Uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de uitvoering van vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken in de fysieke leefomgeving 2026-2029 gemeente Midden-Groningen

 

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen van 25 november 2025, tot vaststelling van de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie 2026–2029, op grond van artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit.

Samenvatting

 

Deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) binnen het omgevingsrecht. De strategie sluit aan op de Omgevingswet en zoekt balans tussen het mogelijk maken van initiatieven en het beschermen van de belangen van inwoners en andere betrokkenen.

 

Doel en Evaluatie

 

De U&HS legt vast hoe de gemeente haar taken uitvoert: informeren, vergunning verlenen, toezicht houden en handhaven. De strategie bouwt voort op het eerdere beleid en neemt de doelstellingen uit het VTH-Omgevingsbeleidsplan 2021–2024 over.

De nieuwe U&HS sluit aan op de opgaven uit de Omgevingsvisie Midden-Groningen en bevat concrete en meetbare kwaliteitsdoelen. Door de beleidscyclus actief te volgen, kan de strategie steeds worden aangepast aan veranderende omstandigheden.

 

Wettelijk Kader en Reikwijdte

 

De U&HS is opgesteld op basis van artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit en draagt bij aan de doelen van de Omgevingswet:

  • een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving;

  • zorgvuldig gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.

De strategie omvat taken die voortkomen uit verschillende wetten, waaronder de Omgevingswet, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), de Alcoholwet en de Wet Bibob.

De taken van de Omgevingsdienst Groningen en de Veiligheidsregio Groningen vallen buiten de reikwijdte van dit document.

 

Relatie met ander beleid

 

De U&HS is een ondersteunende strategie en stelt geen nieuw beleid vast.

De strategie sluit aan bij bestaande ambities uit het Collegeprogramma 2022–2026 “Samen aan de Slag” en de Omgevingsvisie Midden-Groningen.

Het collegeprogramma richt zich op brede welvaart, met aandacht voor wonen, duurzaamheid, natuur, verkeer en de uitvoering van de Omgevingswet.

De acht speerpunten uit de Omgevingsvisie zijn in de U&HS vertaald naar concrete prioriteiten.

 

Hoofdlijnen en Bijlagen

 

De U&HS bestaat uit twee delen:

  • Hoofdlijnen – visie, doelen, prioriteiten en strategieën.

  • Bijlagen – uitwerkingen en achtergrondinformatie.

De bijlagen bevatten onder andere toelichtingen op het Omgevingsbesluit, de methode voor risicoanalyse en de werkwijze voor preventie, toetsing en toezicht.

 

1 Inleiding

 

Initiatiefnemers willen hun plannen en ideeën graag kunnen uitvoeren. Omwonenden en andere belanghebbenden willen dat hun belangen worden beschermd. Als gemeente zoeken we steeds naar een balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. In deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) leggen we uit hoe we met die balans omgaan.

Wie iets wil ondernemen in de fysieke leefomgeving, moet nagaan of de activiteit voldoet aan de wet- en regelgeving. Voor sommige activiteiten geldt een informatie-, meldings- of vergunningsplicht.

Wij informeren inwoners en ondernemers hierover, houden toezicht op de naleving van vergunningen en regels en treden handhavend op als dat nodig is.

1.1 Doel U&HS

De U&HS heeft als doel een evenwicht te vinden tussen ruimte geven aan initiatieven en het beschermen van de belangen van inwoners.

In dit document staat hoe we dat doen:

  • door inwoners en bedrijven goed te informeren;

  • door te controleren of iedereen zich aan de regels houdt;

  • en door op te treden als dat nodig is.

Deze werkzaamheden noemen we de uitvoerings- en handhavingstaken (U&H-taken).

1.2 Evaluatie beleid

Voor de nieuwe U&HS kijken we eerst terug op de uitvoering van de eerdere VTH-taken. Het VTH-Omgevingsbeleidsplan 2021–2024 is vastgesteld op 17 november 2020 en bevatte diverse doelstellingen. Waar relevant, nemen we deze doelstellingen opnieuw op in de nieuwe strategie.

De beleidscyclus is in de afgelopen periode deels onderbroken, omdat het VTH-Omgevingsbeleidsplan afliep en er niet jaarlijks een uitvoeringsprogramma met evaluatie is opgesteld. Met deze nieuwe U&HS starten we de beleidscyclus opnieuw op.

Het interbestuurlijk toezicht (IBT) van de provincie Groningen houdt toezicht op de tijdigheid en actualiteit van onze verplichte documenten. Het IBT stuurt jaarlijks een overzicht met verbeterpunten. Een deel van die punten is in deze nieuwe strategie verwerkt.

De overige punten werken we uit in het uitvoeringsprogramma en de evaluatie. Voor het eerst sluit de U&HS aan op de opgaven uit de Omgevingsvisie Midden-Groningen. Daarmee maken we zichtbaar welke bijdrage het VTH-taakveld levert aan de gemeentelijke ambities. In deze nieuwe strategie hebben we meetbare doelstellingen opgenomen.

Ook hebben de kwaliteitsdoelstellingen uit de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Midden-Groningen 2019 een duidelijke plek gekregen.

Door de beleidscyclus actief te volgen, zorgen we dat de U&HS kan worden aangepast aan veranderende omstandigheden en nieuwe behoeften.

 

1.3 Opbouw en leeswijzer

De Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) bestaat uit verschillende hoofdstukken en bijlagen. Elk onderdeel behandelt een specifiek thema binnen de gemeentelijke aanpak van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).

De strategie is opgebouwd uit twee delen:

  • Hoofdlijnen - Hierin staan de belangrijkste punten van onze visie, doelen, prioriteiten en strategieën.

  • Bijlagen - Dit deel bevat de uitwerkingen van de strategieën en extra informatie die de uitvoering van de U&HS ondersteunt.

De U&HS maakt deel uit van het bredere beleid van de gemeente Midden-Groningen.

Het is een ondersteunende strategie: de U&HS stelt geen nieuw beleid vast, maar helpt de gemeente bij het bereiken van bestaande doelen.

Hoofdstuk 1 - Inleiding

Geeft een inleiding op de U&HS en het belang van de balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De gemeente verstrekt informatie, houdt toezicht en treedt op waar nodig. Het hoofdstuk laat zien welke taken de gemeente uitvoert om de leefomgeving te beschermen.

Hoofdstuk 2 - Wettelijk kader U&HS

Beschrijft de wettelijke basis van de U&HS, de reikwijdte en de relatie met andere beleidsvelden. Het hoofdstuk legt de nadruk op de Omgevingswet, die als doel heeft initiatieven te versnellen en gemeenten meer beslisruimte te geven.

De U&HS draagt bij aan de doelen van de Omgevingswet: een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en een zorgvuldig gebruik van de fysieke ruimte.

Hoofdstuk 3 - Missie, visie en kernwaarden

Bevat de missie, visie en kernwaarden van de gemeente Midden-Groningen. Deze vormen het kompas voor de uitvoering van de VTH-taken en bepalen hoe de gemeente omgaat met inwoners, ondernemers en partners.

Hoofdstuk 4 - Doelen en prioriteiten

Beschrijft hoe we prioriteiten stellen binnen de uitvoering van de VTH-taken. De prioriteiten zijn gebaseerd op een risicoanalyse en een omgevingsanalyse.

  • De risicoanalyse brengt de risico’s in beeld die de gemeente moet beheersen.

  • De omgevingsanalyse beschrijft de kenmerken van onze gemeente en waar deze risico’s zich voordoen.

  • Per prioriteit zijn doelen geformuleerd die aansluiten op de speerpunten uit de Omgevingsvisie en de bestuurlijke ambities uit andere beleidsdocumenten.

Hoofdstuk 5 - Strategieën

Bevat de strategieën en werkwijzen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.

Hoofdstuk 6 - Borging van de uitvoering

Beschrijft hoe we de kwaliteit van de uitvoering waarborgen. Hierin staan de kwaliteitsdoelstellingen, de monitoring van de voortgang en de evaluatie van de resultaten.

 

Bijlagen

De bijlagen bevatten gedetailleerde informatie en praktische instrumenten die de uitvoering van de U&HS ondersteunen:

Bijlage 1: Toelichting op de regels uit het Omgevingsbesluit die de wettelijke basis vormen voor de beleidscyclus.

Bijlage 2: Intentieverklaring VTH Drieslag 3.0 met afspraken over uniform optreden bij vergunningverlening binnen de versterkingsoperatie.

Bijlage 3A en 3B: Handleiding risicoanalyse.

  • Deel A - Methodiek en totstandkoming.

  • Deel B - Afbakening en resultaten.

Bijlage 4: Overzicht van de strategieën voor uitvoering van de VTH-taken, waaronder de preventiestrategie, toetsingsstrategie en toezichtstrategie. Deze strategieën richten zich op kennis en bewustwording, naleefgedrag en de beoordeling van vergunningen en meldingen.

Bijlage 5: Toetsings- en toezichtstrategie bij de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Samen vormen deze hoofdstukken en bijlagen het kader voor de uitvoering van de VTH-taken binnen de gemeente Midden-Groningen.

De nadruk ligt op een evenwichtige, risicogestuurde en kwaliteitsgerichte aanpak van vergunningverlening, toezicht en handhaving.

 

2 Wettelijk kader U&HS

 

Met deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) geven we invulling aan de wettelijke verplichting om een actuele strategie vast te stellen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving. Deze verplichting is vastgelegd in het Omgevingsbesluit, dat hoort bij de Omgevingswet.

In het Omgevingsbesluit staan regels voor het bevoegd gezag over vergunningverlening, procedures, uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. Deze regels zorgen ervoor dat de gemeentelijke taken op een zorgvuldige, transparante en doelmatige manier worden uitgevoerd.

Het doel is om te zorgen voor een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.

De regels uit het Omgevingsbesluit vormen samen de procescriteria van de zogenoemde BIG-8-beleidscyclus (zie bijlage 1 voor een toelichting).

Deze U&HS is één van de producten binnen de VTH-beleidscyclus. Op basis van deze strategie worden keuzes gemaakt voor de uitvoering van taken en wordt jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld. Daarnaast legt de gemeente jaarlijks verantwoording af in een evaluatierapportage. In het uitvoeringsprogramma beschrijven we:

  • welke keuzes we maken bij het uitvoeren van onze taken;

  • en hoe we die taken uitvoeren.

In de evaluatierapportage leggen we verantwoording af over de gemaakte keuzes en behaalde resultaten.

Alle documenten binnen de VTH-beleidscyclus worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd via een raadsbrief.

2.1 Reikwijdte

De U&HS gaat over de wettelijke taken die de gemeente uitvoert op basis van verschillende landelijke, provinciale en gemeentelijke regels. Deze regelgeving is bedoeld om de fysieke leefomgeving te beschermen. Een belangrijk landelijk kader is de Omgevingswet. Deze wet heeft een nieuw stelsel geïntroduceerd met andere instrumenten en principes.

De Omgevingswet bundelt alle wetten voor de fysieke leefomgeving om initiatieven sneller te laten starten en beter af te stemmen op elkaar.

Daarnaast introduceert de wet meer open normen en zorgplichten in plaats van strikte regels of verboden. Hierdoor krijgen gemeenten meer beslisruimte om zelf een evenwicht te vinden tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving.

De Omgevingswet gaat uit van twee samenhangende uitgangspunten:

  • Het beschermen van de leefomgeving waar dat nodig is.

  • Het benutten van kansen waar dat verantwoord kan.

Met het uitvoeren van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) leveren we een bijdrage aan de hoofddoelstelling van de Omgevingswet:

Doelstelling Omgevingswet:

De Omgevingswet heeft als doel om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en te behouden. De wet richt zich op twee hoofddoelen:

  • 1.

    Een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving — waarin mens en natuur in balans zijn.

  • 2.

    Een zorgvuldig gebruik en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving, zodat maatschappelijke behoeften worden vervuld op een duurzame manier.

Deze doelen sluiten aan bij het uitgangspunt van duurzame ontwikkeling: het benutten van kansen zonder de leefomgeving voor toekomstige generaties aan te tasten.

De Omgevingswet omschrijft de fysieke leefomgeving als alles wat we zien, voelen, horen en ruiken. De wet noemt daarbij de volgende onderdelen:

  • bouwwerken en infrastructuur;

  • water en watersystemen;

  • bodem en lucht;

  • landschappen en natuur;

  • cultureel erfgoed en werelderfgoed.

De fysieke leefomgeving omvat dus zowel de natuurlijke omgeving als alles wat door mensen is gebouwd of aangelegd. Naast de Omgevingswet gelden er ook regels uit andere wet- en regelgeving die de leefomgeving beschermen.

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en diverse bijzondere wetten bevatten voorschriften voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Onder bijzondere wet- en regelgeving verstaan we in dit kader onder andere de:

  • Alcoholwet

  • Wet goed verhuurderschap

  • Wet betaalbare huur

  • Wet op de kansspelen

  • Winkeltijdenwet en Winkeltijdenverordening

  • Afvalstoffenverordening

  • Wegenverkeerswet

  • Zondagswet

  • Opiumwet

  • Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob)

  • Wet basisregistratie personen (Brp)

 

De U&HS heeft betrekking op de uitvoering van deze taken binnen het fysieke domein. Het sociale domein valt buiten de reikwijdte van deze strategie.

 

 

De taken die worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Groningen (ODG) en de Veiligheidsregio Groningen (VRG) vallen buiten deze strategie. Beide organisaties hebben een eigen beleidscyclus met eigen doelstellingen en prioriteiten.

Voor de ODG geldt de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023–2027, die door de gemeente is vastgesteld. De gemeenteraad heeft in september de Meerjarenkoers 2024–2028 van de VRG vastgesteld. Daarin staan de prioriteiten beschreven voor de taken van de Veiligheidsregio.

2.2 Relatie met andere beleidsvelden

De Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) is een ondersteunende strategie binnen het bredere beleid van de gemeente Midden-Groningen. Met het uitvoeren van de U&H-taken dragen we bij aan de ambities uit het Collegeprogramma 2022–2026 “Samen aan de Slag” en aan de Omgevingsvisie Midden-Groningen.

Collegeprogramma 2022-2026 “Samen aan de slag”

Het collegeprogramma richt zich op het versterken van de brede welvaart in Midden-Groningen. De ambities zijn samengevat in drie pijlers:

  • De inwoner centraal

  • Iedereen doet mee

  • Een prettige woon-, werk- en leefomgeving

Het programma bevat beleidsvoornemens op diverse terreinen, zoals dienstverlening, armoedebestrijding, energietransitie en ruimtelijke ordening. Voor de uitvoering van de U&H-taken is vooral ruimtelijke ordening van belang. De belangrijkste onderdelen daarvan zijn:

  • Wonen - De gemeente stimuleert nieuwbouw en het verbeteren van bestaande woningen. Daarbij ligt de nadruk op verduurzaming en het voorkomen van verpaupering. Tijdens bouw- en renovatieprojecten voeren we inspecties uit om te controleren of het werk voldoet aan de vergunning en bouwvoorschriften. Bij nieuwbouwprojecten geldt een zelfbewoningsplicht, om te voorkomen dat beleggers woningen opkopen.

  • Omgevingswet - De gemeente werkt aan een zorgvuldige invoering van de Omgevingswet. Dat betekent dat er duidelijke regels en procedures komen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving.

  • Duurzaamheid en energietransitie - We zetten in op verduurzaming van woningen en het stimuleren van zonne-energie. Voor zonneparken zijn vergunningen nodig; deze worden verleend op basis van locatiecriteria, milieunormen en landschappelijke inpassing. Hierop houden we actief toezicht.

  • Natuur en landschap - Behoud en versterking van natuurgebieden zijn belangrijk.

  • Toezicht is nodig om illegale activiteiten zoals dumping of vernieling te voorkomen.

  • Verkeer en vervoer - Bij aanleg en onderhoud van wegen en infrastructuur letten we op veiligheidsnormen en vergunningen.

Toezicht en handhaving zorgen ervoor dat werkzaamheden veilig en volgens de regels verlopen.

Deze onderdelen vereisen allemaal een zorgvuldige uitvoering van de U&H-taken, zodat initiatieven volgens de regels plaatsvinden en de leefomgeving veilig, gezond en duurzaam blijft.

Omgevingsvisie

De Omgevingsvisie beschrijft de richting voor de inrichting en het gebruik van onze leefomgeving. De visie vormt samen met de Visie Sociale Veerkracht het kader voor het bereiken van brede welvaart. De speerpunten zijn gebaseerd op:

  • participatie met inwoners en partners;

  • bestaand beleid dat nog steeds relevant is;

  • en nieuwe trends en ontwikkelingen die om nieuw beleid vragen.

De Omgevingsvisie bundelt de hoofdlijnen van verschillende beleidsdocumenten, zoals:

  • de Visie vrijetijdseconomie;

  • de Woonvisie en Woondeal;

  • de Duurzaamheidsvisie;

  • het Ruimtelijk Economisch Perspectief;

  • en de Detailhandelvisie.

Daarnaast richt de visie zich op belangrijke opgaven binnen Midden-Groningen, zoals:

  • wonen en leefbaarheid;

  • bedrijvigheid en werkgelegenheid;

  • landbouw en buitengebied;

  • duurzame energie en klimaat;

  • natuur, water en bodem;

  • en veiligheid in de leefomgeving.

De acht speerpunten uit de Omgevingsvisie. De volgende acht speerpunten uit de Omgevingsvisie zijn - waar van toepassing - verwerkt in hoofdstuk 4 van de U&HS:

  • 1.

    Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

  • 2.

    Een beleefbare omgeving met behoud van landschapsverschillen en het karakter van kernen.

  • 3.

    Voldoende en betaalbare woningen voor huidige en nieuwe inwoners.

  • 4.

    Een toekomstbestendige landbouw en buitengebied met ruimte voor recreatie en vrijetijdseconomie.

  • 5.

    Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemerschap in balans met de omgeving en arbeidsmarkt.

  • 6.

    Een verminderd energieverbruik en een betaalbare, groene energievoorziening.

  • 7.

    Voorbereiding op klimaatverandering en versterking van biodiversiteit.

  • 8.

    Goede fysieke en digitale bereikbaarheid voor iedereen.

Deze speerpunten vormen de verbinding tussen de ambities van het gemeentebestuur en de uitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving.

 

 

Integraal veiligheidsbeleid

Een belangrijk beleidsdocument dat nauw samenhangt met deze strategie is het Integraal Veiligheidsbeleid Midden-Groningen 2025–2028. Dit beleid is op 19 december 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. In het veiligheidsbeleid staan de volgende prioriteiten centraal:

  • 1.

    Ondermijning

  • 2.

    Jeugd en Veiligheid

  • 3.

    NPG Verbeteren Veiligheid Midden-Groningen

  • 4.

    Mensenhandel

  • 5.

    Maatschappelijke onrust

  • 6.

    Personen met onbegrepen gedrag

Daarnaast benoemt het beleid vier strategische thema’s:

  • 1.

    Cybercriminaliteit

  • 2.

    Actualisering APV

  • 3.

    Crisisbeheersing

  • 4.

    Evenementenbeleid

Ook het team Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) levert een actieve bijdrage aan deze veiligheidsdoelen. Dat doen we onder andere door:

  • integrale controles uit te voeren;

  • handhaving effectiever in te zetten bij vergunningverlening en toezicht;

  • en nauw samen te werken met het team Veiligheid en Vergunningen (V&V).

Binnen het team Veiligheid en Vergunningen ligt de verantwoordelijkheid als volgt: OOV (Openbare Orde en Veiligheid): beleid, bezwaar & beroep en handhaving binnen APV en bijzondere wetten;

  • BOA’s (buitengewoon opsporingsambtenaren): toezicht en vergunningverlening;

  • Subteam APV-vergunningverleners en bijzondere wetten: uitvoering van onder meer de Alcoholwet, Wet op de kansspelen, drugs- en coffeeshopbeleid en de Wet Bibob.

Een belangrijk preventief instrument is het vaker toepassen van de Wet Bibob bij vergunningaanvragen en bij transacties in branches die gevoelig zijn voor ondermijning (zoals horeca, prostitutie en vastgoed). Hiermee verkleinen we de kans dat criminele activiteiten via vergunningen worden gefaciliteerd.

De informatie-uitwisseling tussen Veiligheid en VTH vindt plaats in verschillende overlegstructuren, zoals het Lokaal Informatie Overleg (LIO), waarin casussen worden besproken. Daarnaast draagt de aanpak van illegale bewoning en malafide verhuur bij aan het tegengaan van ondermijning.

De gemeente past al bestuurlijke maatregelen toe en zet deze lijn de komende jaren voort. Waar dit mogelijk en proportioneel is, maken we gebruik van maatregelen zoals:

  • het sluiten van een drugspand op grond van de Wet Damocles;

  • het opleggen van een last onder dwangsom;

  • of het opleggen van een bestuurlijke boete op basis van de APV.

Samenwerking met het sociale domein

Het VTH-taakveld werkt intensief samen met het sociale domein. Dit gebeurt onder andere bij situaties zoals:

  • burenruzies;

  • uithuisplaatsingen of woningontruimingen;

  • en bij illegale permanente bewoning.

Ook bij preventieve maatregelen trekken we samen op, bijvoorbeeld bij:

  • voorlichting over alcoholgebruik door minderjarigen;

  • en het tegengaan van openbare dronkenschap.

Het toezicht en de handhaving in deze situaties worden uitgevoerd door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s).

De samenwerking tussen het sociale en het fysieke domein blijft een aandachtspunt. Er zijn al goede stappen gezet, maar duidelijke werkafspraken over taken, verantwoordelijkheden en informatie-uitwisseling moeten verder worden uitgewerkt.

 

3 Missie, visie en kernwaarden

 

Een missie en visie vormen de basis voor de uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken). Ze geven richting aan onze prioriteiten en doelstellingen en zorgen voor duidelijke, betrouwbare en transparante dienstverlening.

Bij het formuleren van de missie en visie voor VTH sluiten we aan bij de dienstverleningsvisie van de gemeente Midden-Groningen.

 

 

Wij zien de uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (U&H-taken) als een vorm van dienstverlening aan onze inwoners, ondernemers en partners. We willen dat onze vergunningverlening duidelijk, efficiënt en transparant is.

Daarom communiceren we helder over wat inwoners kunnen verwachten en binnen welke termijnen we werken. Ons toezicht is gericht op voorkomen in plaats van corrigeren: we zetten in op samenwerking en bewustwording, zodat we samen zorgen voor een veilige en leefbare gemeente.

Bij handhaving staan eerlijkheid, rechtvaardigheid en het algemeen belang voorop. We handelen zorgvuldig en proportioneel, met oog voor de menselijke maat.

Met deze manier van werken maken we onze dienstverlening persoonlijk, betrouwbaar en mensgericht. Precies zoals inwoners dat van de gemeente Midden-Groningen mogen verwachten.

3.1 Visie

Onze visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) sluit aan bij de gemeentelijke dienstverleningsvisie van Midden-Groningen. We willen de kwaliteit van leven in onze gemeente verbeteren door onze VTH-taken zorgvuldig, efficiënt en betrokken uit te voeren. Dat doen we met duidelijke en toegankelijke dienstverlening, zowel digitaal als persoonlijk.

We werken in de geest van de Omgevingswet en in lijn met de ambities van de Omgevingsvisie. Daarbij staan onze kernwaarden vertrouwen, verantwoordelijkheid en vrijheid centraal:

  • Vertrouwen – we gaan uit van goede bedoelingen en bieden ruimte aan initiatieven.

  • Verantwoordelijkheid – we handelen professioneel en zorgvuldig binnen de regels.

  • Vrijheid – we geven inwoners en ondernemers de ruimte om te ontwikkelen, binnen veilige en verantwoorde grenzen.

Zo dragen we bij aan een gemeente waar het prettig wonen, werken en leven is — nu en in de toekomst.

3.2 Kernwaarden

Onze kernwaarden vormen de basis voor hoe we werken, samenwerken en met elkaar omgaan. Ze zijn verweven in de dagelijkse uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken).

 

 

Deze waarden geven richting aan onze keuzes en houding in het werk. Ze staan voor een cultuur waarin samenwerking, openheid en respect vanzelfsprekend zijn — met als doel een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving voor alle inwoners, ondernemers en organisaties in Midden-Groningen.

De kernwaarden sluiten aan bij de organisatievisie van de gemeente Midden-Groningen en vormen samen het fundament van onze dienstverlening en ons handelen.

 

Vertrouwen: We werken vanuit vertrouwen. Vertrouwen geven en vertrouwen verdienen.

Voor de uitvoering en handhaving betekent dit dat de gemeente Midden-Groningen transparant, eerlijk en betrouwbaar handelt.

We communiceren ons beleid en onze besluiten duidelijk en vriendelijk, en we komen onze afspraken na.

We zijn een betrouwbare partner voor inwoners, bedrijven, instellingen en andere overheden. Dat doen we onder meer door:

  • onze werkwijze te standaardiseren;

  • eenduidige vergunningsvoorschriften te hanteren;

  • en te werken volgens een uniforme strategie.

Zo bevorderen we rechtsgelijkheid - een gelijk speelveld voor iedereen.

We benaderen inwoners, ondernemers en organisaties vanuit het principe dat iedereen vertrouwen verdient. We luisteren, wegen belangen zorgvuldig af en leggen onze besluiten altijd uit. Soms betekent dat dat we iets niet kunnen toestaan of moeten handhaven. Ook dan blijven we duidelijk en uitlegbaar over de keuzes die we maken.

 

Verantwoordelijkheid: Wij nemen verantwoordelijkheid voor de taken waarvoor we als gemeente aan zet zijn — ieder vanuit zijn of haar eigen rol, vak en professionaliteit.

Voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving betekent dit dat we integraal en samenhangend werken.

Bij complexe aanvragen organiseren we een goed proces om snel tot een zorgvuldige afweging van alle belangen te komen: die van de initiatiefnemer, omwonenden en de beleidsdoelen van de gemeente.

We zoeken samen naar passende oplossingen, vanuit onze eigen expertise en met behulp van instrumenten zoals het omgevingsoverleg. Bij de uitvoering van de U&H-taken zijn de kwaliteitscriteria VTH leidend. We werken volgens het BIG-8-principe: planmatig, cyclisch en lerend.

Daarnaast verwerken we de verbeterpunten van het interbestuurlijk toezicht (IBT) actief in onze jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en evaluaties. Zo laten we zien dat we verantwoordelijkheid nemen, leren en verbeteren.

 

Vrijheid: Wij denken in mogelijkheden. We benutten de ruimte die de wet biedt om onze taken innovatief en creatief uit te voeren, binnen de geldende kaders.

Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving betekent dit dat we handelen in de geest van de Omgevingswet.

We werken vanuit een positieve grondhouding: we denken mee met initiatiefnemers en zoeken samen naar wat wél kan. We bewegen daarmee van het principe “Nee, tenzij” naar “Ja, mits”. De Omgevingswet vraagt om:

  • één loket voor initiatieven;

  • snellere doorlooptijden;

  • minder regeldruk;

  • samenwerking met andere overheden (bijvoorbeeld aan de Regionale Omgevingstafel);

  • en een open, oplossingsgerichte houding.

Bij toezicht en handhaving onderzoeken we eerst alle mogelijkheden voor herstel voordat we optreden. We stimuleren overtreders om zelf verantwoordelijkheid te nemen en hun fouten te herstellen. Waar nodig nemen wij het voortouw en zoeken samen met betrokkenen naar oplossingen om illegale situaties te beëindigen.

Tegelijkertijd durven we ook “nee” te zeggen tegen wie zich niet aan de regels houdt. We voorkomen waar het kan en grijpen in waar het moet - altijd met het oog op de veiligheid en leefbaarheid van Midden-Groningen.

 

4 Doelen en prioriteiten

 

De probleemanalyse bestaat uit twee onderdelen: een gebiedsbeschrijving en een risicoanalyse. De risicoanalyse laat zien welke risico’s we moeten beheersen. De gebiedsbeschrijving geeft inzicht in de kenmerken van de gemeente Midden-Groningen en waar deze risico’s zich voordoen.

4.1 Gebiedsbeschrijving

De gemeente Midden-Groningen ligt in het hart van de provincie Groningen. De gemeente is op 1 januari 2018 ontstaan uit de fusie van de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde. Met een oppervlakte van ongeveer 225 vierkante kilometer en ruim 62.000 inwoners is Midden-Groningen een middelgrote gemeente met een gevarieerd landschap van polders, veengebieden en bosrijke zones.

Midden-Groningen grenst aan de gemeenten Groningen, Tynaarlo, Aa en Hunze, Veendam en Oldambt. De gemeente heeft een rijke geschiedenis, een sterke economische basis en een breed maatschappelijk en cultureel aanbod.

4.2 Risicoanalyse

We beschrijven het doel, de methodiek-, de totstandkoming, de afbakening en de uitkomsten.

Doel

De wet verplicht gemeenten om een risicoanalyse op te stellen. Deze analyse geeft inzicht in waar risico’s zich voordoen en hoe groot die risico’s zijn. De uitkomsten helpen ons bij het maken van keuzes voor toetsing, toezicht en handhaving.

Risico’s moeten beheersbaar en controleerbaar zijn.

Door vast te leggen hoe diep we aanvragen toetsen en op welke aspecten we toezicht houden, kunnen we risico’s beter beheersen. Deze afspraken leggen we vast in protocollen.

Methodiek risicoanalyse

Bij het vaststellen van prioriteiten speelt de risicoanalyse een centrale rol. We gebruiken hiervoor de landelijke methode, die uitgaat van de formule:

Risico = Kans × Effect

Deze methode brengt in beeld hoe groot de kans is dat een risico zich voordoet en welk effect dat heeft op de leefomgeving. Op basis van de berekende risicoscore bepalen we de prioriteiten voor onze VTH-taken.

Een toelichting op deze methode en de berekening is opgenomen in bijlage 3A – Handleiding Risicoanalyse. Daarin staat beschreven hoe de scores tot stand zijn gekomen en welke waarden aan de begrippen zijn toegekend.

Totstandkoming risicoanalyse

De risicoanalyse is opgesteld in samenwerking met vakspecialisten binnen de gemeente Midden-Groningen. Per domein is in kaart gebracht welke risico’s zich kunnen voordoen. De onderzochte domeinen zijn:

  • Bouwen en ruimtelijke ordening

  • Erfgoed

  • Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

  • Alcoholwet

  • Evenementen en bijzondere wetten

De resultaten worden voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders, dat wordt gevraagd de risico’s te prioriteren voor de bestuurlijke prioriteitstelling.

Afbakening risicoanalyse

De risicoanalyse beperkt zich tot de VTH-taken die de gemeente zelf uitvoert. Voor het domein Brandveiligheid voert de Veiligheidsregio Groningen (VRG) de risicoanalyse uit.

Voor het domein Milieu is de Omgevingsdienst Groningen (ODG) verantwoordelijk. Deze onderdelen vallen daarom buiten deze U&HS.

4.3 Uitkomsten risicoanalyse

Omdat onze capaciteit beperkt is, kunnen we niet alles tegelijk uitvoeren. Daarom geven we prioriteit aan de activiteiten met het hoogste risico voor de leefomgeving. Deze prioriteiten vormen de basis voor onze jaarlijkse uitvoering.

Een overzicht van de volledige risicomatrix en de uitkomsten daarvan staat in bijlage 3B – Uitkomsten Risicoanalyse.

De risicoanalyse wordt jaarlijks herzien en zo nodig aangepast.De actuele uitkomsten worden opgenomen in het Programma Uitvoering en Handhaving (PUH).

De activiteiten met de hoogste prioriteit krijgen planmatig toezicht en handhaving. Activiteiten met een lager risico pakken we op wanneer er signalen of meldingen binnenkomen. Afhankelijk van de aard en ernst van de signalen kan dat leiden tot gericht toezicht op een specifiek thema, gebied of doelgroep.

De prioritering van risico’s bepaalt hoe intensief we onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) inzetten. We stemmen onze inzet af op de mate van risico: hoe hoger het risico, hoe actiever onze inzet.

Prioriteit 

Mate van VTH inzet 

 

Hoog 

(Pro)Actief 

We anticiperen op mogelijke overtredingen en sporen ze vroegtijdig op. Dit gebeurt vaak projectmatig, per thema, branche of gebied. De gemeente neemt zelf het initiatief voor controles bij activiteiten met een hoog risico, ook als er geen klachten of meldingen zijn. Signalen binnen deze categorie krijgen altijd voorrang

Gemiddeld 

Regulier 

(actief en/of passief) 

Signalen bij activiteiten met een gemiddeld risico worden afgehandeld op basis van de aard, ernst en omvang. Planmatig toezicht op specifieke thema’s, doelgroepen of gebieden is mogelijk. 

Laag 

Passief 

Signalen bij activiteiten met een laag risico worden meestal niet direct opgepakt, tenzij er sprake is van acuut gevaar of spoedeisende situaties. Waar mogelijk informeren we betrokkenen over de aanpak. Signalen kunnen worden gebundeld om inzicht te krijgen in patronen, waarna ze later in planmatig toezicht kunnen worden meegenomen. 

De prioritering helpt ons om beschikbare capaciteit gericht in te zetten en om keuzes te maken die het grootste effect hebben op de veiligheid en leefbaarheid in Midden-Groningen. Bij overtredingen met een hoog risico beschrijven we in het vervolg:

  • de probleemstelling;

  • de aanpak;

  • en het doel van de beheersmaatregelen.

Zo wordt duidelijk waarom een risico een probleem vormt, wat we eraan doen en wat we willen bereiken. Het doel geeft richting aan onze acties en helpt ons te meten of we succesvol zijn in het beheersen of verminderen van risico’s.

 

 

Handelen zonder of in strijd met vergunningsvoorwaarden voor constructieve en brandveiligheidsaspecten bij het bouwen van bouwwerken

Probleemstelling

Het is onze taak om ervoor te zorgen dat er constructief en brandveilig wordt gebouwd. Wanneer wordt gehandeld zonder vergunning of in strijd met vergunningsvoorwaarden die betrekking hebben op constructieve of brandveiligheidseisen, kan dit leiden tot onveilige situaties. Er bestaat risico op instortingsgevaar en op het uitbreken van brand.

Het risico is het grootst bij bouwwerken waarin niet-zelfredzame personen verblijven, zoals verzorgingsinstellingen of scholen.

De aardbevingsproblematiek in Midden-Groningen vergroot deze risico’s. Aardbevingen kunnen bestaande scheuren en constructieve zwakheden verergeren, vooral als gebouwen niet voldoen aan de eisen voor aardbevingsbestendigheid. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor bewoners en gebruikers van het pand.

Daarom is het naleven van vergunningsvoorwaarden in het aardbevingsgebied nog belangrijker. Onvoldoende brandveiligheidsmaatregelen vergroten het risico verder: bij een aardbeving kunnen gasleidingen, elektriciteitssystemen of brandalarminstallaties beschadigd raken, waardoor branden sneller uitbreiden.

In gebieden met een verhoogd aardbevingsrisico is het daarom essentieel dat alle bouwwerken voldoen aan de hoogste veiligheidsnormen. Zo voorkomen we instortings- en brandgevaar en beschermen we bewoners en gebruikers.

Doel

  • 95% van de brandonveilige woonsituaties is binnen drie maanden na constatering opgelost.

  • We realiseren een 95% naleving van de voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bij vergunningplichtige verbouwprojecten in het aardbevingsgebied.

Aanpak

Voor bouwwerken buiten het aardbevingsgebied werken we volgens onze toezichtstrategie en bijbehorende protocollen. We toetsen vergunningaanvragen risicogericht en houden toezicht op de uitvoering van verleende vergunningen.

Voor het aardbevingsgebied hanteren we een specifieke aanpak. We werken nauw samen met de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) aan het aardbevingsbestendig maken van gebouwen. De NCG is verantwoordelijk voor het versterken van huizen, gebouwen en infrastructuur in het Groningse aardbevingsgebied. Bij het bouwen en versterken gebruiken we de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 9998.

Deze richtlijn biedt technische handvatten voor zowel nieuwbouw als het preventief versterken van bestaande gebouwen.

 

 

Samenwerking binnen VTH Drieslag

De term ‘VTH Drieslag’ verwijst naar een samenwerkingsverband van vijf Groningse gemeenten op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. Deze samenwerking is gericht op het efficiënter en effectiever uitvoeren van U&H-taken, met speciale aandacht voor de versterkingsopgave als gevolg van de gaswinning.

De gemeente Midden-Groningen maakt deel uit van dit samenwerkingsverband, maar voert de U&H-taken binnen de versterkingsopgave zelfstandig uit. Dat betekent dat we zelf verantwoordelijk zijn voor de behandeling van vergunningaanvragen, het toezicht en de handhaving bij versterkingsprojecten.

We werken met een flexibel team van specialisten dat vergunningaanvragen beoordeelt, toezicht houdt tijdens de bouw en optreedt bij onveilige situaties.

 

Sinds 2016 werken de aardbevingsgemeenten en de NCG nauw samen binnen het VTH-Drieslagkader. In december 2020 is deze samenwerking opnieuw bevestigd via de intentieverklaring ‘VTH Drieslag 3.0’. Hierin is afgesproken dat gemeenten en de NCG gezamenlijk en uniform optreden bij vergunningverlening in de versterkingsoperatie. De volledige intentieverklaring is opgenomen in bijlage 2.

In het Lokaal Plan van Aanpak Versterking Midden-Groningen 2025 staat hoe de gemeente met de versterkingsopgave omgaat. Dit plan bevat beleidsmatige en operationele kaders om de veiligheid en leefbaarheid in het aardbevingsgebied te waarborgen. Het vormt de jaarlijkse leidraad voor uitvoering door de gemeente en haar partners. Daarnaast stelt VTH Drieslag jaarlijks een uitgangspuntennotitie op als richtlijn voor het uitvoeringsprogramma handhaving.

Bijdrage aan speerpunten uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Speerpunt 3: Voldoende en betaalbare woningen voor bestaande en nieuwe inwoners.

In Midden-Groningen willen we invulling geven aan onze bouwopgave. In de Woonvisie is vastgelegd dat we de komende zeven jaar 1.250 woningen willen realiseren.

De VTH-organisatie verleent vergunningen voor woningbouwprojecten die voldoen aan eisen van betaalbaarheid en diversiteit.

Er zijn prestatieafspraken gemaakt met woningcorporaties en huurderorganisaties om voldoende betaalbare en sociale huurwoningen te realiseren.

Daarnaast richt het Programma Vrijkomende Locaties zich op het hergebruiken van leegstaande panden (zoals voormalige scholen) en het omvormen van deze locaties tot aantrekkelijke woningen - zowel koop- als huurwoningen.

 

 

Het in gebruik hebben en laten bestaan van verpauperde panden

Probleemstelling

Verspreid over de gemeente Midden-Groningen staan panden en woningen die verpauperd of slecht onderhouden zijn. Deze zogenoemde ‘rotte kiezen’ – kwetsbare percelen – hebben een negatieve invloed op de leefbaarheid en veiligheid in de omgeving.

Leegstaande, vervallen panden en rommelerven zorgen voor een onverzorgde uitstraling en kunnen gevoelens van onveiligheid vergroten. Daarnaast trekken deze locaties soms ongewenste activiteiten aan, zoals vandalisme of illegale bewoning.

Doel

De gemeente Midden-Groningen wil in de komende tien jaar 90% van de 132 geregistreerde verpauperde panden verbeteren. Dit doen we door:

  • handhavend optreden waar nodig;

  • herstel of verduurzaming (cascoherstel);

  • of sloop in het kader van herstructurering of gebiedsontwikkeling.

Door verpaupering aan te pakken verbeteren we de woon- en leefkwaliteit én maken we Midden-Groningen aantrekkelijker voor bewoners, ondernemers en bezoekers.

Aanpak

We hanteren een proactieve aanpak om verpauperde panden structureel aan te pakken. Binnen het Nationaal Programma Groningen (NPG) zijn verschillende initiatieven ontwikkeld om pandeigenaren te ondersteunen bij herstel en revitalisatie. Dit omvat onder meer financiële steun voor aankoop en verbetering van panden, met als doel de leefkwaliteit in de wijken te verbeteren.

De gemeente werkt sinds 2019 aan een plan van aanpak Zorgelijk Onderhoud. Op 28 januari 2021 stelde de gemeenteraad het lokale NPG-programmaplan “Hart voor Midden-Groningen vast. Het project Aanpak Verpauperde Panden is onderdeel van dit programma.

Voor dit project heeft de gemeente in 2021 NPG-middelen ontvangen. Het project loopt tien jaar en is opgedeeld in twee fasen. In de eerste fase (tot en met het eerste kwartaal van 2024) zijn de eerste panden aangepakt en is de aanpak verder ontwikkeld op basis van opgedane ervaringen. Het doel in deze fase is:

  • 15 woningen cascoherstel en verduurzaming;

  • eventueel 5 panden aankopen voor herstructurering of gebiedsontwikkeling.

Toepassing van de excessenregeling

Bij de aanpak van verpauperde panden gebruiken we de excessenregeling. Het college van burgemeester en wethouders past deze regeling toe wanneer sprake is van een buitensporig slecht uiterlijk dat duidelijk zichtbaar is en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Deze regeling biedt de gemeente een juridisch instrument om eigenaren aan te spreken en herstel af te dwingen als vrijwillig herstel uitblijft.

Bescherming van karakteristieke panden

Voor karakteristieke panden hanteert de gemeente Midden-Groningen een afwegingskader karakteristieke panden. Dit kader waarborgt de bescherming van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Het helpt bij het afwegen van vergunningen voor verbouwing of sloop, zodat er een balans blijft tussen gebruikswaarde en karakteristieke waarde.

Bij elke vergunningaanvraag wordt het afwegingskader toegepast om te beoordelen of plannen passen binnen het gemeentelijk beleid voor karakteristieke panden. De gemeente houdt toezicht op de uitvoering van verleende vergunningen en treedt handhavend op bij overtredingen.

Zo zorgen we ervoor dat de karakteristieke kwaliteit van de gemeente behouden blijft en dat bouwwerkzaamheden voldoen aan de geldende regels en richtlijnen.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door verpaupering aan te pakken verbeteren we de kwaliteit en uitstraling van de leefomgeving. We versterken daarmee de veiligheid, leefbaarheid en trots op de woonomgeving.

 

Splitsen van panden ten behoeve van het toevoegen van extra woningen/ wonen waar niet is toegestaan/ illegale kamergewijze verhuur

Probleemstelling

Ook in Midden-Groningen is er een tekort aan betaalbare woningen. Vooral in delen van Foxham, Hoogezand-Noord, Hoogezand-Zuid, Foxhol, Eemskanaal-Zuid, Boswijck-West en Margrietpark is de druk op de woningmarkt groot.

 

De gemeente heeft de afgelopen jaren fors ingezet op woningbouw: in 2024 werden 164 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Toch is dat nog niet genoeg om het tekort op te lossen.

Daardoor ontstaan ongewenste situaties zoals illegale woningsplitsing, kamergewijze verhuur of bewoning waar dat niet is toegestaan. Deze vormen van illegaal gebruik kunnen leiden tot:

  • conflicten met het omgevingsplan;

  • onveilige woonomstandigheden;

  • overlast en druk op de leefbaarheid;

  • en een verstoring van de woningmarkt.

Illegale woningsplitsing lost de woningnood niet op — het verergert deze juist door hogere huren, overbewoning en een slechtere woningkwaliteit. Het is daarom belangrijk dat nieuwe woningen veilig, vergund en betaalbaar worden gerealiseerd.

Een specifieke ontwikkeling binnen deze prioriteit is de aanpak van illegale bewoning van recreatiewoningen. De gemeenteraad besloot op 27 juni 2024 de recreatieve bestemming van vakantieparken te behouden en stelde beleidskaders vast voor het gebruik ervan. Het college kreeg de opdracht om dit beleid verder uit te werken en te komen met een plan van aanpak voor permanente en tijdelijke bewoning.

Door een recente brief van minister Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) is dit proces echter tijdelijk stilgelegd. De minister heeft aangegeven dat personen die nu permanent in een recreatiewoning wonen, zekerheid moeten krijgen dat zij daar in de toekomst mogen blijven. De gemeente wacht de landelijke ontwikkelingen op dit punt af.

Doel

  • Binnen vier jaar controleert de gemeente minimaal 80% van alle gemelde gevallen van illegale woningsplitsing.

  • De handhaving van illegale bewoning van recreatiewoningen wordt versterkt door voorlichting en bewustwording en door meer gerichte controles.

  • Het aantal geconstateerde overtredingen van illegale bewoning daalt met 30% binnen vier jaar na de start van de bewustwordingscampagne.

Aanpak

Wonen is een van de belangrijkste prioriteiten van de gemeenteraad. In de Woonvisie is vastgelegd hoe we zorgen voor voldoende en betaalbare woningen en een prettige woonomgeving.

Een belangrijk instrument hierbij is de opkoopbescherming. Deze regeling bepaalt dat woningen in bepaalde wijken of prijsklassen alleen gekocht mogen worden door mensen die er zelf gaan wonen.

De opkoopregeling en de aanpak van illegale woningsplitsing versterken elkaar:

  • Beleggers kunnen minder makkelijk woningen opkopen om te splitsen in kleine huurwoningen;

  • Hierdoor blijft het aanbod van koopwoningen behouden voor inwoners die zelf een woning zoeken;

  • Dit draagt bij aan betaalbaarheid, doorstroming en evenwicht op de woningmarkt.

Door de opkoopregeling wordt het voor beleggers minder aantrekkelijk om woningen op te kopen en te (illegaal) splitsen.

Wat betreft illegale bewoning van recreatiewoningen wachten we de landelijke besluitvorming af voordat verdere handhavingsmaatregelen worden genomen.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 3: Voldoende en betaalbare woningen voor bestaande en nieuwe inwoners.

 

Met deze aanpak dragen we bij aan een evenwichtige woningmarkt. We zorgen ervoor dat nieuwe woningen veilig, vergund en duurzaam worden gerealiseerd, zodat inwoners van Midden-Groningen betaalbaar en prettig kunnen wonen.

4. Handelen zonder of in strijd met erfgoed

Probleemstelling

Het behoud van erfgoed is voor de gemeente Midden-Groningen een belangrijk speerpunt.Erfgoed omvat rijks- en gemeentelijke monumenten, karakteristieke gebouwen en beschermde dorpsgezichten — gebouwen en objecten met historische en cultuurwaarde die onze dorpen hun eigen identiteit geven.

De gemeente telt:

  • 156 rijksmonumenten

  • 2 rijksbeschermde dorpsgezichten

  • 191 gemeentelijke monumenten

  • circa 1.200 karakteristieke panden

De rijksmonumenten en beschermde dorpsgezichten vallen onder rijksbescherming, terwijl de gemeentelijke monumenten zijn opgenomen in het Erfgoedregister Midden-Groningen en beschermd via de Erfgoedverordening 2018. De karakteristieke panden en gebieden zijn planologisch beschermd in het omgevingsplan.

Door de gevolgen van de gaswinning zijn veel waardevolle panden beschadigd geraakt. Zonder extra aandacht dreigen sommige gebouwen met historische waarde verloren te gaan in de versterkings- en hersteloperatie.

Het handelen zonder vergunning of in strijd met vergunningvoorwaarden bij een monument of karakteristiek pand kan leiden tot onomkeerbare schade aan cultuurhistorische waarden.

Dat geldt ook voor werkzaamheden in archeologisch waardevolle gebieden zonder de juiste vergunningen: archeologische vondsten kunnen dan onherstelbaar verloren gaan.

Erfgoed vertelt het verhaal van onze dorpen en inwoners. We willen dat behouden - zodat toekomstige generaties kunnen zien waar we vandaan komen en wie we zijn.

Doel

  • 100% van de vergunningsaanvragen voor sloop van karakteristieke panden toetsen aan het Afwegingskader bescherming karakteristieke objecten Midden-Groningen (2020) om illegale sloop te voorkomen.

  • Uiterlijk in 2027 voldoet 90% van de monumenten die worden aangepast aan alle vergunningseisen ter bescherming van cultuurhistorische waarden.

  • Tegen 2027 is minimaal 90% van de karakteristieke panden behouden of versterkt, in lijn met de Omgevingsvisie, om de historische dorpsstructuren en landschapsverschillen te behouden.

Aanpak

1. Vergunningverlening en toezicht

De gemeente hanteert strikte voorwaarden voor wijziging, renovatie of sloop van beschermde gebouwen. Elke ingreep aan een rijks-, gemeentelijk of karakteristiek monument moet voldoen aan vastgestelde eisen om de historische waarde te behouden. We toetsen aanvragen daarom zorgvuldig en integraal, op basis van:

  • de Erfgoedverordening 2018;

  • het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten;

  • en de beleidsnota Archeologie 2020.

Voor archeologische gebieden gebruiken we de verwachtingskaart, zodat inwoners en bedrijven weten waar extra voorzichtigheid nodig is. De nota stelt duidelijke regels vast voor onderzoek, certificering en toezicht volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Zo voorkomen we verstoring en beschermen we waardevolle bodemvondsten.

2. Samenwerking en advisering

We werken intensief samen met Libau en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (Erfgoedcommissie Midden-Groningen). Deze commissie adviseert het college en de raad over vergunningen, beleid en plannen die van invloed zijn op erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Zo borgen we dat elke aanpassing aan rijks- of gemeentelijke monumenten de historische waarde respecteert.

We voeren daarnaast periodiek toezicht uit op de staat van monumenten en karakteristieke panden. Door vroegtijdige inspecties kunnen we overtredingen of schade snel signaleren en aanpakken.

3. Bescherming van karakteristieke panden

De gemeente telt ongeveer 1.200 karakteristieke panden die het straatbeeld mede bepalen. Deze panden zijn geen monument, maar hebben wél cultuurhistorische waarde. Daarom zijn ze beschermd in het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten.

Een omgevingsvergunning voor sloop kan alleen worden verleend als dit past binnen de regels van het omgevingsplan. Bij elke aanvraag of melding toetsen wij aan het Afwegingskader bescherming karakteristieke objecten (2020). Dat geldt ook voor verbouw of nieuwbouw waarbij karakteristieke onderdelen worden gewijzigd of verwijderd.

We hanteren de algemene erfgoedcriteria en voeren in welstandsluwe gebieden een beperkte welstandstoets uit om wantoestanden te voorkomen. Deze toets is gekoppeld aan de excessenregeling uit de Welstandsnota 2020.

Het college past de excessenregeling toe als er sprake is van een buitensporig uiterlijk dat duidelijk afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 2: Beleefbare omgeving met behoud en versterking van landschapsverschillen en karakter/historie van kernen.

Door erfgoed te beschermen en zorgvuldig te beheren behouden we het karakter en de identiteit van onze dorpen. We versterken de beleefbaarheid van de omgeving en dragen bij aan een aantrekkelijke, herkenbare en trotse gemeente.

Afval illegale stort (meldingen afvalstort en zwerfvuil)

Probleemstelling

Illegale afvalstort en zwerfafval veroorzaken milieuschade, onveilige situaties en verloedering van de openbare ruimte. Bewoners ervaren overlast en irritatie door rommel en bijplaatsingen van afval — het neerzetten van vuilnis naast of bij containers zonder toestemming.

Bijplaatsingen zorgen voor vervuilde straten, ongedierte en een negatieve uitstraling van de buurt. Het gaat hierbij niet om illegale dumpingen van bijvoorbeeld drugsafval, die onder een ander beleidsterrein vallen.

Een schone leefomgeving draagt bij aan veiligheid, leefbaarheid en trots op de eigen woonomgeving. Daarom pakken we dit probleem zichtbaar, structureel en in samenwerking met bewoners aan.

Doel

  • Uiterlijk eind 2027 is het aantal hotspots voor bijplaatsingen van afval met minimaal 50% verminderd ten opzichte van het huidige niveau.

Aanpak

We reageren direct op meldingen van afvalstort en zwerfvuil. Waar mogelijk wordt een melding onmiddellijk afgehandeld. Wanneer het aantal meldingen in een gebied stijgt, pakken we dit projectmatig aan: we voeren dan gedurende een bepaalde periode intensieve controles en handhaving uit.

Naast handhaving zetten we ook in op preventie en bewustwording. Dat doen we door:

  • te zorgen dat de afvalcontainers schoon en goed werkend blijven;

  • de omgeving rondom de containers netjes te houden;

  • en door middel van voorlichting en campagnes over juist afvalgedrag.

De afdeling Beheer Openbare Ruimte (BOR/Afval) is verantwoordelijk voor deze campagnes en werkt samen met andere afdelingen aan een structureel schone en veilige leefomgeving.

We geloven dat een schone buurt begint bij een goed voorbeeld van de gemeente zelf — en bij inwoners die weten wat ze kunnen doen.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door het verminderen van zwerfvuil en bijplaatsingen verbeteren we de kwaliteit van de openbare ruimte. Een schone omgeving stimuleert bewoners om zich betrokken te voelen bij hun wijk en bijdraagt aan een prettig, veilig straatbeeld.

 

Handelen in strijd met de voorschriften carbid schieten

Probleemstelling

Carbidschieten is een traditie die in onze gemeente leeft, maar het moet wel veilig en verantwoord gebeuren. Schieten zonder vergunning of in strijd met de regels kan leiden tot gevaarlijke situaties, geluidsoverlast en schade aan eigendommen. De regels voor carbidschieten zijn recent aangepast in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Tijdens de jaarwisseling van 2024/2025 zijn enkele overtredingen geconstateerd. Daarom is begin 2025 een nieuwe aanpak voorbereid om de naleving te verbeteren.

Doel

We willen het aantal overtredingen van de regels voor carbidschieten met 80% verminderen vóór 2029, door middel van:

  • duidelijke en tijdige communicatie met inwoners;

  • een eenvoudige ontheffingsprocedure;

  • en actieve handhaving rond de jaarwisseling.

Aanpak

We blijven ruimte bieden voor veilig en gereguleerd carbidschieten. Inwoners en verenigingen die carbid willen schieten, nodigen we uit om tijdig een ontheffing aan te vragen. We informeren hen helder over de aanwijzingslocaties, de voorwaarden en de veiligheidsvoorschriften.

 

Tijdens de jaarwisseling houden we gericht toezicht op locaties waar carbidschieten is toegestaan. Bij overtredingen treden we op, maar we zetten vooral in op voorlichting, veiligheid en naleving - zodat de traditie behouden blijft, zonder risico’s voor omwonenden.

Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie:

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door duidelijke regels en communicatie rondom carbidschieten zorgen we voor veiligheid, leefbaarheid en wederzijds begrip. Zo blijft deze traditie behouden op een manier die past bij een veilige en respectvolle samenleving.

Handelen zonder of in strijd met de exploitatievergunning

Probleemstelling

Het exploiteren van een bedrijf zonder geldige vergunning kan leiden tot overlast, onveiligheid en oneerlijke concurrentie. Ondernemers die zonder exploitatievergunning werken, onttrekken zich aan toezicht en regels die bedoeld zijn om leefbaarheid en veiligheid in de omgeving te waarborgen.

Daarnaast verzwakt het ontbreken van vergunningen de informatiepositie van de gemeente. Zonder actuele gegevens kunnen we geen Bibob-toets uitvoeren en niet goed beoordelen of er sprake is van integriteitsrisico’s of ondermijnende activiteiten.

Dit maakt effectief toezicht moeilijker en vergroot het risico op onwenselijke of onveilige situaties in de openbare ruimte.

Doel

  • We willen de transparantie vergroten, overlast verminderen en de informatiepositie van de gemeente versterken.

  • Daarom actualiseren we in deze beleidsperiode het vergunningenbestand, te beginnen bij de horecaondernemers.

  • Ons doel is een actueel, volledig en betrouwbaar overzicht van alle exploitatievergunningen binnen de gemeente Midden-Groningen.

Aanpak

In deze beleidsperiode voeren we een analyse uit van de bestaande exploitatievergunningen en de bijbehorende voorwaarden.

Daarnaast maken we een inventarisatie van klachten en meldingen om inzicht te krijgen in waar overtredingen of onvergunde activiteiten plaatsvinden. Op basis van die analyse ondernemen we gerichte, proactieve acties om bedrijven zonder geldige vergunning aan te spreken of handhavend op te treden. We werken hierbij nauw samen met:

  • de politie;

  • de brandweer;

  • en andere relevante partners (zoals toezicht- en handhavingsteams).

Samen zorgen we dat overtredingen vroegtijdig worden herkend en aangepakt, met als doel een veilige, eerlijke en leefbare omgeving voor inwoners en ondernemers.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door toezicht te versterken en vergunningen te actualiseren, verbeteren we de veiligheid en betrouwbaarheid van ondernemerschap in Midden-Groningen. Zo zorgen we dat bedrijven eerlijk, transparant en verantwoord kunnen ondernemen binnen de regels die voor iedereen gelden.

 

Handelen zonder of in strijd met de exploitatievergunning seksinrichting

Probleemstelling

Het exploiteren van een seksinrichting zonder geldige vergunning brengt grote risico’s met zich mee voor veiligheid, leefbaarheid en integriteit. Illegale bedrijven veroorzaken overlast, verstoren de leefomgeving en creëren oneerlijke concurrentie ten opzichte van vergunde ondernemingen.

Daarnaast vergroten onvergunde seksinrichtingen het risico op criminele en ondermijnende activiteiten, zoals uitbuiting en mensenhandel. Deze bedrijven opereren vaak buiten zicht van de overheid, waardoor controle en toezicht moeilijk zijn.

In Midden-Groningen zijn momenteel twee seksinrichtingen met een geldige exploitatievergunning. Er zijn echter signalen van illegale activiteiten, wat vraagt om een gerichte en versterkte aanpak vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).

Doel

Binnen 12 maanden voeren we een volledige analyse uit van alle exploitatievergunningen voor seksinrichtingen. Daarnaast brengen we klachten, meldingen en signalen in kaart. Doel hiervan is om:

  • meer zicht en grip te krijgen op deze risicovolle branche;

  • openbare veiligheid en leefbaarheid te versterken;

  • en illegale activiteiten te verminderen door gerichte handhaving en toezicht.

Aanpak

1. Analyse en inventarisatie

We starten met het doorlichten van bestaande exploitatievergunningen en de bijbehorende voorwaarden. Tegelijkertijd maken we een overzicht van klachten, meldingen en signalen om patronen te herkennen. Deze informatie vormt de basis voor gerichte controles en prioritering van toezicht.

2. Toezicht en handhaving

Op basis van de analyse ondernemen we proactieve acties richting bedrijven zonder geldige vergunning. We treden handhavend op bij overtredingen door:

  • schriftelijke waarschuwingen;

  • boetes;

  • of, bij herhaling of ernstige overtredingen, een last onder dwangsom.

Bij aanhoudende of ernstige overtredingen kan het college besluiten tot tijdelijke of permanente sluiting van de inrichting.

3. Samenwerking met partners

We werken intensief samen met onze veiligheidspartners, waaronder:

  • Politie (AVIM, TMM)

  • Nederlandse Arbeidsinspectie

  • GGD Groningen

  • en andere relevante instanties binnen het zorg- en veiligheidsdomein.

Deze samenwerking is essentieel om illegale praktijken te signaleren, informatie te delen en snel op te treden.

4. Monitoring en evaluatie

We implementeren een systeem voor structurele monitoring van alle vergunde bedrijven. Hiermee houden we vergunningen actueel en signaleren we vroegtijdig wanneer een inrichting niet meer aan de voorwaarden voldoet.

Daarnaast voeren we jaarlijkse evaluaties uit van ons vergunningenbeleid en de effectiviteit van handhavingsmaatregelen, zodat we waar nodig kunnen bijsturen en verbeteren.

Bijdrage aan speerpunt 5 omgevingsvisie

Speerpunt 5: Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemerschap in balans met de omgeving en arbeidsmarkt.

Door toezicht en handhaving te versterken binnen deze risicovolle branche zorgen we dat ondernemerschap eerlijk en veilig blijft. Zo creëren we ruimte voor bedrijven die binnen de regels opereren, en beschermen we inwoners tegen misstanden en ondermijning.

Overtreden van samenscholingsverbod en ongeregeldheden/gebiedsverboden

Probleemschets

Overtreding van samenscholingsverboden en gebiedsverboden kan leiden tot verstoring van de openbare orde, gevoelens van onveiligheid en overlast. In gebieden waar regelmatig samenscholing of onrust voorkomt, kunnen deze instrumenten noodzakelijk zijn om de rust en veiligheid te herstellen.

Steeds meer gemeenten zetten gebiedsverboden in om crimineel of overlastgevend gedrag te beperken. Ook in Midden-Groningen zien we dat dit middel vaker zal worden toegepast. Daarom willen we deze ontwikkeling nauwkeurig volgen, ervaringen verzamelen en tijdig bijsturen waar nodig.

Een overtreding van een gebiedsverbod kan wijzen op onderliggende problemen, zoals onduidelijkheid over de grenzen van het verbod, onvoldoende alternatieven voor de overtreder of gebrekkige naleving door de handhavende partijen.

Een goede uitvoering vraagt daarom om duidelijke communicatie, goede afstemming en consistent toezicht.

Doel

Wanneer sprake is van (ernstige) overlast of verstoring van de openbare orde, handhaven wij actief op het naleven van gebieds- en samenscholingsverboden. Ons doel is om:

  • de naleving van opgelegde gebiedsverboden te maximaliseren;

  • en zo de openbare orde, veiligheid en leefbaarheid te waarborgen.

Aanpak

Een gebiedsverbod kan worden opgelegd aan personen die herhaaldelijk overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in een bepaald gebied. De overtreding van zo’n verbod pakken we direct en zichtbaar aan. Onze aanpak bestaat uit drie onderdelen:

  • Signaleren en monitoren – we volgen actief de ontwikkeling en het aantal opgelegde gebiedsverboden en overtredingen;

  • Afstemmen en samenwerken – we werken samen met politie, toezichthouders, jeugd- en veiligheidspartners om toezicht te houden en herhaling te voorkomen;

  • Communiceren en evalueren – we zorgen voor duidelijke uitleg over de geldende verboden en voeren periodiek overleg over de effectiviteit van de maatregel.

Door deze integrale aanpak bevorderen we begrip, duidelijkheid en naleving, en dragen we bij aan een veilige openbare ruimte voor iedereen.

Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

 

Door de naleving van gebiedsverboden te versterken en beter samen te werken met veiligheidspartners zorgen we voor meer rust, veiligheid en vertrouwen in de openbare ruimte. Zo blijft Midden-Groningen een plek waar inwoners zich vrij en veilig kunnen bewegen.

Schenken van alcohol aan minderjarigen/wederverstrekking

Probleemstelling

Het verstrekken of wederverstrekken van alcohol aan minderjarigen brengt grote risico’s met zich mee voor gezondheid, veiligheid en leefbaarheid. Het kan leiden tot verslavingsproblematiek, overlast en ongewenst gedrag, vooral bij jongeren.

Alcoholverstrekking aan minderjarigen vindt niet alleen plaats in de reguliere horeca, maar ook:

  • bij evenementen;

  • in sportkantines en andere paracommerciële instellingen;

  • en soms thuis of via derden (wederverstrekking).

De uitdaging is om een goede balans te vinden tussen het stimuleren van maatschappelijke activiteiten en het voorkomen van schadelijke neveneffecten zoals overmatig drankgebruik of overlast.

Doel

Ons doel is om de verstrekking en wederverstrekking van alcohol aan minderjarigen effectief te beperken. Dit doen we door:

  • te handelen conform onze lokale regelgeving;

  • en het vaststellen van een verordening voor paracommerciële instellingen.

Zo bevorderen we gezondheid, naleving en gelijke concurrentievoorwaarden tussen commerciële en niet-commerciële horeca.

Aanpak

1. Verordening voor paracommerciële instellingen

We stellen een verordening op die de alcoholverstrekking binnen paracommerciële instellingen (zoals sport- en buurtverenigingen) reguleert. Deze verordening zorgt dat instellingen zich blijven richten op hun maatschappelijke kernactiviteiten, zoals sport of cultuur, en niet op horeca als hoofdactiviteit.

Door duidelijke regels te stellen - bijvoorbeeld over openingstijden, doelgroepen en soorten evenementen - kunnen we:

  • gezondheidsrisico’s bij jongeren verminderen;

  • oneerlijke concurrentie met commerciële horeca voorkomen;

  • en overlast in woonwijken beperken.

De verordening biedt zowel instellingen als de gemeente duidelijkheid over wat wel en niet is toegestaan, waardoor handhaving en naleving eenvoudiger worden.

2. Toezicht en handhaving

Gedurende het jaar houden we gericht toezicht op:

  • paracommerciële instellingen;

  • supermarkten;

  • horecagelegenheden;

  • en evenementen.

We controleren op naleving van de regels uit de Alcoholwet en de gemeentelijke verordening. Bij overtredingen volgen we een stapsgewijze aanpak: van waarschuwing tot sanctie.

Daarnaast werken we samen met partners in het preventienetwerk om jongeren en ouders bewust te maken van de gevaren van alcoholgebruik onder de 18.

Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door alcoholgebruik onder jongeren te beperken en handhaving te versterken, dragen we bij aan een gezonde, veilige en sociale leefomgeving.

We stimuleren verantwoord gedrag binnen verenigingen en horeca, en beschermen jongeren tegen de negatieve gevolgen van te vroeg alcoholgebruik.

Het niet (tijdig/ te laat) melden en/ of handelen in strijd met een evenementenvergunning

Probleemstelling

Evenementen dragen bij aan levendigheid, ontmoeting en plezier in Midden-Groningen. Maar wanneer een melding of vergunningaanvraag te laat wordt ingediend, ontstaat onvoldoende voorbereidingstijd voor toetsing op openbare orde, veiligheid en hulpdiensten. Dit kan leiden tot risico’s voor bezoekers, overlast voor omwonenden en druk op de organisatie.

Door het groeiende aantal evenementen in onze gemeente neemt ook de complexiteit van vergunningverlening en toezicht toe. Een goede balans tussen ruimte voor initiatieven en zorgvuldige voorbereiding is daarom essentieel.

Doel

De gemeente wil dat alle evenementen veilig, goed georganiseerd en naleefbaar verlopen. Daarom streven we ernaar dat:

  • de voorwaarden van evenementenvergunningen strikt worden nageleefd;

  • meldingen en aanvragen tijdig worden ingediend;

  • en het evenementenklimaat veilig, aantrekkelijk en beheersbaar blijft.

Ons uiteindelijke doel is een prettige en veilige evenementenpraktijk, die bijdraagt aan de kwaliteit van leven in onze gemeente.

 

Aanpak

1. Uitvoering van het evenementenbeleid

We voeren het beleid uit volgens de gemeentelijke evenementenregeling en toezichtstrategie. Hierbij hanteren we duidelijke richtlijnen voor:

  • meldingsplichtige evenementen;

  • vergunningsplichtige evenementen (type A, B en C);

  • en meldingvrije evenementen.

Het beleid biedt meer flexibiliteit door de introductie van meerjarige vergunningen voor terugkerende evenementen. Tegelijkertijd voeren we strenger toezicht uit op naleving, om risico’s te beperken en de veiligheid te vergroten.

2. Handhaving en samenwerking

Bij overtredingen - zoals het niet melden of te laat aanvragen van een evenement, of het handelen zonder vergunning - treden we proactief en consequent op. We werken hierbij samen met:

  • politie;

  • brandweer;

  • Veiligheidsregio Groningen;

  • en interne partners zoals VTH en OOV (Openbare Orde en Veiligheid).

Deze samenwerking zorgt dat evenementen veilig kunnen plaatsvinden, met aandacht voor crowd control, verkeersveiligheid en noodhulp.

3. Evaluatie

Het evenementenbeleid wordt in de tweede helft van 2025 geëvalueerd. Daarbij bekijken we:

  • of de huidige regels toereikend zijn;

  • hoe de meldings- en vergunningsprocedures werken;

  • en waar verbeteringen mogelijk zijn in voorbereiding, communicatie en toezicht.

Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie:

Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.

Door evenementen goed te reguleren en tijdig te toetsen dragen we bij aan een veilige, levendige en gastvrije gemeente. Zo blijven evenementen een positieve bijdrage leveren aan ontmoeting, verbinding en trots in Midden-Groningen.

 

5 Strategieën en werkwijzen

 

Inleiding

In dit hoofdstuk beschrijven we de strategieën en werkwijzen die de gemeente Midden-Groningen hanteert bij de uitvoering van haar vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken (VTH).

De prioriteiten en doelstellingen uit hoofdstuk 4 worden hierin vertaald naar concrete uitvoeringsstrategieën, waarmee we onze doelen realiseren.

De wettelijke grondslagen voor deze strategieën zijn vastgelegd in artikelen 13.6 en 13.7 van het Omgevingsbesluit.

Veranderingen door de Omgevingswet

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de manier waarop we vergunningen verlenen, toezicht houden en handhaven ingrijpend veranderd. De wet legt de nadruk op samenwerking, participatie en snellere besluitvorming. Belangrijkste veranderingen:

  • De Omgevingswet stimuleert participatie; bij sommige aanvragen is deze zelfs verplicht.

  • Veel vergunningprocedures moeten binnen acht weken worden afgehandeld.

  • Het is cruciaal om in een vroeg stadium initiatiefnemers, belanghebbenden en ketenpartners te betrekken.

  • Een integrale afweging tussen verschillende belangen is noodzakelijk om besluiten tijdig en zorgvuldig te kunnen nemen.

Door deze nieuwe werkwijze kunnen we sneller, transparanter en samenhangender handelen, in lijn met de uitgangspunten van de wet.

Werkwijze en opbouw van de strategieën

De manier waarop we onze doelen bereiken en risicogericht werken is uitgewerkt in de uitvoeringstrategieën. Deze strategieën zijn gebaseerd op landelijke en regionale kaders en aangevuld met gemeentelijke uitgangspunten die aansluiten op de lokale situatie in Midden-Groningen. De strategieën zorgen ervoor dat:

  • de uitvoering uniform en voorspelbaar verloopt;

  • we gericht kunnen prioriteren op basis van risico’s en effecten;

  • en er duidelijkheid en transparantie is richting inwoners, bedrijven en samenwerkingspartners.

Overzicht van de strategieën

De samenhang tussen de verschillende strategieën binnen de U&HS is hieronder weergegeven. Deze zijn uitgebreid beschreven in Bijlage 4: Strategieën.

Uitvoeringsstrategie  

 

Nalevingstrategie  

Preventiestrategie 

Toetsingsstrategie 

Toezichtstrategie vergunningen 

 

Communicatiestrategie 

Toezichtstrategie 

Sanctiestrategie 

Daarnaast is er voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) een afzonderlijk beleid opgesteld, waarin specifieke afspraken zijn opgenomen over toezicht, verantwoordelijkheden en kwaliteitsbewaking bij bouwprojecten.

Samenhang en toepassing

De strategieën vullen elkaar aan:

  • De preventie- en communicatiestrategie richten zich op bewustwording en naleving.

  • De toetsings- en toezichtstrategieën zorgen dat we risico’s vroegtijdig signaleren en effectief controleren.

  • De sanctiestrategie bepaalt hoe we optreden bij overtredingen.

Door deze strategieën in samenhang toe te passen ontstaat een sluitende beleidscyclus waarin we plannen, uitvoeren, evalueren en verbeteren.

5.1 Uitvoeringsstrategie

Doel en reikwijdte

De uitvoeringsstrategie beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met vergunningverlening, meldingen en toezicht binnen het omgevingsrecht. De strategie biedt inzicht in:

  • de criteria die we gebruiken bij het beoordelen en beslissen op aanvragen voor omgevingsvergunningen;

  • de werkwijze bij het behandelen van meldingen; en

  • de manier waarop toezicht wordt gehouden op de naleving van de geldende wet- en regelgeving.

Met het vastleggen van deze strategie voldoen we aan de verplichtingen uit het Omgevingsbesluit (artikelen 13.6 en 13.7). Onder uitvoering verstaan wij: “Het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen, én het houden van toezicht op het naleven van de verleende vergunningen of meldingen.”

Onderdelen van de uitvoeringsstrategie

Onze uitvoeringsstrategie bestaat uit drie samenhangende onderdelen:

  • 1.

    Preventiestrategie - Gericht op het vergroten van kennis en bewustwording bij inwoners, ondernemers en instellingen. We leggen helder uit welke regels gelden en wanneer een vergunning of melding nodig is, zodat initiatiefnemers spontaan aan de regels kunnen voldoen.

Daarnaast stimuleren we naleving door duidelijke communicatie, begeleiding en samenwerking.

  • 2.

    Toetsingsstrategie - Richt zich op de wijze van beoordeling van aanvragen en meldingen. We toetsen risicogericht: waar de risico’s voor veiligheid, gezondheid of leefomgeving het grootst zijn, ligt onze nadruk op zorgvuldige beoordeling.

  • 3.

    Toezichtstrategie - Richt zich op controle en naleving van verleende vergunningen en meldingen. Ook deze aanpak is risicogericht en verder uitgewerkt in Bijlage 4: Strategieën.

Ons uitgangspunt bij toetsen en controleren is: “Wat we buiten bij toezicht belangrijk vinden, vinden we binnen bij toetsing ook belangrijk.”

Succesvolle instrumenten zoals het omgevingsoverleg en de regionale omgevingstafel zetten we voort en willen we verder versterken.

Basiswerkwijze vergunningverlening

De gemeente zorgt als bevoegd gezag dat het proces van vergunningverlening zorgvuldig, transparant en geborgd verloopt. Het werkproces is vastgelegd in interne procesbeschrijvingen en uitgevoerd in het digitale systeem Rx.Mission, waarin alle stappen van aanvraag tot besluit systematisch worden doorlopen. De basiswerkwijze bestaat uit:

  • ontvangst en registratie van de aanvraag;

  • toetsing aan wet- en regelgeving;

  • afstemming met ketenpartners;

  • besluitvorming;

  • en toezicht op naleving.

Hiermee borgen we kwaliteit, uniformiteit en een voorspelbare dienstverlening.

Centrale rol van de casemanager / vergunningverlener

In onze uitvoeringsstrategie speelt de vergunningverlener (casemanager) een centrale rol. Hij of zij zorgt voor een integrale behandeling van aanvragen en een transparant proces. Casemanagement draagt bij aan:

  • kortere doorlooptijden;

  • betere afstemming tussen beleidsvelden;

  • en duidelijke communicatie met initiatiefnemers.

Een goed casemanagement zorgt voor besluitvorming op maat, passend bij de omgeving en de belangen van inwoners en ondernemers. De komende jaren richten we het voortraject sterker in op vroegtijdige afstemming met initiatiefnemers. Zo kunnen we samen werken aan volledige, vergunbare aanvragen en een snellere formele afhandeling.

Casemanagement passen we toe in zowel het informele als het formele traject; de verdere invulling hiervan werken we de komende periode uit.

Samenwerking met andere bevoegde gezagen

Bij sommige omgevingsvergunningen delen we de verantwoordelijkheid met andere bevoegde gezagen, zoals de provincie of het waterschap. Onze rol verschilt per casus:

  • Wanneer de gemeente Midden-Groningen het bevoegd gezag is, nemen wij de rol van vergunningverlener en besluitvormer.

  • Wanneer een ander bestuursorgaan bevoegd gezag is, zijn wij als adviseur actief en leveren we inhoudelijke inbreng op basis van onze expertise.

Deze samenwerking zorgt voor integrale besluitvorming en sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet: één overheid, één loket.

5.2 Nalevingsstrategie

Doel en opbouw

De nalevingsstrategie beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen naleving van wet- en regelgeving stimuleert en afdwingt. De strategie bestaat uit drie onderdelen, die samen zorgen voor een evenwichtige aanpak:

  • Communicatiestrategie – gericht op bewustwording, informatie en preventie;

  • Toezichtstrategie – gericht op controle en signalering van overtredingen;

  • Sanctiestrategie – gericht op het effectief beëindigen van overtredingen.

Waar de gemeente regels stelt, hoort ook een duidelijke interventiestrategie bij om naleving te bevorderen. Deze interventies variëren van voorlichting en advies tot handhaving en sancties.

Communicatie en bewustwording

Naleving begint met duidelijke communicatie. Inwoners en ondernemers moeten weten welke regels gelden en wat de gevolgen zijn van niet-naleving. Via onze communicatiestrategie vergroten we kennis en bewustzijn door:

  • begrijpelijke informatie te bieden via onze website en loketten;

  • het gebruik van infobladen, campagnes en gesprekken in het veld;

  • en het vroegtijdig betrekken van initiatiefnemers bij vergunning- en toezichtprocessen.

Communicatie is daarmee de eerste stap in preventie: het voorkomt dat overtredingen ontstaan door onwetendheid.

Toezicht en controle

Preventie alleen is niet voldoende. Om te kunnen vaststellen of regels worden nageleefd, is toezicht onmisbaar. Onze toezichthouders voeren verschillende vormen van controle uit:

  • Behandeling van meldingen en handhavingsverzoeken;

  • Thematisch toezicht op specifieke onderwerpen (bijv. bouwveiligheid, horeca, milieu);

  • Gebiedsgericht toezicht en surveillance in wijken en bedrijventerreinen.

Deze werkzaamheden zijn verder uitgewerkt in de toezichtstrategie (zie bijlage 4). Het toezicht is risicogericht: we richten onze capaciteit op locaties en situaties waar de kans op overtreding het grootst is of de gevolgen het zwaarst wegen.

Handhaving en sancties

Wanneer een overtreding wordt vastgesteld die niet kan of mag worden gelegaliseerd, treden we handhavend op. We doen dit efficiënt, proportioneel en in lijn met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De LHSO vormt het uitgangspunt voor prioritering en optreden. Deze landelijke leidraad zorgt dat:

  • er uniform en zorgvuldig wordt gehandhaafd;

  • elke sanctie passend en effectief is;

  • en dat de aanpak evenwichtig blijft tussen preventie, herstel en straf.

Conform de LHSO kiezen we voor een maatregel die het snelst en het meest doelmatig leidt tot beëindiging van de overtreding. De aard van de sanctie hangt af van:

  • de ernst van de overtreding;

  • de omstandigheden en gevolgen;

  • en het naleefgedrag van de overtreder.

Met het vaststellen van deze U&HS stelt de gemeente ook de LHSO formeel vast. De bijbehorende leidraad waarborgt de juiste toepassing in de dagelijkse praktijk.

5.3 Wkb-beleid

Inleiding

De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is op 1 januari 2024 in werking getreden. De invoering vindt stapsgewijs plaats. Tot en met 2028 geldt de wet uitsluitend voor nieuwbouw van eenvoudige bouwwerken (gevolgklasse 1), zoals:

  • eengezinswoningen;

  • kleinere bedrijfsgebouwen;

  • en bijbehorende bouwwerken.

In latere jaren wordt de Wkb ook van toepassing op andere bouwcategorieën en verbouwingen. Zo krijgen bouwbedrijven, kwaliteitsborgers en gemeenten de kans om geleidelijk ervaring op te doen met het nieuwe toezichtstelsel in de bouw.

Doel van het Wkb -beleid

Het Wkb-beleid van de gemeente Midden-Groningen beschrijft hoe wij invulling geven aan ons toezicht en handhaving onder de nieuwe wet. De kern van dit beleid is dat we werken met een risicogerichte en/of steekproefsgewijze toetsing bij bouwmeldingen binnen gevolgklasse 1. Het beleid geeft antwoord op drie vragen:

  • Hoe beoordeelt de gemeente een bouwmelding?

  • Hoe houdt de gemeente toezicht tijdens de bouw en wanneer grijpt zij in?

  • Hoe beoordeelt de gemeente de gereedmelding en handhaaft zij bij ingebruikname zonder geldige verklaring van de kwaliteitsborger?

Richting en uitgangspunten

De Wkb legt meer verantwoordelijkheid bij de marktpartijen — zoals bouwbedrijven en kwaliteitsborgers — voor de bouwkwaliteit. De gemeente blijft echter verantwoordelijk voor:

  • toezicht op veiligheid;

  • en het handhaven bij risico’s of overtredingen.

De wetgever heeft gemeenten ruimte gegeven om zelf te bepalen wanneer en in welke situaties handhavend wordt opgetreden. ezien de beschikbare capaciteit en de gewenste balans tussen vertrouwen en controle, kiest Midden-Groningen voor een gerichte, risicogestuurde aanpak.

Prioritering in toezicht en handhaving

Op basis van onze risicoanalyse geven wij prioriteit aan handhaving bij:

  • constructieve onveiligheid;

  • en brandonveiligheid.

Deze twee thema’s raken direct aan de veiligheid van inwoners en gebruikers en vormen daarom de kern van onze toezichtstrategie. Waar mogelijk zetten we in op preventie, samenwerking met kwaliteitsborgers en actieve communicatie met initiatiefnemers en aannemers.

Uitvoering en richtlijnen

De gemeente hanteert bij het uitvoeren van het Wkb-beleid de landelijke handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): “Toezicht en handhaving Wkb – Handelingsperspectieven voor gemeenten” (versie 2, januari 2024). Deze handreiking biedt praktische richtlijnen voor:

  • de afbakening van gemeentelijke taken;

  • de verhouding tussen kwaliteitsborgers en toezichthouders;

  • en het bepalen van de juiste interventies bij overtredingen of onveilige situaties.

De uitwerking van het Wkb-beleid en de bijbehorende handelingskaders zijn opgenomen in Bijlage 5 van dit document.

Samenvatting kernpunten

  • De Wkb geldt sinds 1 januari 2024 en wordt stapsgewijs ingevoerd tot 2028.

  • Het beleid richt zich nu op nieuwbouw in gevolgklasse 1 (eenvoudige bouwwerken).

  • De gemeente werkt risicogericht en hanteert prioriteit op veiligheid (constructief en brandveilig).

  • De VNG-handreiking vormt de basis voor toezicht en handhaving.

  • De uitwerking van het beleid staat in Bijlage 5.

 

6 Borging van de uitvoering

 

Inleiding

Volgens artikel 13.9 van het Omgevingsbesluit moet de gemeente haar uitvoeringsorganisatie zo inrichten dat deze voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe de gemeente Midden-Groningen invulling geeft aan deze eisen, welke middelen daarvoor nodig zijn en hoe we de kwaliteit van uitvoering, dienstverlening en financiën borgen.

6.1 Organisatie en middelen

Om onze uitvoerings- en handhavingstaken (U&H) goed uit te voeren, zijn voldoende financiële, personele en organisatorische middelen nodig. De eisen aan de kwaliteit van de uitvoering zijn vastgelegd in de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2019. Deze verordening geeft uitvoering aan de wettelijke opdracht uit het Omgevingsbesluit om regels te stellen aan de kwaliteit van de uitvoering. Daarmee is het minimumniveau van kwaliteit voor VTH-taken vastgelegd.

De gemeente is verplicht te voldoen aan de Kwaliteitscriteria 3.0 (en eventuele opvolgers) en werkt deze uit via drie kwaliteitsdoelstellingen:

  • 1.

    Uitvoeringskwaliteit – de inhoudelijke kwaliteit van producten en processen;

  • 2.

    Dienstverlening – de manier waarop we communiceren en samenwerken met inwoners, bedrijven en instellingen;

  • 3.

    Financiën – de verhouding tussen inzet van middelen en de kwaliteit van resultaten.

Met deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) geven we hieraan invulling.

6.2 Kwaliteitsdoelstellingen

1. Uitvoeringskwaliteit van diensten en producten

De uitvoeringskwaliteit gaat over de mate waarin onze vergunningverlening, toezicht en handhaving voldoen aan wettelijke en bestuurlijke doelen en bijdragen aan de omgevingskwaliteit.

Uitvoeringskwaliteit diensten & producten 

Wat willen we bereiken? 

Wat gaan we ervoor doen? 

Binnen zes maanden willen we de uitvoeringskwaliteit meetbaar verbeteren door kortere doorlooptijden (met 10%) en een hogere klanttevredenheid (met 10%). 

We houden werkprocessen actueel en passen ze aan waar nodig. Dit doen we via regelmatig overleg binnen het taakveld vergunningen. 

Uniforme afhandeling van vergunning-, toezicht- en handhavingszaken. 

Jaarlijks actualiseren we het handboek met werkprocessen en protocollen. De uitvoering wordt geborgd door interne kwaliteitscontroles binnen de werkoverleggen van elk domein. 

Continuïteit van dienstverlening waarborgen. 

We houden de kwaliteitscriteria actueel en ondernemen acties om eraan te blijven voldoen. Jaarlijkse kwaliteitsmetingen worden verwerkt in het evaluatieverslag. 

2. Dienstverlening

Dienstverlening gaat over de manier waarop de gemeente communiceert, samenwerkt en service verleent aan inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden. We werken vanuit de kernwaarden vertrouwen, verantwoordelijkheid en vrijheid.

Dienstverlening 

Wat willen we bereiken? 

Wat gaan we ervoor doen? 

Initiatiefnemers snel duidelijkheid geven over de haalbaarheid van hun plannen. 

We leggen procesafspraken vast zodat alle betrokkenen weten wat er van hen verwacht wordt, met extra aandacht voor de voorfase (“Verken uw idee”). 

De klanttevredenheid en efficiëntie van onze dienstverlening verbeteren.  

We handelen conform onze dienstverleningsnormen. Binnen vastgestelde termijnen nemen we contact op en leggen dit zorgvuldig vast in ons zaaksysteem. 

Een betrouwbare overheid zijn die verwachtingen goed managet. 

We geven vroegtijdig duidelijke informatie over procedures, documenten en termijnen. Bij vergunningverlening doen we dit via het omgevingsoverleg (KIL/GIL) en de regionale omgevingstafel. Bij handhavingsverzoeken informeren we over de procedure en verwachte doorlooptijd. 

3. Financiën

Financiën gaan over de inzet van middelen in verhouding tot de kwaliteit van producten en diensten.

Financiën  

Wat willen we bereiken? 

Wat gaan we ervoor doen? 

U&H-taken effectief en efficiënt uitvoeren. 

We zorgen voor voldoende financiële middelen, gekwalificeerd personeel en moderne technologische ondersteuning. Jaarlijks evalueren we dit en sturen we bij waar nodig. 

Inzicht in benodigde en beschikbare middelen. 

We brengen jaarlijks de personele en financiële inzet in kaart, gekoppeld aan de gestelde doelen, zodat we tijdig kunnen bijsturen. 

4. Samenvattend

Door deze kwaliteitsdoelstellingen te combineren, waarborgen we een professionele, betrouwbare en transparante uitvoering van onze taken. We blijven werken aan een organisatie die:

  • kwaliteit borgt via actuele werkprocessen;

  • dienstverlening verbetert door structurele communicatie;

  • en middelen doelmatig inzet voor maximaal effect.

Deze borging wordt jaarlijks geëvalueerd in het Evaluatieverslag Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, waarin resultaten, verbeterpunten en nieuwe acties worden opgenomen.

6.3 Organisatorische eisen

Om onze uitvoerings- en handhavingstaken (U&H) goed uit te voeren, moet de organisatie voldoen aan een aantal organisatorische en kwaliteitsvereisten. Deze eisen zijn vastgelegd in het Omgevingsbesluit en nader uitgewerkt in onze Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2019. Hieronder beschrijven we hoe de gemeente Midden-Groningen invulling geeft aan deze vereisten.

1. Scheiding van functies

Bij de uitvoering van vergunningverlening en toezicht is sprake van een duidelijke taakscheiding. Het verlenen van omgevingsvergunningen en het toezicht op de naleving daarvan worden uitgevoerd door verschillende medewerkers. Zo voorkomen we dat vergunningverleners toezicht houden op vergunningen waarvan zij zelf de voorschriften hebben opgesteld.

Deze scheiding waarborgt objectiviteit, integriteit en onafhankelijkheid in de uitvoering.

2. Bereikbaarheid en beschikbaarheid

De gemeentelijke organisatie en de uitvoeringsdiensten zijn ook buiten kantooruren bereikbaar en inzetbaar voor toezicht, handhaving en calamiteiten.

  • Bereikbaarheid - Voor acute klachten zijn de gemeente en haar partners bereikbaar via de gemeentelijke website en de milieuklachtencentrale. In geval van nood zijn alle betrokken organisaties bereikbaar via het crisis- en rampenbestrijdingsnetwerk.

  • Beschikbaarheid - Voor de behandeling van incidenten en calamiteiten geldt een 24-uurs beschikbaarheid, onder andere via piketregelingen. Toezichthouders werken niet gebonden aan kantoortijden, maar worden ingezet wanneer de situatie dat vereist (bijvoorbeeld ’s avonds of in het weekend).

Deze structuur zorgt dat we snel en adequaat kunnen handelen bij acute situaties of meldingen.

3. Grote incidenten en rampen

Voor de aanpak van rampen, crises en grote incidenten beschikt de gemeente over een crisisplan, dat is afgestemd op het regionaal crisisplan van de Veiligheidsregio Groningen (VRG). Hierin zijn de verantwoordelijkheden, communicatielijnen en inzetprocedures vastgelegd.

Bij grootschalige incidenten werken we nauw samen met de VRG en andere veiligheidspartners, zodat er altijd sprake is van een coördinerende, eenduidige aanpak.

4. Werkprocessen, procedures en informatievoorziening

Onze werkprocessen en procedures zijn vastgelegd, geborgd en geïntegreerd in de VTH-applicatie (Rx.Mission). Deze digitale omgeving ondersteunt:

  • de afhandeling van vergunningen en meldingen;

  • de planning en registratie van toezichtactiviteiten;

  • en de documentatie van handhavingsmaatregelen.

Door het gebruik van deze applicatie zorgen we voor uniforme procesvoering, transparantie en actuele informatievoorziening binnen alle VTH-domeinen.

5. Opleiding en deskundigheid

De kwaliteit van onze uitvoering staat of valt met de kennis en deskundigheid van onze medewerkers. In de Kwaliteitscriteria 3.0 is vastgelegd welke kennis, vaardigheden en competenties onze VTH-medewerkers moeten bezitten. Om dit te borgen:

  • is er een structureel opleidingsbudget beschikbaar;

  • worden opleidingsplannen jaarlijks geactualiseerd;

  • en stimuleren we medewerkers om te blijven voldoen aan de kwaliteitscriteria door training, bijscholing en intervisie.

Zo investeren we continu in een professionele, vakbekwame organisatie die de kwaliteit van uitvoering kan blijven garanderen.

6. Samenvatting

Met deze organisatorische maatregelen zorgen we dat de gemeente Midden-Groningen beschikt over een robuuste en wendbare uitvoeringsorganisatie. Een organisatie die:

  • onafhankelijk en zorgvuldig werkt;

  • 24/7 bereikbaar is voor toezicht en calamiteiten;

  • beschikt over geborgde werkprocessen en actuele informatievoorziening;

  • en voortdurend investeert in deskundigheid en vakmanschap.

Zo borgen we de kwaliteit van uitvoering en blijven we voldoen aan de wettelijke eisen uit het Omgevingsbesluit.

6.4 VTH Samenwerking

Samenwerking als basis voor uitvoering

De VTH-processen (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) staan nooit op zichzelf. Om vergunningen te kunnen verlenen, toezicht te houden en overtredingen op te lossen — via handhaving of gedragsbeïnvloeding - is structurele samenwerking essentieel. Deze samenwerking vindt plaats zowel intern binnen de gemeentelijke organisatie, als extern met onze ketenpartners in de regio.

Alle betrokken partijen werken samen aan één doel: een veilige, gezonde en goed functionerende leefomgeving.

Interne en externe afstemming

Een eenduidige en uniforme aanpak richting inwoners en bedrijven vraagt om goede communicatie en afstemming. Daarom stemmen we intern af tussen:

  • vergunningverleners, toezichthouders, handhavers en juridisch adviseurs;

  • en andere teams, zoals Ruimtelijke Ordening, Beleid, Veiligheid, Milieu en Openbare Ruimte.

Deze afstemming zorgt dat besluiten consistent zijn en dat inwoners één duidelijke lijn ervaren in beleid, uitvoering en communicatie. Extern werken we intensief samen met onze regionale en landelijke partners, waaronder:

  • Waterschap Hunze en Aa’s;

  • Veiligheidsregio Groningen (VRG);

  • Omgevingsdienst Groningen (ODG);

  • Politie, Openbaar Ministerie en GGD;

  • Provincie Groningen;

  • en maatschappelijke partners zoals woningcorporaties en architectenbureaus.

Door kennis, informatie en ervaring te delen, benutten we elkaars deskundigheid en capaciteit. Deze samenwerking is cruciaal om binnen de wettelijke termijnen (zoals de acht weken voor vergunningverlening) te blijven en te komen tot integraal, zorgvuldig beleid en uitvoering.

Vastlegging en borging

De momenten van afstemming en de wijze van samenwerken zijn vastgelegd in werkprocessen, instructies en afspraken. Deze zijn digitaal toegankelijk voor alle betrokken medewerkers en ketenpartners. Hierin is ook opgenomen:

  • wie op welk moment betrokken wordt;

  • welke informatie gedeeld mag worden;

  • en welke termijnen gelden voor advies en besluitvorming.

Zo zorgen we voor transparantie, voorspelbaarheid en continuïteit in de samenwerking.

Regionale samenwerking

Binnen het regionale Omgevingswet-programma Groningen zijn afspraken gemaakt over:

  • momenten van samenwerking;

  • informatie-uitwisseling;

  • en levertermijnen.

Hiermee werken alle betrokken overheden volgens dezelfde uitgangspunten en ontstaat er een heldere, gezamenlijke VTH-keten in de regio. Deze afspraken zijn vastgelegd in regionale convenanten en werkafspraken, die onderdeel zijn van onze digitale samenwerkingsomgeving.

Advies en deskundigheid

Bij vergunningverlening laat het college zich adviseren door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Midden-Groningen. Deze commissie beoordeelt aanvragen op ruimtelijke kwaliteit, erfgoed, architectuur en inpassing in de omgeving.

Bij overtredingen of afwijkingen van de voorschriften wordt - conform beleid - handhavend opgetreden.

Afstemming ketenpartners

Een goede samenwerking met ketenpartners is essentieel voor een effectieve en betrouwbare uitvoering van de U&H-taken. In de bijlagebundel zijn de afspraken met ketenpartners nader uitgewerkt. De onderdelen van de U&HS die betrekking hebben op strafrechtelijke handhaving stemmen we op operationeel niveau af met de politie en het Openbaar Ministerie.

Daarnaast werken we structureel samen met de ODG, VRG, GGD en woningcorporaties om signalen te delen, informatie te bundelen en gezamenlijk op te treden.

6.5 Monitoring en evaluatie

Doel van monitoring

In de U&HS zijn onze doelen, prioriteiten en strategieën vastgelegd. Om te weten of we deze doelen behalen, stellen we onszelf elk jaar de volgende vragen:

  • Behalen we de gestelde doelstellingen?

  • Houden we ons aan de prioriteiten en plannen?

  • Hanteren we de juiste strategieën en middelen?

Door deze vragen systematisch te beantwoorden, houden we inzicht in de voortgang en kunnen we tijdig bijsturen.

Evaluatie en verantwoording

De voortgang en resultaten worden jaarlijks vastgelegd in de VTH-evaluatierapportage. Deze rapportage:

  • wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders;

  • wordt ter kennisname aan de gemeenteraad aangeboden;

  • en wordt verzonden aan de provincie Groningen, in haar rol als interbestuurlijk toezichthouder (IBT).

Zo leggen we verantwoording af over onze uitvoering aan bestuur, inwoners en provincie.

Verbetercyclus

Wanneer uit de evaluatie blijkt dat doelstellingen niet zijn gehaald, worden verbetermaatregelen voorgesteld. Deze maatregelen worden opgenomen in de eerstvolgende evaluatierapportage en indien nodig verwerkt in een tussentijdse wijziging van de U&HS.

Zo werken we volgens de BIG-8 beleidscyclus: plannen – uitvoeren – evalueren – bijstellen.

Kwaliteitscriteria en kritieke massa

De U&HS vormt het kader voor de kwaliteit van uitvoering en handhaving. Onderdeel hiervan zijn de kwaliteitscriteria voor capaciteit, deskundigheid en organisatie. Vanaf 1 januari 2025 gelden de Kwaliteitscriteria 3.0, die eisen stellen aan:

  • de kritieke massa (voldoende bezetting voor continuïteit);

  • de deskundigheid van medewerkers;

  • en de borging van kwaliteit binnen de organisatie.

Door jaarlijks te evalueren of we voldoen aan deze criteria, weten we waar verbeteringen nodig zijn en kunnen we gericht actie ondernemen. De resultaten hiervan worden opgenomen in de VTH-kwaliteitsmeting.

Wanneer we (tijdelijk) niet aan een criterium voldoen, motiveren we dit in het rapport en geven we aan welke stappen we ondernemen om dit te herstellen.

Samenvatting

Met deze werkwijze waarborgen we:

  • een transparante en toetsbare uitvoering van de VTH-taken;

  • een duidelijke samenwerking tussen interne en externe partners;

  • en een continu proces van leren en verbeteren.

Zo zorgen we dat onze uitvoering voldoet aan de kwaliteitscriteria, aansluit bij de verwachtingen van inwoners en bestuur, en bijdraagt aan een veilige en leefbare gemeente Midden-Groningen.

 

 

 

 

Bijlagebundel gemeente Midden-Groningen

 

Bijlage 1 Toelichting BIG-8 beleidscyclus

Bijlage 2 Intentieverklaring VTH-Drieslag

Bijlage 3 Handleiding risicomethodiek (A) en Uitkomsten risicoanalyse (B)

Bijlage 4 Strategieën

Bijlage 5 Wet kwaliteitsborging bouw (Wkb) beleid

Bijlage 1 Toelichting BIG-8 beleidscyclus

 

De regels in het Omgevingsbesluit vormen de wettelijke implementatie van de BIG-8-beleidscyclus. Deze cyclus bestaat uit acht samenhangende stappen (waarvan zeven zichtbaar in het proces en één overkoepelend in planning & control) die zorgen voor een continue verbetering van beleid, uitvoering en handhaving.

De toepassing van de BIG-8 zorgt ervoor dat ook de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) jaarlijks wordt geëvalueerd en – waar nodig – wordt aangepast op basis van nieuwe inzichten, beleidsontwikkelingen en organisatorische veranderingen.

Figuur 1 BIG-8

De beleidscyclus onder de Omgevingswet

Naast de BIG-8 is onder de Omgevingswet een tweede, meer strategische beleidscyclus geïntroduceerd. Deze cyclus volgt het Plan–Do–Check–Act-principe en biedt een gestructureerde manier om de instrumenten van de wet op elkaar af te stemmen. De cyclus bestaat uit vier kwadranten:

  • 1.

    Beleidsontwikkeling – (rechtsboven in de cirkel)

Dit is de fase van visievorming en beleidsopbouw. Hier wordt bepaald wat de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving is en hoe deze wordt vastgelegd, bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie. Input uit de terugkoppeling (onder andere vanuit VTH) is in deze fase essentieel.

  • 2.

    Beleidsdoorwerking – (rechtsonder)

In dit kwadrant worden de beleidsdoelen juridisch en operationeel verankerd in Omgevingsplannen, Omgevingswaarden en Programma’s. Dit vormt de basis voor toetsing en uitvoering.

  • 3.

    Uitvoering – (linksonder)

Hier gaat het om het uitvoeren van activiteiten die binnen de fysieke leefomgeving plaatsvinden. Denk aan vergunningverlening, meldingen en toezicht. Regels uit het omgevingsplan worden hier toegepast in de praktijk.

  • 4.

    Terugkoppeling – (linksboven)

Dit kwadrant richt zich op vergunningverlening, toezicht en handhaving om naleving van regels te waarborgen. Via monitoring en evaluatie wordt bekeken of de maatregelen effectief zijn en of bijsturing in beleid nodig is.

Figuur 2 Beleidscyclus Omgevingswet

 

Rol van VTH binnen de beleidscyclus

De VTH-taken komen in beide cycli terug in de kwadranten Uitvoering en Terugkoppeling. In deze U&HS is vastgelegd dat de gemeente Midden-Groningen werkt met een uniforme beleidscyclus, zodat beleid en uitvoering elkaar voortdurend versterken. Dat betekent:

  • de samenwerking tussen beleid, uitvoering en toezicht wordt verder geïntensiveerd;

  • de rol van VTH in de terugkoppeling wordt versterkt, door structureel te rapporteren over naleving, risico’s en trends;

  • en de uitkomsten van evaluaties worden gebruikt om beleidsdoelen te verbeteren of bij te stellen.

Zo vormt de BIG-8 samen met de beleidscyclus van de Omgevingswet een gesloten kwaliteitskringloop: van beleid naar uitvoering, en van uitvoering terug naar beleid.

Deze werkwijze zorgt voor een lerende organisatie, waarin beleid, uitvoering en toezicht elkaar versterken en de kwaliteit van de leefomgeving continu verbetert.

 

Bijlage 2 Intentieverklaring samenwerking NCG en VTH drieslag 3.0

VTH DRIESLAG

Nationaal Coördinator Groningen

Intentieverklaring samenwerking NCG en aardbevingsgemeenten in de provincie Groningen in het kader van VTH Drieslag 3.0

De versterkingsoperatie in het aardbevingsgebied heeft tot doel om, in het belang van de veiligheid van de bewoners, zo snel mogelijk panden in het gebied aan de vigerende veiligheidsnormen te laten voldoen. Naast snelheid in voorbereiding en uitvoering is zorgvuldigheid in de uitvoering in het belang van de bewoner/eigenaar. Daar horen heldere afspraken, goed doordachte plannen en betrouwbare procesafspraken bij. Zowel tussen de Nationaal Coôrdinator Groningen (NCG) en de bewoner/eigenaar, als ook tussen de NCG en gemeenten in het gebied. Gemeenten zowel vanuit hun positie als opdrachtgevers van de versterkingsoperatie alsook vanuit hun rol als bevoegd gezag met betrekking tot, vergunningen, toezicht en handhaving (VTH). Immers een belangrijke randvoorwaarde is dat versterkingsprojecten moeten voldoen aan vigerende wet- en regelgeving.

Afhankelijk van de te nemen versterkingsmaatregelen dienen de nodige vergunningen en toestemmingen tijdig te worden verleend dan wel te worden verkregen. Middels deze intentieverklaring spreken de gemeenten Groningen, Midden-Groningen, Eemsdelta i.o., Het Hogeland, Oldambt en de NCG nadrukkelijk uit te willen streven naar een vlot, efficiënt en eenduidig proces van vergunningverlening voor versterkingsprojecten. Dit moet plaatsvinden in nauwe samenwerking en afstemming tussen NCG en de vijf gaswinningsgemeenten, ieder vanuit zijn eigen wettelijke taak en verantwoordelijkheid en moet passen binnen het Vigerend beleid en de recent of reeds eerder gemaakte bestuursafspraken. Deze samenwerking en afstemming vinden bij voorkeur plaats in de Regiekamer 'v'TH Drieslag.

In 2016 zijn de aardbevingsgemeenten samen met het Centrum Veilig Wonen (CVW) als uitvoerende partij, een samenwerking onder de vlag van VTH Drieslag aangegaan. Met de inrichting van de NCG als publieke uitvoerder van de versterkingsoperatie, de gemeentelijke herindelingen in het gebied en het opheffen van de gezamenlijk werkorganisatie WO Deal eind dit jaar, was het initiatief VTH Drieslag aan herijking toe. Dit heeft geleid tot een nieuwe opzet genaamd VTH Drieslag 3.0 waarin de Vijf genoemde aardbevingsgemeenten blijven werken aan een gezamenlijke en uniforme aanpak van het vergunningenproces. Deze samenwerking is door de gemeenten inmiddels op 17 december 2020 bekrachtigd in de overeenkomst "kwaliteitsborging bouwplannen in de versterkingsoperatie" . Hierin is het uitgangspunt dat voor een snelle en adequate afhandeling van de versterkingsoperatie vergunningverlening, toezicht en handhaving een volwaardige plaats moeten krijgen in het proces en dat men dat in gezamenlijkheid vorm wil geven via vrrH Drieslag 3.0. De NCG heeft als publieke opdrachtnemer van de versterkingsoperatie veel belang bij een vlotte en eenduidige afhandeling van vergunningenprocedures en wil daarom de opzet en doelstelling van WH Drieslag 3.0 van harte ondersteunen en in samenwerking daar ook actief aan bijdragen.

In deze intentieovereenkomst worden een aantal punten nader uitgewerkt waarmee de gewenste samenwerking tussen gemeenten en NCG in WH Drieslag 3.0 praktisch wordt ingevuld:

  • Uitgangspunt is dat we er naar streven zoveel mogelijk vragen en problemen aan de 'voorkant' van het proces op te lossen. We weten wat we van en aan elkaar vragen en verwachten. NCG spant zich in om de vergunningaanvragen helder en adequaat onderbouwd, eenduidig en van kwalitatief voldoende niveau in te (laten) dienen. Gemeenten hebben hun vergunningenprocedüres zoveel mogelijk onderling afgestemd, hanteren waar mogelijk een uniform toetskader en zijn proactief als er eventueel aanvullende informatie nodig is;

  • NCG neemt, als uitvoeringsorganisatie van de versterkingsoperatie, deel aan de in VTH Drieslag 3.0 voorziene Regiekamer. In deze kamer worden op ambtelijk niveau met de VTH-regisseurs aan de voorkant problemen/vraagstukken opgelost en vragen beantwoord op het gebied van VTH. We zien het als wederzijdse verantwoordelijkheid om een passende bijdrage aan de voorziene Regiekamer te leveren;

    • dat geldt ook voor het Initiatievenloket\intake-overleg dat per gemeente ingericht is. Voor NCG is dit de ingang om aan de voorkant afspraken te maken op projectniveau. NCG spant zich in om afstemming over initiatieven op VTH-gebied via dit loket te laten lopen;

  • In het licht van de Wet Kwaliteitsborging (Wkb, per 01-01-2022 nationaal doorgevoerd) werken we gedurende 2021 gezamenlijk aan het ontwikkelen van een vorm van private/onafhankelijke kwaliteitsborging, reeds in de geest van de Wkb. Primair is dit bedoeld als versnellingsmechanisme in de vergunningenprocedures. Dit wel vanuit het besef dat dit altijd een ontwikkelpad is, waarin geleidelijk en in afstemming met alle partijen, stappen richting de invoering van de Wkb kunnen worden gemaakt;

    • Gelet op bovenstaande is er in 2021 ook blijvende aandacht voor de afhandeling binnen het reguliere proces nodig. Ook daar zorgen we voor wederzijdse aandacht voor mogelijke versnelling van de afhandeling van vergunningaanvragen. Ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan worden volop ingezet om ook in het reguliere aanvraagproces te komen tot een vlotte en adequate vergunningverlening;

  • Waar de Wkb ziet op de bouwkundige kwaliteit van het werk in het kader van het bouwbesluit 2012, zijn er ook de omgevingsaspecten waaraan bouwprojecten moeten worden getoetst. De samenwerking is er op gericht ook op dit punt te komen tot een meer uniforme wijze van boordelen van projecten en het bespreken van mogelijk knelpunten. In dat kader gaat er speciale aandacht uit naar Tijdelijke Huisvesting (THV);

    • De toepassing van private kwaliteitsborging leidt naar verwachting tot kostenbesparingen aan de zijde van NCG en betrokken gemeenten. We zullen onderzoeken hoe, in het kader van VTH Drieslag, dit beeld en deze verwachting kunnen worden vertaald in de legesverordening en de daarin opgenomen tarieven.

  • In het kader van het versnellen en stroomlijnen van procedures benadrukken partijen het belang van het zoveel mogelijk digitaal afhandelen van de processen. Waar mogelijk en nodig nemen partijen adequate maatregelen en stappen om elkaar in deze te kunnen faciliteren;

  • Op dit moment ligt de Tijdelijke Wet Groningen-Versterken voor ter goedkeuring in het parlement. In deze wet is een coördinatie plicht voor alle vergunningen en toestemmingen c.a. opgenomen die bij de NCG komt te liggen. Vooruitlopend op de invoering van deze wet verkennen partijen met elkaar in de Regiekamer Drieslag hoe deze verplichting vorm gegeven kan worden binnen de onderlinge samenwerking.

Deze intentieverklaring omvat geen uitputtende opsomming van wederzijdse verplichtingen maar onderdelen waarop we elkaar vanuit de samenwerking in de structuur VTH Drieslag 3.0 willen vinden c.q. waar we deze verder willen uitbouwen. Transparantie en vertrouwen zijn daarbij belangrijk. Dit alles vanuit een gedeeld perspectief, zijnde een vlot, voorspelbaar en kwalitatief adequaat proces van vergunningverlening.

Aldus opgemaakt en ondertekend in Hoogezand-Sappemeer op 17 december 2020.

Groningen, Gemeente 01 ambt dhr. G. Engel

 

Coördinator Groningen

 

Bijlage 3A Handleiding risicomethodiek

 

Inleiding, doel en opbouw

Deze bijlage beschrijft de kwalitatieve risicomethodiek die de gemeente Midden-Groningen gebruikt om een integrale, probleemgestuurde risicoanalyse uit te voeren. De methode is deels gebaseerd op het DBC-risicomodel1 en vormt de basis voor de prioritering binnen het integrale programma voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).

Een strategie opstellen betekent keuzes maken: er is nooit voldoende capaciteit om alle taken volledig uit te voeren. Het stellen van prioriteiten helpt te bepalen welke overtredingen of probleemsoorten het grootste risico vormen en waar het meeste toezicht nodig is.

De risicoanalyse – na vaststelling door het bestuur – biedt inzicht in de benodigde inzet van menskracht en middelen, op basis van:

  • de geïdentificeerde risico’s,

  • de lokale situatie, en

  • de bestuurlijke ambities.

Het doel van deze handleiding is om via één uniforme werkwijze de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving te ondersteunen. Ook de wetgeving streeft naar meer uniformiteit: steeds meer lokale regels worden landelijk afgestemd. De Omgevingswet voorziet daarom in één geïntegreerde aanpak voor uitvoering, toezicht en handhaving.

In deze handleiding wordt uitgelegd hoe het probleemgestuurde, kwalitatieve risicomodel werkt en welke resultaten dit oplevert. De volgende onderdelen komen aan bod:

  • de uitgangspunten van het risicomodel;

  • de definities en criteria bij de risicoafweging;

  • het toepassen en invullen van de risicomatrix;

  • en een voorbeeld van een ingevulde risicomatrix.

Uitgangspunten van het risicomodel

Bij het gebruik van het risicomodel moeten soms bewuste keuzes worden gemaakt over de manier waarop bepaalde onderdelen worden toegepast of afgebakend. Deze keuzes zijn vastgelegd in onderstaande tabel. De uitgangspunten zorgen ervoor dat de risicoanalyse op een eenduidige en transparante manier wordt uitgevoerd.

Uitgangspunten voor het invullen van de integrale risicomodule 

Keuze 

Toelichting 

De risicomatrixen hebben betrekking op soorten overtredingen en problemen binnen de gemeente Midden-Groningen. 

De integrale risicoanalyse richt zich uitsluitend op de probleemgerichte taken die door de gemeente zelf worden uitgevoerd. 

Er wordt gewerkt met probleemonderwerpen per domein, zoals weergegeven in de eerste kolom van de matrix. 

Deze probleemonderwerpen hebben betrekking op vergunningverlening, toezicht én handhaving. 

Er wordt gescoord op een beperkt aantal problemen of overtredingstypen. 

De lijst van problemen is niet limitatief en in samenspraak met de vakinhoudelijke experts onze gemeente opgesteld. 

Bij naleefgedrag wordt gekeken in hoeverre regels worden nageleefd. 

De naleefscore geeft aan wat de kans is dat het probleem zich voordoet, of de kans op niet-naleving van een bepaalde regel. 

Vastleggen van definities risicoafweging

Voor een goede risicoafweging moeten eerst de gebruikte variabelen worden gedefinieerd. Het gaat om de beoordelingscriteria, de scores (van 1 tot en met 3) en de uiteindelijke risicoscore die bepaalt hoe hoog een probleem of overtreding wordt geprioriteerd. De onderstaande definities sluiten grotendeels aan bij algemeen gebruikte risicomodellen. De risicoafweging wordt uitgevoerd op basis van zes beoordelingsaspecten:

  • 1.

    Veiligheid

Doel: beoordelen in hoeverre een mogelijke calamiteit lichamelijk letsel kan veroorzaken.

Het gaat om direct lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring of calamiteit, bijvoorbeeld instortingsgevaar, brand of ongevallen bij evenementen. Hierbij willen we het risico op acute incidenten met letsel of dodelijke afloop zo klein mogelijk houden. (Asbest of straling valt onder het aspect Gezondheid.)

Score Beschrijving

  • 1.

    Pijn of gering letsel bij één of meer personen (lichtgewonden).

  • 2.

    Zwaar letsel bij één of meer personen (zwaargewonden).

  • 3.

    Zwaar lichamelijk letsel bij meerdere personen en één of meer dodelijke slachtoffers.

2. Gezondheid

Doel: beoordelen in welke mate een activiteit of calamiteit invloed heeft op de gezondheid van mensen.

Het gaat hier om gezondheidsrisico’s die kunnen ontstaan door bijvoorbeeld een slechte luchtkwaliteit, vervuild water, gebrekkige ventilatie in gebouwen of langdurige blootstelling aan gevaarlijke stoffen of situaties. Ook geluidsoverlast, geurhinder of stress kunnen op langere termijn een negatief effect hebben op de gezondheid.

We kijken daarbij niet alleen naar directe gezondheidsproblemen, maar ook naar langdurige of blijvende effecten die kunnen ontstaan wanneer regels niet worden nageleefd.

Score Beschrijving

  • 1.

    Tijdelijke of lichte gezondheidsklachten bij één of enkele personen, zoals irritatie aan ogen of luchtwegen, stankoverlast of stress door geluid. Het gevaar voor de volksgezondheid is gering.

  • 2.

    Duidelijke gezondheidsproblemen of ziektegevallen bij meerdere personen, bijvoorbeeld door ernstige lucht-, water- of bodemvervuiling. Er is sprake van tijdelijk gevaar voor de volksgezondheid, maar de effecten zijn omkeerbaar.

  • 3.

    Blijvende of ernstige gezondheidsproblemen bij meerdere personen, zoals langdurige longschade, psychische klachten of blijvende aantasting van zintuigen. Ook langdurige blootstelling aan stoffen als asbest of straling valt hieronder. Er kan sprake zijn van ziektegevallen met dodelijke afloop.

3. Duurzaamheid

Doel: beoordelen in welke mate een activiteit of overtreding invloed heeft op het gebruik van grondstoffen, energie en natuur, en op de manier waarop er met afval en milieu wordt omgegaan.

Duurzaamheid gaat over het zuinig omgaan met onze natuurlijke hulpbronnen en het beschermen van de leefomgeving voor toekomstige generaties.

We kijken naar verspilling van energie en grondstoffen, naar afvalproductie en afvalscheiding, en naar de effecten op natuur, landschap en cultureel erfgoed. Ook het naleven van regels uit de Groene wetgeving en de Erfgoedwet hoort hierbij.

Voorbeelden zijn: onnodig energieverbruik, het gebruik van vervuilende bouwmaterialen, slecht afvalbeheer of sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zonder vergunning.

Score Beschrijving

  • 1.

    De activiteit heeft nauwelijks effect op duurzaamheid. Er is sprake van een kleine verspilling of beperkt extra gebruik van energie of grondstoffen.

  • 2.

    De activiteit veroorzaakt merkbare verspilling of verstoring, zoals gebrekkige afvalscheiding, extra gebruik van energie of materialen of beperkte schade aan natuur of erfgoed.

  • 3.

    De activiteit leidt tot ernstige verspilling of blijvende aantasting van milieu, natuur of erfgoed. Er is sprake van grootschalig energie- of grondstoffenverbruik, of schade aan waardevolle natuur- of cultuurgebieden.

4. Bedreiging milieu en leefbaarheid

Doel: bepalen in hoeverre een activiteit de kwaliteit en beleving van de leefomgeving aantast.

Het gaat om alle vormen van overlast of vervuiling die een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Denk aan geluid, trillingen, stank, bodem- of luchtverontreiniging, verpauperde panden, verrommeling of aantasting van het straatbeeld.

Leefbaarheid gaat niet alleen over fysieke kwaliteit, maar ook over hoe veilig en prettig mensen zich voelen in hun omgeving. Ook als de normen niet worden overschreden, kan hinder leiden tot stress, verminderde gezondheid en afname van woongenot.

Score Beschrijving

  • 1.

    De activiteit heeft nauwelijks invloed op de leefomgeving. Er is geen merkbare achteruitgang van milieu of woonkwaliteit.

  • 2.

    Er is sprake van een duidelijke, maar tijdelijke of omkeerbare aantasting van de leefomgeving. Denk aan tijdelijke geluidsoverlast, geurhinder of visuele verstoring.

  • 3.

    De activiteit veroorzaakt een ernstige en blijvende aantasting van de leefomgeving. Bijvoorbeeld door illegale lozing of storting van vervuilende stoffen, langdurige geluidshinder of ernstige verwaarlozing van panden en terreinen.

5. Financiële schade

Doel: bepalen wat de mogelijke financiële gevolgen zijn van een calamiteit of overtreding voor de gemeente, de provincie of de lokale economie.

Het gaat om kosten of schade die de gemeente of provincie zelf moet dragen, bijvoorbeeld door noodmaatregelen, herstel, of verlies aan inkomsten. Ook indirecte schade, zoals verlies aan werkgelegenheid of economische terugval, valt hieronder. Voorbeelden hiervan zijn:

  • niet-verzekerde kosten voor tijdelijke opvang of schadevergoedingen,

  • stilgevallen bouw- of bedrijfsactiviteiten, verlies aan werkgelegenheid,

  • afnemende investeringen of leegstand in een gebied, economische achteruitgang.

Score Beschrijving

  • 1.

    De financiële schade is gering. De directe kosten blijven beperkt tot maximaal €10.000.

  • 2.

    De schade is aanzienlijk. De directe kosten bedragen maximaal €100.000 en/of er is sprake van een beperkte terugloop in economische bedrijvigheid.

  • 3.

    De schade is groot. De directe kosten zijn hoger dan €100.000 en/of er is sprake van een duidelijke of langdurige economische terugval.

6. Bestuurlijke imagoschade

Doel: beoordelen in welke mate een incident, overtreding of illegale situatie schade toebrengt aan het vertrouwen van inwoners in het gemeentebestuur. Bestuurlijke imagoschade gaat over de gevolgen voor de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de gemeente.

Wanneer inwoners of bedrijven het gevoel krijgen dat de gemeente haar taken niet goed uitvoert of nalatig is, kan dit leiden tot klachten, onrust of negatieve media-aandacht.

Voorbeelden hiervan zijn georganiseerde buurtprotesten, mediacampagnes, open brieven of langdurige juridische procedures. Deze situaties kunnen leiden tot gezichtsverlies of een gevoel dat de gemeente haar zaken niet op orde heeft.

Score Beschrijving

  • 1.

    De schade aan het imago is minimaal. Er zijn enkele klachten of brieven, maar het algemene vertrouwen in het bestuur blijft intact.

  • 2.

    De schade is merkbaar, maar tijdelijk. Er is negatieve media-aandacht, buurtprotesten of enkele juridische procedures. Er ontstaat een beeld dat de gemeente het niet overal op orde heeft.

  • 3.

    De schade is groot en langdurig. Er is sprake van aanhoudende klachten, maatschappelijke onrust, zware juridische procedures of politieke gevolgen (zoals moties van wantrouwen). Het vertrouwen in het bestuur neemt sterk af.

Toepassen en invullen van de risicomatrix

De risicomatrix laat zien hoe groot het risico is dat een bepaald probleem of een overtreding oplevert. Daarvoor geven we per aspect een score van 1 tot en met 3, waarbij 1 staat voor een gering risico en 3 voor een groot risico.

Punten 

Betekenis 

GROOT NEGATIEF EFFECT 

GEMIDDELD NEGATIEF EFFECT 

GERING NEGATIEF EFFECT 

De risico’s van de verschillende overtredingen of problemen worden beoordeeld op zes beoordelingsaspecten:

  • 1.

    Veiligheid

  • 2.

    Gezondheid

  • 3.

    Duurzaamheid

  • 4.

    Bedreiging milieu en leefbaarheid

  • 5.

    Financiële schade

  • 6.

    Bestuurlijke imagoschade

Voor elk aspect wordt beoordeeld hoe groot het negatieve effect is. Deze scores vormen samen de effectscore.

Naleefgedrag

Naast het effect beoordelen we ook het naleefgedrag: de kans dat de regels wel of niet worden nageleefd. In het model wordt dit weergegeven op dezelfde 3-puntsschaal.

Punten 

Betekenis 

ZEER LAAG NALEEFNIVEAU: 

NIET NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG 

VOLDOENDE NALEEFNIVEAU: 

NALEEFGEDRAG IS GEMIDDELD 

GOED NALEEFNIVEAU: 

NALEEFGEDRAG IS ZEER HOOG 

De naleefscore geeft dus weer hoe groot de kans is dat het probleem zich voordoet of dat de regels worden overtreden.

Voorbeeld van een risicomatrix

Hieronder staat een fictief voorbeeld van een risicoanalyse binnen het domein Ruimtelijke Ordening. De genoemde problemen en scores zijn illustratief en niet direct van toepassing op de situatie in de gemeente Midden-Groningen.

Mogelijke overtreding(en) 

Effecten 

 

 

veiligheid 

gezondheid 

duurzaamheid 

leefbaarheid 

financiële schade 

bestuurlijk imagoschade 

EFFECTSCORE 

verkeerd particulier gebruik grond/erf 

wonen (tijdelijk/permanent) waar niet is toegestaan 

bij horeca 

Toelichting bij de tabel

In de eerste kolom staan de overtredingen of probleemsoorten. De kolommen 2 tot en met 7 tonen de scores voor de zes beoordelingsaspecten. De kleuren in de matrix laten zien hoe groot het risico is:

  • Groen betekent een klein of verwaarloosbaar negatief effect (score 1).

  • Rood betekent een groot negatief effect of een laag naleefniveau (score 3).

De laatste kolom geeft de totale effectscore aan, en in een aparte kolom wordt het naleefniveau vermeld. Wanneer alle matrixen per taakveld zijn ingevuld, kan de totale risicoscore worden berekend.

Bepaling van het totaalrisico

Het totaalrisico wordt berekend op basis van de formule: Risico = Kans × Effect

Mogelijke overtreding(en) 

Effect 

Kans 

Risico = kans x effect 

Strijdig gebruik: 

EFFECT SCORE 

NALEVING 

RISICO 

verkeerd particulier gebruik grond/erf 

wonen (tijdelijk/permanent) waar niet is toegestaan 

bij horeca 

Hoog risico 

Gemiddeld risico 

Laag risico 

Toelichting op de totaalscore

De totaalscore geeft aan waar de grootste risico’s liggen en helpt ons om prioriteiten te stellen. Activiteiten met een hoge risicoscore krijgen prioriteit in het uitvoeringsprogramma. De verdeling tussen hoog, gemiddeld en laag risico wordt gebaseerd op de volgende schaal:

Totaalscore Betekenis

Hoog (H) Grote kans op overtreding én groot effect bij optreden.

Gemiddeld (M) Enige kans op overtreding en/of gemiddeld effect.

Laag (L) Kleine kans op overtreding of gering effect.

 

 

Bijlage 3B Uitkomsten risicoanalyse

Risicoanalyse onderdeel BOUW

Risicoanalyse onderdeel RUIMTELIJKE ORDENING

Risicoanalyse onderdeel APV, ALCHOHOLWET & EVENEMENTEN

Bijlage 4 Strategieën

 

In dit hoofdstuk beschrijven we de strategieën die we gebruiken bij het uitvoeren van de U&H-taken. De strategieën zijn verdeeld in twee groepen:

uitvoeringsstrategieën en nalevingsstrategieën.

Uitvoeringsstrategie 

 

Nalevingstrategie 

Preventiestrategie 

Toetsingsstrategie 

Toezichtstrategie vergunningen 

 

Communicatiestrategie 

Toezichtstrategie 

Sanctiestrategie 

De uitvoeringsstrategie gaat over het verlenen van vergunningen en het toezicht op verleende vergunningen. Alle andere vormen van toezicht vallen onder de nalevingsstrategie.

Deze bijlage beschrijft de uitvoeringsstrategieën die we toepassen bij de uitvoering van onze taken. Ze bestaan uit twee onderdelen:

  • 1.

    Preventiestrategie;

  • 2.

    Toetsing- en toezichtstrategie.

1. Preventiestrategie

De preventiestrategie richt zich op het voorkomen van overtredingen door kennis, duidelijkheid en samenwerking.

Aan de ene kant gaat het om het vergroten van de kennis en bewustwording bij inwoners, bedrijven en organisaties. Mensen moeten weten welke regels gelden en voor welke activiteiten een vergunning of melding nodig is. Aan de andere kant stimuleert de preventiestrategie betrokkenen om zich aan die regels te houden.

De preventiestrategie wordt doorlopend ingezet en begint vaak vóórdat een aanvraag of melding wordt gedaan. Door vroegtijdig in gesprek te gaan, voorkomen we dat er later ingrijpende maatregelen nodig zijn. Binnen de preventiestrategie onderscheiden we vier trajecten:

  • 1.

    Communicatie en voorlichting;

  • 2.

    Participatie;

  • 3.

    Omgevingsoverleg;

  • 4.

    Interne en externe afstemming & samenwerking.

Communicatie en voorlichting

We merken dat onvolledige of onjuiste aanvragen, maar ook overtredingen, vaak ontstaan door een gebrek aan kennis van wet- en regelgeving. Veel inwoners en ondernemers weten niet precies wat de regels zijn of wanneer een vergunning of melding nodig is. De gemeente wil dit voorkomen door actief te informeren en voorlichting te geven. We doen dit op de volgende manieren:

  • 1.

    Frontoffice

  • Inwoners en ondernemers kunnen een afspraak maken bij onze frontoffice. Hier krijgen zij zowel algemene informatie als specifieke informatie over hun locatie of plan.

  • 2.

    Gemeentelijke website

  • Op onze website en via publicaties geven we actuele informatie over vergunningverlening, toezicht en handhaving. Ook besteden we extra aandacht aan onderwerpen die op dat moment belangrijk zijn of extra prioriteit hebben.

  • 3.

    Toezichthouders in het veld

  • Onze toezichthouders zijn vaak het eerste aanspreekpunt buiten. Zij informeren inwoners en bedrijven actief over geldende regels en stimuleren naleving daarvan.

Participatie

De Omgevingswet stimuleert participatie bij initiatieven. Initiatiefnemers moeten aangeven of en hoe zij participatie hebben georganiseerd. De wet laat ruimte voor verschillende vormen van participatie, zodat dit goed kan aansluiten bij het plan en de omgeving. We helpen initiatiefnemers hierbij door duidelijke informatie te geven via het digitaal omgevingsplein.

Daarnaast heeft de gemeenteraad op 21 november 2022 een lijst vastgesteld met gevallen waarin participatie verplicht is.

Voor initiatiefnemers is er ook een praktische handleiding: “Leidraad participatie bij ideeën en plannen in de dorpen van Midden-Groningen” (vastgesteld in oktober 2024). Deze leidraad bevat een stappenplan hoe participatie kan worden vormgegeven.

Informatieverzoek

Inwoners en ondernemers kunnen op een laagdrempelige manier informatie opvragen via:

  • het mailadres vergunningen@midden-groningen.nl;

  • het informatieformulier op de website;

  • of telefonisch contact.

We noemen dit een informatieverzoek. We geven daarbij aan of voor een activiteit een vergunning nodig is of dat deze vergunningsvrij is. Bij twijfel over de haalbaarheid van een plan verwijzen we de initiatiefnemer naar het klein initiatievenloket (KIL).

Daar bespreken we het plan inhoudelijk en procesmatig, zodat we tijdig kunnen adviseren over vervolgstappen.

Klein en Groot Initiatievenloket (KIL en GIL)

Sinds 2020 werken we met twee overlegvormen:

  • het Kleine Initiatievenloket (KIL) – wekelijks op dinsdag;

  • het Grote Initiatievenloket (GIL) – eens per twee weken op donderdag.

 

In het KIL worden uiteenlopende zaken behandeld, zoals:

  • aanvragen die niet passen binnen het omgevingsplan;

  • principeverzoeken, bijvoorbeeld voor functiewijziging;

  • handhavingsverzoeken;

  • klachten.

In het GIL bespreken we grotere initiatieven die voortkomen uit het KIL, vooral woningbouwprojecten. Voorbeelden zijn:

  • het ombouwen van winkels naar appartementen;

  • het herontwikkelen van voormalige bedrijfslocaties naar woonbestemming.

De teamleider VTH is voorzitter van het KIL. Hij of zij bewaakt de voortgang van dossiers en zorgt voor goede afstemming met andere teams. De voorzitter beslist niet alleen, maar zorgt dat dossiers integraal worden besproken en beoordeeld.

De aanjager woningbouw is voorzitter van het GIL. Deze rol is belangrijk vanwege de woningbouwopgave van de gemeente. De aanjager beoordeelt plannen op haalbaarheid en bewaakt de voortgang van woningbouwinitiatieven.

Ons uitgangspunt is altijd: “Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?

Bij grotere projecten kan een regionale omgevingstafel worden georganiseerd met onze ketenpartners. Tot nu toe is dat nog niet nodig geweest. De werkwijze is hieronder schematisch weergegeven.

 

 

Uit het schema volgen drie mogelijke vervolgstappen:

  • 1.

    Het initiatief kan direct worden afgehandeld

  • Deze zaken komen via de frontoffice VTH binnen (per mail, telefoon, formulier of Djuma).

  • De behandelaar werkt de zaak binnen 5 werkdagen af.

  • Als meer tijd nodig is, volgt een terugkoppeling in het eerstvolgende KIL.

  • 2.

    Er is een ruimtelijke onderbouwing (RO) nodig

  • Dit betreft aanvragen die niet passen binnen het omgevingsplan.

  • Een RO-behandelaar levert binnen 5 werkdagen de onderbouwing aan bij de vergunningverlener.

  • De aanvraag wordt daarna verder behandeld.

  • 3.

    Het initiatief uit het GIL moet verder worden uitgewerkt

  • Dit betreft meestal woningbouwinitiatieven.

  • De ondersteunend medewerker initiatievenloket stelt een memo op met de kerninformatie.

  • Tijdens het GIL wordt een behandelaar aangewezen.

  • De behandelaar vertaalt de informatie uit het GIL naar een memo voor het overleg van het domein Leefomgeving.

  • In het GIL wordt een vervolgafspraak gemaakt over de verdere behandeling.

Conceptaanvraag

We stimuleren initiatiefnemers om een conceptaanvraag in te dienen via het omgevingsloket. Hiermee kan de haalbaarheid van een plan vooraf worden beoordeeld. De kosten hiervoor zijn vastgelegd in de legesverordening 2025 onder de term omgevingsoverleg.

We beoordelen conceptaanvragen op ruimtelijke en welstandsaspecten. Als de beoordeling positief is, werkt de gemeente in principe mee aan de definitieve aanvraag. Zo voorkomen we onnodige kosten en zorgen we voor een vlottere procedure.

Onze basiswerkwijze sluit aan bij de Samenwerkingsafspraken Omgevingswet Groningen, versie 1.1.

Interne en externe afstemming & samenwerking

Een goede samenwerking is cruciaal voor eenduidige toetsing en handhaving. We stemmen daarom intern en extern zorgvuldig af.

Intern:

  • tussen vergunningverleners, toezichthouders, handhavers en adviseurs;

  • tussen teams die verantwoordelijk zijn voor ruimtelijke plannen en uitvoering.

Extern:

  • met ketenpartners zoals de Omgevingsdienst Groningen, Veiligheidsregio, waterschappen, politie en provincie;

  • met adviseurs van aanvragers, zoals architecten en milieudeskundigen.

De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling zijn vastgelegd in werkprocessen en instructies, die momenteel worden geactualiseerd. Ook de regionale samenwerkingsafspraken maken hier deel van uit.

Regelmatig evalueren we de werkwijze van het initiatievenloket om deze verder te verbeteren.

Toetsings- en toezichtstrategie

De U&HS moet laten zien hoe de gemeente aanvragen en meldingen beoordeelt en hoe toezicht wordt gehouden op naleving van wet- en regelgeving. Met deze strategie geven we inzicht in:

  • de criteria die we gebruiken bij het beoordelen van vergunningaanvragen en meldingen (de toetsingsstrategie);

  • de werkwijze bij het toezicht op naleving van wet- en regelgeving (de toezichtstrategie).

Door deze strategie vast te leggen, voldoen we aan de wettelijke verplichting om transparant te zijn over onze manier van werken.In dit hoofdstuk lichten we onze uitvoeringsstrategie toe. We beschrijven de volgende onderdelen:

  • 1.

    Vormen van uitvoering (2.1) – welke manieren van uitvoering wij onderscheiden;

  • 2.

    Toetsings- en toezichtstrategie (2.2) – hoe we aanvragen beoordelen en toezicht houden;

  • 3.

    Toetsingskaders en werkwijze (2.3) – welke regels, normen en procedures wij hanteren bij de uitvoering van onze taken.

Vormen van uitvoering

De gemeente Midden-Groningen hanteert verschillende vormen van uitvoering binnen de uitvoering en handhaving (U&H). Hieronder beschrijven we de belangrijkste vormen en wat ze inhouden.

Vorm 

Omschrijving 

Meldingen 

Bij sommige activiteiten in de fysieke leefomgeving geldt een meldingsplicht. Dat betekent dat initiatiefnemers verplicht zijn om de gemeente vooraf te informeren over hun plan of activiteit. 

Een melding is een mededeling aan het bevoegd gezag en kan niet worden geweigerd. Er kan ook geen bezwaar worden gemaakt tegen de acceptatie van een melding. De gemeente controleert: 

  • of de activiteit inderdaad meldingsplichtig is; 

  • of de melding volledig is ingediend. 

 Na beoordeling beslist de gemeente of de melding wordt geaccepteerd. 

 

Een inhoudelijke toetsing van het plan is niet aan de orde. 

De nadruk ligt daarom op toezicht tijdens de uitvoering van de activiteit. 

Initiatiefnemers moeten hun melding meestal minimaal vier weken vóór de start van de activiteit indienen. 

Vergunning  

Reguliere procedure 

De reguliere procedure is het uitgangspunt voor de meeste aanvragen om een omgevingsvergunning. Binnen acht weken moet de gemeente hierover een besluit nemen. Deze termijn kan één keer worden verdaagd met zes weken. 

Als de beslistermijn verstrijkt zonder besluit, kan de gemeente op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een dwangsom verschuldigd zijn aan de aanvrager. Voordat dit gebeurt, hanteren we nog een reactietermijn van twee weken om alsnog te kunnen besluiten. 

Bij gefaseerde aanvragen of meervoudige activiteiten geldt dat de activiteit met de langste beslistermijn bepalend is voor de totale proceduretijd.  

Vergunning 

Uitgebreide procedure 

In sommige gevallen is de uitgebreide procedure van toepassing. 

Dan moet de gemeente binnen 26 weken een besluit nemen, met de mogelijkheid tot éénmalige verdaging met zes weken. 

Ook hierbij geldt dat bij een gefaseerde of meervoudige aanvraag de activiteit met de langste termijn leidend is. 

De uitgebreide procedure kan: 

  • op verzoek of met instemming van de aanvrager worden toegepast; 

  • door de gemeente worden opgelegd, als het initiatief aanzienlijke maatschappelijke gevolgen heeft of wanneer verwacht wordt dat er bedenkingen van belanghebbenden komen. 

 In dat geval wordt de aanvrager eerst gehoord en krijgt hij de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. 

Maatwerkbesluit  

Een maatwerkbesluit is een besluit waarbij de gemeente maatwerkvoorschriften stelt of wijzigt. Dit kan bijvoorbeeld na een melding worden gedaan. Het maatwerkbesluit is een formeel besluit volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 

Toezicht 

tijdens realisatiefase  

Tijdens de uitvoering van een vergunde activiteit houdt de gemeente toezicht. Dit toezicht begint bij de start van de werkzaamheden en eindigt wanneer de activiteit volledig is afgerond. 

Met de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is het technische bouwtoezicht voor eenvoudige bouwwerken (gevolgklasse 1) geprivatiseerd. 

De gemeente voert dit technische toezicht dus niet meer zelf uit. 

De gemeente blijft echter verantwoordelijk voor: 

  • het toezicht op de ruimtelijke aspecten (zoals welstand, bouwvlak en bebouwd oppervlak); 

  • het toezicht op bouwprojecten in gevolgklasse 2 en 3. 

 

Toetsings- en toezichtstrategie

De gemeente Midden-Groningen heeft een wettelijke taak om vergunningen te beoordelen en toezicht te houden op het naleven van de regels. In deze toetsings- en toezichtstrategie leggen we uit hoe we dat doen en waarop we ons richten.

We hebben als gemeente enige beleidsvrijheid in de mate van toetsing en toezicht. Om daar transparant over te zijn, beschrijven we in deze strategie onze werkwijze en keuzes. Zo weten inwoners en ondernemers wat ze van ons kunnen verwachten.

Onze werkwijze sluit aan bij onze kernwaarden (zie hoofdstuk 3) en is risicogericht: we richten onze inzet vooral op situaties waar de kans op overtredingen groot is en de gevolgen voor veiligheid, gezondheid of leefomgeving het meest ernstig kunnen zijn.

Voor vergunningen waarbij ook een technische toets nodig is, sluiten we aan bij het landelijke toetsings- en toezichtsprotocol. In deze beleidsperiode werken we dit verder uit.

Werken op basis van risico’s

In hoofdstuk 4 is onze risicoanalyse toegelicht. Hierin zijn overtredingen en meldingen onderverdeeld in logische categorieën en gekoppeld aan mogelijke effecten op de leefomgeving, veiligheid, gezondheid en natuur. Per overtreding is bepaald welk risico dit oplevert. Deze risico’s bepalen vervolgens:

  • hoe diepgaand wij aanvragen toetsen;

  • hoe intensief wij toezicht uitvoeren;

  • waar wij onze capaciteit op inzetten.

Omdat niet alle situaties even risicovol zijn, controleren wij niet alles overal. We richten ons op de meest risicovolle situaties: daar waar het naleefgedrag te wensen overlaat of waar schade aan de leefomgeving of veiligheid kan ontstaan.

Naast toezicht gebruiken we ook communicatie en voorlichting om naleving te bevorderen (zie hoofdstuk 5, Preventiestrategie).

Toetsingskaders en werkwijze

Hieronder staat onze algemene werkwijze voor het behandelen van meldingen en het uitvoeren van toezicht. De specifieke werkprocessen en formats zijn digitaal vastgelegd in onze backofficeomgeving.

Behandeling van een melding

  • 1.

    Intake

  • De melding wordt geregistreerd in het digitale systeem (backoffice), en toegekend aan een vergunningverlener.

  • De melding wordt administratief voorbereid en, waar nodig, gepubliceerd.

  • De aanvrager ontvangt een ontvangstbevestiging.

  • 2.

    Toets volledigheid

  • De vergunningverlener controleert of de melding volledig is ingediend.

  • Als gegevens ontbreken, krijgt de aanvrager de gelegenheid om deze aan te vullen.

  • 3.

    Toets inhoud

  • De vergunningverlener beoordeelt of de melding overeenkomt met het feitelijke (voorgenomen) gebruik of de uitvoering. Dit is een globale toets, gebaseerd op ervaring.

  • Alleen als dat wettelijk verplicht is, vindt een inhoudelijke toets plaats, eventueel met advies van interne of externe specialisten.

  • Indien nodig kunnen aanvullende voorwaarden worden vastgesteld.

Uitvoering van toezicht

De wijze van toezicht verschilt per situatie en fase, maar de volgende stappen gelden in principe altijd:

- De toezichthouder bestudeert het dossier en onderzoekt, indien relevant:

  • wie eigenaar en gebruiker van het pand is;

  • welke personen staan ingeschreven in de BRP;

  • wat de bestemming en het vergunde gebruik zijn;

  • welke vergunningen eerder zijn verleend;

  • de toezicht- en handhavingshistorie;

  • welke regels van toepassing zijn (zoals bouw of omgevingsplan).

- Het doel van het toezicht wordt vastgesteld.

- Toezicht kan aangekondigd of onaangekondigd plaatsvinden.

- Indien nodig wordt vooraf een afspraak gemaakt.

  • 1.

    Uitvoering toezicht

  • De toezichthouder legitimeert zich en licht het doel van het bezoek toe. Bij het binnentreden van een woning is legitimatie altijd verplicht.

  • Tijdens het bezoek:

    • worden waarnemingen genoteerd;

    • kunnen verklaringen of documenten worden opgevraagd;

    • worden waar nodig foto’s gemaakt of monsters genomen;

    • wordt gebruikgemaakt van checklists voor een eenduidige werkwijze.

  • De bevindingen worden zo mogelijk direct besproken met de betrokkene.

  • Indien relevant geeft de toezichthouder ter plekke voorlichting of advies over beleid of actuele ontwikkelingen.

  • 2.

    Afwerking controle

  • Na afloop maakt de toezichthouder een rapportage volgens een vast format. Hierin worden bevindingen, overtredingen en observaties eenduidig vastgelegd.

  • Op basis van de resultaten wordt beoordeeld of handhaving nodig is. De vervolgstappen worden vastgelegd volgens het stappenplan van de sanctiestrategie (zie hoofdstuk 5.2).

  • Betrokkenen ontvangen altijd een terugkoppeling van de resultaten van het toezicht. Als handhaving nodig is, wordt dit uitgelegd in het besluit of in een brief aan de betrokkene.

Toepassing van toetsingskaders

Voor de volgende vergunning- en meldingsplichtige activiteiten gebruiken wij specifieke toetsingskaders en werkwijzen. Deze worden in de volgende paragrafen uitgewerkt:

  • 1.

    Bouwactiviteit (omgevingsvergunning activiteit bouw)

  • 2.

    Omgevingsplanactiviteit

  • 3.

    Rijksmonumentactiviteit

  • 4.

    Activiteit brandveilig gebruik

  • 5.

    Activiteiten uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

  • 6.

    Milieubelastende activiteit

  • 7.

    Wet Bibob

Toetsingskader

De bouwactiviteit is geregeld in artikel 5.1, lid 2, onder a van de Omgevingswet. In dit artikel staat dat een bouwactiviteit vergunningplichtig is als deze in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is aangewezen.

Dat betekent dat een bouwactiviteit alleen vergunningplichtig is als deze expliciet in de AMvB wordt genoemd. De AMvB waarnaar wordt verwezen, is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In paragraaf 2.3.2 van het Bbl staan de gevallen waarin een bouwactiviteit vergunningplichtig is. Een voorbeeld is artikel 2.25 Bbl, waarin staat dat een bouwwerk met een dak vergunningplichtig is als het aan één van de onderstaande voorwaarden voldoet:

  • het bouwwerk niet op de grond staat;

  • het bouwwerk hoger is dan 5 meter;

  • het bouwwerk meer dan één bouwlaag heeft, waarbij de tweede bouwlaag of hoger een verblijfsgebied is;

  • het bouwwerk een dakterras, balkon of andere verhoogde buitenruimte heeft;

  • het bouwwerk door de bouwactiviteit een hoofdgebouw wordt.

De ‘knip’ in de bouwactiviteit

Met de komst van de Omgevingswet is de bouwactiviteit opgesplitst in twee delen:

  • 1.

    een technische bouwactiviteit, en

  • 2.

    een omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk.

Deze scheiding wordt ook wel de ‘knip’ genoemd.

De technische bouwactiviteit richt zich op de veiligheid en kwaliteit van het bouwwerk zelf (bijvoorbeeld constructie, brandveiligheid en gezondheid).

De omgevingsplanactiviteit gaat over de ruimtelijke inpassing van het bouwwerk: past het binnen het omgevingsplan, de omgeving en het straatbeeld?

Een initiatiefnemer die een bouwactiviteit wil uitvoeren, moet:

  • bij eenvoudige bouwwerken (de zogenoemde gevolgklasse 1) een melding doen bij de gemeente voor het technische deel (de technische bouwactiviteit);

  • bij complexere bouwwerken een omgevingsvergunning aanvragen.

Technische bouwactiviteit

De technische bouwactiviteit gaat over de kwaliteit en veiligheid van bouwwerken. Hierbij toetsen we of een aanvraag voldoet aan de technische regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Denk hierbij aan regels over constructieve veiligheid, brandveiligheid, daglichttoetreding en energiezuinigheid.

Door de knip tussen het technische en ruimtelijke deel zijn nu meer bouwactiviteiten vergunningvrij voor het technische deel, omdat de ruimtelijke voorwaarden (zoals ligging of hoogte) daar niet meer in meewegen.

Toetsing aan het Bbl

Wanneer een vergunning wel verplicht is, toetsen we de aanvraag aan de technische regels van het Bbl. Deze toets lijkt op de vroegere beoordeling op grond van het Bouwbesluit 2012.

Voor complexere bouwwerken (gevolgklasse 2 en 3) blijft een vergunningplicht gelden. De gemeente beoordeelt dan of de bouwactiviteit aan de technische eisen voldoet.

Alle bouwwerken, dus ook meldingsplichtige of vergunningvrije bouwwerken, moeten altijd voldoen aan de technische eisen van het Bbl.

Voor meldingsplichtige technische bouwactiviteiten geldt dat de bouwtechnische toets niet meer door de gemeente, maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger wordt uitgevoerd.

Landelijk is vastgelegd:

  • of voor een bouwactiviteit een vergunning nodig is,

  • of een melding volstaat,

  • of de activiteit geheel vergunningvrij is.

De uitvoering en handhaving van bouwprojecten die onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vallen, staan in ons Wkb-beleid (zie bijlage 5).

Ruimtelijke toets (omgevingsplanactiviteit)

De ruimtelijke toets van “bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk” heet de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Hierbij beoordelen we of het bouwwerk past binnen de ruimtelijke regels van het omgevingsplan. Voorbeelden van deze ruimtelijke regels zijn:

  • bouwhoogte en bebouwingspercentage,

  • het uiterlijk van een bouwwerk (welstand),

  • de toegestane functie van het pand (bijvoorbeeld wonen of detailhandel).

In het omgevingsplan bepaalt de gemeente zelf of:

  • een bouwactiviteit vergunningplichtig is,

  • meldingsplichtig is, of

  • vergunningvrij mag worden uitgevoerd.

Onder dit ruimtelijke deel vallen alle regels die voorheen in het bestemmingsplan, de bouwverordening en de welstandsnota stonden. Deze regels zijn nu samengebracht in het omgevingsplan.

Werkwijze: melding en vergunningverlening

Door de knip tussen technisch en ruimtelijk deel zijn er twee manieren van werken:

1. Werkwijze bij een bouwmelding

De melding bouwactiviteit is een nieuwe processtap binnen onze organisatie. Deze meldingen worden beoordeeld door onze vergunningverleners. De manier waarop dit gebeurt is uitgewerkt in bijlage 5 (Wkb-beleid). De kwaliteitsborger voert de technische beoordeling uit en rapporteert dit aan de gemeente.

2. Werkwijze bij vergunningverlening (technische bouwactiviteit)

Als voor een bouwactiviteit een vergunning nodig is, gebruiken wij het landelijke toetsingsprotocol. Hierin is vastgelegd hoe diepgaand de toetsing aan het Bbl plaatsvindt.

Wij vergunnen risicogericht. Dat betekent dat we onze aandacht richten op onderdelen die cruciaal zijn voor veiligheid en gezondheid, zoals:

  • constructieve veiligheid,

  • brandveiligheid,

  • installaties en ventilatie.

Het is niet mogelijk om vooraf te garanderen dat een bouwwerk 100% aan alle Bbl-eisen zal voldoen. Daarom werken wij op basis van risico’s en controleren wij steekproefsgewijs. Onze toezichthouders gebruiken bij hun werk:

  • digitale checklists,

  • het landelijk toezichtsprotocol,

  • en tablets waarop zij direct hun bevindingen registreren.

Deze digitale protocollen worden automatisch bijgewerkt volgens de nieuwste wetgeving, waardoor onze interne kwaliteit is geborgd.

De frequentie en diepgang van de controles hangen af van:

  • het type bouwwerk,

  • de complexiteit,

  • en de bevindingen tijdens de uitvoering.

In Midden-Groningen geldt:

  • elke vergunning wordt gecontroleerd – fysiek of administratief.

  • de uitvoerder blijft verantwoordelijk voor de juiste uitvoering;

  • het toezicht van de gemeente controleert op hoofdlijnen.

Als tijdens toezicht overtredingen worden vastgesteld, kunnen wij handhavend optreden. De manier waarop we dat doen, staat beschreven in de sanctiestrategie (zie hoofdstuk 5.2).

Werkwijze toezicht tijdens de realisatiefase (bouw)

In de realisatiefase controleren we of de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals vergund. De intensiteit van het toezicht hangt af van:

  • de complexiteit van het project, en

  • de prioriteit die aan de activiteit is toegekend.

Tijdens deze fase kunnen de volgende typen controles plaatsvinden:

Type controle 

Toelichting 

Reguliere controle 

Fysieke controle op locatie tijdens de uitvoering (bijvoorbeeld na melding start werkzaamheden). Dit kan met of zonder wachtmoment: de uitvoerder mag dan pas verder na goedkeuring van de controle. 

Administratieve controle 

Controle zonder fysiek bezoek, bijvoorbeeld op basis van documenten, gegevens van de vergunninghouder of (lucht)foto’s. 

Eindcontrole 

Controle ter plaatse of op afstand (foto’s, rapporten) bij de gereedmelding van het bouwwerk. 

In het vervolg van dit hoofdstuk beschrijven we op welke specifieke onderdelen van omgevingsvergunningen wij toezicht houden en waar we geen volledig toezicht uitvoeren.

Toezicht bouwtechnische kwaliteit van te bouwen bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1

Sinds de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is het bouwproces en ook onze rol als gemeente veranderd. Het bevoegd gezag (de gemeente) blijft verantwoordelijk voor het toezien op naleving van de bouwregelgeving. Dat betekent dat wij - als dat nodig is - nog steeds zelf waarnemingen mogen doen, situaties beoordelen en ingrijpen bij overtredingen of risico’s.

Bij bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (eenvoudige bouwwerken, zoals eengezinswoningen of kleine bedrijfspanden) ziet een onafhankelijke kwaliteitsborger tijdens de uitvoering toe op de technische kwaliteit en of het bouwwerk voldoet aan de bouwvoorschriften.

Als de kwaliteitsborger een gebrek of overtreding constateert, heeft hij een signalerende rol naar de gemeente. Wij blijven dus eindverantwoordelijk voor het naleven van de regels en kunnen optreden als dat nodig is. De manier waarop wij toezicht houden op bouwprojecten die onder de Wkb vallen, is uitgebreid beschreven in ons Wkb-beleid (zie bijlage 5).

Toezicht bouwtechnische kwaliteit van te bouwen bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 2 en 3

Bouwwerken in gevolgklasse 2 (zoals bibliotheken, scholen en woongebouwen tot 70 meter hoog) en gevolgklasse 3 (zoals hoogbouw boven 70 meter, ziekenhuizen en tunnels) vallen nog niet onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb).

Volgens de landelijke planning worden deze categorieën pas vijf jaar na de invoering van de Wkb toegevoegd aan het stelsel van kwaliteitsborging. Dat betekent dat de gemeente tot en met 2028 zelf verantwoordelijk blijft voor de technische toetsing en het toezicht op deze bouwwerken.

 

Het is in de praktijk niet mogelijk en niet efficiënt om elk bouwwerk continu tijdens de bouw te controleren. Daarom richten wij ons toezicht op de cruciale momenten in het bouwproces. Tijdens deze belangrijke fasen voeren wij gerichte controles uit. Per bouwfase kunnen één of meerdere controles plaatsvinden.

Bouwfase 

Toelichting 

1. Aanloop 

Oriënteringsgesprek met de uitvoerder, uitzetten van de bouw, uitgraven van de bouwput, fundering op staal of op palen. 

2. Onderbouw 

Controle van de fundering, aanleg van de riolering, uitvoering van de beganegrondvloer. 

3. Bovenbouw 

Controle van wanden en kolommen, stempels en steigers, vloeren en balken, en constructies van overige verdiepingen. 

4. Gevel/dak 

Controle van dakconstructies, dakafwerking, buitengevels en gevelopeningen. 

5. Afbouw 

Controle van de binnenafwerking, installaties en uitvoering van de eindcontrole. 

Onze toezichtaanpak

Bij deze bouwwerken richten wij ons toezicht vooral op veiligheid en constructieve kwaliteit. Wij plannen controles op basis van risico’s en bouwvoortgang. Dat betekent dat we vooral aanwezig zijn bij momenten waarop fouten grote gevolgen kunnen hebben voor veiligheid, gezondheid of leefbaarheid.

Deze aanpak zorgt ervoor dat wij onze capaciteit gericht en effectief inzetten en tegelijk voldoende toezichtkwaliteit waarborgen.

Toezichtmomenten tijdens de bouwfase

De controles tijdens de bouw zijn bedoeld om te beoordelen of er wordt gebouwd volgens de verleende vergunning. Net als bij de toetsing van de vergunning doen we dit op basis van aannemelijkheid en met behulp van lokale toezichtmatrixen. In deze toezichtmatrixen staat:

  • wanneer toezichtmomenten plaatsvinden;

  • wat het minimale toezichtsniveau is;

  • welke onderdelen worden gecontroleerd; en

  • hoe diepgaand de controle is.

De mate van controle hangt direct samen met de diepgang van de toets van de vergunningaanvraag. Zo besteden we bij complexere projecten meer aandacht aan details en bij eenvoudige bouwwerken vooral aan hoofdzaken.

Onze digitale applicatie is afgestemd op de toezichtmatrix in het landelijk Integraal Toezichtsprotocol 2. We gebruiken hiervoor digitale checklists, die helpen om toezicht op een eenduidige en gestructureerde manier uit te voeren. Deze checklists ondersteunen onze toezichthouders bij het controleren van vergunningen op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Controle van deelgoedkeuringen (constructie en installaties)

In een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk kunnen voorschriften zijn opgenomen. Vaak gaat het om de verplichting om op een later moment aanvullende tekeningen en berekeningen in te dienen, bijvoorbeeld constructieve of installatietechnische berekeningen. Bij één vergunning kan het voorkomen dat er meerdere deelgoedkeuringen nodig zijn.

 

De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van deze stukken. In de meeste gevallen moeten de documenten minimaal drie weken voor de uitvoering van het betreffende onderdeel bij de gemeente zijn ingediend. De toezichthouder controleert:

of de stukken op tijd zijn ingediend,

of het betreffende onderdeel nog niet is uitgevoerd voordat de stukken zijn goedgekeurd,

en of de uitvoering pas start na goedkeuring van de gemeente.

Wanneer deze voorschriften niet worden nageleefd, passen wij de sanctiestrategie toe (zie paragraaf 4.4). Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk worden stilgelegd totdat de situatie is hersteld.

De ingediende stukken worden vervolgens volgens onze toetsstrategie beoordeeld. De vergunningverlener voert deze beoordeling zelf uit of schakelt, indien nodig, een externe deskundige in.

Omgevingsplanactiviteit (omgevingsvergunning planologisch)

Toetsingskader

Voor de invoering van de Omgevingswet werd een aanvraag voor de activiteit bouwen getoetst aan het bestemmingsplan. Sinds de komst van de Omgevingswet toetsen wij aanvragen aan het omgevingsplan.

Een activiteit die past binnen de regels van het omgevingsplan, maar waarvoor toch een vergunningplicht geldt, noemen we een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa).

Bij een binnenplanse activiteit toetsen wij de aanvraag aan:

  • alle regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan; en

  • de relevante bepalingen uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).

Als de aanvraag voldoet aan deze regels, verlenen wij de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit.

Werkwijze

Wanneer een aanvraag niet past binnen het omgevingsplan, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). In dat geval toetsen wij de aanvraag aan:

  • de instructieregels uit hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening; en

  • de eis van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Dit laatste begrip vervangt het vroegere criterium van een goede ruimtelijke ordening. Het betekent dat wij bekijken of de functie goed past bij de locatie, en of de belangen van de omgeving daarbij in balans zijn.

In onze gemeente beoordelen we dit integraal. Een multidisciplinair team van medewerkers uit verschillende vakgebieden bespreekt tweewekelijks alle plannen die niet automatisch binnen de regels passen.

Dit team beoordeelt de haalbaarheid en wenselijkheid van het initiatief en kijkt welke aanpassingen of voorwaarden nodig zijn. Zo leveren we maatwerk per geval, met aandacht voor zowel de initiatiefnemer als de omgeving.

(Rijks)monumentenactiviteit (omgevingsvergunning activiteit monument)

Toetsingskader

Het omgevingsplan legt vast hoe erfgoed wordt beschermd. Voor rijksmonumenten geldt dat zij al zijn aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Deze bescherming is dus automatisch geregeld en hoeft niet opnieuw in het omgevingsplan te worden opgenomen.

Een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit vraagt altijd extra zorgvuldigheid. We willen voorkomen dat er onomkeerbare schade ontstaat aan waardevol cultureel erfgoed. Het gaat hierbij zowel om gebouwde rijksmonumenten als om gemeentelijk archeologisch erfgoed. Beide nemen we nadrukkelijk mee in onze planvorming en vergunningverlening.

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag sluiten we zoveel mogelijk aan bij de toetsingsstrategie voor de bouwactiviteit. Voor veel veranderingen aan monumenten is immers ook een vergunning voor de activiteit bouwen nodig. Door extra aandacht te besteden aan toetsing en toezicht kunnen we beter waarborgen dat de monumentale waarden behouden blijven.

Als er grondwerkzaamheden plaatsvinden, beoordeelt de gemeente of archeologisch onderzoek nodig is. Zo voorkomen we dat waardevolle resten uit het verleden verloren gaan.

Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit

Bij de toetsing maken we gebruik van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Deze commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders integraal over plannen van initiatiefnemers en aanvragers. De adviezen gaan over:

  • welstand (het uiterlijk van gebouwen en gebieden),

  • erfgoed,

  • ruimtelijke ordening en stedenbouw, en

  • landschap en groen.

De gemeente Midden-Groningen werkt sinds 2023 met deze commissie volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet. De taken en werkwijze van de commissie zijn vastgelegd in de Verordening gemeentelijke adviescommissie voor Omgevingskwaliteit Midden-Groningen 2023.

Wettelijk kader

De regels over rijksmonumenten en cultureel erfgoed staan vastgelegd in verschillende wetten en besluiten:

  • de Omgevingswet;

  • het Omgevingsbesluit (Ob);

  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);

  • de Omgevingsregeling;

  • het overgangsrecht van de Invoeringswet Omgevingswet; en

  • het Invoeringsbesluit Omgevingswet, waaronder de Bruidsschat (de tijdelijke overgangsregels).

Werkwijze

Vergunningverlening erfgoed

Binnen de gemeente Midden-Groningen staan zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten. Deze zijn opgenomen in de Monumentenlijst.

Bij het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten, kijken we altijd of de plannen geen onomkeerbare schade veroorzaken aan het gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed.

Beoordeling van vergunningaanvragen

Voor de beoordeling gebruiken wij de Erfgoedverordening 2018 als hoofdkader. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Midden-Groningen adviseert het gemeentebestuur over alle aanvragen die betrekking hebben op monumenten of erfgoed. Zo zorgen we voor een deskundige en integrale afweging.

Daarnaast bevat de Bruidsschat aanvullende regels voor aanvragen die gaan over het ontsieren, slopen of veranderen van monumenten. Deze regels gelden voor:

  • gemeentelijke monumenten;

  • archeologische monumenten;

  • provinciaal beschermde monumenten; en

  • beschermde stads- en dorpsgezichten.

De regels voor rijksmonumenten zijn opgenomen in meerdere landelijke wetten en besluiten, waaronder:

  • de Omgevingswet;

  • het Omgevingsbesluit (Ob);

  • het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

  • het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

  • het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);

  • de Omgevingsregeling;

  • de Invoeringswet Omgevingswet (overgangsrecht); en

  • het Omgevingsplan van rechtswege (via de Bruidsschat).

Toezicht en uitvoering

Wanneer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of monumenten is verleend - of als een wijziging vergunningsvrij mag worden uitgevoerd - nemen we de monument-specifieke en cultuurhistorische aspecten mee in onze reguliere bouwinspecties.

Tijdens de gebruiksfase houden we toezicht op het behoud van monumentale waarden. Door het bijzondere karakter van monumenten is dit altijd maatwerk. De eigenaar blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en behoud van zijn monument of beschermd pand. De gemeente grijpt in wanneer dit noodzakelijk is, bijvoorbeeld naar aanleiding van meldingen vanuit het toezicht in het veld.

Bij bouwwerken die zich bevinden in archeologisch waardevolle gebieden, voeren wij toezicht uit op basis van de vergunningvoorschriften. Daarbij letten we er vooral op dat archeologische waarden behouden blijven en dat werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de vergunde voorwaarden.

Activiteit brandveilig gebruik van een bouwwerk

Toetsingskader

De regels voor brandveilig gebruik van gebouwen staan in hoofdstuk 6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In sommige gevallen moet het gebruik van een bouwwerk vooraf bij de gemeente worden gemeld.

Met de komst van de Omgevingswet is de gebruiksvergunning vervallen. Voor bepaalde gebouwen, zoals hotels, geldt echter nog wel een meldingsplicht.

In artikel 6.6 van het Bbl staat in een overzichtstabel per gebruiksfunctie aangegeven vanaf welk aantal aanwezige personen deze meldingsplicht geldt. Volgens artikel 6.7 Bbl moet een melding minimaal vier weken voor het gebruik worden ingediend.

De melding moet vergezeld gaan van een aantal gegevens en bescheiden, zoals beschreven in artikel 6.8 Bbl. Als de melding volledig is, ontvangt de indiener een bevestiging van acceptatie. Daarna mag het gebouw in gebruik worden genomen.

Werkwijze: melding en toezicht

Het toezicht op brandveilig gebruik is een wettelijke taak van de Veiligheidsregio Groningen (VRG). Deze taak is vastgelegd in provinciale regelgeving en wordt uitgevoerd door de toezichthouders van de VRG.

Het controlebestand van de gemeente wordt voortdurend geactualiseerd met:

  • nieuwe vergunningen en meldingen, en

  • nieuwe bedrijven die zich in de gemeente vestigen.

De VRG controleert of het bouwwerk voldoet aan de vergunning en aan de geldende wet- en regelgeving. De diepgang van het toezicht hangt af van:

  • de risicoclassificatie van het gebouw,

  • de historie van het pand (zoals eerdere overtredingen of gebreken), en

  • het type gebruik (bijvoorbeeld slapen, samenkomen of opslag).

 

De controle vindt plaats volgens het Toezichtsprotocol van de VRG. Waar mogelijk stemmen wij deze controles integraal af op andere gemeentelijke controles, bijvoorbeeld bij de activiteit “bouwen van een bouwwerk”.

Alle nieuwe meldingen worden voor 100% gecontroleerd, in samenwerking tussen de VRG en de gemeentelijke toezichthouder. De nadruk ligt hierbij op locaties met kwetsbare groepen, zoals:

  • kinderdagverblijven,

  • scholen, en

  • zorginstellingen.

Algemene Plaatselijke Verordening (APV)

Toetsingskader

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bevat regels die bedoeld zijn om de openbare orde, veiligheid en het milieu te beschermen. De APV maakt het mogelijk om vergunningen en ontheffingen te verlenen voor bepaalde activiteiten.

De keuze tussen een vergunning of een ontheffing hangt af van de aard van de activiteit:

  • Als een activiteit onder voorwaarden aanvaardbaar of gewenst is, wordt er meestal een vergunning verleend.

  • Als het gaat om ongewenst gedrag dat alleen in uitzonderlijke gevallen is toegestaan, wordt er meestal een ontheffing verleend.

Een vergunning of ontheffing helpt om de gevolgen van een activiteit te beperken en ervoor te zorgen dat deze op een veilige en verantwoorde manier plaatsvindt. De meest voorkomende vergunningen zijn:

  • evenementenvergunningen;

  • vergunningen op basis van de Alcoholwet.

De APV vormt de juridische basis voor het verlenen van vergunningen en het stellen van regels en voorschriften rondom evenementen. Omdat evenementen sterk kunnen verschillen in aard en omvang, zijn vaak ook landelijke regels van toepassing. Voorbeelden hiervan zijn:

  • het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen (BGBOP);

  • de Alcoholwet;

  • de Wegenverkeerswet;

  • en de Zondagswet.

Een uitgebreide toelichting op de geldende wet- en regelgeving rondom evenementen is te vinden in hoofdstuk 5 van het evenementenbeleid.

 

Werkwijze: vergunningen, ontheffingen en toezicht APV

Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op grond van de APV worden volledig getoetst aan:

  • de relevante landelijke wet- en regelgeving, en

  • de lokale regels en beleidskaders van de gemeente Midden-Groningen.

Evenementen

Toetsingskader

We werken volgens het Evenementenbeleid Midden-Groningen 2021. Voor kleine evenementen is geen vergunning nodig, zolang er tijdig vooraf een melding wordt gedaan bij de burgemeester. De burgemeester kan een klein evenement verbieden als er aanwijzingen zijn dat het evenement risico’s oplevert voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of het milieu.

De juridische basis voor het verlenen van vergunningen en het stellen van regels en voorschriften over evenementen ligt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Omdat evenementen sterk van elkaar verschillen in aard en omvang, gelden daarnaast ook andere landelijke regelingen die betrekking hebben op specifieke soorten evenementen.

In Midden-Groningen onderscheiden we drie soorten evenementen:

  • Meldingplichtige evenementen

  • Meldingvrije evenementen

  • Vergunningplichtige evenementen

Voor het houden van een evenement kan via de gemeentelijke website een aanvraagformulier worden ingevuld. Met dit formulier kunnen ook andere vergunningen en ontheffingen worden aangevraagd, zolang de gemeente daarvoor bevoegd gezag is. Bij vragen of onduidelijkheden kunnen organisatoren contact opnemen met de vergunningverlener van de gemeente. Wanneer een aanvraag tijdig en volledig is ingediend (zie paragraaf 3.3), beslist de gemeente of het evenement meldingplichtig of vergunningplichtig is.

Wij toetsen aanvragen voor evenementen op basis van een risicoscan, die samen met de Veiligheidsregio Groningen is ontwikkeld. Afhankelijk van de ingeschatte veiligheidsrisico’s wordt de aanvraag meer of minder diepgaand getoetst. Meldingsplichtige of vergunningsvrije evenementen worden niet aan een risicoscan onderworpen.

Uit de risicoscan blijkt of een evenement een regulier evenement, een aandachtsevenement of een risicovol evenement is. De uitkomst van deze scan bepaalt de behandelwijze van de aanvraag en de intensiteit van de beoordeling.

De risicoscan richt zich op risico’s voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu. We voeren de scan uit aan de hand van:

  • de evenementenaanvraag,

  • evaluaties van eerdere edities (als die beschikbaar zijn),

  • vergelijkbare evenementen, en

  • informatie van hulpdiensten.

De uitkomst van de scan laat zien of er specifieke risico’s zijn die nadere advisering vragen. We houden in deze fase nog geen rekening met bijzondere omstandigheden van het evenement zelf. Dat gebeurt later, tijdens de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en de risicoanalyse die wij samen met onze adviespartners uitvoeren.

De beoordeling van evenementenvergunningen vindt plaats binnen de wettelijke termijnen en volgens de regionale afspraken met ketenpartners.

Werkwijze: vergunningen, meldingen en toezicht evenementen

Als een evenement niet voldoet aan de criteria voor meldingplichtige of meldingvrije evenementen, is het vergunningplichtig. Met behulp van de risicoscan van de Veiligheidsregio Groningen (VRG) worden vergunningplichtige evenementen ingedeeld in drie categorieën:

  • A-evenement - regulier evenement (laag risico)

  • B-evenement - aandacht evenement (beperkt risico)

  • C-evenement – risicovol evenement (hoog risico)

De aard en het risico van een evenement hangen af van factoren zoals:

  • geluidsproductie,

  • aantal bezoekers,

  • duur van het evenement, en

  • omvang en ligging van de locatie.

Op basis van de informatie en stukken die de organisator aanlevert, beoordeelt de gemeente met de risicoscan in welke categorie het evenement valt en welke advisering nodig is. Advies door hulpdiensten of andere partners kan bijvoorbeeld plaatsvinden tijdens een omgevingsoverleg. Per categorie geldt een eigen behandelprocedure:

  • Bij C-evenementen vindt altijd vooraf overleg plaats met betrokken partners, zoals politie, VRG en GGD.

  • Bij A- en B-evenementen gebeurt dit alleen als de situatie daar aanleiding toe geeft.

We passen hierbij maatwerk toe; er kan altijd worden afgeweken als de omstandigheden dat vragen.

Uitkomst risicoscan evenementen

De uitkomst van de risicoscan (A, B of C) bepaalt:

  • de behandelwijze van de aanvraag,

  • de behandeltermijn, en

  • welke adviespartners worden betrokken.

Als er tijdens de behandeling nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, kan de risicoscan worden herhaald en de classificatie worden aangepast. De betrokken partners worden vervolgens opnieuw gevraagd om advies uit te brengen over de maatregelen die de organisator moet nemen.

Het toezicht op evenementen is risicogestuurd. De aard en omvang van het evenement bepalen hoe vaak en hoe intensief gecontroleerd wordt:

  • Bij grootschalige of risicovolle evenementen vinden, afhankelijk van de risico’s en duur, één of meerdere fysieke controles plaats – vóór en/of tijdens het evenement.

  • Bij A-evenementen vindt toezicht vooral plaats op basis van meldingen of klachten.

Exploitatievergunning

In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is een vergunningplicht opgenomen voor het exploiteren van een openbare inrichting (zoals een horecagelegenheid). De toetsingskaders en aanvullende weigeringsgronden staan in artikel 2:28 en verder van de APV. De exploitatievergunning vermeldt:

  • de openingstijden van de inrichting, en

  • de leidinggevenden die verantwoordelijk zijn.

De APV bevat ook regels over activiteiten die binnen een openbare inrichting niet zijn toegestaan. Als bij een controle blijkt dat deze regels worden overtreden, kan de exploitatievergunning worden ingetrokken.

Alcoholwet

De Alcoholwet bevat regels voor bedrijven en instellingen die alcoholhoudende drank verstrekken, zoals:

  • horeca- en slijtersbedrijven, en

  • para-commerciële rechtspersonen (zoals sportkantines en dorpshuizen).

Voor het schenken van alcohol is een vergunning van de burgemeester verplicht. In de Alcoholwet is vastgelegd welke stukken bij de aanvraag moeten worden ingediend. Elke aanvraag wordt volledig getoetst en er kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden.

Bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden wordt altijd afstemming gezocht met de politie, zeker bij relevante antecedenten.

In hoofdstuk 2, afdeling 5 van de APV staan aanvullende regels over para-commerciële rechtspersonen. Deze regels gaan over het beperken van commerciële horeca-activiteiten binnen maatschappelijke instellingen. In deze beleidsperiode stelt de gemeente hiervoor een specifieke verordening vast.

Toezicht op alcoholverstrekking

We onderscheiden hotspots waar regelmatig toezicht plaatsvindt. Elk jaar wordt in het uitvoeringsprogramma vastgelegd:

  • hoeveel controles plaatsvinden, en

  • welk type controle wordt uitgevoerd.

De prioriteit ligt bij het toezicht op het naleven van de leeftijdsgrens voor alcoholverstrekking aan minderjarigen.

Milieubelastende activiteit

Toetsingskader

Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het voor sommige activiteiten verplicht om een melding te doen of een vergunning aan te vragen voor milieubelastende activiteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven of instellingen die stoffen uitstoten, afvalstoffen verwerken, energie produceren of geluidsoverlast kunnen veroorzaken. De regels in het Bkl bepalen wanneer een activiteit meldingsplichtig of vergunningplichtig is.

De gemeente Midden-Groningen werkt hierbij samen met de Omgevingsdienst Groningen (ODG), die de uitvoering van deze milieutaken namens de gemeente verzorgt. De beoordeling van meldingen en vergunningaanvragen richt zich op het voorkomen of beperken van schade aan de leefomgeving, zoals lucht, bodem, water, geluid en natuur.

Werkwijze vergunningen, meldingen en toezicht tijdens de realisatiefase

De ODG actualiseert voortdurend het lokale controlebestand met:

  • verleende vergunningen,

  • ingediende meldingen, en

  • nieuwe milieubelastende activiteiten en inrichtingen.

De ODG controleert of deze inrichtingen voldoen aan de vergunningvoorschriften en de geldende wet- en regelgeving. Hierbij wordt gekeken naar aspecten zoals emissies, afvalverwerking, opslag van gevaarlijke stoffen en naleving van milieuvoorschriften.

De werkwijze en diepgang van het toezicht volgen het uniform regionaal beleidskader dat geldt binnen de provincie Groningen. De gemeente Midden-Groningen sluit hierbij volledig aan en verwijst voor de uitvoering naar dit kader. Toezicht kan bestaan uit:

  • administratieve controles, zoals het beoordelen van rapportages en meetverslagen;

  • fysieke inspecties op locatie; en

  • hercontroles bij overtredingen of signalen van niet-naleving.

De resultaten van deze controles worden vastgelegd en vormen onderdeel van de jaarlijkse VTH-evaluatie.

Bibob

Toetsingskader

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen alle vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten onder de reikwijdte van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Ook gebruikswijzigingen in gebouwen kunnen onder de Wet Bibob vallen.

De Wet Bibob is bedoeld om te voorkomen dat overheden onbedoeld criminele activiteiten faciliteren bij het verlenen van vergunningen, subsidies, vastgoedtransacties of overheidsopdrachten. De wet geeft bestuursorganen de mogelijkheid om een aanvraag te weigeren of een vergunning (gedeeltelijk) in te trekken als er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning wordt misbruikt. Dit gevaar kan zich voordoen in twee situaties:

  • 1.

    De a-grond: er is ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen financiële voordelen te benutten;

  • 2.

    De b-grond: er is ernstig gevaar dat de vergunning zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen.

Een besluit tot weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob moet deugdelijk worden gemotiveerd. Daarom vraagt het bevoegd gezag vaak advies aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat gespecialiseerd is in integriteitsscreenings.

Het LBB onderzoekt de herkomst van geldstromen, zakelijke relaties, eigendomsverhoudingen en antecedenten van betrokkenen. Bestuursorganen mogen in principe vertrouwen op de deskundigheid van dit bureau.

Binnen de Wet Bibob vallen onder “strafbare feiten” ook overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.

Werkwijze

De gemeente Midden-Groningen voert de Bibob-toets uit volgens haar Beleidsregel Bibob. Het doel hiervan is te voorkomen dat de gemeente onbedoeld criminele activiteiten mogelijk maakt door vergunningen, subsidies, aanbestedingen of vastgoedtransacties te verlenen aan personen of bedrijven die mogelijk misbruik maken van deze voorzieningen. De Bibob-onderzoeken worden uitgevoerd bij onder andere:

  • alcoholvergunningen (op grond van de Alcoholwet);

  • exploitatievergunningen voor horeca-inrichtingen;

  • vergunningen voor seksinrichtingen;

  • aanwezigheidsvergunningen voor kansspelautomaten;

  • en andere vergunningplichtige activiteiten waarbij integriteitsrisico’s kunnen spelen.

Aanvragers van dergelijke vergunningen moeten een Bibob-vragenformulier invullen en aanvullende informatie aanleveren. Dit kan gaan over:

  • de herkomst van investeringsgeld,

  • de bedrijfsstructuur,

  • de betrokken leidinggevenden of eigenaren, en

  • het strafrechtelijke of bestuurlijke verleden van de onderneming of de personen die erachter staan.

Als de gemeente signalen heeft dat er mogelijk criminele invloeden of risico’s aanwezig zijn, kan zij advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob. Het bureau verricht dan een verdiepend onderzoek en brengt een advies uit. Op basis van de uitkomst van het onderzoek kan de gemeente:

  • de vergunning of subsidie weigeren;

  • een reeds verleende vergunning intrekken; of

  • voorwaarden aan de vergunning verbinden om misbruik te voorkomen.

Deze maatregelen worden alleen genomen als er sprake is van een ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, en het besluit wordt altijd zorgvuldig gemotiveerd en schriftelijk vastgelegd.

Nalevingsstrategie

De nalevingsstrategie beschrijft hoe wij ervoor zorgen dat regels worden nageleefd en hoe wij optreden als dat niet gebeurt. Deze strategie bestaat uit vier onderdelen:

  • 1.

    Communicatiestrategie

  • 2.

    Vormen van handhaving van regelgeving

  • 3.

    Toezichtstrategie

  • 4.

    Sanctiestrategie

De communicatiestrategie (ook wel preventiestrategie) heeft als belangrijkste doel om overtredingen te voorkomen. Het toezicht bestaat uit het behandelen van meldingen en verzoeken om handhaving, themagericht toezicht en gebiedsgericht toezicht (surveillance). De sanctiestrategie beschrijft vervolgens hoe wij optreden wanneer er een overtreding wordt vastgesteld.

Communicatiestrategie

Wij kiezen voor een communicatieve en preventieve aanpak die goed gedrag stimuleert en overtredingen helpt voorkomen. Dat doen wij door duidelijk te communiceren, in gesprek te gaan met inwoners en ondernemers en vroegtijdig voorlichting te geven. Zo willen we bereiken dat mensen weten welke regels gelden en waarom die belangrijk zijn.

Uiteraard betekent dit niet dat wij niet handhaven: waar nodig treden wij doortastend en consequent op.

Voorlichting

Een belangrijk onderdeel van onze communicatiestrategie is voorlichting. Veel overtredingen ontstaan uit onbekendheid met de regels, bijvoorbeeld die in het omgevingsplan of bestemmingsplan. Daarom geven wij uitleg over:

  • welke regels van toepassing zijn,

  • waarom deze regels bestaan, en

  • hoe de gemeente toezicht houdt op de naleving ervan.

 

We doen dit via onze website, voorlichtingsmateriaal, en persoonlijk contact met inwoners, ondernemers en initiatiefnemers. Door duidelijk te communiceren willen we bewust naleefgedrag stimuleren en misverstanden voorkomen.

Zichtbaarheid en nazorg

Zichtbaarheid van toezicht is een belangrijke factor om overtredingen te voorkomen. Wanneer inwoners en ondernemers weten dat er toezicht is, nemen zij de regels eerder serieus. Daarom is onze toezichthouder regelmatig aanwezig in het veld, zichtbaar en aanspreekbaar.

Ook besteden we veel aandacht aan nazorg.

Wanneer een overtreding is beëindigd, voeren we hercontroles uit om te voorkomen dat dezelfde overtreding opnieuw plaatsvindt (recidivepreventie). Door in het toezicht zichtbaar te blijven na afloop van een handhavingszaak, versterken we het naleefgedrag en bouwen we aan vertrouwen in onze aanpak.

Vormen bij de handhaving van regelgeving

Om regels goed te kunnen handhaven, maken we gebruik van verschillende vormen van toezicht. Deze vormen beschrijven hoe wij toezien op naleving van de regels naast het reguliere vergunningtoezicht. Daaronder vallen onder andere het toezicht op bestemmingsplannen, illegaal bouwen en de naleving van technische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). We onderscheiden drie hoofdvormen van toezicht:

  • 1.

    Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase

  • 2.

    Thematisch toezicht

  • 3.

    Handhavingsverzoeken

Ad 1) Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase

De beheer- of gebruiksfase begint meestal nadat een omgevingsvergunning is verleend en de activiteit is afgerond. Het kan ook gaan om bestaande bouwwerken of om situaties waarin zonder vergunning wordt gebouwd of gebruikt. Wij controleren of het bouwwerk, erf of terrein voldoet aan de voorschriften uit de vergunning of andere wettelijke regels.

Type controle 

Toelichting 

Routinematige/periodieke controle 

Systematisch toezicht op dezelfde objecten. Wij plannen deze controles jaarlijks volgens de vastgestelde frequentie. 

Objectgerichte controle 

Toezicht op bestaande bouwwerken en percelen, bijvoorbeeld op brandveiligheid, het aflopen van instandhoudingstermijnen of het gebruik volgens het omgevingsplan.  

Projectmatige/thematische controle 

Toezicht binnen vooraf vastgestelde projecten of thema’s. Vaak onderdeel van een bredere, projectmatige aanpak. 

Inventariserende controle 

(Administratieve) controle gericht op het in kaart brengen van mogelijke overtredingen, knelpunten of risico’s ter voorbereiding van verdere controles. 

Administratieve controle 

Controle zonder fysiek bezoek, bijvoorbeeld via dossieronderzoek, luchtfoto’s of online gegevens. 

Controle n.a.v. verzoek om handhaving 

Controle naar aanleiding van een officieel verzoek om handhaving. 

Toezicht op meldingen 

Toezicht naar aanleiding van meldingen van inwoners, bedrijven of instellingen.  

Ongewoon voorval 

Controle na calamiteiten of andere bijzondere gebeurtenissen. 

Signaal toezicht 

Toezicht waarbij de toezichthouder signalen doorgeeft buiten zijn eigen expertise of bevoegdheid, bijvoorbeeld richting de Omgevingsdienst. 

Programmatisch toezicht

De routinematige, objectgerichte, projectmatige, thematische, inventariserende en administratieve controles vormen samen het programmatisch toezicht. Dit betekent dat wij deze controles vooraf opnemen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.

De mate van toezicht is afhankelijk van de bestuurlijke prioriteit of, bij systematisch toezicht, van de toezichtfrequentie. De specifieke uitwerking vindt jaarlijks plaats in het uitvoeringsprogramma.

Andere controles, zoals meldingen of handhavingsverzoeken, vinden ad hoc plaats. Die zijn niet vooraf te plannen, maar worden uitgevoerd op basis van urgentie en prioriteit (zie ook de strategie bij meldingen en handhavingsverzoeken).

Aankondiging controles

  • Routinematige of periodieke controles kondigen we meestal vooraf aan, tenzij er een belangrijke reden is om dat niet te doen.

  • Hercontroles kondigen we in principe niet aan, tenzij de situatie dat vereist.

  • Andere controles, zoals bij meldingen of calamiteiten, worden niet aangekondigd.

De keuze om wel of niet aan te kondigen hangt af van de omstandigheden en het doel van de controle.

Samenwerking en afstemming

We voeren controles zo veel mogelijk integraal en samen met andere partijen uit. We werken onder andere samen met:

  • gemeentelijke toezichthouders (zoals BRP of BAG),

  • politie,

  • Veiligheidsregio Groningen,

  • Omgevingsdienst Groningen,

  • Belastingdienst,

  • andere gemeenten,

  • en het Waterschap.

Soms doen we dit via gezamenlijke actiedagen, soms via signaaltoezicht (het doorgeven van informatie over mogelijke overtredingen). Door samen te werken houden we effectiever toezicht en verlagen we de toezichtlast voor inwoners en ondernemers.

Systematisch toezicht

Bij het milieutoezicht (uitgevoerd door de Omgevingsdienst Groningen) en het toezicht op brandveiligheid (uitgevoerd door de Veiligheidsregio Groningen) geldt een wettelijke verplichting tot systematisch toezicht. Daarvoor volgen we de regionale uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie.

Ad 2) Thematisch toezicht

Thematisch toezicht richt zich op één specifiek onderwerp, branche of gebied. Deze vorm van toezicht vraagt vaak om een projectmatige aanpak.

Sommige thema’s worden landelijk of regionaal vastgelegd (zoals verplichte inspecties), terwijl andere thema’s lokaal worden bepaald.

De lokale thema’s worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, op voorstel van het college en in overleg met toezichthouders en andere deskundigen. Voorbeelden van lokaal thematisch toezicht in de gemeente Midden-Groningen zijn:

  • het toezicht op illegale kamerverhuur, en

  • het toezicht op illegale bewoning van woonboten.

Ad 3) Handhavingsverzoeken

Bij een schriftelijk verzoek om handhaving nemen wij zo snel mogelijk contact op met de verzoeker of diens gemachtigde. In dit gesprek bespreken we het belang en doel van het verzoek en wat de verzoeker van de gemeente kan verwachten.

Daarna onderzoeken wij de situatie en informeren alle betrokkenen - ook de mogelijke overtreder - over de bevindingen en de vervolgstappen. We zoeken in eerste instantie naar een snelle en informele oplossing, eventueel met hulp van buurtbemiddeling of mediation.

Wordt geen oplossing bereikt en constateren we een overtreding, dan beoordelen wij volgens de sanctiestrategie hoe we verder handelen.

In beide gevallen geldt een beslistermijn van 8 weken.

Bij anonieme verzoeken om handhaving volgen we dezelfde werkwijze als bij meldingen, met dit verschil dat de verzoeker vanwege zijn anonimiteit niet wordt geïnformeerd over de verdere afhandeling. Als iemand anoniem wil blijven, wijzen we hem daar vooraf op.

Werkwijze bij melding

Bij een schriftelijk verzoek om handhaving nemen wij zo snel mogelijk contact op met de verzoeker of diens gemachtigde. In dit gesprek bespreken we het belang en doel van het verzoek en wat de verzoeker van de gemeente kan verwachten.

Daarna onderzoeken wij de situatie en informeren alle betrokkenen — ook de mogelijke overtreder — over de bevindingen en de vervolgstappen.

We zoeken in eerste instantie naar een snelle en informele oplossing, eventueel met hulp van buurtbemiddeling of mediation. Wordt geen oplossing bereikt en constateren we een overtreding, dan beoordelen wij volgens de sanctiestrategie hoe we verder handelen.

In beide gevallen geldt een beslistermijn van 8 weken.

Bij anonieme verzoeken om handhaving volgen we dezelfde werkwijze als bij meldingen, met dit verschil dat de verzoeker vanwege zijn anonimiteit niet wordt geïnformeerd over de verdere afhandeling. Als iemand anoniem wil blijven, wijzen we hem daar vooraf op.

Toezichtstrategie

Werkwijze toezicht

De mate van toezicht die wij uitvoeren, hangt af van de prioriteit die aan een onderwerp of overtreding is toegekend. Deze prioriteit bepaalt hoe actief we optreden en hoeveel capaciteit we inzetten. We onderscheiden drie niveaus van toezicht: hoog, middel en laag.

Bij een hoge prioriteit voeren wij (pro)actief toezicht uit en krijgt de afhandeling van signalen voorrang op andere werkzaamheden.

Bij een gemiddelde prioriteit handelen wij signalen af afhankelijk van de aard en omvang van de klacht en kunnen wij ook planmatig toezicht uitvoeren.

Bij een lage prioriteit voeren wij passief toezicht uit.

Onderwerpen die niet specifiek zijn geprioriteerd, behandelen wij in eerste instantie als lage prioriteit. Dat betekent dat wij vooral reageren op verzoeken om handhaving en signalen waarbij acuut ingrijpen noodzakelijk is. Als dat niet aan de orde is, informeren wij de betrokkenen daarover.

Signalen en meldingen gebruiken wij ook om onze informatiepositie te verbeteren. Deze informatie kan later aanleiding zijn om planmatig of thematisch toezicht te houden of handhavend op te treden. Signalen met een lage prioriteit kunnen worden gebundeld en op een later moment tijdens specifiek gepland toezicht (bijvoorbeeld thematisch of gebiedsgericht) alsnog worden opgepakt.

 

Wij behandelen handhavingsverzoeken altijd volgens de procedures die in deze strategie zijn vastgelegd.

Prioriteit 

Mate van toezicht 

 

Hoog 

(Pro)actief 

De gemeente neemt zelf initiatief tot controles, ook als er geen signalen zijn ontvangen. Signalering en afhandeling krijgen voorrang op andere werkzaamheden. 

Middel 

Actief en/of passief 

Signalen worden afhankelijk van aard en omvang beoordeeld en afgehandeld. Er is ruimte voor planmatig toezicht op een specifiek thema, doelgroep of gebied. 

Laag 

Passief 

Signalen worden niet of niet direct afgehandeld, tenzij acuut ingrijpen nodig is. In andere gevallen informeren wij betrokkenen en kunnen signalen worden gebundeld voor latere analyse of planmatig toezicht. 

Prioriteiten en mate van toezicht

Prioriteiten en jaarlijkse uitwerking

De toezichtprioriteiten worden jaarlijks uitgewerkt in het Programma Uitvoering en Handhaving (PUH) voor VTH. Hierin staat per thema of domein beschreven welke toezichtactiviteiten in dat jaar worden uitgevoerd, welke prioriteit ze hebben en hoe de inzet van capaciteit plaatsvindt.

Dit uitvoeringsprogramma vormt de praktische vertaling van de toezichtstrategie en zorgt ervoor dat we gericht, effectief en transparant werken aan naleving van regels binnen de gemeente Midden-Groningen.

Sanctiestrategie

Bij het uitvoeren van toezicht kunnen overtredingen van regels worden vastgesteld. In dat geval is handhaving aan de orde. Wij zijn dan verplicht om handhavend op te treden.

Toepassing van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)

Voor ons handhavend optreden gebruiken wij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als uitgangspunt. De LHSO beschrijft hoe handhavers verschillende instrumenten kunnen inzetten bij zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhaving binnen het omgevingsrecht. De LHSO vervangt de eerdere Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) uit 2014.

De kern van de strategie is gelijk gebleven, maar is aangepast aan de Omgevingswet, de huidige terminologie en bevat een aanvulling over de bestuurlijke boete. Daarnaast is de samenhang tussen bestuursrecht en strafrecht versterkt en beter vastgelegd.

De LHSO gaat uit van maatwerk: bij iedere overtreding wordt gekeken welk optreden passend en effectief is. De handhaver gebruikt de strategie om te bepalen welke maatregel het meest geschikt is in een specifieke situatie.

Twee hoofdvragen bij handhavend optreden

De LHSO maakt onderscheid tussen herstelsancties en bestraffende sancties. Daarbij staan twee hoofdvragen centraal:

  • 1.

    Herstel

  • Is herstel mogelijk? Zo ja, dan is bestuursrechtelijk optreden in elk geval aangewezen. De vervolgvraag is: Welke vorm van bestuursrechtelijk optreden is het meest geschikt?

  • 2.

    Bestraffing

  • Is er aanleiding om te bestraffen? Zo ja, dan volgt de vervolgvraag: Welke weg – bestuursrechtelijk of strafrechtelijk – is het meest passend?

Werkwijze

De LHSO werkt met een zogenaamde interventieladder. Het uitgangspunt is dat de gemeente altijd de meest effectieve interventie inzet om naleving te bereiken. Dat betekent dat in veel gevallen een lichte interventie volstaat, zoals een waarschuwing of hersteltermijn.

In andere gevallen is een zwaardere maatregel nodig, bijvoorbeeld een last onder dwangsom of bestuursdwang. De keuze voor de juiste maatregel wordt bepaald met behulp van de interventiematrix van de LHSO.

Het stappenplan van de LHSO helpt handhavers om zorgvuldig en uniform te handelen. Het begint bij de vaststelling van de overtreding en eindigt bij de keuze voor de juiste maatregel. Ook zorgt de strategie ervoor dat de afstemming tussen de verschillende handhavingspartners (zoals politie, OM, VRG en ODG) goed verloopt.

Stappenplan LHSO

  • 1.

    De LHSO beschrijft vijf stappen om te komen tot een passende handhavingsmaatregel:

  • 2.

    Positioneer de bevindingen in de basisinterventiematrix.

  • 3.

    Bepaal verzwarende factoren die aanleiding geven tot een zwaardere sanctie of strafrechtelijke afdoening.

  • 4.

    Kies het optreden aan de hand van de algemene of domeinspecifieke interventiematrix.

  • 5.

    Bepaal of afstemmingsoverleg nodig is met ketenpartners.

  • 6.

    Leg alle stappen en beslissingen vast in het dossier.

Het proces om te komen tot een handhavingsbeschikking verloopt volgens de zogenaamde driestappenstrategie, zoals weergegeven in figuur 1.

Figuur 1 driestappenstrategie

Toepassing van interventies

Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding worden binnen de driestappenstrategie bepaalde stappen wel of niet uitgevoerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten handhavingsprocessen (A t/m D), elk met een eigen zwaarte en opbouw.

Keuze voor de juiste interventie

Op basis van bovenstaande handhavingsprocessen zijn er verschillende keuzemogelijkheden voor de interventies. De toezichthouder kiest altijd voor de minst zware maatregel of combinatie van maatregelen die past binnen het bijbehorende segment (A t/m D).

Alleen wanneer dat nodig is, kan de toezichthouder gemotiveerd kiezen voor een zwaardere maatregel of combinatie daarvan. Bij deze afweging spelen verzwarende omstandigheden een belangrijke rol, zoals genoemd in paragraaf 4.2 van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Voorbeelden van verzwarende omstandigheden zijn:

  • recidive (herhaalde overtredingen),

  • gevaar voor veiligheid of gezondheid,

  • of het negeren van eerdere waarschuwingen.

Spoedeisend belang

Proces D - het toepassen van spoedeisende bestuursdwang of de directe oplegging van een last onder dwangsom met hersteltermijn - is alleen toegestaan wanneer sprake is van een spoedeisend belang. Dit betekent dat uitstel niet mogelijk is omdat direct optreden noodzakelijk is om (verdere) schade, gevaar of onomkeerbare gevolgen te voorkomen.

Figuur 2 – Interventiematrix

In figuur 2 is aangegeven welk handhavingsproces (A, B, C of D) wordt toegepast per type overtreding. De matrix laat zien hoe het gedrag van de overtreder (van goedwillend tot notoir) wordt afgezet tegen de ernst van de gevolgen (van nihil tot onomkeerbaar). Zo ontstaat een helder overzicht van de juiste interventie bij iedere situatie.

Figuur 2 - Interventiematrix

Toepassing handhavingsinstrumenten

Voor het aanpakken van overtredingen staan verschillende handhavingsinstrumenten ter beschikking. Hieronder lichten wij toe welke instrumenten we kunnen inzetten, en wanneer en waarom we dat doen.

Last onder dwangsom

De last onder dwangsom is ons voorkeursmiddel bij handhaving. Het is een herstelsanctie: de overtreder krijgt de verplichting om de overtreding te beëindigen binnen een vastgestelde termijn. Als dat niet (tijdig) gebeurt, moet de overtreder een geldbedrag betalen (de dwangsom).

Doel van de dwangsom is dat de overtreder zelf actie onderneemt om de overtreding te herstellen. Wordt niet voldaan aan de last, dan wordt de dwangsom verbeurd en door de gemeente ingevorderd.

Last onder bestuursdwang

Bij een last onder bestuursdwang krijgt de overtreder de verplichting om de overtreding zelf te beëindigen. Als dat niet (tijdig) gebeurt, kan de gemeente de overtreding zelf feitelijk herstellen.

De kosten van dit herstel worden verhaald op de overtreder, tenzij het redelijk is om (een deel van) de kosten niet in rekening te brengen.

Spoedeisende bestuursdwang

Bij spoedeisende situaties passen we spoedeisende bestuursdwang toe. We volgen dan zoveel mogelijk de gewone procedure, maar met een zeer korte hersteltermijn.

In acute of gevaarlijke situaties kan bestuursdwang mondeling worden aangezegd en direct worden uitgevoerd. De formele schriftelijke beschikking volgt daarna. Voorbeelden van spoedeisende situaties:

  • Instortingsgevaar of andere levensbedreigende situaties;

  • Acuut brandgevaar;

  • Illegale bouw of sloop met veiligheids- of gezondheidsrisico’s (zoals asbest);

  • Aantasting van monumentale waarden;

  • Illegale grondbewerking;

  • Bedreiging van de openbare orde.

Preventieve last onder bestuursdwang of dwangsom

Wanneer er duidelijk gevaar is dat een overtreding op korte termijn zal plaatsvinden, kunnen wij preventief een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. De overtreding moet dan zo concreet zijn dat deze duidelijk in de beschikking kan worden omschreven. Zo blijft de rechtszekerheid van de overtreder gewaarborgd.

Afstemming met sanctietabellen en regelgeving

Op basis van de interventiematrix (figuur 2) en de LHSO bepalen wij welke maatregel of combinatie van maatregelen het meest passend is. We houden hierbij rekening met verzachtende of verzwarende omstandigheden. Bij de toepassing van bestuursrechtelijke instrumenten hebben wij beleidsvrijheid, maar we motiveren onze keuzes zorgvuldig.

Voor het vaststellen van de begunstigingstermijn (de hersteltermijn) en de hoogte van dwangsommen volgen wij de “Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen”.

Hoogte dwangsom

De gemeente heeft beleidsvrijheid bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De hoogte is afgestemd op de ernst van de overtreding (evenredigheid) en moet effectief zijn om naleving te stimuleren. De LHSO dient als richtlijn. In uitzonderlijke gevallen kan van de richtlijn worden afgeweken als de situatie daar aanleiding toe geeft.

Duur begunstigingstermijn

De begunstigingstermijn is de tijd die de overtreder krijgt om de overtreding te beëindigen. Deze termijn moet enerzijds redelijk zijn om herstel mogelijk te maken, maar anderzijds niet langer dan noodzakelijk, zodat geen sprake is van feitelijk gedogen. Volgens de LHSO gelden de volgende uitgangspunten:

  • Gedragsvoorschriften moeten direct worden nageleefd (geen of zeer korte termijn).

  • In alle andere gevallen geldt: hoe urgenter de situatie, hoe korter de termijn. Daarbij houden we rekening met technische en organisatorische haalbaarheid.

Verlengen begunstigingstermijn

In principe verlengen wij geen begunstigingstermijnen. Alleen bij een gegronde reden kan dit worden gedaan, bijvoorbeeld als:

  • De overtreder kan aantonen dat herstel in gang is gezet, maar meer tijd nodig heeft;

  • Er sprake is van overmacht of onvoorziene omstandigheden.

Een verlenging is een nieuw besluit, waartegen bezwaar en beroep openstaan. Bezwaar of beroep schort de werking van de beschikking niet automatisch op; daarvoor moet de overtreder een voorlopige voorziening vragen bij de rechtbank.

Tijdelijk stilleggen activiteiten

Als tijdens toezicht niet-toegestane activiteiten worden geconstateerd en overleg geen oplossing biedt, kan de toezichthouder besluiten om de activiteiten direct stil te leggen. Dit kan mondeling worden meegedeeld en wordt binnen vijf werkdagen schriftelijk bevestigd. De toezichthouder legt ter plaatse duidelijk vast:

  • welke activiteiten worden stilgelegd;

  • of bepaalde werkzaamheden mogen worden afgerond;

  • welke tijdelijke veiligheidsmaatregelen zijn toegestaan.

De stillegging wordt gevolgd door een (preventieve) last onder dwangsom, zodat voorkomen wordt dat de activiteit wordt hervat. De portefeuillehouder wordt hierover geïnformeerd.

Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning

Het intrekken van een vergunning is een zwaar middel en wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegepast. Dit kan alleen als er sprake is van een begunstigde beschikking die verband houdt met de overtreding. Intrekking kan de strijdigheid vergroten en rechtmatige onderdelen raken. Een vergunning kan worden ingetrokken:

  • als onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • als niet aan de voorschriften wordt voldaan;

  • als de vergunninghouder ernstig in strijd handelt met wet- of regelgeving.

Daarnaast kan op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet een bouwvergunning worden ingetrokken als daar binnen één jaar (of een langere in de vergunning bepaalde termijn) geen gebruik van is gemaakt.

Kostenverhaal en invordering

De kosten die de gemeente maakt bij het uitvoeren van bestuursdwang worden verhaald op de overtreder via een kostenverhaalsbeschikking. Bij verbeurde dwangsommen nemen wij een invorderingsbeschikking.

Basiswerkwijze bij invordering:

Dwangsom:

  • 1.

    Constateringsbrief met voornemen tot invordering en mogelijkheid tot zienswijze;

  • 2.

    Invorderingsbeschikking;

  • 3.

    Aanmaning;

  • 4.

    Dwangbevel.

Kostenverhaal:

  • 1.

    Vooraankondiging met overzicht van kosten en mogelijkheid tot zienswijze;

  • 2.

    Kostenverhaalsbeschikking met betalingstermijn van 6 weken;

  • 3.

    Aanmaning;

  • 4.

    Dwangbevel.

Bestuurlijke boete

De bestuurlijke boete is geregeld in afdeling 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze kan alleen worden opgelegd als dit expliciet in de wet is bepaald. Het is een onvoorwaardelijke geldboete die direct kan worden opgelegd bij ernstige overtredingen.

Het doel is een ‘lik-op-stuk’-aanpak: door een directe financiële prikkel te geven, wordt naleving gestimuleerd. De bestuurlijke boete kan ook worden gecombineerd met andere sancties, zoals bestuursdwang.

Verzoeken om handhaving en overige meldingen

De toezichthouder is verantwoordelijk voor de afhandeling van verzoeken en meldingen. Deze komen meestal van inwoners, maar soms ook van bedrijven of belangengroepen.

Richtlijnen:

  • Wij handelen verzoeken zo snel mogelijk af, met een streeftermijn van 8 weken.

  • Indien nodig verlengen wij deze termijn en informeren wij de melder.

  • Wij kijken ook naar het achterliggende probleem om structurele oplossingen te vinden.

Als er sprake is van een overtreding en er zijn geen bijzondere omstandigheden, starten wij een handhavingsprocedure.

Strategie bij handhavingsverzoeken en meldingen

Overtredingen kunnen ook door derden worden gemeld, mondeling of schriftelijk. Bij elke melding bepalen wij op basis van de prioritering in deze U&HS of en wanneer de melding in behandeling wordt genomen.

  • Lage prioriteit: melder wordt geïnformeerd dat behandeling later plaatsvindt, maar melding wordt wél geregistreerd.

  • Hoge prioriteit: melding wordt direct onderzocht.

De toezichthouder beoordeelt de situatie op locatie en informeert de melder over de afhandeling. Er geldt geen wettelijke beslistermijn, maar wij streven naar een snelle en duidelijke terugkoppeling.

Samenwerking bij toezicht en handhaving

Samenwerking is essentieel voor effectief en integraal toezicht. We werken nauw samen met onze regionale ketenpartners, waaronder:

  • de Omgevingsdienst Groningen (ODG),

  • de Veiligheidsregio Groningen (VRG),

  • de politie,

  • het Openbaar Ministerie,

  • de provincie,

  • en het waterschap.

De basiswerkwijze sluit aan bij de bestaande regionale samenwerkingsafspraken.

Optreden tegen eigen organisatie of andere overheden

Ook bij overtredingen door overheden, inclusief onze eigen gemeente, passen wij dezelfde regels toe als bij andere overtreders. De overheid heeft een voorbeeldfunctie en is gebonden aan dezelfde rechten en plichten.

Bij handhaving tegen overheden volgen wij de LHSO, met aandacht voor het voorkomen van onnodige publieke kosten als naleving op een andere manier kan worden bereikt. De portefeuillehouder wordt hierover altijd geïnformeerd.

Vaststelling

Met de vaststelling van deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) stelt de gemeente Midden-Groningen ook de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als lokaal toetsings- en afwegingskader vast.

Gedogen

Uitgangspunt: naleving is verplicht

Wetten zijn niet vrijblijvend.

Iedereen moet zich eraan houden, en de overheid heeft een beginselplicht tot handhaving. Dat betekent dat de gemeente moet optreden bij overtredingen van regels.

Alleen in zeer uitzonderlijke situaties kan van deze plicht worden afgeweken. Dat noemen we gedogen: de gemeente (burgemeester of college van B&W) besluit bewust niet handhavend op te treden tegen een overtreding. Gedogen is dus uitzonderlijk en tijdelijk. Het uitgangspunt blijft dat overtredingen niet worden toegestaan.

Wanneer is gedogen mogelijk?

  • Volgens het landelijke beleid en de jurisprudentie is gedogen alleen aanvaardbaar:

  • bij overmachtsituaties (wanneer direct optreden niet redelijk is);

  • bij overgangssituaties (bijvoorbeeld bij verandering van beleid of regelgeving);

  • of wanneer er sprake is van concreet zicht op legalisatie (de overtreding kan binnenkort legaal worden gemaakt).

In deze situaties kan het tijdelijk gedogen van een overtreding een alternatief zijn voor handhaving. De gemeente Midden-Groningen past dit alleen toe als laatste redmiddel en met grote terughoudendheid.

Landelijk kader: Grenzen aan gedogen

Het kabinet heeft in de nota “Grenzen aan gedogen” (landelijk beleidskader) duidelijk gemaakt dat overheden niet lichtvaardig of willekeurig mogen gedogen. De gemeente Midden-Groningen onderschrijft deze uitgangspunten volledig. Volgens dit kader gelden bij gedogen de volgende voorwaarden:

  • 1.

    Alleen bij uitzonderingen

  • Gedogen mag alleen in uitzonderlijke situaties, zoals overgangs- of overmachtsituaties, of wanneer concreet zicht bestaat op legalisatie van de overtreding.

  • 2.

    Uitdrukkelijk besluit

  • Gedogen moet altijd een bewuste en gemotiveerde keuze zijn van het bevoegde bestuursorgaan. Betrokken partijen (zoals de overtreder en ketenpartners) moeten hierbij worden betrokken.

  • 3.

    Schriftelijke vastlegging

  • Een gedoogbeslissing wordt altijd schriftelijk vastgelegd. In de beslissing staat dat:

  • de overtreding voor eigen risico plaatsvindt;

  • de gedoogverklaring niet vrijstelt van strafrechtelijke vervolging;

  • het gedogen tijdelijk is.

  • 4.

    Tijdelijk karakter

  • Een gedoogbeslissing geldt voor een beperkte tijd. Zodra de reden voor het gedogen vervalt (bijvoorbeeld omdat legalisatie mogelijk is of juist niet), eindigt de gedoogperiode automatisch.

  • 5.

    Intrekking van gedogen

  • Ook bij een geldige gedoogbeslissing kan de gemeente alsnog handhavend optreden. Dit gebeurt als er nieuwe of onvoorziene omstandigheden ontstaan die zwaarder wegen dan het belang van de overtreder, of als de veiligheid of gezondheid in het geding komt.

Juridisch kader

Een gedoogbeslissing is géén besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom kan er geen bezwaar of beroep worden ingesteld tegen een gedoogbeslissing, tegen het weigeren van een gedoogbeslissing of tegen het intrekken ervan.

Dit is bevestigd in jurisprudentie, waaronder: ECLI:NL:RVS:2019:1356 (Raad van State, 24 april 2019).

Wel kan iemand die wordt geconfronteerd met een gedoogbeslissing de gemeente verzoeken om handhavend op te treden. Tegen het besluit op zo’n handhavingsverzoek kan vervolgens beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.

Aspect 

Uitgangspunt 

Hoofdregel 

Handhaven is verplicht; gedogen is uitzondering. 

Wanneer toegestaan 

Alleen bij overmacht, overgangssituaties of concreet zicht op legalisatie. 

Vorm 

Altijd schriftelijk, tijdelijk en gemotiveerd. 

Risico 

De overtreding blijft voor eigen risico van de overtreder. 

Rechtsbescherming 

Geen bezwaar of beroep mogelijk tegen een gedoogbeslissing. 

Juridische basis 

Nota Grenzen aan gedogen, Awb art. 1:3, jurisprudentie RvS 24-04-2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1356). 

 

Bijlage 5 Toetsings- en toezichtstrategie Wkb

 

Beleidskader Wet kwaliteitsborging voor het bouwen

Uitgangspunten

 

1.1 Algemeen

Voor bouwwerken die onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vallen, verandert het proces van vergunningverlening. De gemeente toetst niet langer vooraf de bouwtechnische regels, maar beoordeelt meldingen vóór en na de bouw. De bedoeling van de Wkb is om de bouwkwaliteit te verbeteren en de positie van de consument te versterken. Zo worden bouwfouten en malafide aannemers beter voorkomen.

Wanneer de Wkb van toepassing is, voert de gemeente geen technische toets meer uit. Dit geldt voor alle fasen: bij de vergunningverlening, tijdens de bouw en bij het toezicht achteraf. In plaats daarvan controleert de gemeente of er een gecertificeerde kwaliteitsborger is aangesteld.

Voor de uitvoering van de VTH-taken bij bouwwerken onder de Wkb moeten een aantal keuzes worden gemaakt:

  • Toetsen van de risico’s in de bouwfase op basis van het borgingsplan dat bij de bouwmelding wordt ingediend (zie paragraaf 3.3).

  • Beoordelen van de stukken in het dossier bevoegd gezag die bij de gereedmelding worden aangeleverd (zie paragraaf 3.4).

  • Het uitvoeren van toezicht door gemeentelijke toezichthouders.

  • De manier waarop wordt gehandeld wanneer een kwaliteitsborger tijdens de bouw meldt dat een bouwwerk niet voldoet of geen verklaring afgeeft.

  • De aanpak bij bouwwerken die zonder volledige gereedmelding in gebruik worden genomen.

De belangrijkste beleidsvraag is in welke mate de gemeente zelf nog wil controleren of een bouwwerk zonder afwijkingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt opgeleverd, of dat de gemeente volledig vertrouwt op de controles van de kwaliteitsborger.

In paragraaf 1.2 staat welke keuze daarvoor als uitgangspunt geldt.

1.2 Algemeen uitgangspunt beleid

De gemeente Midden-Groningen volgt bij de uitvoering van de Wkb een duidelijk uitgangspunt: we willen waar nodig controleren, maar vooral vertrouwen op het werk van de kwaliteitsborger. De onderstaande tabel geeft de drie mogelijke beleidsvarianten weer.

Uitgangspunt beleid: 

A  

 De gemeente voert geen bouwtechnische toets en bouwtoezicht uit. 

B  

 De gemeente voert risicogestuurd of steekproefsgewijs toetsing en toezicht uit. 

C  

 De gemeente voert volledige technisch toetsen uit en houdt zelfstandig toezicht op de bouw. 

De kwaliteitsborger is verantwoordelijk voor de technische kwaliteit van het bouwwerk. Omdat dit een nieuwe manier van werken is, houdt de gemeente bij variant B nog wel steekproefsgewijs toezicht. Zo blijven we zicht houden op de uitvoering en op de bouwkwaliteit binnen de gemeente.

Wij hanteren daarbij de volgende uitgangspunten:

  • We controleren vooraf of de kwaliteitsborger gecertificeerd en gekwalificeerd is. We gaan er dan vanuit dat deze voldoende kennis heeft van het Bbl en de risico’s goed kan inschatten.

  • Van de bouwwerken met prioriteit 1 (zoals genoemd in de prioritering van type afwijkingen van het Bbl) wordt ongeveer een derde steekproefsgewijs gecontroleerd.

  • Bij bouwwerken waarvoor ook een omgevingsplanactiviteitvergunning (OPA) nodig is, controleren we die op basis van de prioritering uit de U&HS.

  • Als in de OPA ook technische maatregelen zijn opgenomen (zoals extra geluidwering), controleren we of deze maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd.

  • Bij laaggeprioriteerde bouwwerken voeren we geen controles uit op onderdelen die onder de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger vallen. We plannen hiervoor geen aparte bouwplaatscontroles in.

  • Bij klachten of verzoeken om handhaving voeren we altijd een controle uit, ook bij bouwwerken met een lage prioriteit.

1.3 Bijzondere lokale omstandigheden

De kwaliteitsborger stelt een borgingsplan op dat gebaseerd is op een risicobeoordeling. Daarbij moet de borger rekening houden met bijzondere lokale omstandigheden die invloed kunnen hebben op de bouwkwaliteit. De initiatiefnemer en de kwaliteitsborger zijn zelf verantwoordelijk om bij de gemeente te informeren naar eventuele lokale omstandigheden.

Een bijzondere lokale omstandigheid is een situatie die kan leiden tot een risico dat het bouwwerk niet aan de technische eisen van het Bbl voldoet. Voorbeelden zijn:

  • afwijkende bodemgesteldheid die invloed heeft op de fundering;

  • aanwezigheid van niet-ontplofte munitie in de grond;

  • of andere lokale factoren die bouwkwaliteit of veiligheid kunnen beïnvloeden.

In de praktijk is het voor initiatiefnemers en kwaliteitsborgers nog niet altijd eenvoudig om de juiste informatie hierover te vinden. De gemeente Midden-Groningen helpt hierbij waar mogelijk door relevante informatie beschikbaar te stellen via de eigen kanalen.

 

Toetsing van meldingen

2.1 Algemeen

Voordat een bouwactiviteit mag starten, doet de kwaliteitsborger een bouwmelding. Na afloop van de bouw volgt een gereedmelding. Daarmee wordt beoordeeld of het bouwwerk veilig in gebruik kan worden genomen.

2.2 Volledigheid meldingen

In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staat welke informatie verplicht is bij een bouw- of gereedmelding.

  • Artikel 2.19 Bbl beschrijft de vereisten voor de bouwmelding.

  • Artikel 2.21 Bbl beschrijft de vereisten voor de gereedmelding.

Als niet alle verplichte gegevens zijn ingediend, is de melding onvolledig. Een onvolledige melding geldt juridisch als niet gedaan.

Een bouw mag pas starten na een volledige bouwmelding. De gemeente moet binnen vier weken na ontvangst laten weten of de melding volledig is. Als de melder binnen die termijn geen bericht ontvangt, mag hij er redelijkerwijs van uitgaan dat de melding volledig is en dat de bouw mag beginnen.

Bij een onvolledige melding is aanvullen niet toegestaan; er moet een nieuwe melding worden ingediend.

Voor de gereedmelding geldt hetzelfde principe:

  • een bouwwerk mag niet in gebruik worden genomen zonder een volledige gereedmelding.

Ook hierbij heeft de gemeente twee weken om te reageren. Wordt binnen die termijn geen bericht ontvangen, dan mag de initiatiefnemer aannemen dat de melding volledig is.

De gemeente Midden-Groningen behandelt meldingen binnen deze wettelijke termijnen. De afhandeling is vastgelegd in RX.Mission. Hoewel een bevestiging van een volledige melding formeel niet verplicht is, sturen wij altijd een reactie op een ingediende melding.

2.3 Toets van volledigheid van de bouwmelding

Een bouwmelding is volledig als alle gegevens en bescheiden uit artikel 2.19 Bbl zijn ingediend. In de praktijk gaat het om:

  • een ondertekend formulier bouwmelding met gegevens van de melder, initiatiefnemer, kwaliteitsborger en bouwwerk (locatie, omschrijving, startdatum);

  • een risicobeoordeling;

  • een borgingsplan.

De eisen voor het borgingsplan staan in artikel 3.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als het borgingsplan niet aan deze eisen voldoet, is ook de bouwmelding niet volledig.

In het borgingsplan staat hoe risico’s tijdens het bouwen worden beheerst. Het gaat om risico’s waardoor het bouwwerk na oplevering mogelijk niet aan de regels voldoet. De kwaliteitsborger moet bijzondere aandacht besteden aan onderdelen die na de bouw niet meer zichtbaar zijn.

De inspectiepunten en controlemomenten in het borgingsplan moeten aansluiten bij:

  • het type bouwwerk en de gebruikte bouwmethode;

  • lokale omstandigheden;

  • de risico’s voor de omgeving en belendingen.

Als in de risicobeoordeling een risico wordt genoemd waarvoor in het borgingsplan geen beheersmaatregel is opgenomen, dan voldoet het borgingsplan niet aan de eisen en is de bouwmelding onvolledig.

Let op:

Het is niet aan de gemeente om de inhoudelijke kwaliteit van het borgingsplan te beoordelen. De borging van risico’s is de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger. De gemeente mag dus geen borgingsplan afkeuren omdat zij vindt dat maatregelen onvoldoende zijn.

Wel geldt dat de kwaliteitsborger rekening moet houden met bijzondere lokale omstandigheden. Als dat niet is gebeurd, neemt de gemeente dat bouwwerk op voor steekproefsgewijze controle.

Bijzondere lokale omstandigheden zijn niet hetzelfde als bouwveiligheid. Bouwveiligheid gaat over risico’s voor personen in en rond het bouwterrein (zoals instortingsgevaar of vallende objecten). Die risico’s vallen onder artikel 7.15 Bbl en zijn niet de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger.

De mate waarin de gemeente het borgingsplan controleert, hangt af van de gekozen controleoptie:

Optie 

Inhoudelijke controle borgingsplan 

1     

 Geen inhoudelijke controle. 

2     

Gedeeltelijke controle: nagaan of beheersmaatregelen zijn opgenomen voor bijzondere lokale omstandigheden. 

3     

Volledige controle: nagaan of er risico’s zijn die niet zijn opgenomen en die gevolgen kunnen hebben voor de omgevingsveiligheid. 

De gemeente Midden-Groningen kiest voorlopig voor optie 2. Wij controleren of bijzondere lokale omstandigheden goed zijn vertaald in beheersmaatregelen. Daar richten we ons toezicht op (zie hoofdstuk 3). Daarnaast voeren we steekproefsgewijs controles uit op maximaal één op de vijf borgingsplannen.

De opdrachtgever of uitvoerder moet zelf de risico’s voor de directe omgeving inschatten. Bij hoge risico’s moet een bouwveiligheidsplan worden opgesteld en een veiligheidscoördinator directe omgeving worden aangesteld. De gemeente kan deze plannen vooraf opvragen op grond van artikel 2.20 Bbl. Dit doen we bij bouwplannen waarbij reëel gevaar voor de omgeving kan ontstaan.

2.4 Toets van volledigheid van de gereedmelding

Een gereedmelding is volledig als alle gegevens uit artikel 2.21 Bbl zijn ingediend. In de praktijk gaat het om:

  • een ondertekend formulier gereedmelding met de gegevens van melder, initiatiefnemer, kwaliteitsborger en bouwwerk;

  • een verklaring van de kwaliteitsborger;

  • het dossier bevoegd gezag.

Met de verklaring bevestigt de kwaliteitsborger dat:

  • a.

    hij toestemming heeft van de instrumentaanbieder om het instrument toe te passen;

  • b.

    hij de kwaliteitsborging heeft uitgevoerd volgens de eisen van het instrument;

  • c.

    hij er vertrouwen in heeft dat het bouwwerk voldoet aan hoofdstuk 4 van het Bbl.

Het dossier bevoegd gezag bevat:

  • gegevens over de gebruiksfuncties, verblijfsgebieden en -ruimten, afmetingen en bezetting;

  • gegevens die aantonen dat wordt voldaan aan de eisen voor constructieve veiligheid, luchtverversing, energiezuinigheid en milieuprestaties;

  • gegevens over brandveiligheid (artikel 6.8 Bbl) en toegepaste gelijkwaardige maatregelen.

In de praktijk bestaat het dossier uit as-built tekeningen en rapporten. Een toelichting over hoe deze gegevens te vinden zijn, staat in het verslag Invulling dossier bevoegd gezag.

Het dossier wordt ingediend bij de gereedmelding en is het eerste moment waarop de gemeente de bouwinformatie ontvangt. De controle van dit dossier is een belangrijk moment om te zien of het bouwwerk daadwerkelijk voldoet aan het Bbl. De mate van controle kan verschillen:

Optie 

Inhoudelijke controle borgingsplan 

1     

Geen inhoudelijke controle; alleen nagaan of alle stukken volgens art. 2.21 Bbl aanwezig zijn. 

2     

Gedeeltelijke controle; nagaan of alle benodigde stukken aanwezig zijn en of de juiste gegevens in tekeningen en rapporten zijn terug te vinden. 

3     

Volledige controle; alle tekeningen en rapporten worden inhoudelijk beoordeeld om vast te stellen of het bouwwerk voldoet aan het Bbl. 

De gemeente Midden-Groningen kiest bij de gereedmelding voor optie 2: een gedeeltelijke controle van het dossier bevoegd gezag. Dat geldt vooral voor projecten die eerder steekproefsgewijs zijn gecontroleerd.

Toezicht en handhaving

3.1 Algemeen

Ook na de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) blijft de gemeente bevoegd om toezicht te houden en te handhaven. De kwaliteitsborger is verantwoordelijk voor het bouwtechnische deel, maar de gemeente blijft verantwoordelijk voor het publiekrechtelijk toezicht op de naleving van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Als er signalen zijn dat niet aan de bouwvoorschriften wordt voldaan, kan de gemeente handhavend optreden. De juridische basis hiervoor blijft de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van deze wet mag de bouwplaats worden betreden en kan medewerking worden gevorderd.

Volgens artikel 2.20 Bbl mag de gemeente informatie opvragen over specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd. Wij doen dit alleen als daar een goede reden voor is. Bijvoorbeeld:

  • als we vermoeden dat een risico door de kwaliteitsborger wordt onderschat;

  • of in het kader van risicogestuurd toezicht.

Aanleiding voor toezicht kan ontstaan uit:

  • eigen waarnemingen, bijvoorbeeld bij controles van bouw- of sloopveiligheid;

  • toezicht op de omgevingsplanactiviteit;

  • informatie van de kwaliteitsborger of derden.

De gemeente moet bepalen in welke mate zij vertrouwen stelt in de kwaliteitsborger. We kunnen ervoor kiezen om volledig te vertrouwen, of om zelf in bepaalde mate controle te blijven houden.

3.2 Bouwtechnisch toezicht

De gemeente kan ervoor kiezen om zelf bouwcontroles in te plannen. Redenen hiervoor zijn:

  • controle van bouwactiviteiten waar in het borgingsplan extra aandacht voor is;

  • controle van werkzaamheden waarvan afwijkingen van het Bbl later moeilijk te herstellen zijn, zoals funderingen, brandwerende scheidingen of belangrijke constructies (zoals balkon- of vloerverbindingen).

Toezicht tijdens de bouw is vaak effectiever dan handhaven achteraf. Met andere woorden: voorkomen is beter dan genezen.

De mate waarin we toezicht houden, hangt af van de gekozen optie:

Optie 

Uitvoering bouwcontroles door de gemeente 

1     

 Geen toezicht op bouwactiviteiten.  

2     

 Alleen toezicht op kritische werkzaamheden.  

3     

 Volledig gepland bouwtoezicht volgens het operationeel kader VTH.  

De gemeente Midden-Groningen kiest voor optie 2: toezicht op kritische bouwactiviteiten. Wij hanteren daarbij de volgende uitgangspunten:

  • Van de prioriteit 1-bouwwerken wordt ongeveer een derde steekproefsgewijs gecontroleerd.

  • Bij bouwwerken waarvoor ook een omgevingsplanactiviteitvergunning (OPA) nodig is, controleren we die op basis van de prioritering uit het VTH-beleidsplan.

  • Als in de OPA ook technische maatregelen zijn opgenomen (zoals extra geluidwering), controleren we of deze ook worden uitgevoerd.

  • Bij laaggeprioriteerde bouwwerken voeren we geen controles uit op onderdelen die onder de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger vallen.

  • Bij klachten of handhavingsverzoeken voeren we altijd zelf een controle uit.

3.3 Meldingen over afwijkingen van het Bbl

Tijdens de bouw kan blijken dat het bouwwerk mogelijk niet meer voldoet aan de regels van het Bbl. Het gaat dan vaak om situaties die later niet meer hersteld of gecontroleerd kunnen worden. Voorbeelden zijn:

  • het ontbreken van brandwerende bekleding op stalen balken;

  • het niet aanbrengen van doorvoeren in betonnen wanden.

Wanneer de kwaliteitsborger een afwijking constateert, moet hij volgens artikel 3.86 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) direct zijn opdrachtgever en betrokken partijen informeren.

Als de aannemer of opdrachtgever het probleem niet wil oplossen, kan de kwaliteitsborger aan het eind van de bouw geen verklaring afgeven. In dat geval moet hij ook het bevoegd gezag informeren (de zogenaamde Kennisgeving strijdigheid Bbl).

De toezichthouder van de gemeente behandelt deze kennisgeving en beoordeelt:

  • de aard van de afwijking;

  • de ernst van het risico;

  • het conflict dat hierover is ontstaan.

Als de ontvangen informatie onvoldoende is, kan de toezichthouder op grond van artikel 2.20 Bbl aanvullende projectinformatie opvragen. De toezichthouder beslist vervolgens, eventueel na overleg met een jurist, of en hoe er handhavend wordt opgetreden. Dat kan betekenen dat de bouw (tijdelijk) wordt stilgelegd totdat het probleem is opgelost. We volgen daarbij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), waarbij we de ernst van het risico en het gedrag van de overtreder afwegen.

De ernst van de afwijking bepaalt ook de prioriteit van het optreden. Zo wordt de bouw direct stilgelegd bij een probleem met de draagconstructie, maar niet bij een kleine afwijking zoals het type isolatiemateriaal. De prioriteiten voor handhaving zijn vastgelegd in onderdeel II van deze bijlage.

Een conflict is opgelost zodra de kwaliteitsborger kan aantonen dat de afwijking is hersteld of kan worden hersteld. Zodra dat duidelijk is, trekt de gemeente een eventuele bouwstop (last onder bestuursdwang) in, en mag de bouw worden hervat. De gemeente hoeft niet zelf te controleren of het probleem daadwerkelijk is opgelost. Het is de taak van de kwaliteitsborger om dit te waarborgen en hierover aan het einde van het bouwproces een verklaring af te geven.

Ook anderen dan de kwaliteitsborger kunnen een melding doen over mogelijke afwijkingen, bijvoorbeeld een opdrachtgever of omwonende. In dat geval voert de gemeente zelf een controle uit.

Het kan voorkomen dat de kwaliteitsborger zijn opdracht beëindigt, bijvoorbeeld omdat hij verwacht dat de strijdigheden met het Bbl niet kunnen worden opgelost. Ook dat meldt hij in een Kennisgeving strijdigheid Bbl.

In zo’n geval kan er geen verklaring meer worden afgegeven en dus ook geen volledige gereedmelding worden ingediend. De gemeente moet dan de bouw stilleggen en de bouwmelder verplichten om een nieuwe kwaliteitsborger aan te stellen.

De nieuwe kwaliteitsborger moet het hele werk opnieuw beoordelen, inclusief de al uitgevoerde onderdelen. Aan het einde van het traject moet hij een verklaring afgeven dat het bouwwerk voldoet aan de regels van hoofdstuk 4 van het Bbl.

Let op: de nieuwe kwaliteitsborger hoeft geen nieuwe bouwmelding in te dienen. Hij kan de werkzaamheden voortzetten onder de bestaande melding van zijn voorganger.

 

Beëindiging bouwwerkzaamheden zonder volledige verklaring

4.1 Algemeen

Aan het einde van de bouwfase moet een gereedmelding worden ingediend. Daarbij hoort een verklaring van de kwaliteitsborger dat het bouwwerk voldoet aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

Als de gemeente binnen twee weken geen bericht stuurt dat de gereedmelding onvolledig is, mag het bouwwerk in gebruik worden genomen. Zonder getekende verklaring is de gereedmelding niet volledig en is gebruik van het bouwwerk verboden.

Toch kan het voorkomen dat een bouwwerk in gebruik wordt genomen zonder volledige gereedmelding. Bijvoorbeeld:

  • omdat bewoners niet langer kunnen wachten, terwijl er nog kleine restpunten zijn die later opgelost kunnen worden;

  • of bij grotere projecten waarbij woningen of gebouwen in fasen worden opgeleverd.

In die situaties start de gemeente in principe een handhavingstraject. In uitzonderlijke gevallen kan gekozen worden om tijdelijk te gedogen. Dit mag alleen als duidelijk is dat de resterende gebreken binnen korte tijd worden opgelost. Bij het bepalen of gedogen verantwoord is, kijken we naar:

  • de aard van de afwijking van het Bbl (hoe groot is het risico?), en

  • de gebruiksfunctie van het bouwwerk (hoe kwetsbaar zijn de gebruikers?).

Voorbeeld:

  • Als er een probleem is met de draagconstructie, moet het gebouw direct worden ontruimd.

  • Als alleen nog rookmelders ontbreken, kan tijdelijk gebruik onder voorwaarden worden toegestaan.

De prioriteiten voor afwijkingen van het Bbl staan in tabel II.

Daarnaast speelt de gebruiksfunctie van het gebouw een rol. Een kleine afwijking kan in een bedrijfsgebouw minder risico opleveren dan in een woning waar mensen, mogelijk met kinderen, verblijven. Bijvoorbeeld:

  • Een niet-afgewerkte trap is in een woning een groter risico dan in een bedrijfshal.

  • Een kleine afwijking in de wapening van een vloer is in een woning minder ernstig dan bij een zwaar belaste entresolvloer.

Kortom: bij elke situatie beoordelen we zowel de ernst van de afwijking als het gebruik van het bouwwerk. Het overzicht van prioriteiten per gebruiksfunctie staat in tabel III.

4.2 Gefaseerde oplevering

Bij woningbouwprojecten worden vaak meerdere woningen tegelijk gebouwd, maar in fases opgeleverd. Soms worden de eerste woningen al bewoond terwijl de laatste nog in aanbouw zijn. De kwaliteitsborger geeft pas aan het einde van het totale project één verklaring af.

Dat betekent dat sommige woningen al in gebruik worden genomen zonder dat er een volledige gereedmelding is. Er zijn drie manieren om daarmee om te gaan:

Optie 

Omschrijving 

1  

Eén bouwmelding voor meerdere bouwwerken en één gereedmelding voor het hele project. Eerder voltooide woningen mogen alvast in gebruik worden genomen. 

2  

Eén bouwmelding voor meerdere bouwwerken en één gereedmelding voor het hele project, maar de gemeente vraagt tussentijdse informatie op (beperkt dossier bevoegd gezag) en gedoogt tijdelijk het gebruik van afgeronde woningen.

3  

Voor elk bouwwerk wordt apart een bouwmelding en gereedmelding met dossier bevoegd gezag ingediend. 

De gemeente Midden-Groningen kiest voor optie 2. Onze overwegingen hierbij zijn:

  • Optie 1 vinden wij op dit moment te risicovol.

  • Het stelsel van kwaliteitsborging is nieuw en nog niet volledig beproefd. Als er sprake is van herhaalde bouwfouten, kan dat leiden tot complexe handhavingszaken bij al bewoonde woningen — met mogelijk grote persoonlijke gevolgen.

  • Optie 2 is in de praktijk het meest werkbaar.

  • Bij elke deeloplevering vragen wij specifieke gegevens op die aantonen dat het bouwwerk voldoet aan de eisen van het Bbl. Dat kan bijvoorbeeld gaan om stukken over constructieve veiligheid en brandveiligheid. Om te beoordelen of legalisatie mogelijk is, moet de initiatiefnemer een beperkt as-built dossier aanleveren én een verklaring van de kwaliteitsborger dat er tot dat moment geen problemen zijn geconstateerd. Uit proefprojecten blijkt dat het samenstellen van dit dossier tijd kost, maar wel uitvoerbaar is.

  • Optie 3 zorgt voor meer administratieve lasten bij zowel initiatiefnemers als gemeente en is strenger dan de huidige praktijk.

Om een bouwwerk te kunnen registreren en een huisnummer toe te kennen, is een brondocument nodig. Dit wordt geregeld via een melding aan de BAG-beheerder, zodat registratie correct verloopt binnen het proces.

Tabel I. Inhoud dossier bevoegd gezag

Een gereedmelding is pas volledig als het dossier bevoegd gezag alle gegevens bevat die worden gevraagd in artikel 2.21 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In de onderstaande tabel staat welke informatie volgens het artikel verplicht is en welke stukken daarbij horen. In de eerste kolom staan de eisen uit artikel 2.21 Bbl. In de tweede kolom staat welke projectstukken moeten worden toegevoegd aan het dossier bevoegd gezag.

Overzicht vereiste onderdelen.

Artikel 2.21 Bbl , lid 2 

Vereiste gegevens / projectstukken in het dossier bevoegd gezag 

a.  

De naam, het adres en het telefoonnummer van degene die de bouwmelding heeft gedaan (artikel 2.18 Bbl). 

  

b.  

de dagtekening van de melding   

  

c.  

het adres, de kadastrale aanduiding of de coördinaten van de locatie waar de bouwactiviteit is uitgevoerd  

  

d.  

De verklaring van de kwaliteitsborger (artikel 3.86, lid 2 Bkl). Hierin wordt, waar relevant, ingegaan op maatregelen om bouwtechnische risico’s te voorkomen of te beperken (artikel 3.80, lid 2 Bkl). 

  

e.  

De gebruiksfuncties, verblijfsgebieden en verblijfsruimten met hun afmetingen en bezetting, inclusief de totaaloppervlakten per gebruiksfunctie.  

  • plattegronden met de gevraagde informatie. 

f.10  

De belasting en belastingcombinaties van de constructieve delen en het geheel. 

  • uitgangspunten van de berekeningen 

  • constructieschematisering 

  • gewichts- en stabiliteitsberekening 

  • resultaten van het grondonderzoek 

f.20  

de uiterste grenstoestand van de bouwconstructie en onderdelen daarvan 

  • detailtekeningen 

  • detailberekeningen 

f.30  

de luchtverversing 

  • tekening met het ventilatiesysteem en de aan- en afvoerpunten 

  • berekeningen van de capaciteit 

  • of inregelstaten / inregelrapportages als alternatief  

f.40  

de energiezuinigheid 

  • de BENG-berekening (Bijna Energie neutrale Gebouwen), inclusief de uitgangspunten voor energiezuinigheid. 

f.50  

de milieuprestatie 

  • milieuprestatieberekening 

g.  

de brandveiligheid 

Plattegronden met daarop aangegeven: 

  • brand- en/of rookwerendescheidings- constructies 

  • vluchtroutes en aanduidingen 

  • draairichting van deuren  

  • zelfsluitende deuren en sluitwerk 

  • noodverlichting en oriëntatie verlichting 

  • brandmeldcentrale en brand meldpaneel  

  • brandslanghaspels 

  • mobiele brandblusapparaten 

  • droge blusleidingen 

  • brandweeringang en sleutelkluis of sleutelbuis 

  • brandweerlift 

h.  

de toegepaste gelijkwaardige maatregelen (niet van toepassing op constructie of brandveiligheid) 

  • gegevens die de gekozen gelijkwaardige oplossing inzichtelijk maken en onderbouwen 

Toelichting

Voor alle onderdelen geldt dat het moet gaan om de as-built revisies: de stukken moeten zijn aangepast aan de gerealiseerde situatie.

Met andere woorden: de gegevens in het dossier bevoegd gezag moeten overeenkomen met hoe het bouwwerk daadwerkelijk is uitgevoerd.

Tabel II. Prioriteitenstelling voor type afwijkingen van het Bbl

Wanneer een bouwwerk afwijkt van de regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), kan de gemeente handhavend optreden. Om te bepalen hoe snel en met welk middel dit gebeurt, maken we een inschatting van het risico dat ontstaat als de afwijking niet direct of volledig wordt hersteld.

In onderstaande tabel is per onderdeel van hoofdstuk 4 van het Bbl aangegeven hoe groot dit risico is. De prioriteit geeft aan hoe dringend herstel nodig is:

1 = hoog risico (direct handelen)

4 = laag risico (behandeling mogelijk op langere termijn)

Indeling hoofdstuk 4  

Onderwerpen  

prio   

CON  

sterkte  

1  

Constructieve veiligheid  

  

stijfheid

1  

 

stabiliteit 

1  

BRV  

voorkomen van brand  

1  

Brandveiligheid  

  

  

detecteren, waarschuwen

1  

 

vluchten en redden 

1  

 

blussen  

2  

BIJZONDERE LOKALE OMSTANDIGHEDEN  

  

1  

GEB  

vallen  

1  

Gebruiksveiligheid  

  

  

overbruggen hoogteverschillen

2  

 

inbraakwerendheid  

3  

 

bescherming tegen van binnen en buiten komend risico  

3  

KDZ 

geluidwering binnen en buiten

 

4  

(Gebouw)klimaat, duurzaamheid  

  

  

  

  

vocht 

3  

 

luchtverversing

3  

 

daglicht  

4  

 

zuinigheid  

4  

 

isolatie  

4  

BRK  

afmetingen 

4  

Bruikbaarheid  

(nuts)installaties  

4  

Toelichting

  • Hoe lager het prioriteitsgetal, hoe sneller en zwaarder wij optreden.

  • Afwijkingen met prioriteit 1 hebben directe invloed op de veiligheid of gezondheid van gebruikers en omwonenden.

  • Afwijkingen met prioriteit 4 hebben meestal alleen gevolgen voor comfort of duurzaamheid en worden minder dringend opgepakt.

  • Bij twijfel over de ernst van een afwijking geldt altijd: veiligheid eerst.

Tabel III. Prioriteitenstelling voor gebruiksfuncties van bouwwerken

Zoals beschreven in paragraaf 4.1 moet bij het beoordelen van het gebruik van een bouwwerk zonder volledige gereedmelding ook de gebruiksfunctie van het gebouw worden meegewogen. De gebruiksfunctie bepaalt mede hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn van een afwijking van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).

In onderstaande tabel is per gebruiksfunctie aangegeven welke prioriteit geldt voor de verschillende onderdelen van het Bbl:

  • CON = constructieve veiligheid

  • BRV = brandveiligheid

  • GEB = gebruiksveiligheid

  • KDZ = (gebouw)klimaat en duurzaamheid

  • BRK = bruikbaarheid

De prioriteit geeft de urgentie van herstel of handhaving aan:

1 = hoog risico / direct ingrijpen nodig

4 = laag risico / minder urgent

gebruiksfunctie  

CON  

BRV  

GEB  

KDZ  

BRK  

woonfunctie  

1  

1  

2  

3  

4  

bijeenkomstfunctie  

1  

1  

1  

3  

4  

celfunctie  

1  

1  

1  

4  

4  

gezondheidszorgfunctie - met bed  

1  

1  

1  

2  

3  

gezondheidszorgfunctie - overig  

1  

1  

1  

2  

3  

industriefunctie  

2  

2  

3  

4  

4  

kantoorfunctie  

1  

1  

2  

4  

4  

logiesfunctie  

1  

1  

1  

2  

3  

onderwijsfunctie  

1  

1  

2  

3  

4  

sportfunctie  

1  

1  

1  

4  

4  

winkelfunctie  

1  

2  

3  

4  

4  

overige gebruiksfunctie - personenvervoer 

 1

1  

2  

4  

4  

overige gebruiksfunctie - overig  

3  

3  

4  

4  

4  

bgg - wegtunnel >250 m  

1  

1  

4  

4  

4  

bgg - anders  

3  

4  

4  

4  

4  

Toelichting

  • Een hogere prioriteit (1 of 2) betekent dat de risico’s op schade of letsel groter zijn, bijvoorbeeld bij woningen, logiesfuncties of gezondheidszorg.

  • Een lagere prioriteit (3 of 4) geldt voor gebruiksfuncties waarbij de risico’s beperkter zijn of minder direct invloed hebben op de veiligheid van mensen, zoals industrie of tunnels met beperkte toegang.

  • Bij twijfel over de ernst of urgentie wordt altijd de strengste prioriteit toegepast (veiligheid voorop).

 

 

Hoogezand-Sappemeer, 25 november 2025

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen,

de secretaris, de burgemeester,

Marjolijn Nieuwenhuijsen, Erica van Lente

Naar boven