes zijn in het Afwegingsoverzicht normbedragen opgesteld. Als een overtreding niet genoemd staat in het afwegingsmodel wordt aangesloten bij de categorie die er het dichtst bij in de buurt komt. Proportionaliteit en een goede dosering zijn een belangrijk uitgangspunt bij handhaving. Wij hanteren daarom vier categorieën waar de boetebedragen op worden afgestemd:

  • 1.

    Grote organisaties: een totale capaciteit van meer dan 150 kindplaatsen / bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

  • 2.

    Middelgrote organisaties: een totale capaciteit van 51 tot en met 150 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

  • 3.

    Kleine organisaties: een totale capaciteit van minder dan 51 kindplaatsen/ bemiddelde voorzieningen voor gastouderopvang.

  • 4.

    Voorzieningen voor gastouderopvang.

Ad 1. Voor een grote organisatie geldt het volledige normbedrag zoals opgenomen in het afwegingsmodel handhaving.

Ad 2. Voor een middelgrote organisatie is twee derde van het normbedrag de richtlijn.

Ad 3. Voor een kleine organisatie is dat één derde deel.

Ad 4. Voor voorzieningen voor gastouderopvang is dat één vijfde deel van het normbedrag. Dit geldt niét voor die voorwaarden in het afwegingsmodel waar specifiek gastouder staat vermeld. Daar is de hoogte van de som al afgestemd op deze voorziening.

 

Bij de bepaling van de grootte van de organisatie is de registratie in het LRK op het moment van begaan van de overtreding het uitgangspunt. Hierbij wordt over gemeentegrenzen heen gekeken.

 

Na bepaling van de categorie en het bijbehorende normbedrag kan er een verlaging of verhoging van het bedrag van toepassing zijn, afhankelijk van de ernst van het feit, de verwijtbaarheid of de omstandigheden van het geval en de eventuele verzachtende of verzwarende omstandigheden.

 

6.4. Handhaving na herstelaanbod

Wanneer sprake is van herstelaanbod, kan dit van invloed zijn op de handhaving die de gemeente inzet op de overtredingen die primair door de toezichthouder geconstateerd zijn.

6.4.3. Herstelaanbod wordt niet aangenomen door de houder

Wij zien dit niet als verzwarende omstandigheid. Het reguliere handhavingstraject zoals genoemd onder paragraaf 6.1.2 wordt ingezet.

6.4.4. Herstelaanbod gedaan met positief resultaat

Wanneer een overtreding na herstelaanbod is opgelost treden wij niet handhavend op. De overtreding is immers verholpen.

6.4.5. Herstelaanbod aangeboden maar geen (volledig) herstel

Als de overtreding na herstelaanbod niet (volledig) is opgelost, handhaaft de gemeente in principe volgens het reguliere handhavingsbeleid.

7. Slotbepalingen

Deze beleidsregels worden aangehaald als 'Beleid uitvoering gemeentelijke taken Wet kinderopvang gemeente Haarlemmermeer 2025' en treden in werking op 1 januari 2026.

 

Bijlage bij Beleidsregels gemeentelijke taken uitvoering Wet kinderopvang gemeente Haarlemmermeer 2025:

Bijlage 1 Afwegingsmodel handhaving kwaliteit kinderopvang

 

Handhaving samengevat

Het college treedt handhavend op als de toezichthouder een overtreding vaststelt op een kinderopvangvoorziening. In dit afwegingsmodel geeft het college aan welke bedragen het uitgangspunt zijn bij de inzet van handhavingsmiddelen. De genoemde bedragen zijn een richtlijn. De boetes moeten proportioneel zijn en worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de omstandigheden van de overtreder.

 

De toezichthouder kan een houder van een kinderopvangvoorziening de gelegenheid bieden om vastgestelde overtredingen nog tijdens de onderzoeksperiode op te heffen (het herstelaanbod). Als de houder de overtreding al heeft hersteld of redelijkerwijs snel zal herstellen, kan het college besluiten af te zien van handhaving gericht op herstel.

 

Het college kan bij herstellende handhaving kiezen voor de aanwijzing, daarin staat welke maatregelen moeten worden genomen om de overtreding te herstellen. Een aanwijzing kan ook een concretisering van wettelijke regels bevatten voor de specifieke situatie.

 

Het college kan bij herstellende handhaving ook kiezen voor de last onder dwangsom. Bijvoorbeeld wanneer blijkt dat de aanwijzing niet tot herstel van de overtreding heeft geleid.

 

Als ook de last onder dwangsom en de invordering daarvan niet leiden tot structureel herstel sluit het college de locatie (tijdelijk) met een exploitatieverbod. Als een houder geen verantwoorde kinderopvang aanbiedt sluit het college een kinderopvanglocatie direct.

 

Blijkt na (tijdelijke) sluiting dat de kwaliteit van opvang alsnog niet structureel is hersteld dan trekt het college de toestemming in. Het college kan de toestemming ook direct intrekken.

 

Bij enkele ernstige overtredingen legt het college altijd een boete op. Voor andere overtredingen kan het college een boete opleggen via het niet opvolgen van een aanwijzing.

 

De hier opgenomen bedragen gelden per overtreding van een voorschrift. Het aantal overtredingen waarvoor het college een financiële sanctie oplegt is beperkt tot 4 overtredingen van hetzelfde voorschrift per inspectieonderzoek.

 

Voor de bedragen sluit het college, voor zover mogelijk, aan bij de categorieën genoemd in artikel 23 lid 4 van het Wetboek van Strafrecht. Gezien de ernst van het niet aanbieden van kinderopvang die voldoet aan de minimale kwaliteitseisen is met name aangesloten bij de tweede, derde en vierde categorie. Een financiële sanctie is nooit lager dan het genoemde bedrag uit de eerste categorie. Voor de gastouderopvang, met uitzondering van de gastouderbureaus, en de ouderparticipatiecrèches wordt hierop een uitzondering gemaakt. Daar gelden andere bedragen.

 

In de tabel is het maximale sanctiebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive zal dit bedrag met 50% worden verhoogd.

 

Hersteltermijnen

Overtredingen met grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel direct of binnen maximaal 7 dagen worden beëindigd.

 

Overtredingen met gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen maximaal 14 dagen worden hersteld.

 

Overtredingen met lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang moeten in beginsel binnen een termijn van maximaal 21 dagen worden hersteld.

 

Voor elke overtreding beoordeelt het college welk hersteltermijn passend en geboden is.

 

Dwangsommen Kindercentrum

 

Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving

Administratie

de derde categorie

Maatregelen aanpak A-ziekten

de derde categorie

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie

Overtredingen in het domein Algemene voorwaarden kwaliteit en naleving hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Pedagogisch klimaat

Pedagogisch beleid

de derde categorie

Pedagogische praktijk

de tweede categorie

Voorschoolse educatie

de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerker voorschoolse educatie

de tweede categorie

Overtredingen in het domein pedagogisch klimaat hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Personeel en groepen

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling

Opleidingseisen

de tweede categorie

Aantal beroepskrachten

de derde categorie

Eisen aan de inzet van beroepskrachten in opleiding en Stagiairs

de tweede categorie

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de tweede categorie

Stabiliteit van de opvang voor kinderen

de tweede categorie

Voertaal

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Personeel en groepen hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Veiligheid en gezondheid

Veiligheids- en gezondheidsbeleid

de tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Accommodatie

Eisen aan ruimtes

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Accommodatie hebben, bij het ontbreken van een acute situatie, gemiddelde consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang. Bij acute situaties hebben overtredingen grote consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Dwangsommen Gastouderbureau

 

Personeel

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende VOG, inschrijving en/of koppeling

Personeelsformatie per gastouder

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Personeel hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

 

Veiligheid en gezondheid

Risico-inventarisatie veiligheid en gezondheid

De tweede categorie

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie

Meld- overleg- en aangifteplicht

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Veiligheid en gezondheid hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

 

Ouderrecht

Informatie

de tweede categorie

Oudercommissie

de tweede categorie

Klachten en geschillen

de tweede categorie

Overtredingen in het domein Ouderrecht hebben Lichte tot matige consequenties voor de kwaliteit van kinderopvang.

 

Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht

Kwaliteitscriteria

de tweede categorie

Administratie gastouderbureau

de tweede categorie

Schenden medewerkingsplicht

de derde categorie

Overtredingen in het domein Kwaliteit gastouderbureau en zorgplicht hebben grote consequenties voor de kwaliteit van opvang.

 

Dwangsommen Gastouder

Het maximale dwangsombedrag voor een voorziening voor gastouderopvang is gelijk aan het bedrag genoemd bij de eerste categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.

 

Dwangsommen Ouderparticipatieopvang

Het maximale dwangsombedrag voor een ouderparticipatiecrèche is gelijk aan het bedrag genoemd bij de tweede categorie artikel 23 lid 4 Wetboek van Strafrecht en bij recidive wordt dat bedrag met 50% verhoogd.

 

Bestuurlijke boete

Voor enkele overtredingen kan het college, naast een herstelsanctie, in beginsel altijd een boete opleggen. Deze overtredingen staan in de eerste tabel: Directe boete. Voor de overige overtredingen kan naast een herstelsanctie ook een boete worden opgelegd. In de tabel is het maximale boetebedrag bij een eerste overtreding van het voorschrift opgenomen. Bij recidive verdubbelt het college het maximale boetebedrag.

 

Bij het opleggen van een bestuurlijke boete stemt het college de hoogte van de boete altijd af op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het college rekening met de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. Om tot matiging over te gaan, verwacht het college een actieve houding van de overtreder. Het is belangrijk dat een houder niet alleen stelt dat bepaalde (bijzondere) omstandigheden zich hebben voorgedaan, maar dat de houder dit ook aantoont.

 

Als met 1 feitelijke gedraging 2 of meer overtredingen zijn begaan legt het college alleen een bestuurlijke boete op voor de overtreding met het hoogste boetebedrag. Daarnaast matigt het college een boete aan de hand van de omvang van de organisatie.

 

Directe boete

 

algemeen

kindercentrum en GOB

gastouders

Exploitatie zonder toestemming college

de vierde categorie

de derde categorie

Niet opvolgen bevel

de vierde categorie

de derde categorie

Overtreden exploitatieverbod

de vierde categorie

de tweede categorie

 

Hiervoor kan, bij recidive, een boete worden opgelegd

 

Personeel en groepen

kindercentrum en GOB

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de tweede categorie per ontbrekende VOG

Personenregister kinderopvang

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Beroepskrachtkind-ratio (BKR)

de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Op de uren dat niet tenminste de helft van het conform de BKR benodigde aantal beroepskrachten is ingezet.

de helft van het bedrag genoemd bij de tweede categorie per ontbrekende beroepskracht

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de tweede categorie per ontbrekende kwalificatie

 

Gastouders - Personeel en groepen

Verklaring omtrent Gedrag (VOG)

de eerste categorie per ontbrekende VOG

Groepsgrote en groepssamenstelling

de eerste categorie per overtreding

Kwalificatie

Het benodigde diploma, certificaat, enz.

de eerste categorie per ontbrekende kwalificatie

 

Kwaliteit gastouderbureau

Pedagogische praktijk

Begeleiding en ondersteuning van de Gastouder:

Uitvoering pedagogisch beleid door gastouders leidt tot verantwoorde gastouderopvang.

de tweede categorie per VGO waar onvoldoende is toegezien op de kwaliteit van opvang en/of de begeleiding tekortschiet

Het gastouderbureau voldoet niet aan zijn zorgplicht:

De samenstelling van de groep kinderen bij de gastouder

de tweede categorie per VGO waar de groepsgrootte en/of samenstelling niet voldoet

Verklaring omtrent het gedrag en personenregister kinderopvang:

Inschrijving en koppeling gastouder, huisgenoten en structureel aanwezigen

de tweede categorie per ontbrekende inschrijving en/of koppeling

Veiligheid en gezondheid:

Inventarisatie van risico’s voorzieningen voor gastouderopvang

de tweede categorie

 

Overige kwaliteitseisen

Niet opvolgen aanwijzing

de derde categorie, voor gastouder tweede categorie

Eisen ruimtes gastouderopvang:

De houder van een gastouderbureau toetst aantoonbaar jaarlijks op naleving van deze eisen

de tweede categorie per VGO waar niet is voldaan aan deze kwaliteitseisen en niet aantoonbaar is getoetst op de naleving

Meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling

de tweede categorie per gastouder waar de kennis en het gebruik van de handelwijze uit de meldcode niet is bevorderd.

Inzet pedagogisch beleidsmedewerkers

de derde categorie

Aanbieden kinderopvang zonder schriftelijke overeenkomst

de derde categorie

Niet (tijdig) melden wijzigingen

de tweede categorie

Naar boven