Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026

Nummer 615156/615169

De raad van de gemeente Renswoude;

Gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders d.d. 4 november 2025;

Gelet op artikel 228 a van de Gemeentewet;

BESLUIT:

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2026

 

Artikel 1 Begripsomschrijving

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • 1.

    qemeenteliike riolerinq: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • 2.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • 3.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater;

  • 4.

    GBLT: het openbaar lichaam GBLT.

 

Artikel 2. Aard van de belasting  

Onder de naam "rioolheffing" wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater, en:

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht  

  • 1.

    Voor artikel 5, eerste lid, sub a, van deze verordening, geldt dat de belasting wordt geheven van de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt.

  • 2.

    Voor artikel 5, eerste lid, sub b, van deze verordening, geldt dat de belasting wordt geheven van de persoon die een perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en van waaruit water, niet zijnde hemelwater, direct vof indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

  • 3.

    Voor het gebruikersdeel wordt:

    • a.

      gebruik van een perceel door de leden van een huishouden aangemerkt als gebruik door het door de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde gemeenteambtenaar aangewezen lid van dat huishouden;

    • b.

      gebruik door degene aan wie een deel van een perceel in gebruik is gegeven, aangemerkt als gebruik door de persoon die dat deel in gebruik heeft gegeven;

    • c.

      het ter beschikking stellen van een perceel voor volgtijdig gebruik, aangemerkt als gebruik door de degene die dat perceel ter beschikking heeft gesteld.

       

Artikel 4.Zelfstandige gedeelten  

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, worden de belastingen geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

 

Artikel 5. Maatstaf van heffing  

  • 1.

    De belasting wordt geheven voor percelen:

    • a.

      die in hoofdzaak tot woning dienen: naar een vast bedrag per perceel;

    • b.

      die niet in hoofdzaak tot woning dienen:

naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 2.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel toegevoegd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 3.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

a, watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of;

b. bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

4. De op de voet van lid 3 van dit artikel berekende hoeveelheid opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

  • 5.

    In afwijking van lid 1 wordt de belasting voor percelen waarvoor geen leidingwater wordt betrokken van het waterbedrijf en waarnaar geen grondwater of oppervlaktewater wordt opgepompt geheven naar een vast bedrag per perceel.

  • 6.

    Ingeval er sprake is van een gemeenschappelijke watermeter voor twee of meer percelen, dan wordt de hoeveelheid toegevoerd water voor ieder van die percelen gesteld op een aandeel dat rechtevenredig is aan het aantal percelen dat op de gemeenschappelijke watermeter is aangesloten.

     

Artikel 6. Belastingtarieven  

1 . Het tarief bedraagt voor percelen bedoeld in artikel 5, lid 1, onderdeel a van deze verordening:

a. voor eenpersoonshuishouden € 250,00;

b. voor een meerpersoonshuishouden € 280,00.

 

  • 2.

    Het tarief bedraagt voor percelen bedoeld in artikel 5, lid 1, onderdeel b van deze verordening als volgt:.

a. voor elke hoeveelheid van 0 m3 tot 200 m3 € 510,00;

b. voor elke hoeveelheid vanaf 200 rn3 of daar boven € 720,00.

Deze staffel is niet cumulatief

  • 3.

    Het tarief bedraagt voor percelen bedoeld in artikel 5, lid 5 van deze verordening € 15,00.

     

Artikel 7. Belastingjaar  

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 8. Wijze van heffing  

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang  

 

  • 1.

    De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over een evenredig aantal dagen dat er in het belastingjaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog overblijft.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de van het belastingjaar eindigt bestaat aanspraak op ontheffing voor een evenredig aantal dagen dat er in het belastingjaar, na de beëindiging van de belastingplicht, nog overblijft, tenzij het bedrag van de ontheffing minder dan € 5,00 bedraagt.

  • 4.

    Het tweede en het derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige in de loop van het belastingjaar feitelijk gebruik van een perceel beëindigd en direct aansluitend het feitelijk gebruik van een ander perceel heeft.

5. Indien de belastingplicht is beëindigd na de dagtekening van de aanslag, kan de belastingplichtige een aanvraag tot ontheffing indienen bij de ambtenaar belast met de heffing.

 

Artikel 10. Aanslaggrens  

  • 1.

    De belasting wordt niet geheven, indien het totale belastingbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, minder dan € 5,00 bedraagt.

  • 2.

    Voor toepassing van het eerste lid wordt het totaal van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen als één aanslag aangemerkt.

     

Artikel 11. Termijnen van betaling  

1. In afwijking van artikel 9, lid 1 van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen, dan wel op één aanslagbiljet verenigde aanslagen worden betaald in één termijn, die vervalt twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

2. In afwijking van lid 1 van dit artikel worden belastingaanslagen waarvoor de belastingschuldige een machtiging heeft afgegeven om deze af te schrijven door middel van automatische incasso, betaald in tien maandelijkse termijnen. Als de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen voor of op de 15de van een kalendermaand, vervalt de eerste incassotermijn nog diezelfde kalendermaand. In alle andere gevallen vervalt de eerste incassotermijn aan het einde van de kalendermaand volgend op de kalendermaand waarin de dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen.

3. Indien het totaal te betalen bedrag zoals vermeld op het aanslagbiljet € 10,00 of minder bedraagt, wordt dit bedrag in afrv'ijking van lid 2 van dit artikel in één termijn afgeschreven twee maanden na dagtekening van het aanslagbiljet.

4. De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel genoemde termijnen.

 

Artikel 12. Kwijtschelding  

Bij de invordering van rioolheffing wordt uitsluitend geheel of gedeeltelijke kwijtschelding verleend voor de tarieven zoals genoemd in artikel 6, lid 1, van deze verordening.

 

Artikel 13. Nadere regels  

Het dagelijks bestuur van GBLT kan nadere regels geven voor de heffing en de invordering van rioolheffing.

 

Artikel 14. Overgangsbepaling, inwerktreding en citeertitel  

 

  • 1.

    De 'Verordening rioolheffing 2025' van 10 december 2024 wordt ingetrokken met ingang van de in lid 3 van dit artikel genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich hebben voorgedaan véér de in het derde lid genoemde datum van ingang van heffing.

  • 2.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

  • 3.

    De datum van ingang van de heffing op grond van de verordening is 1 januari 2026.

  • 4.

    Deze verordening kan worden aangehaald als 'Verordening rioolheffing 2026'.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Renswoude van 9

december 2025.

 

Namens deze,

Marcel Jansen

De griffier

Naar boven