Gemeenteblad van Eijsden-Margraten
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eijsden-Margraten | Gemeenteblad 2025, 571603 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Eijsden-Margraten | Gemeenteblad 2025, 571603 | algemeen verbindend voorschrift (verordening) |
Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026
Burgemeester en wethouders kunnen bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. Voor zover van toepassing, wordt hierin tevens bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.
Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de wet weigeren burgemeester en wethouders de subsidie in ieder geval:
Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat onverwijld schriftelijk aan burgemeester en wethouders.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Bij subsidies die voor meer dan een jaar worden verleend en die meer bedragen dan € 5.000 per jaar, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. De verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar verlangd.
Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan burgemeester en wethouders een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de wet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Artikel 14. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
Subsidies tot en met € 5.000 per jaar of activiteit worden door burgemeester en wethouders direct vastgesteld.
Artikel 17. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000
Als een aanvraag tot subsidievaststelling niet voor het tijdstip, bedoeld in de artikelen 15, eerste lid en 16, eerste lid, aanhef en onder a tot en met c, is ingediend, kunnen burgemeester en wethouders de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de aanvraag niet binnen deze termijn wordt ingediend, kunnen zij overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Burgemeester en wethouders kunnen bij subsidieregeling bepalen of en op welke wijze subsidies die voor meerdere jaren worden verstrekt, worden geïndexeerd.
In een subsidieregeling kan worden bepaald dat door burgemeester en wethouders van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van die regeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen.
In dit artikel is een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken. Er is geen definitie opgenomen van het begrip subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Kenmerken van een subsidie zijn dat er aanspraak is op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten.
Het begrip Europees steunkader is wel gedefinieerd. Het betreft volgens de definitiebepaling een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld. In dit kader kan worden gedacht aan:
De Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1);
De Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1);
De Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37).
Mocht het zo zijn dat een Europees steunkader wordt gewijzigd, aangepast of verlengd dan is het van belang dat de steun in overeenstemming is met de nieuwe bepalingen die daarin zijn opgenomen.
Eveneens is het begrip ‘subsidieregeling’ gedefinieerd. Het betreft een nadere regeling van burgemeester en wethouders betreffende de verstrekking van subsidies. De Algemene subsidieverordening Eijsden-Margraten 2026 (hierna: ASV) en de hieronder hangende subsidieregelingen, vormen samen het kader voor het verstrekken van subsidies. Waar in de ASV de meer algemene regels zijn opgenomen die zien op het proces van subsidieverstrekking, zoals de vereisten voor een aanvraag van subsidies, de weigeringsgronden en de aan subsidies te verbinden verplichtingen, zal in een subsidieregeling nadere vorm worden gegeven aan een specifieke (groep van) subsidie(s). In de subsidieregeling zal bijvoorbeeld onder meer moeten worden bepaald voor welke activiteiten een subsidie wordt verstrekt en wie de doelgroep van een subsidie is (zie over de in een subsidieregeling op te nemen regels de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3). Dit betekent ook dat indien er geen subsidieregelingen worden opgesteld, het slechts in beperkte mate mogelijk is om subsidies te verstrekken. De hoofdregel van de Awb is namelijk dat subsidieverstrekking gebaseerd moet zijn op een wettelijk voorschrift, zoals een subsidieregeling, waarin de te subsidiëren activiteiten staan vermeld (artikel 4:23 Awb). Zonder subsidieregelingen is het kader om subsidies te verstrekken dan ook onvolledig.
Met het eerste lid krijgt het college de bevoegdheid overgedragen om te besluiten over het verstrekken van subsidies waarop de ASV van toepassing is. Dit betreft in beginsel alle subsidies, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen én subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is. Het gaat bij dat laatste om:
Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is, is de ASV in beginsel niet van toepassing. Dit lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat.
Met dit artikel krijgt het college de bevoegdheid om in een subsidieregeling vast te leggen welke activiteiten voor subsidie in aanmerking komen. Als het college daarnaast regels wil stellen over bijvoorbeeld de doelgroepen, de berekeningswijze van de subsidie of de wijze van uitbetaling, moet dit eveneens in de subsidieregeling worden opgenomen.
Ook in andere artikelen van de ASV zijn bevoegdheden gedelegeerd aan burgemeester en wethouders. De nadere uitwerking van deze bevoegdheden dient, net als hierboven, te worden vastgelegd in een subsidieregeling. Het gaat daarbij om:
Het bepalen dat door burgemeester en wethouders van een of meer bepaalde artikelen of artikelleden van de subsidieregeling kan worden afgeweken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen (artikel 20).
Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er in de subsidieregeling afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd.
Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (vierde lid). Net zo goed als bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, kunnen ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (vijfde lid).
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud
Artikel 5 ziet op het vaststellen van een subsidieplafond. Artikel 4:22 van de Awb definieert een subsidieplafond als: het bedrag dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een bepaald wettelijk voorschrift. Het doel van een subsidieplafond is om openeindregelingen te voorkomen. Dat wordt bereikt doordat artikel 4:25, tweede lid, van de Awb voorschrijft dat een aanvraag om subsidie moet worden afgewezen als het subsidieplafond is bereikt.
Op grond van artikel 4:25 van de Awb kan een subsidieplafond slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld. Het eerste lid van artikel 5 van de ASV delegeert deze bevoegdheid aan burgemeester en wethouders; zij kunnen subsidieplafonds vaststellen voor specifieke subsidies. Een subsidieplafond kan ofwel in de subsidieregeling worden vastgesteld, ofwel in een apart besluit. Het subsidieplafond moet op grond van artikel 4:27 van de Awb bekend worden gemaakt voor aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld. Bij deze bekendmaking moet ook de wijze van verdeling worden vermeld (artikel 4:26, tweede lid van de Awb). In het eerste lid van artikel 5 is bepaald dat de wijze van verdeling bij subsidieregeling moet worden bepaald. Indien het plafond in een subsidieregeling zelf is opgenomen, worden het plafond en de wijze van verdeling vanzelfsprekend op hetzelfde moment bekendgemaakt. Indien het subsidieplafond in een apart besluit is opgenomen, zal bij de bekendmaking van dat besluit moeten worden verwezen naar de subsidieregeling waarin de wijze van verdeling is opgenomen.
Het subsidieplafond kan alleen aan de aanvrager worden tegengeworpen, indien het subsidieplafond voor de aanvang van het tijdvak waarvoor het is vastgesteld, bekend wordt gemaakt. Indien het subsidieplafond later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor daarvoor ingediende aanvragen (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Gelet hierop is het belangrijk dat als ervoor wordt gekozen het subsidieplafond in een apart besluit op te nemen en daarin te verwijzen naar een reeds geldende subsidieregeling, in deze subsidieregeling te regelen dat aanvragen pas kunnen worden ingediend ná het vaststellen van het subsidieplafond.
Het tweede en derde lid zien op de mogelijkheid om het subsidieplafond te verlagen. De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden als genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan:
1) aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd;
2) verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting; en
3) de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond.
Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het tweede en derde lid opgenomen. Het komt erop neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond.
Het college is verder verplicht – in lijn met artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – in bepaalde gevallen een begrotingsvoorbehoud te maken bij het verstrekken van subsidies (vierde lid).
In het eerste lid is bepaald dat een aanvraag voor subsidie schriftelijk dient te worden gedaan; en dat als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld, de aanvraag dan met gebruikmaking van dat formulier gedaan moet worden. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld.
In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de aanvraag; dit volgt uit de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: AVG). Het betreft:
a. Een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd.
Deze beschrijving is nodig om te kunnen beoordelen of de voorgenomen activiteiten binnen de reikwijdte van de subsidieregeling vallen.
b. De doelen en resultaten welke met die activiteiten worden nagestreefd en een beschrijving van de wijze waarop de activiteiten daaraan bijdragen, met bijzondere aandacht voor de mate waarin de activiteiten gericht zijn op de gemeente en haar ingezetenen.
Deze informatie maakt het mogelijk om de maatschappelijke relevantie en lokale impact van de activiteiten te beoordelen.
c. Een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan.
Dit is nodig om te toetsen of de aangevraagde subsidie financieel proportioneel is en of er sprake is van dubbele bekostiging.
d. Als de aanvrager een onderneming is, een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot de-minimissteun (de-minimisverklaring).
Met de-minimisssteun wordt bedoeld: steun die wordt verstrekt op grond van de volgende EU-verordeningen inzake staatssteun:
Een de-minimisverklaring is vereist om te controleren of de aanvrager binnen de grenzen blijft van de toegestane staatssteun onder de relevante EU-verordeningen.
e. Als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag.
Deze opgave is nodig om te beoordelen of bestaande financiële middelen binnen de organisatie kunnen worden ingezet voor de gesubsidieerde activiteiten.
f. Het IBAN-nummer waarnaar de subsidie kan worden overgemaakt.
Dit is noodzakelijk voor de correcte en tijdige uitbetaling van de subsidie.
g. Een bewijs waaruit blijkt dat het IBAN-nummer op naam van de aanvrager staat.
Dit bewijs voorkomt dat subsidiebedragen op rekeningnummers van derden worden gestort, en waarborgt dat betalingen terechtkomen bij de rechtmatige ontvanger.
Op grond van het derde lid dient een rechtspersoon die voor de eerste keer subsidie aanvraagt ook een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, alsmede van het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar over te leggen. Deze stukken zijn nodig om de identiteit, rechtsgeldigheid en financiële positie van de aanvrager te kunnen beoordelen, met het oog op een zorgvuldige en verantwoorde subsidieverlening.
Als een subsidieaanvrager er niet in slaagt om de gegevens als genoemd in het tweede en derde lid over te leggen, dient het bestuursorgaan de aanvrager een herstelmogelijkheid te bieden (artikel 4:5 van de Awb). De aanvrager krijgt dan een redelijke termijn om de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. Alleen als de aanvraag daarna nog steeds onvolledig is, kan deze buiten behandeling worden gelaten.
Bij subsidieregeling kan het college besluiten van de voorgaande leden af te wijken, bijvoorbeeld door voor bepaalde subsidieaanvragen meer of andere gegevens en bescheiden te verlangen.
In deze leden zijn de aanvraagtermijnen voor subsidies opgenomen. De aanvraagtermijnen zijn afhankelijk van het soort subsidie. Er wordt onderscheid gemaakt tussen subsidies die voor één of meerdere kalenderjaren (eerste lid), of per boekjaar (tweede lid) worden verstrekt, en andersoortige subsidies (derde lid).
Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de aanvraagtermijnen die vastgesteld zijn in het eerste tot en met derde lid.
In artikel 8 worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Wel is er een vangnetbepaling opgenomen: indien er bij wettelijk voorschrift geen termijn is bepaald, geldt de redelijke termijn van 8 weken uit artikel 4:13, tweede lid, van de Awb.
Wat betreft de termijnen wordt er, net als ten aanzien van de aanvraagtermijnen, onderscheid gemaakt tussen subsidies die per kalenderjaar (eerste lid) en per boekjaar (tweede lid) worden verstrekt en andere subsidies (tweede lid).
Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid.
De beslistermijn bij aanvragen om een subsidie die bij de Europese Commissie aangemeld worden, wordt verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (vierde lid). Dit om te voorkomen dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het VWEU en vervolgens teruggevorderd dient te worden.
In de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb zijn verschillende weigeringsgronden opgenomen. Sommige van deze gronden geven het bestuursorgaan beleidsvrijheid om te besluiten of een subsidie wordt geweigerd, terwijl andere gronden een verplichting tot weigering inhouden. Van een verplichte weigering is sprake wanneer het subsidieplafond door toekenning van de subsidie zou worden overschreden (artikel 4:25, tweede lid) of wanneer de verstrekking van subsidie naar het oordeel van het bestuursorgaan niet verenigbaar is met het bepaalde in de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, oftewel: de staatssteunregels (artikel 4:35, derde lid). Daarnaast bepaalt artikel 4:35 dat een subsidie kan worden geweigerd indien:
In het eerste lid van artikel 9 worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld, die zien op subsidies die raken aan de staatssteunregels.
Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a).
Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).
In sub c is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren (van de Europese Commissie) voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart.
In het tweede lid zijn enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht. Deze gelden in aanvulling op artikel 6 van de Wet bevordering integriteitbeoordelingen door het openbaar bestuur (hierna: Wet Bibob). Het betreft de volgende weigeringsgronden:
a. Als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als ze onvoldoende ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen.
Deze grond waarborgt dat publieke middelen worden ingezet voor activiteiten met lokaal maatschappelijk belang en directe relevantie voor de gemeente en haar inwoners.
b. Als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt gevraagd.
De subsidie is bedoeld om activiteiten mogelijk te maken die zonder financiële ondersteuning niet of slechts beperkt kunnen worden uitgevoerd. Als de aanvrager de kosten ook zelf kan dragen, is het niet nodig om daar gemeenschapsgeld voor in te zetten.
c. Als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen.
Dit betekent dat de aanvraag moet voldoen aan de voorwaarden die in de ASV en subsidieregeling zijn opgenomen, bijvoorbeeld dat het een activiteit betreft die op grond van de subsidieregeling voor subsidie in aanmerking komt.
d. Als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift.
Hiermee wordt voorkomen dat subsidies worden verleend op een wijze die in strijd is met hogere wet- en regelgeving, zoals nationale wetgeving of Europese regels.
e. Als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt.
Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als het college besluit over te gaan tot melding, dan wordt in verband met de standstill-verplichting de beslistermijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen (zie artikel 8, vierde lid). Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd.
f. In de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.
Dit onderdeel biedt ruimte om in subsidieregelingen aanvullende weigeringsgronden op te nemen die zijn toegespitst op de betreffende subsidie.
Dit artikel bepaalt dat, voor zover de wijze van verantwoording niet is vastgelegd in een subsidieregeling, deze wordt opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Artikelen 14, 15 en 16 van de ASV bevatten een getrapt systeem voor de eindverantwoording, gebaseerd op de hoogte van het subsidiebedrag. Conform artikel 10 moet in de subsidieregeling of, indien van toepassing, in de beschikking worden vastgelegd welke verantwoordingswijze geldt. Zo is voor de subsidieontvanger tijdig duidelijk aan welke verplichtingen moet worden voldaan.
Artikel 11. Algemene verplichtingen van subsidieontvanger
Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) en informatieplicht (tweede lid) die voor alle subsidieontvangers geldt. Met ‘schriftelijk’ in het eerste lid is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. De melding kan ook digitaal worden gedaan als het college de digitale weg open heeft gesteld.
Artikel 12. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen
Aan een subsidie kunnen op grond van de Awb verplichtingen worden verbonden. In de Awb worden drie soorten onderscheiden:
Standaardverplichtingen (artikel 4:37). Deze staan al genoemd in de wet, en hoeven dus niet herhaald te worden in een verordening of subsidieregeling om te kunnen worden opgelegd. Het gaat om verplichtingen met betrekking tot:
het uitoefenen van controle door een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek op het door het bestuursorgaan gevoerde financiële beheer en de financiële verantwoording daarover.
Verplichtingen die te maken hebben met het doel waarvoor de subsidie wordt verstrekt (artikel 4:38, van de Awb). De Awb bepaalt dat indien de subsidie op een wettelijk voorschrift berust, deze verplichtingen worden opgelegd bij wettelijk voorschrift of krachtens wettelijk voorschrift bij subsidieverlening.
Verplichtingen die losstaan van het doel waarvoor de subsidie worden verstrekt (4:39 Awb). Deze verplichtingen moeten betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. Ze kunnen alleen worden opgelegd als dat bij wettelijk voorschrift is bepaald (artikel 4:39, eerste lid, van de Awb).
In artikel 12 wordt een grondslag gecreëerd voor het college om bepaalde bijzondere verplichtingen in de zin van de Awb aan een subsidie te verbinden.
Dit lid biedt de mogelijkheid om bij subsidies die betrekking hebben op activiteiten die over een langere periode (meer dan één jaar) worden uitgevoerd en die hoger zijn dan € 5.000 per jaar een tussentijdse verantwoordingsverplichting op te leggen. Daarmee wordt het bestuursorgaan in staat gesteld om de voortgang van langdurige, financieel omvangrijkere gesubsidieerde activiteiten gedurende de looptijd te volgen. Om de administratieve lasten voor de subsidieontvanger te beperken, is bepaald dat tussentijdse verantwoording niet vaker dan eenmaal per jaar mag worden verlangd.
Het tweede lid ziet op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren.
Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen:
Deze vergoedingsplicht geldt echter alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). Met het vierde lid krijgt het college de bevoegdheid om hier uitvoering en invulling aan te geven. In de praktijk zal dit voornamelijk aan de orde zijn bij rechtspersonen die subsidie voor één of meerdere kalenderjaren ontvangen.
De figuur van de egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb. Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidieontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 van de Awb alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de ASV, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies.
Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalender- of boekjaar wordt verstrekt en die meer dan € 5.000 per jaar bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.
Naast een door het college opgelegde verplichting kan op grond van het tweede lid elke subsidieontvanger het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen.
Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van het eerste of tweede lid alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt.
Artikel 14. Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 5.000
Dit artikel regelt dat subsidies tot en met € 5.000 per jaar of per activiteit direct worden vastgesteld. Dat betekent dat de subsidie bij de verlening tevens wordt vastgesteld, zonder dat na afloop nog een aparte aanvraag tot vaststelling en eindverantwoording nodig is. Deze werkwijze sluit aan bij artikel 4:47 van de Awb en is bedoeld om de administratieve lasten voor zowel de subsidieontvanger als het bestuursorgaan te beperken.
Artikel 15. Eindverantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 50.000
In dit artikel is bepaald op welke wijze subsidieontvangers subsidie tussen € 5.000 en € 50.000 per jaar of activiteit aan het college dienen te verantwoorden; er dient een aanvraag tot vaststelling ingediend te worden (eerste lid), deze bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan (tweede lid). Dit is in lijn met artikel 4:45 van de Awb. Ingevolge artikel 10 wordt de wijze van verantwoording in de subsidieregeling dan wel het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.
Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring, andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Het gaat er om dat duidelijk is dat de verkregen subsidie is aangewend voor het doel waarvoor de subsidie werd verstrekt. Voorts kan het college, overeenkomstig het derde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG.
Artikel 16. Eindverantwoording subsidies van meer dan € 50.000
Bij subsidies vanaf € 50.000 per jaar of activiteit wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Dit is in lijn met artikel 4:45 van de Awb. Het derde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere, waaronder meer of minder, gegevens gevraagd worden. Uiteraard mogen van de aanvrager alleen die gegevens verlangd worden die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verantwoording; dit volgt uit de AVG. Ingevolge artikel 10 wordt de wijze van verantwoording in de subsidieregeling dan wel het besluit tot verlening van de subsidie aan de subsidieontvanger bekend gemaakt.
Artikel 17. Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 5.000
Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking tot vaststelling gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd. De verdaging van de beslistermijn – voor de duur van ten hoogste de in het tweede lid nader bepaalde termijn, namelijk 8 weken – biedt dan uitkomst. Een besluit tot verdaging op grond van het tweede lid is appellabel (dit in tegenstelling tot een mededeling op grond van artikel 4:14 van de Awb dat de – eventueel verdaagde – termijn niet gehaald wordt).
Dit lid biedt de mogelijkheid om in een subsidieregeling categorieën subsidieontvangers aan te wijzen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld, zonder dat zij een afzonderlijke aanvraag tot subsidievaststelling hoeven in te dienen. Dit kan bijvoorbeeld aangewezen zijn in het geval van subsidies van relatief beperkte omvang, waarbij het wel dient te gaan om subsidies van meer dan €5.000, aangezien subsidies tot en met €5.000 op grond van deze verordening al direct door het college worden vastgesteld (artikel 14). Ook kan van deze bevoegdheid gebruik worden gemaakt wanneer de subsidieontvanger al goed bekend is bij het bestuursorgaan. Deze bepaling sluit aan bij artikel 4:47 van de Awb, dat directe subsidievaststelling onder voorwaarden toestaat.
Dit lid regelt wat er gebeurt als een subsidieontvanger de aanvraag tot vaststelling niet tijdig indient. In dat geval kunnen burgemeester en wethouders een nieuwe termijn stellen waarbinnen de aanvraag alsnog moet worden ingediend. Als de subsidieontvanger ook die termijn laat verlopen, kan het bestuursorgaan overgaan tot een ambtshalve vaststelling van de subsidie, in lijn met artikel 4:44, vierde lid, van de Awb.
Artikel 18. Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen
Dit artikel schrijft voor dat als het college bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik maakt van uurtarieven, de berekeningswijze hiervan en de voorgeschreven definities in een subsidieregeling vastgelegd dienen te worden. De aanvrager zal daarmee dan bij zijn aanvraag rekening moeten houden. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, is het college hierin beperkt tot tarieven en kostenbegrippen die voldoen aan de eisen van het toepasselijke steunkader.
Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in een subsidieregeling te bepalen of en op welke wijze subsidies die voor meerdere jaren worden verleend, worden geïndexeerd. Indexering is bedoeld om subsidiebedragen aan te passen aan de stijgende kosten, zodat subsidieontvangers hun activiteiten kunnen blijven uitvoeren ondanks prijsstijgingen. Het toepassen van indexering is afhankelijk van de beschikbare begrotingsruimte; of er wordt geïndexeerd, is een beleidskeuze die afhankelijk is van de financiële mogelijkheden van de gemeente. Dit artikel laat ruimte om die keuze in een subsidieregeling te maken. Ook ten aanzien van de wijze van indexering is er ruimte voor maatwerk. In veel gevallen wordt aangesloten bij de consumentenprijsindex (CPI) van het CBS, maar het artikel schrijft geen vaste methode voor. In de subsidieregeling kan daarom worden bepaald welke index wordt gebruikt en hoe deze wordt toegepast.
Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan een termijn in de ASV of de toepasselijke subsidieregeling wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen. Op grond van het eerste lid kan het college dan een andere termijn vaststellen.
Dit lid maakt het mogelijk om in een subsidieregeling een bepaling op te nemen die het college de bevoegdheid geeft om af te wijken van één of meer bepalingen in die regeling, indien het strikt vasthouden aan de regels voor de aanvrager of ontvanger tot onevenredige gevolgen zou leiden, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval.
Wanneer toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule, moet dat gemotiveerd worden in het besluit. Er moet dan duidelijk worden uitgelegd waarom sprake is van bijzondere omstandigheden en waarom de gevolgen van het strikt toepassen van de regeling onevenredig zouden zijn. Daarnaast moet periodiek aan de gemeenteraad worden gerapporteerd over de gevallen waarin toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule, zodat de raad het uitzonderingsbeleid kan controleren.
Artikel 21. Slotbepalingen en overgangsrecht
Het eerste lid bepaalt wanneer de oude subsidieverordening uit 2017 vervalt. De oude verordening blijft op grond van het overgangsrecht nog tijdelijk van kracht op alle subsidies die vóór 1 juni 2026 zijn aangevraagd (zie het derde lid). Zodra de looptijd van deze subsidies is verstreken, vervalt de oude verordening definitief omdat deze is uitgewerkt. Het laten vervallen van de oude subsidieverordening voorkomt dat er onduidelijkheid ontstaat over welke regels van toepassing zijn.
Op grond van het tweede lid treedt de ASV in werking met ingang van 1 januari 2026. Vanaf deze datum kunnen nieuwe subsidieaanvragen in theorie op basis van deze verordening worden ingediend, zij het dat de oude verordening op grond van het overgangsrecht (derde lid) nog tijdelijk van kracht blijft op alle subsidies die vóór 1 juni 2026 zijn aangevraagd.
Deze overgangsbepaling regelt dat subsidies die vóór 1 juni 2026 zijn aangevraagd, nog worden beoordeeld en afgehandeld op basis van de oude subsidieverordening uit 2017. Er is gekozen voor de datum van 1 juni 2026, omdat voor die datum de subsidieregelingen die onder de ASV komen te hangen nog niet in werking zijn getreden. Indien er geen overgangsrecht zou worden gecreëerd, zou het rechtskader voor subsidieaanvragen onvolledig zijn. Aanvragen die ná deze datum zijn ingediend vallen wel onder het nieuwe kader, zoals verankerd in de ASV en de nog op te stellen subsidieregelingen.
Deze bepaling geeft aan hoe de verordening formeel wordt aangeduid in gemeentelijke stukken en andere communicatie.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-571603.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.