Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Dordrecht 2026

De burgemeester van de gemeente Dordrecht,

 

overwegende dat de leden van het driehoeksoverleg hebben ingestemd met de inhoud van deze nieuwe Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Dordrecht 2026;

 

gelezen het voorstel Vaststellen Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Dordrecht 2026, zaaknummer 2025-0043745;

 

gelet op het bepaalde in artikel 13b van de Opiumwet en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht;

 

besluit:

vast te stellen de navolgende

Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Dordrecht 2026.

 

Artikel 1. Definities

In deze beleidsregel wordt verstaan onder:

  • a.

    harddrugs: middelen vermeld op lijst I van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet, of een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in lijst IA van de Opiumwet of een preparaat daarvan;

  • b.

    softdrugs: middelen vermeld op lijst II van de Opiumwet dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, van de Opiumwet;

  • c.

    drugshandel: de verkoop, aflevering of verstrekking van softdrugs of harddrugs dan wel het daartoe aanwezig zijn van een handelshoeveelheid softdrugs of harddrugs;

  • d.

    voorbereidingshandelingen: het voorhanden zijn van een voorwerp of stof als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, onder 3°, of artikel 11a, van de Opiumwet;

  • e.

    erf: het terrein behorend bij een woning of lokaal, als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet;

  • f.

    lokaal: een gebouw al dan niet toegankelijk voor het publiek, niet zijnde een woning, alsmede het daarbij behorende erf;

  • g.

    woning: een voor bewoning bedoelde ruimte, een woonwagen of een woonboot alsmede het daarbij behorende erf en de hierop staande gebouwen;

  • h.

    sluiting: een last onder bestuursdwang, dan wel toepassing van bestuursdwang, strekkende tot de sluiting van een woning of een lokaal en/of het daarbij behorende erf op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet;

  • i.

    coffeeshop: een voor het publiek toegankelijk lokaal ten aanzien waarvan de burgemeester de handel in softdrugs gedoogt;

  • j.

    Awb: Algemene wet bestuursrecht.

 

Artikel 2. Uitgangspunten

  • 1.

    De burgemeester neemt een bestuurlijke maatregel overeenkomstig de artikelen 4 en 5, als sprake is van drugshandel of voorbereidingshandelingen in een woning of lokaal.

  • 2.

    De burgemeester kan een zwaardere bestuurlijke maatregel opleggen dan bedoeld in het eerste lid van dit artikel, als sprake is van verzwarende omstandigheden.

  • 3.

    De burgemeester kan volstaan met een minder verstrekkende bestuurlijke maatregel dan bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dan wel volstaan met een waarschuwing, als sprake is van verzachtende omstandigheden.

  • 4.

    Als sprake is van een overtreding met zowel harddrugs als softdrugs, dan neemt de burgemeester de bestuurlijke maatregel die geldt voor harddrugs.

  • 5.

    Als bij één van de elkaar opvolgende overtredingen als bedoeld in de artikelen 4 en 5 sprake is van harddrugs, dan gelden bij deze en de daaropvolgende overtredingen de bestuurlijke maatregelen voor harddrugs.

  • 6.

    Als sprake is van een overtreding in een woning en moet worden aangenomen dat de woning niet als zodanig in gebruik is en feitelijk niet wordt bewoond, dan kan de burgemeester de bestuurlijke maatregel nemen die geldt voor een lokaal.

  • 7.

    Als sprake is van een overtreding in een lokaal en moet worden aangenomen dat het lokaal als woning in gebruik is, dan kan de burgemeester de bestuurlijke maatregel nemen die geldt voor een woning.

  • 8.

    Deze beleidsregel is niet van toepassing op coffeeshops, voor zover de daarvoor afzonderlijk vastgestelde beleidsregel voorziet in de concrete situatie.

 

Artikel 3. Handelshoeveelheid

  • 1.

    De burgemeester merkt een hoeveelheid softdrugs of een hoeveelheid harddrugs aan als handelshoeveelheid, als die groter is dan de hoeveelheid drugs voor eigen gebruik (gebruikershoeveelheid) zoals bedoeld in de "Aanwijzing Opiumwet", de "Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs" en de "Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, lijst I en lijst IA" van het Openbaar Ministerie.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid van dit artikel merkt de burgemeester een hoeveelheid lachgas aan als handelshoeveelheid, als sprake is van meer dan 10 ampullen en bij aangewezen eindgebruikers in Bijlage II van het Lachgasbesluit als sprake is van meer dan 250 ampullen, zoals bedoeld in de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit (Staatsblad 2022, 461). De burgemeester merkt een hoeveelheid lachgas ook aan als handelshoeveelheid als sprake is van grotere drukhouders zoals cilinders, gasflessen of tanks voor zover niet aannemelijk is dat deze hoeveelheden bestemd zijn voor technische doeleinden, zoals bedoeld in de Nota van Toelichting bij het Lachgasbesluit (Staatsblad 2022, 461).

 

Artikel 4. Bestuurlijke maatregelen woningen

  • 1.

    In het geval van drugshandel in softdrugs, dan wel daaraan gerelateerde voorbereidingshandelingen, in een woning, neemt de burgemeester de volgende bestuurlijke maatregel:

    • a.

      bij de eerste overtreding een waarschuwing;

    • b.

      bij de tweede overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 3 maanden;

    • c.

      bij de derde overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 12 maanden;

    • d.

      bij de vierde en volgende overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 18 maanden.

  • 2.

    In het geval van drugshandel in harddrugs, dan wel daaraan gerelateerde voorbereidingshandelingen, in een woning, neemt de burgemeester de volgende bestuurlijke maatregel:

    • a.

      bij de eerste overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 3 maanden;

    • b.

      bij de tweede overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 6 maanden;

    • c.

      bij de derde overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 12 maanden;

    • d.

      bij de vierde en volgende overtreding een sluiting van de woning voor een periode van 18 maanden.

 

Artikel 5. Bestuurlijke maatregelen lokalen

  • 1.

    In het geval van drugshandel in softdrugs, dan wel daaraan gerelateerde voorbereidingshandelingen, in een lokaal, neemt de burgemeester de volgende bestuurlijke maatregel:

    • a.

      bij de eerste overtreding een sluiting van het lokaal voor een periode van 3 maanden;

    • b.

      bij de tweede overtreding een sluiting van het lokaal voor een periode van 12 maanden;

    • c.

      bij de derde en volgende overtreding een sluiting van het lokaal voor een periode van 18 maanden.

  • 2.

    In het geval van drugshandel in harddrugs, dan wel daaraan gerelateerde voorbereidingshandelingen, in een lokaal, neemt de burgemeester de volgende bestuurlijke maatregel:

    • a.

      bij de eerste overtreding:

      • i.

        in het geval van voorbereidingshandelingen een sluiting van het lokaal voor een periode van 3 maanden;

      • ii.

        in het geval van drugshandel een sluiting van het lokaal voor een periode van 6 maanden;

    • b.

      bij de tweede overtreding een sluiting van het lokaal voor een periode van 12 maanden;

    • c.

      bij de derde en volgende overtreding een sluiting van het lokaal voor een periode van 18 maanden.

 

Artikel 6. Last onder dwangsom of waarschuwing

  • 1.

    Als de burgemeester van oordeel is dat een bestuurlijke maatregel als bedoeld in de artikelen 4 en 5 in een concreet geval vanwege bijzondere omstandigheden niet passend of niet evenredig is, kan de burgemeester, in afwijking van de artikelen 4 en 5, een last onder dwangsom opleggen aan de overtreder, dan wel een formele waarschuwing geven aan de betrokkene(n).

  • 2.

    Bij een last onder dwangsom stemt de burgemeester de hoogte van de dwangsom af op het vermoedelijke financiële voordeel dat de overtreder kan verwachten van de te produceren of te verhandelen drugs, vermeerderd met een financiële prikkel.

 

Artikel 7. Recidive en verjaring

  • 1.

    Een overtreding waar een bestuurlijke maatregel op is gevolgd, blijft gedurende drie jaren meetellen voor een eventuele volgende stap als bedoeld in de artikelen 4 en 5.

  • 2.

    De verjaringstermijn als bedoeld in het eerste lid van dit artikel geldt tussen iedere stap en vanaf het moment dat de overtreding is geconstateerd tot het moment van een volgende constatering in dezelfde woning of hetzelfde lokaal, ongeacht of het in eerdere gevallen handel in softdrugs of harddrugs betrof.

  • 3.

    Als na een geconstateerde overtreding een sluiting volgt, wordt de verjaringstermijn verlengd met de duur van de sluiting.

  • 4.

    Als bij een nieuwe overtreding de verjaringstermijn is verstreken, dan wordt de nieuwe overtreding aangemerkt als een eerste overtreding als bedoeld in de artikelen 4 en 5.

  • 5.

    Als wordt volstaan met een waarschuwing, wordt in afwijking van het eerste lid van dit artikel een verjaringstermijn van twee jaar in plaats van drie jaar aangehouden.

 

Artikel 8. Verzwarende omstandigheden

De burgemeester weegt in ieder geval de volgende omstandigheden mee bij de beoordeling of sprake is van verzwarende omstandigheden als bedoeld in artikel 2, tweede lid:

  • a.

    de aangetroffen hoeveelheid softdrugs en harddrugs, alsmede de aangetroffen hoeveelheid attributen die zijn te relateren aan drugshandel, zoals grondstoffen en instrumenten;

  • b.

    de mate van professionaliteit van de aangetroffen middelen, grondstoffen en instrumenten die zijn te relateren aan drugshandel;

  • c.

    de mate waarin de woning of het lokaal betrokken is geweest bij (eerdere) drugshandel of voorbereidingshandelingen daartoe;

  • d.

    de mate van overlast, geweldsincidenten of openbare ordeverstoringen gerelateerd aan de woning of het lokaal;

  • e.

    de aanwezigheid van verboden wapens zoals bedoeld in de Wet wapens en munitie;

  • f.

    de mate waarin de woning of het lokaal bekend staat als drugspand;

  • g.

    de combinatie met (andere) strafbare feiten in relatie tot de woning of het lokaal, zoals diefstal van stroom;

  • h.

    de betrokkenheid van personen met antecedenten op het gebied van geweld, drugs of wapenbezit;

  • i.

    de mate van gevaar voor het woon- en leefklimaat en de omwonenden in de omgeving van de woning of het lokaal, zoals brandgevaar bij diefstal van stroom of ontploffingsgevaar in geval van een laboratorium;

  • j.

    de aanwezigheid van explosieven in of rondom de woning of het lokaal;

  • k.

    drugshandel door een minderjarige vanuit de woning of het lokaal, dan wel de verkoop van drugs aan minderjarigen vanuit de woning of het lokaal;

  • l.

    de ligging van de woning of het lokaal in een kwetsbare buurt;

  • m.

    de aanwezigheid van minderjarigen in de woning of het lokaal van waaruit de drugshandel plaatsvindt;

  • n.

    overige feiten en omstandigheden die duiden op drugshandel in georganiseerd verband.

 

Artikel 9. Verzachtende omstandigheden

De burgemeester weegt in ieder geval de volgende omstandigheden mee bij de beoordeling of sprake is van verzachtende omstandigheden als bedoeld in artikel 2, derde lid:

  • a.

    een bijzondere (medische) gebondenheid aan de woning van personen die daar hun duurzaam hoofdverblijf hebben;

  • b.

    de aanwezigheid van minderjarige kinderen in de woning die daar hun duurzaam hoofdverblijf hebben en de impact van de sluiting op hun welzijn;

  • c.

    de psychische en medische gevolgen van een bestuurlijke maatregel voor de betrokkene(n) en/of minderjarige kinderen;

  • d.

    het ontbreken van iedere betrokkenheid bij de overtreding, dan wel het ontbreken van verwijtbaarheid van de betrokkene(n);

  • e.

    de overtreding betreft een kleine handelshoeveelheid hennepproducten, zoals een handelshoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, mits geen sprake is van handelsindicatoren;

  • f.

    een verminderde noodzaak tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel;

  • g.

    de gevolgen voor de betrokkene(n) wanneer wordt overgegaan tot sluiting.

 

Artikel 10. Voorbereidingshandelingen

  • 1.

    De burgemeester acht in ieder geval de volgende voorwerpen en stoffen relevant bij de beoordeling of sprake is van voorbereidingshandelingen:

    • a.

      alle voorwerpen op de hennepruimlijst van de politie: armaturen, transformatoren, assimilatielampen, elektriciteitssnoeren, schakelborden, tijdschakelaars, slakkenhuizen, koolstoffilters, luchtafzuigers, kachels, vijverfolie, groeimiddelen, groeitenten, dompelpompen, luchtbevochtigers, hygro-ph/ec thermometers, ventilatoren en droogrekken;

    • b.

      potgrond en stekblokken;

    • c.

      cannacutters en scharen;

    • d.

      gripzakken- of zakjes;

    • e.

      pre-(pre)cusoren;

    • f.

      tableteermachines, mallen, vergruizers, centrifugeermachines, reactievaten en andere apparatuur geschikt voor de productie van synthetische drugs;

    • g.

      IBC- en andere vaten;

    • h.

      versnijdingsmiddelen.

  • 2.

    Bij de beoordeling of sprake is van voorbereidingshandelingen kan de burgemeester ook de ‘Aanwijzing Opiumwet’ (o.a. paragraaf 3.2.1.) betrekken.

 

Artikel 11. Procedureverloop

  • 1.

    Voordat de burgemeester overgaat tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel, maakt hij het voornemen daartoe bekend aan de betrokkene(n) en geeft hij hen overeenkomstig artikel 4:8 van de Awb de gelegenheid een mondelinge of schriftelijke zienswijze in te dienen.

  • 2.

    Als een spoedeisende situatie zich voordoet of de openbare orde om direct ingrijpen vraagt, kan de burgemeester op grond van artikel 5:31 van de Awb kiezen voor een versnelde uitoefening van de bestuursdwangbevoegdheid. In dat geval kan de burgemeester afzien van het geven van een zienswijzegelegenheid op grond van artikel 4:11, aanhef en onder a, van de Awb.

  • 3.

    Van een spoedeisende situatie is sprake bij acuut gevaar voor de openbare orde, de veiligheid van personen, de volksgezondheid of het milieu, waardoor de burgemeester het noodzakelijk acht om onmiddellijk in te grijpen. Hierbij kan in ieder geval worden gedacht aan:

    • a.

      brandgevaar;

    • b.

      explosiegevaar;

    • c.

      het (kunnen) vrijkomen van giftige stoffen of gassen;

    • d.

      direct aandienende risico's vanuit het criminele drugscircuit, waaronder de dreiging van ernstige geweldsincidenten;

    • e.

      drugshandel met minderjarigen.

  • 4.

    In het besluit tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel wordt de begunstigingstermijn in beginsel gesteld op één week. Van deze termijn kan worden afgeweken als de concrete feiten en omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven.

  • 5.

    Als de begunstigingstermijn is verstreken en de gelaste sluiting niet, niet volledig of niet tijdig is uitgevoerd, dan geeft de burgemeester opdracht tot het door feitelijk handelen geheel of gedeeltelijk sluiten van de woning of het lokaal en het daarbij behorende erf.

 

Artikel 12. Verzoek opheffing sluiting of last onder dwangsom

  • 1.

    De burgemeester kan op schriftelijk verzoek van de betrokkene de sluiting of de last onder dwangsom tussentijds opheffen, als aannemelijk is dat met het voortduren van de bestuurlijke maatregel geen redelijk belang meer is gediend en er voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling zal plaatsvinden van de feiten of gedragingen die tot de bestuurlijke maatregel hebben geleid.

  • 2.

    De burgemeester kan zich bij de beoordeling van een verzoek als bedoeld in het eerste lid van dit artikel laten adviseren door de lokale driehoek.

  • 3.

    In het verzoek om opheffing moet worden gemotiveerd dat het op basis van nieuwe feiten en omstandigheden aannemelijk is dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in het eerste lid van dit artikel.

  • 4.

    De burgemeester wijst een verzoek tot opheffing van een sluiting af als de helft van de opgelegde sluitingsduur nog niet is verstreken. In het geval van een sluiting voor de duur van 6 maanden of minder gaat de burgemeester in beginsel niet over tot een tussentijdse opheffing van de sluiting.

  • 5.

    Een verzoek tot het opheffen van een last onder dwangsom moet ook voldoen aan de vereisten genoemd in artikel 5:34 van de Awb.

  •  

Artikel 13. Overgangsbepalingen

  • 1.

    Procedures die zijn gestart onder de geldigheid van de op 25 juli 2013 inwerking getreden Beleidsregels artikel 13b Opiumwet Dordrecht, worden voortgezet op basis van die beleidsregels als voorafgaand aan de inwerkingtreding van de onderhavige beleidsregel een voornemen tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom is verzonden.

  • 2.

    Constateringen van overtredingen die hebben plaatsgevonden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregel blijven, met inachtneming van de verjaringstermijn, meetellen voor een eventuele volgende stap als bedoeld in de artikelen 4 en 5.

 

Artikel 14. Slotbepalingen

  • 1.

    Deze beleidsregel treedt in werking op 1 januari 2026.

  • 2.

    Deze beleidsregel kan worden aangehaald als “Beleidsregel artikel 13b Opiumwet gemeente Dordrecht 2026”.

 

 

Aldus vastgesteld op 15 december 2025.

De burgemeester van de gemeente Dordrecht,

N. Mol

Naar boven