Gemeenteblad van Midden-Groningen
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Groningen | Gemeenteblad 2025, 571842 | overige overheidsinformatie |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Midden-Groningen | Gemeenteblad 2025, 571842 | overige overheidsinformatie |
Uitvoerings- en handhavingsstrategie voor de uitvoering van vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken in de fysieke leefomgeving 2026-2029 gemeente Midden-Groningen
Deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) binnen het omgevingsrecht. De strategie sluit aan op de Omgevingswet en zoekt balans tussen het mogelijk maken van initiatieven en het beschermen van de belangen van inwoners en andere betrokkenen.
De U&HS legt vast hoe de gemeente haar taken uitvoert: informeren, vergunning verlenen, toezicht houden en handhaven. De strategie bouwt voort op het eerdere beleid en neemt de doelstellingen uit het VTH-Omgevingsbeleidsplan 2021–2024 over.
De nieuwe U&HS sluit aan op de opgaven uit de Omgevingsvisie Midden-Groningen en bevat concrete en meetbare kwaliteitsdoelen. Door de beleidscyclus actief te volgen, kan de strategie steeds worden aangepast aan veranderende omstandigheden.
De U&HS is opgesteld op basis van artikel 13.5 van het Omgevingsbesluit en draagt bij aan de doelen van de Omgevingswet:
De strategie omvat taken die voortkomen uit verschillende wetten, waaronder de Omgevingswet, de Algemene Plaatselijke Verordening (APV), de Alcoholwet en de Wet Bibob.
De taken van de Omgevingsdienst Groningen en de Veiligheidsregio Groningen vallen buiten de reikwijdte van dit document.
De U&HS is een ondersteunende strategie en stelt geen nieuw beleid vast.
De strategie sluit aan bij bestaande ambities uit het Collegeprogramma 2022–2026 “Samen aan de Slag” en de Omgevingsvisie Midden-Groningen.
Het collegeprogramma richt zich op brede welvaart, met aandacht voor wonen, duurzaamheid, natuur, verkeer en de uitvoering van de Omgevingswet.
De acht speerpunten uit de Omgevingsvisie zijn in de U&HS vertaald naar concrete prioriteiten.
Initiatiefnemers willen hun plannen en ideeën graag kunnen uitvoeren. Omwonenden en andere belanghebbenden willen dat hun belangen worden beschermd. Als gemeente zoeken we steeds naar een balans tussen beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. In deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) leggen we uit hoe we met die balans omgaan.
Wie iets wil ondernemen in de fysieke leefomgeving, moet nagaan of de activiteit voldoet aan de wet- en regelgeving. Voor sommige activiteiten geldt een informatie-, meldings- of vergunningsplicht.
Wij informeren inwoners en ondernemers hierover, houden toezicht op de naleving van vergunningen en regels en treden handhavend op als dat nodig is.
Voor de nieuwe U&HS kijken we eerst terug op de uitvoering van de eerdere VTH-taken. Het VTH-Omgevingsbeleidsplan 2021–2024 is vastgesteld op 17 november 2020 en bevatte diverse doelstellingen. Waar relevant, nemen we deze doelstellingen opnieuw op in de nieuwe strategie.
De beleidscyclus is in de afgelopen periode deels onderbroken, omdat het VTH-Omgevingsbeleidsplan afliep en er niet jaarlijks een uitvoeringsprogramma met evaluatie is opgesteld. Met deze nieuwe U&HS starten we de beleidscyclus opnieuw op.
Het interbestuurlijk toezicht (IBT) van de provincie Groningen houdt toezicht op de tijdigheid en actualiteit van onze verplichte documenten. Het IBT stuurt jaarlijks een overzicht met verbeterpunten. Een deel van die punten is in deze nieuwe strategie verwerkt.
De overige punten werken we uit in het uitvoeringsprogramma en de evaluatie. Voor het eerst sluit de U&HS aan op de opgaven uit de Omgevingsvisie Midden-Groningen. Daarmee maken we zichtbaar welke bijdrage het VTH-taakveld levert aan de gemeentelijke ambities. In deze nieuwe strategie hebben we meetbare doelstellingen opgenomen.
Ook hebben de kwaliteitsdoelstellingen uit de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht gemeente Midden-Groningen 2019 een duidelijke plek gekregen.
Door de beleidscyclus actief te volgen, zorgen we dat de U&HS kan worden aangepast aan veranderende omstandigheden en nieuwe behoeften.
De Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) bestaat uit verschillende hoofdstukken en bijlagen. Elk onderdeel behandelt een specifiek thema binnen de gemeentelijke aanpak van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).
De strategie is opgebouwd uit twee delen:
De U&HS maakt deel uit van het bredere beleid van de gemeente Midden-Groningen.
Het is een ondersteunende strategie: de U&HS stelt geen nieuw beleid vast, maar helpt de gemeente bij het bereiken van bestaande doelen.
Hoofdstuk 2 - Wettelijk kader U&HS
Beschrijft de wettelijke basis van de U&HS, de reikwijdte en de relatie met andere beleidsvelden. Het hoofdstuk legt de nadruk op de Omgevingswet, die als doel heeft initiatieven te versnellen en gemeenten meer beslisruimte te geven.
De U&HS draagt bij aan de doelen van de Omgevingswet: een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving en een zorgvuldig gebruik van de fysieke ruimte.
De bijlagen bevatten gedetailleerde informatie en praktische instrumenten die de uitvoering van de U&HS ondersteunen:
Bijlage 1: Toelichting op de regels uit het Omgevingsbesluit die de wettelijke basis vormen voor de beleidscyclus.
Bijlage 2: Intentieverklaring VTH Drieslag 3.0 met afspraken over uniform optreden bij vergunningverlening binnen de versterkingsoperatie.
Bijlage 3A en 3B: Handleiding risicoanalyse.
Bijlage 4: Overzicht van de strategieën voor uitvoering van de VTH-taken, waaronder de preventiestrategie, toetsingsstrategie en toezichtstrategie. Deze strategieën richten zich op kennis en bewustwording, naleefgedrag en de beoordeling van vergunningen en meldingen.
Bijlage 5: Toetsings- en toezichtstrategie bij de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb). Samen vormen deze hoofdstukken en bijlagen het kader voor de uitvoering van de VTH-taken binnen de gemeente Midden-Groningen.
De nadruk ligt op een evenwichtige, risicogestuurde en kwaliteitsgerichte aanpak van vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Met deze Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) geven we invulling aan de wettelijke verplichting om een actuele strategie vast te stellen voor vergunningverlening, toezicht en handhaving in de fysieke leefomgeving. Deze verplichting is vastgelegd in het Omgevingsbesluit, dat hoort bij de Omgevingswet.
In het Omgevingsbesluit staan regels voor het bevoegd gezag over vergunningverlening, procedures, uitvoering en handhaving van het omgevingsrecht. Deze regels zorgen ervoor dat de gemeentelijke taken op een zorgvuldige, transparante en doelmatige manier worden uitgevoerd.
Het doel is om te zorgen voor een veilige, gezonde en aantrekkelijke leefomgeving.
De regels uit het Omgevingsbesluit vormen samen de procescriteria van de zogenoemde BIG-8-beleidscyclus (zie bijlage 1 voor een toelichting).
Deze U&HS is één van de producten binnen de VTH-beleidscyclus. Op basis van deze strategie worden keuzes gemaakt voor de uitvoering van taken en wordt jaarlijks een uitvoeringsprogramma opgesteld. Daarnaast legt de gemeente jaarlijks verantwoording af in een evaluatierapportage. In het uitvoeringsprogramma beschrijven we:
In de evaluatierapportage leggen we verantwoording af over de gemaakte keuzes en behaalde resultaten.
Alle documenten binnen de VTH-beleidscyclus worden vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd via een raadsbrief.
De U&HS gaat over de wettelijke taken die de gemeente uitvoert op basis van verschillende landelijke, provinciale en gemeentelijke regels. Deze regelgeving is bedoeld om de fysieke leefomgeving te beschermen. Een belangrijk landelijk kader is de Omgevingswet. Deze wet heeft een nieuw stelsel geïntroduceerd met andere instrumenten en principes.
De Omgevingswet bundelt alle wetten voor de fysieke leefomgeving om initiatieven sneller te laten starten en beter af te stemmen op elkaar.
Daarnaast introduceert de wet meer open normen en zorgplichten in plaats van strikte regels of verboden. Hierdoor krijgen gemeenten meer beslisruimte om zelf een evenwicht te vinden tussen het benutten en beschermen van de leefomgeving.
De Omgevingswet gaat uit van twee samenhangende uitgangspunten:
Met het uitvoeren van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) leveren we een bijdrage aan de hoofddoelstelling van de Omgevingswet:
De Omgevingswet heeft als doel om de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren en te behouden. De wet richt zich op twee hoofddoelen:
Deze doelen sluiten aan bij het uitgangspunt van duurzame ontwikkeling: het benutten van kansen zonder de leefomgeving voor toekomstige generaties aan te tasten.
De Omgevingswet omschrijft de fysieke leefomgeving als alles wat we zien, voelen, horen en ruiken. De wet noemt daarbij de volgende onderdelen:
De fysieke leefomgeving omvat dus zowel de natuurlijke omgeving als alles wat door mensen is gebouwd of aangelegd. Naast de Omgevingswet gelden er ook regels uit andere wet- en regelgeving die de leefomgeving beschermen.
De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en diverse bijzondere wetten bevatten voorschriften voor vergunningverlening, toezicht en handhaving. Onder bijzondere wet- en regelgeving verstaan we in dit kader onder andere de:
De U&HS heeft betrekking op de uitvoering van deze taken binnen het fysieke domein. Het sociale domein valt buiten de reikwijdte van deze strategie.
De taken die worden uitgevoerd door de Omgevingsdienst Groningen (ODG) en de Veiligheidsregio Groningen (VRG) vallen buiten deze strategie. Beide organisaties hebben een eigen beleidscyclus met eigen doelstellingen en prioriteiten.
Voor de ODG geldt de Uitvoerings- en handhavingsstrategie 2023–2027, die door de gemeente is vastgesteld. De gemeenteraad heeft in september de Meerjarenkoers 2024–2028 van de VRG vastgesteld. Daarin staan de prioriteiten beschreven voor de taken van de Veiligheidsregio.
2.2 Relatie met andere beleidsvelden
De Uitvoerings- en handhavingsstrategie (U&HS) is een ondersteunende strategie binnen het bredere beleid van de gemeente Midden-Groningen. Met het uitvoeren van de U&H-taken dragen we bij aan de ambities uit het Collegeprogramma 2022–2026 “Samen aan de Slag” en aan de Omgevingsvisie Midden-Groningen.
Collegeprogramma 2022-2026 “Samen aan de slag”
Het collegeprogramma richt zich op het versterken van de brede welvaart in Midden-Groningen. De ambities zijn samengevat in drie pijlers:
Het programma bevat beleidsvoornemens op diverse terreinen, zoals dienstverlening, armoedebestrijding, energietransitie en ruimtelijke ordening. Voor de uitvoering van de U&H-taken is vooral ruimtelijke ordening van belang. De belangrijkste onderdelen daarvan zijn:
Wonen - De gemeente stimuleert nieuwbouw en het verbeteren van bestaande woningen. Daarbij ligt de nadruk op verduurzaming en het voorkomen van verpaupering. Tijdens bouw- en renovatieprojecten voeren we inspecties uit om te controleren of het werk voldoet aan de vergunning en bouwvoorschriften. Bij nieuwbouwprojecten geldt een zelfbewoningsplicht, om te voorkomen dat beleggers woningen opkopen.
Toezicht en handhaving zorgen ervoor dat werkzaamheden veilig en volgens de regels verlopen.
Deze onderdelen vereisen allemaal een zorgvuldige uitvoering van de U&H-taken, zodat initiatieven volgens de regels plaatsvinden en de leefomgeving veilig, gezond en duurzaam blijft.
De Omgevingsvisie beschrijft de richting voor de inrichting en het gebruik van onze leefomgeving. De visie vormt samen met de Visie Sociale Veerkracht het kader voor het bereiken van brede welvaart. De speerpunten zijn gebaseerd op:
De Omgevingsvisie bundelt de hoofdlijnen van verschillende beleidsdocumenten, zoals:
Daarnaast richt de visie zich op belangrijke opgaven binnen Midden-Groningen, zoals:
De acht speerpunten uit de Omgevingsvisie. De volgende acht speerpunten uit de Omgevingsvisie zijn - waar van toepassing - verwerkt in hoofdstuk 4 van de U&HS:
Deze speerpunten vormen de verbinding tussen de ambities van het gemeentebestuur en de uitvoering van de vergunningverlening, toezicht en handhaving.
Een belangrijk beleidsdocument dat nauw samenhangt met deze strategie is het Integraal Veiligheidsbeleid Midden-Groningen 2025–2028. Dit beleid is op 19 december 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. In het veiligheidsbeleid staan de volgende prioriteiten centraal:
Daarnaast benoemt het beleid vier strategische thema’s:
Ook het team Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving (VTH) levert een actieve bijdrage aan deze veiligheidsdoelen. Dat doen we onder andere door:
Binnen het team Veiligheid en Vergunningen ligt de verantwoordelijkheid als volgt: OOV (Openbare Orde en Veiligheid): beleid, bezwaar & beroep en handhaving binnen APV en bijzondere wetten;
Een belangrijk preventief instrument is het vaker toepassen van de Wet Bibob bij vergunningaanvragen en bij transacties in branches die gevoelig zijn voor ondermijning (zoals horeca, prostitutie en vastgoed). Hiermee verkleinen we de kans dat criminele activiteiten via vergunningen worden gefaciliteerd.
De informatie-uitwisseling tussen Veiligheid en VTH vindt plaats in verschillende overlegstructuren, zoals het Lokaal Informatie Overleg (LIO), waarin casussen worden besproken. Daarnaast draagt de aanpak van illegale bewoning en malafide verhuur bij aan het tegengaan van ondermijning.
De gemeente past al bestuurlijke maatregelen toe en zet deze lijn de komende jaren voort. Waar dit mogelijk en proportioneel is, maken we gebruik van maatregelen zoals:
Samenwerking met het sociale domein
Het VTH-taakveld werkt intensief samen met het sociale domein. Dit gebeurt onder andere bij situaties zoals:
Ook bij preventieve maatregelen trekken we samen op, bijvoorbeeld bij:
Het toezicht en de handhaving in deze situaties worden uitgevoerd door de buitengewoon opsporingsambtenaren (boa’s).
De samenwerking tussen het sociale en het fysieke domein blijft een aandachtspunt. Er zijn al goede stappen gezet, maar duidelijke werkafspraken over taken, verantwoordelijkheden en informatie-uitwisseling moeten verder worden uitgewerkt.
3 Missie, visie en kernwaarden
Een missie en visie vormen de basis voor de uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken). Ze geven richting aan onze prioriteiten en doelstellingen en zorgen voor duidelijke, betrouwbare en transparante dienstverlening.
Bij het formuleren van de missie en visie voor VTH sluiten we aan bij de dienstverleningsvisie van de gemeente Midden-Groningen.
Wij zien de uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (U&H-taken) als een vorm van dienstverlening aan onze inwoners, ondernemers en partners. We willen dat onze vergunningverlening duidelijk, efficiënt en transparant is.
Daarom communiceren we helder over wat inwoners kunnen verwachten en binnen welke termijnen we werken. Ons toezicht is gericht op voorkomen in plaats van corrigeren: we zetten in op samenwerking en bewustwording, zodat we samen zorgen voor een veilige en leefbare gemeente.
Bij handhaving staan eerlijkheid, rechtvaardigheid en het algemeen belang voorop. We handelen zorgvuldig en proportioneel, met oog voor de menselijke maat.
Met deze manier van werken maken we onze dienstverlening persoonlijk, betrouwbaar en mensgericht. Precies zoals inwoners dat van de gemeente Midden-Groningen mogen verwachten.
Onze visie op vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH) sluit aan bij de gemeentelijke dienstverleningsvisie van Midden-Groningen. We willen de kwaliteit van leven in onze gemeente verbeteren door onze VTH-taken zorgvuldig, efficiënt en betrokken uit te voeren. Dat doen we met duidelijke en toegankelijke dienstverlening, zowel digitaal als persoonlijk.
We werken in de geest van de Omgevingswet en in lijn met de ambities van de Omgevingsvisie. Daarbij staan onze kernwaarden vertrouwen, verantwoordelijkheid en vrijheid centraal:
Zo dragen we bij aan een gemeente waar het prettig wonen, werken en leven is — nu en in de toekomst.
Onze kernwaarden vormen de basis voor hoe we werken, samenwerken en met elkaar omgaan. Ze zijn verweven in de dagelijkse uitvoering van onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken).
Deze waarden geven richting aan onze keuzes en houding in het werk. Ze staan voor een cultuur waarin samenwerking, openheid en respect vanzelfsprekend zijn — met als doel een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving voor alle inwoners, ondernemers en organisaties in Midden-Groningen.
De kernwaarden sluiten aan bij de organisatievisie van de gemeente Midden-Groningen en vormen samen het fundament van onze dienstverlening en ons handelen.
Vertrouwen: We werken vanuit vertrouwen. Vertrouwen geven en vertrouwen verdienen.
Voor de uitvoering en handhaving betekent dit dat de gemeente Midden-Groningen transparant, eerlijk en betrouwbaar handelt.
We communiceren ons beleid en onze besluiten duidelijk en vriendelijk, en we komen onze afspraken na.
We zijn een betrouwbare partner voor inwoners, bedrijven, instellingen en andere overheden. Dat doen we onder meer door:
Zo bevorderen we rechtsgelijkheid - een gelijk speelveld voor iedereen.
We benaderen inwoners, ondernemers en organisaties vanuit het principe dat iedereen vertrouwen verdient. We luisteren, wegen belangen zorgvuldig af en leggen onze besluiten altijd uit. Soms betekent dat dat we iets niet kunnen toestaan of moeten handhaven. Ook dan blijven we duidelijk en uitlegbaar over de keuzes die we maken.
Verantwoordelijkheid: Wij nemen verantwoordelijkheid voor de taken waarvoor we als gemeente aan zet zijn — ieder vanuit zijn of haar eigen rol, vak en professionaliteit.
Voor de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving betekent dit dat we integraal en samenhangend werken.
Bij complexe aanvragen organiseren we een goed proces om snel tot een zorgvuldige afweging van alle belangen te komen: die van de initiatiefnemer, omwonenden en de beleidsdoelen van de gemeente.
We zoeken samen naar passende oplossingen, vanuit onze eigen expertise en met behulp van instrumenten zoals het omgevingsoverleg. Bij de uitvoering van de U&H-taken zijn de kwaliteitscriteria VTH leidend. We werken volgens het BIG-8-principe: planmatig, cyclisch en lerend.
Daarnaast verwerken we de verbeterpunten van het interbestuurlijk toezicht (IBT) actief in onze jaarlijkse uitvoeringsprogramma’s en evaluaties. Zo laten we zien dat we verantwoordelijkheid nemen, leren en verbeteren.
Vrijheid: Wij denken in mogelijkheden. We benutten de ruimte die de wet biedt om onze taken innovatief en creatief uit te voeren, binnen de geldende kaders.
Voor vergunningverlening, toezicht en handhaving betekent dit dat we handelen in de geest van de Omgevingswet.
We werken vanuit een positieve grondhouding: we denken mee met initiatiefnemers en zoeken samen naar wat wél kan. We bewegen daarmee van het principe “Nee, tenzij” naar “Ja, mits”. De Omgevingswet vraagt om:
Bij toezicht en handhaving onderzoeken we eerst alle mogelijkheden voor herstel voordat we optreden. We stimuleren overtreders om zelf verantwoordelijkheid te nemen en hun fouten te herstellen. Waar nodig nemen wij het voortouw en zoeken samen met betrokkenen naar oplossingen om illegale situaties te beëindigen.
Tegelijkertijd durven we ook “nee” te zeggen tegen wie zich niet aan de regels houdt. We voorkomen waar het kan en grijpen in waar het moet - altijd met het oog op de veiligheid en leefbaarheid van Midden-Groningen.
De probleemanalyse bestaat uit twee onderdelen: een gebiedsbeschrijving en een risicoanalyse. De risicoanalyse laat zien welke risico’s we moeten beheersen. De gebiedsbeschrijving geeft inzicht in de kenmerken van de gemeente Midden-Groningen en waar deze risico’s zich voordoen.
De gemeente Midden-Groningen ligt in het hart van de provincie Groningen. De gemeente is op 1 januari 2018 ontstaan uit de fusie van de voormalige gemeenten Hoogezand-Sappemeer, Slochteren en Menterwolde. Met een oppervlakte van ongeveer 225 vierkante kilometer en ruim 62.000 inwoners is Midden-Groningen een middelgrote gemeente met een gevarieerd landschap van polders, veengebieden en bosrijke zones.
Midden-Groningen grenst aan de gemeenten Groningen, Tynaarlo, Aa en Hunze, Veendam en Oldambt. De gemeente heeft een rijke geschiedenis, een sterke economische basis en een breed maatschappelijk en cultureel aanbod.
We beschrijven het doel, de methodiek-, de totstandkoming, de afbakening en de uitkomsten.
De wet verplicht gemeenten om een risicoanalyse op te stellen. Deze analyse geeft inzicht in waar risico’s zich voordoen en hoe groot die risico’s zijn. De uitkomsten helpen ons bij het maken van keuzes voor toetsing, toezicht en handhaving.
Risico’s moeten beheersbaar en controleerbaar zijn.
Door vast te leggen hoe diep we aanvragen toetsen en op welke aspecten we toezicht houden, kunnen we risico’s beter beheersen. Deze afspraken leggen we vast in protocollen.
Bij het vaststellen van prioriteiten speelt de risicoanalyse een centrale rol. We gebruiken hiervoor de landelijke methode, die uitgaat van de formule:
Deze methode brengt in beeld hoe groot de kans is dat een risico zich voordoet en welk effect dat heeft op de leefomgeving. Op basis van de berekende risicoscore bepalen we de prioriteiten voor onze VTH-taken.
Een toelichting op deze methode en de berekening is opgenomen in bijlage 3A – Handleiding Risicoanalyse. Daarin staat beschreven hoe de scores tot stand zijn gekomen en welke waarden aan de begrippen zijn toegekend.
De risicoanalyse is opgesteld in samenwerking met vakspecialisten binnen de gemeente Midden-Groningen. Per domein is in kaart gebracht welke risico’s zich kunnen voordoen. De onderzochte domeinen zijn:
De resultaten worden voorgelegd aan het college van burgemeester en wethouders, dat wordt gevraagd de risico’s te prioriteren voor de bestuurlijke prioriteitstelling.
De risicoanalyse beperkt zich tot de VTH-taken die de gemeente zelf uitvoert. Voor het domein Brandveiligheid voert de Veiligheidsregio Groningen (VRG) de risicoanalyse uit.
Voor het domein Milieu is de Omgevingsdienst Groningen (ODG) verantwoordelijk. Deze onderdelen vallen daarom buiten deze U&HS.
Omdat onze capaciteit beperkt is, kunnen we niet alles tegelijk uitvoeren. Daarom geven we prioriteit aan de activiteiten met het hoogste risico voor de leefomgeving. Deze prioriteiten vormen de basis voor onze jaarlijkse uitvoering.
Een overzicht van de volledige risicomatrix en de uitkomsten daarvan staat in bijlage 3B – Uitkomsten Risicoanalyse.
De risicoanalyse wordt jaarlijks herzien en zo nodig aangepast.De actuele uitkomsten worden opgenomen in het Programma Uitvoering en Handhaving (PUH).
De activiteiten met de hoogste prioriteit krijgen planmatig toezicht en handhaving. Activiteiten met een lager risico pakken we op wanneer er signalen of meldingen binnenkomen. Afhankelijk van de aard en ernst van de signalen kan dat leiden tot gericht toezicht op een specifiek thema, gebied of doelgroep.
De prioritering van risico’s bepaalt hoe intensief we onze vergunningverlenings-, toezicht- en handhavingstaken (VTH-taken) inzetten. We stemmen onze inzet af op de mate van risico: hoe hoger het risico, hoe actiever onze inzet.
De prioritering helpt ons om beschikbare capaciteit gericht in te zetten en om keuzes te maken die het grootste effect hebben op de veiligheid en leefbaarheid in Midden-Groningen. Bij overtredingen met een hoog risico beschrijven we in het vervolg:
Zo wordt duidelijk waarom een risico een probleem vormt, wat we eraan doen en wat we willen bereiken. Het doel geeft richting aan onze acties en helpt ons te meten of we succesvol zijn in het beheersen of verminderen van risico’s.
Handelen zonder of in strijd met vergunningsvoorwaarden voor constructieve en brandveiligheidsaspecten bij het bouwen van bouwwerken
Het is onze taak om ervoor te zorgen dat er constructief en brandveilig wordt gebouwd. Wanneer wordt gehandeld zonder vergunning of in strijd met vergunningsvoorwaarden die betrekking hebben op constructieve of brandveiligheidseisen, kan dit leiden tot onveilige situaties. Er bestaat risico op instortingsgevaar en op het uitbreken van brand.
Het risico is het grootst bij bouwwerken waarin niet-zelfredzame personen verblijven, zoals verzorgingsinstellingen of scholen.
De aardbevingsproblematiek in Midden-Groningen vergroot deze risico’s. Aardbevingen kunnen bestaande scheuren en constructieve zwakheden verergeren, vooral als gebouwen niet voldoen aan de eisen voor aardbevingsbestendigheid. Dit kan ernstige gevolgen hebben voor bewoners en gebruikers van het pand.
Daarom is het naleven van vergunningsvoorwaarden in het aardbevingsgebied nog belangrijker. Onvoldoende brandveiligheidsmaatregelen vergroten het risico verder: bij een aardbeving kunnen gasleidingen, elektriciteitssystemen of brandalarminstallaties beschadigd raken, waardoor branden sneller uitbreiden.
In gebieden met een verhoogd aardbevingsrisico is het daarom essentieel dat alle bouwwerken voldoen aan de hoogste veiligheidsnormen. Zo voorkomen we instortings- en brandgevaar en beschermen we bewoners en gebruikers.
Voor bouwwerken buiten het aardbevingsgebied werken we volgens onze toezichtstrategie en bijbehorende protocollen. We toetsen vergunningaanvragen risicogericht en houden toezicht op de uitvoering van verleende vergunningen.
Voor het aardbevingsgebied hanteren we een specifieke aanpak. We werken nauw samen met de Nationaal Coördinator Groningen (NCG) aan het aardbevingsbestendig maken van gebouwen. De NCG is verantwoordelijk voor het versterken van huizen, gebouwen en infrastructuur in het Groningse aardbevingsgebied. Bij het bouwen en versterken gebruiken we de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 9998.
Deze richtlijn biedt technische handvatten voor zowel nieuwbouw als het preventief versterken van bestaande gebouwen.
Samenwerking binnen VTH Drieslag
De term ‘VTH Drieslag’ verwijst naar een samenwerkingsverband van vijf Groningse gemeenten op het gebied van Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving. Deze samenwerking is gericht op het efficiënter en effectiever uitvoeren van U&H-taken, met speciale aandacht voor de versterkingsopgave als gevolg van de gaswinning.
De gemeente Midden-Groningen maakt deel uit van dit samenwerkingsverband, maar voert de U&H-taken binnen de versterkingsopgave zelfstandig uit. Dat betekent dat we zelf verantwoordelijk zijn voor de behandeling van vergunningaanvragen, het toezicht en de handhaving bij versterkingsprojecten.
We werken met een flexibel team van specialisten dat vergunningaanvragen beoordeelt, toezicht houdt tijdens de bouw en optreedt bij onveilige situaties.
Sinds 2016 werken de aardbevingsgemeenten en de NCG nauw samen binnen het VTH-Drieslagkader. In december 2020 is deze samenwerking opnieuw bevestigd via de intentieverklaring ‘VTH Drieslag 3.0’. Hierin is afgesproken dat gemeenten en de NCG gezamenlijk en uniform optreden bij vergunningverlening in de versterkingsoperatie. De volledige intentieverklaring is opgenomen in bijlage 2.
In het Lokaal Plan van Aanpak Versterking Midden-Groningen 2025 staat hoe de gemeente met de versterkingsopgave omgaat. Dit plan bevat beleidsmatige en operationele kaders om de veiligheid en leefbaarheid in het aardbevingsgebied te waarborgen. Het vormt de jaarlijkse leidraad voor uitvoering door de gemeente en haar partners. Daarnaast stelt VTH Drieslag jaarlijks een uitgangspuntennotitie op als richtlijn voor het uitvoeringsprogramma handhaving.
Bijdrage aan speerpunten uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Speerpunt 3: Voldoende en betaalbare woningen voor bestaande en nieuwe inwoners.
In Midden-Groningen willen we invulling geven aan onze bouwopgave. In de Woonvisie is vastgelegd dat we de komende zeven jaar 1.250 woningen willen realiseren.
De VTH-organisatie verleent vergunningen voor woningbouwprojecten die voldoen aan eisen van betaalbaarheid en diversiteit.
Er zijn prestatieafspraken gemaakt met woningcorporaties en huurderorganisaties om voldoende betaalbare en sociale huurwoningen te realiseren.
Daarnaast richt het Programma Vrijkomende Locaties zich op het hergebruiken van leegstaande panden (zoals voormalige scholen) en het omvormen van deze locaties tot aantrekkelijke woningen - zowel koop- als huurwoningen.
Het in gebruik hebben en laten bestaan van verpauperde panden
Verspreid over de gemeente Midden-Groningen staan panden en woningen die verpauperd of slecht onderhouden zijn. Deze zogenoemde ‘rotte kiezen’ – kwetsbare percelen – hebben een negatieve invloed op de leefbaarheid en veiligheid in de omgeving.
Leegstaande, vervallen panden en rommelerven zorgen voor een onverzorgde uitstraling en kunnen gevoelens van onveiligheid vergroten. Daarnaast trekken deze locaties soms ongewenste activiteiten aan, zoals vandalisme of illegale bewoning.
De gemeente Midden-Groningen wil in de komende tien jaar 90% van de 132 geregistreerde verpauperde panden verbeteren. Dit doen we door:
Door verpaupering aan te pakken verbeteren we de woon- en leefkwaliteit én maken we Midden-Groningen aantrekkelijker voor bewoners, ondernemers en bezoekers.
We hanteren een proactieve aanpak om verpauperde panden structureel aan te pakken. Binnen het Nationaal Programma Groningen (NPG) zijn verschillende initiatieven ontwikkeld om pandeigenaren te ondersteunen bij herstel en revitalisatie. Dit omvat onder meer financiële steun voor aankoop en verbetering van panden, met als doel de leefkwaliteit in de wijken te verbeteren.
De gemeente werkt sinds 2019 aan een plan van aanpak Zorgelijk Onderhoud. Op 28 januari 2021 stelde de gemeenteraad het lokale NPG-programmaplan “Hart voor Midden-Groningen” vast. Het project Aanpak Verpauperde Panden is onderdeel van dit programma.
Voor dit project heeft de gemeente in 2021 NPG-middelen ontvangen. Het project loopt tien jaar en is opgedeeld in twee fasen. In de eerste fase (tot en met het eerste kwartaal van 2024) zijn de eerste panden aangepakt en is de aanpak verder ontwikkeld op basis van opgedane ervaringen. Het doel in deze fase is:
Toepassing van de excessenregeling
Bij de aanpak van verpauperde panden gebruiken we de excessenregeling. Het college van burgemeester en wethouders past deze regeling toe wanneer sprake is van een buitensporig slecht uiterlijk dat duidelijk zichtbaar is en afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Deze regeling biedt de gemeente een juridisch instrument om eigenaren aan te spreken en herstel af te dwingen als vrijwillig herstel uitblijft.
Bescherming van karakteristieke panden
Voor karakteristieke panden hanteert de gemeente Midden-Groningen een afwegingskader karakteristieke panden. Dit kader waarborgt de bescherming van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Het helpt bij het afwegen van vergunningen voor verbouwing of sloop, zodat er een balans blijft tussen gebruikswaarde en karakteristieke waarde.
Bij elke vergunningaanvraag wordt het afwegingskader toegepast om te beoordelen of plannen passen binnen het gemeentelijk beleid voor karakteristieke panden. De gemeente houdt toezicht op de uitvoering van verleende vergunningen en treedt handhavend op bij overtredingen.
Zo zorgen we ervoor dat de karakteristieke kwaliteit van de gemeente behouden blijft en dat bouwwerkzaamheden voldoen aan de geldende regels en richtlijnen.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door verpaupering aan te pakken verbeteren we de kwaliteit en uitstraling van de leefomgeving. We versterken daarmee de veiligheid, leefbaarheid en trots op de woonomgeving.
Splitsen van panden ten behoeve van het toevoegen van extra woningen/ wonen waar niet is toegestaan/ illegale kamergewijze verhuur
Ook in Midden-Groningen is er een tekort aan betaalbare woningen. Vooral in delen van Foxham, Hoogezand-Noord, Hoogezand-Zuid, Foxhol, Eemskanaal-Zuid, Boswijck-West en Margrietpark is de druk op de woningmarkt groot.
De gemeente heeft de afgelopen jaren fors ingezet op woningbouw: in 2024 werden 164 nieuwbouwwoningen opgeleverd. Toch is dat nog niet genoeg om het tekort op te lossen.
Daardoor ontstaan ongewenste situaties zoals illegale woningsplitsing, kamergewijze verhuur of bewoning waar dat niet is toegestaan. Deze vormen van illegaal gebruik kunnen leiden tot:
Illegale woningsplitsing lost de woningnood niet op — het verergert deze juist door hogere huren, overbewoning en een slechtere woningkwaliteit. Het is daarom belangrijk dat nieuwe woningen veilig, vergund en betaalbaar worden gerealiseerd.
Een specifieke ontwikkeling binnen deze prioriteit is de aanpak van illegale bewoning van recreatiewoningen. De gemeenteraad besloot op 27 juni 2024 de recreatieve bestemming van vakantieparken te behouden en stelde beleidskaders vast voor het gebruik ervan. Het college kreeg de opdracht om dit beleid verder uit te werken en te komen met een plan van aanpak voor permanente en tijdelijke bewoning.
Door een recente brief van minister Keijzer (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) is dit proces echter tijdelijk stilgelegd. De minister heeft aangegeven dat personen die nu permanent in een recreatiewoning wonen, zekerheid moeten krijgen dat zij daar in de toekomst mogen blijven. De gemeente wacht de landelijke ontwikkelingen op dit punt af.
Wonen is een van de belangrijkste prioriteiten van de gemeenteraad. In de Woonvisie is vastgelegd hoe we zorgen voor voldoende en betaalbare woningen en een prettige woonomgeving.
Een belangrijk instrument hierbij is de opkoopbescherming. Deze regeling bepaalt dat woningen in bepaalde wijken of prijsklassen alleen gekocht mogen worden door mensen die er zelf gaan wonen.
De opkoopregeling en de aanpak van illegale woningsplitsing versterken elkaar:
Door de opkoopregeling wordt het voor beleggers minder aantrekkelijk om woningen op te kopen en te (illegaal) splitsen.
Wat betreft illegale bewoning van recreatiewoningen wachten we de landelijke besluitvorming af voordat verdere handhavingsmaatregelen worden genomen.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 3: Voldoende en betaalbare woningen voor bestaande en nieuwe inwoners.
Met deze aanpak dragen we bij aan een evenwichtige woningmarkt. We zorgen ervoor dat nieuwe woningen veilig, vergund en duurzaam worden gerealiseerd, zodat inwoners van Midden-Groningen betaalbaar en prettig kunnen wonen.
4. Handelen zonder of in strijd met erfgoed
Het behoud van erfgoed is voor de gemeente Midden-Groningen een belangrijk speerpunt.Erfgoed omvat rijks- en gemeentelijke monumenten, karakteristieke gebouwen en beschermde dorpsgezichten — gebouwen en objecten met historische en cultuurwaarde die onze dorpen hun eigen identiteit geven.
De rijksmonumenten en beschermde dorpsgezichten vallen onder rijksbescherming, terwijl de gemeentelijke monumenten zijn opgenomen in het Erfgoedregister Midden-Groningen en beschermd via de Erfgoedverordening 2018. De karakteristieke panden en gebieden zijn planologisch beschermd in het omgevingsplan.
Door de gevolgen van de gaswinning zijn veel waardevolle panden beschadigd geraakt. Zonder extra aandacht dreigen sommige gebouwen met historische waarde verloren te gaan in de versterkings- en hersteloperatie.
Het handelen zonder vergunning of in strijd met vergunningvoorwaarden bij een monument of karakteristiek pand kan leiden tot onomkeerbare schade aan cultuurhistorische waarden.
Dat geldt ook voor werkzaamheden in archeologisch waardevolle gebieden zonder de juiste vergunningen: archeologische vondsten kunnen dan onherstelbaar verloren gaan.
Erfgoed vertelt het verhaal van onze dorpen en inwoners. We willen dat behouden - zodat toekomstige generaties kunnen zien waar we vandaan komen en wie we zijn.
1. Vergunningverlening en toezicht
De gemeente hanteert strikte voorwaarden voor wijziging, renovatie of sloop van beschermde gebouwen. Elke ingreep aan een rijks-, gemeentelijk of karakteristiek monument moet voldoen aan vastgestelde eisen om de historische waarde te behouden. We toetsen aanvragen daarom zorgvuldig en integraal, op basis van:
Voor archeologische gebieden gebruiken we de verwachtingskaart, zodat inwoners en bedrijven weten waar extra voorzichtigheid nodig is. De nota stelt duidelijke regels vast voor onderzoek, certificering en toezicht volgens de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). Zo voorkomen we verstoring en beschermen we waardevolle bodemvondsten.
We werken intensief samen met Libau en de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit (Erfgoedcommissie Midden-Groningen). Deze commissie adviseert het college en de raad over vergunningen, beleid en plannen die van invloed zijn op erfgoed en ruimtelijke kwaliteit. Zo borgen we dat elke aanpassing aan rijks- of gemeentelijke monumenten de historische waarde respecteert.
We voeren daarnaast periodiek toezicht uit op de staat van monumenten en karakteristieke panden. Door vroegtijdige inspecties kunnen we overtredingen of schade snel signaleren en aanpakken.
3. Bescherming van karakteristieke panden
De gemeente telt ongeveer 1.200 karakteristieke panden die het straatbeeld mede bepalen. Deze panden zijn geen monument, maar hebben wél cultuurhistorische waarde. Daarom zijn ze beschermd in het Facetbestemmingsplan karakteristieke objecten.
Een omgevingsvergunning voor sloop kan alleen worden verleend als dit past binnen de regels van het omgevingsplan. Bij elke aanvraag of melding toetsen wij aan het Afwegingskader bescherming karakteristieke objecten (2020). Dat geldt ook voor verbouw of nieuwbouw waarbij karakteristieke onderdelen worden gewijzigd of verwijderd.
We hanteren de algemene erfgoedcriteria en voeren in welstandsluwe gebieden een beperkte welstandstoets uit om wantoestanden te voorkomen. Deze toets is gekoppeld aan de excessenregeling uit de Welstandsnota 2020.
Het college past de excessenregeling toe als er sprake is van een buitensporig uiterlijk dat duidelijk afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 2: Beleefbare omgeving met behoud en versterking van landschapsverschillen en karakter/historie van kernen.
Door erfgoed te beschermen en zorgvuldig te beheren behouden we het karakter en de identiteit van onze dorpen. We versterken de beleefbaarheid van de omgeving en dragen bij aan een aantrekkelijke, herkenbare en trotse gemeente.
Afval illegale stort (meldingen afvalstort en zwerfvuil)
Illegale afvalstort en zwerfafval veroorzaken milieuschade, onveilige situaties en verloedering van de openbare ruimte. Bewoners ervaren overlast en irritatie door rommel en bijplaatsingen van afval — het neerzetten van vuilnis naast of bij containers zonder toestemming.
Bijplaatsingen zorgen voor vervuilde straten, ongedierte en een negatieve uitstraling van de buurt. Het gaat hierbij niet om illegale dumpingen van bijvoorbeeld drugsafval, die onder een ander beleidsterrein vallen.
Een schone leefomgeving draagt bij aan veiligheid, leefbaarheid en trots op de eigen woonomgeving. Daarom pakken we dit probleem zichtbaar, structureel en in samenwerking met bewoners aan.
We reageren direct op meldingen van afvalstort en zwerfvuil. Waar mogelijk wordt een melding onmiddellijk afgehandeld. Wanneer het aantal meldingen in een gebied stijgt, pakken we dit projectmatig aan: we voeren dan gedurende een bepaalde periode intensieve controles en handhaving uit.
Naast handhaving zetten we ook in op preventie en bewustwording. Dat doen we door:
De afdeling Beheer Openbare Ruimte (BOR/Afval) is verantwoordelijk voor deze campagnes en werkt samen met andere afdelingen aan een structureel schone en veilige leefomgeving.
We geloven dat een schone buurt begint bij een goed voorbeeld van de gemeente zelf — en bij inwoners die weten wat ze kunnen doen.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door het verminderen van zwerfvuil en bijplaatsingen verbeteren we de kwaliteit van de openbare ruimte. Een schone omgeving stimuleert bewoners om zich betrokken te voelen bij hun wijk en bijdraagt aan een prettig, veilig straatbeeld.
Handelen in strijd met de voorschriften carbid schieten
Carbidschieten is een traditie die in onze gemeente leeft, maar het moet wel veilig en verantwoord gebeuren. Schieten zonder vergunning of in strijd met de regels kan leiden tot gevaarlijke situaties, geluidsoverlast en schade aan eigendommen. De regels voor carbidschieten zijn recent aangepast in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Tijdens de jaarwisseling van 2024/2025 zijn enkele overtredingen geconstateerd. Daarom is begin 2025 een nieuwe aanpak voorbereid om de naleving te verbeteren.
We willen het aantal overtredingen van de regels voor carbidschieten met 80% verminderen vóór 2029, door middel van:
We blijven ruimte bieden voor veilig en gereguleerd carbidschieten. Inwoners en verenigingen die carbid willen schieten, nodigen we uit om tijdig een ontheffing aan te vragen. We informeren hen helder over de aanwijzingslocaties, de voorwaarden en de veiligheidsvoorschriften.
Tijdens de jaarwisseling houden we gericht toezicht op locaties waar carbidschieten is toegestaan. Bij overtredingen treden we op, maar we zetten vooral in op voorlichting, veiligheid en naleving - zodat de traditie behouden blijft, zonder risico’s voor omwonenden.
Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie:
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door duidelijke regels en communicatie rondom carbidschieten zorgen we voor veiligheid, leefbaarheid en wederzijds begrip. Zo blijft deze traditie behouden op een manier die past bij een veilige en respectvolle samenleving.
Handelen zonder of in strijd met de exploitatievergunning
Het exploiteren van een bedrijf zonder geldige vergunning kan leiden tot overlast, onveiligheid en oneerlijke concurrentie. Ondernemers die zonder exploitatievergunning werken, onttrekken zich aan toezicht en regels die bedoeld zijn om leefbaarheid en veiligheid in de omgeving te waarborgen.
Daarnaast verzwakt het ontbreken van vergunningen de informatiepositie van de gemeente. Zonder actuele gegevens kunnen we geen Bibob-toets uitvoeren en niet goed beoordelen of er sprake is van integriteitsrisico’s of ondermijnende activiteiten.
Dit maakt effectief toezicht moeilijker en vergroot het risico op onwenselijke of onveilige situaties in de openbare ruimte.
In deze beleidsperiode voeren we een analyse uit van de bestaande exploitatievergunningen en de bijbehorende voorwaarden.
Daarnaast maken we een inventarisatie van klachten en meldingen om inzicht te krijgen in waar overtredingen of onvergunde activiteiten plaatsvinden. Op basis van die analyse ondernemen we gerichte, proactieve acties om bedrijven zonder geldige vergunning aan te spreken of handhavend op te treden. We werken hierbij nauw samen met:
Samen zorgen we dat overtredingen vroegtijdig worden herkend en aangepakt, met als doel een veilige, eerlijke en leefbare omgeving voor inwoners en ondernemers.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door toezicht te versterken en vergunningen te actualiseren, verbeteren we de veiligheid en betrouwbaarheid van ondernemerschap in Midden-Groningen. Zo zorgen we dat bedrijven eerlijk, transparant en verantwoord kunnen ondernemen binnen de regels die voor iedereen gelden.
Handelen zonder of in strijd met de exploitatievergunning seksinrichting
Het exploiteren van een seksinrichting zonder geldige vergunning brengt grote risico’s met zich mee voor veiligheid, leefbaarheid en integriteit. Illegale bedrijven veroorzaken overlast, verstoren de leefomgeving en creëren oneerlijke concurrentie ten opzichte van vergunde ondernemingen.
Daarnaast vergroten onvergunde seksinrichtingen het risico op criminele en ondermijnende activiteiten, zoals uitbuiting en mensenhandel. Deze bedrijven opereren vaak buiten zicht van de overheid, waardoor controle en toezicht moeilijk zijn.
In Midden-Groningen zijn momenteel twee seksinrichtingen met een geldige exploitatievergunning. Er zijn echter signalen van illegale activiteiten, wat vraagt om een gerichte en versterkte aanpak vanuit vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).
Binnen 12 maanden voeren we een volledige analyse uit van alle exploitatievergunningen voor seksinrichtingen. Daarnaast brengen we klachten, meldingen en signalen in kaart. Doel hiervan is om:
We starten met het doorlichten van bestaande exploitatievergunningen en de bijbehorende voorwaarden. Tegelijkertijd maken we een overzicht van klachten, meldingen en signalen om patronen te herkennen. Deze informatie vormt de basis voor gerichte controles en prioritering van toezicht.
Op basis van de analyse ondernemen we proactieve acties richting bedrijven zonder geldige vergunning. We treden handhavend op bij overtredingen door:
Bij aanhoudende of ernstige overtredingen kan het college besluiten tot tijdelijke of permanente sluiting van de inrichting.
We werken intensief samen met onze veiligheidspartners, waaronder:
Deze samenwerking is essentieel om illegale praktijken te signaleren, informatie te delen en snel op te treden.
We implementeren een systeem voor structurele monitoring van alle vergunde bedrijven. Hiermee houden we vergunningen actueel en signaleren we vroegtijdig wanneer een inrichting niet meer aan de voorwaarden voldoet.
Daarnaast voeren we jaarlijkse evaluaties uit van ons vergunningenbeleid en de effectiviteit van handhavingsmaatregelen, zodat we waar nodig kunnen bijsturen en verbeteren.
Bijdrage aan speerpunt 5 omgevingsvisie
Speerpunt 5: Ruimte voor bedrijvigheid en ondernemerschap in balans met de omgeving en arbeidsmarkt.
Door toezicht en handhaving te versterken binnen deze risicovolle branche zorgen we dat ondernemerschap eerlijk en veilig blijft. Zo creëren we ruimte voor bedrijven die binnen de regels opereren, en beschermen we inwoners tegen misstanden en ondermijning.
Overtreden van samenscholingsverbod en ongeregeldheden/gebiedsverboden
Overtreding van samenscholingsverboden en gebiedsverboden kan leiden tot verstoring van de openbare orde, gevoelens van onveiligheid en overlast. In gebieden waar regelmatig samenscholing of onrust voorkomt, kunnen deze instrumenten noodzakelijk zijn om de rust en veiligheid te herstellen.
Steeds meer gemeenten zetten gebiedsverboden in om crimineel of overlastgevend gedrag te beperken. Ook in Midden-Groningen zien we dat dit middel vaker zal worden toegepast. Daarom willen we deze ontwikkeling nauwkeurig volgen, ervaringen verzamelen en tijdig bijsturen waar nodig.
Een overtreding van een gebiedsverbod kan wijzen op onderliggende problemen, zoals onduidelijkheid over de grenzen van het verbod, onvoldoende alternatieven voor de overtreder of gebrekkige naleving door de handhavende partijen.
Een goede uitvoering vraagt daarom om duidelijke communicatie, goede afstemming en consistent toezicht.
Wanneer sprake is van (ernstige) overlast of verstoring van de openbare orde, handhaven wij actief op het naleven van gebieds- en samenscholingsverboden. Ons doel is om:
Een gebiedsverbod kan worden opgelegd aan personen die herhaaldelijk overlast veroorzaken of strafbare feiten plegen in een bepaald gebied. De overtreding van zo’n verbod pakken we direct en zichtbaar aan. Onze aanpak bestaat uit drie onderdelen:
Door deze integrale aanpak bevorderen we begrip, duidelijkheid en naleving, en dragen we bij aan een veilige openbare ruimte voor iedereen.
Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door de naleving van gebiedsverboden te versterken en beter samen te werken met veiligheidspartners zorgen we voor meer rust, veiligheid en vertrouwen in de openbare ruimte. Zo blijft Midden-Groningen een plek waar inwoners zich vrij en veilig kunnen bewegen.
Schenken van alcohol aan minderjarigen/wederverstrekking
Het verstrekken of wederverstrekken van alcohol aan minderjarigen brengt grote risico’s met zich mee voor gezondheid, veiligheid en leefbaarheid. Het kan leiden tot verslavingsproblematiek, overlast en ongewenst gedrag, vooral bij jongeren.
Alcoholverstrekking aan minderjarigen vindt niet alleen plaats in de reguliere horeca, maar ook:
De uitdaging is om een goede balans te vinden tussen het stimuleren van maatschappelijke activiteiten en het voorkomen van schadelijke neveneffecten zoals overmatig drankgebruik of overlast.
Ons doel is om de verstrekking en wederverstrekking van alcohol aan minderjarigen effectief te beperken. Dit doen we door:
Zo bevorderen we gezondheid, naleving en gelijke concurrentievoorwaarden tussen commerciële en niet-commerciële horeca.
1. Verordening voor paracommerciële instellingen
We stellen een verordening op die de alcoholverstrekking binnen paracommerciële instellingen (zoals sport- en buurtverenigingen) reguleert. Deze verordening zorgt dat instellingen zich blijven richten op hun maatschappelijke kernactiviteiten, zoals sport of cultuur, en niet op horeca als hoofdactiviteit.
Door duidelijke regels te stellen - bijvoorbeeld over openingstijden, doelgroepen en soorten evenementen - kunnen we:
De verordening biedt zowel instellingen als de gemeente duidelijkheid over wat wel en niet is toegestaan, waardoor handhaving en naleving eenvoudiger worden.
Gedurende het jaar houden we gericht toezicht op:
We controleren op naleving van de regels uit de Alcoholwet en de gemeentelijke verordening. Bij overtredingen volgen we een stapsgewijze aanpak: van waarschuwing tot sanctie.
Daarnaast werken we samen met partners in het preventienetwerk om jongeren en ouders bewust te maken van de gevaren van alcoholgebruik onder de 18.
Bijdrage aan speerpunt uit de Omgevingsvisie
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door alcoholgebruik onder jongeren te beperken en handhaving te versterken, dragen we bij aan een gezonde, veilige en sociale leefomgeving.
We stimuleren verantwoord gedrag binnen verenigingen en horeca, en beschermen jongeren tegen de negatieve gevolgen van te vroeg alcoholgebruik.
Het niet (tijdig/ te laat) melden en/ of handelen in strijd met een evenementenvergunning
Evenementen dragen bij aan levendigheid, ontmoeting en plezier in Midden-Groningen. Maar wanneer een melding of vergunningaanvraag te laat wordt ingediend, ontstaat onvoldoende voorbereidingstijd voor toetsing op openbare orde, veiligheid en hulpdiensten. Dit kan leiden tot risico’s voor bezoekers, overlast voor omwonenden en druk op de organisatie.
Door het groeiende aantal evenementen in onze gemeente neemt ook de complexiteit van vergunningverlening en toezicht toe. Een goede balans tussen ruimte voor initiatieven en zorgvuldige voorbereiding is daarom essentieel.
De gemeente wil dat alle evenementen veilig, goed georganiseerd en naleefbaar verlopen. Daarom streven we ernaar dat:
Ons uiteindelijke doel is een prettige en veilige evenementenpraktijk, die bijdraagt aan de kwaliteit van leven in onze gemeente.
1. Uitvoering van het evenementenbeleid
We voeren het beleid uit volgens de gemeentelijke evenementenregeling en toezichtstrategie. Hierbij hanteren we duidelijke richtlijnen voor:
Het beleid biedt meer flexibiliteit door de introductie van meerjarige vergunningen voor terugkerende evenementen. Tegelijkertijd voeren we strenger toezicht uit op naleving, om risico’s te beperken en de veiligheid te vergroten.
Bij overtredingen - zoals het niet melden of te laat aanvragen van een evenement, of het handelen zonder vergunning - treden we proactief en consequent op. We werken hierbij samen met:
Deze samenwerking zorgt dat evenementen veilig kunnen plaatsvinden, met aandacht voor crowd control, verkeersveiligheid en noodhulp.
Het evenementenbeleid wordt in de tweede helft van 2025 geëvalueerd. Daarbij bekijken we:
Bijdrage aan speerpunt 1 omgevingsvisie:
Speerpunt 1: Een veilige en gezonde woon- en leefomgeving die uitnodigt tot bewegen en ontmoeten.
Door evenementen goed te reguleren en tijdig te toetsen dragen we bij aan een veilige, levendige en gastvrije gemeente. Zo blijven evenementen een positieve bijdrage leveren aan ontmoeting, verbinding en trots in Midden-Groningen.
In dit hoofdstuk beschrijven we de strategieën en werkwijzen die de gemeente Midden-Groningen hanteert bij de uitvoering van haar vergunningverlening-, toezicht- en handhavingstaken (VTH).
De prioriteiten en doelstellingen uit hoofdstuk 4 worden hierin vertaald naar concrete uitvoeringsstrategieën, waarmee we onze doelen realiseren.
De wettelijke grondslagen voor deze strategieën zijn vastgelegd in artikelen 13.6 en 13.7 van het Omgevingsbesluit.
Veranderingen door de Omgevingswet
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is de manier waarop we vergunningen verlenen, toezicht houden en handhaven ingrijpend veranderd. De wet legt de nadruk op samenwerking, participatie en snellere besluitvorming. Belangrijkste veranderingen:
Door deze nieuwe werkwijze kunnen we sneller, transparanter en samenhangender handelen, in lijn met de uitgangspunten van de wet.
Werkwijze en opbouw van de strategieën
De manier waarop we onze doelen bereiken en risicogericht werken is uitgewerkt in de uitvoeringstrategieën. Deze strategieën zijn gebaseerd op landelijke en regionale kaders en aangevuld met gemeentelijke uitgangspunten die aansluiten op de lokale situatie in Midden-Groningen. De strategieën zorgen ervoor dat:
De samenhang tussen de verschillende strategieën binnen de U&HS is hieronder weergegeven. Deze zijn uitgebreid beschreven in Bijlage 4: Strategieën.
Daarnaast is er voor de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) een afzonderlijk beleid opgesteld, waarin specifieke afspraken zijn opgenomen over toezicht, verantwoordelijkheden en kwaliteitsbewaking bij bouwprojecten.
De strategieën vullen elkaar aan:
Door deze strategieën in samenhang toe te passen ontstaat een sluitende beleidscyclus waarin we plannen, uitvoeren, evalueren en verbeteren.
De uitvoeringsstrategie beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen omgaat met vergunningverlening, meldingen en toezicht binnen het omgevingsrecht. De strategie biedt inzicht in:
Met het vastleggen van deze strategie voldoen we aan de verplichtingen uit het Omgevingsbesluit (artikelen 13.6 en 13.7). Onder uitvoering verstaan wij: “Het behandelen van vergunningaanvragen en meldingen, én het houden van toezicht op het naleven van de verleende vergunningen of meldingen.”
Onderdelen van de uitvoeringsstrategie
Onze uitvoeringsstrategie bestaat uit drie samenhangende onderdelen:
Daarnaast stimuleren we naleving door duidelijke communicatie, begeleiding en samenwerking.
Ons uitgangspunt bij toetsen en controleren is: “Wat we buiten bij toezicht belangrijk vinden, vinden we binnen bij toetsing ook belangrijk.”
Succesvolle instrumenten zoals het omgevingsoverleg en de regionale omgevingstafel zetten we voort en willen we verder versterken.
Basiswerkwijze vergunningverlening
De gemeente zorgt als bevoegd gezag dat het proces van vergunningverlening zorgvuldig, transparant en geborgd verloopt. Het werkproces is vastgelegd in interne procesbeschrijvingen en uitgevoerd in het digitale systeem Rx.Mission, waarin alle stappen van aanvraag tot besluit systematisch worden doorlopen. De basiswerkwijze bestaat uit:
Hiermee borgen we kwaliteit, uniformiteit en een voorspelbare dienstverlening.
Centrale rol van de casemanager / vergunningverlener
In onze uitvoeringsstrategie speelt de vergunningverlener (casemanager) een centrale rol. Hij of zij zorgt voor een integrale behandeling van aanvragen en een transparant proces. Casemanagement draagt bij aan:
Een goed casemanagement zorgt voor besluitvorming op maat, passend bij de omgeving en de belangen van inwoners en ondernemers. De komende jaren richten we het voortraject sterker in op vroegtijdige afstemming met initiatiefnemers. Zo kunnen we samen werken aan volledige, vergunbare aanvragen en een snellere formele afhandeling.
Casemanagement passen we toe in zowel het informele als het formele traject; de verdere invulling hiervan werken we de komende periode uit.
Samenwerking met andere bevoegde gezagen
Bij sommige omgevingsvergunningen delen we de verantwoordelijkheid met andere bevoegde gezagen, zoals de provincie of het waterschap. Onze rol verschilt per casus:
Deze samenwerking zorgt voor integrale besluitvorming en sluit aan bij de uitgangspunten van de Omgevingswet: één overheid, één loket.
De nalevingsstrategie beschrijft hoe de gemeente Midden-Groningen naleving van wet- en regelgeving stimuleert en afdwingt. De strategie bestaat uit drie onderdelen, die samen zorgen voor een evenwichtige aanpak:
Waar de gemeente regels stelt, hoort ook een duidelijke interventiestrategie bij om naleving te bevorderen. Deze interventies variëren van voorlichting en advies tot handhaving en sancties.
Naleving begint met duidelijke communicatie. Inwoners en ondernemers moeten weten welke regels gelden en wat de gevolgen zijn van niet-naleving. Via onze communicatiestrategie vergroten we kennis en bewustzijn door:
Communicatie is daarmee de eerste stap in preventie: het voorkomt dat overtredingen ontstaan door onwetendheid.
Preventie alleen is niet voldoende. Om te kunnen vaststellen of regels worden nageleefd, is toezicht onmisbaar. Onze toezichthouders voeren verschillende vormen van controle uit:
Deze werkzaamheden zijn verder uitgewerkt in de toezichtstrategie (zie bijlage 4). Het toezicht is risicogericht: we richten onze capaciteit op locaties en situaties waar de kans op overtreding het grootst is of de gevolgen het zwaarst wegen.
Wanneer een overtreding wordt vastgesteld die niet kan of mag worden gelegaliseerd, treden we handhavend op. We doen dit efficiënt, proportioneel en in lijn met de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). De LHSO vormt het uitgangspunt voor prioritering en optreden. Deze landelijke leidraad zorgt dat:
Conform de LHSO kiezen we voor een maatregel die het snelst en het meest doelmatig leidt tot beëindiging van de overtreding. De aard van de sanctie hangt af van:
Met het vaststellen van deze U&HS stelt de gemeente ook de LHSO formeel vast. De bijbehorende leidraad waarborgt de juiste toepassing in de dagelijkse praktijk.
De Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is op 1 januari 2024 in werking getreden. De invoering vindt stapsgewijs plaats. Tot en met 2028 geldt de wet uitsluitend voor nieuwbouw van eenvoudige bouwwerken (gevolgklasse 1), zoals:
In latere jaren wordt de Wkb ook van toepassing op andere bouwcategorieën en verbouwingen. Zo krijgen bouwbedrijven, kwaliteitsborgers en gemeenten de kans om geleidelijk ervaring op te doen met het nieuwe toezichtstelsel in de bouw.
Het Wkb-beleid van de gemeente Midden-Groningen beschrijft hoe wij invulling geven aan ons toezicht en handhaving onder de nieuwe wet. De kern van dit beleid is dat we werken met een risicogerichte en/of steekproefsgewijze toetsing bij bouwmeldingen binnen gevolgklasse 1. Het beleid geeft antwoord op drie vragen:
De Wkb legt meer verantwoordelijkheid bij de marktpartijen — zoals bouwbedrijven en kwaliteitsborgers — voor de bouwkwaliteit. De gemeente blijft echter verantwoordelijk voor:
De wetgever heeft gemeenten ruimte gegeven om zelf te bepalen wanneer en in welke situaties handhavend wordt opgetreden. ezien de beschikbare capaciteit en de gewenste balans tussen vertrouwen en controle, kiest Midden-Groningen voor een gerichte, risicogestuurde aanpak.
Prioritering in toezicht en handhaving
Op basis van onze risicoanalyse geven wij prioriteit aan handhaving bij:
Deze twee thema’s raken direct aan de veiligheid van inwoners en gebruikers en vormen daarom de kern van onze toezichtstrategie. Waar mogelijk zetten we in op preventie, samenwerking met kwaliteitsborgers en actieve communicatie met initiatiefnemers en aannemers.
De gemeente hanteert bij het uitvoeren van het Wkb-beleid de landelijke handreiking van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG): “Toezicht en handhaving Wkb – Handelingsperspectieven voor gemeenten” (versie 2, januari 2024). Deze handreiking biedt praktische richtlijnen voor:
De uitwerking van het Wkb-beleid en de bijbehorende handelingskaders zijn opgenomen in Bijlage 5 van dit document.
Volgens artikel 13.9 van het Omgevingsbesluit moet de gemeente haar uitvoeringsorganisatie zo inrichten dat deze voldoet aan bepaalde kwaliteitseisen. In dit hoofdstuk beschrijven we hoe de gemeente Midden-Groningen invulling geeft aan deze eisen, welke middelen daarvoor nodig zijn en hoe we de kwaliteit van uitvoering, dienstverlening en financiën borgen.
Om onze uitvoerings- en handhavingstaken (U&H) goed uit te voeren, zijn voldoende financiële, personele en organisatorische middelen nodig. De eisen aan de kwaliteit van de uitvoering zijn vastgelegd in de Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2019. Deze verordening geeft uitvoering aan de wettelijke opdracht uit het Omgevingsbesluit om regels te stellen aan de kwaliteit van de uitvoering. Daarmee is het minimumniveau van kwaliteit voor VTH-taken vastgelegd.
De gemeente is verplicht te voldoen aan de Kwaliteitscriteria 3.0 (en eventuele opvolgers) en werkt deze uit via drie kwaliteitsdoelstellingen:
Met deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) geven we hieraan invulling.
1. Uitvoeringskwaliteit van diensten en producten
De uitvoeringskwaliteit gaat over de mate waarin onze vergunningverlening, toezicht en handhaving voldoen aan wettelijke en bestuurlijke doelen en bijdragen aan de omgevingskwaliteit.
Dienstverlening gaat over de manier waarop de gemeente communiceert, samenwerkt en service verleent aan inwoners, ondernemers en andere belanghebbenden. We werken vanuit de kernwaarden vertrouwen, verantwoordelijkheid en vrijheid.
Financiën gaan over de inzet van middelen in verhouding tot de kwaliteit van producten en diensten.
Door deze kwaliteitsdoelstellingen te combineren, waarborgen we een professionele, betrouwbare en transparante uitvoering van onze taken. We blijven werken aan een organisatie die:
Deze borging wordt jaarlijks geëvalueerd in het Evaluatieverslag Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving, waarin resultaten, verbeterpunten en nieuwe acties worden opgenomen.
Om onze uitvoerings- en handhavingstaken (U&H) goed uit te voeren, moet de organisatie voldoen aan een aantal organisatorische en kwaliteitsvereisten. Deze eisen zijn vastgelegd in het Omgevingsbesluit en nader uitgewerkt in onze Verordening kwaliteit vergunningverlening, toezicht en handhaving omgevingsrecht 2019. Hieronder beschrijven we hoe de gemeente Midden-Groningen invulling geeft aan deze vereisten.
Bij de uitvoering van vergunningverlening en toezicht is sprake van een duidelijke taakscheiding. Het verlenen van omgevingsvergunningen en het toezicht op de naleving daarvan worden uitgevoerd door verschillende medewerkers. Zo voorkomen we dat vergunningverleners toezicht houden op vergunningen waarvan zij zelf de voorschriften hebben opgesteld.
Deze scheiding waarborgt objectiviteit, integriteit en onafhankelijkheid in de uitvoering.
2. Bereikbaarheid en beschikbaarheid
De gemeentelijke organisatie en de uitvoeringsdiensten zijn ook buiten kantooruren bereikbaar en inzetbaar voor toezicht, handhaving en calamiteiten.
Deze structuur zorgt dat we snel en adequaat kunnen handelen bij acute situaties of meldingen.
Voor de aanpak van rampen, crises en grote incidenten beschikt de gemeente over een crisisplan, dat is afgestemd op het regionaal crisisplan van de Veiligheidsregio Groningen (VRG). Hierin zijn de verantwoordelijkheden, communicatielijnen en inzetprocedures vastgelegd.
Bij grootschalige incidenten werken we nauw samen met de VRG en andere veiligheidspartners, zodat er altijd sprake is van een coördinerende, eenduidige aanpak.
4. Werkprocessen, procedures en informatievoorziening
Onze werkprocessen en procedures zijn vastgelegd, geborgd en geïntegreerd in de VTH-applicatie (Rx.Mission). Deze digitale omgeving ondersteunt:
Door het gebruik van deze applicatie zorgen we voor uniforme procesvoering, transparantie en actuele informatievoorziening binnen alle VTH-domeinen.
De kwaliteit van onze uitvoering staat of valt met de kennis en deskundigheid van onze medewerkers. In de Kwaliteitscriteria 3.0 is vastgelegd welke kennis, vaardigheden en competenties onze VTH-medewerkers moeten bezitten. Om dit te borgen:
Zo investeren we continu in een professionele, vakbekwame organisatie die de kwaliteit van uitvoering kan blijven garanderen.
Met deze organisatorische maatregelen zorgen we dat de gemeente Midden-Groningen beschikt over een robuuste en wendbare uitvoeringsorganisatie. Een organisatie die:
Zo borgen we de kwaliteit van uitvoering en blijven we voldoen aan de wettelijke eisen uit het Omgevingsbesluit.
Samenwerking als basis voor uitvoering
De VTH-processen (Vergunningverlening, Toezicht en Handhaving) staan nooit op zichzelf. Om vergunningen te kunnen verlenen, toezicht te houden en overtredingen op te lossen — via handhaving of gedragsbeïnvloeding - is structurele samenwerking essentieel. Deze samenwerking vindt plaats zowel intern binnen de gemeentelijke organisatie, als extern met onze ketenpartners in de regio.
Alle betrokken partijen werken samen aan één doel: een veilige, gezonde en goed functionerende leefomgeving.
Een eenduidige en uniforme aanpak richting inwoners en bedrijven vraagt om goede communicatie en afstemming. Daarom stemmen we intern af tussen:
Deze afstemming zorgt dat besluiten consistent zijn en dat inwoners één duidelijke lijn ervaren in beleid, uitvoering en communicatie. Extern werken we intensief samen met onze regionale en landelijke partners, waaronder:
Door kennis, informatie en ervaring te delen, benutten we elkaars deskundigheid en capaciteit. Deze samenwerking is cruciaal om binnen de wettelijke termijnen (zoals de acht weken voor vergunningverlening) te blijven en te komen tot integraal, zorgvuldig beleid en uitvoering.
De momenten van afstemming en de wijze van samenwerken zijn vastgelegd in werkprocessen, instructies en afspraken. Deze zijn digitaal toegankelijk voor alle betrokken medewerkers en ketenpartners. Hierin is ook opgenomen:
Zo zorgen we voor transparantie, voorspelbaarheid en continuïteit in de samenwerking.
Binnen het regionale Omgevingswet-programma Groningen zijn afspraken gemaakt over:
Hiermee werken alle betrokken overheden volgens dezelfde uitgangspunten en ontstaat er een heldere, gezamenlijke VTH-keten in de regio. Deze afspraken zijn vastgelegd in regionale convenanten en werkafspraken, die onderdeel zijn van onze digitale samenwerkingsomgeving.
Bij vergunningverlening laat het college zich adviseren door de Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Midden-Groningen. Deze commissie beoordeelt aanvragen op ruimtelijke kwaliteit, erfgoed, architectuur en inpassing in de omgeving.
Bij overtredingen of afwijkingen van de voorschriften wordt - conform beleid - handhavend opgetreden.
Een goede samenwerking met ketenpartners is essentieel voor een effectieve en betrouwbare uitvoering van de U&H-taken. In de bijlagebundel zijn de afspraken met ketenpartners nader uitgewerkt. De onderdelen van de U&HS die betrekking hebben op strafrechtelijke handhaving stemmen we op operationeel niveau af met de politie en het Openbaar Ministerie.
Daarnaast werken we structureel samen met de ODG, VRG, GGD en woningcorporaties om signalen te delen, informatie te bundelen en gezamenlijk op te treden.
In de U&HS zijn onze doelen, prioriteiten en strategieën vastgelegd. Om te weten of we deze doelen behalen, stellen we onszelf elk jaar de volgende vragen:
Door deze vragen systematisch te beantwoorden, houden we inzicht in de voortgang en kunnen we tijdig bijsturen.
De voortgang en resultaten worden jaarlijks vastgelegd in de VTH-evaluatierapportage. Deze rapportage:
Zo leggen we verantwoording af over onze uitvoering aan bestuur, inwoners en provincie.
Wanneer uit de evaluatie blijkt dat doelstellingen niet zijn gehaald, worden verbetermaatregelen voorgesteld. Deze maatregelen worden opgenomen in de eerstvolgende evaluatierapportage en indien nodig verwerkt in een tussentijdse wijziging van de U&HS.
Zo werken we volgens de BIG-8 beleidscyclus: plannen – uitvoeren – evalueren – bijstellen.
Kwaliteitscriteria en kritieke massa
De U&HS vormt het kader voor de kwaliteit van uitvoering en handhaving. Onderdeel hiervan zijn de kwaliteitscriteria voor capaciteit, deskundigheid en organisatie. Vanaf 1 januari 2025 gelden de Kwaliteitscriteria 3.0, die eisen stellen aan:
Door jaarlijks te evalueren of we voldoen aan deze criteria, weten we waar verbeteringen nodig zijn en kunnen we gericht actie ondernemen. De resultaten hiervan worden opgenomen in de VTH-kwaliteitsmeting.
Wanneer we (tijdelijk) niet aan een criterium voldoen, motiveren we dit in het rapport en geven we aan welke stappen we ondernemen om dit te herstellen.
Met deze werkwijze waarborgen we:
Zo zorgen we dat onze uitvoering voldoet aan de kwaliteitscriteria, aansluit bij de verwachtingen van inwoners en bestuur, en bijdraagt aan een veilige en leefbare gemeente Midden-Groningen.
Bijlage 1 Toelichting BIG-8 beleidscyclus
De regels in het Omgevingsbesluit vormen de wettelijke implementatie van de BIG-8-beleidscyclus. Deze cyclus bestaat uit acht samenhangende stappen (waarvan zeven zichtbaar in het proces en één overkoepelend in planning & control) die zorgen voor een continue verbetering van beleid, uitvoering en handhaving.
De toepassing van de BIG-8 zorgt ervoor dat ook de Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) jaarlijks wordt geëvalueerd en – waar nodig – wordt aangepast op basis van nieuwe inzichten, beleidsontwikkelingen en organisatorische veranderingen.
De beleidscyclus onder de Omgevingswet
Naast de BIG-8 is onder de Omgevingswet een tweede, meer strategische beleidscyclus geïntroduceerd. Deze cyclus volgt het Plan–Do–Check–Act-principe en biedt een gestructureerde manier om de instrumenten van de wet op elkaar af te stemmen. De cyclus bestaat uit vier kwadranten:
Dit is de fase van visievorming en beleidsopbouw. Hier wordt bepaald wat de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving is en hoe deze wordt vastgelegd, bijvoorbeeld in de Omgevingsvisie. Input uit de terugkoppeling (onder andere vanuit VTH) is in deze fase essentieel.
In dit kwadrant worden de beleidsdoelen juridisch en operationeel verankerd in Omgevingsplannen, Omgevingswaarden en Programma’s. Dit vormt de basis voor toetsing en uitvoering.
Hier gaat het om het uitvoeren van activiteiten die binnen de fysieke leefomgeving plaatsvinden. Denk aan vergunningverlening, meldingen en toezicht. Regels uit het omgevingsplan worden hier toegepast in de praktijk.
Dit kwadrant richt zich op vergunningverlening, toezicht en handhaving om naleving van regels te waarborgen. Via monitoring en evaluatie wordt bekeken of de maatregelen effectief zijn en of bijsturing in beleid nodig is.
Figuur 2 Beleidscyclus Omgevingswet
Rol van VTH binnen de beleidscyclus
De VTH-taken komen in beide cycli terug in de kwadranten Uitvoering en Terugkoppeling. In deze U&HS is vastgelegd dat de gemeente Midden-Groningen werkt met een uniforme beleidscyclus, zodat beleid en uitvoering elkaar voortdurend versterken. Dat betekent:
Zo vormt de BIG-8 samen met de beleidscyclus van de Omgevingswet een gesloten kwaliteitskringloop: van beleid naar uitvoering, en van uitvoering terug naar beleid.
Deze werkwijze zorgt voor een lerende organisatie, waarin beleid, uitvoering en toezicht elkaar versterken en de kwaliteit van de leefomgeving continu verbetert.
Bijlage 2 Intentieverklaring samenwerking NCG en VTH drieslag 3.0
Nationaal Coördinator Groningen
Intentieverklaring samenwerking NCG en aardbevingsgemeenten in de provincie Groningen in het kader van VTH Drieslag 3.0
De versterkingsoperatie in het aardbevingsgebied heeft tot doel om, in het belang van de veiligheid van de bewoners, zo snel mogelijk panden in het gebied aan de vigerende veiligheidsnormen te laten voldoen. Naast snelheid in voorbereiding en uitvoering is zorgvuldigheid in de uitvoering in het belang van de bewoner/eigenaar. Daar horen heldere afspraken, goed doordachte plannen en betrouwbare procesafspraken bij. Zowel tussen de Nationaal Coôrdinator Groningen (NCG) en de bewoner/eigenaar, als ook tussen de NCG en gemeenten in het gebied. Gemeenten zowel vanuit hun positie als opdrachtgevers van de versterkingsoperatie alsook vanuit hun rol als bevoegd gezag met betrekking tot, vergunningen, toezicht en handhaving (VTH). Immers een belangrijke randvoorwaarde is dat versterkingsprojecten moeten voldoen aan vigerende wet- en regelgeving.
Afhankelijk van de te nemen versterkingsmaatregelen dienen de nodige vergunningen en toestemmingen tijdig te worden verleend dan wel te worden verkregen. Middels deze intentieverklaring spreken de gemeenten Groningen, Midden-Groningen, Eemsdelta i.o., Het Hogeland, Oldambt en de NCG nadrukkelijk uit te willen streven naar een vlot, efficiënt en eenduidig proces van vergunningverlening voor versterkingsprojecten. Dit moet plaatsvinden in nauwe samenwerking en afstemming tussen NCG en de vijf gaswinningsgemeenten, ieder vanuit zijn eigen wettelijke taak en verantwoordelijkheid en moet passen binnen het Vigerend beleid en de recent of reeds eerder gemaakte bestuursafspraken. Deze samenwerking en afstemming vinden bij voorkeur plaats in de Regiekamer 'v'TH Drieslag.
In 2016 zijn de aardbevingsgemeenten samen met het Centrum Veilig Wonen (CVW) als uitvoerende partij, een samenwerking onder de vlag van VTH Drieslag aangegaan. Met de inrichting van de NCG als publieke uitvoerder van de versterkingsoperatie, de gemeentelijke herindelingen in het gebied en het opheffen van de gezamenlijk werkorganisatie WO Deal eind dit jaar, was het initiatief VTH Drieslag aan herijking toe. Dit heeft geleid tot een nieuwe opzet genaamd VTH Drieslag 3.0 waarin de Vijf genoemde aardbevingsgemeenten blijven werken aan een gezamenlijke en uniforme aanpak van het vergunningenproces. Deze samenwerking is door de gemeenten inmiddels op 17 december 2020 bekrachtigd in de overeenkomst "kwaliteitsborging bouwplannen in de versterkingsoperatie" . Hierin is het uitgangspunt dat voor een snelle en adequate afhandeling van de versterkingsoperatie vergunningverlening, toezicht en handhaving een volwaardige plaats moeten krijgen in het proces en dat men dat in gezamenlijkheid vorm wil geven via vrrH Drieslag 3.0. De NCG heeft als publieke opdrachtnemer van de versterkingsoperatie veel belang bij een vlotte en eenduidige afhandeling van vergunningenprocedures en wil daarom de opzet en doelstelling van WH Drieslag 3.0 van harte ondersteunen en in samenwerking daar ook actief aan bijdragen.
In deze intentieovereenkomst worden een aantal punten nader uitgewerkt waarmee de gewenste samenwerking tussen gemeenten en NCG in WH Drieslag 3.0 praktisch wordt ingevuld:
Uitgangspunt is dat we er naar streven zoveel mogelijk vragen en problemen aan de 'voorkant' van het proces op te lossen. We weten wat we van en aan elkaar vragen en verwachten. NCG spant zich in om de vergunningaanvragen helder en adequaat onderbouwd, eenduidig en van kwalitatief voldoende niveau in te (laten) dienen. Gemeenten hebben hun vergunningenprocedüres zoveel mogelijk onderling afgestemd, hanteren waar mogelijk een uniform toetskader en zijn proactief als er eventueel aanvullende informatie nodig is;
NCG neemt, als uitvoeringsorganisatie van de versterkingsoperatie, deel aan de in VTH Drieslag 3.0 voorziene Regiekamer. In deze kamer worden op ambtelijk niveau met de VTH-regisseurs aan de voorkant problemen/vraagstukken opgelost en vragen beantwoord op het gebied van VTH. We zien het als wederzijdse verantwoordelijkheid om een passende bijdrage aan de voorziene Regiekamer te leveren;
In het licht van de Wet Kwaliteitsborging (Wkb, per 01-01-2022 nationaal doorgevoerd) werken we gedurende 2021 gezamenlijk aan het ontwikkelen van een vorm van private/onafhankelijke kwaliteitsborging, reeds in de geest van de Wkb. Primair is dit bedoeld als versnellingsmechanisme in de vergunningenprocedures. Dit wel vanuit het besef dat dit altijd een ontwikkelpad is, waarin geleidelijk en in afstemming met alle partijen, stappen richting de invoering van de Wkb kunnen worden gemaakt;
Gelet op bovenstaande is er in 2021 ook blijvende aandacht voor de afhandeling binnen het reguliere proces nodig. Ook daar zorgen we voor wederzijdse aandacht voor mogelijke versnelling van de afhandeling van vergunningaanvragen. Ervaringen die de afgelopen jaren zijn opgedaan worden volop ingezet om ook in het reguliere aanvraagproces te komen tot een vlotte en adequate vergunningverlening;
Waar de Wkb ziet op de bouwkundige kwaliteit van het werk in het kader van het bouwbesluit 2012, zijn er ook de omgevingsaspecten waaraan bouwprojecten moeten worden getoetst. De samenwerking is er op gericht ook op dit punt te komen tot een meer uniforme wijze van boordelen van projecten en het bespreken van mogelijk knelpunten. In dat kader gaat er speciale aandacht uit naar Tijdelijke Huisvesting (THV);
De toepassing van private kwaliteitsborging leidt naar verwachting tot kostenbesparingen aan de zijde van NCG en betrokken gemeenten. We zullen onderzoeken hoe, in het kader van VTH Drieslag, dit beeld en deze verwachting kunnen worden vertaald in de legesverordening en de daarin opgenomen tarieven.
Op dit moment ligt de Tijdelijke Wet Groningen-Versterken voor ter goedkeuring in het parlement. In deze wet is een coördinatie plicht voor alle vergunningen en toestemmingen c.a. opgenomen die bij de NCG komt te liggen. Vooruitlopend op de invoering van deze wet verkennen partijen met elkaar in de Regiekamer Drieslag hoe deze verplichting vorm gegeven kan worden binnen de onderlinge samenwerking.
Deze intentieverklaring omvat geen uitputtende opsomming van wederzijdse verplichtingen maar onderdelen waarop we elkaar vanuit de samenwerking in de structuur VTH Drieslag 3.0 willen vinden c.q. waar we deze verder willen uitbouwen. Transparantie en vertrouwen zijn daarbij belangrijk. Dit alles vanuit een gedeeld perspectief, zijnde een vlot, voorspelbaar en kwalitatief adequaat proces van vergunningverlening.
Aldus opgemaakt en ondertekend in Hoogezand-Sappemeer op 17 december 2020.
Bijlage 3A Handleiding risicomethodiek
Deze bijlage beschrijft de kwalitatieve risicomethodiek die de gemeente Midden-Groningen gebruikt om een integrale, probleemgestuurde risicoanalyse uit te voeren. De methode is deels gebaseerd op het DBC-risicomodel1 en vormt de basis voor de prioritering binnen het integrale programma voor vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH).
Een strategie opstellen betekent keuzes maken: er is nooit voldoende capaciteit om alle taken volledig uit te voeren. Het stellen van prioriteiten helpt te bepalen welke overtredingen of probleemsoorten het grootste risico vormen en waar het meeste toezicht nodig is.
De risicoanalyse – na vaststelling door het bestuur – biedt inzicht in de benodigde inzet van menskracht en middelen, op basis van:
Het doel van deze handleiding is om via één uniforme werkwijze de uitvoering van vergunningverlening, toezicht en handhaving te ondersteunen. Ook de wetgeving streeft naar meer uniformiteit: steeds meer lokale regels worden landelijk afgestemd. De Omgevingswet voorziet daarom in één geïntegreerde aanpak voor uitvoering, toezicht en handhaving.
In deze handleiding wordt uitgelegd hoe het probleemgestuurde, kwalitatieve risicomodel werkt en welke resultaten dit oplevert. De volgende onderdelen komen aan bod:
Uitgangspunten van het risicomodel
Bij het gebruik van het risicomodel moeten soms bewuste keuzes worden gemaakt over de manier waarop bepaalde onderdelen worden toegepast of afgebakend. Deze keuzes zijn vastgelegd in onderstaande tabel. De uitgangspunten zorgen ervoor dat de risicoanalyse op een eenduidige en transparante manier wordt uitgevoerd.
Vastleggen van definities risicoafweging
Voor een goede risicoafweging moeten eerst de gebruikte variabelen worden gedefinieerd. Het gaat om de beoordelingscriteria, de scores (van 1 tot en met 3) en de uiteindelijke risicoscore die bepaalt hoe hoog een probleem of overtreding wordt geprioriteerd. De onderstaande definities sluiten grotendeels aan bij algemeen gebruikte risicomodellen. De risicoafweging wordt uitgevoerd op basis van zes beoordelingsaspecten:
Doel: beoordelen in hoeverre een mogelijke calamiteit lichamelijk letsel kan veroorzaken.
Het gaat om direct lichamelijk letsel als gevolg van een verstoring of calamiteit, bijvoorbeeld instortingsgevaar, brand of ongevallen bij evenementen. Hierbij willen we het risico op acute incidenten met letsel of dodelijke afloop zo klein mogelijk houden. (Asbest of straling valt onder het aspect Gezondheid.)
Doel: beoordelen in welke mate een activiteit of calamiteit invloed heeft op de gezondheid van mensen.
Het gaat hier om gezondheidsrisico’s die kunnen ontstaan door bijvoorbeeld een slechte luchtkwaliteit, vervuild water, gebrekkige ventilatie in gebouwen of langdurige blootstelling aan gevaarlijke stoffen of situaties. Ook geluidsoverlast, geurhinder of stress kunnen op langere termijn een negatief effect hebben op de gezondheid.
We kijken daarbij niet alleen naar directe gezondheidsproblemen, maar ook naar langdurige of blijvende effecten die kunnen ontstaan wanneer regels niet worden nageleefd.
Doel: beoordelen in welke mate een activiteit of overtreding invloed heeft op het gebruik van grondstoffen, energie en natuur, en op de manier waarop er met afval en milieu wordt omgegaan.
Duurzaamheid gaat over het zuinig omgaan met onze natuurlijke hulpbronnen en het beschermen van de leefomgeving voor toekomstige generaties.
We kijken naar verspilling van energie en grondstoffen, naar afvalproductie en afvalscheiding, en naar de effecten op natuur, landschap en cultureel erfgoed. Ook het naleven van regels uit de Groene wetgeving en de Erfgoedwet hoort hierbij.
Voorbeelden zijn: onnodig energieverbruik, het gebruik van vervuilende bouwmaterialen, slecht afvalbeheer of sloop van cultuurhistorisch waardevolle gebouwen zonder vergunning.
4. Bedreiging milieu en leefbaarheid
Doel: bepalen in hoeverre een activiteit de kwaliteit en beleving van de leefomgeving aantast.
Het gaat om alle vormen van overlast of vervuiling die een negatieve invloed hebben op het woon- en leefklimaat. Denk aan geluid, trillingen, stank, bodem- of luchtverontreiniging, verpauperde panden, verrommeling of aantasting van het straatbeeld.
Leefbaarheid gaat niet alleen over fysieke kwaliteit, maar ook over hoe veilig en prettig mensen zich voelen in hun omgeving. Ook als de normen niet worden overschreden, kan hinder leiden tot stress, verminderde gezondheid en afname van woongenot.
Doel: bepalen wat de mogelijke financiële gevolgen zijn van een calamiteit of overtreding voor de gemeente, de provincie of de lokale economie.
Het gaat om kosten of schade die de gemeente of provincie zelf moet dragen, bijvoorbeeld door noodmaatregelen, herstel, of verlies aan inkomsten. Ook indirecte schade, zoals verlies aan werkgelegenheid of economische terugval, valt hieronder. Voorbeelden hiervan zijn:
Doel: beoordelen in welke mate een incident, overtreding of illegale situatie schade toebrengt aan het vertrouwen van inwoners in het gemeentebestuur. Bestuurlijke imagoschade gaat over de gevolgen voor de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de gemeente.
Wanneer inwoners of bedrijven het gevoel krijgen dat de gemeente haar taken niet goed uitvoert of nalatig is, kan dit leiden tot klachten, onrust of negatieve media-aandacht.
Voorbeelden hiervan zijn georganiseerde buurtprotesten, mediacampagnes, open brieven of langdurige juridische procedures. Deze situaties kunnen leiden tot gezichtsverlies of een gevoel dat de gemeente haar zaken niet op orde heeft.
Toepassen en invullen van de risicomatrix
De risicomatrix laat zien hoe groot het risico is dat een bepaald probleem of een overtreding oplevert. Daarvoor geven we per aspect een score van 1 tot en met 3, waarbij 1 staat voor een gering risico en 3 voor een groot risico.
De risico’s van de verschillende overtredingen of problemen worden beoordeeld op zes beoordelingsaspecten:
Voor elk aspect wordt beoordeeld hoe groot het negatieve effect is. Deze scores vormen samen de effectscore.
Naast het effect beoordelen we ook het naleefgedrag: de kans dat de regels wel of niet worden nageleefd. In het model wordt dit weergegeven op dezelfde 3-puntsschaal.
De naleefscore geeft dus weer hoe groot de kans is dat het probleem zich voordoet of dat de regels worden overtreden.
Voorbeeld van een risicomatrix
Hieronder staat een fictief voorbeeld van een risicoanalyse binnen het domein Ruimtelijke Ordening. De genoemde problemen en scores zijn illustratief en niet direct van toepassing op de situatie in de gemeente Midden-Groningen.
In de eerste kolom staan de overtredingen of probleemsoorten. De kolommen 2 tot en met 7 tonen de scores voor de zes beoordelingsaspecten. De kleuren in de matrix laten zien hoe groot het risico is:
De laatste kolom geeft de totale effectscore aan, en in een aparte kolom wordt het naleefniveau vermeld. Wanneer alle matrixen per taakveld zijn ingevuld, kan de totale risicoscore worden berekend.
Het totaalrisico wordt berekend op basis van de formule: Risico = Kans × Effect
De totaalscore geeft aan waar de grootste risico’s liggen en helpt ons om prioriteiten te stellen. Activiteiten met een hoge risicoscore krijgen prioriteit in het uitvoeringsprogramma. De verdeling tussen hoog, gemiddeld en laag risico wordt gebaseerd op de volgende schaal:
Hoog (H) Grote kans op overtreding én groot effect bij optreden.
Gemiddeld (M) Enige kans op overtreding en/of gemiddeld effect.
In dit hoofdstuk beschrijven we de strategieën die we gebruiken bij het uitvoeren van de U&H-taken. De strategieën zijn verdeeld in twee groepen:
uitvoeringsstrategieën en nalevingsstrategieën.
De uitvoeringsstrategie gaat over het verlenen van vergunningen en het toezicht op verleende vergunningen. Alle andere vormen van toezicht vallen onder de nalevingsstrategie.
Deze bijlage beschrijft de uitvoeringsstrategieën die we toepassen bij de uitvoering van onze taken. Ze bestaan uit twee onderdelen:
De preventiestrategie richt zich op het voorkomen van overtredingen door kennis, duidelijkheid en samenwerking.
Aan de ene kant gaat het om het vergroten van de kennis en bewustwording bij inwoners, bedrijven en organisaties. Mensen moeten weten welke regels gelden en voor welke activiteiten een vergunning of melding nodig is. Aan de andere kant stimuleert de preventiestrategie betrokkenen om zich aan die regels te houden.
De preventiestrategie wordt doorlopend ingezet en begint vaak vóórdat een aanvraag of melding wordt gedaan. Door vroegtijdig in gesprek te gaan, voorkomen we dat er later ingrijpende maatregelen nodig zijn. Binnen de preventiestrategie onderscheiden we vier trajecten:
We merken dat onvolledige of onjuiste aanvragen, maar ook overtredingen, vaak ontstaan door een gebrek aan kennis van wet- en regelgeving. Veel inwoners en ondernemers weten niet precies wat de regels zijn of wanneer een vergunning of melding nodig is. De gemeente wil dit voorkomen door actief te informeren en voorlichting te geven. We doen dit op de volgende manieren:
De Omgevingswet stimuleert participatie bij initiatieven. Initiatiefnemers moeten aangeven of en hoe zij participatie hebben georganiseerd. De wet laat ruimte voor verschillende vormen van participatie, zodat dit goed kan aansluiten bij het plan en de omgeving. We helpen initiatiefnemers hierbij door duidelijke informatie te geven via het digitaal omgevingsplein.
Daarnaast heeft de gemeenteraad op 21 november 2022 een lijst vastgesteld met gevallen waarin participatie verplicht is.
Voor initiatiefnemers is er ook een praktische handleiding: “Leidraad participatie bij ideeën en plannen in de dorpen van Midden-Groningen” (vastgesteld in oktober 2024). Deze leidraad bevat een stappenplan hoe participatie kan worden vormgegeven.
Inwoners en ondernemers kunnen op een laagdrempelige manier informatie opvragen via:
We noemen dit een informatieverzoek. We geven daarbij aan of voor een activiteit een vergunning nodig is of dat deze vergunningsvrij is. Bij twijfel over de haalbaarheid van een plan verwijzen we de initiatiefnemer naar het klein initiatievenloket (KIL).
Daar bespreken we het plan inhoudelijk en procesmatig, zodat we tijdig kunnen adviseren over vervolgstappen.
Klein en Groot Initiatievenloket (KIL en GIL)
Sinds 2020 werken we met twee overlegvormen:
In het KIL worden uiteenlopende zaken behandeld, zoals:
In het GIL bespreken we grotere initiatieven die voortkomen uit het KIL, vooral woningbouwprojecten. Voorbeelden zijn:
De teamleider VTH is voorzitter van het KIL. Hij of zij bewaakt de voortgang van dossiers en zorgt voor goede afstemming met andere teams. De voorzitter beslist niet alleen, maar zorgt dat dossiers integraal worden besproken en beoordeeld.
De aanjager woningbouw is voorzitter van het GIL. Deze rol is belangrijk vanwege de woningbouwopgave van de gemeente. De aanjager beoordeelt plannen op haalbaarheid en bewaakt de voortgang van woningbouwinitiatieven.
Ons uitgangspunt is altijd: “Hoe kunnen we dit initiatief mogelijk maken?”
Bij grotere projecten kan een regionale omgevingstafel worden georganiseerd met onze ketenpartners. Tot nu toe is dat nog niet nodig geweest. De werkwijze is hieronder schematisch weergegeven.
Uit het schema volgen drie mogelijke vervolgstappen:
We stimuleren initiatiefnemers om een conceptaanvraag in te dienen via het omgevingsloket. Hiermee kan de haalbaarheid van een plan vooraf worden beoordeeld. De kosten hiervoor zijn vastgelegd in de legesverordening 2025 onder de term omgevingsoverleg.
We beoordelen conceptaanvragen op ruimtelijke en welstandsaspecten. Als de beoordeling positief is, werkt de gemeente in principe mee aan de definitieve aanvraag. Zo voorkomen we onnodige kosten en zorgen we voor een vlottere procedure.
Onze basiswerkwijze sluit aan bij de Samenwerkingsafspraken Omgevingswet Groningen, versie 1.1.
Interne en externe afstemming & samenwerking
Een goede samenwerking is cruciaal voor eenduidige toetsing en handhaving. We stemmen daarom intern en extern zorgvuldig af.
De afspraken over samenwerking en informatie-uitwisseling zijn vastgelegd in werkprocessen en instructies, die momenteel worden geactualiseerd. Ook de regionale samenwerkingsafspraken maken hier deel van uit.
Regelmatig evalueren we de werkwijze van het initiatievenloket om deze verder te verbeteren.
Toetsings- en toezichtstrategie
De U&HS moet laten zien hoe de gemeente aanvragen en meldingen beoordeelt en hoe toezicht wordt gehouden op naleving van wet- en regelgeving. Met deze strategie geven we inzicht in:
Door deze strategie vast te leggen, voldoen we aan de wettelijke verplichting om transparant te zijn over onze manier van werken.In dit hoofdstuk lichten we onze uitvoeringsstrategie toe. We beschrijven de volgende onderdelen:
De gemeente Midden-Groningen hanteert verschillende vormen van uitvoering binnen de uitvoering en handhaving (U&H). Hieronder beschrijven we de belangrijkste vormen en wat ze inhouden.
Toetsings- en toezichtstrategie
De gemeente Midden-Groningen heeft een wettelijke taak om vergunningen te beoordelen en toezicht te houden op het naleven van de regels. In deze toetsings- en toezichtstrategie leggen we uit hoe we dat doen en waarop we ons richten.
We hebben als gemeente enige beleidsvrijheid in de mate van toetsing en toezicht. Om daar transparant over te zijn, beschrijven we in deze strategie onze werkwijze en keuzes. Zo weten inwoners en ondernemers wat ze van ons kunnen verwachten.
Onze werkwijze sluit aan bij onze kernwaarden (zie hoofdstuk 3) en is risicogericht: we richten onze inzet vooral op situaties waar de kans op overtredingen groot is en de gevolgen voor veiligheid, gezondheid of leefomgeving het meest ernstig kunnen zijn.
Voor vergunningen waarbij ook een technische toets nodig is, sluiten we aan bij het landelijke toetsings- en toezichtsprotocol. In deze beleidsperiode werken we dit verder uit.
In hoofdstuk 4 is onze risicoanalyse toegelicht. Hierin zijn overtredingen en meldingen onderverdeeld in logische categorieën en gekoppeld aan mogelijke effecten op de leefomgeving, veiligheid, gezondheid en natuur. Per overtreding is bepaald welk risico dit oplevert. Deze risico’s bepalen vervolgens:
Omdat niet alle situaties even risicovol zijn, controleren wij niet alles overal. We richten ons op de meest risicovolle situaties: daar waar het naleefgedrag te wensen overlaat of waar schade aan de leefomgeving of veiligheid kan ontstaan.
Naast toezicht gebruiken we ook communicatie en voorlichting om naleving te bevorderen (zie hoofdstuk 5, Preventiestrategie).
Hieronder staat onze algemene werkwijze voor het behandelen van meldingen en het uitvoeren van toezicht. De specifieke werkprocessen en formats zijn digitaal vastgelegd in onze backofficeomgeving.
De wijze van toezicht verschilt per situatie en fase, maar de volgende stappen gelden in principe altijd:
- De toezichthouder bestudeert het dossier en onderzoekt, indien relevant:
- Het doel van het toezicht wordt vastgesteld.
- Toezicht kan aangekondigd of onaangekondigd plaatsvinden.
- Indien nodig wordt vooraf een afspraak gemaakt.
Toepassing van toetsingskaders
Voor de volgende vergunning- en meldingsplichtige activiteiten gebruiken wij specifieke toetsingskaders en werkwijzen. Deze worden in de volgende paragrafen uitgewerkt:
De bouwactiviteit is geregeld in artikel 5.1, lid 2, onder a van de Omgevingswet. In dit artikel staat dat een bouwactiviteit vergunningplichtig is als deze in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) is aangewezen.
Dat betekent dat een bouwactiviteit alleen vergunningplichtig is als deze expliciet in de AMvB wordt genoemd. De AMvB waarnaar wordt verwezen, is het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In paragraaf 2.3.2 van het Bbl staan de gevallen waarin een bouwactiviteit vergunningplichtig is. Een voorbeeld is artikel 2.25 Bbl, waarin staat dat een bouwwerk met een dak vergunningplichtig is als het aan één van de onderstaande voorwaarden voldoet:
De ‘knip’ in de bouwactiviteit
Met de komst van de Omgevingswet is de bouwactiviteit opgesplitst in twee delen:
Deze scheiding wordt ook wel de ‘knip’ genoemd.
De technische bouwactiviteit richt zich op de veiligheid en kwaliteit van het bouwwerk zelf (bijvoorbeeld constructie, brandveiligheid en gezondheid).
De omgevingsplanactiviteit gaat over de ruimtelijke inpassing van het bouwwerk: past het binnen het omgevingsplan, de omgeving en het straatbeeld?
Een initiatiefnemer die een bouwactiviteit wil uitvoeren, moet:
De technische bouwactiviteit gaat over de kwaliteit en veiligheid van bouwwerken. Hierbij toetsen we of een aanvraag voldoet aan de technische regels uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Denk hierbij aan regels over constructieve veiligheid, brandveiligheid, daglichttoetreding en energiezuinigheid.
Door de knip tussen het technische en ruimtelijke deel zijn nu meer bouwactiviteiten vergunningvrij voor het technische deel, omdat de ruimtelijke voorwaarden (zoals ligging of hoogte) daar niet meer in meewegen.
Wanneer een vergunning wel verplicht is, toetsen we de aanvraag aan de technische regels van het Bbl. Deze toets lijkt op de vroegere beoordeling op grond van het Bouwbesluit 2012.
Voor complexere bouwwerken (gevolgklasse 2 en 3) blijft een vergunningplicht gelden. De gemeente beoordeelt dan of de bouwactiviteit aan de technische eisen voldoet.
Alle bouwwerken, dus ook meldingsplichtige of vergunningvrije bouwwerken, moeten altijd voldoen aan de technische eisen van het Bbl.
Voor meldingsplichtige technische bouwactiviteiten geldt dat de bouwtechnische toets niet meer door de gemeente, maar door een onafhankelijke kwaliteitsborger wordt uitgevoerd.
De uitvoering en handhaving van bouwprojecten die onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vallen, staan in ons Wkb-beleid (zie bijlage 5).
Ruimtelijke toets (omgevingsplanactiviteit)
De ruimtelijke toets van “bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk” heet de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk. Hierbij beoordelen we of het bouwwerk past binnen de ruimtelijke regels van het omgevingsplan. Voorbeelden van deze ruimtelijke regels zijn:
In het omgevingsplan bepaalt de gemeente zelf of:
Onder dit ruimtelijke deel vallen alle regels die voorheen in het bestemmingsplan, de bouwverordening en de welstandsnota stonden. Deze regels zijn nu samengebracht in het omgevingsplan.
Werkwijze: melding en vergunningverlening
Door de knip tussen technisch en ruimtelijk deel zijn er twee manieren van werken:
1. Werkwijze bij een bouwmelding
De melding bouwactiviteit is een nieuwe processtap binnen onze organisatie. Deze meldingen worden beoordeeld door onze vergunningverleners. De manier waarop dit gebeurt is uitgewerkt in bijlage 5 (Wkb-beleid). De kwaliteitsborger voert de technische beoordeling uit en rapporteert dit aan de gemeente.
2. Werkwijze bij vergunningverlening (technische bouwactiviteit)
Als voor een bouwactiviteit een vergunning nodig is, gebruiken wij het landelijke toetsingsprotocol. Hierin is vastgelegd hoe diepgaand de toetsing aan het Bbl plaatsvindt.
Wij vergunnen risicogericht. Dat betekent dat we onze aandacht richten op onderdelen die cruciaal zijn voor veiligheid en gezondheid, zoals:
Het is niet mogelijk om vooraf te garanderen dat een bouwwerk 100% aan alle Bbl-eisen zal voldoen. Daarom werken wij op basis van risico’s en controleren wij steekproefsgewijs. Onze toezichthouders gebruiken bij hun werk:
Deze digitale protocollen worden automatisch bijgewerkt volgens de nieuwste wetgeving, waardoor onze interne kwaliteit is geborgd.
De frequentie en diepgang van de controles hangen af van:
Als tijdens toezicht overtredingen worden vastgesteld, kunnen wij handhavend optreden. De manier waarop we dat doen, staat beschreven in de sanctiestrategie (zie hoofdstuk 5.2).
Werkwijze toezicht tijdens de realisatiefase (bouw)
In de realisatiefase controleren we of de werkzaamheden worden uitgevoerd zoals vergund. De intensiteit van het toezicht hangt af van:
Tijdens deze fase kunnen de volgende typen controles plaatsvinden:
In het vervolg van dit hoofdstuk beschrijven we op welke specifieke onderdelen van omgevingsvergunningen wij toezicht houden en waar we geen volledig toezicht uitvoeren.
Toezicht bouwtechnische kwaliteit van te bouwen bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1
Sinds de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) is het bouwproces en ook onze rol als gemeente veranderd. Het bevoegd gezag (de gemeente) blijft verantwoordelijk voor het toezien op naleving van de bouwregelgeving. Dat betekent dat wij - als dat nodig is - nog steeds zelf waarnemingen mogen doen, situaties beoordelen en ingrijpen bij overtredingen of risico’s.
Bij bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 1 (eenvoudige bouwwerken, zoals eengezinswoningen of kleine bedrijfspanden) ziet een onafhankelijke kwaliteitsborger tijdens de uitvoering toe op de technische kwaliteit en of het bouwwerk voldoet aan de bouwvoorschriften.
Als de kwaliteitsborger een gebrek of overtreding constateert, heeft hij een signalerende rol naar de gemeente. Wij blijven dus eindverantwoordelijk voor het naleven van de regels en kunnen optreden als dat nodig is. De manier waarop wij toezicht houden op bouwprojecten die onder de Wkb vallen, is uitgebreid beschreven in ons Wkb-beleid (zie bijlage 5).
Toezicht bouwtechnische kwaliteit van te bouwen bouwwerken die vallen onder gevolgklasse 2 en 3
Bouwwerken in gevolgklasse 2 (zoals bibliotheken, scholen en woongebouwen tot 70 meter hoog) en gevolgklasse 3 (zoals hoogbouw boven 70 meter, ziekenhuizen en tunnels) vallen nog niet onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb).
Volgens de landelijke planning worden deze categorieën pas vijf jaar na de invoering van de Wkb toegevoegd aan het stelsel van kwaliteitsborging. Dat betekent dat de gemeente tot en met 2028 zelf verantwoordelijk blijft voor de technische toetsing en het toezicht op deze bouwwerken.
Het is in de praktijk niet mogelijk en niet efficiënt om elk bouwwerk continu tijdens de bouw te controleren. Daarom richten wij ons toezicht op de cruciale momenten in het bouwproces. Tijdens deze belangrijke fasen voeren wij gerichte controles uit. Per bouwfase kunnen één of meerdere controles plaatsvinden.
Bij deze bouwwerken richten wij ons toezicht vooral op veiligheid en constructieve kwaliteit. Wij plannen controles op basis van risico’s en bouwvoortgang. Dat betekent dat we vooral aanwezig zijn bij momenten waarop fouten grote gevolgen kunnen hebben voor veiligheid, gezondheid of leefbaarheid.
Deze aanpak zorgt ervoor dat wij onze capaciteit gericht en effectief inzetten en tegelijk voldoende toezichtkwaliteit waarborgen.
Toezichtmomenten tijdens de bouwfase
De controles tijdens de bouw zijn bedoeld om te beoordelen of er wordt gebouwd volgens de verleende vergunning. Net als bij de toetsing van de vergunning doen we dit op basis van aannemelijkheid en met behulp van lokale toezichtmatrixen. In deze toezichtmatrixen staat:
De mate van controle hangt direct samen met de diepgang van de toets van de vergunningaanvraag. Zo besteden we bij complexere projecten meer aandacht aan details en bij eenvoudige bouwwerken vooral aan hoofdzaken.
Onze digitale applicatie is afgestemd op de toezichtmatrix in het landelijk Integraal Toezichtsprotocol 2. We gebruiken hiervoor digitale checklists, die helpen om toezicht op een eenduidige en gestructureerde manier uit te voeren. Deze checklists ondersteunen onze toezichthouders bij het controleren van vergunningen op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Controle van deelgoedkeuringen (constructie en installaties)
In een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk kunnen voorschriften zijn opgenomen. Vaak gaat het om de verplichting om op een later moment aanvullende tekeningen en berekeningen in te dienen, bijvoorbeeld constructieve of installatietechnische berekeningen. Bij één vergunning kan het voorkomen dat er meerdere deelgoedkeuringen nodig zijn.
De vergunninghouder is verantwoordelijk voor het tijdig aanleveren van deze stukken. In de meeste gevallen moeten de documenten minimaal drie weken voor de uitvoering van het betreffende onderdeel bij de gemeente zijn ingediend. De toezichthouder controleert:
of de stukken op tijd zijn ingediend,
of het betreffende onderdeel nog niet is uitgevoerd voordat de stukken zijn goedgekeurd,
en of de uitvoering pas start na goedkeuring van de gemeente.
Wanneer deze voorschriften niet worden nageleefd, passen wij de sanctiestrategie toe (zie paragraaf 4.4). Dit kan bijvoorbeeld betekenen dat de werkzaamheden tijdelijk worden stilgelegd totdat de situatie is hersteld.
De ingediende stukken worden vervolgens volgens onze toetsstrategie beoordeeld. De vergunningverlener voert deze beoordeling zelf uit of schakelt, indien nodig, een externe deskundige in.
Omgevingsplanactiviteit (omgevingsvergunning planologisch)
Voor de invoering van de Omgevingswet werd een aanvraag voor de activiteit bouwen getoetst aan het bestemmingsplan. Sinds de komst van de Omgevingswet toetsen wij aanvragen aan het omgevingsplan.
Een activiteit die past binnen de regels van het omgevingsplan, maar waarvoor toch een vergunningplicht geldt, noemen we een binnenplanse omgevingsplanactiviteit. Als de activiteit in strijd is met het omgevingsplan, spreken we van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa).
Bij een binnenplanse activiteit toetsen wij de aanvraag aan:
Als de aanvraag voldoet aan deze regels, verlenen wij de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit.
Wanneer een aanvraag niet past binnen het omgevingsplan, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (Bopa). In dat geval toetsen wij de aanvraag aan:
Dit laatste begrip vervangt het vroegere criterium van een goede ruimtelijke ordening. Het betekent dat wij bekijken of de functie goed past bij de locatie, en of de belangen van de omgeving daarbij in balans zijn.
In onze gemeente beoordelen we dit integraal. Een multidisciplinair team van medewerkers uit verschillende vakgebieden bespreekt tweewekelijks alle plannen die niet automatisch binnen de regels passen.
Dit team beoordeelt de haalbaarheid en wenselijkheid van het initiatief en kijkt welke aanpassingen of voorwaarden nodig zijn. Zo leveren we maatwerk per geval, met aandacht voor zowel de initiatiefnemer als de omgeving.
(Rijks)monumentenactiviteit (omgevingsvergunning activiteit monument)
Het omgevingsplan legt vast hoe erfgoed wordt beschermd. Voor rijksmonumenten geldt dat zij al zijn aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Deze bescherming is dus automatisch geregeld en hoeft niet opnieuw in het omgevingsplan te worden opgenomen.
Een omgevingsvergunning voor een monumentenactiviteit vraagt altijd extra zorgvuldigheid. We willen voorkomen dat er onomkeerbare schade ontstaat aan waardevol cultureel erfgoed. Het gaat hierbij zowel om gebouwde rijksmonumenten als om gemeentelijk archeologisch erfgoed. Beide nemen we nadrukkelijk mee in onze planvorming en vergunningverlening.
Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag sluiten we zoveel mogelijk aan bij de toetsingsstrategie voor de bouwactiviteit. Voor veel veranderingen aan monumenten is immers ook een vergunning voor de activiteit bouwen nodig. Door extra aandacht te besteden aan toetsing en toezicht kunnen we beter waarborgen dat de monumentale waarden behouden blijven.
Als er grondwerkzaamheden plaatsvinden, beoordeelt de gemeente of archeologisch onderzoek nodig is. Zo voorkomen we dat waardevolle resten uit het verleden verloren gaan.
Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit
Bij de toetsing maken we gebruik van de Adviescommissie voor Omgevingskwaliteit. Deze commissie adviseert het college van burgemeester en wethouders integraal over plannen van initiatiefnemers en aanvragers. De adviezen gaan over:
De gemeente Midden-Groningen werkt sinds 2023 met deze commissie volgens de uitgangspunten van de Omgevingswet. De taken en werkwijze van de commissie zijn vastgelegd in de Verordening gemeentelijke adviescommissie voor Omgevingskwaliteit Midden-Groningen 2023.
De regels over rijksmonumenten en cultureel erfgoed staan vastgelegd in verschillende wetten en besluiten:
Binnen de gemeente Midden-Groningen staan zowel rijksmonumenten als gemeentelijke monumenten. Deze zijn opgenomen in de Monumentenlijst.
Bij het beoordelen van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het wijzigen van monumenten of beschermde stads- en dorpsgezichten, kijken we altijd of de plannen geen onomkeerbare schade veroorzaken aan het gemeentelijk cultuurhistorisch erfgoed.
Beoordeling van vergunningaanvragen
Voor de beoordeling gebruiken wij de Erfgoedverordening 2018 als hoofdkader. De Adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit Midden-Groningen adviseert het gemeentebestuur over alle aanvragen die betrekking hebben op monumenten of erfgoed. Zo zorgen we voor een deskundige en integrale afweging.
Daarnaast bevat de Bruidsschat aanvullende regels voor aanvragen die gaan over het ontsieren, slopen of veranderen van monumenten. Deze regels gelden voor:
De regels voor rijksmonumenten zijn opgenomen in meerdere landelijke wetten en besluiten, waaronder:
Wanneer een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen of monumenten is verleend - of als een wijziging vergunningsvrij mag worden uitgevoerd - nemen we de monument-specifieke en cultuurhistorische aspecten mee in onze reguliere bouwinspecties.
Tijdens de gebruiksfase houden we toezicht op het behoud van monumentale waarden. Door het bijzondere karakter van monumenten is dit altijd maatwerk. De eigenaar blijft verantwoordelijk voor het onderhoud en behoud van zijn monument of beschermd pand. De gemeente grijpt in wanneer dit noodzakelijk is, bijvoorbeeld naar aanleiding van meldingen vanuit het toezicht in het veld.
Bij bouwwerken die zich bevinden in archeologisch waardevolle gebieden, voeren wij toezicht uit op basis van de vergunningvoorschriften. Daarbij letten we er vooral op dat archeologische waarden behouden blijven en dat werkzaamheden worden uitgevoerd volgens de vergunde voorwaarden.
Activiteit brandveilig gebruik van een bouwwerk
De regels voor brandveilig gebruik van gebouwen staan in hoofdstuk 6 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In sommige gevallen moet het gebruik van een bouwwerk vooraf bij de gemeente worden gemeld.
Met de komst van de Omgevingswet is de gebruiksvergunning vervallen. Voor bepaalde gebouwen, zoals hotels, geldt echter nog wel een meldingsplicht.
In artikel 6.6 van het Bbl staat in een overzichtstabel per gebruiksfunctie aangegeven vanaf welk aantal aanwezige personen deze meldingsplicht geldt. Volgens artikel 6.7 Bbl moet een melding minimaal vier weken voor het gebruik worden ingediend.
De melding moet vergezeld gaan van een aantal gegevens en bescheiden, zoals beschreven in artikel 6.8 Bbl. Als de melding volledig is, ontvangt de indiener een bevestiging van acceptatie. Daarna mag het gebouw in gebruik worden genomen.
Werkwijze: melding en toezicht
Het toezicht op brandveilig gebruik is een wettelijke taak van de Veiligheidsregio Groningen (VRG). Deze taak is vastgelegd in provinciale regelgeving en wordt uitgevoerd door de toezichthouders van de VRG.
Het controlebestand van de gemeente wordt voortdurend geactualiseerd met:
De VRG controleert of het bouwwerk voldoet aan de vergunning en aan de geldende wet- en regelgeving. De diepgang van het toezicht hangt af van:
De controle vindt plaats volgens het Toezichtsprotocol van de VRG. Waar mogelijk stemmen wij deze controles integraal af op andere gemeentelijke controles, bijvoorbeeld bij de activiteit “bouwen van een bouwwerk”.
Alle nieuwe meldingen worden voor 100% gecontroleerd, in samenwerking tussen de VRG en de gemeentelijke toezichthouder. De nadruk ligt hierbij op locaties met kwetsbare groepen, zoals:
Algemene Plaatselijke Verordening (APV)
De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) bevat regels die bedoeld zijn om de openbare orde, veiligheid en het milieu te beschermen. De APV maakt het mogelijk om vergunningen en ontheffingen te verlenen voor bepaalde activiteiten.
De keuze tussen een vergunning of een ontheffing hangt af van de aard van de activiteit:
Een vergunning of ontheffing helpt om de gevolgen van een activiteit te beperken en ervoor te zorgen dat deze op een veilige en verantwoorde manier plaatsvindt. De meest voorkomende vergunningen zijn:
De APV vormt de juridische basis voor het verlenen van vergunningen en het stellen van regels en voorschriften rondom evenementen. Omdat evenementen sterk kunnen verschillen in aard en omvang, zijn vaak ook landelijke regels van toepassing. Voorbeelden hiervan zijn:
Een uitgebreide toelichting op de geldende wet- en regelgeving rondom evenementen is te vinden in hoofdstuk 5 van het evenementenbeleid.
Werkwijze: vergunningen, ontheffingen en toezicht APV
Aanvragen voor vergunningen en ontheffingen op grond van de APV worden volledig getoetst aan:
We werken volgens het Evenementenbeleid Midden-Groningen 2021. Voor kleine evenementen is geen vergunning nodig, zolang er tijdig vooraf een melding wordt gedaan bij de burgemeester. De burgemeester kan een klein evenement verbieden als er aanwijzingen zijn dat het evenement risico’s oplevert voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid of het milieu.
De juridische basis voor het verlenen van vergunningen en het stellen van regels en voorschriften over evenementen ligt in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Omdat evenementen sterk van elkaar verschillen in aard en omvang, gelden daarnaast ook andere landelijke regelingen die betrekking hebben op specifieke soorten evenementen.
In Midden-Groningen onderscheiden we drie soorten evenementen:
Voor het houden van een evenement kan via de gemeentelijke website een aanvraagformulier worden ingevuld. Met dit formulier kunnen ook andere vergunningen en ontheffingen worden aangevraagd, zolang de gemeente daarvoor bevoegd gezag is. Bij vragen of onduidelijkheden kunnen organisatoren contact opnemen met de vergunningverlener van de gemeente. Wanneer een aanvraag tijdig en volledig is ingediend (zie paragraaf 3.3), beslist de gemeente of het evenement meldingplichtig of vergunningplichtig is.
Wij toetsen aanvragen voor evenementen op basis van een risicoscan, die samen met de Veiligheidsregio Groningen is ontwikkeld. Afhankelijk van de ingeschatte veiligheidsrisico’s wordt de aanvraag meer of minder diepgaand getoetst. Meldingsplichtige of vergunningsvrije evenementen worden niet aan een risicoscan onderworpen.
Uit de risicoscan blijkt of een evenement een regulier evenement, een aandachtsevenement of een risicovol evenement is. De uitkomst van deze scan bepaalt de behandelwijze van de aanvraag en de intensiteit van de beoordeling.
De risicoscan richt zich op risico’s voor de openbare orde, veiligheid, volksgezondheid en het milieu. We voeren de scan uit aan de hand van:
De uitkomst van de scan laat zien of er specifieke risico’s zijn die nadere advisering vragen. We houden in deze fase nog geen rekening met bijzondere omstandigheden van het evenement zelf. Dat gebeurt later, tijdens de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag en de risicoanalyse die wij samen met onze adviespartners uitvoeren.
De beoordeling van evenementenvergunningen vindt plaats binnen de wettelijke termijnen en volgens de regionale afspraken met ketenpartners.
Werkwijze: vergunningen, meldingen en toezicht evenementen
Als een evenement niet voldoet aan de criteria voor meldingplichtige of meldingvrije evenementen, is het vergunningplichtig. Met behulp van de risicoscan van de Veiligheidsregio Groningen (VRG) worden vergunningplichtige evenementen ingedeeld in drie categorieën:
De aard en het risico van een evenement hangen af van factoren zoals:
Op basis van de informatie en stukken die de organisator aanlevert, beoordeelt de gemeente met de risicoscan in welke categorie het evenement valt en welke advisering nodig is. Advies door hulpdiensten of andere partners kan bijvoorbeeld plaatsvinden tijdens een omgevingsoverleg. Per categorie geldt een eigen behandelprocedure:
We passen hierbij maatwerk toe; er kan altijd worden afgeweken als de omstandigheden dat vragen.
Uitkomst risicoscan evenementen
De uitkomst van de risicoscan (A, B of C) bepaalt:
Als er tijdens de behandeling nieuwe feiten of omstandigheden bekend worden, kan de risicoscan worden herhaald en de classificatie worden aangepast. De betrokken partners worden vervolgens opnieuw gevraagd om advies uit te brengen over de maatregelen die de organisator moet nemen.
Het toezicht op evenementen is risicogestuurd. De aard en omvang van het evenement bepalen hoe vaak en hoe intensief gecontroleerd wordt:
In de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) is een vergunningplicht opgenomen voor het exploiteren van een openbare inrichting (zoals een horecagelegenheid). De toetsingskaders en aanvullende weigeringsgronden staan in artikel 2:28 en verder van de APV. De exploitatievergunning vermeldt:
De APV bevat ook regels over activiteiten die binnen een openbare inrichting niet zijn toegestaan. Als bij een controle blijkt dat deze regels worden overtreden, kan de exploitatievergunning worden ingetrokken.
De Alcoholwet bevat regels voor bedrijven en instellingen die alcoholhoudende drank verstrekken, zoals:
Voor het schenken van alcohol is een vergunning van de burgemeester verplicht. In de Alcoholwet is vastgelegd welke stukken bij de aanvraag moeten worden ingediend. Elke aanvraag wordt volledig getoetst en er kunnen voorschriften aan de vergunning worden verbonden.
Bij de beoordeling van het levensgedrag van leidinggevenden wordt altijd afstemming gezocht met de politie, zeker bij relevante antecedenten.
In hoofdstuk 2, afdeling 5 van de APV staan aanvullende regels over para-commerciële rechtspersonen. Deze regels gaan over het beperken van commerciële horeca-activiteiten binnen maatschappelijke instellingen. In deze beleidsperiode stelt de gemeente hiervoor een specifieke verordening vast.
Toezicht op alcoholverstrekking
We onderscheiden hotspots waar regelmatig toezicht plaatsvindt. Elk jaar wordt in het uitvoeringsprogramma vastgelegd:
De prioriteit ligt bij het toezicht op het naleven van de leeftijdsgrens voor alcoholverstrekking aan minderjarigen.
Volgens het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het voor sommige activiteiten verplicht om een melding te doen of een vergunning aan te vragen voor milieubelastende activiteiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor bedrijven of instellingen die stoffen uitstoten, afvalstoffen verwerken, energie produceren of geluidsoverlast kunnen veroorzaken. De regels in het Bkl bepalen wanneer een activiteit meldingsplichtig of vergunningplichtig is.
De gemeente Midden-Groningen werkt hierbij samen met de Omgevingsdienst Groningen (ODG), die de uitvoering van deze milieutaken namens de gemeente verzorgt. De beoordeling van meldingen en vergunningaanvragen richt zich op het voorkomen of beperken van schade aan de leefomgeving, zoals lucht, bodem, water, geluid en natuur.
Werkwijze vergunningen, meldingen en toezicht tijdens de realisatiefase
De ODG actualiseert voortdurend het lokale controlebestand met:
De ODG controleert of deze inrichtingen voldoen aan de vergunningvoorschriften en de geldende wet- en regelgeving. Hierbij wordt gekeken naar aspecten zoals emissies, afvalverwerking, opslag van gevaarlijke stoffen en naleving van milieuvoorschriften.
De werkwijze en diepgang van het toezicht volgen het uniform regionaal beleidskader dat geldt binnen de provincie Groningen. De gemeente Midden-Groningen sluit hierbij volledig aan en verwijst voor de uitvoering naar dit kader. Toezicht kan bestaan uit:
De resultaten van deze controles worden vastgelegd en vormen onderdeel van de jaarlijkse VTH-evaluatie.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen alle vergunningplichtige omgevingsplanactiviteiten onder de reikwijdte van de Wet Bibob (Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur). Ook gebruikswijzigingen in gebouwen kunnen onder de Wet Bibob vallen.
De Wet Bibob is bedoeld om te voorkomen dat overheden onbedoeld criminele activiteiten faciliteren bij het verlenen van vergunningen, subsidies, vastgoedtransacties of overheidsopdrachten. De wet geeft bestuursorganen de mogelijkheid om een aanvraag te weigeren of een vergunning (gedeeltelijk) in te trekken als er een ernstig gevaar bestaat dat de vergunning wordt misbruikt. Dit gevaar kan zich voordoen in twee situaties:
Een besluit tot weigering of intrekking van een vergunning op grond van de Wet Bibob moet deugdelijk worden gemotiveerd. Daarom vraagt het bevoegd gezag vaak advies aan het Landelijk Bureau Bibob (LBB), dat gespecialiseerd is in integriteitsscreenings.
Het LBB onderzoekt de herkomst van geldstromen, zakelijke relaties, eigendomsverhoudingen en antecedenten van betrokkenen. Bestuursorganen mogen in principe vertrouwen op de deskundigheid van dit bureau.
Binnen de Wet Bibob vallen onder “strafbare feiten” ook overtredingen waarvoor een bestuurlijke boete kan worden opgelegd.
De gemeente Midden-Groningen voert de Bibob-toets uit volgens haar Beleidsregel Bibob. Het doel hiervan is te voorkomen dat de gemeente onbedoeld criminele activiteiten mogelijk maakt door vergunningen, subsidies, aanbestedingen of vastgoedtransacties te verlenen aan personen of bedrijven die mogelijk misbruik maken van deze voorzieningen. De Bibob-onderzoeken worden uitgevoerd bij onder andere:
Aanvragers van dergelijke vergunningen moeten een Bibob-vragenformulier invullen en aanvullende informatie aanleveren. Dit kan gaan over:
Als de gemeente signalen heeft dat er mogelijk criminele invloeden of risico’s aanwezig zijn, kan zij advies vragen aan het Landelijk Bureau Bibob. Het bureau verricht dan een verdiepend onderzoek en brengt een advies uit. Op basis van de uitkomst van het onderzoek kan de gemeente:
Deze maatregelen worden alleen genomen als er sprake is van een ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, en het besluit wordt altijd zorgvuldig gemotiveerd en schriftelijk vastgelegd.
De nalevingsstrategie beschrijft hoe wij ervoor zorgen dat regels worden nageleefd en hoe wij optreden als dat niet gebeurt. Deze strategie bestaat uit vier onderdelen:
De communicatiestrategie (ook wel preventiestrategie) heeft als belangrijkste doel om overtredingen te voorkomen. Het toezicht bestaat uit het behandelen van meldingen en verzoeken om handhaving, themagericht toezicht en gebiedsgericht toezicht (surveillance). De sanctiestrategie beschrijft vervolgens hoe wij optreden wanneer er een overtreding wordt vastgesteld.
Wij kiezen voor een communicatieve en preventieve aanpak die goed gedrag stimuleert en overtredingen helpt voorkomen. Dat doen wij door duidelijk te communiceren, in gesprek te gaan met inwoners en ondernemers en vroegtijdig voorlichting te geven. Zo willen we bereiken dat mensen weten welke regels gelden en waarom die belangrijk zijn.
Uiteraard betekent dit niet dat wij niet handhaven: waar nodig treden wij doortastend en consequent op.
Een belangrijk onderdeel van onze communicatiestrategie is voorlichting. Veel overtredingen ontstaan uit onbekendheid met de regels, bijvoorbeeld die in het omgevingsplan of bestemmingsplan. Daarom geven wij uitleg over:
We doen dit via onze website, voorlichtingsmateriaal, en persoonlijk contact met inwoners, ondernemers en initiatiefnemers. Door duidelijk te communiceren willen we bewust naleefgedrag stimuleren en misverstanden voorkomen.
Zichtbaarheid van toezicht is een belangrijke factor om overtredingen te voorkomen. Wanneer inwoners en ondernemers weten dat er toezicht is, nemen zij de regels eerder serieus. Daarom is onze toezichthouder regelmatig aanwezig in het veld, zichtbaar en aanspreekbaar.
Ook besteden we veel aandacht aan nazorg.
Wanneer een overtreding is beëindigd, voeren we hercontroles uit om te voorkomen dat dezelfde overtreding opnieuw plaatsvindt (recidivepreventie). Door in het toezicht zichtbaar te blijven na afloop van een handhavingszaak, versterken we het naleefgedrag en bouwen we aan vertrouwen in onze aanpak.
Vormen bij de handhaving van regelgeving
Om regels goed te kunnen handhaven, maken we gebruik van verschillende vormen van toezicht. Deze vormen beschrijven hoe wij toezien op naleving van de regels naast het reguliere vergunningtoezicht. Daaronder vallen onder andere het toezicht op bestemmingsplannen, illegaal bouwen en de naleving van technische voorschriften uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). We onderscheiden drie hoofdvormen van toezicht:
Ad 1) Toezicht tijdens de beheer- of gebruiksfase
De beheer- of gebruiksfase begint meestal nadat een omgevingsvergunning is verleend en de activiteit is afgerond. Het kan ook gaan om bestaande bouwwerken of om situaties waarin zonder vergunning wordt gebouwd of gebruikt. Wij controleren of het bouwwerk, erf of terrein voldoet aan de voorschriften uit de vergunning of andere wettelijke regels.
De routinematige, objectgerichte, projectmatige, thematische, inventariserende en administratieve controles vormen samen het programmatisch toezicht. Dit betekent dat wij deze controles vooraf opnemen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma.
De mate van toezicht is afhankelijk van de bestuurlijke prioriteit of, bij systematisch toezicht, van de toezichtfrequentie. De specifieke uitwerking vindt jaarlijks plaats in het uitvoeringsprogramma.
Andere controles, zoals meldingen of handhavingsverzoeken, vinden ad hoc plaats. Die zijn niet vooraf te plannen, maar worden uitgevoerd op basis van urgentie en prioriteit (zie ook de strategie bij meldingen en handhavingsverzoeken).
De keuze om wel of niet aan te kondigen hangt af van de omstandigheden en het doel van de controle.
We voeren controles zo veel mogelijk integraal en samen met andere partijen uit. We werken onder andere samen met:
Soms doen we dit via gezamenlijke actiedagen, soms via signaaltoezicht (het doorgeven van informatie over mogelijke overtredingen). Door samen te werken houden we effectiever toezicht en verlagen we de toezichtlast voor inwoners en ondernemers.
Bij het milieutoezicht (uitgevoerd door de Omgevingsdienst Groningen) en het toezicht op brandveiligheid (uitgevoerd door de Veiligheidsregio Groningen) geldt een wettelijke verplichting tot systematisch toezicht. Daarvoor volgen we de regionale uniforme uitvoerings- en handhavingsstrategie.
Thematisch toezicht richt zich op één specifiek onderwerp, branche of gebied. Deze vorm van toezicht vraagt vaak om een projectmatige aanpak.
Sommige thema’s worden landelijk of regionaal vastgelegd (zoals verplichte inspecties), terwijl andere thema’s lokaal worden bepaald.
De lokale thema’s worden opgenomen in het jaarlijkse uitvoeringsprogramma, op voorstel van het college en in overleg met toezichthouders en andere deskundigen. Voorbeelden van lokaal thematisch toezicht in de gemeente Midden-Groningen zijn:
Bij een schriftelijk verzoek om handhaving nemen wij zo snel mogelijk contact op met de verzoeker of diens gemachtigde. In dit gesprek bespreken we het belang en doel van het verzoek en wat de verzoeker van de gemeente kan verwachten.
Daarna onderzoeken wij de situatie en informeren alle betrokkenen - ook de mogelijke overtreder - over de bevindingen en de vervolgstappen. We zoeken in eerste instantie naar een snelle en informele oplossing, eventueel met hulp van buurtbemiddeling of mediation.
Wordt geen oplossing bereikt en constateren we een overtreding, dan beoordelen wij volgens de sanctiestrategie hoe we verder handelen.
In beide gevallen geldt een beslistermijn van 8 weken.
Bij anonieme verzoeken om handhaving volgen we dezelfde werkwijze als bij meldingen, met dit verschil dat de verzoeker vanwege zijn anonimiteit niet wordt geïnformeerd over de verdere afhandeling. Als iemand anoniem wil blijven, wijzen we hem daar vooraf op.
Bij een schriftelijk verzoek om handhaving nemen wij zo snel mogelijk contact op met de verzoeker of diens gemachtigde. In dit gesprek bespreken we het belang en doel van het verzoek en wat de verzoeker van de gemeente kan verwachten.
Daarna onderzoeken wij de situatie en informeren alle betrokkenen — ook de mogelijke overtreder — over de bevindingen en de vervolgstappen.
We zoeken in eerste instantie naar een snelle en informele oplossing, eventueel met hulp van buurtbemiddeling of mediation. Wordt geen oplossing bereikt en constateren we een overtreding, dan beoordelen wij volgens de sanctiestrategie hoe we verder handelen.
In beide gevallen geldt een beslistermijn van 8 weken.
Bij anonieme verzoeken om handhaving volgen we dezelfde werkwijze als bij meldingen, met dit verschil dat de verzoeker vanwege zijn anonimiteit niet wordt geïnformeerd over de verdere afhandeling. Als iemand anoniem wil blijven, wijzen we hem daar vooraf op.
De mate van toezicht die wij uitvoeren, hangt af van de prioriteit die aan een onderwerp of overtreding is toegekend. Deze prioriteit bepaalt hoe actief we optreden en hoeveel capaciteit we inzetten. We onderscheiden drie niveaus van toezicht: hoog, middel en laag.
Bij een hoge prioriteit voeren wij (pro)actief toezicht uit en krijgt de afhandeling van signalen voorrang op andere werkzaamheden.
Bij een gemiddelde prioriteit handelen wij signalen af afhankelijk van de aard en omvang van de klacht en kunnen wij ook planmatig toezicht uitvoeren.
Bij een lage prioriteit voeren wij passief toezicht uit.
Onderwerpen die niet specifiek zijn geprioriteerd, behandelen wij in eerste instantie als lage prioriteit. Dat betekent dat wij vooral reageren op verzoeken om handhaving en signalen waarbij acuut ingrijpen noodzakelijk is. Als dat niet aan de orde is, informeren wij de betrokkenen daarover.
Signalen en meldingen gebruiken wij ook om onze informatiepositie te verbeteren. Deze informatie kan later aanleiding zijn om planmatig of thematisch toezicht te houden of handhavend op te treden. Signalen met een lage prioriteit kunnen worden gebundeld en op een later moment tijdens specifiek gepland toezicht (bijvoorbeeld thematisch of gebiedsgericht) alsnog worden opgepakt.
Wij behandelen handhavingsverzoeken altijd volgens de procedures die in deze strategie zijn vastgelegd.
Prioriteiten en mate van toezicht
Prioriteiten en jaarlijkse uitwerking
De toezichtprioriteiten worden jaarlijks uitgewerkt in het Programma Uitvoering en Handhaving (PUH) voor VTH. Hierin staat per thema of domein beschreven welke toezichtactiviteiten in dat jaar worden uitgevoerd, welke prioriteit ze hebben en hoe de inzet van capaciteit plaatsvindt.
Dit uitvoeringsprogramma vormt de praktische vertaling van de toezichtstrategie en zorgt ervoor dat we gericht, effectief en transparant werken aan naleving van regels binnen de gemeente Midden-Groningen.
Bij het uitvoeren van toezicht kunnen overtredingen van regels worden vastgesteld. In dat geval is handhaving aan de orde. Wij zijn dan verplicht om handhavend op te treden.
Toepassing van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO)
Voor ons handhavend optreden gebruiken wij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als uitgangspunt. De LHSO beschrijft hoe handhavers verschillende instrumenten kunnen inzetten bij zowel bestuursrechtelijke als strafrechtelijke handhaving binnen het omgevingsrecht. De LHSO vervangt de eerdere Landelijke Handhavingsstrategie (LHS) uit 2014.
De kern van de strategie is gelijk gebleven, maar is aangepast aan de Omgevingswet, de huidige terminologie en bevat een aanvulling over de bestuurlijke boete. Daarnaast is de samenhang tussen bestuursrecht en strafrecht versterkt en beter vastgelegd.
De LHSO gaat uit van maatwerk: bij iedere overtreding wordt gekeken welk optreden passend en effectief is. De handhaver gebruikt de strategie om te bepalen welke maatregel het meest geschikt is in een specifieke situatie.
Twee hoofdvragen bij handhavend optreden
De LHSO maakt onderscheid tussen herstelsancties en bestraffende sancties. Daarbij staan twee hoofdvragen centraal:
De LHSO werkt met een zogenaamde interventieladder. Het uitgangspunt is dat de gemeente altijd de meest effectieve interventie inzet om naleving te bereiken. Dat betekent dat in veel gevallen een lichte interventie volstaat, zoals een waarschuwing of hersteltermijn.
In andere gevallen is een zwaardere maatregel nodig, bijvoorbeeld een last onder dwangsom of bestuursdwang. De keuze voor de juiste maatregel wordt bepaald met behulp van de interventiematrix van de LHSO.
Het stappenplan van de LHSO helpt handhavers om zorgvuldig en uniform te handelen. Het begint bij de vaststelling van de overtreding en eindigt bij de keuze voor de juiste maatregel. Ook zorgt de strategie ervoor dat de afstemming tussen de verschillende handhavingspartners (zoals politie, OM, VRG en ODG) goed verloopt.
Het proces om te komen tot een handhavingsbeschikking verloopt volgens de zogenaamde driestappenstrategie, zoals weergegeven in figuur 1.
Afhankelijk van de aard en ernst van de overtreding worden binnen de driestappenstrategie bepaalde stappen wel of niet uitgevoerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten handhavingsprocessen (A t/m D), elk met een eigen zwaarte en opbouw.
Keuze voor de juiste interventie
Op basis van bovenstaande handhavingsprocessen zijn er verschillende keuzemogelijkheden voor de interventies. De toezichthouder kiest altijd voor de minst zware maatregel of combinatie van maatregelen die past binnen het bijbehorende segment (A t/m D).
Alleen wanneer dat nodig is, kan de toezichthouder gemotiveerd kiezen voor een zwaardere maatregel of combinatie daarvan. Bij deze afweging spelen verzwarende omstandigheden een belangrijke rol, zoals genoemd in paragraaf 4.2 van de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Voorbeelden van verzwarende omstandigheden zijn:
Proces D - het toepassen van spoedeisende bestuursdwang of de directe oplegging van een last onder dwangsom met hersteltermijn - is alleen toegestaan wanneer sprake is van een spoedeisend belang. Dit betekent dat uitstel niet mogelijk is omdat direct optreden noodzakelijk is om (verdere) schade, gevaar of onomkeerbare gevolgen te voorkomen.
In figuur 2 is aangegeven welk handhavingsproces (A, B, C of D) wordt toegepast per type overtreding. De matrix laat zien hoe het gedrag van de overtreder (van goedwillend tot notoir) wordt afgezet tegen de ernst van de gevolgen (van nihil tot onomkeerbaar). Zo ontstaat een helder overzicht van de juiste interventie bij iedere situatie.
Toepassing handhavingsinstrumenten
Voor het aanpakken van overtredingen staan verschillende handhavingsinstrumenten ter beschikking. Hieronder lichten wij toe welke instrumenten we kunnen inzetten, en wanneer en waarom we dat doen.
De last onder dwangsom is ons voorkeursmiddel bij handhaving. Het is een herstelsanctie: de overtreder krijgt de verplichting om de overtreding te beëindigen binnen een vastgestelde termijn. Als dat niet (tijdig) gebeurt, moet de overtreder een geldbedrag betalen (de dwangsom).
Doel van de dwangsom is dat de overtreder zelf actie onderneemt om de overtreding te herstellen. Wordt niet voldaan aan de last, dan wordt de dwangsom verbeurd en door de gemeente ingevorderd.
Bij een last onder bestuursdwang krijgt de overtreder de verplichting om de overtreding zelf te beëindigen. Als dat niet (tijdig) gebeurt, kan de gemeente de overtreding zelf feitelijk herstellen.
De kosten van dit herstel worden verhaald op de overtreder, tenzij het redelijk is om (een deel van) de kosten niet in rekening te brengen.
Bij spoedeisende situaties passen we spoedeisende bestuursdwang toe. We volgen dan zoveel mogelijk de gewone procedure, maar met een zeer korte hersteltermijn.
In acute of gevaarlijke situaties kan bestuursdwang mondeling worden aangezegd en direct worden uitgevoerd. De formele schriftelijke beschikking volgt daarna. Voorbeelden van spoedeisende situaties:
Preventieve last onder bestuursdwang of dwangsom
Wanneer er duidelijk gevaar is dat een overtreding op korte termijn zal plaatsvinden, kunnen wij preventief een last onder bestuursdwang of dwangsom opleggen. De overtreding moet dan zo concreet zijn dat deze duidelijk in de beschikking kan worden omschreven. Zo blijft de rechtszekerheid van de overtreder gewaarborgd.
Afstemming met sanctietabellen en regelgeving
Op basis van de interventiematrix (figuur 2) en de LHSO bepalen wij welke maatregel of combinatie van maatregelen het meest passend is. We houden hierbij rekening met verzachtende of verzwarende omstandigheden. Bij de toepassing van bestuursrechtelijke instrumenten hebben wij beleidsvrijheid, maar we motiveren onze keuzes zorgvuldig.
Voor het vaststellen van de begunstigingstermijn (de hersteltermijn) en de hoogte van dwangsommen volgen wij de “Leidraad handhavingsacties en begunstigingstermijnen”.
De gemeente heeft beleidsvrijheid bij het bepalen van de hoogte van de dwangsom. De hoogte is afgestemd op de ernst van de overtreding (evenredigheid) en moet effectief zijn om naleving te stimuleren. De LHSO dient als richtlijn. In uitzonderlijke gevallen kan van de richtlijn worden afgeweken als de situatie daar aanleiding toe geeft.
De begunstigingstermijn is de tijd die de overtreder krijgt om de overtreding te beëindigen. Deze termijn moet enerzijds redelijk zijn om herstel mogelijk te maken, maar anderzijds niet langer dan noodzakelijk, zodat geen sprake is van feitelijk gedogen. Volgens de LHSO gelden de volgende uitgangspunten:
Verlengen begunstigingstermijn
In principe verlengen wij geen begunstigingstermijnen. Alleen bij een gegronde reden kan dit worden gedaan, bijvoorbeeld als:
Een verlenging is een nieuw besluit, waartegen bezwaar en beroep openstaan. Bezwaar of beroep schort de werking van de beschikking niet automatisch op; daarvoor moet de overtreder een voorlopige voorziening vragen bij de rechtbank.
Tijdelijk stilleggen activiteiten
Als tijdens toezicht niet-toegestane activiteiten worden geconstateerd en overleg geen oplossing biedt, kan de toezichthouder besluiten om de activiteiten direct stil te leggen. Dit kan mondeling worden meegedeeld en wordt binnen vijf werkdagen schriftelijk bevestigd. De toezichthouder legt ter plaatse duidelijk vast:
De stillegging wordt gevolgd door een (preventieve) last onder dwangsom, zodat voorkomen wordt dat de activiteit wordt hervat. De portefeuillehouder wordt hierover geïnformeerd.
Geheel of gedeeltelijk intrekken van een vergunning
Het intrekken van een vergunning is een zwaar middel en wordt alleen in uitzonderlijke gevallen toegepast. Dit kan alleen als er sprake is van een begunstigde beschikking die verband houdt met de overtreding. Intrekking kan de strijdigheid vergroten en rechtmatige onderdelen raken. Een vergunning kan worden ingetrokken:
Daarnaast kan op grond van artikel 5.40, tweede lid, van de Omgevingswet een bouwvergunning worden ingetrokken als daar binnen één jaar (of een langere in de vergunning bepaalde termijn) geen gebruik van is gemaakt.
De kosten die de gemeente maakt bij het uitvoeren van bestuursdwang worden verhaald op de overtreder via een kostenverhaalsbeschikking. Bij verbeurde dwangsommen nemen wij een invorderingsbeschikking.
Basiswerkwijze bij invordering:
De bestuurlijke boete is geregeld in afdeling 5.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze kan alleen worden opgelegd als dit expliciet in de wet is bepaald. Het is een onvoorwaardelijke geldboete die direct kan worden opgelegd bij ernstige overtredingen.
Het doel is een ‘lik-op-stuk’-aanpak: door een directe financiële prikkel te geven, wordt naleving gestimuleerd. De bestuurlijke boete kan ook worden gecombineerd met andere sancties, zoals bestuursdwang.
Verzoeken om handhaving en overige meldingen
De toezichthouder is verantwoordelijk voor de afhandeling van verzoeken en meldingen. Deze komen meestal van inwoners, maar soms ook van bedrijven of belangengroepen.
Als er sprake is van een overtreding en er zijn geen bijzondere omstandigheden, starten wij een handhavingsprocedure.
Strategie bij handhavingsverzoeken en meldingen
Overtredingen kunnen ook door derden worden gemeld, mondeling of schriftelijk. Bij elke melding bepalen wij op basis van de prioritering in deze U&HS of en wanneer de melding in behandeling wordt genomen.
De toezichthouder beoordeelt de situatie op locatie en informeert de melder over de afhandeling. Er geldt geen wettelijke beslistermijn, maar wij streven naar een snelle en duidelijke terugkoppeling.
Samenwerking bij toezicht en handhaving
Samenwerking is essentieel voor effectief en integraal toezicht. We werken nauw samen met onze regionale ketenpartners, waaronder:
De basiswerkwijze sluit aan bij de bestaande regionale samenwerkingsafspraken.
Optreden tegen eigen organisatie of andere overheden
Ook bij overtredingen door overheden, inclusief onze eigen gemeente, passen wij dezelfde regels toe als bij andere overtreders. De overheid heeft een voorbeeldfunctie en is gebonden aan dezelfde rechten en plichten.
Bij handhaving tegen overheden volgen wij de LHSO, met aandacht voor het voorkomen van onnodige publieke kosten als naleving op een andere manier kan worden bereikt. De portefeuillehouder wordt hierover altijd geïnformeerd.
Met de vaststelling van deze Uitvoerings- en Handhavingsstrategie (U&HS) stelt de gemeente Midden-Groningen ook de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO) als lokaal toetsings- en afwegingskader vast.
Uitgangspunt: naleving is verplicht
Wetten zijn niet vrijblijvend.
Iedereen moet zich eraan houden, en de overheid heeft een beginselplicht tot handhaving. Dat betekent dat de gemeente moet optreden bij overtredingen van regels.
Alleen in zeer uitzonderlijke situaties kan van deze plicht worden afgeweken. Dat noemen we gedogen: de gemeente (burgemeester of college van B&W) besluit bewust niet handhavend op te treden tegen een overtreding. Gedogen is dus uitzonderlijk en tijdelijk. Het uitgangspunt blijft dat overtredingen niet worden toegestaan.
In deze situaties kan het tijdelijk gedogen van een overtreding een alternatief zijn voor handhaving. De gemeente Midden-Groningen past dit alleen toe als laatste redmiddel en met grote terughoudendheid.
Landelijk kader: Grenzen aan gedogen
Het kabinet heeft in de nota “Grenzen aan gedogen” (landelijk beleidskader) duidelijk gemaakt dat overheden niet lichtvaardig of willekeurig mogen gedogen. De gemeente Midden-Groningen onderschrijft deze uitgangspunten volledig. Volgens dit kader gelden bij gedogen de volgende voorwaarden:
Een gedoogbeslissing is géén besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom kan er geen bezwaar of beroep worden ingesteld tegen een gedoogbeslissing, tegen het weigeren van een gedoogbeslissing of tegen het intrekken ervan.
Dit is bevestigd in jurisprudentie, waaronder: ECLI:NL:RVS:2019:1356 (Raad van State, 24 april 2019).
Wel kan iemand die wordt geconfronteerd met een gedoogbeslissing de gemeente verzoeken om handhavend op te treden. Tegen het besluit op zo’n handhavingsverzoek kan vervolgens beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld.
Bijlage 5 Toetsings- en toezichtstrategie Wkb
Voor bouwwerken die onder de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vallen, verandert het proces van vergunningverlening. De gemeente toetst niet langer vooraf de bouwtechnische regels, maar beoordeelt meldingen vóór en na de bouw. De bedoeling van de Wkb is om de bouwkwaliteit te verbeteren en de positie van de consument te versterken. Zo worden bouwfouten en malafide aannemers beter voorkomen.
Wanneer de Wkb van toepassing is, voert de gemeente geen technische toets meer uit. Dit geldt voor alle fasen: bij de vergunningverlening, tijdens de bouw en bij het toezicht achteraf. In plaats daarvan controleert de gemeente of er een gecertificeerde kwaliteitsborger is aangesteld.
Voor de uitvoering van de VTH-taken bij bouwwerken onder de Wkb moeten een aantal keuzes worden gemaakt:
De belangrijkste beleidsvraag is in welke mate de gemeente zelf nog wil controleren of een bouwwerk zonder afwijkingen van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) wordt opgeleverd, of dat de gemeente volledig vertrouwt op de controles van de kwaliteitsborger.
In paragraaf 1.2 staat welke keuze daarvoor als uitgangspunt geldt.
1.2 Algemeen uitgangspunt beleid
De gemeente Midden-Groningen volgt bij de uitvoering van de Wkb een duidelijk uitgangspunt: we willen waar nodig controleren, maar vooral vertrouwen op het werk van de kwaliteitsborger. De onderstaande tabel geeft de drie mogelijke beleidsvarianten weer.
De kwaliteitsborger is verantwoordelijk voor de technische kwaliteit van het bouwwerk. Omdat dit een nieuwe manier van werken is, houdt de gemeente bij variant B nog wel steekproefsgewijs toezicht. Zo blijven we zicht houden op de uitvoering en op de bouwkwaliteit binnen de gemeente.
Wij hanteren daarbij de volgende uitgangspunten:
1.3 Bijzondere lokale omstandigheden
De kwaliteitsborger stelt een borgingsplan op dat gebaseerd is op een risicobeoordeling. Daarbij moet de borger rekening houden met bijzondere lokale omstandigheden die invloed kunnen hebben op de bouwkwaliteit. De initiatiefnemer en de kwaliteitsborger zijn zelf verantwoordelijk om bij de gemeente te informeren naar eventuele lokale omstandigheden.
Een bijzondere lokale omstandigheid is een situatie die kan leiden tot een risico dat het bouwwerk niet aan de technische eisen van het Bbl voldoet. Voorbeelden zijn:
In de praktijk is het voor initiatiefnemers en kwaliteitsborgers nog niet altijd eenvoudig om de juiste informatie hierover te vinden. De gemeente Midden-Groningen helpt hierbij waar mogelijk door relevante informatie beschikbaar te stellen via de eigen kanalen.
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) staat welke informatie verplicht is bij een bouw- of gereedmelding.
Als niet alle verplichte gegevens zijn ingediend, is de melding onvolledig. Een onvolledige melding geldt juridisch als niet gedaan.
Een bouw mag pas starten na een volledige bouwmelding. De gemeente moet binnen vier weken na ontvangst laten weten of de melding volledig is. Als de melder binnen die termijn geen bericht ontvangt, mag hij er redelijkerwijs van uitgaan dat de melding volledig is en dat de bouw mag beginnen.
Bij een onvolledige melding is aanvullen niet toegestaan; er moet een nieuwe melding worden ingediend.
Voor de gereedmelding geldt hetzelfde principe:
Ook hierbij heeft de gemeente twee weken om te reageren. Wordt binnen die termijn geen bericht ontvangen, dan mag de initiatiefnemer aannemen dat de melding volledig is.
De gemeente Midden-Groningen behandelt meldingen binnen deze wettelijke termijnen. De afhandeling is vastgelegd in RX.Mission. Hoewel een bevestiging van een volledige melding formeel niet verplicht is, sturen wij altijd een reactie op een ingediende melding.
2.3 Toets van volledigheid van de bouwmelding
Een bouwmelding is volledig als alle gegevens en bescheiden uit artikel 2.19 Bbl zijn ingediend. In de praktijk gaat het om:
De eisen voor het borgingsplan staan in artikel 3.80 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Als het borgingsplan niet aan deze eisen voldoet, is ook de bouwmelding niet volledig.
In het borgingsplan staat hoe risico’s tijdens het bouwen worden beheerst. Het gaat om risico’s waardoor het bouwwerk na oplevering mogelijk niet aan de regels voldoet. De kwaliteitsborger moet bijzondere aandacht besteden aan onderdelen die na de bouw niet meer zichtbaar zijn.
De inspectiepunten en controlemomenten in het borgingsplan moeten aansluiten bij:
Als in de risicobeoordeling een risico wordt genoemd waarvoor in het borgingsplan geen beheersmaatregel is opgenomen, dan voldoet het borgingsplan niet aan de eisen en is de bouwmelding onvolledig.
Het is niet aan de gemeente om de inhoudelijke kwaliteit van het borgingsplan te beoordelen. De borging van risico’s is de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger. De gemeente mag dus geen borgingsplan afkeuren omdat zij vindt dat maatregelen onvoldoende zijn.
Wel geldt dat de kwaliteitsborger rekening moet houden met bijzondere lokale omstandigheden. Als dat niet is gebeurd, neemt de gemeente dat bouwwerk op voor steekproefsgewijze controle.
Bijzondere lokale omstandigheden zijn niet hetzelfde als bouwveiligheid. Bouwveiligheid gaat over risico’s voor personen in en rond het bouwterrein (zoals instortingsgevaar of vallende objecten). Die risico’s vallen onder artikel 7.15 Bbl en zijn niet de verantwoordelijkheid van de kwaliteitsborger.
De mate waarin de gemeente het borgingsplan controleert, hangt af van de gekozen controleoptie:
De gemeente Midden-Groningen kiest voorlopig voor optie 2. Wij controleren of bijzondere lokale omstandigheden goed zijn vertaald in beheersmaatregelen. Daar richten we ons toezicht op (zie hoofdstuk 3). Daarnaast voeren we steekproefsgewijs controles uit op maximaal één op de vijf borgingsplannen.
De opdrachtgever of uitvoerder moet zelf de risico’s voor de directe omgeving inschatten. Bij hoge risico’s moet een bouwveiligheidsplan worden opgesteld en een veiligheidscoördinator directe omgeving worden aangesteld. De gemeente kan deze plannen vooraf opvragen op grond van artikel 2.20 Bbl. Dit doen we bij bouwplannen waarbij reëel gevaar voor de omgeving kan ontstaan.
2.4 Toets van volledigheid van de gereedmelding
Een gereedmelding is volledig als alle gegevens uit artikel 2.21 Bbl zijn ingediend. In de praktijk gaat het om:
Met de verklaring bevestigt de kwaliteitsborger dat:
Het dossier bevoegd gezag bevat:
In de praktijk bestaat het dossier uit as-built tekeningen en rapporten. Een toelichting over hoe deze gegevens te vinden zijn, staat in het verslag Invulling dossier bevoegd gezag.
Het dossier wordt ingediend bij de gereedmelding en is het eerste moment waarop de gemeente de bouwinformatie ontvangt. De controle van dit dossier is een belangrijk moment om te zien of het bouwwerk daadwerkelijk voldoet aan het Bbl. De mate van controle kan verschillen:
De gemeente Midden-Groningen kiest bij de gereedmelding voor optie 2: een gedeeltelijke controle van het dossier bevoegd gezag. Dat geldt vooral voor projecten die eerder steekproefsgewijs zijn gecontroleerd.
Ook na de invoering van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) blijft de gemeente bevoegd om toezicht te houden en te handhaven. De kwaliteitsborger is verantwoordelijk voor het bouwtechnische deel, maar de gemeente blijft verantwoordelijk voor het publiekrechtelijk toezicht op de naleving van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Als er signalen zijn dat niet aan de bouwvoorschriften wordt voldaan, kan de gemeente handhavend optreden. De juridische basis hiervoor blijft de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Op grond van deze wet mag de bouwplaats worden betreden en kan medewerking worden gevorderd.
Volgens artikel 2.20 Bbl mag de gemeente informatie opvragen over specifieke bouwwerkzaamheden en de momenten waarop deze worden uitgevoerd. Wij doen dit alleen als daar een goede reden voor is. Bijvoorbeeld:
Aanleiding voor toezicht kan ontstaan uit:
De gemeente moet bepalen in welke mate zij vertrouwen stelt in de kwaliteitsborger. We kunnen ervoor kiezen om volledig te vertrouwen, of om zelf in bepaalde mate controle te blijven houden.
De gemeente kan ervoor kiezen om zelf bouwcontroles in te plannen. Redenen hiervoor zijn:
Toezicht tijdens de bouw is vaak effectiever dan handhaven achteraf. Met andere woorden: voorkomen is beter dan genezen.
De mate waarin we toezicht houden, hangt af van de gekozen optie:
De gemeente Midden-Groningen kiest voor optie 2: toezicht op kritische bouwactiviteiten. Wij hanteren daarbij de volgende uitgangspunten:
3.3 Meldingen over afwijkingen van het Bbl
Tijdens de bouw kan blijken dat het bouwwerk mogelijk niet meer voldoet aan de regels van het Bbl. Het gaat dan vaak om situaties die later niet meer hersteld of gecontroleerd kunnen worden. Voorbeelden zijn:
Wanneer de kwaliteitsborger een afwijking constateert, moet hij volgens artikel 3.86 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) direct zijn opdrachtgever en betrokken partijen informeren.
Als de aannemer of opdrachtgever het probleem niet wil oplossen, kan de kwaliteitsborger aan het eind van de bouw geen verklaring afgeven. In dat geval moet hij ook het bevoegd gezag informeren (de zogenaamde Kennisgeving strijdigheid Bbl).
De toezichthouder van de gemeente behandelt deze kennisgeving en beoordeelt:
Als de ontvangen informatie onvoldoende is, kan de toezichthouder op grond van artikel 2.20 Bbl aanvullende projectinformatie opvragen. De toezichthouder beslist vervolgens, eventueel na overleg met een jurist, of en hoe er handhavend wordt opgetreden. Dat kan betekenen dat de bouw (tijdelijk) wordt stilgelegd totdat het probleem is opgelost. We volgen daarbij de Landelijke Handhavingsstrategie Omgevingsrecht (LHSO), waarbij we de ernst van het risico en het gedrag van de overtreder afwegen.
De ernst van de afwijking bepaalt ook de prioriteit van het optreden. Zo wordt de bouw direct stilgelegd bij een probleem met de draagconstructie, maar niet bij een kleine afwijking zoals het type isolatiemateriaal. De prioriteiten voor handhaving zijn vastgelegd in onderdeel II van deze bijlage.
Een conflict is opgelost zodra de kwaliteitsborger kan aantonen dat de afwijking is hersteld of kan worden hersteld. Zodra dat duidelijk is, trekt de gemeente een eventuele bouwstop (last onder bestuursdwang) in, en mag de bouw worden hervat. De gemeente hoeft niet zelf te controleren of het probleem daadwerkelijk is opgelost. Het is de taak van de kwaliteitsborger om dit te waarborgen en hierover aan het einde van het bouwproces een verklaring af te geven.
Ook anderen dan de kwaliteitsborger kunnen een melding doen over mogelijke afwijkingen, bijvoorbeeld een opdrachtgever of omwonende. In dat geval voert de gemeente zelf een controle uit.
Het kan voorkomen dat de kwaliteitsborger zijn opdracht beëindigt, bijvoorbeeld omdat hij verwacht dat de strijdigheden met het Bbl niet kunnen worden opgelost. Ook dat meldt hij in een Kennisgeving strijdigheid Bbl.
In zo’n geval kan er geen verklaring meer worden afgegeven en dus ook geen volledige gereedmelding worden ingediend. De gemeente moet dan de bouw stilleggen en de bouwmelder verplichten om een nieuwe kwaliteitsborger aan te stellen.
De nieuwe kwaliteitsborger moet het hele werk opnieuw beoordelen, inclusief de al uitgevoerde onderdelen. Aan het einde van het traject moet hij een verklaring afgeven dat het bouwwerk voldoet aan de regels van hoofdstuk 4 van het Bbl.
Let op: de nieuwe kwaliteitsborger hoeft geen nieuwe bouwmelding in te dienen. Hij kan de werkzaamheden voortzetten onder de bestaande melding van zijn voorganger.
Beëindiging bouwwerkzaamheden zonder volledige verklaring
Aan het einde van de bouwfase moet een gereedmelding worden ingediend. Daarbij hoort een verklaring van de kwaliteitsborger dat het bouwwerk voldoet aan de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Als de gemeente binnen twee weken geen bericht stuurt dat de gereedmelding onvolledig is, mag het bouwwerk in gebruik worden genomen. Zonder getekende verklaring is de gereedmelding niet volledig en is gebruik van het bouwwerk verboden.
Toch kan het voorkomen dat een bouwwerk in gebruik wordt genomen zonder volledige gereedmelding. Bijvoorbeeld:
In die situaties start de gemeente in principe een handhavingstraject. In uitzonderlijke gevallen kan gekozen worden om tijdelijk te gedogen. Dit mag alleen als duidelijk is dat de resterende gebreken binnen korte tijd worden opgelost. Bij het bepalen of gedogen verantwoord is, kijken we naar:
De prioriteiten voor afwijkingen van het Bbl staan in tabel II.
Daarnaast speelt de gebruiksfunctie van het gebouw een rol. Een kleine afwijking kan in een bedrijfsgebouw minder risico opleveren dan in een woning waar mensen, mogelijk met kinderen, verblijven. Bijvoorbeeld:
Kortom: bij elke situatie beoordelen we zowel de ernst van de afwijking als het gebruik van het bouwwerk. Het overzicht van prioriteiten per gebruiksfunctie staat in tabel III.
Bij woningbouwprojecten worden vaak meerdere woningen tegelijk gebouwd, maar in fases opgeleverd. Soms worden de eerste woningen al bewoond terwijl de laatste nog in aanbouw zijn. De kwaliteitsborger geeft pas aan het einde van het totale project één verklaring af.
Dat betekent dat sommige woningen al in gebruik worden genomen zonder dat er een volledige gereedmelding is. Er zijn drie manieren om daarmee om te gaan:
De gemeente Midden-Groningen kiest voor optie 2. Onze overwegingen hierbij zijn:
Bij elke deeloplevering vragen wij specifieke gegevens op die aantonen dat het bouwwerk voldoet aan de eisen van het Bbl. Dat kan bijvoorbeeld gaan om stukken over constructieve veiligheid en brandveiligheid. Om te beoordelen of legalisatie mogelijk is, moet de initiatiefnemer een beperkt as-built dossier aanleveren én een verklaring van de kwaliteitsborger dat er tot dat moment geen problemen zijn geconstateerd. Uit proefprojecten blijkt dat het samenstellen van dit dossier tijd kost, maar wel uitvoerbaar is.
Om een bouwwerk te kunnen registreren en een huisnummer toe te kennen, is een brondocument nodig. Dit wordt geregeld via een melding aan de BAG-beheerder, zodat registratie correct verloopt binnen het proces.
Tabel I. Inhoud dossier bevoegd gezag
Een gereedmelding is pas volledig als het dossier bevoegd gezag alle gegevens bevat die worden gevraagd in artikel 2.21 van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In de onderstaande tabel staat welke informatie volgens het artikel verplicht is en welke stukken daarbij horen. In de eerste kolom staan de eisen uit artikel 2.21 Bbl. In de tweede kolom staat welke projectstukken moeten worden toegevoegd aan het dossier bevoegd gezag.
Overzicht vereiste onderdelen.
Voor alle onderdelen geldt dat het moet gaan om de as-built revisies: de stukken moeten zijn aangepast aan de gerealiseerde situatie.
Met andere woorden: de gegevens in het dossier bevoegd gezag moeten overeenkomen met hoe het bouwwerk daadwerkelijk is uitgevoerd.
Tabel II. Prioriteitenstelling voor type afwijkingen van het Bbl
Wanneer een bouwwerk afwijkt van de regels in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), kan de gemeente handhavend optreden. Om te bepalen hoe snel en met welk middel dit gebeurt, maken we een inschatting van het risico dat ontstaat als de afwijking niet direct of volledig wordt hersteld.
In onderstaande tabel is per onderdeel van hoofdstuk 4 van het Bbl aangegeven hoe groot dit risico is. De prioriteit geeft aan hoe dringend herstel nodig is:
1 = hoog risico (direct handelen)
4 = laag risico (behandeling mogelijk op langere termijn)
Tabel III. Prioriteitenstelling voor gebruiksfuncties van bouwwerken
Zoals beschreven in paragraaf 4.1 moet bij het beoordelen van het gebruik van een bouwwerk zonder volledige gereedmelding ook de gebruiksfunctie van het gebouw worden meegewogen. De gebruiksfunctie bepaalt mede hoe ernstig de gevolgen kunnen zijn van een afwijking van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
In onderstaande tabel is per gebruiksfunctie aangegeven welke prioriteit geldt voor de verschillende onderdelen van het Bbl:
De prioriteit geeft de urgentie van herstel of handhaving aan:
1 = hoog risico / direct ingrijpen nodig
4 = laag risico / minder urgent
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-571842.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.