Vaststelling Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026

 

de raad van de gemeente Den Haag,

 

gezien het voorstel van het college van 2 december 2025,

 

gelet op artikel 149 en artikel 212 van de Gemeentewet,

 

besluit vast te stellen de Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026:

 

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

 

  • -

    accountant:

degene die door de gemeenteraad is aangewezen voor de controle op de jaarrekening, als bedoeld in artikel 213, tweede lid, van de Gemeentewet;

  • -

    activiteit:

het resultaat van een samenhangend handelen, meetbaar gemaakt in tijd, geld en kwaliteit; activiteiten tellen op tot programma’s en taakvelden;

  • -

    apparaatslasten:

uitgaven voor personeel en materieel die nodig zijn om de gemeentelijke organisatie te doen functioneren. Dit bevalt zowel uitgaven voor personeel en materieel voor het primaire proces (beleidsproces) als voor de ondersteuning van het primaire proces (de bedrijfsvoering).

  • -

    BBV:

Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten, inhoudende de voorschriften voor de begrotings- en verantwoordingsdocumenten, uitvoeringsinformatie en informatie voor derden van provincies en gemeenten;

  • -

    bedrijfsvoering:

alle activiteiten die samenhangen met de ondersteuning van het primaire proces;

  • -

    begrotingscyclus:

de cyclus van één jaar waarin de voorjaarsnota, de programmabegroting, de najaarsnota en de programmarekening worden behandeld;

  • -

    BUIG:

Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten; de uitkering die gemeenten van het Rijk ontvangen ter bekostiging van de uitkeringen aan burgers in het kader van de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, en het Besluit bijstandverlening zelfstandigen;

  • -

    college:

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag;

  • -

    doelmatigheid:

de mate waarin een maximale hoeveelheid producten en prestaties is gerealiseerd met een minimale hoeveelheid middelen of waarin een hogere kwaliteit wordt bereikt bij een gelijkblijvende hoeveelheid middelen;

  • -

    doeltreffendheid:

de mate waarin de geleverde activiteiten en prestaties bijdragen aan het realiseren van de gestelde (beleids)doelen;

  • -

    financiële administratie:

een onderdeel van de administratieve organisatie, bedoeld om te komen tot een goed inzicht in de financieel-economische positie, het beheer van vermogenswaarden, de uitvoering van de programmabegroting, het afwikkelen van vorderingen en schulden, alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover;

  • -

    financieel beleid:

het geheel van maatregelen van college en de gemeenteraad om doelstellingen van de gemeente binnen de financiële kaders te realiseren;

  • -

    indicatoren:

de absolute of verhoudingsgetallen die informatie geven over de ontwikkelingen in de output dan wel effecten van een programma of activiteit. Den Haag onderscheidt vier verschillende indicatoren: door de gemeente vastgestelde prestatie-indicatoren, effectindicatoren, kengetallen, en de vanuit het Rijk voorgeschreven beleidsindicatoren;

  • -

    investeren:

het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt;

  • -

    materiële vaste activa:

investeringen die zijn gedaan waarmee de gemeente materiële bezittingen verkrijgt of vervaardigt die zij langer dan één jaar gebruikt;

  • -

    najaarsnota:

raadsvoorstel in de tweede helft van het jaar dat gaat over beleidsarme budgetneutrale begrotingsbijstellingen en de begrotingsuitputting en financiële prognose van het lopende jaar;

  • -

    omslagrente:

het interne rentepercentage waarmee de gemeente de financieringskosten toerekent aan haar investeringen en activa. Dit percentage wordt jaarlijks vastgesteld op basis van de totale rentelasten en -baten, conform de berekeningsmethode die is voorgeschreven door de commissie BBV;

  • -

    overlopende activa:

de vooruitbetaalde kosten of nog te ontvangen bedragen;

  • -

    overlopende passiva:

de vooruit ontvangen bedragen of nog te betalen kosten;

  • -

    overhead:

het geheel van functies gericht op de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen;

  • -

    overheadkosten:

alle kosten die samenhangen met de sturing en ondersteuning van de medewerkers in het primaire proces. Hiertoe behoren ook de systemen en aanverwante lasten die deze functies ondersteunen;

  • -

    overzicht overhead:

onderdeel van de programmabegroting en programmarekening waarop alle lasten en baten, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves (zowel materiële als personele lasten en baten) zijn weergegeven die samenhangen met de overhead;

  • -

    paragrafen:

de onderdelen van de beleidsbegroting waarin de beleidslijnen zijn vastgelegd voor relevante beheersmatige aspecten en de lokale heffingen. De paragrafen vormen in de programmabegroting en programmarekening een dwarsdoorsnede van een onderwerp wat in één of meerdere programma’s terugkomt, en bieden daarmee een verdiepend inzicht;

  • -

    planning- en controlproces:

het proces binnen de kaders van het financieel beleid waarbij aansturing van de organisatie plaatsvindt door het formuleren van doelen, het aangeven van termijnen, het beschikbaar stellen van middelen, het aanwijzen van verantwoordelijken, het volgen van de uitvoering, het normeren van gewenste effecten, het meten van resultaten en het informeren van alle betrokkenen;

  • -

    primair proces:

alle activiteiten die direct gerelateerd zijn aan het opstellen en uitvoeren van beleid met een uitwerking naar buiten de ambtelijke organisatie van de gemeente (het betreft de medewerkers die niet behoren tot de categorieën medewerkers die onderdeel uitmaken van het overzicht overhead);

  • -

    programma:

een aantal samenhangende activiteiten die ten minste voorzien zijn van inhoudelijke doelstellingen, een budget en eventueel indicatoren; voor ieder programma wordt bij de programmabegroting omschreven wat er bereikt gaat worden, wat daarvoor gedaan gaat worden en wat de omvang is van de directe lasten en baten, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves;

  • -

    programmabegroting:

de begroting, bestaande uit de beleidsbegroting en financiële begroting zoals bedoeld in artikel 7 van het BBV;

  • -

    programmarekening:

de jaarstukken, bestaande uit het jaarverslag en de jaarrekening, zoals bedoeld in artikel 24 van het BBV;

  • -

    rechtmatigheidsverantwoording:

de rapportage van het college welke onderdeel is van de programmarekening waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving;

  • -

    rekenkamer:

de door de gemeenteraad van Den Haag ingestelde rekenkamer, welke is belast met het doen van onderzoek naar de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de rechtmatigheid van het door het gemeentebestuur gevoerde beleid;

  • -

    taakveld:

een vanuit het BBV voorgeschreven eenheid waarin de programmabegroting en programmarekening worden onderverdeeld en waartoe de bijbehorende lasten en baten, en toevoegingen aan en onttrekkingen van de reserves worden ingedeeld, ten behoeve van vergelijkbaarheid tussen gemeenten en de informatiebehoefte van derden (zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek en de Rijksoverheid);

  • -

    treasuryfunctie:

alle activiteiten die zich richten op het sturen, beheersen en verantwoorden van de financiële vermogenswaarden, de financiële geldstromen, de financiële posities en de hieraan verbonden risico’s;

  • -

    trend:

de indexatie van gemeentelijke budgetten, waarmee een bijdrage wordt geleverd aan het opvangen van de ontwikkelingen van lonen en prijzen;

  • -

    voorjaarsnota:

raadsmededeling in de eerste helft van het jaar die het meerjarige budgettair kader ter voorbereiding op de begroting van het volgende jaar bevat, evenals de begrotingsuitputting en financiële prognose van het lopende jaar;

  • -

    Wet Fido:

de Wet financiering decentrale overheden; deze wet regelt het financieringsbeleid van openbare lichamen, met daarin opgenomen de verwijzing naar de ministeriële Regeling uitzettingen en derivaten decentrale overheden (Ruddo).

 

Artikel 1:2 Reikwijdte en uitgangspunten van de verordening

  • 1.

    Deze verordening is van toepassing op het financiële beheer en beleid van Den Haag.

  • 2.

    De uitgangspunten die het college hanteert bij het voeren van het financieel beheer en beleid, zoals beschreven in deze verordening, zijn:

    • a.

      de verantwoordelijkheid van het gehele college voor de begrotingscyclus (artikel 2:1);

    • b.

      het voorzichtigheidsbeginsel (artikel 3:2);

    • c.

      het direct na besluitvorming inboeken van bezuinigingen (artikel 3:2);

    • d.

      geen verplichtingen aangaan zonder financiële dekking (artikel 3:2);

    • e.

      inzet van de algemene reserve uitsluitend na integrale afweging (artikel 3:2);

    • f.

      integrale afweging van financiële wensen tijdens de begrotingsvoorbereiding (artikelen 3:3 en 5:1);

    • g.

      het principe van programmasturing (artikel 5:1);

    • h.

      het onderscheid tussen en afzonderlijke sturing op lasten en baten (artikel 5:1);

    • i.

      het beperken van overheveling van exploitatiebudgetten naar volgende jaren (artikelen 5:1 en 5:7); en

    • j.

      het streven naar een structureel en reëel evenwicht van de programmabegroting (artikel 5:10).

 

 

Hoofdstuk 2 De inrichting van de financiële organisatie

 

 

Artikel 2:1 Inrichting financiële organisatie

  • 1.

    Het college stelt nadere regels omtrent:

    • a.

      de activiteiten binnen de gemeente in het kader van planning en control op het gebied van financiën en administratief beheer;

    • b.

      de voorbereiding en inhoud van de stukken uit de begrotingscyclus; en

    • c.

      de dagelijkse uitoefening van de gemeentelijke treasuryfunctie, binnen de kaders van de door de gemeenteraad vastgestelde Verordening treasurystatuut Den Haag 2025.

  • 2.

    Het gehele college is verantwoordelijk voor de gemeentelijke financiën. De wethouder belast met de portefeuille Financiën ziet namens het college toe op naleving van de relevante financiële afspraken en wet- en regelgeving.

  • 3.

    De financiële administratie is zodanig ingericht dat zowel de ramingen als de realisatie, de lasten, baten, toevoegingen aan reserves en onttrekkingen aan reserves eenduidig worden toegerekend aan gemeentelijke (deel-)activiteiten, programma’s, balansposten, het overzicht overhead en taakvelden.

 

 

Hoofdstuk 3 De begrotingscyclus

 

 

Artikel 3:1 Onderdelen van de begrotingscyclus

De begrotingscyclus bestaat uit:

  • a.

    het aanbieden van de voorjaarsnota door het college aan de gemeenteraad, ter voorbereiding op het opstellen van de programmabegroting voor het komende jaar;

  • b.

    het vaststellen door de gemeenteraad van de programmabegroting voor het komende jaar;

  • c.

    het vaststellen door de gemeenteraad van de bijstelling van de programmabegroting van het huidige uitvoeringsjaar via de programmabegroting van het komende jaar;

  • d.

    het vaststellen door de gemeenteraad van de najaarsnota met daarin beleidsarme en budgetneutrale bijstellingen van de programmabegroting van het lopende uitvoeringsjaar; en

  • e.

    het vaststellen door de gemeenteraad van de programmarekening ter afsluiting van het afgelopen begrotingsjaar.

 

Artikel 3:2 De programmabegroting

  • 1.

    Jaarlijks stelt het college de voorjaarsnota op waarin het budgettaire kader meerjarig is weergegeven. Deze voorjaarsnota vormt het uitgangspunt voor het opstellen van de meerjarenbegroting.

  • 2.

    Het college biedt jaarlijks, uiterlijk op 16 september, de raad een ontwerp aan voor de begroting met toelichting van de gemeente en een meerjarenraming met toelichting voor ten minste drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

  • 3.

    Met het vaststellen van de programmabegroting stelt de gemeenteraad voor ieder programma en het overzicht overhead het volgende vast:

    • a.

      de doelstellingen;

    • b.

      de financiële middelen voor het begrotingsjaar; en

    • c.

      de meerjarenbegroting.

  • 4.

    In de paragraaf bedrijfsvoering van de programmabegroting neem het college in ieder geval een overzicht op dat inzicht geeft in de apparaatslasten en de kosten van inhuur externen.

  • 5.

    Met het vaststellen van de programmabegroting stelt de gemeenteraad de indicatoren vast met de daarbij behorende ambitie.

  • 6.

    In de programma’s en het overzicht overhead binnen de beleidsbegroting geeft het college de lasten en baten weer, inclusief de toevoegingen aan reserves en onttrekkingen aan reserves.

  • 7.

    In de financiële begroting presenteert het college per programma en het overzicht overhead, de lasten, baten, toevoegingen en onttrekkingen afzonderlijk. De financiële begroting vormt de wettelijke grondslag voor de budgetautorisatie door de gemeenteraad.

  • 8.

    Het college geeft in de financiële begroting inzicht in de incidentele lasten en baten conform artikel 19, onder c, van het BBV, waarbij incidentele lasten en baten gelijk aan of groter dan € 0,5 miljoen afzonderlijk gespecificeerd worden.

  • 9.

    De gemeenteraad stelt op programmaniveau en voor het overzicht overhead de lasten, baten, toevoegingen aan en onttrekkingen uit reserves vast.

  • 10

    Het college is bevoegd middelen te heralloceren, binnen deze door de gemeenteraad gestelde kaders, zolang er op programmaniveau en binnen het overzicht overhead geen sprake is van een vermeerdering of vermindering van de lasten, baten, toevoegingen aan of onttrekkingen uit bestemmingsreserves van de programmabegroting. Hierbij geldt dat geen verplichtingen kunnen worden aangegaan zonder financiële dekking.

  • 11.

    De beleidsbegroting bevat de in artikel 9, tweede lid, van het BBV voorgeschreven paragrafen, zijnde:

    • a.

      lokale heffingen;

    • b.

      weerstandsvermogen en risicobeheersing;

    • c.

      onderhoud kapitaalgoederen;

    • d.

      financiering;

    • e.

      bedrijfsvoering;

    • f.

      verbonden partijen;

    • g.

      grondbeleid; en

    • h.

      openbaarheid.

  • 12.

    In aanvulling op het tiende lid kunnen het college en de gemeenteraad voorstellen doen om extra paragrafen op te nemen, de gemeenteraad besluit hierover.

  • 13.

    Bij de opstelling van de programmabegroting past het college het voorzichtigheidsbeginsel toe:

    • a.

      baten worden alleen geraamd indien ze voldoende zeker zijn;

    • b.

      lasten worden geraamd indien verwacht wordt dat deze zich voordoen; en

    • c.

      bezuinigingen worden direct in de begroting verwerkt, uiterlijk bij het volgende besluitvormingsmoment over de meerjarenbegroting, nadat besluitvorming hierover heeft plaatsgevonden door het college.

  • 14.

    Alleen na integrale afweging door het college in de begrotingsvoorbereiding kan het deel van de algemene reserve boven de norm van het weerstandsvermogen worden ingezet.

  • 15.

    Voor de interne toerekening van rentekosten hanteert de gemeentelijke organisatie een omslagrente. Bij het vaststellen van de programmabegroting wordt de hoogte van de omslagrente vastgesteld.

  • 16.

    De omslagrente wordt ook toegepast op het eigen vermogen. De bespaarde rente die hierdoor ontstaat wordt in eerste instantie aangewend voor het indexeren van de voorziening Negatieve lopende plannen Meerjaren Programma Grondbedrijf (MPG).

 

Artikel 3:3 Begrotingsuitvoering

  • 1.

    Het college rapporteert in de voorjaarsnota en de najaarsnota aan de gemeenteraad over de begrotingsuitputting.

  • 2.

    Bij de programmabegroting voor het komende jaar is ook een voorstel tot wijziging van de programmabegroting van het lopende uitvoeringsjaar opgenomen.

  • 3.

    In de najaarsnota is een voorstel opgenomen tot wijziging van de programmabegroting van het lopende uitvoeringsjaar. Het gaat hierbij om beleidsarme budgetneutrale begrotingsbijstellingen.

  • 4.

    Het college informeert de gemeenteraad over nieuwe inzichten door middel van een apart raadsvoorstel. Bij majeure ontwikkelingen informeert het college de gemeenteraad over de eventuele budgettaire gevolgen voor de gemeente.

  • 5.

    Als sprake is van significante financiële consequenties die van belang zijn voor de financiële positie, lasten, dan wel baten van de gemeente óf nieuw beleid, dan is bij dit voorstel een wijziging van de programmabegroting opgenomen, waarmee de programmabegroting in evenwicht blijft.

 

Artikel 3:4 Begrotingsverantwoording

  • 1.

    Het college biedt de gemeenteraad uiterlijk op 30 april volgend op het verslagjaar de gecontroleerde programmarekening aan, zoals bedoeld in artikel 24 van het BBV.

  • 2.

    De accountant biedt de controleverklaring en het accountantsverslag aan de gemeenteraad aan.

  • 3.

    De indeling van het jaarverslag sluit aan op de indeling van de beleidsbegroting en de indeling van de jaarrekening sluit aan op de indeling van de financiële begroting.

  • 4.

    In de paragraaf bedrijfsvoering van het jaarverslag is een toelichting op de rechtmatigheidsverantwoording opgenomen.

  • 5.

    Het college geeft in de jaarrekening inzicht in de incidentele lasten en baten conform artikel 28, onder c, van het BBV, waarbij incidentele lasten en baten gelijk aan of groter dan € 0,5 miljoen afzonderlijk gespecificeerd worden.

  • 6.

    Afwijkingen in de realisatie van indicatoren van meer dan 10% ten opzichte van de in de begroting opgenomen ambitie, worden door het college in de programmarekening toegelicht.

  • 7.

    In de Verordening doelmatigheids- en doeltreffendheidsonderzoek Den Haag 2023 zijn de regels vastgesteld voor het door het college te verrichten onderzoek naar de doelmatigheid en doeltreffendheid van het door het college gevoerde bestuur.

 

 

Hoofdstuk 4 Het financieel middelenbeheer

 

 

Artikel 4:1 Organisatie van de financieringsfunctie

Krachtens artikel 212, tweede lid, onder c van de Gemeentewet en gelet op de bepalingen in de Wet Fido, stelt de gemeenteraad regels over de kaders van de treasuryfunctie.

 

Artikel 4:2 Risico-inventarisatie en -beheersing

  • 1.

    De gemeenteraad stelt in de Kadernota Weerstandsvermogen regels omtrent de omgang met financiële risico’s.

  • 2.

    Risico’s worden geïnventariseerd bij de programmabegroting en de programmarekening en gemeld in de paragraaf weerstandsvermogen, conform de regels uit de Kadernota Weerstandsvermogen. Per risico wordt ten minste opgenomen;

    • a.

      een omschrijving van het risico;

    • b.

      de geschatte financiële omvang van het risico; en

    • c.

      een inschatting hoe groot de kans is dat het risico zich voordoet;

  • 3.

    Het college inventariseert en monitort risico’s behorend bij activiteiten binnen de beleidsprogramma’s.

  • 4.

    Het college wikkelt risico’s voor grondexploitaties af via de reserve Grondbedrijf.

  • 5.

    Het college wikkelt risico’s met betrekking tot onderhoud van vastgoed af via de reserve onderhoud vastgoed.

  • 6.

    Het college wikkelt risico’s met betrekking tot onderhoud van sportaccommodaties af via de reserve onderhoud sportaccommodaties.

  • 7.

    Het college rapporteert aan de gemeenteraad over grote projecten middels de GRIP-rapportages.

  • 8.

    De gemeenteraad kan besluiten tot aanwijzing van een groot project indien hij van mening is dat hij periodiek meer toegesneden informatie van het college nodig heeft om zijn controlerende taak uit te voeren.

  • 9.

    Het college houdt binnen elk omvangrijk project rekening met onvoorziene kosten.

  • 10.

    Het college neemt voor grote ruimtelijke, fysieke dan wel infrastructurele projecten een afzonderlijke voorziening voor onvoorziene kosten op.

 

Artikel 4:3 Verbonden partijen

  • 1.

    Het college neemt pas een besluit tot de oprichting, ontbinding, deelneming, dan wel beëindiging van deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen, nadat de gemeenteraad in de gelegenheid is gesteld om haar wensen en bedenkingen te uiten ten aanzien van het ontwerpbesluit.

  • 2.

    De oprichting dan wel ontbinding van of deelneming dan wel beëindiging van deelneming in een gemeenschappelijke regeling, vergt de expliciete instemming van de gemeenteraad, conform artikel 1, vierde lid, van de Wet op de gemeenschappelijke regelingen.

  • 3.

    In een ontwerpbesluit tot oprichting van, of deelname in een verbonden partij, neemt het college minimaal op:

    • a.

      de expliciete koppeling van het doel van de verbonden partij aan een Haags publiek belang;

    • b.

      de risico's en beheersmaatregelen, en de exit-mogelijkheden;

    • c.

      het motief om deel te nemen aan de verbonden partij en de taak niet zelf uit te voeren, of deze uit te besteden of hiervoor subsidie te verlenen;

    • d.

      de betrokkenheid en wijze van informatievoorziening aan de gemeenteraad;

    • e.

      de herijkings- of evaluatiemomenten.

  • 4.

    Het college stelt periodiek een Nota Verbonden Partijen op die ter vaststelling aan de gemeenteraad wordt aangeboden.

  • 5.

    In de paragraaf Verbonden Partijen wordt per verbonden partij opgenomen welke risico’s van materiële betekenis kunnen zijn voor de positie van de gemeente.

  • 6.

    Het college voert iedere raadsperiode een herijking uit voor alle verbonden partijen. De herijking wordt ter kennisname aangeboden aan de gemeenteraad.

 

Artikel 4:4 Investeringen

De gemeenteraad stelt in de Kadernota Investeringen regels vast over het activeren, waarderen en afschrijven van investeringen en vaste activa.

 

Artikel 4:5 Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    In de programmabegroting en de programmarekening rapporteert het college over het onderhoud van de kapitaalgoederen. Bij elk type kapitaalgoed wordt aangegeven wat het relevante beleidskader is.

  • 2.

    Aan het onderhoud van alle kapitaalgoederen ligt een structureel meerjarig onderhoudsplan ten grondslag. De onderhoudsplannen worden ten minste een keer in de vier jaar geactualiseerd.

  • 3.

    In het onderhoudsplan is aangegeven welk niveau van onderhoud minimaal nodig is. Wanneer bij inspectie de staat van het kapitaalgoed beter is dan verwacht, wordt het geplande onderhoud niet uitgevoerd en wordt tegelijktijdig bepaald wanneer het onderhoud alsnog uitgevoerd zal worden.

 

Artikel 4:6 Inkoopvoorwaarden en aanbestedingen

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de inkoop dan wel aanbesteding van goederen, diensten en werken, conform geldende wet- en regelgeving.

  • 2.

    Het college stelt gemeentelijk inkoopbeleid vast voor de inkoop dan wel aanbesteding van goederen, diensten en werken.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor het hanteren van de meest passende inkoopvoorwaarden bij aanbestedingen.

 

Artikel 4:7 Investeringen en treasury

De Verordening treasurystatuut Den Haag 2025 is van toepassing op investeringen.

 

 

Hoofdstuk 5 Uitgangspunten voor financieel beleid

 

 

Artikel 5:1 Programmasturing

  • 1.

    Uitgangspunt bij programmasturing door het college is een jaarlijks structureel sluitende programmabegroting en bijbehorende meerjarenraming met daaruit afgeleid het budget per programma.

  • 2.

    Voor de meerjarenraming geldt het uitgangspunt dat de programmabegroting voor ieder begrotingsjaar structureel en reëel in evenwicht is, en dat structurele lasten zo veel als mogelijk zijn gedekt met structurele baten.

  • 3.

    Het college maakt tijdens de begrotingsvoorbereiding, in beginsel, één keer per jaar de keuzes over financiële wensen voor nieuw beleid of beleidsintensiveringen.

  • 4.

    Besluitvorming door het college over financiële wensen voor nieuw beleid en beleidsintensiveringen vindt alleen plaats als deze wensen integraal tegen elkaar afgewogen kunnen worden met inachtneming van de beschikbare financiële ruimte.

  • 5.

    Het college stuurt afzonderlijk op het realiseren van de begrote lasten en baten per begrotingsprogramma. Hierbij geldt voor de lasten dat de in de programmabegroting opgenomen hoogte geldt als het bestedingsmaximum, en voor de baten dat de in de programmabegroting opgenomen hoogte geldt als het minimaal te realiseren niveau.

  • 6.

    Overschrijdingen op de programmabegroting zijn niet toegestaan. Het college voorkomt dreigende budgetoverschrijdingen op het programmatotaal door passende en tijdige maatregelen.

  • 7.

    Budgettaire tegenvallers in de loop van een begrotingsjaar moeten door het college worden gecompenseerd door aanpassingen in het beleid binnen hetzelfde programma.

  • 8.

    Het college kan budgettaire meevallers inzetten om budgettaire tegenvallers te compenseren, maar deze mogen niet direct gebruikt worden voor nieuw beleid of het intensiveren van bestaand beleid.

  • 9.

    Het college besluit uitsluitend tot herbestemming van meevallers voor intensiveringen van beleid na integrale bestuurlijke besluitvorming.

  • 10.

    Het college hevelt structurele exploitatiebudgetten niet over naar volgende jaren. Incidentele exploitatiebudgetten kunnen via de reserve herfasering bij de programmabegroting worden overgeheveld naar volgende jaren.

  • 11.

    Het college hevelt exploitatiebudgetten niet over naar volgende jaren bij de programmarekening. Een uitzondering hierop kan worden gemaakt voor incidentele exploitatiebudgetten waarbij een aantoonbare verplichting is aangegaan, uitvoering in het volgende jaar plaatsvindt en de programmareserve niet toereikend is om aan de verplichting te voldoen.

  • 12.

    Het college geeft een inhoudelijke toelichting aan de gemeenteraad op de programmabegroting en programmarekening.

  • 13.

    Voor het programma Gemeenteraad gelden de uitgangspunten die de gemeenteraad heeft vastgesteld.

  • 14.

    Voor de regels inzake programmasturing geldt dat het overzicht overhead wordt beschouwd als een programma.

  • 15.

    De gemeenteraad stelt, middels de Kadernota begroting en verantwoording Overhead, regels vast ten aanzien van het begroten en verantwoorden van overhead.

 

Artikel 5:2 Resultaatbestemming

De gemeenteraad besluit bij de programmarekening over de bestemming van het jaarrekeningresultaat: de resultaatbestemming. De resultaatbestemming bestaat uit drie volgordelijke onderdelen:

  • a.

    en eerste worden saldo neutrale mutaties doorgevoerd zodat de resultaten aan de juiste programma’s worden toegerekend, waarbij:

    • 1°.

      administratieve technische correcties worden verwerkt die ervoor zorgen dat onterechte en onbedoelde voordelen en nadelen tussen programma’s worden verrekend; en

    • 2°.

      resultaten op gemeentebrede projectreserves binnen programma Financiën worden verrekend.

  • b.

    Ten tweede vinden verrekeningen van het resultaat plaats op basis van de verordening, spelregels en bestuurlijke afspraken, waarbij:

    • 1°.

      resultaten op de BUIG worden verrekend met de algemene reserve;

    • 2°.

      resultaten op de activiteit verkiezingen worden verrekend met de reserve verkiezingen;

    • 3°.

      eventuele onderuitputting van het jaarbudget van de rekenkamer wordt toegevoegd aan de reserve herfaseringen, tot een maximum van 10% van het totale jaarbudget van de rekenkamer;

    • 4°.

      resultaten grondexploitaties worden verrekend met de reserve Grondbedrijf;

    • 5°.

      resultaten op onderhoud vastgoed worden verrekend met de reserve onderhoud vastgoed;

    • 6°.

      resultaten op onderhoud sportaccommodaties worden verrekend met de reserve onderhoud sportaccommodaties;

    • 7°.

      resultaten op de activiteit ambulancezorg worden verrekend met de reserve regiofunctie maatschappelijke opvang, vrouwenopvang en ambulancezorg; en

    • 8°.

      specifieke bestuurlijke afspraken worden verrekend met de bijbehorende programma’s en reserves;

  • c.

    Tenslotte wordt het overig resultaat per afzonderlijk programma verdeeld, waarbij:

    • 1°.

      het resultaat op de overige programma’s wordt verrekend met de programmareserve van het betreffende programma conform artikel 5:7 van deze verordening;

    • 2°.

      het resultaat op het overzicht overhead wordt verrekend met de centrale bedrijfsvoeringsreserve;

    • 3°.

      het resultaat op programma Financiën wordt verrekend met de algemene reserve;

    • 4°.

      de reserve onderhoud vastgoed en de reserve onderhoud sportaccommodaties een maximale hoogte kennen, waarbij in geval van overschrijding het overschot wordt toegevoegd aan de algemene reserve;

    • 5°.

      de programmareserves en de centrale bedrijfsvoeringsreserve een maximale hoogte kennen, waarbij in geval van overschrijding het overschot wordt toegevoegd aan de te verdelen middelen zoals hieronder beschreven;

    • 6°.

      het totaal van het resultaat op programma Financiën en eventuele overschotten op de programmareserves en de centrale bedrijfsvoeringsreserve als volgt worden verdeeld;

      • i.

        eerst wordt de algemene reserve aangevuld tot het benodigde niveau conform de Kadernota Weerstandsvermogen;

      • ii.

        vervolgens wordt 25% van het resterende saldo toegevoegd aan het cofinancieringsfonds;

      • iii.

        tegelijkertijd met de bepaling onder ii wordt 3% van het resterende saldo toegevoegd aan het raadsinitiatievenfonds, met inachtneming van de maximale hoogte van deze reserve; en

      • iv.

        tenslotte wordt het eventueel resterende saldo toegevoegd aan de algemene reserve.

 

Artikel 5:3 Treasury

In de programmabegroting en in de programmarekening licht het college in de verplichte financieringsparagraaf het financieringsbeleid en de renteresultaten van de gemeente toe.

 

Artikel 5:4 Grondbeleid

  • 1.

    De Verordening grondexploitaties en strategisch bezit Den Haag 2026 is van toepassing op het financiële beheer van grondexploitaties.

  • 2.

    Het college rapporteert in de paragraaf grondbeleid van de programmabegroting en de programmarekening over het gemeentelijk grondbeleid. In deze paragraaf komen tenminste aan de orde:

    • a.

      de visie op het grondbeleid in relatie tot de realisatie van de doelstelling van de programma’s die zijn opgenomen in de programmabegroting;

    • b.

      het kader voor het grondbeleid met hierbij toegelicht de grondslagen voor aan- en verkoop van vastgoed, de berekening van de grondprijzen, de uitgifte van gronden in erfpacht en de bijstelling van erfpachtvergoedingen;

    • c.

      een actuele prognose van de te verwachten resultaten van de totale grondexploitatie en een analyse van de ontwikkelingen hiervan; en

    • d.

      de beleidsuitgangspunten omtrent de reserves voor grondzaken in relatie tot de risico’s van grondzaken.

 

Artikel 5:5 Resultaten grondexploitatie

  • 1.

    Het college neemt bij grondexploitaties verliezen wanneer deze te voorzien zijn en neemt eventuele winsten wanneer voldoende zekerheid bestaat over het (verwachte) resultaat.

  • 2.

    Voor een grondexploitatie met een negatief saldo treft het college wordt een voorziening ter grootte van dat saldo op het moment dat het desbetreffende project operationeel wordt verklaard.

  • 3.

    Het college besluit over plankaderwijzigingen en afwijkingen van het plansaldo, met inachtneming van het gestelde in de Verordening grondexploitaties en strategisch bezit Den Haag 2026, en rapporteert hierover aan de gemeenteraad.

  • 4.

    Het college verrekent resultaten binnen plankaders van grondexploitaties via het rekeningresultaat met de Reserve Grondbedrijf via de resultaatbestemming.

 

Artikel 5:6 Reserves

  • 1.

    De volgende categorieën reserves worden onderscheiden:

    • a.

      de algemene reserve: deze bestaat uit niet geoormerkte middelen die dienen om tegenvallers te bekostigen zonder dat de programmabegroting en het beleid (direct) aangepast hoeven te worden;

    • b.

      de centrale bedrijfsvoeringsreserve: dient voor het opvangen van jaarrekeningresultaten vanuit het overzicht overhead, het dekken van frictiekosten als gevolg van wijzigingen in de organisatie en of formatie en het kunnen uitvoeren van (kleinere) projecten ter innovatie van de gemeentelijke bedrijfsvoering van de overheadfunctie;

    • c.

      de egalisatiereserve: dient om schommelingen in lasten op te vangen die zich in sterk wisselende mate over meerdere jaren voordoen;

    • d.

      de programmareserves: dienen voor het opvangen van financiële knelpunten binnen programma’s en het opvangen van jaarrekeningresultaten van het desbetreffende programma;

    • e.

      de projectreserves: dienen ter dekking van een specifiek doel of project;

    • f.

      de reserve cofinanciering: bijzondere projectreserve welke dient om midden van externe partijen voor de fysieke en sociale opgaven in de stad aan te trekken, waarvoor cofinanciering vanuit de gemeente een vereiste is;

    • g.

      de reserve activafinanciering: dient voor incidentele ter dekking van kapitaallasten;

    • h.

      de reserve Grondbedrijf: dient ter verrekening van het rekeningresultaat op operationele grondexploitaties en grondexploitaties van verbonden partijen voor zover sprake is van winsten of verliezen die plaats vinden binnen de plankaders zoals vastgelegd in projectdocument en grondexploitatie;

    • i.

      de resultaat onderhoudsreserves: omvat de reserve onderhoud vastgoed en de reserve onderhoud sportaccommodaties, welke dienen voor het opvangen van eventuele tegenvallers bij onderhoudskosten dan wel pieken in de onderhoudsopgaven; en

    • j.

      de overige bestemmingsreserves: alle reserves die niet onder een van bovenstaande categorieën vallen.

  • 2.

    De gemeenteraad besluit tot het instellen of wijzigen van reserves.

  • 3.

    Het college geeft bij een voorstel voor de instelling of wijziging van een reserve minimaal het volgende aan:

    • a.

      het doel van de reserve;

    • b.

      het motief voor de instelling of de wijziging;

    • c.

      de categorie;

    • d.

      de voeding;

    • e.

      de maximale hoogte;

    • f.

      de looptijd; en

    • g.

      de bestedingsraming dan wel planning voor de komende jaren.

  • 4.

    Het college geeft bij een voorstel voor de instelling van een projectreserve de activiteit aan waar deze reserve aan gekoppeld is.

  • 5.

    De minimale omvang van een projectreserve bedraagt € 2,5 miljoen. Als in de programmarekening blijkt dat het saldo van een projectreserve lager is, wordt de resterende verplichting in de eerstvolgende meerjarenbegroting in de exploitatie opgenomen in de begrotingsjaren waarin de lasten zich voordoen.

  • 6.

    De gemeenteraad besluit tot aanpassing van één of meerdere van de in het derde, vierde of vijfde lid genoemde punten.

  • 7.

    De looptijd van een projectreserve is bij instelling drie jaar. Wanneer de doorlooptijd van een project bij de start evident langer of korter is dan drie jaar kan de gemeenteraad besluiten tot een afwijkende looptijd.

  • 8.

    Na afloop van de looptijd valt een reserve vrij. Reserves, waarvan het doel is gerealiseerd en middelen resteren, vallen vrij, ook als de looptijd van de reserve nog niet is verstreken. Dit geldt ook voor reserves waarbij vaststaat dat het doel niet gerealiseerd kan worden. De vrijval hoeft niet begroot te zijn.

  • 9.

    De gemeenteraad besluit tot onttrekkingen en toevoegingen aan een reserve. De realisatie van onttrekkingen of toevoegingen aan een reserve vindt plaats op basis van de werkelijke lasten of baten, tot maximaal de begrootte lasten of baten.

  • 10.

    Voor projectreserves geldt dat een overschrijding van de begrote onttrekking door het college is toegestaan, mits is voldaan aan de door de Commissie BBV gestelde eisen voor begrotingsrechtmatigheid.

  • 11.

    Beschikbare incidentele middelen van het budgettair kader van de programmabegroting worden via de reserve allocatie incidentele middelen ingezet in de programmabegroting. Hierbij geldt het volgende:

    • a.

      ten behoeve van de inzichtelijkheid wordt elk jaar een aparte reserve geopend;

    • b.

      toevoegingen en onttrekkingen zijn gelijk aan de reeks incidentele middelen uit het budgettair kader van de programmabegroting. Daarmee is de looptijd van de reserve ook altijd gelijk aan de looptijd van de programmabegroting;

    • c.

      toevoegingen en onttrekkingen worden in latere jaren niet bijgesteld. Vernieuwd inzicht in de bestedingsreeks van projecten wordt opgevangen met de reserve herfaseringen; en

    • d.

      resultaten op de projecten gedekt uit de reserve allocatie in enig jaar worden verrekend met de programmareserve, en niet met de reserve allocatie incidentele middelen.

  • 12.

    Reserves mogen niet negatief zijn met uitzondering van de centrale bedrijfsvoeringsreserve en de programmareserves. Deze reserves worden verantwoord op programma Financiën en worden beschouwd als één reserve.

  • 13.

    Individuele programmareserves kunnen hierdoor tijdelijk negatief staan, zolang het totaal van de programmareserves en de centrale bedrijfsvoeringsreserve positief is.

  • 14.

    Het college doet de gemeenteraad een voorstel om een eventuele negatieve stand van een programmareserve of de centrale bedrijfsvoeringsreserve binnen maximaal twee begrotingsjaren, vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd, ten minste op nihil te krijgen.

  • 15.

    In het geval van een negatieve stand van programmareserve 1 (behorend bij programma Gemeenteraad) komt de gemeenteraad met een voorstel in plaats van het college.

     

Artikel 5:7 Programmareserves

  • 1.

    Elk begrotingsprogramma heeft één programmareserve. De hoogte van de programmareserves is gemaximeerd. De maximale hoogte hangt samen met de omvang van een begrotingsprogramma en bedraagt drie procent van het lastentotaal van een programma, exclusief onttrekkingen reserves.

  • 2.

    De maximale hoogten van de programmareserves worden jaarlijks opgenomen in de programmabegroting. Hierbij worden de bedragen naar boven afgrond op € 0,5 miljoen.

  • 3.

    Bij programma Werk en Inkomen worden de lasten voor bijstandsverlening niet meegenomen bij de bepaling van de maximale hoogte van de programmareserve.

  • 4.

    De programmareserves hebben de volgende doelstellingen:

    • a.

      het opvangen van financiële knelpunten binnen programma’s; en

    • b.

      het opvangen van jaarrekeningresultaten van het desbetreffende programma.

  • 5.

    Financiële knelpunten worden opgevangen in het programma waar deze ontstaan. Bij het oplossen daarvan kan ook de programmareserve betrokken worden.

  • 6.

    Als na de verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat een programmareserve het maximum overschrijdt, wordt het meerdere verrekend volgens de wijze zoals beschreven in artikel 5:2, aanhef en onder c, zesde graad.

  • 7.

    Voorstellen ten laste van de programmareserves maken deel uit van de besluitvorming van het college over de programmabegroting.

  • 8.

    Als na de verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat een programmareserve negatief wordt, komt het college met een voorstel om de programmareserve binnen maximaal twee begrotingsjaren, vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd, ten minste op nihil te krijgen.

  • 9.

    Een uitzondering op het voorgaande lid is programmareserve 1 (behorend bij programma Gemeenteraad). Wanneer na verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat dit programma negatief wordt, komt de gemeenteraad met een voorstel om de programmareserve binnen maximaal twee begrotingsjaren, vanaf het begrotingsjaar waarin het tekort is gerealiseerd, ten minste op nihil te krijgen.

  • 10.

    De programmareserves muteren alleen door resultaatbestemming en naar aanleiding van de integrale besluitvorming over de programmabegroting in de begrotingsretraite.

 

Artikel 5:8 Centrale bedrijfsvoeringsreserve

  • 1.

    De gemeente heeft één centrale bedrijfsvoeringsreserve. De centrale bedrijfsvoeringsreserve bedraagt maximaal € 10 miljoen.

  • 2.

    De centrale bedrijfsvoeringsreserve is beschikbaar voor gemeentebrede bedrijfsvoering en heeft de volgende doelstellingen:

    • a.

      het opvangen van jaarrekeningresultaten vanuit het overzicht overhead;

    • b.

      het opvangen van frictiekosten van de dienst bedrijfsvoering als gevolg van wijzigingen in de organisatie en formatie;

    • c.

      het kunnen uitvoeren van (kleinere) projecten ter innovatie van de gemeentelijke bedrijfsvoering van de overheadfunctie.

  • 3.

    Als de centrale bedrijfsvoeringsreserve na resultaatbestemming het maximum overschrijdt, wordt het meerdere verrekend volgens de wijze zoals beschreven in artikel 5:2, aanhef en onder c, zesde graad.

  • 4.

    Voorstellen ten laste van de centrale bedrijfsvoeringsreserve maken deel uit van de besluitvorming van het college over de programmabegroting.

  • 5.

    Als na de verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat de centrale bedrijfsvoeringsreserve negatief wordt, komt het college met een voorstel om de reserve binnen maximaal twee begrotingsjaren ten minste op nihil te krijgen.

  • 6.

    De centrale bedrijfsvoeringsreserve muteert alleen door resultaatbestemming en naar aanleiding van de integrale besluitvorming over de programmabegroting in de begrotingsretraite.

 

Artikel 5:9 Reserve onderhoud vastgoed en reserve onderhoud sportaccommodaties

  • 1.

    De gemeente heeft één reserve onderhoud vastgoed met een maximale hoogte van € 11,0 miljoen en één reserve onderhoud sportaccommodaties met een maximale hoogte van € 5,5 miljoen.

  • 2.

    De centrale reserves onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties hebben de volgende doelstellingen:

    • a.

      het opvangen van jaarrekeningresultaten van de programma’s wat betreft de resultaten gekoppeld aan onderhoud vastgoed dan wel sportaccommodaties; en

    • b.

      het opvangen van eventuele tegenvallers bij onderhoudskosten en of pieken in de onderhoudsopgaven.

  • 3.

    Voorstellen ten gunste en ten laste van de centrale reserves onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties maken deel uit van de besluitvorming van het college over de programmabegroting en zijn gekoppeld aan inzichten over het onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties op basis van een meerjarig onderhoudsplan met een doorlooptijd van maximaal tien jaar. Het onderhoudsplan wordt minimaal eenmaal per vier jaar herzien.

  • 4.

    Als uit de meerjarige doorkijk blijkt dat op termijn onvoldoende dekking in zowel reserve als exploitatie is om het te voorziene onderhoud uit te voeren, komt het college met voorstellen om in de dekking hiervan te voorzien.

  • 5.

    Als de centrale reserves onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties (afzonderlijk) na resultaatbestemming het maximum overschrijden, wordt het meerdere verrekend met de algemene reserve, conform artikel 5:2, aanhef en onder c, vierde graad.

  • 6.

    Als na de verrekening van het jaarrekeningresultaat blijkt dat de centrale reserves onderhoud vastgoed en onderhoud sportaccommodaties (afzonderlijk) negatief worden, worden tekorten verrekend met de programmareserves van de programma’s waar de tekorten zich hebben voorgedaan.

 

Artikel 5:10 Reserve cofinanciering

  • 1.

    De gemeente heeft één reserve cofinanciering, ook wel het cofinancieringsfonds genoemd. Deze reserve kent geen maximale hoogte.

  • 2.

    Het doel van het cofinancieringsfonds is om middelen van externe partijen, zoals de Rijksoverheid en de Europese Unie, voor de (grote) fysieke en sociale opgaven in de stad aan te trekken, waarvoor cofinanciering vanuit de gemeente een vereiste is.

  • 3.

    Voorstellen ten laste van het cofinancieringsfonds maken deel uit van de integrale besluitvorming van het college over de programmabegroting. Als sprake is van een kans op een substantiële cofinanciering kan tussentijds door het college een voorstel aan de gemeenteraad worden voorgelegd.

  • 4.

    Het cofinancieringsfonds wordt in ieder geval gevoed door 25% van toekomstige jaarrekeningoverschotten.

  • 5.

    Voordat het college een beroep kan doen op het cofinancieringsfonds, wordt eerst naar de dekkingsmogelijkheden binnen de eigen programma's gekeken. Hierbij geldt het uitgangspunt dat maximaal 50% van de vereiste cofinanciering die de gemeentelijke organisatie moet financieren uit het cofinancieringsfonds gedekt wordt. De gemeenteraad kan in uitzonderlijke gevallen bij besluit van dit uitgangspunt afwijken.

  • 6.

    Voor een beroep op het cofinancieringsfonds geldt een minimale bijdrage uit het cofinancieringsfonds van € 0,5 miljoen.

 

Artikel 5:11 Reserve raadsinitiatieven

  • 1.

    De gemeente heeft één reserve raadsinitiatieven, ook wel het raadsinitiatievenfonds genoemd. Deze reserve kent een maximale hoogte van € 1 miljoen.

  • 2.

    Het doel van het raadsinitiatievenfonds is om te voorzien in financiële dekking voor moties en initiatiefvoorstellen van de gemeenteraad waarvoor door de gemeenteraad geen andere dekking wordt gevonden.

  • 3.

    Voorstellen ten laste van het raadsinitiatievenfonds maken geen deel uit van de besluitvorming van het college over de programmabegroting, deze voorstellen zijn voorbehouden aan de gemeenteraad.

  • 4.

    Het raadsinitiatievenfonds wordt gevoed door 3% van toekomstige jaarrekeningoverschotten, conform de wijze die beschreven wordt in artikel 5:2, aanhef en onder c, zesde graad.

 

Artikel 5:12 Voorzieningen

  • 1.

    Het college is verantwoordelijk voor de vorming van voorzieningen.

  • 2.

    Voorzieningen zijn dekkend voor de achterliggende verplichtingen en risico’s. Actualisatie van de voorziening vindt minimaal eenmaal per jaar plaats. Overschotten of tekorten worden verrekend met het oorspronkelijke beleidsprogramma.

  • 3.

    Indien het college leningen en garanties verstrekt aan derden, worden de risico’s ten laste van het betreffende beleidsprogramma gebracht.

  • 4.

    Voor middelen afkomstig van derden met een specifiek bestedingsdoel wordt een voorziening gevormd. Uitzondering hierop vormen middelen met een specifiek bestedingsdoel van nationale en Europese overheden. Deze middelen worden conform het BBV via de exploitatie en de overlopende activa dan wel passiva verantwoord.

  • 5.

    Voor een voorziening ingesteld met middelen van derden gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      er is een onderbouwd en gekwantificeerd meerjarenplan waarmee het bestedingspatroon vastligt;

    • b.

      het bestedingspatroon mag boekjaar overschrijdend zijn, mits dit in het meerjarenplan is aangegeven; en

    • c.

      het meerjarenplan is onderdeel van de programmabegroting en wordt voor minimaal vier jaar opgesteld.

  • 6.

    Egalisatievoorzieningen zijn gevormd conform artikel 44, eerste lid, onderdeel c, van het BBV en gelden voor leges opbreekvergunningen, afvalstoffenheffing en riolering.

  • 7.

    Het college stelt een reorganisatievoorziening alleen in wanneer sprake is van:

    • a.

      een reorganisatiebesluit conform het Sociaal Beleidskader van de gemeente; en

    • b.

      een raming van kosten direct samenhangend dan wel voortvloeiend uit de reorganisatie van tenminste € 2,5 miljoen.

  • 8.

    Conform het BBV worden er geen voorzieningen gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten van vergelijkbaar volume. Bij de analyse om te bepalen of er sprake is van een vergelijkbaar volume wordt een tijdsperiode van vier jaar genomen.

  • 9.

    Overige voorzieningen worden gevormd voor zekere of te verwachten kwantificeerbare verplichtingen en verliezen.

  • 10.

    Tot overige voorzieningen behoren ook voorzieningen die strekken tot gelijkmatige verdeling van de lasten over een aantal begrotingsjaren.

  • 11.

    Een voorziening wordt jaarlijks onderbouwd en gekwantificeerd door een meerjarenplan. Het bestedingspatroon ligt daardoor vast.

  • 12.

    Het college ziet erop toe dat de hoogte van de voorziening toereikend is en zorgt jaarlijks voor voldoende voeding aan de voorziening om aan de onderliggende verplichtingen te kunnen voldoen, of laat het niet langer benodigde deel van de voorziening vrijvallen ten gunste van het resultaat.

  • 13.

    Dit artikel is ook van toepassing op voorzieningen die tegen contante waarde zijn opgenomen.

 

Artikel 5:13 Prijzen en tarieven

  • 1.

    De gemeenteraad stelt jaarlijks bij de programmabegroting de hoogte vast van de gemeentelijke tarieven, rechten en heffingen. Bij de berekening van tarieven gelden de volgende algemene uitgangspunten:

    • a.

      het college houdt rekening met loon- en prijsontwikkelingen;

    • b.

      de tarieven worden zodanig berekend dat de geraamde baten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake. Dit houdt dat tarieven niet hoger mogen zijn dan maximaal 100% kostendekkend; en

    • c.

      de ontwikkeling van tarieven past binnen de overige wet- en regelgeving.

  • 2.

    Inzake de kostentoerekening gelden de volgende uitgangspunten:

    • a.

      bij de kostentoerekening kunnen naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa worden betrokken;

    • b.

      voor rioolheffing en afvalstoffenheffing worden ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde en de kosten van het kwijtscheldingsbeleid opgenomen in de kostprijs; en

    • c.

      voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt (voor de niet-directe kosten) een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd.

  • 3.

    In de Kadernota begroting en verantwoording Overhead stelt de gemeenteraad regels inzake de toerekening van overheadkosten.

 

Artikel 5:14 Programma’s, taakvelden en activiteiten

  • 1.

    Het college geeft de ramingen van de lasten en baten weer, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, op de door de gemeenteraad vastgestelde begrotingsprogramma’s en neemt het overzicht van de lasten en baten, inclusief toevoegingen en onttrekkingen aan reserves, per taakveld op in de programmabegroting en programmarekening.

  • 2.

    De programma’s en taakvelden zijn hiertoe opgesplitst in activiteiten. Elke activiteit is uniek gekoppeld aan één programma, één taakveld en één portefeuillehouder.

 

Artikel 5:15 Rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    Het college biedt de gemeenteraad jaarlijks uiterlijk op 31 december ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de gemeenteraad over het totaal aan fouten en onduidelijkheden met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de toevoegingen aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden fouten en onduidelijkheden die boven de rapporteringsgrens uitkomen, nader toegelicht. De rapporteringsgrens wordt gesteld op 1,5% van de verantwoordingsgrens.

  • 4.

    Voor de rechtmatigheidsverantwoording gelden drie criteria:

    • a.

      het voorwaardencriterium: het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen of voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur;

    • b.

      het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium: het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen; en

    • c.

      het begrotingscriterium: het criterium van rechtmatigheid dat inhoudt dat overschrijdingen van lasten op programmaniveau onrechtmatig zijn. Onderschrijdingen van lasten of afwijkingen van baten, die uiterlijk in de programmarekening zijn gemeld, zijn rechtmatig en worden niet opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording.

  • 5.

    Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

  • 6.

    Het begrotingscriterium houdt tevens in dat een overschrijding van het vastgestelde investeringskrediet onrechtmatig is. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt als rechtmatig beschouwd.

  • 7.

    In de programmarekening en de rechtmatigheidsverantwoording wordt aandacht besteed aan begrotingsonrechtmatigheden, waarbij iedere overschrijding van de lasten op programmaniveau ten opzichte van de programmabegroting na wijziging onrechtmatig is, maar acceptabel is indien:

    • a.

      de afwijking past binnen het door de gemeenteraad geaccordeerde beleid en kleiner is dan de rapporteringsgrens of kleiner is dan 10% van het programmatotaal of het investeringsbudget;

    • b.

      de afwijking tot stand komt door lasten die worden gedekt door direct gerelateerde baten;

    • c.

      de afwijking is toegelicht in de najaarsnota;

    • d.

      de afwijking ontstaat binnen het bestaande beleid, maar de informatie zo laat bekend was dat een raadsbesluit of begrotingswijziging niet meer mogelijk was;

    • e.

      de afwijking is gemeld aan de gemeenteraad middels een raadsinformatiebrief; of

    • f.

      de afwijking voortvloeit uit een raadsbesluit.

 

Artikel 5:16 Trend-voor-trend

  • 1.

    Jaarlijks past de gemeenteraad op voorstel van het college de programmabegroting aan voor de ontwikkeling van de lonen en de prijzen (trend) om de programmabegroting op peil te houden. De trend geldt als een tegemoetkoming in de inflatie, maar vormt geen volledige compensatie voor inflatie.

  • 2.

    De loon- en prijscompensatie die door de Rijksoverheid wordt verstrekt en de extra middelen die beschikbaar komen door het indexeren van de eigen inkomsten, vormen het financiële kader voor het indexeren van de uitgaven en inkomsten van de programmabegroting.

  • 3.

    De trend van de gemeente wordt gebaseerd op de accressen van de Rijksoverheid, waarbij het loon- en prijscompensatiegedeelte wordt gebaseerd op het gewogen gemiddelde van de volgende indices van het Centraal Planbureau:

    • a.

      60% loonvoet sector overheid;

    • b.

      20% prijs bruto overheidsinvesteringen; en

    • c.

      20% prijs materiële overheidsconsumptie.

  • 4.

    De overige algemene dekkingsmiddelen worden met ditzelfde gewogen percentage geïndexeerd.

  • 5.

    De loon- en prijsbijstelling van de Rijksoverheid en de extra eigen inkomsten die volgen uit de indexatie van de overige algemene dekkingsmiddelen worden vervolgens verder verdeeld naar de loon- en prijsgevoelige uitgaven van de programmabegroting. Dit geldt niet voor uitgaven waar geen eigen inkomsten tegenover staan.

  • 6.

    De gemeentelijke inkomsten niet zijnde algemene dekkingsmiddelen worden waar mogelijk ook aangepast met de trend. De extra opbrengsten worden vervolgens gebruikt om de uitgaven die hier tegenover staan te indexeren.

 

 

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

 

 

Artikel 6:1 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026.

 

Artikel 6:2 Intrekking en overgangsrecht

  • 1.

    De Algemene verordening Financieel Beheer en Beleid gemeente Den Haag 2025 wordt ingetrokken bij inwerkingtreding van de Verordening Financieel Beheer en Beleid gemeente Den Haag 2026.

  • 2.

    De bepalingen van Algemene verordening Financieel Beheer en Beleid gemeente Den Haag 2025 blijven van kracht voor de tijdvakken waarvoor zij hebben gegolden.

 

Artikel 6:3 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beheer en beleid Den Haag 2026.

 

 

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025.

De griffier, Lilianne Blankwaard-Rombouts en de voorzitter, Jan van Zanen

Naar boven