Eerste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening

De raad van de gemeente Noordoostpolder,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 6 november 2025, no. 25.0002032,

 

gelet op artikel 149 van Gemeentewet;

 

B E S L U I T:

 

vast te stellen de:

 

Eerste wijziging van de Algemene plaatselijke verordening

Artikel I De Algemene plaatselijke verordening wijzigt als volgt:

A. Artikel 2:2 wijzigt als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de wijziging

Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde

  • 1.

    Het is verboden op een openbare plaats of aan de weg op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten

  • 2.

    Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424 of 426 bis van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3.

    Het is verboden op of aan de weg een voorwerp of stof, kennelijk meegebracht om de orde te verstoren, bij zich te hebben.

 

Artikel 2:2 Verstoring van de openbare orde

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in de artikelen 424, 426bis en 431 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden op een openbare plaats of in een voor het publiek toegankelijk gebouw, op enigerlei wijze de openbare orde te verstoren, dan wel met het oog op verstoring van de openbare orde:

    • a.

      zich hinderlijk te gedragen;

    • b.

      personen lastig te vallen;

    • c.

      te vechten;

    • d.

      deel te nemen aan een samenscholing;

    • e.

      onnodig op te dringen; of

    • f.

      door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2.

    Het is verboden om in het geval van wanordelijkheden of indien ernstig gevaar dreigt voor het ontstaan van wanordelijkheden een voorwerp of stof bij zich te hebben op de in het eerste lid genoemde plaatsen met de kennelijke bedoeling om de openbare orde te verstoren.

Dit artikel wordt gewijzigd om het beter handhaafbaar te maken voor de politie en Boa's. Dit voorstel tot wijziging is gedaan door het RIEC. Het RIEC heeft gekeken naar de handhaafbaarheid van onze Apv en hoe we ondermijning beter kunnen aanpakken.

 

 

B. Artikel 2:27 wijzigt als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de wijziging

Artikel 2:27 Definities

  • 1.

    In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis;

    of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

Artikel 2:27 Definities

In deze afdeling wordt onder openbare inrichting verstaan: de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin als hoofdactiviteit bedrijfsmatig, of in een

omvang alsof zij bedrijfsmatig is logies wordt verstrekt, dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse of consumptie elders worden bereid of verstrekt.

Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria, snackbar, ijssalon, discotheek, afhaal- en/of bezorgrestaurant, coffeeshop, broodjeszaak, lunchroom of grillroom of paracommerciële rechtspersoon;

Onder een openbare inrichting wordt tevens verstaan: een bij deze openbare inrichting behorend terras en andere aanhorigheden;

 

 

Met de wijziging van dit artikel zullen onder andere afhaalrestaurants onder de definitie openbare inrichting gaan vallen. Een exploitant van een openbare inrichting moet een exploitatievergunning aanvragen. Het doel van een exploitatievergunning is om de openbare orde en veiligheid te beschermen. Door de vergunningsplicht kan er adequaat worden gehandhaafd om overlast te voorkomen. Aan de aanvraag om een exploitatievergunning zit een Bibob onderzoek vast. In steeds meer gemeenten vallen ook afhaalrestaurants en andere inrichtingen onder de vergunningsplicht waardoor zij ook in het kader van de wet Bibob worden onderzocht. Hierdoor kan ondermijning beter worden aangepakt.

Op dit moment schieten afhaalrestaurants in de Noordoostpolder ‘als paddenstoelen uit de grond’ zonder dat er een ‘check’ op de gelegenheden is. In de Flevolands norm is afgesproken dat we Bibob zo optimaal mogelijk willen inzetten. Met deze wijziging is dat mogelijk.

 

C. Artikel 2:28 wordt als volgt gewijzigd

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de wijziging

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    • a.

      de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    • b.

      de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4.

    Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • b.

      zorginstelling;

    • c.

      museum; of

    • d.

      bedrijfskantine of – restaurant.

  • 5.

    De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

    • a.

      zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, of

    • b.

      de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

    • c.

      de burgemeester verleent ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid voor die openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in Alcoholwet en aanwezig waren op 1 januari 2013 en na die datum niet zijn gewijzigd.

  • 6.

    De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.

  • 7.

    Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting

  • 1.

    Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een openbare inrichting te exploiteren.

  • 2.

    De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met het omgevingsplan.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

    • a.

      de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

    • b.

      de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is.

  • 4.

    Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een:

    • a.

      winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit;

    • b.

      zorginstelling;

    • c.

      museum; of

    • d.

      bedrijfskantine of – restaurant.

  • 5.

    De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod genoemd in het eerste lid aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

    • a.

      zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting, of

    • b.

      de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

    • c.

      Vervallen.

  • 6.

    De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid onder a.

  • 7.

    Op de aanvraag om een vergunning of een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de vergunning bedoeld in het eerste lid en op de vrijstelling bedoeld in het vijfde lid.

 

Eerste wijziging:

Het eerste lid van dit artikel wordt gewijzigd om ook het handelen in afwijking van de vergunning beter handhaafbaar te maken voor de Boa's en politie.

 

Tweede wijziging

Het vijfde lid onder c van dit artikel vervalt zodat ook bestaande inrichten van voor 2013 een exploitatievergunning aan moeten vragen. Met de invoering van de exploitatievergunning in 2013 waren zij nog vrijgesteld. Met deze wijzing kunnen we ook deze gelegenheden aan een Bibob-onderzoek worden onderworpen. In de Flevolands norm is afgesproken dat we Bibob zo optimaal mogelijk willen inzetten. Met deze wijziging is dat mogelijk.

Er zal een overgangstermijn zijn voor deze gelegenheden om een aanvraag te doen. De nieuwe vergunningsplichtige openbare inrichtingen zullen gefaseerd worden benaderd om een aanvraag te doen met de daarbij behorende Bibob-toets.

 

 

 

D. Artikel 2:50a wordt toegevoegd en luidt als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

N.v.t.

Artikel 2:50a Messen en steekwapens

  • 1.

    Het is verboden op door de burgemeester aangewezen wegen, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen, messen of andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt bij zich te hebben.

  • 2.

    Het verbod geldt niet voor wapens als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie en evenmin voor andere zaken die als steekwapen kunnen worden gebruikt mits deze zaken zodanig zijn ingepakt dat zij niet geschikt zijn voor onmiddellijk gebruik.

 

 

Dit artikel is conform het VNG model. Er is door Politie en Boa's verzocht dit artikel op te nemen zoals steeds meer andere gemeentes hebben gedaan. Om te kunnen handhaven op dit artikel zal er nog een aanwijzingsbesluit vastgesteld moeten worden om gebieden aan te wijzen zoals bijvoorbeeld het centrum van Emmeloord.

 

 

E. Artikel 2:54 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

N.v.t.

Artikel 2:54 verbod openbare plaats gebruik als slaapplaats

  • 1.

    Het is verboden een openbare plaats als slaapplaats te gebruiken of op een openbare plaats een voertuig, vaartuig, woonwagen, tent of een andere vorm van beschutting als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden: voor zover:

    • a.

      sprake is van overlast of hinder voor de omgeving;

    • b.

      er gevaar is of dreigt voor de omgeving; of het woon- of leefklimaat wordt aangetast.

  • 2.

    Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3.

    Het verbod geldt niet:

    • a.

      voor vaartuigen en woonboten die een ligplaats innemen waar dit op grond van het omgevingsplan is toegestaan;

    • b.

      voor woonwagens met een woonbestemming;

    • c.

      op een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd;

    • d.

      op kampeerplaatsen die op grond van artikel 4:19 zijn aangewezen.

Dit voorstel komt uit de jaarlijkse wijziging van de VNG ledenbrief 2024 en daarnaast ook op verzoek van de Boa's en Politie. Door het toevoegen van dit artikel kan de politie of een Boa bij overlast handhaven.

 

 

 

F. Artikel 2:67 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2.

    De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1.

    De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    • e.

      Vervallen.

  • 2.

    De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen.

  • 3.

    Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

 

 

Het eerste lid onder e wordt verwijderd omdat het noteren van NAW gegevens niet in lijn met uitspraak RvS: ECLI:NL:RVS:2019:3001, Raad van State, 201809870/1/A3. De RvS concludeert dat het niet billijk is dat NAW gegevens bij verkoop moeten worden genoteerd.

 

 

 

G. Artikel 2:68 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1°.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2°.

      van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    • 3°.

      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • 4°.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste zeven vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

 

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1°.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

    • 2°.

      van een verandering van de onder a, sub 1, bedoelde adressen;

    • 3°.

      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent;

    • dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan;

  • b.

    de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven;

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste vijf dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

 

Sub 1° van dit artikel wordt aangepast op advies van het CCV (Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid) omdat er veel weerstand is van handelaren om hun privé woonadres op te geven.

Dit is door het CCV besproken met de VNG. In de aanstaande wijziging van de regelgeving zal dit ook niet meer worden meegenomen.

 

 

 

H. Artikel 2:74 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden met het kennelijke doel om, al dan niet tegen betaling, middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74 Drugshandel op straat

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Dit artikel wordt gewijzigd om het te concretiseren en daarmee beter handhaafbaar te maken voor de Boa's en politie.

 

 

I. Artikel 2:78 wordt als volgt gewijzigd:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 3x24 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

 

 

Artikel 2:78 Gebiedsontzeggingen

  • 1.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- of leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan een persoon die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 72 uur in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn. In het geval de burgemeester een gebiedsontzegging oplegt op vrijdagavond na 18:00 uur kan de burgemeester de gebiedsontzegging laten voortduren tot maandagochtend 06:00 uur.

  • 2.

    Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan een persoon aan wie ten minste eenmaal een tijdelijk verbod is opgelegd als bedoeld in dat lid en die binnen zes maanden na een eerder tijdelijk verbod opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een tijdelijk verbod opleggen om gedurende ten hoogste 30 dagen in een of meer bepaalde delen van de gemeente op een openbare plaats aanwezig te zijn.

  • 3.

    De burgemeester beperkt het krachtens het eerste of tweede lid opgelegde verbod, als hij dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk oordeelt. De burgemeester kan op aanvraag tijdelijk ontheffing verlenen van een tijdelijk verbod.

  • 4.

    Indien de officier van justitie een persoon een gedragsaanwijzing heeft gegeven als bedoeld in artikel 509hh, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering, legt de burgemeester aan deze persoon voor hetzelfde gebied niet een tijdelijk verbod op als bedoeld in het eerste of tweede lid.

  • 5.

    Het is verboden te handelen in strijd met een krachtens het eerste of tweede lid opgelegd verbod.

Deze wijziging is voorgesteld door het RIEC en op verzoek van de Politie om beter te kunnen handhaven.

 

 

 

J. Artikel 3:16 wordt toegevoegd en luidt als volgt:

 

Bestaande tekst

Nieuwe tekst

Motivatie voor de toevoeging

N.v.t.

 

 

Artikel 3:16 Verbodsbepalingen klanten

  • 1.

    Het is een klant verboden seksuele handelingen te verrichten met een prostituee van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat zij werkzaam is voor of bij een exploitant aan wie geen vergunning voor een prostitutiebedrijf is verleend.

  • 2.

    Het is verboden op of aan de weg of op, aan of in een andere voor publiek toegankelijke plaats gebruik te maken van de diensten van een prostituee.

  • 3.

    Het verbod bedoeld in het tweede lid geldt niet in een seksinrichting waarvoor een vergunning is verleend.

Dit artikel wordt toegevoegd om niet alleen handhavend op te treden richting de exploitant zonder vergunning maar ook richting de klant die redelijkerwijs kon weten dat er geen vergunning is verleend voor het prostitutiebedrijf.

 

 

 

Artikel II Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 21 december 2025.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 15 december 2025.

De griffier,

De voorzitter,

Naar boven