Financiële verordening 2025 van de gemeente Súdwest-Fryslân

De raad van de gemeente Súdwest-Fryslân;

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 29 oktober 2025;

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

 

overwegende dat het wenselijk is de verordening op onderdelen aan te passen

 

besluit:

 

vast te stellen

 

Financiële verordening 2025 van de gemeente Súdwest-Fryslân

 

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

    • b.

      college: het college van een gemeente, ook wel het college van burgemeester en wethouders (B&W) genoemd, is het dagelijks bestuur van de gemeente. Het college bestaat uit de burgemeester en de wethouders, die door de gemeenteraad worden benoemd. Zij voeren de besluiten van de gemeenteraad uit, beheren de financiën van de gemeente en zorgen voor de uitvoering van wet- en regelgeving, waarbij de gemeenteraad achteraf controleert;

    • c.

      compensabele omzetbelasting: omzetbelasting die gedeclareerd wordt bij het BTW-compensatiefonds;

    • d.

      doelmatigheid: het realiseren van bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen;

    • e.

      doeltreffendheid: de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van beleid ook daadwerkelijk worden behaald;

    • f.

      financiële administratie: het onderdeel van de administratie dat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie omvat, ten einde te komen tot een goed inzicht in:

      • 1.

        de financiële positie;

      • 2.

        het financieel beheer;

      • 3.

        de uitvoering van de begroting;

      • 4.

        het afwikkelen van vorderingen en schulden;

      • 5.

        alsmede het afleggen van rekening en verantwoording daarover;

    • g.

      financiële positie: het vermogen van gemeenten in relatie tot de exploitatie, met inachtneming van de risico’s. Belangrijk daarbij is dat het bij de financiële positie uitdrukkelijk gaat om het beeld van de financiën van de gemeente in het recente verleden (rekeningen), over het begrotingsjaar en de daarop volgende jaren (meerjarenraming);

    • h.

      financieel beheer: het uitoefenen van bestuur over en toezicht op het beheer van middelen en het uitoefenen van rechten;

    • i.

      inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen aan de reserves;

    • j.

      overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt;

    • k.

      programma: een samenhangend geheel van taakvelden, als zodanig door de raad bepaalt;

    • l.

      publieke taak: taak die het bestuursorgaan uitvoert voor de behartiging van een publiek of algemeen belang. Het gaat om taken waarbij het bestuursorgaan handelt in de hoedanigheid van overheid (overheidsoptreden). De verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan voor de uitvoering van een publieke taak kan blijken uit een wettelijke grondslag, een ministeriële regeling, een besluit, enz.;

    • m.

      rechtmatigheid: het tot stand komen van baten, lasten en balansmutaties in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving, waaronder gemeentelijke verordeningen en raadsbesluiten;

    • n.

      rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van het college waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

    • o.

      verrekenbare omzetbelasting: omzetbelasting die bij de belastingdienst teruggevorderd wordt.

  • 2.

    De in deze verordening en de bijbehorende bijlagen vermelde bedragen zijn geschoond van eventuele compensabele c.q. verrekenbare omzetbelasting.

 

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

 

 

Artikel 2 De programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en rekening kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

 

Artikel 3 Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken worden onder elk van de programma’s, onder het overzicht van algemene dekkingsmiddelen en onder het overzicht van de overhead de baten en lasten per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

 

Artikel 4 Kaders begroting

Het college biedt de gemeenteraad de gelegenheid om richting mee te geven voorafgaand aan het opstellen van de programmabegroting.

 

Artikel 5 Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten van de programma’s, overzichten en mutaties reserves.

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de begroting geautoriseerd.

  • 3.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor.

  • 4.

    Indien, nadat de raad het Investeringsprogramma heeft vastgesteld, niet binnen 3 jaar – na het voor het eerst opvoeren op het Investeringsprogramma - een investeringskrediet is opgevoerd vervalt deze voorgenomen investering, tenzij het college aannemelijk kan maken dat het investeringskrediet behouden dient te blijven.

  • 5.

    De door de raad geautoriseerde investerings- en incidentele kredieten vallen na toekenning weer vrij indien 3 jaar lang geen uitgaven verricht zijn, tenzij het college aannemelijk kan maken dat het investeringskrediet behouden dient te blijven.

  • 6.

    Nadat de raad de begroting of een investeringskrediet heeft vastgesteld, leiden baten die niet zijn geraamd (bijvoorbeeld onvoorziene subsidies of bijdragen van derden) niet tot een hoger exploitatiebudget of investeringskrediet. Hetzelfde is van toepassing als blijkt dat het exploitatiebudget of investeringskrediet na vaststelling door de raad alsnog compensabel of verrekenbaar is voor de omzetbelasting.

  • 7.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 8, lid 1, doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en het wijzigen van de geautoriseerde investerings- en incidentele kredieten.

 

Artikel 6 Voorbereidingskredieten

  • 1.

    In aanvulling op artikel 5 is het college bevoegd voorbereidingskredieten tot een bedrag van € 50.000 beschikbaar te stellen, vooruitlopend op besluitvorming door de raad.

  • 2.

    Bij grotere voorbereidingskredieten legt het college vooraf een voorstel tot beschikbaarstelling voor aan de raad.

  • 3.

    Het college maakt in de tussentijdse rapportages melding van de voorbereidingskredieten als bedoeld in lid 1.

  • 4.

    Het college neemt het beschikbaar gestelde voorbereidingskrediet mee in de totale kredietaanvraag voor een project.

  • 5.

    Als een project geen doorgang vindt, worden de gemaakte voorbereidingskosten als verlies afgeboekt ten laste van het begrotingssaldo of de algemene reserve of een specifieke post. Het college rapporteert hierover in een tussentijdse rapportage of via de jaarrekening.

 

Artikel 7 Afwikkeling investeringskredieten

  • 1.

    De inhoudelijke en financiële afwikkeling van investerings- en incidentele kredieten moet binnen 1 jaar na ingebruikname/oplevering/afronding geschieden.

  • 2.

    Bij de jaarrekening biedt het college de raad een overzicht aan van de afgewikkelde investerings- en incidentele kredieten groter dan € 100.000.

 

Artikel 8 Tussentijdse rapportages (bestuursrapportages)

  • 1.

    Het college informeert de raad periodiek door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de programmabegroting.

  • 2.

    De tussentijdse rapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van de baten en lasten.

  • 3.

    In de tussentijdse rapportages worden afwijkingen als volgt toegelicht:

    • a.

      Afwijkingen groter dan € 50.000 op de ramingen van lasten en baten van het grootboeknummer;

    • b.

      Alle afwijkingen van de ramingen van baten en lasten op de investerings- en incidentele kredieten;

    • c.

      Afwijkingen op de subsidie inkomsten/bijdragen van derden worden te allen tijde verwerkt in begrotingswijzigingen of middels de jaarrekening, ongeacht het bedrag van de inkomst.

 

Artikel 9 Jaarstukken

  • 1.

    In de jaarstukken worden afwijkingen op de ramingen van baten en lasten van de programma’s groter dan € 100.000 toegelicht.

  • 2.

    Indien lid 1 van toepassing is, wordt een nadere analyse uitgevoerd bij een afwijking groter dan € 100.000 op hoofdtaakveldniveau, waarbij bij de analyse van verschillen een restpost gehanteerd wordt van ‘diverse kleine verschillen’ van maximaal € 100.000.

  • 3.

    Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken biedt het college de raad het voorstel aan over de bestemmingen groter dan € 50.000 van het jaarrekeningresultaat.

 

Artikel 10 EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als het college een aanpassing nodig acht, doet het college een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

 

Hoofdstuk 3. Rechtmatigheidsverantwoording

 

 

Artikel 11 Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording

  • 1.

    Het college informeert de raad in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken over de rechtmatigheid.

  • 2.

    In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteert het college aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens van 2% van de totale lasten van de gemeente, inclusief de dotaties aan de reserves.

  • 3.

    In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten en onduidelijkheden) groter dan € 150.000 nader toegelicht.

 

Artikel 12 Begrotingscriterium

  • 1.

    Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen.

  • 2.

    De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, overeenkomstig artikel 5.

  • 3.

    Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaal bedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd.

  • 4.

    Uitgangspunt is dat iedere afwijking van de begroting als onrechtmatig wordt beschouwd. Afwijkingen worden als acceptabel aangemerkt indien:

    • a.

      sprake is van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren;

    • b.

      sprake is van een overschrijding op een open-einde regeling;

    • c.

      de overschrijding van baten en onderschrijdingen van lasten en/of baten zijn gemeld en toegelicht in een tussentijds rapportage en/of de jaarrekening.

  • 5.

    Naast de tussentijdse rapportages kan het college de raad in de laatste vergadering van een kalenderjaar een lijst met voorstellen voor begrotingswijziging ter besluitvorming voorleggen.

  •  

Artikel 13 Voorwaardencriterium

Het college biedt de raad jaarlijks een normenkader rechtmatigheid aan.

 

Hoofdstuk 4. Financieel beleid

Artikel 14 Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Activa waarvan de afschrijving voor 1 januari 2011 is gestart worden niet herrekend naar de in deze verordening opgenomen bepalingen. Hetzelfde is van toepassing op de activa afkomstig van overgenomen en nog over te nemen (delen van) publiekrechtelijke lichamen. Ook na een stelselwijziging zullen de activa waarvan de afschrijving al is gestart niet worden herrekend. De bijgestelde afschrijvingstermijnen worden in de komende jaren voor deze activa niet toegepast.

  • 2.

    Bijdragen aan derden worden in principe niet geactiveerd. De raad kan in specifieke gevallen bepalen dat bijdragen aan derden wel geactiveerd worden.

  • 3.

    Wanneer de raad het wenselijk vindt om bedragen aan derden te activeren, wordt het volgende afschrijvingsbeleid gehanteerd:

    • a.

      in het geval de derde zelf niet afschrijft: nihil. De bijdrage dient direct ten laste van de exploitatie te komen.

    • b.

      in het geval de derde wel afschrijft: is de afschrijvingstermijn niet langer dan de termijn die de derde hanteert. Wanneer het college motiveert dat de termijn van de derde niet gebaseerd is op een reële levensduur, kan de raad besluiten om hier van af te wijken.

  • 4.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5.

    Participaties in een onderneming of deelnemingen in een overheidsbedrijf worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs. Op de verkregen participaties of deelnemingen wordt niet afgeschreven.

  • 6.

    De afschrijving start op 1 januari volgend op het jaar van ingebruikname/oplevering van het actief.

  • 7.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. De raad kan besluiten hiervan, in de door hem te bepalen gevallen, af te wijken.

  • 8.

    De raad kan besluiten om bij investeringen, in de door hem te bepalen gevallen, de componentenbenadering toe te passen.

  • 9.

    Bij het bepalen van het afschrijvingsbedrag bij gebouwen kan onder vaste materiële activa, rekening worden gehouden met een restwaarde. Een restwaarde van een actief wordt per actief bepaald. Indien sprake is van verkoop, wordt een restwaarde die hoger is dan de boekwaarde als een eenmalige baat verantwoord.

 

Artikel 15 Lasten verdelen over meerdere jaren

Facturen van een bedrag lager dan € 300.000 worden niet gesplitst en in één keer ten laste van de exploitatie geboekt in het lopende jaar.

 

Artikel 16 Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Het college biedt de raad jaarlijks een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en bevat in ieder geval:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd, zoals opgenomen in artikel 5 lid 5 van deze verordening, niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd.

 

Artikel 17 Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele en te verrekenen belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    De opslag overhead (percentage) wordt berekend door de “totale begrote salarispost overhead” te delen door de “totale begrote salariskosten en inhuur van alle overige taakvelden”.

  • 4.

    De berekening van het omslagrentepercentage voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld.

  • 5.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

 

Artikel 18 Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de levering van de desbetreffende goederen, diensten of werken wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel aan de raad, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen; en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

 

Artikel 19 Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen

Het college biedt de raad jaarlijks een voorstel aan voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen, de afvalstoffenheffing, rechten en leges.

 

Artikel 20 Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college stelt een Treasurystatuut vast, waarbij de volgende kaders in acht worden genomen:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

    • b.

      geen gebruik van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

  • 3.

    Het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal mag alleen plaatsvinden uit hoofde van de publieke taak.

  •  

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 21 Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijk beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

Artikel 22 Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen;

  • h.

    het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

 

Artikel 23 Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, als bedoeld in artikel 197 van de Gemeentewet, jaarlijks voor de interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen.

  • 2.

    Bij afwijkingen rapporteert het college daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, als bedoeld in artikel 12 lid 2. Daarnaast informeert het college de raad over de maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

  • 3.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente.

  • 4.

    De controle in lid 3 voor waardepapieren, voorraden, uitstaande leningen, debiteurenvorderingen, liquiditeiten, opgenomen leningen, kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren vindt jaarlijks plaats. De controle voor registergoederen en bedrijfsmiddelen vindt periodiek plaats.

  • 5.

    Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

     

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 24 Intrekken oude verordening en overgangsrecht

De Financiele verordening 2023 van de gemeente Súdwest-Fryslân wordt ingetrokken, met dien verstande dat:

  • a.

    zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • b.

    artikel 13 van toepassing blijft op het begrotingsjaar 2025.

 

Artikel 25 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking en werkt terug tot 1 januari 2025.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening 2025 van de gemeente Súdwest-Fryslân.

 

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 18 december 2025,

Mr. drs. J.A. de Vries, voorzitter

G.W. Stegenga, griffier

Bijlage afschrijvingsbeleid behorende bij artikel 14

 

Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

Immateriële activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 50.000 worden in principe niet geactiveerd, tenzij de raad anders besluit.

 

Afschrijvingsbeleid materiele vaste activa met economisch nut

 

Binnen de materiële vaste activa met economisch nut worden drie categorieën onderscheiden:

  • 1.

    Onderstaande activa met economisch nut en met een verkrijgingsprijs van minder dan € 50.000 worden in principe niet geactiveerd, tenzij de raad anders besluit.

 

De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in maximaal:

  • a.

    50 jaar: schoolgebouwen, gebouwen bestemd voor de ambtelijke organisatie, gebouwen van het Cultureel Kwartier, bibliotheken en strategische gebouw en;

  • b.

    40 jaar: woonruimten en overige gebouwen;

  • c.

    40 jaar: vernieuwbouw van schoolgebouwen;

  • d.

    25 jaar: renovatie en restauratie van woonruimten, schoolgebouwen en bedrijfsgebouwen;

  • e.

    15 jaar: technische installaties;

  • f.

    10 jaar: inventaris;

  • g.

    5 jaar: telefooninstallaties;

  • h.

    40 jaar: rioolbuizen (vrijverval en druk-/persleidingen);

  • i.

    30 jaar: pompen en gemalen (civieltechnisch);

  • j.

    15 jaar: pompen en gemalen (mechanisch/elektrisch);

  • k.

    5 jaar: telemetrie;

  • l.

    5 jaar: ict (dataopslag en infra/switches);

  • m.

    4 jaar: ict (werkplekken);

  • n.

    5 jaar: computerapplicaties en software;

  • o.

    15 jaar: aanleg en renovatie van grassportvelden;

  • p.

    12 jaar: aanleg en renovatie bovenlaag kunstgrassportvelden;

  • q.

    24 jaar: aanleg en renovatie onderlaag kunstgrassportvelden;

  • r.

    25 jaar: energiebesparende maatregelen;

  • s.

    10 jaar: afvalcontainers.

 

  • 2.

    Onderstaande activa met economisch nut en met een verkrijgingsprijs van minder dan € 20.000 (inclusief bijzondere verbruiksbelasting) worden in principe niet geactiveerd, tenzij de raad anders besluit. Hierbij geldt dat elk object als afzonderlijke aanschaf wordt gezien.

  •  

De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in maximaal:

  • a.

    8 jaar: vrachtwagens en vervoermiddelen (bestelauto’s en heftrucks), tractoren inclusief aanbouwgereedschappen;

  • b.

    5 jaar: grasmaaiers, onkruidborstelmachines en veegmachines;

  • c.

    8 jaar: materiaal gladheidsbestrijding;

 

  • 3.

    Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. Gronden, terreinen en deelnemingen in groot onderhoud een van overheidsbedrijf worden ongeacht de verkrijgingsprijs altijd geactiveerd.

  •  

Afschrijvingsbeleid materiele vaste activa met maatschappelijk nut

 

Activa met maatschappelijk nut en met een verkrijgingsprijs van minder dan € 250.000 (bruto, inclusief niet compensabele en niet verrekenbare btw) worden in principe niet geactiveerd, tenzij de raad anders besluit.

 

De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in maximaal:

  • a.

    40 jaar: aanleg en groot onderhoud wegen;

  • b.

    40 jaar: aanleg rotondes

  • c.

    40 jaar: lichtmasten

  • d.

    20 jaar: armaturen van lichtmasten

  • e.

    40 jaar: parkeerterreinen

  • f.

    10 jaar: parkeerautomaten

  • g.

    60 jaar: bruggen en andere kunstwerken

  • h.

    25 jaar: installaties bruggen

  • i.

    25 jaar: houten bruggen

  • j.

    50 jaar: sluizen

  • k.

    25 jaar: sluisdeuren

  • l.

    20 jaar: vaarwegen

  • m.

    20 jaar: houten steigers, houten walbeschoeiingen en paalwerken

  • n.

    40 jaar: kunststofsteigers, walbeschoeiingen, en paalwerken

  • o.

    50 jaar: kademuren

  • p.

    15 jaar: voorzieningen voor de recreatievaart

  • q.

    15 jaar: verkeersveiligheidsmaatregelen

  • r.

    25 jaar: verkeersregelinstallaties

  • s.

    20 jaar: abri’s en bushalteplaatsen

  • t.

    30 jaar: aanleg en groot onderhoud wandel- en fietspaden (asfalt)

  • u.

    25 jaar: aanleg en groot onderhoud wandel- en fietspaden (elementen)

  • v.

    25 jaar: aanleg/uitbreiding begraafplaatsen

  • w.

    20 jaar: groenvoorzieningen/(stads)parken;

  • x.

    25 jaar: baarhuisjes

  • y.

    20 jaar: houten baarhuisjes

  • z.

    25 jaar: schoolpleinen

 

 

 

Naar boven