Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Bergen op Zoom inhoudende Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025

 

 

Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025

 

Bijlage bij raadsbesluit RVB25-0082

 

Datum: 18 december 2025

 

 

Besluit van de raad van de gemeente Bergen op Zoom tot vaststelling van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025 (Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025)

 

De raad van de gemeente Bergen op Zoom;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 11 november 2025 nr. RVB25-0082;

gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

 

Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025

 

 

Paragraaf 1. Algemene bepalingen

 

Artikel 1. Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

• administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

• overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt.

• rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

 

 

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording

 

Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen

1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast:

a. de doelstellingen,

b. de taakvelden, en

c. de beleidsindicatoren. Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt:

a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven, en

b. in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

3. In het overzicht van de incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf €150.000 afzonderlijk toegelicht.

 

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming

1. Burgemeester en wethouders bieden aan de raad een nota (het beleidskader) aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota (het beleidskader) voor 15 juli vast.

2. In de begroting wordt een post onvoorzien van 0,1% van de totale lasten opgenomen.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

2. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting het eerste jaar van het investeringsplan en neemt kennis van de jaren twee, drie en vier.

3. Burgemeester en wethouders informeren de raad in ieder geval in de tussentijdse rapportages of zo spoedig mogelijk bij majeure afwijkingen (naar oordeel van burgemeester en wethouders) als zij verwachten dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

4. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doen burgemeester en wethouders indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten.

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportages

1. Burgemeester en wethouders informeren de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar.

2. De tussentijdse rapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en de financiële kengetallen zoals in de begroting opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing;

3. In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en lasten van programma’s en investeringskredieten in de begroting groter dan €150.000 toegelicht.

4. Onderdeel van de tussentijdse rapportages is een begrotingswijziging waarin voorstellen zijn opgenomen om de begroting in overeenstemming te brengen met de geactualiseerde inzichten.

 

Artikel 7. Bestemming van het jaarrekeningresultaat

1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat.

2. Burgemeester en wethouders kunnen de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar in de tweede tussentijdse rapportage en in de jaarstukken. De voorwaarden waar deze individuele overhevelingen aan moeten voldoen, zijn:

a. Er is een positief jaarrekeningsaldo;

b. Het gaat om een overheveling van minimaal €50.000. Lagere bedragen dienen binnen het programmabudget van het volgende jaar opgevangen te worden;

c. De prestatie was begroot en er is een (contract)verplichting aangegaan, het vloeit voort uit wet- en regelgeving en/of vloeit voort uit een eerder genomen college- of raadsbesluit;

d. De overheveling betreft incidenteel budget;

e. Binnen de begroting van het komende jaar is naar verwachting onvoldoende ruimte om het bestemmingsbedrag binnen bestaande budgetten op te vangen;

f. De activiteit(en) kunnen plaatsvinden naast de reeds begrote werkzaamheden in het komende jaar.

 

Artikel 8. Wensen en bedenkingen bij majeure financiële besluiten

In het kader van de actieve informatieplicht beslissen burgemeester en wethouders niet over:

a. De aan- en verkoop van onroerende goederen groter dan €750.000;

b. Het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan €500.000;

c. Het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen,

dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van burgemeester en wethouders te brengen.

 

Artikel 9. EMU-saldo

Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

 

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording

 

Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

1. De raad stelt in het beleidskader of de begroting vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid.

2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de toevoegingen aan de reserves.

3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan €150.000 nader toegelicht.

 

Artikel 11. Voorwaardencriterium

1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur.

2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk op 31 december ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan. Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien.

 

Artikel 12. Begrotingscriterium

1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen;

2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5.

3. Bij investeringsprojecten en grondexploitaties wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde (krediet)bedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet of grondexploitatie, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

4. Over- en onderschrijdingen van baten en onderschrijdingen van lasten zijn rechtmatig wanneer deze hebben geleid tot een begrotingswijziging of indien de raad hierover tijdig is geïnformeerd. De raad is tijdig geïnformeerd wanneer:

a. De afwijking is opgenomen in een tussentijdse rapportage, voorzien van een bijbehorende begrotingswijziging;

b. De afwijking die ontstaat na de laatste tussentijdse rapportage is vermeld en verantwoord in de jaarstukken.

5. Uitgangspunt is dat iedere overschrijding van de begrote last als onrechtmatig wordt beschouwd. Overschrijdingen worden als acceptabel aangemerkt in de volgende situaties:

a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren.

b. Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling.

c. De overschrijding is geautoriseerd door middel van de vaststelling van een tussentijdse rapportage.

d. De gemeenteraad is wel geïnformeerd via een raadsinformatiebrief, maar er is geen begrotingswijziging vastgesteld.

6. Begrotingsonrechtmatigheden die passen binnen het bestaande beleid van de raad, worden opgenomen in de rechtmatigheidsverantwoording (voor zover de verantwoordingsgrens voor afzonderlijke fouten of onduidelijkheden is overschreden), maar worden niet nader toegelicht in de paragraaf bedrijfsvoering.

 

Artikel 13. Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium

1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen.

2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen.

 

 

Paragraaf 4. Financieel beleid

 

Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa

1. Burgemeester en wethouders bieden de raad minimaal eens in de vier jaar een nota investeren en afschrijven aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandeld in ieder geval:

a. de wijze waarop voorstellen voor investeringen worden aangeboden en geautoriseerd door de raad, in aanvulling op wat in deze verordening is vastgelegd;

b. de afschrijvingsmethode en afschrijvingstermijn per categorie;

c. het moment van starten met afschrijven;

d. de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;

e. de componentenbenadering;

f. restwaarde;

2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een investeringsplan aan als onderdeel van de begroting, waarbij inzicht wordt verschaft in de geplande investeringen en de daarmee gepaard gaande kapitaallasten voor de komende meerjarenperiode.

 

Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen  

Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling van deze vorderingen

 

Artikel 16. Reserves en voorzieningen

Burgemeester en wethouders bieden de raad minimaal eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval:

a. de vorming en besteding van reserves;

b. de vorming en besteding van voorzieningen, en

c. bij welke specifiek benoemde taakvelden het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve.

 

Artikel 17. Grondbeleid

1. Burgemeester en wethouders bieden de raad minimaal eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente.

2. Burgemeester en wethouders stellen jaarlijks een grondprijzenbrief vast met vastgestelde gronduitgifteprijzen en bieden deze ter informatie aan de raad aan.

3. De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen netto contante waarde.

 

Artikel 18. Kostprijsberekening

1. Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

2. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de kosten voor straatreiniging betrokken.

3. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

4. Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

5. Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met het beleidskader vastgesteld. Dit percentage wordt berekend op basis van de gewogen gemiddelde rente over het totale gecommitteerde vermogen. Dit omvat zowel de langlopende schulden (externe leningen) als het eigen vermogen (bestemmingsreserves, algemene reserve). Het percentage wordt afgerond op een kwart procent.

6. Aan reserves en voorzieningen wordt geen rente toegerekend. Uitzonderingen hierop zijn verliesvoorzieningen.

7. In afwijking van het vijfde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

 

Artikel 19. Prijzen economische activiteiten

1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht.

2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht.

3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen.

4. Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd.

5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet.

 

Artikel 20. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

1. Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de lokale belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing en de leges.

2. Burgemeester en wethouders leggen bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en tarieven voor erfpachten, die afwijken van de kaders uit de nota(‘s) vooraf een besluit voor aan de raad.

 

Artikel 21. Financieringsfunctie

Burgemeester en wethouders bieden de raad minimaal eens in de vier jaar het treasurystatuut aan. Dit treasurystatuut wordt door de raad vastgesteld en behandelt de financieringsfunctie van de gemeente. Deze heeft als doel te zorgen voor een gezonde en duurzame financiële positie. Dit gebeurt door het adequaat beheren van liquiditeiten, het aantrekken van benodigde financiering en het afdekken van financiële risico's.

 

 

Paragraaf 5. Paragrafen

 

Artikel 22. Paragrafen  

1. In de begroting en jaarstukken worden minimaal de verplichte paragrafen opgenomen, zoals vastge steld in het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV).

2. In de paragrafen wordt toelichting gegeven en verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid. Burgemeester en wethouders gaan daarbij ten minste in op de verplichte onderdelen per paragraaf, zoals opgenomen in het BBV.

3. De raad kan bij het vaststellen van het beleidskader besluiten over welke aanvullende onderwerpen zij (eventueel tijdelijk) in de paragrafen geïnformeerd wil worden. Deze aanvullingen maken vervolgens onderdeel uit van de toelichting en verantwoording in de betreffende paragrafen.

4. In het geval dat voor de verplichte paragrafen specifieke beleidsnota's door burgemeester en wet houders en/of de raad zijn vastgesteld worden de uitgangspunten en afspraken overgenomen in de begroting. In de jaarstukken zal hier verantwoording over worden afgelegd. Tevens bereiden burge meester en wethouders voorstellen tot aanpassing van de beleidsnota's voor indien – op grond van gewijzigde omstandigheden of anderszins – daar aanleiding toe is

 

 

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer

 

Artikel 23. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de afdelingen;

b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

e. het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

Artikel 24. Financiële organisatie

Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor:

a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen;

b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

e. de te maken afspraken met de gemeentelijke organisatie over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

i. het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst.

 

Artikel 25. Interne controle

1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording zoals beschreven in Artikel 10. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

2. Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

 

 

Paragraaf 7. Slotbepalingen

 

Artikel 26. Intrekken oude regeling

De Financiële verordening gemeente Bergen op Zoom 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

 

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt een dag na bekendmaking in werking, met dien verstande dat zij van toepassing is op de accountantscontrole van de jaarrekening van het verslagjaar 2025 en later.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Bergen op Zoom 2025.

 

 

Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 18 december 2025

De griffier,

Drs. E.P.M. van der Meer

De voorzitter,

Drs. M. Mulder MSc

Naar boven