Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Haarlemmermeer 2026

Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer;

 

gelet op de vigerende Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer

 

gelezen het voorstel d.d. 16 december 2025;

 

besluit

vast te stellen de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Haarlemmermeer 2026

 

Hoofdstuk 1. Algemeen

Artikel 1. Begripsbepaling

  • 1.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      het college: het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Haarlemmermeer;

    • b.

      PW: de Participatiewet;

    • c.

      de verordening: de geldende Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer.

    De begripsbepalingen van de PW en de verordening zijn onverkort op deze beleidsregels van toepassing.

  • 2.

    Met deze beleidsregels wordt beoogd de kaders, waarbinnen toepassing wordt gegeven aan de gemeentelijke bevoegdheid tot de verlening van bijzondere bijstand, te beschrijven en inzichtelijk te maken. Dit laat onverlet dat er, gezien de complexiteit en de veelheid van factoren en omstandigheden die zich bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand voor kunnen doen, redenen kunnen zijn om gemotiveerd van deze beleidsregels af te kunnen wijken.

Artikel 2. Recht op bijzondere bijstand

De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Artikel 3. Voorwaarden voor het recht op bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand wordt verstrekt als er sprake is van bijzondere omstandigheden. De alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft recht op bijzondere bijstand als voldaan is aan de volgende voorwaarden:

  • a.

    de aanvrager valt niet onder de uitsluitingsgronden van artikel 13 PW; en

  • b.

    er is geen voorliggende voorziening; en

  • c.

    er is sprake van noodzakelijke kosten; en

  • d.

    er zijn bijzondere omstandigheden in de individuele situatie; en

  • e.

    de kosten kunnen niet worden voldaan uit de bijstandsnorm; en

  • f.

    er is onvoldoende draagkracht om de kosten zelf te dragen.

Artikel 4. Voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand wordt rekening gehouden met voorliggende voorzieningen. Hieronder wordt verstaan: elke voorziening buiten de wet waarop de persoon of het gezin aanspraak kan maken, dan wel een beroep kan doen, ter verwerving van middelen of ter bekostiging van specifieke uitgaven (artikel 5 sub e van de PW).

  • 2.

    Er wordt geen bijzondere bijstand verstrekt in de volgende gevallen:

    • a.

      er is een voorliggende voorziening die passend en toereikend is;

    • b.

      de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd worden door een voorliggende voorziening als niet noodzakelijk beschouwd;

    • c.

      de kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt gevraagd, hebben betrekking op medische behandelingen en verrichtingen die worden gerekend tot de ontwikkelingsgeneeskunde.

  • 3.

    Afwijking van de in het voorgaande lid benoemde afwijzingsgronden is alleen mogelijk indien zeer dringende redenen aanwezig zijn. Geen afwijking is mogelijk bij de behandelingen of verrichtingen die worden gerekend tot de ontwikkelingsgeneeskunde.

  • 4.

    Wanneer de bijzondere noodzakelijke kosten door een voorliggende voorziening gedeeltelijk worden vergoed, is het recht op bijzondere bijstand voor het niet vergoede deel van de kosten afhankelijk van de reden waarom de voorliggende voorziening tot slechts gedeeltelijke vergoeding is overgegaan. Wanneer de reden van gedeeltelijke vergoeding enkel budgettaire gronden heeft, kunnen de niet vergoede kosten voor bijzondere bijstand in aanmerking worden genomen, voor zover de kosten betrekking hebben op de meest goedkope toereikende oplossing.

Artikel 5. Noodzakelijke kosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand is bedoeld voor de voorziening in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan.

  • 2.

    Omdat ze niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden geacht te behoren, kan geen bijstand worden verleend voor:

    • a.

      de voldoening aan alimentatieverplichtingen;

    • b.

      de betaling van een boete;

    • c.

      geleden of toegebrachte schade;

    • d.

      vrijwillige premiebetaling in het kader van een publiekrechtelijke verzekering;

    • e.

      aflossing van een schuldenlast.

  • 3.

    Bijstand in de kosten van aflossing van een schuldenlast is onder bijzondere omstandigheden wel mogelijk, met inachtneming van het bepaalde in artikel 13 lid 1 sub g PW in combinatie met artikel 49 PW en daarop gebaseerde regelgeving.

  • 4.

    Tenzij in de geldende beleidsregels of het Financieel besluit sociaal domein anders is bepaald wordt de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand vastgesteld aan de hand van de Nibud-prijzengids zoals opgenomen in het handboek Grip op PW, de Wet IB 2001 of de Regeling zorgverzekering. Het college motiveert in dit geval in de beschikking dat uit onderzoek geen noodzaak is gebleken om daar in het individuele geval van af te wijken. Het is in beginsel aan belanghebbende om gemotiveerd en zo nodig onderbouwd aan te geven dat een hoger bedrag noodzakelijk is. Stelt het college de bijstand lager vast dan de richtprijzen dan rust in beginsel de bewijslast dat de belanghebbende in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten kan voorzien bij het college.

Artikel 6. Beoordeling bijzondere omstandigheden in de individuele situatie

  • 1.

    Het uitgangspunt is dat bij een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt gekeken naar de individuele situatie van de aanvrager. De te beantwoorden vraag is of de aanvrager bepaalde kosten kan dragen gezien zijn individuele omstandigheden.

  • 2.

    Bij de beoordeling zijn zowel de individuele omstandigheden relevant alsmede de vraag of deze omstandigheden bijzonder zijn.

  • 3.

    Wanneer de noodzakelijke kosten, waarin bijzondere bijstand wordt gevraagd, ontstaan zijn door een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager, wordt deze omstandigheid betrokken in de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand.

  • 4.

    Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan kan, afhankelijk van de ernst van het tekortschietend besef, de individuele omstandigheden van de aanvrager en de urgentie van het aangevraagde, ertoe leiden dat er geen recht op bijzondere bijstand bestaat.

  • 5.

    Indien en voor zover aan het ontstaan of bestaan van de bijzondere noodzakelijke kosten een onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan ten grondslag ligt, wordt de eventueel toegekende bijzondere bijstand in beginsel toegekend in de vorm van een geldlening.

Artikel 7. Verantwoordelijkheid tot voldoening uit eigen middelen

  • 1.

    Bij de verlening van bijzondere bijstand wordt geen toepassing gegeven aan de mogelijkheid van artikel 35, tweede lid Pw om op de toe te kennen bijzondere bijstand een drempelbedrag in mindering te brengen.

  • 2.

    Belanghebbende dient een vermogen te hebben dat minder is dan de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid Pw.

  • 3.

    Er wordt afgeweken van lid 2 indien de aanvraag voor bijzondere bijstand betrekking heeft op:

    • a.

      een situatie waarin er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid van de aanvrager; of

    • b.

      woonkostentoeslag; of

    • c.

      de kosten voor woninginrichting en duurzame gebruiksgoederen; of

    • d.

      kosten waarvoor alleen om zeer dringende redenen bijzondere bijstand wordt verleend.

  • 4.

    In de situaties zoals genoemd in het voorgaande lid 3a t/m 3d wordt een lagere vermogensgrens dan vermeld het tweede lid van dit artikel toegepast ter hoogte van:

    • a.

      twee maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager geen kinderen heeft;

    • b.

      drie maanden bijstandsnorm wanneer de aanvrager wel één of meer kinderen heeft.

  • 5.

    Wanneer de aanvrager beschikt of kan beschikken over vermogen waarvan de waarde de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34, derde lid Pw of lid 4 van deze beleidsregels te boven gaat, dan wordt dit meerdere vermogen in aanmerking genomen bij de berekening van de draagkracht.

  • 6.

    Er geldt een extra vermogensvrijlating indien er sprake is van een reservering voor de uitvaart die op een aparte rekening staat of indien er sprake is van een aparte polis in natura (niet afkoopbaar). De hoogte van de extra vermogensvrijlating is vastgelegd in het geldende Financieel besluit sociaal domein.

  • 7.

    Van het uitgangspunt dat motorvoertuigen meetellen voor de vermogensvaststelling kan worden afgeweken indien:

    • a.

      de het motorvoertuig, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk is en de waarde van de auto niet meer bedraagt dan € 28.816.

    • b.

      In afwijking van het hiervoor gestelde onder lid 4, onderdeel a geldt, indien er sprake is van een aangepast voertuig omdat de persoon of een van de gezinsleden lichamelijke beperkingen heeft, er geen maximumbedrag van € 28.816. .

    • c.

      in de overige gevallen mag de waarde van het motorvoertuig niet meer bedragen dan maximaal € 2.500. Indien de waarde van het motorvoertuig hoger is dan dit maximumbedrag, dan telt alleen het meerdere boven € 2.500 mee voor de vermogensvaststelling. De vrijlating van € 2.500 geldt slechts ten aanzien van één motorvoertuig per gezin. Indien er daarnaast binnen hetzelfde huishouden over nog een motorvoertuig wordt beschikt, wordt de waarde daarvan toegerekend aan het vermogen. Voor de vaststelling van de waarde van het motorvoertuig (inclusief btw) kan gebruik gemaakt worden van de online ANWB-koerslijst. Caravans en boten worden vanwege hun aard in beginsel niet beschouwd als algemeen gebruikelijk en daarom meegeteld met het vermogen.

  • 8.

    Caravans en vaartuigen worden meegeteld bij het vermogen, omdat deze vanwege hun aard in beginsel niet als algemeen gebruikelijk of noodzakelijk worden beschouwd in de zin van artikel 34 lid 2 sub a PW.

  • 9.

    Vermogen in de vorm van een voor eigen bewoning bestemde eigen woning, wordt niet in aanmerking genomen voor de verstrekking van bijzondere bijstand, tenzij het betreft de toekenning van woonkostentoeslag voor een eigen woning.

Hoofdstuk 2. Vaststelling draagkracht

Artikel 8. Draagkracht

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt verstrekt onder aftrek van de draagkracht. Draagkracht is het gedeelte van het inkomen en vermogen dat de aanvrager bij een aanvraag voor bijzondere bijstand zelf moet inzetten.

  • 2.

    Voor de bijzonder bijstand geldt: geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto-inkomen hebben tot 120% van de voor hen geldende bijstandsnorm (beide inclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 derde lid Pw.

  • 3.

    Voor de individuele inkomenstoeslag geldt: geen draagkracht hebben belanghebbenden die, op jaarbasis, een netto-inkomen hebben tot 110% van de voor hen geldende bijstandsnorm (beide inclusief vakantiegeld) en die geen vermogen hebben boven de voor hen geldende vermogensgrens, zoals bedoeld in artikel 34 derde lid Pw.

  • 4.

    Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners.

  • 5.

    Wanneer het inkomen meer bedraagt de maximale inkomensgrenzen benoemd in lid 2 en 3 van dit artikel wordt 100% van het meerdere inkomen ingezet ter dekking van de aangevraagde kosten.

  • 6.

    In afwijking van het gestelde in lid 3 wordt voor de bepaling van de draagkracht met een percentage van 100 gerekend in de toekenning van bijzondere bijstand voor:

    • a.

      woonkostentoeslag;

    • b.

      bijstand voor 18 tot 21-jarigen, voor zover die de van toepassing zijnde norm exclusief vakantietoeslag te boven gaat;

    • c.

      bijstand voor kosten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen.

  • 7.

    Bij de vaststelling van de draagkracht worden de individuele inkomenstoeslag, bijzondere bijstand, minimaregelingen en de middelen zoals genoemd in artikel 31, lid 2 PW beschouwing gelaten. Uitgezonderd zijn de giften en andere vergoedingen zoals benoemd in artikel 31, lid 2 sub m PW. Deze giften en vergoedingen worden al dan niet in aanmerking genomen conform de geldende Beleidsregels vrijlating gemeente Haarlemmermeer.

  • 8.

    Het inkomen van een minderjarig kind wordt niet tot de middelen van de aanvrager gerekend.

  • 9.

    Indien er sprake is van een inkomen uit een eigen onderneming, dan is voor de bepaling van de draagkracht de belastingaangifte van het voorgaande jaar van toepassing. In geval de ondernemer uitstel heeft voor de betreffende belastingaangifte, dan geschiedt de toets op draagkracht op basis van de ingediende btw-aangiften van dat jaar.

  • 10.

    Indien de belanghebbende een hoger vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 lid 3 van de PW, of als er een lagere vermogensgrens conform artikel 7, lid 4 van deze beleidsregels van toepassing is, moet 100% van het meerdere vermogen worden ingezet ter dekking van de bijzondere noodzakelijke kosten.

  • 11.

    Bij een belanghebbende ten aanzien van wie een schuldsaneringsregeling op grond van de WSNP is uitgesproken of die een minnelijk traject op grond van de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs) volgt, geldt dat het college enkel de draagkracht kan berekenen over middelen waarover belanghebbende daadwerkelijk de beschikking heeft (zie CRvB 01-02-2005, nr. 02/93 NABW). De CRvB neemt hierbij als uitgangspunt dat dit slechts de middelen betreft die op grond van artikel 295 lid 2 Fw buiten de boedel worden gelaten.

  • 12.

    Indien belanghebbende een inkomen heeft van meer de maximale inkomensgrenzen benoemd in lid 2 en 3 van dit artikel wordt de draagkracht berekend. Draagkracht is het gedeelte van het inkomen en vermogen dat de aanvrager zelf moet inzetten voor het aangevraagde.

Artikel 9. Periode draagkracht

  • 1.

    De draagkracht wordt in beginsel voor een periode van één jaar vastgesteld, beginnende op de eerste dag van de maand van de aanvraag. Deze periode kan langer worden vastgesteld, indien naar verwachting het inkomen en/of de omstandigheden van belanghebbende niet of nauwelijks zal wijzigen in de komende jaren. De maximale draagkrachtperiode is echter 5 jaar.

  • 2.

    Indien gedurende de vastgestelde draagkrachtperiode het inkomen met € 200 netto per maand wijzigt, wordt de draagkracht opnieuw vastgesteld. De melding over de inkomenswijziging dient binnen de van toepassing zijnde vastgestelde draagkrachtperiode te worden ingediend door de belanghebbende.

  • 3.

    Bij elke volgende aanvraag binnen het draagkrachtjaar wordt rekening gehouden met de vastgestelde jaardraagkracht; de vastgestelde ruimte blijft dus gelden, tenzij er een nieuwe draagkrachtberekening heeft plaatsgevonden als gevolg van een aanzienlijke inkomenswijziging.

  • 4.

    Als bij een aanvraag blijkt dat er vóór de aanvraagdatum noodzakelijke kosten zijn gemaakt, dan wordt het draagkrachtjaar, met inachtneming van hetgeen is bepaald in artikel 11 van deze beleidsregels, vastgesteld vanaf de eerste dag van de maand waarin deze kosten zich voor het eerst hebben voorgedaan.

  • 5.

    In geval van periodieke bijzondere bijstand wordt de draagkracht verrekend naar rato van het aantal maanden van de periode waarop deze bijstand betrekking heeft.

Artikel 10. Toepassing draagkracht

  • 1.

    Het middels bijzondere bijstand toe te kennen bedrag voor de betaling van noodzakelijke kosten, wordt berekend door het bedrag van de in aanmerking te nemen kosten te verminderen met de aanwezige draagkracht.

  • 2.

    Indien de toe te kennen bijstand een incidenteel karakter heeft, wordt de vastgestelde draagkracht voor de vastgestelde draagkrachtperiode ineens verrekend met de middels bijzondere bijstand te vergoeden noodzakelijke kosten. Bij samenloop van incidentele en periodieke kosten, wordt de draagkracht bij voorrang verrekend met de incidentele kosten waarvoor bijzondere bijstand wordt toegekend.

Artikel 11. Aanvraag

  • 1.

    Bijzondere bijstand wordt op aanvraag verstrekt. Aanvragen voor bijzondere bijstand kunnen in beginsel niet met terugwerkende kracht worden ingediend, met uitzondering van aanvragen voor bewindvoeringskosten, rechtsbijstand en tandartskosten.

    • a.

      Voor bewindvoering geldt dat wanneer de aanvraag voor deze kosten is gedaan binnen drie maanden na de datum van de uitspraak door de rechter, met de bijstandsverlening aangesloten wordt bij de ingangsdatum van de bewindvoering, mentorschap of curatele. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de uitspraak worden gedaan, telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum. Wanneer de aanvraag tot verlenging van de vergoeding bijzondere bijstand voor bewindvoering, curatele of mentorschap is gedaan binnen drie maanden na de einddatum van de vorige toekenning, dan wordt met de bijstandsverlening aangesloten bij de einddatum van de vorige toekenning. Voor aanvragen die later dan drie maanden na de einddatum van de vorige toekenning worden gedaan, telt de eerste dag van de maand van aanvraag als ingangsdatum.

    • b.

      Voor de kosten van rechtsbijstand moet een aanvraag worden ingediend binnen een maand na afgifte van de toevoeging door de Raad voor Rechtsbijstand. Een aanvraag om bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht moet worden ingediend binnen vier weken nadat de kosten bij betrokkene in rekening zijn gebracht. Bij professionele rechtshulp geldt als datum van in rekening brengen de datum van de nota van griffierecht of de ontvangstdatum van het rekeningcourantoverzicht.

    • c.

      Voor tandartskosten moet een aanvraag worden ingediend binnen vier weken nadat de kosten middels factuur bij betrokkene in rekening zijn gebracht.

  • 2.

    In individuele gevallen is het mogelijk om af te wijken van lid 1 en met terugwerkende kracht bijzondere bijstand verlenen, ook als de kosten al voldaan zijn. Omstandigheden waarin terugwerkende mogelijk zijn:

    • a.

      de belanghebbende was niet in staat om de aanvraag in te dienen voordat de kosten waren gemaakt

    • b.

      het uitstellen van de kosten zou leiden tot onevenredige gevolgen voor belanghebbende

    • c.

      er is sprake van ernstige gevolgen bij het niet met terugwerkende kracht toekennen van bijzondere bijstand.

  • 3.

    Een aanvraag voor bijzondere bijstand wordt slechts in behandeling genomen als de gevraagde gegevens compleet zijn en/of de gevraagde bewijsstukken zijn overgelegd. Indien belanghebbende een periodieke uitkering ontvangt op grond van de PW, hoeven geen bewijsstukken omtrent inkomen en vermogen te worden overgelegd. Het na een geboden hersteltermijn niet (tijdig) aanleveren van de gevraagde gegevens en/of bewijsstukken leidt in beginsel tot buiten behandelingstelling van de aanvraag.

Artikel 12. De wijze van verstrekken

  • 1.

    De bijzondere bijstand wordt in beginsel “om niet” (zonder terugbetalingsverplichting) verstrekt. Dit sluit echter niet uit dat in bepaalde gevallen de bijstand in de vorm van een geldlening wordt verstrekt of teruggevorderd.

  • 2.

    Bijzondere bijstand wordt in ieder geval verleend in de vorm van een geldlening indien:

    • a.

      het bijstand voor de kosten van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen betreft;

    • b.

      redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Onder korte termijn wordt verstaan een periode van maximaal twaalf maanden;

    • c.

      de aanvraag een door de belanghebbende te betalen waarborgsom betreft;

    • d.

      het bijstand ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast betreft.

  • 3.

    De bijstand die in de vorm van een renteloze geldlening wordt verleend, moet in beginsel worden terugbetaald.

  • 4.

    De aflossingstermijn van een renteloze geldlening wordt in principe vastgesteld op drie jaar. Indien er na maximaal 36 maanden nog een restant bestaat, dan wordt dit omgezet in bijstand om niet. Belanghebbende moet dan wel aan de voorwaarden voldaan hebben, dat hij de vastgestelde maandelijkse aflossingsbedragen volledig heeft afbetaald.

  • 5.

    Van het genoemde in lid 4 kan worden afgeweken als blijkt dat:

    • a.

      belanghebbende op korte termijn een aanzienlijk hoger bedrag kan aflossen; of

    • b.

      indien hij in de eerste drie jaar nalatig is geweest met het aflossen van de geldlening; of

    • c.

      wanneer belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan kan worden verweten met betrekking tot het ontstaan of voortduren van de situatie welke tot het verstrekken van bijstand in de vorm van een geldlening heeft geleid.

  • 6.

    De hoogte van de maandelijkse aflossing van de renteloze lening bedraagt 5% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

  • 7.

    Bij een inkomen boven de maximale inkomensgrenzen benoemd in artikel 8 van deze beleidsregels wordt de maandelijkse aflossing verhoogd met 100% van deze meer inkomsten.

Hoofdstuk 3. Kosten van algemene aard

Artikel 13. Toeslag voor jongeren van 18 tot 21 jaar

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten van jongeren van 18 tot 21 jaar wordt verleend indien en voor zover:

    • a.

      de noodzakelijke kosten van bestaan uitgaan boven de toepasselijke norm;

    • b.

      voor deze kosten de jongere geen beroep kan doen op zijn ouders omdat:

      • i.

        de middelen van de ouders daartoe niet toereikend zijn; of

      • ii.

        de jongere redelijkerwijs zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders niet te gelde kan maken.

  • 2.

    De jongere bedoeld onder lid 1 sub b wordt in ieder geval geacht zijn onderhoudsrecht tegenover zijn ouders redelijkerwijs niet te gelde te kunnen maken indien:

    • a.

      de ouder of ouders zijn overleden of in het buitenland wonen;

    • b.

      de jongere in het kader van de Jeugdwet buiten het gezin is geplaatst;

    • c.

      er sprake is van een acute crisissituatie, waarin door de jongere zelf geen verandering kan worden gebracht. Hiertoe dient een indicatie te worden gegeven door een hulpverlenende instantie.

  • 3.

    De noodzakelijke kosten van bestaan van de alleenstaande jongere, alleenstaande ouder of gehuwde van 18 tot 21 jaar worden gelijkgesteld aan de toepasselijke PW-norm voor alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwde van 21 jaar of ouder. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op het verschil tussen het inkomen van de jongere en de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt, waar mogelijk, op grond van paragraaf 6.5 van de PW verhaald. Daarmee wordt voorkomen dat de beslissing tot bijstandsverlening afbreuk doet aan de ouderlijke onderhoudsplicht.

  • 5.

    Als een jongere van 18, 19 of 20 in een inrichting verblijft en geen beroep kan doen op zijn ouders, omdat de middelen van de ouders niet toereikend zijn of de belanghebbende redelijkerwijs het onderhoudsrecht jegens de ouders niet te gelde kan maken, dan bedraagt de hoogte van de bijzondere bijstand het bedrag van de norm uit artikel 20 lid 1 onder a, exclusief vakantietoeslag van de PW.

Artikel 14. Individuele inkomenstoeslag

  • 1.

    Voor de voorwaarden voor het recht op de individuele inkomenstoeslag wordt verwezen naar de geldende Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer.

  • 2.

    De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is opgenomen in de geldende Verordening sociaal domein gemeente Haarlemmermeer.

  • 3.

    Voor de voorwaarden voor het recht op de individuele inkomenstoeslag wordt verwezen naar de geldende Verordening sociaal domein.

  • 4.

    De individuele inkomenstoeslag kan maximaal eenmaal per jaar worden verstrekt en dient elk jaar opnieuw te worden aangevraagd.

  • 5.

    De individuele inkomenstoeslag kan behoudens bijzondere omstandigheden niet met terugwerkende kracht worden verstrekt.

  • 6.

    Het tijdstip van het toetsen van de criteria voor langdurig een laag inkomen begint te lopen vanaf het moment dat de aanvrager in Nederland verblijft.

  • 7.

    De individuele inkomenstoeslag is geen voorliggende voorziening voor individuele bijzondere bijstand.

Artikel 15. Studietoeslag

  • 1.

    Voor de voorwaarden voor het recht op de studietoeslag wordt verwezen naar artikel 36b van de Participatiewet.

  • 2.

    De studietoeslag wordt maandelijks verstrekt en kan ambtshalve worden verlengd aan de hand van de beschikbare informatie in SUWI-net.

  • 3.

    De individuele studietoeslag kan met terugwerkende kracht worden verstrekt indien voldaan wordt aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 36b van de wet.

Hoofdstuk 4. Woonkosten

Artikel 16. Woonkostentoeslag bij een huurwoning

  • 1.

    Woonkostentoeslag wordt beschouwd als aanvullende bijzondere bijstand voor de niet-gesubsidieerde huurcomponent voor huurtoeslag.

  • 2.

    Indien de woonkosten van een huurwoning het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan.

  • 3.

    Bij de verstrekking van de woonkostentoeslag wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarbij aanvullende bijzondere bijstand niet meer noodzakelijk is. Van zijn inspanningen dient belanghebbende bewijsstukken te overleggen. Jaarlijks wordt gecontroleerd of aan deze voorwaarde wordt voldaan. De woonkostentoeslag wordt voortgezet zolang aan de voorwaarde wordt voldaan en het de belanghebbende niet te verwijten valt dat hij nog niet over goedkopere woonruimte beschikt.

Artikel 17. Woonkostentoeslag bij een koopwoning

  • 1.

    Woonkostentoeslag wordt beschouwd als aanvullende bijzondere bijstand voor de niet-gesubsidieerde woonkostencomponent voor huurtoeslag.

  • 2.

    Indien de woonkosten van de koopwoning het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 van de Wet op de huurtoeslag te boven gaan is verlening van bijzondere bijstand mogelijk, voor zover door een wijziging in inkomsten of een gewijzigde situatie wat betreft inwoning de woonkosten niet zelf meer volledig kunnen worden voldaan.

  • 3.

    Bij de verstrekking van de woonkostentoeslag wordt de verplichting opgelegd om te zoeken naar goedkopere huisvesting waarbij aanvullende bijzondere bijstand niet meer noodzakelijk is. In ieder geval valt hieronder het te koop zetten van de eigen woning. Van zijn inspanningen dient belanghebbende bewijsstukken te overleggen. De woonkostentoeslag wordt voortgezet zolang aan de voorwaarde wordt voldaan en het belanghebbende niet te verwijten valt dat hij nog niet over goedkopere woonruimte beschikt.

  • 4.

    Artikel 7 lid 8 van deze beleidsregels, is van toepassing.

Artikel 18. Kosten van inrichting en verhuizing

  • 1.

    Er kan bijzondere bijstand worden verstrekt voor nieuwe afschaf, vervanging of reparatie van noodzakelijke duurzame gebruiksgoederen.

  • 2.

    Bij de aanvraag wordt dor het college een redelijke afschrijvingstermijn in acht genomen.

  • 3.

    Belanghebbende dient aan te tonen dat het gebruiksgoed aan vervanging toe is en niet meer te repareren is en levert hiertoe een rapport/bon in van een servicemonteur. Er hoeft geen rapport/bon van een servicemontuur te worden ingeleverd indien aangetoond kan worden dat het gebruiksgoed ouder is dan zeven jaar.

  • 4.

    Indien blijkt dat het duurzaam gebruiksgoed aan vervanging toe is, dan wordt bijzondere bijstand verleend voor de voorrijkosten van de servicemonteur tot een maximaal bedrag dat is opgenomen in het Financieel besluit sociaal domein.

  • 5.

    Als blijkt dat het gebruiksgoed te repareren is, kan voor deze kosten (inclusief de voorrijkosten) bijzondere bijstand om niet worden verstrekt tot een maximaal bedrag dat is opgenomen in het Financieel besluit sociaal domein.

Artikel 19. Overbruggingsuitkering voor levensonderhoud

  • 1.

    Voor deze kosten is in beginsel géén recht op bijzondere bijstand.

  • 2.

    Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken (zie CRvB 20-04-1999, nr. 97/6694 ABW). Bij statushouders/asielzoekers die na het verlaten van een AZC voor het eerst worden gehuisvest is er sprake van een bijzondere omstandigheid. De bijzondere bijstand wordt om niet verstrekt

Hoofdstuk 5. Kosten van medische aard

Artikel 20. Noodzaak medische kosten en voorliggende voorzieningen

  • 1.

    Premies voor zorgverzekeringen komen niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

  • 2.

    Aanvragers die niet aanvullend verzekerd zijn via de collectieve zorgverzekering (gemeentepolis) van de gemeente Haarlemmermeer of een vergelijkbare aanvullende verzekering bij een andere verzekeraar kunnen beroep doen op bijzondere bijstand, doch enkel vanaf het bedrag dat voor eigen rekening (eigen bijdragen) zou zijn gebleven als zij zich collectief aanvullend hebben verzekerd bij de door het college gekozen zorgverzekeraars.

  • 3.

    Indien er sprake is van hogere zorgkosten vanwege een chronische medische beperking, kan aanvullende bijzondere bijstand worden verstrekt voor extra kledingwaskosten, kosten vanwege extra kledingslijtage en/of extra energiekosten. In alle in dit lid genoemde gevallen is een medische indicatie en advies noodzakelijk en zal een medisch advies worden aangevraagd.

  • 4.

    Medische kosten die op grond van de Zorgverzekeringswet als medisch noodzakelijk worden geacht maar niet of niet volledig worden vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering van de gemeente of een vergelijkbare aanvullende zorgverzekering, kunnen voor bijzondere bijstand in aanmerking komen indien de medische noodzaak is vastgesteld door het overleggen van een vergoedingsbesluit van de zorgverzekeraar te worden overlegd.

  • 5.

    Voor een eigen bijdrage waar een besparingsmotief aan ten grondslag ligt, wordt alleen bijzondere bijstand verstrekt voor zover de eigen bijdrage de Nibud-norm te boven gaat.

  • 6.

    Voor de overige medische kosten die niet onder de collectieve zorgverzekering van de gemeente of een vergelijkbare aanvullend zorgverzekering vallen zal door middel van een aan te vragen medisch advies door een hiervoor aangewezen instantie worden bepaald of de kosten als medisch noodzakelijk worden beschouwd.

  • 7.

    De bijzondere bijstand moet in beginsel aangevraagd zijn voordat met de (voortgezette) behandeling wordt gestart en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst een medisch advies kan worden aangevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening vast te stellen.

  • 8.

    De medische kosten van brillen en tandartskosten worden in beginsel alleen vergoed conform de normbedragen in het financieel besluit en lid 9 van dit artikel.

  • 9.

    Tandartskosten die niet worden vergoed door de collectieve zorgverzekering van de gemeente of een vergelijkbare aanvullende zorgverzekering kunnen zonder advies van een onafhankelijk deskundige worden vergoed tot een bedrag van € 1.500 per kalenderjaar voor het volledig gezond maken van een gebit (sanering). Indien sprake is van hogere tandartskosten dan dient een medisch advies te worden aangevraagd om de noodzaak van de behandeling vast te kunnen stellen.

Hoofdstuk 6. Overige kosten

Artikel 21. Reiskosten

  • 1.

    Bijzondere bijstand voor reiskosten wordt vergoed op basis van de tarieven van OV9292 en de NS reisplanner (tweede klas).

  • 2.

    Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor gebruik van bijzonder vervoer indien er sprake is van een medische noodzaak. In dit geval kan er een vergoeding op basis van gebruik van de eigen auto worden vastgesteld. Deze vergoeding wordt vastgesteld op de feitelijk te rijden kilometers op basis van de snelste route op basis van de ANWB-routeplanner. Het uitkeringsbedrag is in alle gevallen vastgesteld op een bedrag dat is vastgelegd in het geldende Financieel besluit sociaal domein.

  • 3.

    De reiskosten in verband met bezoek aan een gedetineerde kunnen in aanmerking komen voor bijzondere bijstand. De gedetineerde moet tot het gezin behoren. Met gezin wordt bedoeld gehuwd of daaraan gelijkgesteld en de inwonende kinderen tot 18 jaar.

    • a.

      Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting en geen recht heeft op verlof;

    • b.

      De bijzondere bijstand wordt vastgesteld op een bezoekfrequentie van maximaal één keer per vier weken per gezinslid.

  • 4.

    De reiskosten die gemaakt worden door gezins- en familieleden voor bezoek aan een elders verpleegde/verzorgde (bijvoorbeeld ziekenhuis of verzorgingstehuis) kunnen in aanmerking komen voor vergoeding als bijzondere bijstand.

    • a.

      Onder gezins- en familieleden worden verstaan:

      • i.

        degenen die tot het gezin behoren (partner en (pleeg)kinderen);

      • ii.

        verdere familieleden in de eerste graad (ouders, kinderen);

      • iii.

        in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld ernstige ziekte, ook overige directe familieleden (tweede graad; broers/zussen, grootouders, kleinkinderen).

    • b.

      Daarbij wordt uitgegaan van de volgende bezoekfrequentie:

      • i.

        bij ernstige ziekte:

        • -

          voor gezinsleden: 2 x per week;

        • -

          voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per week;

        • -

          voor tweedegraads familieleden: 1 x per 2 weken.

      • ii.

        bij langdurige verpleging of verzorging:

        • -

          voor gezinsleden: 1 x per 2 weken;

        • -

          voor andere eerstegraads familieleden: 1 x per 4 weken;

        • -

          voor tweedegraads familieleden: 1 x per 6 weken.

  • 5.

    De reiskosten voor bezoek aan een uit huis geplaatst kind door ouder(s) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking. Er kan bijzondere bijstand worden verleend indien er een bewijs van uithuisplaatsing is. De bijzondere bijstand wordt vastgesteld aan de hand van de bezoekregeling die opgesteld is door de instelling zoals bijvoorbeeld Bureau Jeugdzorg. De reiskosten die gemaakt worden in verband met een omgangsregeling omdat beide ouders niet dichtbij elkaar wonen, komen niet in aanmerking voor bijzondere bijstand.

  • 6.

    De reiskosten van een schoolgaand kind in een Internationale Schakelklasschool (ISK-school) komen voor bijzondere bijstand in aanmerking indien er geen passende school in de directe leefomgeving is. Indien de afstand tot de ISK-school, met het oog op de fysieke en mentale gesteldheid van het kind, redelijkerwijs afgelegd kan worden met een andere voorziening zoals een fiets én het kind de route naar school veilig zonder begeleiding van de ouder of verzorger kan afleggen wordt er geen bijzondere bijstand voor de reiskosten verstrekt.

Hoofdstuk 7. Categoriale bijzondere bijstand

Artikel 22. Collectieve (aanvullende) zorgverzekering

  • 1.

    Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 120% van de geldende bijstandsnorm, exclusief vakantiegeld, en een vermogen onder de voor hem van toepassing zijnde vermogensgrens kunnen deelnemen aan de collectieve (aanvullende) zorgverzekering van de door het college aangewezen zorgverzekeraar. Indien er sprake is van kostendelende inwoners is de geldende bijstandsnorm van toepassing zonder kostendelende medebewoners.

  • 2.

    In uitzondering op lid 1 kunnen studenten als bedoeld in artikel 13 lid 2 onder c van de PW niet deelnemen aan de collectieve (aanvullende) zorgverzekering.

  • 3.

    De collectieve (aanvullende) zorgverzekering eindigt indien:

    • a.

      het netto-inkomen exclusief vakantiegeld hoger wordt dan genoemd in lid 1;

    • b.

      verzekerde verhuist buiten de gemeente Haarlemmermeer.

  • 4.

    De verzekering eindigt per de eerste januari van het volgend kalenderjaar.

  • 5.

    Indien verzekerde komt te overlijden, eindigt de collectieve verzekering met ingang van de dag na het overlijden.

Artikel 23. Premie aanvullende ziektekostenverzekering

  • 1.

    Belanghebbenden met een netto maandinkomen tot en met 120% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm, hebben recht op een tegemoetkoming. Deze tegemoetkoming wordt rechtstreeks betaald aan de door het college aangewezen zorgverzekeraar.

  • 2.

    Indien niet het hele jaar recht op bijzondere bijstand bestaat, wordt het bedrag naar rato van de periode waarover wel het recht bestaat omgerekend.

Artikel 24. Doorbetaling vaste lasten bij detentie

  • 1.

    Gedurende een periode van maximaal zes maanden kunnen de woonlasten van een gedetineerde op grond van zeer dringende redenen (artikel 16 lid 1 van de wet) worden doorbetaald. Onder woonlasten wordt verstaan: de verschuldigde huur, rente van een hypotheek, de kosten van een opstal- /inboedelverzekering en de vastrechtbedragen van de energielasten.

  • 2.

    De gedetineerde dient alleenwonend te zijn en voorafgaand aan de detentie woonachtig en in de Basisregistratie Personen van de gemeente Haarlemmermeer te zijn ingeschreven.

  • 3.

    De gedetineerde beschikt niet over financiële reserves om zelf in de kosten voor de woonlasten te voorzien. Hieronder is ook te verstaan de aanwending van het eigen (bescheiden) vermogen.

  • 4.

    De bijzondere bijstand wordt in de vorm van een renteloze lening verstrekt. Als na detentie een schuldhulpverleningstraject wordt gestart, kan deze lening daarin meegenomen worden. In sommige situaties, zoals bij een (hoge) schuldensituatie, kan worden overwogen om de bijstand om niet te verstrekken.

  • 5.

    De eerste maand huur of hypotheek komt niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. De gedetineerde wordt geacht dit zelf te kunnen opvangen.

  • 6.

    In de gevallen dat detentieduur moeilijk op voorhand is in te schatten, bijvoorbeeld inbewaringneming of gevangenhouding, wordt bijzondere bijstand verleend voor de duur van maximaal drie maanden. Na deze drie maanden, of in voorkomende gevallen eerder, wordt beoordeeld of de ondersteuning met maximaal drie maanden wordt voortgezet.

Hoofdstuk 8. Slotbepalingen

Artikel 25. Slotbepalingen

  • 1.

    Het college kan ter nadere uitvoering van deze beleidsregels uitvoeringsregels opstellen.

  • 2.

    In alle gevallen waarin deze beleidsregels niet voorzien of toepassing daarvan niet overeenkomt met de bedoeling van deze regels, beslist het college.

  • 3.

    Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen waarop op of na 1 januari 2026 een besluit wordt genomen.

  • 4.

    Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na die van bekendmaking en vervangen de Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Haarlemmermeer 2025.

  • 5.

    Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als Beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Haarlemmermeer 2026.

Ondertekening

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van 16 december 2025,

Burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer,

de secretaris,

Hermineke van Bockxmeer

de burgemeester,

Marianne Schuurmans-Wijdeven

Toelichting bij beleidsregels bijzondere bijstand gemeente Haarlemmermeer 2026

Inleiding

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de PW en de daarin opgenomen mogelijkheden tot het verstrekken van zowel individuele als categoriale bijzondere bijstand.

De beleidsregels zijn een nadere uitwerking van het gemeentelijke armoede- en minimabeleid en de van toepassing zijnde verordeningen op het gebied van het Sociaal Domein en het armoede- en minimabeleid. In deze beleidsregels zijn zo weinig mogelijk bedragen genoemd. De maximale vergoedingen, normbedragen en dergelijke, zijn opgenomen in het Financieel besluit sociaal domein.

 

Met deze beleidsregels wordt beoogd om zoveel mogelijk duidelijkheid, rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te waarborgen. Desalniettemin kunnen er zich situaties voordoen waarin onverkorte handhaving van deze regels onrecht zouden doen aan de doelstelling van bijzondere bijstandsverlening. Derhalve moet, zowel individueel (per besluit) als categoriaal (in de beleidsregels neergelegd uitvoeringsbeleid) uitdrukkelijk de mogelijkheid blijven bestaan om af te wijken van de hier neergelegde regels. Uiteraard zal het besluit in die gevallen ook de motivering moeten omvatten waarom in die situatie van de beleidsregels moet worden afgeweken. Daar waar niet in de beleidsregels wordt voorzien, wordt het handboek “Grip op PW” (Schulinck) geraadpleegd en neemt het college een besluit.

 

 

Algemeen

 

2.1 Inleiding

Bij de beoordeling van het recht op bijzondere bijstand dient de volgende volgorde te worden aangehouden:

  • 1.

    Doen de kosten zich voor? Zo ja, beoordeel dan vraag 2. Zo nee, wijs de aanvraag af.

  • 2.

    Zijn de kosten in het individuele geval noodzakelijk? Zo ja, beoordeel dan vraag 3. Zo nee, wijs de aanvraag af.

  • 3.

    Vloeien de kosten voort uit bijzondere individuele omstandigheden? Zo ja, beoordeel dan vraag 4, zo nee wijs de aanvraag af.

  • 4.

    Kunnen de kosten worden voldaan uit de bijstandsnorm, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm? Zo nee, ken de aanvraag toe. Zo ja, wijs de aanvraag af.

 

Ad 1. Wil een belanghebbende in aanmerking kunnen komen voor bijzondere bijstand voor bepaalde kosten dan zal hij om te beginnen de gestelde kosten ook daadwerkelijk moeten hebben gemaakt. Indien de kosten niet daadwerkelijk gemaakt worden, is er geen verlening van bijzondere bijstand mogelijk.

Ad 2 Uitgaande van het maatwerkprincipe past het dat het college slechts bijzondere bijstand verleent aan personen bij wie is vastgesteld dat de betreffende kosten in het voorliggende individuele geval ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn. Er dient dus altijd een toetsing aan de omstandigheden van het individuele geval plaats te vinden.

Ad 3 Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Dit betekent dus, dat niet de eisen van de samenleving in relatie tot de aard van de kosten bepalend zijn, maar de omstandigheden in het individuele geval. Het is derhalve niet mogelijk om bijzondere bijstand te weigeren voor kosten die naar de eisen van de samenleving in het algemeen niet als noodzakelijk worden beschouwd. Het is alleen van belang of zich in het concrete geval bijzondere omstandigheden voordoen die de kosten noodzakelijk maken. Zo ja, dan bestaat er mogelijk recht op bijzondere bijstand.

Ad 4. Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, dat is bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van de component reservering, in beginsel toereikend is (zie TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 13 en 14). De algemene bijstand is dus een uitkering voor de kosten van levensonderhoud die als het ware is opgebouwd uit een aantal deeluitkeringen: een voor woonkosten, een voor kleding, een voor voedsel, etc. Er bestaat alleen recht op bijzondere bijstand wanneer een van de deeluitkeringen van de algemene bijstand niet in de specifieke kosten voorziet. In welke kosten de algemene bijstand nu precies wel en niet voorziet is uiteindelijk ter beoordeling aan de rechter. Hiervan bestaat geen vaste lijst. De mate waarin een belanghebbende de kosten kan voldoen uit het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm noemen we in navolging van artikel 35 lid 1 PW draagkracht. Het college heeft in het kader van de bijzondere bijstand volledige vrijheid in de vaststelling van de draagkracht van de belanghebbende (TK 2002-2003, 28 870, nr. 3, p. 64-65). Dit betekent dat het college zelf bepaalt welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen.

 

Aanvraag

Door de Participatiewet in balans dienen gemeenten meer rekening te houden met de menselijke maat. Voor het met terugwerkende kracht verstrekken van bijstandsuitkeringen (levensonderhoud) maken wij gebruik van het afwegingskader van de VNG. Dit kader passen wij ook toe voor bijzondere bijstand. Het is dus mogelijk om, rekening houdende met de situatie van de inwoner, in individuele gevallen met terugwerkende kracht bijzondere bijstand verlenen, ook als de kosten al voldaan zijn. Omstandigheden waarin terugwerkende mogelijk zijn:

  • a.

    de belanghebbende was niet in staat om de aanvraag in te dienen voordat de kosten waren gemaakt, bijvoorbeeld:

    • i.

      de belanghebbende heeft alles geprobeerd om zelfstandig in zijn bestaan te voorzien

    • ii.

      een afwijzing van een voorliggende voorziening;

    • iii.

      een eerdere bijstandsaanvraag is buiten behandeling gesteld of afgewezen omdat niet tijdig alle gegevens zijn aangeleverd;

    • iv.

      de belanghebbende had onvoldoende inzicht in inkomsten/vermogen door bijv. flexibel werk, crisissituatie, scheiding, detentie, erfenis;

    • v.

      de belanghebbende heeft met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning gekregen

  • b.

    het uitstellen van de kosten zou leiden tot onevenredige gevolgen voor belanghebbende, zoals aanhoudende pijn in het geval van medische kosten;

  • c.

    er is sprake van ernstige gevolgen bij het niet met terugwerkende kracht toekennen van bijzondere bijstand, bijvoorbeeld:

    • i.

      de belanghebbende heeft probleemschulden en/of betalingsachterstanden;

    • ii.

      na de melding is executoriaal beslag gelegd op de middelen van belanghebbende of is belanghebbende failliet verklaard;

    • iii.

      na de melding is de huur van woonruimte opgezegd, de zorgverzekering geroyeerd, of gas, licht of water afgesloten.

 

Overbruggingsuitkering voor levensonderhoud

In beginsel komen de kosten voor levensonderhoud niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Alleen als er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken (zie CRvB 20-04-1999, nr. 97/6694 ABW). De bijzondere bijstand wordt dan om niet verstrekt. Bij statushouders/asielzoekers die na het verlaten van een AZC voor het eerst worden gehuisvest is er sprake van een bijzondere omstandigheid.

 

Gezien het feit dat asielmigranten vanuit het AZC niet in de situatie hebben verkeerd om te kunnen reserveren kan in een dergelijk geval bijzondere bijstand worden verstrekt voor de kosten van de eerste maand huur, de eventueel in rekening gebrachte administratiekosten en/of waarborgsom. Van de kosten voor de eerste maand huur wordt het bedrag aan (geschatte) huurtoeslag afgetrokken. De bijzondere bijstand wordt rechtstreeks doorbetaald aan de verhuurder.

 

Kosten van medische aard

Bij het bepalen of er bijzondere bijstand kan worden verstrekt voor medische kosten is het van belang om de medische noodzakelijkheid vast te stellen, omdat alleen dan de kosten (deels) kunnen worden vergoed. Als uitgangspunt wordt genomen dat alle kosten die onder de basisverzekering vallen en maar deels of niet worden vergoed voor bijzondere bijstand in aanmerking kunnen komen indien de medische noodzaak is vastgesteld. Aanvragen waarvoor medische kosten in aanmerking komen voor bijzondere bijstand zijn in ieder geval:

  • 1.

    brillen en contactlenzen;

  • 2.

    eigen bijdrage voor de uitneembare volledige prothetische voorziening voor de boven en/of onderkaak (“ kunstgebit”);

  • 3.

    eigen bijdrage in de kosten van psychotherapie die op grond van de AWBZ wordt opgelegd;

  • 4.

    de kosten van behandelingen fysiotherapie en oefentherapie;

  • 5.

    eigen bijdrage voor een pruik;

  • 6.

    eigen bijdrage in orthopedisch schoeisel;

  • 7.

    eigen bijdrage in kraamzorg;

  • 8.

    dieetkosten.

 

Voor de overige medische kosten zal door middel van een aan te vragen medisch advies moeten worden bepaald of de kosten als medisch noodzakelijk kunnen worden beschouwd. Als dit niet het geval is dan komen de kosten niet voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand in aanmerking.

 

In voorkomende gevallen kan het college de medische noodzaak laten vaststellen door een hiervoor aangewezen instantie. De bijzondere bijstand moet aangevraagd zijn voordat met de (voortgezette) behandeling wordt gestart en de kosten zijn gemaakt, zodat eerst een medisch advies kan worden opgevraagd om de noodzaak en eventueel de goedkoopst adequate voorziening vast te stellen. Bij uitzondering kan de noodzaak achteraf worden beoordeeld, maar alleen wanneer dit vooraf niet mogelijk was vanwege gegronde redenen.

 

Kosten van krediethypotheek en pandrecht

Indien er sprake is van een geldlening in de vorm van een krediethypotheek en/of pandrecht, komen de kosten verbonden aan een taxatie, de hypotheekakte en de inschrijving van de hypotheek, het opmaken van de akte van pandrecht, inschrijving van het pandrecht in de vereiste registers en alle overige bijkomende kosten ten laste van de belanghebbende. Er zijn gevallen waarin de ontvanger van de geldlening niet zelfstandig kan voorzien in de kosten voor het vestigen van een krediethypotheek en/of pandrecht. Als de aanvrager het gebrek aan draagkracht voor deze kosten aantoonbaar kan maken, dan komen de kosten voor vergoeding vanuit de bijzondere bijstand om niet in aanmerking.

Naar boven