Gemeenteblad van Weert
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Weert | Gemeenteblad 2025, 570515 | beleidsregel |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Weert | Gemeenteblad 2025, 570515 | beleidsregel |
Ruimtelijk Kwaliteitskader Weert
De raad van de gemeente Weert,
gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 19 augustus 2025.
Het Ruimtelijk Kwaliteitskader Weert vast te stellen.
Behoud en versterken van de ruimtelijke eigenheid
Weert profileert zich als ‘stad in het groen’; een compacte stad met een menselijke maat, met veel bedrijvigheid, voorzieningen en een natuurrijk buitengebied. Tegelijkertijd is Weert volop in beweging en zijn er veel verschillende opgaven. Een groeiende woningbehoefte, de energietransitie, klimaatverandering, ruimte voor werken, gezondheid, mobiliteit, transitie van het landelijk gebied en biodiversiteit. Om deze (ruimtelijke) opgaven aan te pakken is regie en sturing van de gemeente vereist. Daarom pakt de gemeente Weert door in de Omgevingsvisie Weert, door te benoemen wat we willen bereiken, en heeft die opgaven concreet gemaakt in de Ruimtelijke Ontwikkelstrategie. Maar om de eigenheid van Weert in die ontwikkeldrang niet te verliezen nemen we ook onze verantwoordelijkheid door regie te nemen op de ruimtelijke kwaliteit: Behoud en versterken van de ruimtelijke eigenheid, juist ook door ontwikkelingen. Dit document is een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. We maken verwachtingen aan de voorkant helder, door de ruimtelijke kwaliteitseisen te beschrijven. Zo hopen we procedures transparanter en gemakkelijker te maken en dragen we bij aan de versnelling van de woningbouw.
1.1 Positie Ruimtelijk Kwaliteitskader
Op maandag 17 juni 2024 heeft de gemeenteraad van Weert de Omgevingsvisie Weert vastgesteld. De Omgevingsvisie geeft richting aan de ruimtelijke uitdagingen waar Weert voor staat.
Eén van de belangrijkste en grootste opgaven van Weert is dat we gaan groeien. Dit doen we op basis van ‘Beheerste groei vanuit eigenheid’. Net als in de rest van Nederland is ook de ruimte in Weert beperkt en zullen er keuzes gemaakt moeten worden. Als regisseur van de inrichting van de stad, de dorpskernen en het buitengebied nemen wij onze rol serieus. We hebben de regie over een aantal grote opgaven. Daarom zijn in de Omgevingsvisie een drietal ruimtelijke principes opgenomen:
Deze drie ruimtelijke principes zijn sturend bij het ontwerpen en beoordelen van ruimtelijke plannen, maar moeten nog worden geplaatst in de Weerter context. Daarmee kunnen we dan doelgericht uitvoering geven aan de uitgesproken ambitie ‘Beheerste groei vanuit eigenheid’.
Het Ruimtelijk Kwaliteitskader vervangt de bestaande losse ruimtelijke kwaliteitsdocumenten voor de stedelijke omgeving en het buitengebied. Door deze samen in één beleidsdocument te integreren kunnen verbanden worden gelegd en is gebiedsgericht maatwerk mogelijk.
Figuur 1 - Beleidsmatige positionering van het Ruimtelijk Kwaliteitskader
Het Ruimtelijk Kwaliteitskader is een informerend, verbeeldend, sturend en richtinggevend instrument voor zowel initiatiefnemers, adviseurs als de gemeente zelf. Het instrument heeft als doel ontwikkelingen te sturen binnen de kaders van de eigenheid van Weert. Het Ruimtelijk Kwaliteitskader dient daarnaast ook als toetsingsinstrument voor de Collegeadviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit.
De locatie en/of plangebied van een ontwikkeling vormt de basis voor de zoektocht naar de ruimtelijke (beleids)kaders voor ruimtelijke kwaliteit van de bestaande omgeving. Het proces begint dan ook met het definiëren van de locatie en het afbakenen van het plangebied. Aan de hand van een viertal stappen kan vervolgens inzicht worden gekregen in de geldende ruimtelijke (beleids)kaders voor een initiatief en locatie alvorens het iniatief wordt uitgewerkt tot planvoorstel in stap 5. De vijf stappen zijn als volgt:
Stap 1. Verkrijg inzicht in de algemene gemeentedekkende kwaliteitsregels
De gemeente Weert is in de basis welstandsvrij. Wel zijn er een aantal gebieden en objecten waarvoor er wel een welstandstoets geldt. Deze gebieden en objecten kennen twee soorten kwaliteitsregimes: ‘soepel’ en ‘bijzonder’. Hoofdstuk 2 van het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan worden gebruikt om inzicht te krijgen in hoeverre een initiatief welstandsvrij of niet welstandsvrij is en welke algemene gemeentedekkende kwaliteitsregels er gelden voor de verschillende kwaliteitsregimes.
Stap 2. Onderzoek naar aanwezige gebiedstypologieën
Figuur 4 toont de kaart met de voorkomende gebiedstypologieën in de gemeente Weert. Elke gebiedstypologie kent zijn eigen kenmerken, kwaliteiten, structuurdragers en Weerter Waarden. Samen vormen deze de ruimtelijke kaders voor de aanwezige en/of gewenste ruimtelijke kwaliteit van een typologie. De tweede stap geeft inzicht in deze kaders en de bijbehorende ontwikkelprincipes om te komen tot een bij de gebiedstypologie passende ruimtelijke ontwikkeling. Elk initiatief is gelegen in één of meerdere gebiedstypologieën. Hoofdstuk 3 van het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan worden gebruikt voor het onderzoek naar de aanwezige gebiedstypologie(ën). Onderzoek hierbij ook de aaneengelegen gebiedstypologieën. Onderzoek daarnaast of er sprake is van een ‘verkleuring’ van het gebied, bijvoorbeeld van ‘veld’ naar ‘bebouwd gebied’. Is er sprake van een verkleuring, dan gelden nog altijd de ontwikkelprincipes van de huidige gebiedstypologie.
Stap 3. Onderzoek naar het betreffende deelgebied
Figuur 17 toont de kaart met de twintig ruimtelijke deelgebieden in de gemeente Weert. De locatie bevindt zich altijd binnen één van de twintig verschillende deelgebieden. Deze deelgebieden herbergen specifieke kenmerken, hoofdopgaven, kwaliteiten en structuurdragers waar de ontwikkeling rekening mee dient te houden. De derde stap geeft inzicht in deze kaders en de bijbehorende ontwikkelprincipes om te komen tot een bij het deelgebied passende ruimtelijke ontwikkeling. Hoofdstuk 4 van het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan worden gebruikt voor het onderzoek naar het betreffende deelgebied. Onderzoek hierbij ook de aaneengelegen deelgebieden.
Stap 4. Onderzoek naar het aanvullende beoordelingskader
Naast ruimtelijke kenmerken zijn er ook bestaande beleidskaders die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. Van kaders ten aanzien van cultuurhistorie, archeologie, natuur en landschap tot mogelijkheden voor hoogbouw. Figuur 78 toont een overzicht van het geldende beoordelingskader. Deze kaders gelden als extra aanvullende richtlijnen of mogelijkheden die van invloed kunnen zijn. Hoofdstuk 5 van het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan worden gebruikt voor het onderzoek naar het aanvullende beoordelingskader.
Stap 5. Uitwerking tot planvoorstel
Op basis van de kaders kan het initiatief worden uitgewerkt tot een planvoorstel. De mate van beoordeling en toetsing is afhankelijk van de gemeentelijke richtlijnen. Hoofdstuk 2.2 geeft inzicht in deze richtlijnen.
1.3 Aanvullend beoordelingskader
Naast het Ruimtelijk Kwaliteitskader is het mogelijk dat gebiedsgericht of sectoraal gezien aanvullende kwaliteitsregels wenselijk zijn. Dit kan bijvoorbeeld doordat een beeldkwaliteitsplan wordt vastgesteld om specifieke architectuur, landschap of stedenbouwkundige regels in een gebiedsontwikkeling te verankeren. Maar ook kunnen sectorale regels zoals een reclameregeling of terassenregeling van toepassing worden verklaard.
De op dit moment in werking zijnde beeldkwaliteitsplannen en beleidsregels gericht op de ruimtelijke kwaliteit blijven actueel en worden derhalve opgenomen als bijlage bij onderhavig Ruimtelijk Kwaliteitskader:
Nieuwe beleidsstukken worden na vaststelling door het bevoegd orgaan toegevoegd (of vervangen) als bijlage aan onderhavig document.
2. Algemene gemeentedekkende kwaliteitsregels
In een gemeente met grote ambities, maar waar tegelijkertijd druk op de ruimte is en waar diverse ruimtelijke opgaven moeten landen, is het van belang dat er bij elke project- en gebiedsontwikkeling binnen de gemeente aandacht is voor het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit en de beheerste groei vanuit eigenheid. Daarbij is de vraag waar de balans ligt tussen inspelen op maatschappelijke dynamiek en noodzakelijke beperkingen om ruimtelijke kwaliteit te borgen. De term omgevingskwaliteit kan worden gebruikt om de zoektocht naar deze balans te sturen én houvast te bieden bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Ofschoon er geen algemene definitie van omgevingskwaliteit bestaat, is de meest gangbare benadering dat omgevingskwaliteit refereert aan het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen (zoals ook gehanteerd in de Nationale Omgevingsvisie en de Omgevingswet).
Omgevingskwaliteit is per definitie integraal en duidt op het belang van verschillende aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap (zie definitie Federatie Ruimtelijke Kwaliteit). Daarbij kan het zowel gaan om intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan plekken of gebieden, als de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving.
Vertalen we dit naar Weert, dan behelst omgevingskwaliteit het brede palet aan plekken en gebieden – zowel stedelijk als landschappelijk - met eigenheid, identiteit en waarden.
Vanuit het uitgangspunt van omgevingskwaliteit dienen al deze verschillende plekken en gebieden doelmatig ingericht te zijn, zodat verschillende functies elkaar versterken (gebruikswaarde), waar het prettig verblijven is (belevingswaarde) en duurzaam en robuust ingericht zijn (toekomstwaarde).
Omgevingskwaliteit binnen het Ruimtelijk Kwaliteitskader gaat in essentie over de logica van een plek; een plek moet functioneel en beleefbaar zijn voor de lange termijn. Anders gezegd, omgevingskwaliteit gaat over (het streven naar) het goede voor een plek en haar gebruikers. In de eigenheid van de plek schuilen zaken als identiteit, kwaliteit en schoonheid. Bij dit alles komt de inspiratie uit de lokale context. Omgevingskwaliteit geeft immers een contextuele waardering. Met andere woorden: er zijn waarden die staan voor de eigenheid van Weert, maar tegelijkertijd moet er ook ruimte zijn voor verandering waarbij het toevoegen van waarde onderdeel is van de Weerter cultuur.
In de aanloop naar de besluitvorming voor Omgevingsvisie is een omgevingseffectrapport (OER) opgesteld. Het doel van de OER is het omgevingsbelang mee te wegen bij de besluitvorming rondom de Omgevingsvisie. Het OER doet dit door de effecten op de omgeving te beschrijven van de ambities, opgaven en ontwikkelingen in de Omgevingsvisie en zo aandachtspunten mee te geven voor de te maken afwegingen en keuzes. Daarbij is enerzijds gekeken naar de huidige staat van de fysieke leefomgeving in Weert (de Foto van de Leefomgeving) en anderzijds naar hoe de doelstellingen impact (kunnen) hebben op de leefomgeving en hoe ze elkaar (kunnen) beïnvloeden. In deze OER zijn de doelstellingen van de Omgevingsvisie beoordeeld op de (potentiële) effecten op de verschillende thema’s van de (fysieke) leefomgeving, zoals ruimtelijke kwaliteit, wonen en gezondheidsbevordering.
Tien thema’s van de OER beoordeling hebben gedurende het onderzoek en de analyse van de deelgebieden constant centraal gestaan (Figuur 2). Deze thema’s en de beoordeling van de omgevingsvisie tonen de brede ambities van Weert. Deze ambitie is vertaald naar een diagram dat toont hoe de huidige kwaliteit zich daarmee verhoudt.
Ondanks de uiteenlopendheid van de thema’s zijn deze veelal indirect verbonden aan de ruimtelijke kwaliteit van onze leefomgeving. Denk bijvoorbeeld aan de relatie tussen gezondheidsbevordering en de aanwezigheid van (groene) structuren of energie en de aanwezigheid van de benodigde elektriciteitsinfrastructuur.
Eén van de tien thema’s betreft de ruimtelijke kwaliteit. Ruimtelijke kwaliteit gaat, evenals omgevingskwaliteit, over de balans tussen functionaliteit, esthetiek en duurzaamheid in de inrichting van onze leefomgeving, maar kent een sterkere fysieke component. In het kader van dit Ruimtelijk Kwaliteitskader is de component ruimtelijke kwaliteit onderverdeeld in de volgende vijf onderdelen:
Hoewel de ruimtelijke kwaliteit in de huidige situatie als positief wordt beoordeeld (Figuur 2), worden enkele andere thema’s dit niet. Ook deze thema’s kennen echter elk een relatie met het thema ruimtelijke kwaliteit en het verbeteren van de waardering van deze thema’s zal daarmee ook effect hebben op de ruimtelijke kwaliteit.
In hoofdstuk 3 vormen deze vijf onderdelen de basis voor de ontwikkelprincipes per deelgebied.
Figuur 2 - Waardering van het huidige kwaliteitsniveau van 10 verschillende OER thema’s in vergelijking met de gemeentebrede ambitie van de gemeente Weert, uitgelicht het thema ‘ruimtelijke kwaliteit’
noot: de waardering betreft een visuele vertaling van de ‘samenvatting kwaliteitsniveau in huidige situatie’ uit de OER
2.2 Algemene kwaliteitsprincipes
De gemeente Weert is in de basis welstandsvrij. Wel zijn er een aantal gebieden en objecten waarvoor er een welstandstoets geldt. Deze gebieden en objecten kennen twee soorten kwaliteitsregimes: ‘soepel’ en ‘bijzonder’. Figuur 3 toont de schematische weergave van het welstandsbeleid van de gemeente Weert. Het Ruimtelijk Kwaliteitskader kan bij ontwikkelingen als leidraad worden beschouwd om projecten te ontwikkelen in lijn met de eigenheid van Weert.
De gemeenteraad heeft tijdens haar vergadering op 16 november 2022 de ‘Verordening op de gemeentelijke adviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Weert 2022’ vastgesteld. Daarin heeft ze de Collegeadviescommissie Ruimtelijke Kwaliteit aangesteld, die toeziet op behoud en verbetering van een goede omgevingskwaliteit van Weert. Daarbij gaat het om het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap en van monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten.
Tijdens de vergadering van 21 november 2023 zijn de leden voor deze commissie vastgesteld.
Figuur 3 - Schematische weergave van het welstandsbeleid
Voor de verschillende objecten en gebieden gelden verschillende kwaliteitsregimes. De volgende kwaliteitsniveaus zijn in Weert van toepassing.
Toepasbaar bij ambtelijke beoordelingen en excessen. Daarnaast is een vrijwillige kwaliteitstoets bij de CRK mogelijk.
Bij toepassing van de criteria die bij dit niveau horen (criteria 1 t/m 8) blijft de basiskwaliteit van het betreffende gebied behouden. Dit betekent voor nieuwe bouwactiviteiten, wijzigingen en toevoegingen, dat deze niet storend mogen zijn voor de omgeving.
2. Bijzonder (monumenten, stads- en dorpsgezichten)
Toepasbaar bij CRK verplichte adviseringen.
Bij toepassing van de criteria die bij dit niveau horen (criteria 1 t/m 13), worden de speciale kwaliteiten van het betreffende object of gebied behouden en/of verbeterd.
Dat betekent voor nieuwe bouwactiviteiten, wijzigingen en toevoegingen dat deze een bijdrage of meerwaarde leveren aan het totaal. Het zijn de objecten en gebieden die van cruciale betekenis zijn voor het totaalbeeld van de gemeente vanwege de hoge cultuurhistorische waarde. Let wel: het streven is niet gericht op het nabouwen maar op het respecteren van de historische context.
Nadere toelichting kwaliteitsniveaus
Bij iedere beoordeling worden twee invalshoeken beschouwd: het gebouw in zijn omgeving (of de verwachte ontwikkeling daarvan) en het gebouw op zichzelf. Bij de omgeving betreft het de plaats van het bouwwerk in de context, waarbij het gaat om een evenwichtige situering naar vorm, grootte en massa ten opzichte van de omliggende gebouwen en ten opzichte van het openbaar gebied.
Bij toetsing van het bouwwerk op zichzelf, gaat het om de verschijningsvorm van dat afzonderlijke bouwwerk. Hier gaat het om de esthetische kwaliteiten en de herkenbaarheid van het bouwwerk en in het bijzonder om juiste verhoudingen en correct materiaal- en kleurgebruik.
Op welstandsniveau Soepel wordt getoetst of een bouwwerk niet storend is op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving. Hieronder vallen de volgende criteria:
Op welstandsniveau Bijzonder wordt getoetst of een bouwwerk zowel op zichzelf als in relatie tot zijn omgeving een meerwaarde is. Een bouwwerk is dan niet strijdig met “redelijke eisen van welstand” wanneer bovendien:
De regel dat bouwwerken ‘niet in ernstige mate in strijd mogen zijn met redelijke eisen van welstand’ geldt ook voor vergunningvrije bouwwerken en in welstandsvrije gebieden.
Dus niet alleen voor alle bestaande bouwwerken waarvoor voor het bouwen een omgevingsvergunning is verleend. Het gaat in gevallen van een exces om ernstige ontsiering van een bouwwerk of een gedeelte daarvan in relatie tot de omgeving.
Het zal duidelijk zijn dat in een gebied waarvoor een hoog welstandsniveau is vastgesteld, er eerder sprake kan zijn van een exces dan in een gebied met een lager niveau.
De gemeente hanteert het criterium dat er sprake moet zijn van een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor niet-deskundigen evident is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied.
Van ernstige ontsiering kan sprake zijn indien:
Het beeldkwaliteitsplan heeft tot doel een kader te bieden waarbinnen de gewenste stedenbouwkundige landschappelijke en architectonische uitwerking en planbeoordeling kan plaatsvinden.
Het gaat hier met name om de beoogde ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en de inrichting van de openbare ruimte.
Het beeldkwaliteitsplan geeft richtlijnen om de ruimtelijke en esthetische kwaliteit te bevorderen. Hierbij gaat het om richtlijnen ten aanzien van stedenbouw, landschap, architectuur en de inrichting van het openbaar gebied.
Bij grotere, planmatige ontwikkelingen is het gewenst om een beeldkwaliteitsplan op te stellen. Dit beeldkwaliteitsplan kan ervoor zorgen dat in het plangebied een bepaalde sfeer, kwaliteit of uitstraling wordt gerealiseerd.
Onze visie is om wel de bepaalde sfeer of uitstraling te garanderen via een beeldkwaliteitsplan, maar niet om onnodige discussie, inzet of vertraging te veroorzaken ten aanzien van kleine bouwinitiatieven die zeer beperkte invloed hebben op de omgeving. Daarom streven we als gemeente naar robuuste beeldkwaliteitsplannen die sturend zijn op hoofdlijnen.
Het bebouwd gebied en het buitengebied van de gemeente Weert bestaat uit een rijk palet aan gebiedstypologieën (Figuur 4 en Figuur 5). Elke gebiedstypologie kent zijn eigen kenmerken, kwaliteiten, structuurdragers en Weerter Waarden. Hoewel deze in de oorsprong een sterke relatie kennen met de ondergrond, denk aan de bodemsoorten en grondwaterstanden, is deze relatie in de laatste decennia sterk vertroebeld. Dit proces heeft ook zijn weerslag gehad op de ruimtelijke eigenheid van de gebieden, zo is de oorspronkelijke kleinschaligheid van het kampenlandschap in het buitengebied nog nauwelijks te herkennen en hebben de waardevolle cultuurhistorische structuren in het stedelijk gebied aan kwaliteit en herkenbaarheid ingeboet.
In de laatste jaren is er weer hard ingezet op het versterken van de ruimtelijke kwaliteit en de lees- en herkenbaarheid van de wisselwerking tussen onder- en bovengrond. Deze ingezette lijn wordt met het Ruimtelijk Kwaliteitskader doorgezet en door middel van ontwerpprincipes wordt er aan deze ontwikkeling handen en voeten gegeven. Beheerste groei vanuit eigenheid betekent in de gemeente Weert dan ook het behouden, herstellen en het versterken van de (aanwezige) ruimtelijke eigenheid.
Door het rijke palet aan gebiedstypologieën beperkt de ruimtelijke eenheid zich niet alleen tot de gebiedstypologie zelf, maar betreft het veelal ook de wisselwerking tussen de gebiedstypologieën.
Denk bijvoorbeeld aan de kernranden, waar stad en land elkaar ontmoeten, of de ruimtelijke schaalsprongen tussen het oude cultuurland en de jonge heideontginningen in het buitengebied. Ook deze wisselwerking is bepalend voor de ruimtelijke eigenheid van Weert.
Een gebiedstypologie kan worden omschreven als een typologische ruimtelijke eenheid met eigen (ruimtelijke) kenmerken, kwaliteiten, structuurdragers en Weerter Waarden. Deze termen kunnen als volgt omschreven worden:
De kenmerken bestaan uit de aanwezige (ruimtelijke) karakteristieken. Met andere woorden, de kenmerken beschrijven wat er aanwezig is in de fysieke ruimte. Dit zijn bijvoorbeeld wegenpatronen, bebouwingstypologieën en groenstructuren.
Kwaliteiten beschrijven de beleving en waardering van de aanwezige ruimtelijke karakteristieken. Zo waarderen we bijvoorbeeld de aanwezigheid van cultuurhistorische elementen of draagt de aanwezigheid van laanstructuren in de heideontginningen bij aan de beleving van het landschapstype.
De structuurdragers zijn de onmisbare dragende elementen voor de (ruimtelijke) leesbaarheid. Veelal bestaan de structuurdragers van een gebied uit doorgaande structuren, waarlangs bewogen kan worden. Denk bijvoorbeeld aan de beeklopen in de beekdalen of de hoofdwegen in het bebouwd gebied.
De Weerter Waarden staan voor de eigenheid van Weert. Dit zijn de waarden die Weert ook echt Weert maken. Denk bijvoorbeeld aan de kerktoren van de Sint Martinuskerk die fungeert als landmark voor de gehele omgeving of de wisselwerking tussen natte en droge gebieden in het buitengebied.
Elke gebiedstypologie kent zijn eigen ontwikkelprincipes die bijdragen aan het behouden, herstellen en versterken van de ruimtelijke eigenheid van de typologie. De ontwikkelprincipes zijn ingedeeld op basis van de vijf onderdelen van het thema ruimtelijke kwaliteit; cultuurhistorie en erfgoed, stedenbouwkundige kwaliteit, architectonische kwaliteit, landschappelijk waarden en kwaliteit en de archeologische waarden.
De ontwikkelprincipes geven richting aan de kaders voor het initiatief en helpen bij het uitwerken van een initiatief tot een planvoorstel. Zo geven de ontwikkelprincipes bijvoorbeeld richtlijnen over de gewenste architectonische kwaliteit van een nieuw bedrijfspand of over de positionering van een woning in het buitengebied.
Voor elke gebiedstypologie duidt een geabstraheerde ‘tegel’ het ruimtelijke karakter en de ruimtelijke principes. Enkele belangrijke ontwikkelprincipes voor de herkenbaarheid van van de gebiedstypologie zijn hier nogmaals benoemd.
Hoewel de gebiedstypologieën ten behoeve van dit Ruimtelijk Kwaliteitskader begrensd zijn, moeten deze grenzen niet als ‘absoluut’ worden gezien. Dat wil zeggen, een gebiedstypologie kent altijd een relatie met een aangrenzende gebiedstypologie, zo zijn de velden bijvoorbeeld onlosmakelijk verbonden met de kampen en kent het bebouwde gebied een sterke samenhang met de directe omgeving.
Figuur 4 - De structuurkaart toont de verschillende gebiedstypologieën
gebiedstypologieën in het bebouwd gebied
gebiedstypologieën in het buitengebied
Figuur 5 - Geabstraheerde tegels van de verschillende gebiedstypologieën
De typologie van het stedelijk gebied wordt gevormd door de woonwijken van de stad Weert. De typologie bestaat veelal uit naoorlogse woonwijken met duidelijke planmatige opzet, waarbij elke wijk zijn eigen identiteit en ontmoetingsplekken kent. Deze ontmoetingsplekken zijn er in verschillende vormen, van buurthuis tot een plein of park en van een basisschool tot een winkel. Toch wordt in het stedelijk gebied met name gewoond, waar werken en winkelen juist plaatsvindt in de nabijgelegen binnenstad en bedrijventerreinen.
Het stedelijk gebied wordt verder vaak gekenmerkt door de lommerrijke opzet met robuuste groenstructuren, denk bijvoorbeeld aan de bomenlanen langs de Limburglaan of Sint Jozefslaan, die fungeren als belangrijke structuurdragers van het gebied. Ook herkennen we nog altijd de karakteristieke lintbebouwing langs de historische wegen, tegenwoordig vaak fungerend als belangrijke ontsluitingsroutes van de woonwijken.
Aan de randen het stedelijk gebied, op de overgang naar het buitengebied, vinden we de kernranden. Ook de kernranden kennen elk hun eigen identiteit, afhankelijk van het aanwezige stedenbouwkundig patroon, aanwezige functies en landschapstypen.
De typologie van het hoogstedelijk gebied vinden we op dit moment in de historische binnenstad en de spoorzone. In het hoogstedelijk gebied vinden we een concentratie van commerciële, maatschappelijke en culturele functies, een hogere diversiteit van bebouwingsvormen en een variatie in ontmoetingsplekken. De historische binnenstad kent daarnaast een hoge concentratie van cultuurhistorische waarden in de vorm van historische wegenpatronen, rijksmonumentale panden en een gemeentelijk beschermd stadsgezicht. Vanaf de jaren ‘70 en ‘80 heeft ook hoogbouw zijn intrede gedaan in het gebied, waardoor het karakter van het centrum twee verschillende maat en schaal verhoudingen herbergt.
Hoewel de spoorzone op dit moment vooral nog bestaat uit enkele groenstructuren, sportvelden en aan het spoor gerelateerde functies, zal het gebied zich in de toekomst omvormen tot een een multifunctioneel gebied voor wonen, werken, bedenken en maken. Het wordt daarmee een gebied voor inwoners en ondernemers, bezoekers en medewerkers. Ook de ‘oostelijke stadsentree’ zal in de toekomst worden getransformeerd naar hoogstedelijk gebied.
Het hoogstedelijk gebied kenmerkt zich ook door de goede bereikbaarheid met allerlei vormen van vervoer. Hoewel de auto in de huidige situatie nog een grote rol kent, zal hij, gedreven door de goede bereikbaarheid, in de komende jaren een stapje opzij doen ten behoeve van het verbeteren van de bereikbaarheid voor voetganger, fietser en OV.
De gemeente beschikt over een divers palet aan bedrijventerreinen waarvan het merendeel gelegen is in en rondom de stad Weert.
De bedrijven op de bedrijventerreinen zijn goed voor 45% van de totale werkgelegenheid in de gemeente, hiermee is het economisch belang van de gebieden behoorlijk. Dit betekent eveneens dat een groot deel van de in Weert werkzame inwoners dagelijks naar een bedrijventerrein reist en hiermee de (lokale) bereikbaarheid van groot belang is voor het functioneren van de gebieden.
Hoewel de bedrijventerreinen onderling verschillen, kenmerken de bedrijventerreinen van Weert zich door hun ligging veelal aan de buitenrand van de stad en hun positionering langs grote uitvalswegen, de Zuid-Willemsvaart of het spoor. De aanwezige typologie is variërend, van lokale MKB’ers tot grootschalige distributiecentra, en van kantoorpanden tot zware industrie.
Door de toenemende vraag naar ruimte voor bedrijvigheid zal ook het aanbod aan werklocaties de komende jaren toenemen in de gemeente. Daarnaast zullen ook de huidige bedrijventerreinen een kwaliteitsslag moeten maken op het gebied van toekomstbestendigheid, energietransitie, klimaatadaptatie en ruimtelijke kwaliteit.
Verspreid over het buitengebied liggen een vijftal dorpskernen;
Altweerterheide, Laar, Stramproy, Swartbroek en Tungelroy. Ieder dorp heeft een eigen identiteit, zowel in ruimtelijk als in sociaal opzicht. Dat maakt de woon- en leefgemeenschappen veerkrachtig. De ruimtelijke kwaliteit in de dorpen leunt sterk op de nog aanwezige cultuurhistorische structuren en de kwaliteit van het omliggende landschap.
Buiten enkele locaties, met name in Stramproy, bestaat het woningaanbod voornamelijk uit laagbouw. Elke kern heeft zijn eigen maatschappelijke voorzieningen en de kern van Stramproy kent daarnaast enkele (lokale) commerciële voorzieningen.
Hoewel de ruimtelijke opgaven in de dorpskernen minder groot zijn dan in het stedelijk gebied, liggen er ook hier enkele opgaven wat betreft het uitbreiden van het kwantitatieve en kwalitatieve woningaanbod (voor eigen behoefte), het versterken van de recreatieve ontsluitingen en het behouden van de lokale voorzieningen. Een deel van de opgaven voor het versterken van de lokale leefomgeving liggen in de kernrandzones, die de overgang van dorpskern naar het buitengebied vormen.
De velden, ook wel kransakkers of bolle akkers genoemd, behoren tot de oudste bouwlanden van de gemeente en zijn daardoor van groot cultuurhistorisch belang. Ze zijn gelegen op de hogere zandgronden, zoals het Eiland van Weert, en kenmerken zich door hun bolle ligging en het sterke contrast tussen het open veld en de gesloten rand, die vaak bestaat uit bomenrijen langs de aangrenzende wegen. In het open veld komen, met uitzondering van een solitaire boom nabij een kruising van struinpaden, geen andere landschapselementen voor.
Rondom het veld is op sommige plaatsen de karakteristieke (lint-) bebouwing te vinden, zowel aan de binnen- als de buitenzijde van het veld. Vaak is het kavel van historische bebouwing omkaderd door opgaand groen, wat bijdraagt aan het gesloten karakter van de rand.
Voor de ruimtelijke herkenbaarheid van het veld is het van essentieel belang om het contrast tussen de karakteristieke open bolle akker en de gesloten rand van dit cultuurhistorisch waardevolle landschapstype zoveel mogelijk te behouden, te versterken en te herstellen. Naast de openheid is ook de krans van bebouwing en de leesbaarheid van de historische linten rondom het veld belangrijk voor het behoud van het karakter van het gebied.
Aangrenzend aan de velden bevinden zich de kampen, die net als de velden deel uitmaken van het oude cultuurland en daarmee van grote cultuurhistorische waarde zijn. De kampen liggen op de overgang van de hoogste en droogste delen van de zandgronden naar de jonge heideontginningen en beekdalen. Van oudsher zijn de kampen gekenmerkt door hun kleinschaligheid en afwisselende landgebruik. Zo vinden we er oude graslanden, akkers, vochtigere hooilanden op de lagere delen van de kampen en houtwallen en hagen om het vee te scheiden en zandverstuivingen vanuit de voormalige ‘woeste gronden’ (tegenwoordig grotendeels ontgonnen) tegen te gaan.
Hoewel de kampen zich van oudsher dus kenmerken door hun kleinschaligheid en afwisselende landgebruik, zijn veel van deze kenmerken gedurende de laatste decennia verdwenen als gevolg van de schaalvergroting van de landbouw. Wel vinden we in de kampen nog steeds een licht glooiend reliëf en het kenmerkende kronkelige wegenpatroon met op enkele plekken een soort ‘driestructuur’, vergelijkbaar met een dries*, waar drie wegen zich kruisen rondom een driehoekig perceel in het midden.
Voor de ruimtelijke herkenbaarheid van de kampen is het van essentieel belang de kleinschaligheid en het afwisselende landgebruik zoveel mogelijk te behouden, te versterken en te herstellen. Ook zou er ingezet moeten worden op het versterken van de natuurwaarden in relatie tot de verschillende aanwezige gradiënten.
*Het betreft hier geen ‘brink’, die meer kenmerkend is voor andere delen van Nederland
De droge heideontginning vinden we op de hogere en drogere delen van de voormalige ‘woeste gronden’, dat wat ooit deel uitmaakte van het uitgestrekte heidegebied rondom het Eiland van Weert. Door de natuurlijke omstandigheden, de geringe behoefte aan landbouwgrond en het ontbreken van geschikte landbouwtechnieken, begon de ontginning van deze gronden pas aan het begin van de 20e eeuw. Deze vond veelal plaats op rationele wijze, met rechte wegen en sloten, kleinschalige hoekige percelen en een groen raamwerk van bomenrijen en andere lineaire landschapselementen.
Tijdens de naoorlogse ruilverkavelingen werd een groot deel van dit karakteristieke halfopen landschap vervangen door een efficiëntere, grootschaligere inrichting. Dit ging gepaard met de aanleg van grotere kavels en een nieuw, eveneens grootschaliger groen raamwerk. Ook nam de bebouwing toe: zo groeide het gehucht Altweerterheide in deze periode uit tot een volwaardige kern.
Hoewel het huidige agrarische gebruik grotendeels aansluit bij de ruimtelijke kenmerken van de droge heideontginning, kan de herkenbaarheid – en daarmee het onderscheid met de meer open natte heideontginningen – worden versterkt. Dit kan onder meer door herstel van het oorspronkelijke groene raamwerk en het stimuleren van een gevarieerder, minder monotoon landgebruik. Dergelijke maatregelen dragen bovendien bij aan het vergroten van de natuurwaarden in het gebied.
Evenals de droge heideontginning, maakte de natte heideontginning voor een lange tijd deel uit van het uitgestrekte heidegebied rondom het Eiland van Weert. De natte heideontginning is lagergegelegen dan de droge heideontginning en grenst daardoor vaak aan één van de vele beekdalen die de gemeente rijk is. De typische natte heideontginning is grootschaliger en planmatiger van opzet, rijk aan waterlopen en door zijn mate van openheid vergelijkbaar met de nabijgelegen veenontginningen.
De naoorlogse ruilverkaveling heeft ook in de natte heideontginning zijn weerslag gehad. Percelen werden verder vergroot en efficiënter ingericht, terwijl het verdwijnen van bomenrijen het landschap nog meer open maakte. In tegenstelling tot de droge heideontginning bleef de uitbreiding van bebouwing hier echter beperkt; het aantal nieuwe boerderijen en woningen nam relatief weinig toe.
Door de combinatie van sloten, rechte wegen, grootschalige graslanden, bomenrijen en het ontbreken van bebouwing, kent het gebied een zekere ruimtelijke schoonheid. Toch kunnen de ruimtelijke leesbaarheid en natuurwaarden van het landschap versterkt worden door het herstel of ‘afronden’ van de kenmerkende lineaire landschapselementen, het natuurlijker inrichten van de kunstmatige ontwateringssloten en het vergroten van het waterbergend vermogen van het gebied.
De beekdalen vinden we op verschillende plekken in de gemeente. De beekdalen zijn door hun doorgaande natte structuur belangrijke structuurdragers van het landschap. Dit geldt niet alleen voor de ruimtelijke samenhang en leesbaarheid van het gebied, maar ook voor hun functie als ecologische verbindingszones en recreatieve structuren.
Er kan onderscheid worden gemaakt tussen twee typen waterlopen: de natuurlijke beekloop en de kunstmatige ontwateringsstructuur, die is aangelegd voor de afwatering van een gebied ten behoeve van agrarisch gebruik. Natuurlijke beeklopen zijn vaak te herkennen aan hun meanderende verloop, terwijl ontwateringsstructuren een meer functioneel en rechtlijnig karakter hebben. Dit onderscheid is doorgaans ook terug te zien in de naamgeving: natuurlijke beeklopen eindigen vaak op ‘-beek’, terwijl ontwateringsstructuren vaker eindigen op ‘-peel’ of ‘-lossing’.
De beekdalen – met name de hoger gelegen gronden binnen de natuurlijke beekdalen – kennen een rijke bewoningsgeschiedenis en zijn daardoor cultuurhistorisch en archeologisch van grote waarde. Zo vinden we er bijvoorbeeld resten van oude Romeinse bruggen en historische hoeves. Ook zijn de beekdalen, met name de verschillende moerassen en moerasbossen, van grote ecologische waarde.
Hoewel de beekdalen dus van grote waarde zijn, spelen er ook diverse ruimtelijke en ecologische opgaven. Er zijn uitdagingen op het gebied van het tegengaan van verdroging, het vasthouden en vertraagd afvoeren van water, het zichtbaar maken van cultuurhistorisch erfgoed en het stimuleren van toekomstbestendig agrarisch gebruik. Voor de ruimtelijke leesbaarheid van het beekdal is het bovendien essentieel om te werken aan het behoud, de versterking en het herstel van landschappelijke kenmerken die passen bij één van de drie typen beekdalen: het kamertjesdal, het bosdal of het open daltype.
Het bos- en mozaïeklandschap in de gemeente Weert bestaat hoofdzakelijk uit twee typen bos: de droge bossen op voormalige heidevelden en stuifzanden, en de vochtige broekbossen in venige en moerassige gebieden. Deze bossen bevinden zich op locaties waar agrarisch landgebruik vanwege natuurlijke omstandigheden nauwelijks mogelijk was, waardoor bosaanplant vaak de enige rendabele optie vormde.
De droge bossen zijn aan het begin van de 20e eeuw aangeplant, voornamelijk voor de mijnbouw of ter voorkoming van verstuiving van de schrale zandgronden. De overblijfselen van deze productiebossen – veelal gesloten naaldbossen met grove den, berk en zomereik – hebben slechts een beperkte ecologische waarde. Tussen deze bossen bevinden zich nog actieve stuifduinen, enkele grafheuvels en zogenoemde ‘boskamers’, waar verspreide bebouwing vaak samengaat met kleinschalig agrarisch gebruik.
Ook ligt hier het grootste urnenveld van Noordwest-Europa. Door hun gevoeligheid voor droogte staan de droge bossen onder toenemende druk als gevolg van klimaatverandering. Het omvormen van monotone naaldbossen naar gemengde, gelaagde en ecologisch waardevolle loofbossen behoort dan ook tot de belangrijkste opgaven voor deze gebieden.
Het grootste deel van de vochtige bossen heeft eveneens een oorsprong als productiebos. Er komen onder andere populierenbossen met een monotoon karakter voor, evenals hakhoutbossen waar het traditionele bosbeheer is stilgevallen of sterk is geëxtensiveerd. Veel van deze bossen zijn van oorsprong ondoordringbaar en drassig, met een grote structuurvariatie waar opgaande bosdelen worden afgewisseld met open plekken en struweel. Dankzij de combinatie van hoge waterstanden en soortenrijkdom hebben de vochtige bossen een grotere ecologische waarde dan de droge bossen. Toch staan ook de vochtige bossen onder druk, zowel door klimaatverandering als door menselijk ingrijpen. Het tegengaan van verdroging is essentieel en vraagt om maatregelen zoals het verwijderen van ontwateringssloten en het vergroten van de waterbergingscapaciteit. Daarnaast is het behouden, versterken en herstellen van de aanwezige gradiënt, van droog naar nat, essentieel voor de ruimtelijke leesbaarheid.
Figuur 15 - Ontwikkelprincipes in het bos- en mozaïeklandschap
Hoewel de ontwikkelprincipes uit hoofdstuk 3 al sturing geven aan ontwikkeling vanuit ruimtelijke eigenheid op het niveau van de gebiedstypologieën, kan er verdere sturing worden gegeven aan een ontwikkeling aan de hand van deelgebieden.
Zo doen bovenliggende documenten, zoals de Omgevingsvisie en Ruimtelijke Ontwikkelstrategie, al uitspraken over de hoofdrichting bij de ontwikkeling van een gebied, namelijk koesteren, inbreiden, transformeren of uitbreiden.
Vanuit de hoofdrichting, gebiedstypologieën, historische ontwikkeling, karakterisering, ruimtelijk voorkomen en programmatisch functioneren, is de gemeente in te delen in twintig verschillende deelgebieden (Figuur 17). Deze deelgebieden hebben betrekking op een bebouwd gebied, op een natuurlijk of agrarisch buitengebied of op een combinatie van de twee. Zo komen er in vrijwel elk deelgebied ook meerdere gebiedstypologieën voor en is de wisselwerking tussen de verschillende gebiedstypologieën in elk deelgebied dus van groot belang in de ruimtelijke eigenheid.
Voor elk deelgebied zijn de verschillende kenmerken, hoofdopgaven, kwaliteiten en structuurdragers geduidt. De terminologie van de kenmerken, kwaliteiten en structuurdragers volgt de lijn van het vorige hoofdstuk. De vierde term kan als volgt omschreven worden:
De hoofdopgaven van een deelgebied geven duiding aan de bovenliggende programmatische verandering of aan de opgave die benodigd is voor het behoud, herstel of versterking van de ruimtelijke eigenheid.
De tien thema’s van de OER beoordeling hebben gedurende het onderzoek en de analyse van de deelgebieden constant centraal gestaan. Deze thema’s en de beoordeling van de omgevingsvisie tonen de brede ambities van de gemeente Weert en is tot stand gekomen in samenwerking met verschillende stakeholders.
Het verschil tussen de waardering van de huidige situatie en de ambitie van de gemeente bepaald ook mede de ontwikkelrichting van het gebied en de hoofdopgaven. Daar waar een deelgebied laag scoort op alle thema’s, zal de ontwikkelrichting eerder transformeren dan koesteren zijn en zullen de hoofdopgaven dit verschil ook duiden. Voor een deelgebied dat over het algemeen juist goed scoort, zal het omgekeerde juist het geval zijn.
De waardering van de huidige situatie is voor elk deelgebied terug te vinden bij de beschrijving van het deelgebied. Bij de thema’s waar een waardering ontbreekt, is het thema op het deelgebied niet van toepassing.
Figuur 16 - Voorbeeld van de waardering van het deelgebied
Evenals de gebiedstypologieën kennen ook alle deelgebieden ontwikkelprincipes. Deze ontwikkelprincipes komen voort uit de specifieke kenmerken, hoofdopgaven, kwaliteiten, structuurdragers en de waardering van het deelgebied. Denk bijvoorbeeld aan het koesteren van de historische linten langs bepaalde wegen of versterken van de natuurwaarden in een bepaald natuurgebied.
De ontwikkelprincipes voor de deelgebieden zijn daarmee specifieker van aard en zijn van toepassing naast de reeds beschreven ontwikkelprincipes van de gebiedstypologieën. De ontwikkelprincipes dragen daarmee bij aan het behoud, herstel of de versterking van de ruimtelijke eigenheid van het deelgebied.
Voor elke gebiedstypologie duidt een geabstraheerde ‘tegel’ het ruimtelijke karakter en de ruimtelijke principes van een deelgebied. In deze tegel zijn ook de ontwikkelprincipes voor het deelgebied benoemd. In de kaarten en tegels zijn bijzondere structuurdragers, programma en cultuurhistorische waarden gehighlight met specifieke kleuren:
Hoewel de deelgebieden ten behoeve van dit Ruimtelijk Kwaliteitskader begrensd zijn, moeten deze grenzen niet als ‘absoluut’ worden gezien. Dat wil zeggen, indien een straat de grens vormt tussen twee deelgebieden, dient ook het deelgebied aan de overzijde van de straat meegenomen te worden in de beschouwing van de context.
Biest-Groenewoud is een voormalig weidegebied met het historische lint van de Biest met monumentale bebouwing, waar later naoorlogse uitbreidingswijken kwamen met een groot aanbod aan educatie- en zorgvoorzieningen.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 18 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 19 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Het deelgebied bevindt zich langs de noordelijke rand van het Eiland van Weert, waardoor het lange tijd een mix kende van oude cultuurlanden en historische linten, met enkele nog steeds aanwezige fraaie velden en kampen. Voor de toekomstige ontwikkeling van de stad is dit gebied aangewezen als plaats voor stadsuitbreiding waarmee een vermenging van de waarden met het stedelijk karakter in dit gebied denkbaar is.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 21 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 22 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Dit deelgebied bevat een concentratie van langs de Zuid-Willemsvaart gegroeide bedrijventerrein, inclusief zware industrie. Het gebied is grotendeels omsloten door hoog gewaardeerde natuur- en recreatiegebieden, maar kent zelf een zeer functioneel karakter met een ruimte die niet ingericht is op verblijf of aantrekkelijkheid. Het gebied bestaat uit De Kempen, Kanaalzone II en Kanaalzone III.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 24 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 25 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Dit deelgebied kent veel oud cultuurland waar de ruilverkaveling en schaalsprong van de 20ste eeuw relatief weinig effect hebben gehad. Het gebied ‘omarmt’ de stad Weert en Ringbaan aan de zuid(-oost)zijde en is daarmee belangrijk voor de beleving van het landschap in de gemeente. Het gebied kent een programma van landbouw gecombineerd met wonen.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 27 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 28 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Dit deelgebied bestond een lange tijd uit pelen en vennen in de woeste omgeving aan de rand van het Eiland van Weert. Al voor de oorlog werd het gebied in rap tempo ontgonnen. De kunstmatige Meilossing en Dijkerpeel zorgden, samen met de Tungelroyse Beek, voor de afwatering van het gebied. Door de ruilverkaveling zet de schaalvergroting na de oorlog door en groeit gehucht Altweerterheide uit tot een kern met kenmerkende naoorlogse wijken en rationele structuren. Door de relatief late ontginning van het gebied kent Altweerterheide weinig cultuurhistorisch erfgoed. Tegenwoordig kent het gebied nog altijd een agrarische functie met enkele grote veehouderijen en is de oudste ontginning van het deelgebied, de Kruispeel, omgevormd tot waardevol natuurgebied.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 30 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 31 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
IJzeren Man en Omgeving vormen een belangrijk recreatief uitloopgebied voor de gemeente Weert, en de stad Weert in het bijzonder. Het gebied bevat hoge aantrekkingskracht, onder andere door kleinschaligheid, natuurwaarde en (met name recreatieve) voorzieningen waaronder het zwembad en Natuur- en Milieucentrum.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 33 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 34 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
4.7 Kampershoek en Leuken-Noord
Het oorsponkelijke landschap van het Eiland van Weert is in dit deelgebied bijna geheel vervangen door industrie- en bedrijventerreinen, aangetrokken door de naastgelegen A2.
Binnen het deelgebied is wel variatie herkenbaar in o.a. het soort bedrijvigheid en ruimtelijke kwaliteit.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 36 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 37 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Dit deelgebied beslaat de wijk Leuken, die voornamelijk bestaat uit naoorlogse uitbreidingen, en een goed bereikbare overgangszone naar agrarisch buitengebied, met daarin meerdere grote intensieve veehouderijen. Als onderdeel van het Eiland van Weert bevat het deelgebied tevens oude cultuurlanden en een rijke cultuurhistorie.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 39 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 40 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Het deelgebied Op Den Dijk bevat heideontginningen en een nat kwelgebied die de overgang vormen tussen de uitbreidingen in Boshoven-Laar en de natuurgebieden aan de westzijde. Het gebied kent aan de westzijde kwel en was lang onderdeel van de woeste gronden rondom Weert. Tegenwoordig dient het voornamelijk als landbouwgebied. Voor de toekomstige ontwikkeling van de stad is een deel van dit gebied aangewezen als plaats voor stadsuitbreiding waarmee een vermenging van de waarden met het stedelijk karakter in dit gebied denkbaar is.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 42 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 43 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Het deelgebied Roermondseweg is op dit moment grotendeels in gebruik als agrarisch gebied met op enkele plekken bedrijvigheid en plaats voor energieopwekking. Er is een onderscheid te maken in het gedeelte ten noorden van het spoor, dat een drogere jonge heideontginning betreft, en het gebied ten zuid(-oost)en van het spoor, dat een vochtiger karakter kent en gedeeltelijk aansluit bij het kleinschalige landschap rondom Swartbroek. Voor de toekomstige ontwikkeling is een deel van dit gebied aangewezen als plaats voor uitbreiding van bedrijvigheid en opwek van energie.
Hoofdopgaven voor het deelgebied:
Figuur 45 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 46 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Het gebied Rond de Kazerne kenmerkt zich door een combinatie van woonprogramma en (zeer) ruim groen. In het gebied is cultuurhistorische waarde van verschillende tijdslagen aanwezig, terwijl ook hier - rond de kazerne - een nieuwe woonomgeving in de stad Weert wordt onwikkeld.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 48 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 49 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Hoewel het spoor al bijna 150 jaar in Weert aanwezig is, ontwikkelde het gebied eromheen zich pas na de oorlog in rap tempo tot een gebied met een divers programma, met onder andere een bedrijventerrein, woonwijken en sportparken.
Een typisch voorbeeld van een naoorlogse arbeiderswijk in dit deelgebied is Fatima, waar veel arbeiders van bedrijven in de spoorzone woonzaam waren. Ook in de toekomst zal de spoorzone zich in rap ontwikkelen, nu tot een hoogstedelijk woonmilieu waar wederom gewoond en gewerkt wordt.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 51 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 52 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
De kernen Stramproy en Tungelroy zijn gelegen op de hogere dekzandruggen in het zuiden van de gemeente en zijn gescheiden door het beekdal van de Tungelroyse Beek. Waar Stramproy zich in de naoorlogse periode ontwikkelde tot kern met voorzieningen, beperkte de ontwikkeling van Tungelroy zich tot de jaren ‘70 tot het historische lint. Tegenwoordig kennen beide kernen een een sterke saamhorigheid, een goede bereikbaarheid en een gezonde leefomgeving. Het gebied rondom beide kernen kent grotendeels een agrarische functie en er zijn enkele natuurgebieden zoals het Areven.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 54 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 55 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Dit deelgebied kan worden gekarakteriseerd als ‘de gemeente Weert in het klein’ - de kern ligt op een hoger en droger ‘eiland’ met agrarische functies op de oude cultuurlanden en is omringd door natte natuurgebieden. Door deze verscheidenheid aan gradiënten, is het buitengebied van Swartbroek gevarieerd en afwisselend. Voor een lange tijd bestond Swartbroek uit niet meer dan een samenkomst van enkele wegen en bebouwingslinten.
Hoewel deze structuur nog altijd te herkennen is, de historische wegen zijn bijvoorbeeld nog altijd de doorgaande structuren, is hij door de uitbreidingen in de jaren ‘70 en ‘90 wel minder leesbaar geworden. Door de ligging in de nabijheid van Weert zijn de (stedelijke) voorzieningen te vinden op korte afstand van het dorp. In het dorp zelf staat de leefbaarheid echter onder druk, onder andere door het verdwijnen van voorzieningen.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 57 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 58 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Vanuit dit deelgebied is de stad Weert gegroeid en zijn het ‘eiland’ en later de woeste gronden daaromheen getransformeerd tot de gemeente die we nu kennen. In het deelgebied zijn verschillende tijdslagen met waardes en uitdagingen te vinden. Het centrum vormt tegenwoordig het hart én uithangsbord van de stad met grote cultuurhistorische en economische betekenis.
Het centrum kent een sterk contrast tussen het historische patroon en de stedenbouwkundige kwaliteit van enkele herstructureringen van de latere 20ste eeuw: van een kleinschalig stratenpatroon met markten, radialen en monumentale bebouwing, tot een grote schaal die na de oorlog met name aan de noord- en westzijde is toegevoegd;
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 60 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 61 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Tussen de Zuid-Willemsvaart en de Ringbaan ingeklemd liggen een aantal jonge woonwijken, veelal met (zeer) hoge ruimtelijke kwaliteit door de groene opzet, en een uitstekende bereikbaarheid. Het gebied kent door zijn locatie nabij het centrum ook een rijke geschiedenis, waarvan enkele relicten nog steeds te zien zijn.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 63 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 64 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Keent, Moesel en Graswinkel zijn uitbreidingswijken die in fases na de oorlog zijn aangelegd in een gebied dat lang - door de barrièrewerking van het spoor - een landelijk karakter had gekend met enkele historische linten richting het buitengebied verderop.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 66 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 67 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Het deelgebied Weerter Boulevard beslaat een smalle strook tussen het spoor en de Roermondseweg. Het deelgebied is vanaf de jaren ‘90 ingevuld als terrein voor bedrijven en grootschalige retail, waarbij vroegere cultuurhistorische structuren grotendeels verloren zijn gegaan. Als onderdeel van de oostelijke stadsentree voor zowel weg als spoor, heeft dit gebied een belangrijke rol in de uitstraling en economie van de stad.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 69 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 70 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
4.19 Weerter- en Budelerbergen en Laurabossen
Dit deelgebied bestaat grotendeels uit natuurgebieden, veelal met status als Natura 2000 gebied of NatuurNetwerk Nederland. Ook kent het gebied sinds 2024 als onderdeel van Kempen~Broek de status van UNESCO Mens en Biosfeergebied. Door de vele gradiënten, van hoog naar laag en van nat naar droog, zijn er vele verschillende natuurtypen te vinden het gebied zoals droge heide, stuifzandgebieden en broekbossen. Hoewel het gebied dus grotendeels bestaat uit natuurgebieden, komt er binnen de contouren van het deelgebied ook agrarisch, woon- en militair gebruik voor. Daarnaast vinden op de Boshoverheide het grootste urnenveld van Noordwest-Europa, daterend uit de late bronstijd- ijzertijd. Het gebied vormt een belangrijk uitloopgebied voor inwoners van de gemeente.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 72 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 73 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
4.20 Wijffelter Broek en Omgeving
Het deelgebied Wijffelterbroek en Omgeving maakte lang deel uit van de woestenij aan de rand van het Eiland van Weert. Nadat in de vooroorlogse periode grote delen van de droge heide werden ontgonnen en aangeplant met productiebos, ontstond hier het kenmerkende bos- en mozaïeklandschap. In de naoorlogse periode werd ook de Wijffelterbroek zelf ontgonnen, waarbij afwateringssloten en de kunstmatige waterloop ‘de Raam’ zorgden voor de waterafvoer richting de Tungelroyse Beek. Tegenwoordig heeft het gebied aanzienlijke natuurwaarden, met droge bossen op hogere gronden en vochtige loofbossen en moerassen in lager gelegen delen, en vormt het een waardevol uitloopgebied voor de inwoners van het nabijgelegen Stramproy.
Hoofdopgaven voor het deelgebied
Figuur 75 - Luchtfoto van het deelgebied
Kwaliteiten en structuurdragers
Kwaliteiten van het deelgebied
Figuur 76 - Structuurkaart en structuurdragers van het deelgebied
Naast ruimtelijke kenmerken zijn er ook bestaande beleidskaders die van invloed kunnen zijn op de ontwikkeling. Van kaders ten aanzien van cultuurhistorie, archeologie, natuur en landschap tot mogelijkheden voor hoogbouw. Figuur 78 toont een overzicht van het geldende beoordelingskader indien sprake is van een vergunningplichtige aanvraag. In basis is dit onder te verdelen in beoordelingen door de CRK en ambtelijke beoordelingen:
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2025-570515.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.